Believer

HBO

Hij floreert op het podium, Dan Reynolds. En de zanger van de Amerikaanse indieband Imagine Dragons gebruikt dat podium tevens om een serieus pijnpunt in eigen kring aan te snijden (of, zoals sommigen in die gemeenschap dat zullen hebben ervaren, de hand te bijten die hem heeft gevoed): de benarde positie van homoseksuelen binnen de Mormoonse kerk.

Dan Reynolds groeide op als lid van de Latter-day Saints in de Amerikaanse staat Utah. Als jongeling werd hij op pad gestuurd om twee jaar lang de leer van zijn kerk aan de man te brengen. Een missionaris, die letterlijk van deur tot deur gaat. Inmiddels is Reynolds door zijn muziek uitgegroeid tot een Bekende Mormoon en voelt hij zich, gealarmeerd door het aantal zelfdodingen binnen het LGBT-deel van zijn gemeenschap, genoodzaakt om kleur te bekennen.

In de (geautoriseerde?) documentaire Believer (103 min.) van regisseur Don Argott probeert de zanger van Imagine Dragons, in eendrachtige samenwerking met zijn vrouw Aja Volkman, het taboe bespreekbaar te maken. Hij besluit het festival LoveLoud te gaan organiseren, dat in de zomer van 2017 voor het eerst moet plaatsvinden. Deze film documenteert het complete proces; van het allereerste idee via de verplichte strubbelingen onderweg tot de uiteindelijke festivaldag.

Dat roept meteen de vraag op wanneer Reynolds heeft besloten om te starten met filmen. Want als de zanger voor het eerst contact zoekt met Tyler Glenn, de openlijk homoseksuele frontman van de band Neon Treesdie door de Mormoonse kerk is geëxcommuniceerd, en vraagt of hij een festival een goed idee vindt, is de camera er al bij. Alsof deze documentaire altijd al onderdeel van het plan was.

Die film brengt de thematiek van mensen die door hun geaardheid ineens worden verstoten door de wereld waartoe ze altijd hebben behoord overigens wel treffend tot leven; van gewaardeerd kerklid verworden ze tot persona non grata. Believer, ondersteund door een catchy titelnummer van Imagine Dragons, voelt soms wel erg gestroomlijnd. Alsof de documentaire ook is bedoeld om het goede werk dat de heteroman Reynolds en zijn lieftallige echtgenote verrichten voor hun LGBT-medemens nog eens te benadrukken.

In april van dit jaar volgde bovendien nog een wat ongemakkelijke epiloog, in de vorm van een bericht op Twitter dat Reynolds en zijn vrouw ’na zeven mooie jaren’ uit elkaar zijn. Deze documentaire, slechts een half jaar eerder opgenomen, laat nochtans alleen een uiterst liefdevol koppel zien. Alle eventuele huwelijksproblemen zijn netjes buiten beeld gehouden of weg geretoucheerd. Je zou er bijna – bijna! – wat van gaan denken.

Mugabe And The White African

Dogwoof

Ooit is ook hij onthaald als één van de leiders van het nieuwe Afrika. Robert Mugabe, sinds 1980 president van Zimbabwe, de voormalige Britse kolonie Rhodesië. Hij begon als een gematigde leider, maar ontwikkelde zich snel tot een typische autocraat. Ten tijde van de documentaire Mugabe And The White African (88 min.) van Lucy Bailey en Andrew Thompson uit 2009 is de man al afgegleden tot leuzen als ‘Zimbabwe voor de Zimbabwanen’. Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet alle Zimbabwanen. Alleen de zwarte.

Één klein probleem: het land heeft ook nogal wat witte inwoners. Wat Mugabe bepleit, is dus niets minder dan een soort omgekeerde Apartheid. Alleen zijn het nu geen arme zwarten die worden geslachtofferd, maar blanke landeigenaren zoals Mike Campbell. Hij woont sinds 1974 op zijn boerderij Mount Carmel, maar dreigt die door Mugabes landhervorming – noem die gerust onteigening – kwijt te raken. Dat is het startpunt van deze uiterst beklemmende documentaire.

‘Ik kan nergens anders heen en ik ben niks anders. Geen Engelsman, Amerikaan of Australiër’, stelt Campbell. ‘Ik ben nu eenmaal blank, dus ben ik een blanke Afrikaan.’ Zijn – zwarte – advocate Elize Angula vult aan: ‘Ze willen de boeren weg hebben. Ze zeggen dat ze geen Zimbabwanen zijn. Dat is racistisch.’ En dus wenden de onverstoorbare Campbell, zijn moedige schoonzoon Ben Freeth (die regelmatig ook zelf de camera ter hand neemt) en hun juridische team zich tot de rechter voor een zaak tegen de regering.

Intussen meldt de nieuwe eigenaar zich alvast bij de boerderij van de Campbells. Het is een neef van één van Mugabes ministers. ‘Dit land wordt nooit meer een kolonie’, bijt hij de eigenaars toe tijdens een felle woordenwisseling. Of Campbell en de zijnen direct het land willen verlaten. De man oogt niet bepaald als een agrariër in spe. Even later laat een advocaat van de Campbells een lijst met nieuwe eigenaren van witte boerderijen zien: stuk voor stuk hebben ze een band met Mugabe, z’n regime of zijn politieke partij.

Mugabe And The White African, bekroond met een British Independent Film Award, lijkt een moderne variant op David & Goliath; de trotse Mike Campbell en zijn schoonzoon tegenover een veelkoppige vijand die zijn toevlucht zoekt tot traineren, intimideren en uiteindelijk ook bot geweld. Dat resulteert in een duistere, enerverende documentaire, verteld vanuit het perspectief van de twee witte boeren. Waarbij de vraag of die zwarte afgunst – even los van de rol van Mugabe en zijn trawanten daarin – wellicht ook gerechtvaardigd is, onbeantwoord blijft.

Hoe het na deze heroïsche strijd verder ging met Campbell en Freeth is hier te lezen.

Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe


Documentaire maken in real time, het kan. Slechts twee dagen na de WK-finale verscheen Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe (122 min.), een gelikte achter de schermen-film over het Franse voetbalelftal dat uiteindelijk de wereldtitel in de wacht zou slepen. De documentaire is in twee delen op YouTube te bekijken, waarbij je de kreupele ondertiteling voor lief moet nemen.

Erg diep graaft die film natuurlijk niet en de toon blijft altijd positief – naar de blunder van keeper Hugo Lloris in de WK-finale tegen Kroatië zul je bijvoorbeeld tevergeefs zoeken. De filmmakers Emmanuel le Ber en Théo Schuster hebben echter wel opmerkelijk veel toegang gekregen. Voor, tijdens en na de wedstrijd lijkt de camera overal welkom te zijn; van de wedstrijdbesprekingen van coach Didier Deschamps tot het opmaken van de balans in de rust en de euforie na alwéér een gewonnen wedstrijd. De spelers doen daarnaast regelmatig hun verhaal in een soort dagboekcamera en worden gefilmd als ze zich ontspannen of prepareren voor de volgende wedstrijd.

Intussen wordt glashelder wie de absolute leider is van de ploeg: Manchester United-middenvelder Paul Pogba. Voor de wedstrijden geeft hij steeds een ongenadige peptalk (‘we zijn gekomen om deze fuckin’ wereldcup te winnen’), tijdens de negentig minuten stroopt hij het hele veld af en na afloop geeft hij letterlijk het tempo aan bij het feestgedruis. Het voetbal van Les Bleus tijdens het wereldkampioenschap in Rusland mag dan wat al te zakelijk zijn gebleven, deze backstagedocu met straffe beelden en kekke muziekjes laat zien dat de kersverse wereldkampioen achter de schermen wel degelijk flink kon swingen.

Op Netflix is nog altijd Les Bleus: Une Autre Histoire De France 1996-2016 te zien, een documentaire waarin twintig turbulente jaren van het Franse elftal in beeld worden gebracht en zo meteen een beeld wordt geschetst van (de strubbelingen in) het hedendaagse, multiculturele Frankrijk.

Unknown Brood


Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.

Butterfly City

butterfly_city

 

‘We hebben de kip met de gouden eieren de nek omgedraaid’, zegt één van de inwoners van de Litouwse stad Visaginas, bijgenaamd Butterfly City (53 min.). Om te mogen toetreden tot de Europese unie moest de Ignalina-kerncentrale, waarvoor de stad in de jaren zeventig speciaal is gesticht, worden ontmanteld. Europa kon geen tweede Tsjernobyl gebruiken (of wilde gewoon geen kroonjuweel van de Sovjet-Unie overnemen).

Inmiddels dreigt de voormalige Sovjet-modelstad, waar vooral Russisch werd gesproken, te verworden tot een spookstad, waar bovendien tweespalt heerst. De ontwikkelingen in een andere voormalige satellietstaat van de Sovjet-Unie, Oekraïne, zetten ook de onderlinge verhoudingen in Visaginas flink onder druk, zo blijkt uit deze sfeervolle documentaire van Olga Cernovaite.

De Russen die bijna een halve eeuw geleden met de kerncentrale meekwamen naar de Baltische staat, zweren nog altijd bij hun voormalige moederland en voelen zich te midden van de oplopende etnische spanningen bovendien regelmatig de zondebok (terwijl ze in Rusland waarschijnlijk ook als buitenlander zullen worden behandeld). Zo ontvouwt zich het verhaal van een gespleten gemeenschap die zijn eigen toekomst in de hand probeert te nemen – en intussen ook gewoon moet zien te overleven.

John McCain: For Whom The Bells Toll


Zijn dagen waren al geteld toen deze documentaire werd gefilmd. De Republikeinse senator John McCain blijft niettemin strijdbaar tot zijn allerlaatste ademtocht. Zo kreeg partijgenoot Trump onlangs nog te horen dat hij wel mocht wegblijven bij McCains uitvaart. Niet veel later werd hij met gelijke munt terug betaald. Nadat McCain protesteerde tegen de benoeming van Gina Haspel als directeur van de CIA, omdat ze ooit verantwoordelijk zou zijn geweest voor martelingen, merkte een medewerkster van de president op: ‘He’s dying anyway’.

Het kan elk moment daadwerkelijk zover zijn: het einde van de ‘maverick’ John McCain, na een veelbewogen leven dat hem over de hoogste toppen en door de diepste dalen voerde. In John McCain: For Whom The Bells Toll (103 min.), een titel die verwijst naar zijn favoriete boek van Ernest Hemingway, leidt de hoofdpersoon zelf de kijker, zonder al te veel schroom of voorbehoud, door de ruim tachtig tropenjaren van zijn leven. Hij laat daarbij ook zijn flaters niet onbenoemd, zoals bijvoorbeeld zijn betrokkenheid bij het financiële schandaal rond de zogenaamde Keating Five, het feit dat hij het gebruik van de vlag van de Geconfedereerden vergoelijkte tijdens de presidentscampagne van 2000 en zijn selectie van Sarah Palin als vice-presidentskandidaat tijdens zijn campagne in 2008.

Na al die jaren overheersen echter ‘s mans verrichtingen: zijn positie als onafhankelijke stem binnen de Republikeinse partij. McCain was afgelopen week bijvoorbeeld zo’n beetje de eerste partijgenoot die keihard afstand nam van Trumps statements na de top met Poetin. Een ronduit heroïsche periode als krijgsgevangene in Vietnam heeft ervoor gezorgd dat zijn patriottisme nooit ter discussie kan worden gesteld. Als zoon van een opperbevelhebber van het Amerikaanse leger en kleinzoon van een andere admiraal weigerde hij een voorkeursbehandeling en vervroegde vrijlating. Hij zou uiteindelijk ruim 5,5 jaar gevangen worden gehouden, waarvan ruim twee jaar in eenzame opsluiting. Donald Trump, die zelf vanwege hielspoor nooit in militaire dienst is geweest, merkte na weer een meningsverschil met de eigenzinnige McCain eens op dat hij de voorkeur gaf aan mannen die zich niet gevangen laten nemen.

McCains periode in het Hanoi Hilton, die hem levenslange fysieke klachten bezorgde, heeft desondanks een prominente plek gekregen in zijn politieke biografie – en dus ook in deze oerdegelijke, uiteindelijk positief geframede film van Peter W. Kunhardt die lijkt te zijn bedoeld als een soort testament. In het traditioneel opgezette portret komen zowel politieke vrienden van beide partijen (zoals Bill en Hillary Clinton, George W. Bush, Barack Obama, Henry Kissinger en Joe Biden) als zijn kinderen en beide echtgenotes aan het woord, waarbij ook zijn pijnlijke echtscheiding gewoon aan de orde komt. Het past bij de ‘straight talking’ politicus McCain, een onafhankelijke geest die meestal zonder meel in de mond sprak. Deze politieke biografie doet hem zeker recht.

Stories We Tell


‘Elke familie heeft een verhaal’, stelt de ondertitel van deze overrompelende egodocumentaire van Sarah Polley uit 2012, die donderdag wordt herhaald op NPO2. Je zou die zin ook kunnen parafraseren: elke familie wórdt een verhaal – en zou dus het decor kunnen vormen voor een zeer persoonlijke film zoals Stories We Tell (108 min.).

Die verhalen kunnen de waarheid natuurlijk ook in de weg zitten. Want corresponderen de verhalen die we over onszelf vertellen werkelijk met het leven zoals we dat leven of hebben geleefd? Of overwoekert onze behoefte om de protagonist te worden in onze eigen vertelling, met een kop en (liefst een bevredigende) staart, de ware gebeurtenissen? En in hoeverre worden we eigenlijk voor de gek gehouden door ons geheugen?

In de aangrijpende speelfilm My Life Without Me vertolkte Sarah Polley ooit de rol van een zieke moeder die in het geheim scenario’s voor haar man en kinderen schrijft, voor een toekomst waarvan ze zelf geen deel meer zal uitmaken. In Stories We Tell gaat ze op zoek naar haar eigen moeder. Diane Polley overleed toen dochter Sarah elf was en liet haar gezin vooral achter met mogelijke scenario’s voor het verleden: wie was bijvoorbeeld Sarahs biologische vader? En (hoe) kun je vooruit als die vraag nog niet is beantwoord?

De regisseuse laat daarbij ostentatief zien hoe ze haar eigen verhaal stuurt. Ze instrueert de man die ze jarenlang als haar vader beschouwde, acteur Michael Polley, bij het inspreken van voice-overs, demonstreert hoe ook interviews uiteindelijk geënsceneerde situaties zijn waarover alleen zij als maakster controle heeft en fabriceert zelfs authentiek ogende familiefilmpjes die ze versnijdt met originele video’s van het gezin Polley. Stories We Tell is haar verhaal, wil ze maar zeggen. Haar waarheid.

En een verhaal vertellen kan ze, deze Canadese filmmaakster. Ze lardeert haar persoonlijke zoektocht met kleine valkuilen, milde humor en verraderlijke cliffhangers en werkt uiteindelijk toe naar een bijzonder bevredigend einde. Stories We Tell is, kortom, het werk van een geboren verhalenverteller, die ook nog eens verdacht dicht bij de – nee, laten we zeggen: een – waarheid lijkt te komen.

I Will Speak, I Will Speak!

I_will_speak_I_will_speak_Shrey_trap

 

Ooit was het niet minder dan een doodvonnis: de mededeling dat je hiv-positief was. Aids richtte in de jaren tachtig en negentig een waar slagveld aan in de internationale homoscene en hield ook gruwelijk huis in Afrika. Nieuwe medicijnen maakten van de fatale ziekte sindsdien een chronische aandoening. Inmiddels valt er behoorlijk goed en lang te leven met hiv. Het stigma is alleen gebleven.

Wereldwijd hebben bijna 37 miljoen het afschrikwekkende virus. Regisseur Willem Aerts en ‘verhalenverteller’ Erwin Kokkelkoren leven zelf al dertig jaar met hiv. Drie jaar lang reisden ze de wereld rond om lotgenoten te ontmoeten en hun verhalen op te tekenen voor de tentoonstelling I Will Speak, I Will Speak! Atlas2018, die komend weekend wordt geopend in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

In de bijbehorende documentaire I Will Speak, I Will Speak! (54 min.) worden vijf dragers van het virus geportretteerd: een oudere homoseksueel uit San Francisco die de ‘plaag’ overleefde, de Britse maker van het online tijdschrift Beyond Positive, het Afrikaanse meisje dat bij geboorte al was besmet, een transgender-sekswerker in Cambodja en een voormalige Russische gedetineerde die ooit een drank-en drugsprobleem had.

Stuk voor stuk kampen ze met gevoelens van schaamte, krijgen ze te maken met onbegrip, of zelfs vijandigheid, vanuit hun omgeving en worstelen ze met welke plek het virus inneemt in hun leven. Veertig jaar nadat de onbekende aandoening genadeloos toesloeg, lijkt het acute levensgevaar rond hiv en aids verdwenen. Gebleven is echter de wijze waarop het virus zijn dragers definieert.

Het Nieuwe Artis

Column Film

Wordt het kalfje van de olifant op tijd geboren? vraagt heel Artis zich af. Op tijd voor de herfstvakantie, welteverstaan. Dat zou volgens de PR-afdeling een mooie publiekstrekker zijn. De verzorgers durven het alleen niet te beloven. En ze vragen zich sowieso af of het weer dan wel goed genoeg is om een piepjong olifantje aan pers en publiek te vertonen.

De lotgevallen van de drachtige olifant en haar nageslacht houden de gemoederen flink bezig in de sterke documentaire Het Nieuwe Artis (84 min.) van Willemiek Kluijfhout (Sergio Herman: Fucking Perfect). De Amsterdamse dierentuin bekommert zich daarnaast om nog een andere bedreigde diersoort. Moet het kinderloze krokodillenpaar misschien een handje worden geholpen bij de voortplanting?

Intussen bezint Artis zich, onder de bezielende leiding van directeur Haig Balian, tevens op zijn bestaansrecht en toekomst. Past het bijvoorbeeld nog wel om wilde dieren op te sluiten, midden in de grote stad? En welke verblijven – hok, mag je niet meer zeggen van de communicatie-afdeling – passen daar het best bij? Het terrein van de stadsdierentuin wordt stevig onder handen genomen en tevens ‘hufterproof’ gemaakt.

Het PR-team neemt zijn taak serieus. Als er nieuws is rond de olifantenfamilie, krijgt dierenverzorger Peter Bleesing heuse talking points mee (die overigens vrijwel letterlijk in dit artikel van Trouw zijn terug te lezen). Artis is ‘een educatief instituut’, leest hij van zijn papier, dat van mening is dat de vermenselijking van dieren, het aan hen ‘toeschrijven van menselijke gevoelens en eigenschappen’, moet worden ingeperkt. Een communicatiemedewerker luistert aandachtig mee.

Artis’ promotionele beslommeringen geven soms een tragikomische feel aan deze gelaagde film, die de binnenkant van een Nederlands instituut blootlegt. In die zin doet Het Nieuwe Artis inderdaad denken aan de veel gelauwerde documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum van dezelfde producent, Column Film. De toonzetting is vergelijkbaar, inclusief  vorstelijke muziek en subtiele montage (kondigen die gieren bijvoorbeeld slecht nieuws aan over de olifanten?). En het eindresultaat is bovendien bijna net zo meeslepend.

In de aandoenlijke documentaire Waiting For Giraffes van Marco de Stefanis staat de Palestijnse dierentuin Qalqilya centraal. Directeur Sami Khader wil een internationaal keurmerk voor zijn geesteskind bemachtigen, maar moet daarnaast ook rekening houden met de politieke situatie op de Westelijke Jordaanoever. Want als er een cursus in Israël wordt georganiseerd, mogen niet al zijn medewerkers mee. Sommigen zijn immers ooit betrokken geweest bij de Intifadah.

The Workers Cup


Frankrijk is nog geen wereldkampioen of wij Nederlanders richten het vizier – noodgedwongen – alweer op het volgende wereldkampioenschap, in Qatar in 2022. Over vier jaar moet er een uitgebreide voetbalinfrastructuur zijn aangelegd in de Arabische golfstaat, die tegen de verwachtingen in enkele jaren geleden de organisatie van het WK heeft bemachtigd.

In dat kader verblijven er inmiddels ruim anderhalf miljoen, grotendeels Aziatische, Afrikaanse en Arabische arbeiders in Qatar. Gezamenlijk vormen ze op dit moment zestig procent van de totale bevolking van het land. Ze wonen in werkkampen en maken zo’n twaalf uur per dag, vaak zeven dagen per week. De arbeidsomstandigheden zijn belabberd. Al te veel gelegenheid om te klagen of een andere baan te zoeken is er echter niet, want hun werkgever heeft hun werkvergunning in beheer.

Gelukkig mogen ze zelf ook een potje voetballen. De bedrijven waarvoor ze werken hebben zich ingeschreven voor de strijd om The Workers Cup (58 min.), een toernooi dat door de WK-organisatie is georganiseerd om het voetbal in eigen land te promoten. Deze stevige documentaire van Adam Sobel volgt enkele spelers van het team van de Gulf Contracting Company (GCC). ‘Ons bedrijf heeft veel voor ons gedaan en daarom moeten we vandaag winnen’, houdt trainer Dean zijn mannen uit Kenia, Ghana, India en Nepal voor. Daarbij kunnen ze volgens hem uit eigen kracht putten: ‘eenheid in diversiteit.’

Buiten het veld bestaat het leven van de spelers uit niet veel meer dan werken, waarbij ze tussen de bedrijven door contact proberen te houden met hun vroegere leven en de geliefden die zijn achtergebleven in eigen land. Binnen de lijnen vinden ze een gelegenheid om zich te onderscheiden. De wedstrijden worden beleefd als echte WK-krakers. Waar hun werkgever vooral uit lijkt op prestige, staat er voor de voetballers zoiets elementairs als zelfrespect op het spel. Hoe blijf of word je meer dan een onbeduidend radertje in het systeem? Met een benutte penalty of katachtige reflex misschien?

Robin Williams: Come Inside My Mind

HBO

De twee kanten van zijn persoonlijkheid zijn nog altijd moeiteloos te herkennen in het werk van Robin Williams. De manische mafketel, even vaak irritant als grappig, duikt bijvoorbeeld op in de comedyserie Mork and Mindy, zijn standup-optredens en allerlei bezoekjes aan talkshows. Terwijl de introverte somberaar daarachter zijn opwachting maakt in speelfilms als Dead Poets Society, Awakenings en Good Will Hunting.

Hij was een typische clown, zou je kunnen zeggen; in het openbaar altijd de lach aan zijn kont, maar intussen privé volledig gevangen in zijn eigen wurggreep. Dat beeld rijst in elk geval op uit de documentaire Robin Williams: Come Inside My Mind (116 min.) van Marina Zenovich, waarin intimi, vrienden en collega’s als Dave Letterman, Eric Idle (Monty Python), Steve Martin en Whoopi Goldberg terugblikken op het leven van de man die in 2014 koos voor de dood.

Zo vertelt Mark Romanek, die Williams regisseerde in de ijzingwekkende thriller One Hour Photo, bijvoorbeeld hoe zijn hoofdrolspeler tussen de geladen opnames door dwangmatig grappig deed. De drang om mensen te laten lachen was bijna ziekelijk, onderdeel van een niet te stillen honger naar bevestiging. ‘Die lach is een drug’, zegt zijn boezemvriend en comedian Billy Crystal daarover. ‘Die acceptatie, die opwinding, daar kan niets tegenop.’

Zonder publiek aan zijn voeten bleef er verdacht weinig over van de Hollywood-ster Robin Williams. Hoe kon een man die zo succesvol was zich zo’n minkukel voelen? vraagt zijn zoon Zak zich af in deze klassieke biopic. Zijn vader was vaak lange periodes weg van zijn gezin en zocht regelmatig zijn toevlucht tot zelfmedicatie, in de vorm van drank en drugs. Aan het eind kwam daar Lewy Body-dementie bij. ‘De terrorist in zijn hoofd’, volgens zijn weduwe Susan Schneider Williams in het tijdschrift Neurology. Totdat hij echt geen uitweg meer zag.

Wat na bijna twee uur archiefmateriaal, televisie-interviews en persoonlijke bespiegelingen van de man zelf rest, is het beeld van een tragische figuur, die zichzelf op virtuoze wijze overschreeuwde. Die constatering zorgt er tegelijkertijd voor dat al die bekende grappen en grollen zwaar op de maag gaan liggen. In essentie zijn het vooral tot mislukken gedoemde pogingen om eigenwaarde te verkrijgen. Waar anderen kostelijk om konden lachen, dat dan weer wel.

Dig!

Oscilloscope

Not If You Were The Last Junkie On Earth, de eerste hit van The Dandy Warhols uit 1997, werd direct vilein gecounterd door The Brian Jonestown Massacre met Not If You Were The Last Dandy On Earth. Het was natuurlijk ook de wereld op zijn kop: Anton Newcombe’s band had de ‘next big thing’ moeten worden, maar de groep van zijn vriend/rivaal Courtney Taylor-Taylor ging er met de eer vandoor.


Dat ‘onrecht’ vormt het hart van de bruisende rockdoc Dig! uit 2004, waarvoor Ondi Timoner beide rockbands gedurende zeven jaar op de voet heeft gevolgd. In die periode kreeg Taylor-Taylor (tevens de verteller van deze film) steeds meer succes, terwijl Newcombe gaandeweg he-le-maal uit de bocht vloog. Totdat het zelfs te veel werd voor zijn trouwe secondant Joel Gion, die jarenlang met een veel te grote zonnebril op en een tamboerijn in de hand naast hem op het podium übercool stond te wezen.

Want de decadente levensstijl waarmee The Dandy Warhols uitbundig flirtten en uiteindelijk ook scoorden – met als meest tastbare resultaat de door een commercial tot wereldhit gebombardeerde kraker Bohemian Like You – werd door The Brian Jonestown Massacre daadwerkelijk geleefd. Hun muzikale verrichtingen, vastgelegd op een stortvloed aan platen, werden steevast overschaduwd door drankgelagen, sterallures, arrestaties, drugsmisbruik en zelfs vechtpartijen op het podium.

De losgeslagen multi-instrumentalist Anton Newcombe wordt door menigeen nog altijd beschouwd als een muzikaal wonderkind, maar in Dig! is hij vooral te zien als een enfant terrible, dat steeds opzichtig aan de noodrem trekt zodra zijn trein op stoom dreigt te komen. De mediagenieke Dandy Courtney Taylor-Taylor oogt intussen als de gedroomde popster, een ideale posterboy voor de lekker slicke alternatieve rock van het fin de siècle.

Behalve lof oogstte filmmaakster Ondi Timoner overigens ook kritiek met deze rudimentaire documentaire, die de juryprijs won op het Sundance Festival van 2004; ze zou wel erg weinig oog hebben gehad voor de muzikale verrichtingen van beide bands en het drama tussen hen bovendien nogal kunstmatig hebben aangezet. Zodat er aan het eind van de film duidelijke winnaars en losers lijken te zijn. De werkelijkheid lag, zoals altijd, een stuk genuanceerder. Maar dat levert natuurlijk niet per definitie ook een spannendere film op.

Ruim twintig jaar dato maakte Ondi Timoner een update van Dig!: Dig! XX, met extra beelden en interviews.

Mocromode

VPRO

Met het bekijken van een documentaire kun je de deur naar een onbekende wereld open wrikken, waarin je vervolgens ongegeneerd een tijdje mag ronddolen. Die wereld hoeft helemaal niet ver weg te liggen. Neem Mocromode (26 min.), een korte documentaire van Elise Roodenburg en Soufyan el Hammouti over de neven Omar en Moggi. Die speelt zich gewoon af in Rotterdam-zuid en laat toch een wereld zien die voor veel Nederlanders onbekend terrein is.

Onbekend maakt onbemind. Dat geldt zeker voor het deel van de bevolking waartoe de twee jonge vloggers behoren: Nederlands-Marokkaanse jongens. En als ze dan ook nog dure designerkleding van Gucci, Prada en Louis Vuitton dragen, dan ligt de conclusie al helemaal voor de hand: dit kan beslist geen zuivere koffie zijn. ‘Zie je wel, die Marokkanen!’, ze horen het de mensen om hen heen denken. Hoe kom je los van zo’n onuitgesproken (voor)oordeel?

Omar en Moggi ogen inderdaad blits (al zullen ze dat woord zelf nooit gebruiken) en bezigen straattaal met elkaar. De Mocro’s roken een ‘Kalashnikov-waterpijp’. Haren worden ‘gestraight’. En ze gaan op zoek naar ‘de ziekste outfit wat er is’. Afgaande op deze amusante docu zijn de aandoenlijke boezemvrienden echter helemaal niet bezig met kleine criminaliteit, maar met kleine commercialiteit, in de vorm van een eigen YouTube-kanaal. Alles voor opzichtige merkkleding en luxe-artikelen.

Die staan voor iets. ‘Als een jongen schoenen koopt van tweeduizend euro, dan sta ik wel op om hem een handje te geven’, zegt Omar. ‘Status is belangrijk voor jongeren in een achterstandswijk’, verduidelijkt de plaatselijke kapper. ‘Daar gaat het allemaal om.’ Een auto van 20.000 euro behoort niet tot de mogelijkheden, maar schoenen van 800 zijn wél bereikbaar. Waarmee je van niemand dus (ogenschijnlijk) iemand kunt worden.

Hondros

Netflix

Het is gemakkelijk om oorlogsfotografen te reduceren tot een eenvoudige stereotype: de ‘thrill seekende lone wolf’. Een man van weinig woorden, die zich met zijn camera staande weet te houden in een machowereld waarin veel gelegenheid is voor bravado en – wellicht uit puur zelfbehoud – heel weinig ruimte voor introspectie.

‘Het probleem van oorlogsfotografie is dat je het nu eenmaal niet vanaf een afstandje kunt doen’, zegt Chris Hondros droog in deze aan hem gewijde film van zijn vriend en collega Greg Campbell. Hondros (92 min.) kwam uiteindelijk toch te dichtbij: hij overleed tijdens een mortieraanval in Libië in 2011.

In de voorafgaande decennia struinde de Amerikaanse fotograaf alle mogelijke oorlogsgebieden af. Hij maakte in die periode zeker twee klassieke foto’s: een uitzinnige Liberiaanse kindsoldaat (2003), die zojuist een raket heeft afgevuurd, en een huilend meisje in Irak (2005) waarvan de ouders even daarvoor een bevel om met hun auto te stoppen hebben genegeerd en vervolgens door het Amerikaanse leger zijn doodgeschoten.

Campbell exploreert in deze film niet alleen het leven en werk van zijn dierbare vriend, die volgens zijn eigen moeder in 41 jaar meer meemaakte dan menigeen in dubbel zoveel jaren, maar gaat ook op zoek naar de hoofdrolspelers van zijn klassieke foto’s en kijkt met hen wat er daarna gebeurde. Dat geeft dit postume eerbetoon aan de gelauwerde oorlogsfotograaf echt meerwaarde.

Tijdens de aanval die Chris Hondros het leven kostte stierf ook de Britse fotograaf Tim Hetherington, die de Oscar-winnende documentaire Restrepo maakte. Over hem werd eveneens een documentaire gemaakt: Which Way Is The Frontline From Here?: The Life And Time Of Tim Hetherington.

Het turbulente leven van oorlogsfotografen leent zich sowieso goed voor een documentaire. Zo zijn er al films gewijd aan ‘war photographer’ James Nachtwey, Kevin Carter (lid van de beruchte Bang Bang Club) en James Foley, de fotojournalist die werd onthoofd door IS.

Ook interessant (en bovendien online te bekijken): de documentaire Underfire: The Untold Story Of Pfc. Tony Vaccaro, een Amerikaanse soldaat die de Tweede Wereldoorlog van binnenuit vastlegde.

What We Started


Vooroordeel: de playlist is vooraf al helemaal klaar. Tijdens het optreden zelf hebben de meeste deejays eigenlijk niet al te veel te doen. Ze kijken héél ingewikkeld, drukken zo nu en dan met gefronste wenkbrauwen een koptelefoon tegen hun hoofd en zwaaien vooral superenthousiast die handen door de lucht, om de dansende meute nóg verder op te peppen.

Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Vóór die uitzinnige show moet er immers muziek worden gemaakt – of op zijn minst gecombineerd. En het vak van deejay vereist zowel muzieksmaak en -kennis als technische vaardigheden, zoveel wordt ook duidelijk uit de documentaire What We Started (94 min.).

Deze gelikte film van Bert Marcus en Cyrus Saidi portretteert twee tegenpolen van de hedendaagse electronic dance music (EDM): de Nederlandse tiener Martin Garrix en de Britse oudgediende Carl Cox, resident dj van Space Ibiza. De één belichaamt het wereldwijde succes van dance bij jongeren, de ander is het toonbeeld van een leven lang EDM in alle soorten en maten.

Met deze uitersten, die toch ook weer veel gemeen blijken te hebben, als startpunt schetst What We Started de moderne dancescene en de historie daarvan. Grofweg: van disco via de klassieke house uit Chicago en Detroit en Britse acid house naar moderne techno, waarbij er natuurlijk ook aandacht is voor illegale raves, de Love Parade in Berlijn en drugsgebruik.

Aan aansprekende bronnen geen gebrek: met Paul Oakenfold, Pete Tong, Louie Vega, Afrojack, Moby, Tiësto, Ed Sheeran, David Guetta en Usher bewandelt de documentaire zorgvuldig de middenweg tussen underground en mainstream. Erg diep gaat het allemaal niet, maar informatief en vermakelijk is What We Started zeker.

De Rode Ziel

VPRO

‘Pas op, nou gaan ze ons provoceren’, zegt één van de vrouwen in de openingsscène van De Rode Ziel (60 min.) voordat het interview van start gaat. ‘Waarom bent u vandaag hier?’ wil de vragenstelster weten. ‘Vandaag is de verjaardag van Jozef Stalin.’ Volgende vraag: wat Stalin voor hen betekent? ‘Stalin betekent voor ons alles: de zege in de oorlog. Socialistische democratie. Echte democratie. Het is de Sovjettijd. Het is onze industrie, het is onze…’ ‘De verovering van de kosmos’, vult een andere vrouw aan. ‘De eerste mens in de ruimte.’

Regisseur Jessica Gorter, die eerder de indringende documentaire 900 Dagen maakte over het gruwelijke beleg van Leningrad tijdens de Tweede Wereldoorlog, geeft zulke gezworen Stalinisten ruim baan in haar film over De Grote Leider. Ze wil hen echt begrijpen. Tegelijkertijd laat ze ook slachtoffers van Stalins Grote Terreur aan het woord. Bij hen ontmoet ze al evenveel wantrouwen. ‘Zeg eens, waar heb je dit voor nodig’, wil één van de twee bejaarde zussen weten, die zojuist heeft verteld wie hun moeder, die tien jaar in één van Stalins werkkampen zat, heeft verraden.

Jozef Stalin werd vorig jaar in eigen land gekozen tot grootste figuur aller tijden. Veel Russen willen tegenwoordig geen kwaad woord horen over de man die van 1928 tot en met 1953 aan de macht was en in die periode ongelofelijke aantallen Russen naar het front of de Goelags stuurde. ‘Onder Stalin zaten we hier niet’, zegt onderzoeker Anatoli Razoemov tijdens een gesprek over de herwaardering van de Sovet-leider in een talkshow op televisie. ‘Na zo’n gesprek zou het slecht met ons aflopen.’

‘In die kampen zaten politieke vijanden van staat en volk’, werpt Michael Mashkovtsez, vertegenwoordiger van de Russische Communisten, tegen. ‘Doordat die zijn vrijgekomen, is ons land in 1990 verwoest.’ Daarmee zijn de stellingen betrokken in deze overtuigende film, die verder vooral gewone Russen aan het woord laat; mensen die ruim een halve eeuw na dato nog altijd zoeken naar bewijsstukken van Stalins schrikbewind tegenover anderen die ongegeneerd terugverlangen naar die goeie ouwe Sovjet-Unie.

Vooral die laatste groep is herkenbaar en doet bijvoorbeeld denken aan Brexiteers die dromen van een nieuwe glorieperiode van het Verenigd Koninkrijk – of aan Nederlanders die blijven zweren bij de knusse jaren vijftig. Mensen die de zekerheden van hun leven zagen verdwijnen en nu mijmeren over het almachtige Rusland, waaraan ook de huidige Grote Leider maar al te graag appelleert. Rusland is niet klaar voor democratie, stelt de schrijver Joeri Pavlovitsj Vjazemski. Het heeft behoefte aan een alleenheerser: de ‘monarch’ Vladimir Poetin. Deze krachtige documentaire dringt diep door in De (bloed)rode Ziel.

De Rode Ziel kan worden beschouwd als een soort zusterfilm van Liefde Is Aardappelen, een gevoelige egodocumentaire waarin de Nederlandse filmmaakster Aliona van der Horst het verhaal van haar Russische familie probeert te ontrafelen.

O.J.: Made In America

ABC

Het zou een kantelpunt in de moderne Amerikaanse historie zijn geweest, het moment waarop de Verenigde Staten definitief in de greep raakten van reality-televisie. Het was 12 juli 1994, ruim drie jaar na de geruchtmakende zaak rond de zwarte taxichauffeur Rodney King die voor de camera in elkaar was getrimd door enkele kordate cops van de Los Angeles Police Department. De stad barstte bijna uit elkaar van de raciale spanningen. En toen was er ineens voormalig footballster en all american hero O.J. Simpson.

Een zwart icoon dat werd verdacht van de moord op zijn witte vrouw (Nicole Brown) en een/haar nieuwe vriend (Ron Goldman, het slachtoffer dat in deze zaak nog wel eens over het hoofd werd gezien). Live op televisie was te zien hoe O.J. er eerst in zijn witte Ford Bronco vandoor ging en zich later overgaf. Er was zelfs een helikopter ingezet voor het live-verslag op televisie. De zaak had alles om een waar mediaspektakel te worden: een celebrity als verdachte, geen onomstotelijk bewijs van zijn schuld (toch?) én een bijrol voor een familie die we later nog veel beter zouden leren kennen: de Kardashians.

Begin 2016 werd de zaak tegen O.J. helemaal uitgewerkt in de puike dramaserie The People Vs. O.J. Simpson, met glansrollen voor John Travolta, Sarah Paulson en Cuba Gooding Jr. Documentairemaker Ezra Edelman moet vloekend voor de televisie hebben gezeten. Slechts enkele maanden later zou zijn vijfdelige documentaireserie O.J.: Made In America (474 min.) worden uitgebracht. Wat kon die nog toevoegen aan de gefictionaliseerde versie van de geruchtmakende moordzaak? Veel, heel veel, zo bleek. Een klein jaar later mocht Edelman een plaatsje op zijn schouw vrijmaken voor een Oscar.

Waar de dramaserie de zaak zelf centraal stelt en inzoomt op de larger than life-personages die daarin de hoofdrol claimden, zoals de gewiekste zwarte steradvocaat Johnny Cochran, plaatst de docuserie de rechtszaak rond O.J. Simpson in zijn historische en maatschappelijke context; hoe kon het gebeuren dat juist Simpson, een zwarte man die zich in de voorgaande jaren helemaal los had gemaakt van zijn eigen gemeenschap en was opgenomen in de vrijwel volledig witte high society van Hollywood, hét symbool werd van het verzet van de zwarte gemeenschap tegen haar achtergestelde positie?

Het vonnis in de zaak tegen O.J. Simpson zou voor tweespalt zorgen in Amerika; totale ontzetting versus uitzinnige vreugde. Waarbij de kwestie uiteindelijk louter verliezers kende. Nicole, Ron en hun nabestaanden natuurlijk, maar ook de hoofdpersoon zelf, die weer gewoon zwart in Amerika werd en zich ook als zodanig ging gedragen. In 2008 verdween hij achter slot en grendel vanwege een gewapende overval. Vorig jaar kwam O.J. wegens goed gedrag vervroegd vrij. Niet lang daarna was er alweer stennis.

Lenno En De Maanvis


Als je niet verder kijkt dan je neus lang is, zie je gewoon een kutventje: Lenno. Of zoals zijn vader vaak geïrriteerd, in plat Utrechts, roept: ‘Lennooo’. Uitroepteken erachter. Het joch is tien jaar oud en gek van zijn maanvis. Een symbolische keuze, zo lijkt het: die vis heeft de naam dat ie agressief is. Maar dat vindt Lenno niet eerlijk.

‘Mensen denken wel eens dat ik een probleem heb omdat ik vaak boos ben’, zegt hij over zichzelf. ‘Ik vind dat heel stom dat ze dat zeggen.’ Zijn vader, die volgens eigen zeggen ook niet altijd braaf is geweest, voedt Lenno in zijn eentje op en probeert hem en zijn tweelingbroer Teun te behoeden voor de fouten die hij zelf ooit maakte. ‘Toen ik vroeger boos werd, klapte ik er gelijk op. En waarom? Omdat ik niet kon praten. En dat moet jij ook eens leren.’

De ruwe en toch poëtische jeugddocumentaire Lenno En De Maanvis (18 min.) van Shamira Raphaëla, die de IDFA Award voor beste kinderdocumentaire won en zondag opnieuw wordt uitgezonden, portretteert van heel dichtbij een jongen met gedragsproblemen en zijn directe omgeving.  Het is een bijna zintuiglijke ervaring geworden, met een heel associatieve montage, lekkere dwarse percussie als soundtrack en een vertelling die soms plotseling van kleur verschiet.

Conflict en verzoening kunnen elkaar binnen enkele seconden afwisselen. Zo mag Lenno bijvoorbeeld een duivelshoofd op het been van zijn vader tatoeëren. ‘Dieper d’r in’, moedigt die hem aan. ‘Maar mag dat eigenlijk wel, dat ik een tattoo zet?’ wil Lenno weten. ‘Mag ik zelf weten’, antwoordt vader beslist, alsof hij de ontluikende puber is. Niet veel later krijgen de twee ruzie en roept vader hem stevig tot de orde. En Lenno wordt even weer een doodnormaal joch van tien, dat op zijn nummer is gezet.

Shamira Raphaëla maakte eerder de spannende egodocumentaire Deal With It, waarin ze haar drugs dealende en aan heroïne verslaafde vader Pempy en haar broer Andy, die op het rechte pad probeert te blijven, op intieme wijze portretteert.

Pervert Park


Je zult er maar wonen; in een Amerikaans trailer park met maar liefst 120 zedendelinquenten. Of ernaast. De buren noemen het Pervert Park (53 min.), een plek voor mannen en vrouwen die hun straf hebben uitgezeten. Binnen het Florida Justice Transitions-project, een initiatief van een moeder van een veroordeelde ‘sex offender’ die maar geen woonplek kon vinden, proberen ze de laatste stap te zetten naar een plek in de reguliere maatschappij.

In de Verenigde Staten bevat het register van zedendelinquenten meer dan 800.000 namen. Zij moeten uit de buurt blijven van plekken waar regelmatig kinderen komen. Duizend voet om precies te zijn, zo’n driehonderd meter. Bovendien zijn er inmiddels applicaties zoals Offender Locator beschikbaar, waarmee iedere geïnteresseerde kan zien welke viezeriken er in zijn directe omgeving wonen. Met naam, adres en foto erbij.

Ze zien er volstrekt normaal uit, de hoofdpersonen van deze indringende film van het Scandinavische echtpaar Frida en Lasse Barkfors uit 2014. Niet als de seksuele roofdieren of kinderlokkers die je misschien zou verwachten. Neem bijvoorbeeld de trieste vrouw, die jarenlang werd misbruikt door haar vader. Ze vertelt hoe ze zich, onder druk van een man die haar uit de brand zou helpen, vergreep aan haar eigen achtjarige zoon en die kerel via zijn computer liet meekijken. Hartverscheurend huilend: ‘He was my baby.’

Stuk voor stuk nemen de ‘perverts’, in interviews en groepsgesprekken, verantwoordelijkheid voor hun misdrijven. Coming clean, letterlijk. De meesten gaan zichtbaar gebukt onder berouw. Anderen zijn onthutsend eerlijk over zichzelf. Mensen zoals ik moeten in de gaten gehouden worden, zegt een man die in Mexico een vijfjarig meisje verkrachtte zonder omhaal van woorden. ‘Niet om ons te straffen of vernederen, maar om ons te helpen niet opnieuw in de fout te gaan.’

De Barkforsen schorten hun eigen waardeoordelen intussen op en leggen de verhalen van hun hoofdpersonen sereen en met compassie vast. Beschadigde mensen die niets anders wisten of konden dan zelf ook beschadigen. Ze zijn zich bewust van het stigma dat er rond hun daden hangt en besluiten er desondanks rond voor uit te komen. Dat mag je gerust dapper noemen. Daders worden zo weer mens. Die een gigantische misstap hebben begaan, dat wel. Na het zien van Pervert Park wordt het echter vrijwel onmogelijk om heel gemakkelijk ‘castreer ze!’ te blijven roepen.

Love Means Zero

Showtime

Zijn bekendste protégé, Andre Agassi, wilde niet meewerken aan deze film over de omstreden tenniscoach Nick Bollettieri. De manier waarop hij publiekelijk aan de kant werd gezet door zijn pseudovader, waarbij hij als tennisser opgroeide, ligt blijkbaar nog altijd erg gevoelig. Agassi’s grote rivaal in Bollettieri’s tennisacademie, Jim Courier, neemt in Love Means Zero (91 min.) wél plaats voor de camera van filmmaker Jason Kohn.

Nadat Bollettieri in 1989 tijdens het Roland Garros-toernooi in Parijs openlijk partij koos voor zijn lievelingetje Andre Agassi, vertrok Courier bij de succescoach. Hij weigerde nog langer tweede viool te spelen. Van tevoren sloeg hij nog wel even Agassi uit het toernooi. Het tekent de genadeloze survival of the fittest tussen Bollettieri’s spelers, die hij zelf maar al te graag aanmoedigde. De kampioen van nu kon morgen afgedankt worden voor een nieuwe kroonprins.

Waarom hij toch met zoveel mensen in conflict is gekomen, wil Kohn weten van de voormalige topcoach. ‘Nick kijkt nooit terug’, zegt de man zelf, inmiddels dik in de tachtig. Alsof hij het over compleet iemand anders heeft, een zelfverzonnen personage. Die ‘Nick’ meldt zich ook regelmatig in de interviews; een sterke verhalen en anekdotes opdissende patser, die weigert om aan echte introspectie te doen. Een man ook, die nog altijd zoveel ontzag inboezemt dat bepaalde oud-medewerkers en -tennissers elk woord wegen voordat ze het uitspreken.

Hoewel Bollettieri eigenlijk niet al te veel wil zeggen, vertelt de mental coach toch veel over zichzelf in dit psychologische portret, dat is opgebouwd rond zijn getroebleerde relatie met Agassi. Nadat ze tot hun eigen verdriet afscheid hebben genomen, blijven de twee elkaar tegenkomen op de tenniscourts. Inmiddels heeft de coach het ultieme verraad gepleegd en zich aan de zijde geschaard van Agassi’s nieuwe opponent Boris Becker, die wel opdraaft in deze overtuigende film. En uiteindelijk doet ook Andre Agassi toch nog van zich spreken…