Porn King: The Rise And Fall Of Ron Jeremy

Channel 4

Als de documentaire Porn Star: The Legend Of Ron Jeremy in 2001 wordt uitgebracht, geniet de hoofdpersoon met volle teugen van zijn cultstatus als de bekendste mannelijke pornoster van de wereld. In de film van Scott J. Gill komen diverse jonge fans aan het woord die Ron Jeremy willen zijn, best zijn gereedschap willen hebben en ook wel eens een dagje met hem willen ruilen. Juist omdat hij ‘dik, harig en lelijk’ is, zo gewoon, een schlemiel bijna, spreekt hij blijkbaar tot de verbeelding. Intussen begeeft de notoire aandachtsjunk zelf, die overigens pijnlijk eenzaam oogt, zich in de realitywereld en probeert hij serieus genomen te worden als acteur en komiek.

Ruim twintig jaar later plaatst het Britse tweeluik Porn King: The Rise And Fall Of Ron Jeremy (94 min.) van Storm Theunissen de aaibare sekswerker in een totaal ander licht. Ruim dertig vrouwen, waaronder oud-collega’s uit de ‘adult entertainment business’ zoals Lianne Young en Alana Evans, beschuldigen de knuffelbeer van de Amerikaanse porno inmiddels van aanranding en verkrachting. Juist in de seksbusiness is het lastig om zulke aantijgingen hard te maken, stellen de betrokken vrouwen. ‘De grenzen zijn verwarrend’, zegt Alana Evans. ‘Maar de realiteit is eigenlijk heel simpel: je verkracht een pornoster op precies dezelfde manier als elke andere vrouw.’

De ervaringen van Ginger Lynn met Jeremy in de jaren tachtig maken echter duidelijk hoe gecompliceerd de verhoudingen in het sekswerk kunnen zijn. Kan ik als pornoster eigenlijk wel verkracht worden? vroeg ze zich af nadat Jeremy zich op haar 21e verjaardag, tussen filmopnames op Hawaï door, aan haar zou hebben vergrepen. Ze was bovendien contractueel verplicht om een dag later nog een scène met hem te doen. En ook in de navolgende decennia zou Lynn nog in diverse films met hem spelen. ‘Dat is míjn slechte beslissing, míjn slechte beoordelingsvermogen, míjn verslaving, míjn probleem’, zegt ze daarover nu. ‘Niet het jouwe. Blijf uit mijn leven!’

Sommige collega’s uit de sekswereld nemen het in Porn King op voor Ron Jeremy, die geen kwaad in de zin zou hebben gehad. Met de jaren begint hij te ogen als, zoals Alana Evans het plastisch verwoordt, ‘de cartoon-versie van een perverseling’. Hij lijkt steeds ontremder te worden en ook mentaal flink in te leveren. Tijdens een interview met Robert Jensen dreigt hij zowaar meerdere malen in te dutten. Intussen heeft #metoo – na erkende ‘pigs’ als Harvey Weinstein en Bill Cosby – ook ‘The Hedgehog’ ingehaald. Terwijl deze behoorlijke tv-docu de aanklachten tegen hem nog eens in de verf zet, zit Jeremy in een cel te wachten op het oordeel van de rechter.

Achteraf lijkt het een ongeluk dat wel moest gebeuren: een in wezen onzekere Joods-Amerikaanse jongen ontdekt een even uitgesproken als discutabel talent, waardoor hij wereldberoemd wordt en overal wordt begroet door mannen die hem op handen dragen en vrouwen die spontaan hun borsten aanbieden voor een handtekening. Wie bewaakt er dan nog de grenzen? Ron Jeremy kon het blijkbaar niet – en wilde dat waarschijnlijk ook niet.

The Last Dolphin King

Netflix

Een filmpje van welgeteld 99 seconden dreigt hem de kop te kosten. José Luis Barbero werkt al dertig jaar met dolfijnen. Hij is begonnen bij Marineland op Mallorca en heeft daarna ook dolfinaria geleid op andere plekken in Spanje. In 2015 krijgt hij een kans uit duizenden: Barbero wordt gevraagd door het grootste aquarium ter wereld, Georgia Aquarium in Atlanta, om de dolfijnenshow opnieuw op te zetten. En dan zet de Spaanse dierenrechtenorganisatie SOS Delfines een video online waarop de gerenommeerde dolfijnentrainer zijn dieren lijkt te mishandelen.

Niet veel later is The Last Dolphin King (originele titel: ¿Qué Le Pasó Al Rey De Los Delfines?, 94 min.) spoorloos verdwenen. ‘s Mans vermissing vormt het startpunt voor deze gedegen film, waarin Luis Ansorena Hervés en Ernest Riera alterneren tussen de zoektocht naar de 59-jarige trainer en zijn levensverhaal, dat wordt gedomineerd door zijn passie voor dolfijnen, tomeloze ambitie én fikse conflicten. De gedreven Barbero krijgt het bijvoorbeeld aan de stok met het management van de bedrijven waarvoor hij werkte, zijn eigen medewerkers en verontwaardigde dierenbeschermers.

Het filmpje waarmee hij aan de schandpaal wordt genageld speelt daarbij een essentiële rol: is het een waarheidsgetrouwe weergave van hoe Barbero met dolfijnen omgaat of een slinks gemonteerde video die is bedoeld om hem te beschadigen? In The Last Dolphin King stappen voor het eerst de makers ervan, de activisten K en V, uit de anonimiteit en vertellen over hun beweegredenen. Tegelijkertijd doemt vanuit de achtergrond een ander thema op: de toxische werkcultuur die de dominante dolfijnentrainer om zich heen creëerde, waarbij tieren en schelden bepaald niet werd geschuwd.

Met fraaie archiefbeelden vanuit verschillende dolfinaria – waaronder een aangrijpende scène waarin Barbero en enkele medewerkers een bal proberen te verwijderen bij een dolfijn die daardoor dreigt te stikken – en gesprekken met zijn vrouw Mari García, zoons Marcos en Jordi, enkele directe collega’s en de leiding van Georgia Aquarium reconstrueren Hervés en Riera de opkomst en ondergang van José Luis Barbero. Een man die het allerhoogste, Champions League-niveau zogezegd, nastreefde met alles wat hij, de dolfijnen en zijn trainers in zich hadden.

Much Ado About Dying

Soilsiú Films

Terwijl de Britse filmmaker Simon Chambers voor een documentaire over het volledig vastgelopen verkeer in Delhi (werktitel: Carmageddon) is beland, begint hij dagelijks telefoontjes te krijgen vanuit Londen. Zijn 83-jarige oom David doet een dringend beroep op hem. ‘I think I may be dying.’

Zoals ‘t een ‘obstinate oude man’ betaamt wil David Newlyn Gale echter zowat alles, behalve naar een verzorgingshuis. Als Simon eenmaal in Davids onvervalste hoardershuis is aanbeland, schreeuwt die ’t zelfs uit van de pijn. Vanuit zijn bed begint de voormalige acteur, met een van pijn vertrokken gezicht en beide handen getormenteerd op het hoofd, aan een getergde monoloog. ‘Jullie zijn mannen van steen. Had ik jullie tongen en ogen maar…’

Simon legt het tafereel vast met zijn camera. Ze zijn samen bezig met een filmopname van de slotscène van Shakespeare’s King Lear, als de koning helemaal doordraait. Tijdens het filmen voor Much Ado About Dying (83 min ), dat zo’n vier jaar in beslag zal nemen, begint Simon zich steeds vaker te voelen als Lears vermaarde dwaas. ‘Wordt die niet geacht om de koning te steunen en begeleiden’, vraagt David hem ostentatief. ‘Terwijl die gekker en gekker wordt?’

Zijn oom, een bijzonder theatrale persoonlijkheid die hele gesprekken met zichzelf voert en complete performances geeft, is al jaren niet meer buiten geweest. Hij leeft op blikken soep, plast in jampotten en krijgt regelmatig kortsluiting. ‘En dan waren er nog de muizen’, vertelt Simon die de situatie en gebeurtenissen met een slimme voice-over inkadert. ‘David hoorde dat muizen niet van pepermunt houden. Daarom had hij rond alle stopcontacten tandpasta gesmeerd.’

David Newlyn Gale is er een meester in om Jan en alleman voor zijn karretje te spannen en ondertussen hun leven grondig te ontregelen. Althans, zo ervaart zijn volwassen neef dit, terwijl hij steeds verder het bestaan van dit wonderlijke familielid wordt ingezogen. Tragikomische en dramatische gebeurtenissen wisselen elkaar daarin voortdurend af. Chambers zet de tering uiteindelijk naar de nering en creëert zo een ingenieuze vertelling die net zo goed over hemzelf gaat als over die eigenzinnige oom.

Die stuurt hij vervolgens met vaste hand aan op de te verwachten en desondanks indrukwekkende climax van deze delicieuze film. Als deze King Lear, hoe gek hij soms misschien ook lijkt, weer gewoon mens onder de mensen wordt.

McEnroe

Volgens zijn tweede vrouw Patty Smyth zit hij beslist ergens op ‘het spectrum’. Zou dat misschien, dacht de leek, een verklaring kunnen zijn voor John McEnroe’s ongecontroleerde woede-uitbarstingen op de tennisbaan? Een opvallend oog voor detail, sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en moeite om zich in een ander te verplaatsen – of het nu de opponent, een scheidsrechter of het publiek is – zou kunnen duiden op een autismespectrumstoornis. Zou. Kunnen. Het zou ook kunnen dat McEnroe (103 min.) gewoon een verwend ventje was, dat totaal niet tegen zijn verlies kon.

De ‘superbrat’, heerlijk gepersifleerd in de eightieshit Chalk Dust – The Umpire Strikes Back, meldde zich halverwege de jaren zeventig in de internationale tennistop, toen die werd gevormd door gladiatoren als Ilie Nastase, Vitas Gerulaitis en Jimmy Connors. McEnroe’s ultieme opponent zou echter de Zweed Bjorn Borg worden. De twee waren als water en vuur – de kalmte zelve versus het vleesgeworden heethoofd – en werden toch vrienden. Hun heroïsche gevechten, door beide mannen becommentarieerd, vormen ook het wild kloppende hart van Barney Douglas’s persoonlijke portret van John McEnroe.

Toen Borg al op 26-jarige leeftijd met tennispensioen ging, verloor ook zijn kameraad en rivaal een beetje de lust om te ballen. ‘Ik ben de grootste speler die ooit heeft gespeeld’, vertelt McEnroe nu over de post-Borg periode, waarin hij nochtans de onbetwiste nummer één van de wereld werd. ‘Maar waarom voelt dat dan niet bijzonder?’ Terwijl hij de successen aaneen reeg, stevende het enfant terrible onmiskenbaar af op wat hij zelf een ‘meltdown’ noemt. In de finale van Roland Garros in 1984, waarvan Douglas een kantelpunt in zijn leven maakt, speelde hij behalve tegen Ivan Lendl vooral tegen zichzelf. ‘Ik had het gevoel dat ik verdoemd was.’

En daarna zou het voorlopig alleen bergafwaarts gaan met John McEnroe, die ook nog in een slecht huwelijk met actrice Tatum O’Neal verzeild was geraakt. Als zestiger blikt hij – terzijde gestaan door zijn huidige echtgenote, broers, kinderen, dubbelspelpartner Peter Fleming, tennisicoon Billie Jean King en rock & roll-vrinden zoals Keith Richards en Chrissie Hynde (The Pretenders) – in deze geladen film diepgaand en zelfkritisch terug op deze periode, die als een catharsis heeft gewerkt. Hij is er de man door geworden die hij nu is: een perfectionist, iemand voor wie empathie lastig blijft en toch een uitgesproken familiemens.

Zo komt de mens (die de hele film – waarom eigenlijk? – door de verlaten nachtelijke straten zwerft van zijn geboorteplek Douglastown, New York) in deze geslaagde karakterschets méér dan voldoende achter het tennisicoon vandaan.

Enkele jaren geleden werd er al een filosofische documentaire over de voormalige toptennisser gemaakt: John McEnroe: In The Realm Of Perfection.

Running With The Devil: The Wild World Of John McAfee

Netflix

‘Is McAfee een succesvolle ondernemer die gek is geworden en zijn buurman vermoordde?’ vraagt de hoofdpersoon van Running With The Devil: The Wild World Of John McAfee (106 min.) zich hoogstpersoonlijk af in het vet aangezette intro van deze documentaire. ‘Of is hij de mogelijke redder van Amerika?’ Bij beelden van de populaire talkshow van Larry King, waarin hij zichzelf vervolgens presenteert als presidentskandidaat, gooit John McAfee er nog maar eens een smakelijke oneliner in. ‘Ik wil niemand alcohol, drugs, geweld of krankzinnigheid aanpraten’, zegt hij onderkoeld, als een onvervalste Hollywood-held. ‘Maar bij mij heeft het gewerkt.’

En daarmee is het spel op de wagen voor deze slicke schelmendocu waarin, wederom volgens de Brits-Amerikaanse antivirussoftware-pionier zelf, ‘James Bond meets Scarface, with a little Indiana Jones’. Documentairemaker Charlie Russell is duidelijk in zijn nopjes met zijn larger than life-hoofdpersoon en serveert diens doldwaze lotgevallen uit met de bravoure van een willekeurige blockbuster. Daarmee is hij overigens zeker niet de eerste. In 2017 verscheen bijvoorbeeld het al even smeuïge Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee. Toen was de man alleen nog in leven. In 2021 viel definitief het doek voor de voorstelling van de toen 75-jarige durfal.

En dus kan nu de balans worden opgemaakt van een leven dat John McAfee over hoge toppen en door diepe dalen sleurde. Russell is alleen duidelijk niet van plan om een doorwrocht portret te maken, waarin alle bokkensprongen van zijn subject op hun plek worden gezet binnen een geloofwaardig narratief. Hij concentreert zich liever op McAfee’s vlucht uit Belize in 2012, nadat hij daar verdachte werd in een moordzaak. De rouwdouwer nam de wijk naar Guatemala, gevolgd door een cameraploeg. En VICE-verslaggever Rocco Castoro en cameraman Robert King delen nu natuurlijk maar al te graag hun verhaal en claimen zo meteen hun eigen ‘fifteen minutes of fame’.

McAfee’s veelbewogen bestaan wordt daarmee gereduceerd tot het mediaspektakel dat hij er in de laatste jaren willens en wetens van heeft gemaakt. De man daarachter laat zich evenwel nauwelijks zien, ook niet in interviews met zijn toenmalige, ternauwernood meerderjarige, vriendin Samantha Venegas en latere liefde, de voormalige prostituee Janice Dyson. Zoals ook zijn ghostwriter Alex Cody Foster, die waarschijnlijk ook een graantje wil meepikken, vooral sterke verhalen toevoegt, die hij van de ‘bullshitter’ zelf te horen heeft gekregen. Over hoe die de halve wereld heeft gehackt en uit de weg dreigt te worden geruimd door het Sinaloa-drugskartel.

Pas in het laatste deel van de film krijgt McAfee’s eindeloze stroom van zelf veroorzaakte ellende, broodje aap-verhalen en doorgesnoven paranoia iets meer context en duiding. Als er echt wezenlijke dingen uit zijn verleden boven tafel dreigen te komen, dient zich echter meteen een spraakmakende theorie aan. Die is voor een buitenstaander met geen mogelijkheid op waarde te schatten, maar haalt de focus wel weer weg van wat McAfee nu werkelijk heeft gemaakt tot wie hij is. Running With The Devil blijft daardoor steken op het niveau van een lekker trashy realityshow, waarbij de opperfreak tot het bittere eind bereid blijft om alles te doen waarmee hij de aandacht kan vasthouden.

The Most Hated Man On The Internet

Netflix

Als The Most Hated Man On The Internet (162 min.) van Rob Miller een klassieke Hollywood-actiefilm zou zijn geweest, dan was die waarschijnlijk aangeprezen met een smeuïge tagline in de trant van: ‘one woman’s mission to detroy The King Of Revenge Porn’.

Die vrouw heet Charlotte Laws en krijgt te horen dat er illegaal een topless foto van haar dochter Kayla is gepubliceerd op de schmutzige website IsAnyoneUp.com. Charlotte, een voormalige ‘partycrasher of the rich and famous’ die wordt ondersteund door echtgenoot/advocaat Charles, zet alles in het werk om die website uit de lucht te krijgen en de kwade genius daarachter, de cynische internetpiraat Hunter Moore, een kopje kleiner te maken.

Een typisch heldenverhaal dus: goede vrouw pakt slechte man aan. Een thema dat Netflix in de afgelopen jaren al op diverse manieren heeft aangegrepen voor aantrekkelijke true crime-achtige producties: van The Tinder Swindler en Bad Vegan tot Don’t F**k With Cats en The Puppet Master. Een gecompliceerde – en wellicht ook enigszins genuanceerdere – werkelijkheid wordt daarbij aangeboden in een hap-slik-weg verpakking.

Hoe komt Moore aan de foto’s? Met die vraag kan deze formule-achtige film, waarin alle betrokken netjes de rol spelen die hen is toebedeeld, wel even vooruit. Hij zal zijn slachtoffers toch niet hebben gehackt? Charlotte laat zich de hoofdrol van onverschrokken heldin intussen maar al te graag aanleunen. Zoals ook de bijrollen goed bezet zijn: haar dochter is overtuigend als onschuldig slachtoffer en de schurkenrol blijkt Moore op het lijf geschreven.

Hij verschuilt zich met liefde en plezier achter het argument dat hij slechts de beheerder van het ranzige platform is. Wat daarop wordt geplaatst is natuurlijk niet zijn verantwoordelijkheid – al verdient hij er wel een aardige zakcent mee. Intussen doet deze driedelige docuserie min of meer hetzelfde: het treurige relaas van een jonge vrouw die zich als ‘Butthole Girl’ publiekelijk heeft ‘laten’ vernederen, wordt bijvoorbeeld nauwelijks meer dan clickbait.

Echte interesse voor haar verhaal – of voor dat van de andere gekleineerde, misbruikte en soms zelfs volledig geknakte vrouwen – is er niet in deze typisch Amerikaanse productie. Zoals ook Hunter Moore nooit meer wordt dan een verachtelijk personage, waarbij eenieder zich moreel verheven kan voelen. En aan het eind, ook al zo bevredigend, wordt de slechterik natuurlijk ingerekend en, op zijn minst in gedachten, geboeid afgevoerd.

Toch is het niet ondenkbaar dat diezelfde kijker na afloop ook achterblijft met een ongemakkelijk gevoel, dat wel aardig wordt samengevat met de boodschap die IsAnyoneUp steevast stuurde als iemand stiekem naaktfoto’s had geüpload: ‘Thank you for being evil.’

Dit Was Aad, Goedenavond

KRO-NCRV

‘Hoe kan dat nou, iemand die zoveel betekend heeft voor de Nederlandse televisie?’ vraagt Mark van den Heuvel zich enigszins verontwaardigd af, als hij samen met zijn zus Caroline ontdekt dat hun vader Aad ontbreekt op de Wall of Fame van museum Beeld & Geluid te Hilversum. ‘Met Brandpunt, met de Alles Is Anders-show, met de J.C.J. Van Speykshow, met Ook Dat Nog!, waar ook vier miljoen mensen naar keken. Ja, dan mag er toch op zijn minst wel iets tastbaars hier te vinden zijn.’

Het overlijden van journalist en televisiemaker Aad van den Heuvel ging in de zomer van 2020 ook al enigszins verloren in het nieuws over de Coronacrisis. Zijn kinderen Mark en Caroline, die in navolging van hun vader eveneens in de journalistiek terecht zijn gekomen, betreuren dat. Met Dit Was Aad, Goedenavond (50 min.) richten ze alsnog een televisiemonumentje op voor de man die zij overigens consequent ‘Aad’ noemen, een pionier die altijd de wijde wereld opzocht en mede daardoor als vader wat op afstand bleef.

Mark bezoekt bijvoorbeeld samen met zijn jeugdvriend Matthijs van Nieuwkerk idyllische plekken uit hun jeugd die ze associëren met Aad, gaat op audiëntie bij Joop van den Ende en ontmoet Youp van ‘t Hek, die doorbrak met een optreden in een tv-programma van zijn vader. Caroline spreekt op haar beurt af met collega’s als Catherine Keyl en Fons de Poel, kijkt met cameraman Ron van der Lugt ruw materiaal uit Rwanda terug en zoekt Aads weduwe Annette op, om beelden uit hun privé-archief te bekijken.

Hun vader had last van het tegendeel van heimwee. ‘Fernweh’, noemde Aad van den Heuvel dat zelf. Hij wilde zijn waar het gebeurde. En dus deed hij bijvoorbeeld vanuit Memphis verslag van de moord op Martin Luther King, was hij ooggetuige van een bombardement in Biafra en kon hij de Indonesische leider Soekarno net voordat die afstand moest doen van de macht nog een vileine vraag stellen. Toen hij later in zijn carrière aan het lichtere werk begon, bleef zijn betrokkenheid bij de wereld.

Volgens Anna Visser, met wie Aad van den Heuvel de idealistische omroep Llink oprichtte, was hij ‘behoorlijk woke voor een witte oude man’. En zo gaat hij ook de herinnering in: als een westerse journalist die altijd over de grenzen van zijn eigen wereld heen wilde kijken.

Ethel

HBO Max

Robert Kennedy is een symbool geworden: de rechterhand van president John F. Kennedy, hoop van een nieuwe generatie én slachtoffer in een golf moordaanslagen die de jaren zestig danig zouden verpesten en ook Martin Luther King, Malcolm X en zijn oudere broer John het leven hebben gekost. Voor filmmaakster Rory Kennedy was hij echter gewoon haar vader.

En voor Ethel (93 min.) was hij Bobby, de echtgenoot met wie ze maar liefst elf kinderen op de wereld zou zetten. De man die ze op 6 juni 1968 moest afgeven. Sirhan Sirhan maakte na een campagnebijeenkomst in Californië en plein public een einde aan zijn leven – al is er bij menigeen, zoals dat gaat bij dit soort ontwrichtende gebeurtenissen, ook twijfel of hij wel de (enige) dader was.

Deze persoonlijke film uit 2012 richt zich op Robert F. Kennedy (1925-1968), de vader, het voorbeeld, de familieman. Herstel: deze persoonlijke film richt zich op Ethel Skakel Kennedy (1928-), de moeder, het voorbeeld, de familievrouw. De mater familias, die in haar eentje al die Kennedy-kinderen richting volwassenheid moest begeleiden. Ze leeft nu al meer dan een halve eeuw zónder Bobby.

Rory, die nog niet geboren was toen haar vader stierf, realiseert zich overigens direct waar de belangrijkste wegversperring naar het wezen van haar moeder zit: recht tegenover haar, vriendelijk glimlachend. Al haar broers en zussen zijn maar al te bereid om haar te woord te staan. Maar de hoofdpersoon zelf… ‘Al deze introspectie,’ verzucht haar moeder op een gegeven moment. ‘Ik haat het!’

Uiteindelijk wordt de soep niet zo heet gegeten als ie is opgediend en blijft geen onderwerp onbesproken: Bobby’s omstreden klus voor senator Joe McCarthy die een kwaadaardige heksenjacht op communisten ontketende, het vliegtuigongeluk dat Ethels ouders het leven kostte, haar aanvaringen met de wet, de rouw na de moorden op John en haar echtgenoot en het (lange) leven ná Bobby.

Samen met haar moeder, broers en zussen – en in de rug gedekt door werkelijk prachtige familiefilmpjes en treffende nieuwsreportages – boetseert Rory Kennedy een hartveroverende vertelling uit dat veelbewogen leven in de kantlijn van grote gebeurtenissen. Daarvan was Ethel overigens zo’n 99 maanden zwanger, misschien wel haar grootste prestatie en in elk geval haar meest tastbare erfenis.

Ethel wordt daarmee zowel een modern sprookje als een messcherp portret van de Verenigde Staten in de tweede helft van de twintigste eeuw, via de familie die als geen ander de Amerikaanse Droom – en de ontmanteling daarvan – belichaamde. En natuurlijk gaat deze egodocu net zoveel over de vader die Rory Kennedy nooit heeft gekend als over de moeder naar wie ze de film heeft vernoemd.

Trust No One: The Hunt For The Crypto King

Netflix

Begin 2019 komt de onheilstijding: Gerald Cotten, de dertigjarige oprichter van de Canadese cryptowisselbeurs QuadrigaCX, is tijdens een reis in India plotseling overleden. Hij neemt de wachtwoorden van zijn klanten mee het graf in. Ruim tweehonderd miljoen dollar, geïnvesteerd in bitcoins, wordt daardoor onbereikbaar. 

Enkele Quadriga-gebruikers, waaronder een digitaal geanonimiseerde investeerder met de schuilnaam QCXINT, laten het er niet bij zitten en gaan online op zoek naar hun geld. Ze beginnen zich al snel af te vragen of Gerry eigenlijk wel dood is. Is die nerdy jongen, die nog geen vlieg kwaad leek te doen, er misschien stiekem tussenuit geknepen met hun inleg?

Dat is een aardige premisse voor Trust No One: The Hunt For The Crypto King (91 min.), een diepe duik in de ondoorzichtige wereld van het grote (virtuele) geld, waarbij ook nu weer niets is wat het lijkt en het antwoord op de ene vraag alleen maar een volgende vraag inluidt. Waarbij het bovendien, zo gaat dat dan, de vraag is wanneer een bruikbare hypothese verandert in een ordinaire complottheorie.

Met slachtoffers, direct betrokkenen en enkele deskundigen probeert regisseur Luke Sewell in deze interessante financiële thriller door te dringen tot de kern van de grootschalige zwendel (?), die een spoor van gedupeerden heeft achtergelaten. Zij willen genoegdoening, maar bij wie kunnen ze terecht voor digitaal geld dat spoorloos is verdwenen en misschien zelfs wel nooit heeft bestaan?

Tiny Tim: King For A Day

Man, vrouw, volwassene en kind. Ze gingen allemaal in de blender, volgens Susan M. Khaury Wellman. En eruit kwam Tiny Tim, alias Herbert Butros Khaury (1932-1996), een performer met een uitgesproken ‘seksuele, politieke en etnische ambiguïteit’. Susan wist het meteen: met Tim wil ik trouwen. Hij was alleen ‘half-homo’, maar dat ging volgens haar meer om identiteit dan om seksuele voorkeur. 

Niemand kon in elk geval zo overtuigend zingen op ‘the sissy way’. Tim begon in de jaren vijftig op te treden te midden van andere toenmalige misfits, zoals Het Armloze Wonder en De Scherpschutter Zonder Handen. Hijzelf werd destijds De Menselijke Kanarie genoemd. Nee, echt serieus werd de androgyne artiest, met die nét iets te hoge stem en zijn eeuwige ukelele, toen niet genomen. Totdat Tim een plek vond binnen de tegencultuur van de jaren zestig en als cultfiguur een graag geziene gast in allerlei televisieprogramma’s werd. Op het gênante af.

In Tiny Tim: King For A Day (75 min.) roept regisseur Johan von Sydow de wondere wereld van deze welhaast vergeten ‘freak’ uit New York op. Hij maakt daarbij gebruik van heel persoonlijke dagboekfragmenten van zijn protagonist, die worden ingelezen door diens geestverwant ‘Weird Al’ Yankovic. Von Sydow ondersteunt Tims gedachtewereld bovendien met fantasievolle zwart-wit animaties. Zo worden kerngebeurtenissen uit zijn veelbewogen verleden opgehaald en ook de sombere binnenkant van de extraverte publieke persoonlijkheid inzichtelijk gemaakt.

Deze inkijkjes in het leven van de excentriekeling worden gestut door interviews met zijn weduwe, dochter, neven, jeugdliefde, vrienden, muzikanten, manager, biograaf en de voorzitter van de Tiny Tim-fanclub. Ook zij herkenden in de flamboyante performer een getormenteerde ziel. Die raakt in de tweede helft van dit empathische portret langzaam uit de gratie en verwordt dan tot een tamelijk deerniswekkende figuur. Volgens schrijver Will Friedwald heeft hij nochtans hoogstpersoonlijk het pad geëffend voor androgyne sterren als David Bowie, Prince en Boy George.

Behalve een charmant portret van een eigenzinnige entertainer werkt Tiny Tim: King For A Day ook als aanklacht tegen het soms ontzettend cynische talkshowcircuit, dat buitenbeentjes eerst enthousiast binnenhaalt, daarna helemaal uitmelkt en tenslotte achteloos dumpt. Als ‘koning’ van de dag, een wegwerpproduct met een beperkte uiterste houdbaarheid. Zo bezien krijgen Tims bezoekjes aan de show van Johnny Carson zelfs bijna een wreed karakter. Geamuseerd kijkt Amerika’s bekendste talkshowhost steeds toe hoe zijn gast zichzelf keer op keer te kijk zet.

Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy

Prime Video

In de nasleep van de Rodney King-rellen in Los Angeles startte Guy Torry begin jaren negentig een speciale avond met louter zwarte comedians in The Comedy Story. Dat podium zou een springplank worden voor een nieuwe generatie Afro Amerikaanse stemmen, zoals Martin Lawrence, Chris Tucker en Kevin Hart.

In de driedelige serie Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy (158 min.) kijkt Reginald Hudlin met de fine fleur van de Amerikaanse stand-upcomedy terug op die glorieperiode. ‘Guy stuurde een groep jonge, zwarte professionals aan’, vertelt comedian Dave Chappelle bijvoorbeeld. ‘Er zaten wat gangsterrappers bij, maar het was een eclectisch gezelschap. Zoals het leven van zwarte Amerikanen ook divers is. Het was geen eenheidsworst. De één was naar Harvard geweest, een ander naar de gevangenis.’

Phat Tuesday was voor hen een vuurdoop, vertellen entertainers als Steve Harvey, Tiffany Haddish, Cedric The Entertainer, Snoop Dogg en Regina King. Want Will Smith, Magic Johnson of Prince konden zomaar in de zaal zitten. En een zwart publiek is sowieso geen gedwee publiek. Een beleefd applaus hoef je als halfbakken grappenmaker niet te verwachten. Als het hen niet bevalt, laten ze dit op niet mis te verstane wijze merken. Ze beginnen misprijzend te kijken, draaien zich demonstratief van je af of roepen iets in de trant van: ‘Heb je ook nog wat leuks, gast?’

In de kantlijn worden er af en toe ook min of meer serieuze thema’s behandeld – seksisme, transcomedians en ‘bomben’, de plank helemaal misslaan, bijvoorbeeld – maar deze miniserie is eerst en vooral een ongegeneerde viering van de zwarte humor. Met veel sterke verhalen, popi jopi-gedrag en snelle grappen.

Maya

Banyak Films

Mohsen Teyerani slaapt soms bij haar in de kooi. Maya (86 min.) en hij zijn volledig vertrouwd met elkaar geraakt. Ze knuffelen en stoeien dat het een lieve lust is. Hij was het eerste wat zij zag na haar geboorte. Zou de Bengaalse tijger hem als een ouder beschouwen? De medewerker van de Vakil Abad Zoo in Mashhad opereert in elk geval als een soort – vergeef me deze woordspeligheid – Iraanse Tiger King voor de publiekslieveling.

Als Maya en haar baasje in het noorden van Iran, het gebied waar ooit de inmiddels uitgestorven Kaspische tijger heerste, meewerken aan een speelfilm, laat Mohsen het gedomesticeerde roofdier tussen de bedrijven door een heel andere wereld kennen. Zonder tralies of een geïmponeerd publiek dat al haar bewegingen vastlegt, maar met een uitgestrekt leefgebied en andere dieren, waaronder de mens, die als prooi zouden kunnen dienen.

De Iraanse documentairemaker Jamshid Mojaddadi, die deze boeiende documentaire heeft geregisseerd met Anson Hartford, aanschouwt of/hoe de vierjarige tijger zich daar staande kan houden en becommentarieert de gebeurtenissen met een bespiegelende voice-over. Maya is de eerste Iraanse tijger in het wild in ruim zestig jaar en herontdekt de kracht, souplesse en honger waarmee ze op de wereld is gezet. Zou ze ‘t daar nog redden?

Tegelijkertijd zijn er in Iran en de dierentuin zelf allerlei ontwikkelingen gaande die Mohsens positie en zijn innige relatie met Maya onder druk zetten. De dierverzorger overweegt of hij zijn oude stiel als taxidermist weer moet oppakken. Kan het verweesde dier, dat hem soms liefkozend over het hoofd likt, overleven zonder zijn baasje? En is een tijger, hoe tandeloos die ook lijkt, überhaupt in staat om een ander uiteindelijk als autoriteit te accepteren?

Zulke elementaire vragen – gecombineerd met erg intieme scènes van mens en roofdier, die inderdaad soms even aan ongemakkelijke tijgertaferelen uit Tiger King doen denken – geven Maya een dreigende ondertoon. Alsof de situatie bij het minste of geringste helemaal kan ontsporen. Tot dat moment vormen Mohsen en Maya een bijna jaloersmakende twee-eenheid.

Tiger King: The Doc Antle Story

Netflix

Deze spin-off van de bingehit Tiger King (2020) heeft één groot voordeel: hij is al snel beter dan het officiële tweede seizoen, dat een kleine maand geleden verscheen. Elke vorm van entertainment, spanning en humor, die van het eerste seizoen nog een ‘guilty pleasure’ maakte, was uit dat bloedeloze vervolg verdwenen.

Tiger King: The Doc Antle Story (127 min.) richt zich op een bijpersonage uit de oorspronkelijke serie: Bhagavan ‘Doc’ Antle, de grote kattenknuffelaar die zich op zijn eigen olifant door de Myrthle Beach Safari-dierentuin beweegt en het grote voorbeeld is van ‘tijgerkoning’ Joe Exotic (die ditmaal slechts een te verwaarlozen cameo heeft).

De driedelige serie begint verrassend serieus van toon. Geen richtingloze parade van doorgedraaide freaks, kleine criminelen en aandachtsgeilers – al ontbreken ook die niet in deze nieuwe productie van het Eric Goode en Rebecca Chaiklin. Ze worden nu alleen ingezet binnen een min of meer geloofwaardige vertelling.

Die behelst niets minder dan een aanklacht tegen Antle. Hij wordt beschuldigd van wangedrag ten opzichte van vrouwen in het algemeen en misbruik van veel te jonge meisjes in het bijzonder. Dat zou al zijn begonnen tijdens zijn periode in Yogaville, een spiritueel centrum van swami Satchidananda Saraswati, die op dat gebied ook wel van wanten wist.

Daarna vond Kevin Antle, die door zijn goeroe Bhagavan was gedoopt, het tijd voor zijn eigen harem, schaars geklede meisjes die met tijgers en andere grote katachtigen in de weer gingen en zich hem van het lijf moesten zien te houden. In eerste instantie voelt dit vijandige portret dan ook als een typisch #metoo-docu, waarin slachtoffers zich uitspreken over de man die hen misbruikte.

Later volgen er nog beschuldigingen van dierenmishandeling, financiële malversaties, oplichting én moord, zodat de serie toch weer op typisch Tiger King-terrein belandt en daar ook wel behoorlijk ontspoort. Intussen krijgt de beschuldigde, zonder enige twijfel een kwestieus personage, eigenlijk geen serieuze kans om te reageren op alle aantijgingen.

Doc Antle komt weliswaar regelmatig aan het woord, maar daarbij lijkt het toch vooral te gaan om materiaal dat al eerder is opgenomen, waarschijnlijk voor de oorspronkelijke Tiger King-serie (waarvan hij zich in een eerder overigens ook al heeft gedistantieerd). Doc Antle’s ‘story’ krijgt daardoor het karakter van een vakkundige lynchpartij. Uiteindelijk dus toch typisch Tiger King.

Tiger King 2

Netflix

Aan larger than life-personages was er al bepaald geen tekort in het eerste seizoen van de trashy bingehit Tiger King. Allereerst was er natuurlijk Joe Exotic zelf, de flamboyante, homoseksuele, country zingende, licht ontvlambare en altijd aandacht zoekende eigenaar van een privédierentuin in Oklahoma. Tussen het knuffelen met tijgers en leeuwen door zou hij een complot hebben gesmeed om Carole Baskin te laten vermoorden. Deze betweterige dierenrechtenactiviste, ook te zien in The Conservation Game, zou zelf dan weer een schimmige rol hebben gespeeld in de verdwijning van haar echtgenoot Don Lewis in 1997.

Rond dit tweetal had zich een bizarre verzameling typetjes verzameld: de kille Allen Glover werd ingehuurd als huurmoordenaar, maar bleek uiteindelijk toch niet op zijn taak berekend. James Garretson, een corpulente entrepreneur met niet al te veel smaak of ethiek, lapte Joe Exotic erbij en zorgde ervoor dat hij achter slot en grendel belandde. En would be-Hells Angel Jeff Lowe en zijn wulpse vriendin Lauren zouden hem dan weer op lafhartige wijze zijn dierentuin afhandig hebben gemaakt.

In Tiger King 2 (212 min.) wordt er nog een hele stoet andere profiteurs, lowlifes en wannabes aan deze dubieuze sterrencast toegevoegd. Terwijl Carole Baskin deelneemt aan Dancing With The Stars krijgt Joe Exotic bijvoorbeeld plotseling steun van ene Eric Love, een aalgladde cowboy die hij nog nooit heeft ontmoet. Met zijn ‘Team Tiger’ begint Love desondanks druk voor gratie te lobbyen bij president Trump. Hij reist op 6 januari 2021, de dag van de bestorming van het Capitool, zelfs in een speciaal vliegtuig, de ‘Exotic 1’, naar Washington om een handtekening onder Exotics gratieverzoek te krijgen.

Intussen krijgen de drie dochters van Don Lewis in hun zoektocht naar wat er bijna 25 jaar geleden is gebeurd met hun vader spontaan ‘hulp’ van privédetective Jerry Mitchell, internetspeurder Ripper Jack en ‘helderziende detective’ Troy Griffin. Schimmige figuren die vooral een plek in deze ranzige docusoap lijken te willen bemachtigen en die daarin ook alle ruimte krijgen van de makers Eric Goode en Rebecca Chaiklin. John Phillips, de advocaat die de nabestaanden van Lewis bijstaat, is de erven Lewis uiteindelijk toch te mediageil. Nadat hij voor zijn diensten is bedankt, gaat hij dus Joe zelf maar bijstaan – en blijft zijn bijrol in Tiger King verzekerd.

Joe Exotic, die alleen via de gevangenistelefoon kan participeren in de serie, krijgt in dit tweede seizoen zelf overigens serieuze concurrentie: zijn dwarse collega Tim Stark, die zich vreemd genoeg volledig vereenzelvigt met Johnny Cash’s A Boy Named Sue, blijkt al net zo’n meester in het veroorzaken van het soort commotie dat Goode en Chaiklin nodig hebben om weer vijf nieuwe afleveringen te vullen. Waarbij steeds nadrukkelijker de vraag opspeelt of Tiger King de weerslag is van wat er sowieso zou zijn gebeurd in de louche wereld van de grote katachtigen of dat al die spannend bedoelde verwikkelingen, al dan niet met medeweten van de makers, speciaal voor de serie in scène worden gezet.

Toneelstukjes of niet, elke vorm van entertainment, spanning en humor, die van dat eerste Tiger King-seizoen nog een ‘guilty pleasure’ maakte, is uit dit bloedeloze vervolg verdwenen. De bekende verhaallijnen voelen uitgekauwd, het nogmaals afspeuren van doodgelopen sporen levert nauwelijks iets op en de nieuwe intriges willen maar niet beklijven. Dan resteert plat kijkvermaak dat niet eens vermaakt.

De Tiger King-franchise heeft inmiddels ook een echte spin off, die zich volledig concentreert op een kwestieus bijpersonage uit de oorspronkelijke serie, de flamboyante eigenaar van Myrthle Beach Safari en het grote voorbeeld van Joe Exotic: Tiger King: The Doc Mantle Story.

Cannon Arm And The Arcade Quest

Hij heeft een keer 49 uur lang gespeeld op één enkele munt. Normale mensen kunnen daarmee 3 a 4 minuten vooruit. Maar Kim Købke – herstel: Kim Cannon Arm – is geen normaal mens. Oké, hij mag dan inmiddels vier kinderen en één kleinkind hebben, nog steeds fan zijn van Iron Maiden en er een normale baan als laborant op nahouden, maar als Kim (leeftijd: onbekend) bij een speelautomaat plaatsneemt om de eighties-game Gyruss te gaan spelen komen er bovenmenselijke krachten in hem vrij. En enorme ambities, dat ook. Nu heeft hij zich bijvoorbeeld in zijn (langharige) kop gehaald dat hij honderd uur aan één stuk wil gaan spelen. Ga er maar aan staan!

En dat is precies wat Cannon Arm gaat doen voor een film met best wel een toepasselijke titel: Cannon Arm And The Arcade Quest (97 min.). Hij heeft overigens al drie keer geprobeerd om het Gyruss-record te breken. Tevergeefs dus. Gelukkig staan zijn vrienden van The Bip Bip Bar in Kopenhagen, een bonte verzameling gamenerds, hem terzijde. Behalve Thomas dan. Die heeft een tijdje geleden een einde aan zijn leven gemaakt. Op zijn grafsteen prijkt Pac-Man. Gelukkig voor Kim is Mads (Hedegaard) wél altijd in de buurt. En die heeft meteen deze héérlijke docu gemaakt. Waarvoor hij ook hoogstpersoonlijk de dolkomische voice-over heeft ingesproken. Alsof de film zelf al niet leuk genoeg was.

Dat is overigens net zo goed een portret van de goedmoedige Kanonarm – Kim dus – als van zijn vriendenkring geworden. Neem Carsten: hij analyseert het werk van Bach vanuit een geheel eigen optiek en speelt verder obsessief Donkey Kong. Totdat hij een zogenaamd ‘kill screen’ heeft bereikt. Of Dyst. Publiceerde al diverse dichtbundels, speelt met wisselend succes Puzzle Bobble en zou als hij een superheld was volgens eigen zeggen beslist Captain Obvious zijn. Hij is alleen geen superheld. En Svavar, die wel degelijk Europees kampioen Tetris is en bovendien helemaal in zijn element als hij mag bellen met de Amerikaanse Donkey Kong-legende Billy Mitchell (die zelf overigens de hoofdrol mocht spelen in de héérlijke documentaire The King Of Kong). Samen bereiden ze zich voor op Kims recordpoging.

Mads huppelt met veel humor langs de verschillende verhaallijntjes, maakt zo nu en dan een tijdsprongetje (hup!) en plamuurt de belevenissen van deze (buiten)gewone jongetjes in een volwassen lichaam tenslotte dicht met dikke klassieke muziek en eightiesklappers; van synthpop tot heavy metal (Iron Maiden, natuurlijk). Gaandeweg snijdt hij bovendien terloops, bijna zonder dat je het in de gaten hebt (bijna dan), ook enkele onderliggende thema’s aan. De voorliefde van de vrienden voor games, muziek en de grote vragen des levens en vooral de soms bijna mathematische manier waarop ze de wereld lijken te beschouwen verraden waar de film uiteindelijk ook naartoe wil. Behalve naar een nieuw wereldrecord Gyruss, bedoel ik. Zonder het expliciet uit te spreken, overigens. En daarbij speelt Kim natuurlijk een sleutelrol. Als dit doldwaze verhaal een superheld heeft, dan zou het Kim Købke zijn, gewoon een aardige vent. Herstel: Kim ‘Kanonarm’ Købke.

En op weg naar GAME OVER, bij voorkeur honderd uur lang, is het publiek zonder enige twijfel de grote winnaar. Zóveel spelvreugde (zeg maar gerust: joie de vivre. ‘Joie de vivre!’), zóveel denkvermogen en zóveel virtuositeit. En – bijna vergeten! – uithoudingsvermogen. Een beetje zoals bij dit stukje over Cannon Arm And The Arcade Quest nodig is (maar dat haal ik me vast maar in mijn weinig mathematisch aangelegde hoofd, ook wel ‘warhoofd’ genoemd). Zal ik de film tot slot nog een héérlijke ode aan mannenvriendschap noemen? Of nóg een keer de term ‘joie de vivre’ droppen?

‘Joie de vivre.’ Pure levensvreugde. Van het type Anvil: The Story Of Anvil, Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging of We Are The Thousand, documentaires waarvan je (ik, tenminste) dagenlang met een kamerbrede glimlach rondloopt.

The Conservation Game

In zijn aaibare jonge jaren was het luipaard te gast in zowel The Fran Drescher Show als de late night talkshow van Jimmy Kimmel, waar het roofdier nog even in de armen van niemand minder dan Paris Hilton mocht vertoeven. ‘Dit dier is wat ze een onderwijsdier noemen’, vertelde dierentrainer David Salmoni, vaste gast in allerlei televisieprogramma’s met uiteenlopende wilde dieren, er destijds bij. ‘Dus hij gaat straks het land rond om mensen te leren over natuurbehoud en dierenbeheer.’ In werkelijkheid leeft het luipaard nu alweer jaren onder erbarmelijke omstandigheden in een veel te benauwd hok op de Critter Country Animal Farm in Smithton, Pennsylvania.

Het luipaard is bepaald geen uitzondering, volgens Tim Harrison, een voormalige politieagent en wilde dierentrainer uit Ohio. Hij maakt zich boos over hoe er door vakbroeders als Jack HannaJarod Miller en Grant Kemmerer wordt omgesprongen met deze zogenaamde ‘ambassador animals’. Eerst worden ze meegetroond naar televisieprogramma’s, sportwedstrijden en zelfs verjaardagsfeestjes. Zodra de dieren hun schattige fase zijn ontgroeid, worden ze echter rücksichtslos gedumpt. Niet in een nette dierentuin of een speciale opvang, maar op smoezelige achterafboerderijen. Óf ze worden stiekem verhandeld op één van de vele illegale markten, waar zowat elk wild dier te koop is: leeuwen, krokodillen en gifslangen. En die kunnen zomaar in een normale woonwijk belanden.

Waar de levensgevaarlijke dieren uiteindelijk terechtkomen, wordt in elk geval nergens fatsoenlijk geregistreerd, constateert Harrison verontwaardigd. Een gemiddelde poes is aan strengere regels gebonden dan een tijger. De dierenactivist gaat daarom in The Conservation Game (110 min.) op onderzoek uit, gevolgd door een (verborgen) camera. Het wordt een ontluisterende queeste in de schimmige wereld die tevens het decor vormde voor de publiekshit Tiger King: Murder, Mayhem And Madness (waarvan binnenkort overigens een tweede seizoen wordt uitgebracht). Sterker: Carole Baskin van de organisatie Big Cat Rescue, de grote Nemesis van de karikaturale tijgerkoning Joe Exotic, speelt met haar echtgenoot Howard zelfs een bescheiden rol in deze enerverende documentaire van Michael Webber.

De toonzetting is echter aanmerkelijk serieuzer. Geen kolderieke true crime-verwikkelingen in een white trash-setting, maar oprechte woede over en serieus onderzoek naar de dieronwaardige omstandigheden in de wereld van de grote katten. De film belandt zo in het vaarwater van andere documentairepamfletten zoals The Cove, Blackfish en The Walrus And The Whistleblower en werkt uiteindelijk toe naar de verplichte undercoveractie en een politieke vertaling van Harrisons stellingname: de Big Cat Public Safety Act.

Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised)

Voor hetzelfde geld waren niet Joe Cockers ongecontroleerde bewegingen tijdens With A Little Help From My Friends, de sarcastische anti-Vietnam slogan ‘Whoopee!, we’re all gonna die!’ van Country Joe MacDonald of Jimi Hendrix’ heerlijke aanval op The Star Spangled Banner tijdens Woodstock de popgeschiedenisboeken ingegaan, maar de weerslag van dat andere gratis festival in de zomer van 1969: het Harlem Cultural Festival in New York.

De tapes daarvan bleven echter een halve eeuw in de één of andere kelder liggen. En dus drongen de dampende performance van Nina Simone, Stevie Wonders drumsolo en het indrukwekkende eerbetoon van Jesse Jackson, Mahalia Jackson en Mavis Staples aan de net daarvoor vermoorde Martin Luther King nooit door tot het collectieve geheugen. Want, ja, alle artiesten waren zwart. En vrijwel alle 300.000 festivalgangers ook. Net als The Black Panthers, die de beveiliging verzorgden.

De prachtige festivalfilm Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (117 min.) brengt een tijd tot leven, waarin een nieuw zwart bewustzijn opgeld deed, dat zich niet had laten knakken door de moorden op King, Malcolm X en de gebroeders Kennedy. Het debuut van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, drummer van de befaamde hiphopgroep The Roots, ruimt natuurlijk veel tijd in voor optredens, maar plaatst die voortdurend binnen zijn historische, maatschappelijke en culturele context.

Met festivalgangers, artiesten die optraden in het Mount Morris Park te Harlem (Stevie Wonder, Marilyn McCoo en Billy Davis van The 5th Edition en Gladys Knight) en Afro-Amerikaanse boegbeelden zoals Jesse Jackson, Al Sharpton en Chris Rock bekijkt Questlove het fraaie beeldmateriaal dat filmmaker Hal Tulchin destijds maakte van deze glorieuze viering van de zwarte cultuur, waarin behalve voor muziek – soul, gospel, funk en jazz – ook aandacht is voor comedy en dans.

Het zijn echter vooral de vurige optredens, vastgelegd in prachtige kleuren en heerlijk klinkend, die ‘t hem doen: B.B. King, David Ruffin, Edwin Hawkins Singers, Hugh Masekela én Sly & The Family Stone. En die laatste act glorieerde toevallig ook op dat andere festival, zo’n 150 kilometer verderop, dat de historie zou ingaan als de ultieme hippiehappening. Summer Of Soul verdient eigenlijk een soortgelijke status. Als ultieme uitdrukking van het ‘Black Is Beautiful’-gevoel van de burgerrechtenbeweging. Black Woodstock, inderdaad.

El Caso Wanninkhof – Carabantes

Netflix

Als El Caso Wanninkhof – Carabantes (89 min.) een half uur onderweg is, lijkt duidelijk wie in oktober 1999 het 19-jarige Spaanse meisje Rocío Wanninkhof Hornos, dat onderweg naar de plaatselijke kermis plotseling is verdwenen, heeft vermoord. Dan heeft de true crime-documentaire van Tània Balló echter nog bijna een uur te gaan. De kijker weet genoeg: hiermee is de zaak beslist niet afgehandeld.

Niet veel later introduceert de filmmaakster nóg een vermist meisje: de 17-jarige Sonia Carabantes. Enkele dagen later wordt ze dood aangetroffen. De zaak blijkt – natuurlijk! – verband te houden met het trieste lot van Rocío. En dan verschijnt er een vrouw op het toneel, de Britse Cecilia King, die wellicht nieuw licht op de tragische kwesties kan werpen. Ze is jarenlang voor gek verklaard door haar directe omgeving.

Met direct betrokkenen, advocaten en de gebruikelijke deskundigen en journalisten reconstrueert Balló in deze degelijke docu (Engelse titel: Murder By The Coast) de spraakmakende misdaad in de Costa del Sol, die jarenlang goed zou zijn voor een absoluut mediacircus in Spanje. Gaat het om een crime passionel? Een trieste wraakzaak? Of toch een ordinaire lustmoord? De dader lijkt doelbewust een dwaalspoor te hebben uitgezet.

De whodunnit-vraag is natuurlijk leidend in El Caso Wanninkhof – Carabantes, maar ook de rol van de media komt nadrukkelijk aan de orde: hebben die bijgedragen aan de zoektocht naar de moordenaar? Of juist ernstig in de weg gezeten? En uiteraard kent ook deze schrijnende zaak – het mag geen verbazing wekken – te langen leste louter verliezers.

1971: The Year That Music Changed Everything

Apple TV+

Voor wie vijftig jaar na dato nog altijd niet elke bocht, zijweg en afslag van ‘the trip down memory lane’ richting Boomerland kent, is 1971: The Year That Music Changed Everything (363 min.) zonder enige twijfel een traktatie. De achtdelige reeks van Asif Kapadia (Senna, Amy en Diego Maradona) buigt zich diepgaand over het muziekjaar 1971.

Alle oude favorieten komen weer langs: John Lennon, The Rolling Stones, Alice Cooper, The Doors, T. Rex, The Who, Joni Mitchell, Elton John, Bob Marley, Kraftwerk en Lou Reed. Ze worden gepresenteerd onder een motto dat is ontleend aan David Bowie: ‘We begonnen met de 21e eeuw in 1971.’ Daarbinnen is er ook opvallend veel aandacht voor de zwarte inbreng, middels korte portretten van Marvin Gaye, Sly & The Family Stone, Aretha Franklin, Curtis Mayfield, Ike & Tina Turner, James Brown, The Staple Singers en Bill Withers.

Deze momentopnames van belangwekkende artiesten worden afgezet tegen belangrijke ontwikkelingen in diezelfde periode; van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenbeweging tot de seksuele revolutie en opkomst van heroïne en cocaïne. Waarbij ook beeldbepalende figuren zoals Muhammad Ali, Hunter S. Thompson, Charlie Manson, Angela Davis en James Baldwin, die stuk voor stuk al veel vaker in beeld zijn gebracht, natuurlijk niet ontbreken.

De muziek wordt intussen een belangrijke maatschappelijke rol toegedicht – of op zijn minst beschouwd als een wezenlijke weerslag van wat er destijds, met name in de Verenigde Staten, gaande was. Deze reeks is verder vanzelfsprekend gelardeerd met fraaie concertfragmenten, waarbij de songteksten in beeld worden vertoond. Talloze insiders, met quotes die uit de archieven zijn gehaald en nu off screen worden gepresenteerd, voorzien het geheel van commentaar.

Het terrein dat 1971 probeert te bestrijken is natuurlijk al lang en breed afgegraasd. Sterker: de meeste verhalen zijn, ook in documentaires, al eerder en diepgaander verteld. Deze serie – zonder enige twijfel knap gemaakt, maar ook zonder enige urgentie – is daardoor vooral interessant voor muziekliefhebbers die zich nog nooit in dit tijdsgewricht hebben verdiept. Of er altijd in willen blijven hangen.

Zouden die zich volgend jaar in 1972 mogen verlustigen?

Maya Angelou: And Still I Rise

‘Één van de fantasieën die ik op mijn zevende had, was dat er ineens iemand ‘Shazaam!’ zou zeggen en dat ik dan ineens wit zou zijn’, blikt Maya Angelou (1928-2014) een kleine halve eeuw later terug op haar jeugd in Stamps, een gehucht in de Amerikaanse staat Arkansas. ‘En dat ik niet meer met zo’n weerzin bekeken zou worden als ik door het witte deel van de stad liep.’ 

Het is een pijnlijke herinnering. Tegelijkertijd is ook duidelijk de verhalenverteller Angelou aan het woord. De zinnen die deze heeft gevonden worden bovendien uitgesproken door de performer Angelou. Haar kindertijd wordt zo onderdeel van het verhaal dat de schrijfster, zangeres en danseres van haar leven heeft gemaakt en dat ze in Maya Angelou: And Still I Rise (113 min.) samen met haar zoon Guy Johnson en mensen uit haar directe omgeving vol verve opdist.

Een veelbewogen bestaan was het zeker, dat haar aan de zijde bracht van Afro-Amerikaanse helden als Martin Luther King, Malcolm X en James Baldwin (over wie enkele jaren geleden de thematisch verwante documentaire I Am Not Your Negro is gemaakt) en dat in algehele erkenning zou uitmonden toen ze als een soort dichteres des vaderlands de natie mocht toespreken tijdens de inauguratie van Bill Clinton tot president van de Verenigde Staten in 1993.

Clinton ontbreekt natuurlijk niet in deze ongegeneerde lofzang op de befaamde zwarte schrijfster van Bob Hercules en Rita Coburn Whack uit 2016. Net als zijn vrouw Hillary en protegés als talkshowhost Oprah Winfey, hiphopper Common en regisseur John Singleton. Zij illustreren Maya Angelou’s eigen verhaal over een leven vol schade, schande en triomfen. Dat zou haar maken tot een ‘wise old woman’, die nadrukkelijk haar sporen achterliet in een nieuwe generatie Afro-Amerikanen en het land dat intussen ook het hunne was geworden.