Ziek Gespierd

NRC

Spierkramp, flauwvallen en koude handen. Het was de moeder van Jorjen die zich ineens realiseerde wat er met hem aan de hand was: anorexia. Haar tienerzoon had een eetstoornis, die we doorgaans (en ten onrechte) vooral met jonge meisjes associëren.

Op een gegeven moment woog hij nog maar 45,9 kilogram. Jorjen hongerde zichzelf uit, op weg naar die felbegeerde sixpack. In de spiegel zag hij echter nog steeds niet de jongen die anderen mochten zien. Waar anderen, zoals hij dat zelf zo treffend zegt, niet omheen konden kijken.

Intussen stond Jorjen volgens een arts in de kliniek voor eetstoornissen ‘met één been in het ziekenhuis’. Manorexia of bigorexia. De jongen moest rigoureus stoppen met hongeren en sporten. Niet veel later volgde de genadeloze depressie, die hem jaren buitenspel zou zetten.

Het persoonlijke relaas van Jorjen Neumann en zijn moeder Veroni krijgt alle ruimte in Ziek Gespierd (39 min.) een korte documentaire van Joram Bolle, Nina van Hattum en Benjamin Kat die toch nog wat aan de lange kant is.

Mediapsycholoog Jolanda Veldhuis plaatst Jorjens worsteling binnen de bredere trend van influencers, hier vertegenwoordigd door twee sportcoaches, die hun duizenden volgers op Instagram een ideaalbeeld voorspiegelen. Zij creëren onzekere fitboys, die zichzelf nooit gespierd genoeg vinden.

Jorjen zag uiteindelijk echt geen uitweg meer. En toen kwam zijn moeder zomaar voormalig wielerkampioen Leontien van Moorsel, die zelf jarenlang kampte met een hardnekkige eetstoornis, tegen bij de kapper…

Ziek Gespierd is hier te bekijken.

The Painter And The Thief

Het is een onvergetelijke scène: Karl-Bertil Nordland ziet voor het eerst een schilderij van zichzelf en barst in tranen uit. Hij, de outcast, heeft nooit iets moois in zichzelf kunnen ontdekken. En nu krijgt hij te zien hoe schilderes Barbora Kysilkova hem, met zijn troebele blik en opzichtige tatoeages, blijkbaar ziet: als een intrigerend mens, de perfecte muze voor haar, de gedreven kunstenaar.

Ze hebben elkaar op een héél bijzondere plek en manier ontmoet, de twee hoofdpersonen van The Painter And The Thief (102 min.). In de rechtbank, waar hij terechtstond voor de diefstal van haar schilderijen. Samen met een kornuit ontvreemdde Bertil uit een Noorse galerie twee werken, die sindsdien spoorloos zijn. Ook voor hemzelf. Hij weet, werkelijk waar, niet meer waar hij ze met z’n stonede kop heeft gelaten.

Barbora herkent Bertil van de bewakingscamerabeelden en besluit hem aan te spreken. Als tegenprestatie wil ze dat hij poseert voor een portret. Het is de start van een hartveroverende vriendschap, tussen twee jonge mensen die regelmatig in de hoek hebben gezeten waar de klappen vallen. Letterlijk. Hij is uiteindelijk gevlucht in dope en misdaad, zij in obsessief schilderen.

Regisseur Benjamin Ree observeert de toenadering tussen de twee dolende zielen en spreekt hen tevens los van elkaar, over zichzelf én die ander. Die wisseling van perspectieven en een bijzonder effectieve flashback-structuur zorgen ervoor dat het relaas van The Painter en The Thief, en de beschadigde mensen die achter deze twee personages schuilgaan, echt onder de huid kruipt en daar voorlopig ook van geen wijken wil weten.

En als Bertil dan ook nog eens ongenadig uit de bocht vliegt, krijgt deze intrigerende film over lotsverbondenheid en zielsverwantschap helemaal een dramatische lading…

Sunderland ‘Til I Die – Season 2

Netflix

Voor documentairemakers die een sporter of sportteam portretteren is winst of succes geen absolute noodzaak. Dat is een understatement. Vaak levert een enorme deceptie een veel spannendere film op dan een eclatante overwinning. Hoe zou Goud bijvoorbeeld zijn geworden als de Nederlandse hockeydames zonder eremetaal (en met pek en veren) naar huis zouden zijn gekomen? Of wat als de carrière van Dirk Kuijt niet was geëindigd op de Rotterdamse Coolsingel, maar met een kampioensschaal op het Leidseplein?

Zo bezien vielen Leo Pearlman en Benjamin Turner bij de documentaireserie Sunderland ‘Til I Die (2018) echt met hun neus in de boter. De lotgevallen van de gewezen Premier League-club, die van de ene in de andere crisis belandde, kregen bijna iets kluchtigs (een effect dat nog eens werd versterkt door de beroerde Nederlandse ondertiteling, die van de ene d- in de andere t-fout belandde). En dan is er nu ineens een vervolg op de serie over de Britse voetbalclub. Wat kan dat nog toevoegen?

Een nieuwe eigenaar, directeur en manager bijvoorbeeld, de hoofdpersonen van dit tweede seizoen van Sunderland ‘Til I Die (255 min.). En nieuw elan voor het seizoen 2018-2019, met jonge talenten en veelbelovende aankopen. Tenminste, als die daadwerkelijk blijven dan wel komen. Zodra de transferdeadline nadert, loopt de spanning daarover flink op. Dat resulteert in een enerverende blik achter de schermen. En dan is er nog een klein financieel probleem: er gaat bij de arbeidersclub jaarlijks zo’n 35 miljoen pond meer uit dan er binnenkomt.

De nieuwe leiding draait z’n medewerkers de duimschroeven aan. De lat moet omhoog en de uitgaven omlaag, goedschiks dan wel kwaadschiks. Dat is een aardig uitgangspunt voor zes nieuwe afleveringen over de club uit het Noordoosten van Engeland, die daarin tevens coolere opkomstmuziek introduceert, een bezoekersrecord voor League One wil vestigen en natuurlijk móet promoveren. Terug naar de plek waar Sunderland eigenlijk thuishoort: de Premier League.

Die herstart waarbij de stress weer flink oploopt, beleeft de kijker via de clubleiding, coach, spelers, medewerkers en enkele gewone supporters. Gezamenlijk maken ze het belang van de belangrijkste bijzaak van de wereld inzichtelijk voor een gemeenschap, die wel weer toe is aan een succesje. Met een onweerstaanbare hoeveelheid voetbalclichés, psychologie van de koude grond en goede wil. Als Sunderland bijvoorbeeld de kans krijgt om The Checkatrade Trophy te winnen, krijgt die cup, nóóit van gehoord, ineens een enorm belang. Om over promotie naar het Championship, de éénnahoogste Britse divisie, nog maar te zwijgen…

Dit tweede seizoen biedt kortom meer, veel meer, van hetzelfde. In het geval van Sunderland ‘Til I Die is dat geen diskwalificatie.

Hitsville: The Making Of Motown

Voordat Detroit van zich deed spreken als rockcity en de geboorteplaats van technomuziek werd, stond de Amerikaanse stad natuurlijk vooral bekend als Hitsville, de thuisbasis van Motown Records. Het platenlabel van Berry Gordy grossierde in de jaren zestig in hits, hits en nog eens hits en zette zo soulmuziek en een complete generatie zwarte artiesten op de kaart.

In de gelikte documentaire Hitsville: The Making Of Motown (112 min.) stapt Gordy, steggelend met zijn voornaamste songschrijver Smokey Robinson, door de historie van het soulbastion. Ze worden terzijde gestaan door oude succesnummers als The Temptations, Martha Reeves (van The Vandellas) en The Jackson 5 en laten ook de succesvolle hitproducers Holland-Dozier-Holland en Ashford & Simpson aan het woord.

Niets werd toentertijd aan het toeval overgelaten door de competitieve Gordy: de superbe studioband The Funk Brothers (vereeuwigd in de puike documentaire Standing In The Shadows Of Motown) speelde ‘s mans toppers onvergetelijke hooks en licks toe, een choreograaf leerde hen de juiste danspasjes en het slimme marketingteam presenteerde acts als The Supremes, Marvin Gaye en The Four Tops vervolgens als de okselfrisse helden van een nieuw Amerika. Zelden zal een platenlabel de hitlijsten zo hebben gedomineerd als Motown.

Er valt natuurlijk nauwelijks een onvertogen woord in deze fraai vormgegeven feel good-film van de broers Benjamin en Gabe Turner, maar het prachtige archiefmateriaal (onder andere van een piepjonge Stevie Wonder en Michael Jackson) en de boeiende audio-opnames van toenmalig werkoverleg, waarin de hitfactor van een bepaald liedje een tot in den treure terugkerend thema was, vergoeden veel. Herstel: alles.

Deze film is net als Motown zelf, dat dit jaar zijn vijftigste verjaardag viert: aalglad en onweerstaanbaar. En een perfect alibi om die gouden soulcompilaties weer eens uit de kast te trekken.

King Bibi – The Life And Performances Of Benjamin Netanyahu

VPRO

Met een gewiekste presentatie over de gevaren van Iran verleidde Benjamin Netanyahu de Amerikaanse president Trump in 2018 om zich terug te trekken uit de nucleaire wapendeal met Israëls aartsvijand. Hoe lukte het de leider van zo’n klein land om de grootste supermacht van de wereld te bewerken? vraagt filmmaker Dan Shadur zich af bij de start van King Bibi – The Life And Performances Of Benjamin Nethanyahu (87 min.). En hoe kan het dat hijzelf inmiddels zo onvermijdelijk is geworden dat zowel voor- als tegenstanders zich Israël niet meer kunnen voorstellen zónder hem?

Netanyahu kan binnenkort de langstzittende Israëlische premier worden. Shakur ziet een duidelijk startpunt voor ’s mans politieke carrière: het overlijden van zijn broer Yoni in 1976, tijdens de geruchtmakende bevrijdingsactie bij een gekaapt vliegtuig met Joodse passagiers in Entebbe. Na de dood van zijn broer vertrekt Netanyahu naar de Verenigde Staten en wordt hij uiteindelijk een vaste gast in Amerikaanse talkshows. Tijdens mediatrainingen heeft hij de taal van het volk leren spreken. Dat legt hem geen windeieren. Hij wordt steeds nadrukkelijker gezien als de ‘young and coming man’ van de Israëlische politiek.

Dit kritische portret laat, aan de hand van louter media-optredens, zien hoe ‘Bibi’ een Amerikaanse stijl van campagne voeren, en de bijbehorende spin doctor Arthur Finkelstein, introduceert in zijn eigen land. Shadur schetst Netanyahu als een typische mediapoliticus, die slim appelleert aan het sentiment van de man in de straat, via zijn eigen kanalen rechtstreeks met hem kan communiceren en intussen doelbewust voortdurend oorlog maakt met de ‘linkse’ pers. Daarbij gebruikt hij een insteek, toonzetting en begrippenkader (‘heksenjacht’ bijvoorbeeld), die we inmiddels met een andere politiek leider zijn gaan associëren.

En dat illustreert, volgens Shadur, weer de huidige positie van Benjamin Netanyahu: waar hij ooit zelf in de leer ging in de Verenigde Staten, laven rechtse Amerikaanse politici zich tegenwoordig aan zijn onomstreden knowhow.

Don’t Be A Dick About It

YouTube

Vier jaar had hij nodig om moed te verzamelen. En toen trok Benjamin Mullinkosson de stoute schoenen aan en vroeg hij zijn tante Mary Jo of hij een zomer bij hen in de kelder mocht logeren om zijn neven te filmen. Elk jaar tijdens vakanties had hij gezien hoe Peter en Matthew elkaar voortdurend in de haren vlogen. Diep van binnen wist Mullinkosson al die tijd dat daar een film inzat. Maar om er dan over te beginnen…

Die film is er nu toch gekomen: Don’t Be A Dick About It (69 min.), de onbetwiste publieksfavoriet van het International Documentary Festival Amsterdam van 2018. Dat enthousiasme is niet vreemd. Slechts weinig documentaires bieden zoveel gelegenheid om hard en vaak te lachen. Om de dwarse puber Matthew, die een enorme angst voor honden te boven probeert te komen. Maar vooral om zijn oudere broer Peter.

Peter is permanent verwikkeld in zijn geheel eigen variant op de realityshow Survivor. Met veel theater speelt hij de dramatische ontknoping van het televisieprogramma na. Steeds weer. Wie wordt er weggestemd? En waarom? Vaak gaat het om een familielid of kennis waarmee Peter toevallig nog een appeltje heeft te schillen. Die voortdurende stroom eliminaties, aangezet met volvette muziek, levert hilarische scènes op, die de rode draad vormen voor deze kostelijke film.

Een kanttekening is daarbij op zijn plaats: Peter heeft een autismespectrumstoornis. En net als Kees Momma en Owen Süskind, de autistische hoofdpersonen van respectievelijk Het Beste Voor Kees en Life, Animated, heeft de rossige twintiger de lach aan zijn kont hangen en weet hij zo een groot publiek, mijzelf incluis, aan zich te binden. Maar waar lachen die mensen eigenlijk om?

Leedvermaak? Nee, want Mullinkosson gaat liefdevol met zijn subjecten om. Matthew is volgens zijn neef dan ook trots op de film, al kan hij hem ook niet zo goed zien. Peter heeft er volgens de maker geen problemen mee als mensen om hem moeten lachen. Sterker: hij vindt zichzelf óók ‘fucking hilarious’. En wie ben ik dan om het daarmee oneens te zijn?

Magnus


Is het eigenlijk een zegen of een vloek als je van jongs af aan voorbestemd lijkt voor grote dingen? Kun je als ‘wonderkind’ de torenhoge verwachtingen ooit helemaal waarmaken? En wat moet je daar dan voor laten? Het zijn vragen die deze kinderen zich vroeger of later altijd stellen. Of ze nu virtuoos viool spelen, dansen alsof hun leven ervan afhangt óf –  zoals bij de Noorse bolleboos Magnus Carlsen – net zoveel zetten vooruit kunnen denken als een schier onfeilbare schaakcomputer.

De huidige nummer een op de wereldranglijst is nog altijd slechts 27 jaar oud. Sinds zijn dertiende is hij schaakgrootmeester. De enerverende documentaire Magnus (75 min.) van Benjamin Ree volgt hem, via familiefilmpjes en oude televisiereportages, vanaf zijn jongste jeugdjaren als vader Carlsen ontdekt dat zijn zoontje een fotografisch geheugen heeft en moeiteloos allerlei scenario’s op het bord kan uitdenken (nee: gewoon voor zich ziet in zijn geestesoog). Gezamenlijk zetten ze de tocht naar de absolute top in, die diverse memorabele momenten oplevert.

Zoals die ene keer als Magnus in 2004 tegenover de toenmalige nummer één van de wereld, Garry Kasparov, mag plaatsnemen. Terwijl zijn ouders en zusjes toekijken vanaf de tribune houdt Carlsen ogenschijnlijk moeiteloos stand. Kasparov wrijft intussen gedurig door zijn gezicht en schudt zo nu en dan mismoedig het hoofd. De beste schaker van zijn tijd sleept ternauwernood een remise uit het vuur tegen het 13-jarig broekie, de nummer 786 van de wereld.

Naderhand gaat het hele gezin Carlsen gewoon een hapje eten bij het bekendste fastfood-restaurant van de wereld. Zoals gewone families doen. Maar Magnus Carlsen is dan allang geen gewone tiener meer. Hij wordt gebombardeerd tot ‘de Mozart van het schaakspel’ en als idool in de dop gelanceerd op televisie en in de bladen. Intussen wil de introverte Noor het liefst gewoon pingpongen of volleyballen met vrienden. Weet hij, te midden van de mediastorm die rondom hem opsteekt, het hoofd koel te houden voor zijn tweekamp met de Indiase wereldkampioen Anand, die hij zijn titel wil ontfutselen?