Miljoenen kinderen dromen ervan, maar slechts voor een enkeling is een carrière als topsporter daadwerkelijk weggelegd. Elk jaar vindt er een enorme schifting plaats, waarbij een enkele droom voorlopig in leven wordt gehouden terwijl talloze andere worden vertrapt. Bij de voornaamste Amerikaanse sporten, football en basketbal, vindt die selectie voor een belangrijk deel plaats binnen de zogenaamde collegeteams.
Daarbij is iets vreemds aan de hand. Terwijl de schoolteams floreren en hun coaches dik betaald worden, moeten de Student Athletes (88 min.) koste wat het kost amateur blijven. Anders verliezen ze wellicht hun toegang tot een profloopbaan. Deze ‘studenten’ verdienen werkelijk geen rooie rotcent en moeten zich soms in de gekste bochten wringen om te overleven. Dat kan alleen in Amerika, zou je zeggen.
Die misstand is slechts één van de prangende kwesties die wordt aangesneden in deze gedegen film van Sharmeen Obaid-Chinoy en Trish Dalton, waarin enkele (voormalige) talenten worden gevolgd en een gewezen coach en anonieme Nike-medewerker aan het woord komt. Zij trekken zich het lot aan van de jonge helden, die in hun tienerjaren roofbouw plegen op hun lijf en zich zonder problemen laten exploiteren. Terwijl het nog maar de vraag is of ze ooit in aanmerking komen voor een profcontract.
De talenten die vandaag een biedingsoorlog kunnen ontketenen hebben morgen, vanwege een blessure of domme pech, misschien al een glorieuze toekomst achter zich. En dan is er, gelukkig, ook nog altijd die ene positieve uitzondering, die tegen alle verwachtingen een plek in het elitecorps verovert.
Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.
Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.
Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.
Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.
Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.
Zouden ze Nederlandse deejays als Tiësto, Armin van Buuren en Martin Garrix ook ooit gaan beschouwen als onderdeel van de zogenaamde ‘Hollandse school’? Die benaming werd eerder gebruikt voor de schilders Rembrandt, Frans Hals en Vermeer, documentairemakers zoals Bert Haanstra, Joris Ivens en Herman van der Horst en de voetbalgeneratie van Cruijff & co. De wegbereiders van de Nederlandse dancemuziek verdienen een soortgelijke status.
Wat nu één van Neerlands voornaamste exportproducten lijkt, begon ooit klein en werd toen door weinigen begrepen. DJ Eddy de Clercq had de Amsterdamse club Roxy, de plek waar de Nederlandse dance echt zou ontstaan, in de tweede helft van de jaren tachtig bijna helemaal leeg gedraaid. De eigenaren vaardigden een ultimatum uit: De Clercq kreeg nog twee maanden de tijd om zijn deejay-avonden aan de praat te krijgen. Anders was het over en uit.
En toen barstte ineens de bom, zo vertellen de wegbereiders van het muziekgenre in het eerste deel Pionieren (46 min.) van het drieluik 30 Jaar Dutch Dance. Niet veel later waren de Roxy en een extravagante club die enige tijd later zijn deuren zou openen, de veelbesproken It, ‘the talk of town’. De verafschuwde nieuwe muziekstroming house was plotseling de lijfmuziek van een nieuwe generatie jongeren geworden.
De beginjaren van de dance worden door regisseur Sacha Vermeulen vlot en aanstekelijk gereconstrueerd. Vrijwel alle kopstukken uit die tijd verschijnen voor de camera. Alleen voor een interview, dat wel. Waardoor deze driedelige televisiedocumentaire, naast een dominante voice-over, ook veel pratende hoofden bevat. Dit wordt gecompenseerd met een hoog verteltempo en een overdaad aan heerlijk archiefmateriaal.
In deel 2 Harder, Harder, Harder (45 min.) worden de opkomst van de grote Thunderdome-, Mysteryland- en Dancevalley-feesten, het wereldwijde succes van 2Unlimited en de ontwikkeling van techno en hardcore uit de doeken gedaan, waarna 30 Jaar Dutch Dance onvermijdelijk aanbelandt bij het roemruchte subgenre gabber. Met verve wordt de wereld geopend van strakke koppen in Aussie-trainingspakken, die zich op een ongenadig aantal beats per minute als bezetenen door de nacht heen hakken.
Uiteindelijk groeide gabber uit tot het enige Nederlandse muziekgenre ooit, dat echt in de hele wereld is gekopieerd. Waar een klein land óók groot in kan zijn – behalve schilderkunst, documentaires en voetbal – zou je nu met de nodige wijsheid achteraf kunnen zeggen.
In het afsluitende deel van het drieluik, De Wijde Wereld, staan de Nederlandse deejays centraal, die in de afgelopen jaren de aardbol hebben veroverd.
Rond het thema 30 Jaar Dutch Dance is overigens ook een interactieve website opgetuigd, waarop je urenlang ongegeneerd kunt grasduinen. Een aanrader.
Aan de Nederlandse gabbercultuur wijdde filmmaker Wim van der Aar bovendien enkele jaren geleden al eens de documentaire Gabbers, die nog steeds online is te bekijken.
Illustere kampioenen als Sugar Ray Robinson, Floyd Patterson en Mohammed Ali stonden er in de arena – en gingen ten onder. Volgens Cradle Of Champions (99 min.) hebben The Golden Gloves, de amateurkampioenschappen van New York die sinds 1926 worden georganiseerd door The Daily News, nochtans meer wereldkampioenen bij de professionals afgeleverd dan de Olympische Spelen.
Deze documentaire volgt enkele vechters die de Gloves willen gebruiken als springplank naar een profcarrière. Voor Titus Williams, die al zo’n beetje alles heeft gewonnen in de wijde omtrek, moet het toernooi de glorieuze afsluiting worden van zijn periode als amateur. Maar is de trouwe kerkganger Williams nog wel hongerig genoeg?
Dat kan nooit het probleem zijn van Williams-uitdager James Wilkins. Volgens zijn coach is het straatschoffie Wilkins een Mike Tyson-achtige figuur; zodra hij niet met boksen bezig is, komt hij direct in de problemen. Boksen geeft zijn leven de richting die het anders ontbeert. Hij is dus genoodzaakt om te vechten. Maar is Wilkins wel gedisciplineerd genoeg?
Nisa Rodriguez doet het intussen allemaal voor haar zoontje Emerson. Met haar 24 jaar heeft de alleenstaande moeder uit het zuiden van de Bronx de felbegeerde titel al vijfmaal in de wacht gesleept. Eenmaal voor elk levensjaar van haar kind. Maar hoeveel titels heeft Rodriguez nog in zich? En kan ze zich straks kwalificeren voor de Olympische Spelen?
Deze observerende documentaire van Bartle Bull duikt diep in die typische bokscultuur. Van zweterige boksscholen, waar eenzame strijders, onder de bezielende leiding van gestaalde coaches, zichzelf een weg uit hun eigen leven willen vechten. Waarna ze in een kolkende arena, aangevuurd, uitgedaagd en beschimpt door diezelfde coaches, voor enkele minuten boven zichzelf en die ander proberen uit te stijgen.
De camera kijkt over de schouder van Kabwita Kasongo mee als hij op de boom afloopt. Terwijl hij zijn bijl pakt, verlaat de lens hem en zwerft rustig over de takken de lucht in. Totdat de Congolese boer op de stam begint in te hakken. Steeds weer laat hij zijn gereedschap op het hout neerdalen. Nogmaals. Nog eens. En nog eens. Er lijkt geen einde aan te komen. Stukje bij beetje splijt hij de boom. Het is een kwestie van tijd en noeste arbeid voordat deze, uiteindelijk, breekt.
De tergend langzame openingsscène, waarin elke bijlslag er letterlijk inhakt, is exemplarisch voor de documentaire Makala (96 min.) van de Franse regisseur Emmanuel Gras én het leven van de hoofdpersoon van die film. Met beperkte middelen probeert Kabwita de wereld naar zijn hand te zetten. Hij heeft een idee. Die boom wil hij verwerken tot houtskool, dat in de stad moet worden verkocht. Zodat hij straks een huis kan bouwen voor zijn vrouw en kind.
Dan moet de jonge vader nog wel eerst in die stad aankomen. Vol goede moed – of de moed der wanhoop – laadt Kabwita zijn aftandse fiets he-le-maal vol met plastic zakken houtskool en begint in zijn dorp Walemba aan een voettocht van vijftig kilometer die hem uiteindelijk een behoorlijke som geld moet opleveren. Onderweg passeert hij anderen met een vergelijkbare lading en wordt hij zelf op zijn beurt ingehaald door brommers en motoren. Als de spreekwoordelijke boer ploegt hij voort, met de blik op oneindig.
Gras kijkt intussen met hem mee, leeft met hem mee. Hij grijpt niet in. Steekt geen helpende hand toe bij tegenslag. Kalm legt hij de ontberingen vast die zijn hoofdpersoon moet doorstaan. Elk shot lijkt te lang te staan, zodat de kijker gaandeweg begint te voelen wat de jonge Kabwita zichzelf heeft opgelegd en moet doormaken. Elke kilometer bestaat letterlijk uit duizend meter, elke meter uit honderd centimeter, elke centimeter uit tien millimeter. En die moeten allemaal worden overbrugd.
Intussen is elk geluid hoorbaar: het piepen van de fiets, de dwingende eisen van zelfbenoemde tollenaars en het wild opstuivende zand. Op gepaste moment kleurt Gras de gebeurtenissen in met gedragen muziek. Makala is daardoor bijna een zintuiglijke ervaring geworden, die ons, westerlingen, dwingt om de ganzenpas waarmee we doorgaans door het leven marcheren voor even vaarwel te zeggen voor een trage sleepgang door het armoedige en op de één of andere manier toch hoopvolle bestaan van een gewone Afrikaan.
‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’
Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.
Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.
Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.
‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.
Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.
Is Utah een democratie of een theocratie? Die vraag lijkt gerechtvaardigd. In de Amerikaanse staat is de wil van de Mormoonse kerk wet. En die kerk moet weinig hebben van homoseksuelen. Om over het homohuwelijk nog maar te zwijgen. Ze hebben er zelfs een speciale wet voor opgetuigd: Amendement 3. Daarmee moet het traditionele huwelijk, en de toekomst van onschuldige kinderen, worden beschermd.
Mark Lawrence, een oudere homoseksuele man, besluit om de knuppel in het hoenderhok te gooien. Hij chartert twee koppels en een zeer betrokken advocatenteam om een principezaak aan te spannen en de omstreden wet neer te halen, zodat mannen in Utah voortaan met mannen kunnen trouwen en vrouwen met vrouwen. Hoe ze dat precies moeten aanpakken, daarover gaan de meningen echter al snel verschillen.
De stevige documentaire Church & State (85 min.) belicht de juridische – en morele – strijd vanuit hun perspectief en laat zien wat de mogelijkheid om te trouwen, en bijvoorbeeld ook om kinderen te adopteren, concreet betekent in de levens van de betrokken stellen. Intussen schetst de film van Holly Tuckett en Kendall Wilcox ook de achtergronden van The Church Of Jesus Christ Of The Latter-Day Saints en haar lastige verhouding tot de LGBT-gemeenschap.
Buiten wordt een potje gevoetbald, binnen wordt een auto met explosieven geprepareerd. Tot slot poseren de martelaren van de Dandani Brigade netjes voor een groepsfoto. Waarna ze hun Path Of Blood (87 min.), dat werd ingezet met de aanslagen van 11 september 2001 en vervolgens een flinke boost kreeg door de Amerikaanse inval in Irak, vervolgen en een enorme ravage aanrichten in een buitenlandse enclave te Saudi-Arabië.
De menselijke schade is nauwelijks te overzien. Na de aanslag worden talloze naam- en gezichtsloze lichamen afgevoerd. De camera van het Saudische bewind verzamelt intussen bewijsmateriaal van de gewelddadige acties van de volgelingen van Osama Bin Laden. Deze grimmige documentaire maakt de bloedige rekening op van de heilige strijd die enkele Al-Qaeda-cellen zichzelf en hun omgeving aan het begin van de 21e eeuw hebben opgelegd.
Tegelijkertijd tonen deze zelfverklaarde soldaten van God, die rücksichtslos ten strijde trekken tegen alles wat zij als ongelovig bestempelen, ook hun menselijke gezicht. We zien hoe ze kletsen, dollen en sporten. Daarvoor maakt regisseur Jonathan Hacker gebruik van filmopnamen die ze zelf maakten tijdens trainingen, voorbereidingen op aanslagen en het opnemen van de bijbehorende propagandavideo’s.
Het is bijna niet voor te stellen dat de opgeschoten jongeren die op deze ontspannen beelden flauwe grappen maken of stuntelen voor de camera even later allerlei gewelddadige acties ten uitvoer kunnen brengen. Zijn het eigenlijk meer dan jongens onder elkaar? Die door een overdaad aan testosteron – en een gruwelijke speling van het lot – voor de ultieme keuze worden gesteld: victorie of martelaarschap.
De knulligheid waarmee dat soms gebeurt – op weg naar een aanslag dreigt een met explosieven beladen auto bijvoorbeeld zonder benzine komen te staan en niemand heeft geld bij zich om af te rekenen bij de benzinepomp – staat in schril contrast met de vernietigende gevolgen van hun doldrieste acties, die in deze film pijnlijk helder zijn opgetekend. Met angst en beven wachten we intussen af of er ook zulke B-roll beelden boven water komen van Islamitische Staat.
Fred Rogers ging elke dag op de weegschaal. Hij moest en zou precies 143 pond wegen. Zijn hele leven lang. Een kwestie van ongelofelijke discipline. Die 143 stond ergens voor: I love you, woorden met respectievelijk één, vier en drie letters. Zo sprak hij tegen zichzelf, ongetwijfeld een erfenis van zijn jeugd.
Mister Rogers verspreidde zijn boodschap van liefde decennialang via de Amerikaanse publieke zender PBS. ‘You’re special’, hield hij kinderen voor in zijn kinderprogramma Mr. Rogers’ Neighorhood. Als een lievige Ome Willem, in een kenmerkend oubollig vest, die verdwaald is geraakt in De Fabeltjeskrant.
‘Wat essentieel is in het leven’, zegt hij in de warme documentaire Won’t You Be My Neighbor? (94 min.), ‘is met het blote oog niet te zien.’ Rogers, die studeerde aan het seminarie, vond dat (kinder)televisie een educatieve taak had. Het hoefde niet alleen puur vermaak te bieden en hoefde de kijker niet puur als consument te benaderen.
Met gesprekken, liedjes en een heel arsenaal aan vaste poppen en acteurs maakte hij gevoelige onderwerpen zoals onzekerheid en depressie en actuele thema’s, zoals de oorlog in Vietnam of de moord op Bobby Kennedy, bespreekbaar in de taal en op het niveau van kinderen. Dat oogt nu bijna als anti-televisie: traag, met weinig actie en drama. Klein en menselijk.
Dezelfde kwalificaties zijn toepasbaar op deze verrukkelijke documentaire van Morgan Neville. Het is alsof je naar een beeldbuis-programma uit lang vervlogen tijden zit te kijken. Over een archaïsch ogende televisiedominee, die gaandeweg al zijn idealen over het medium zag vervliegen. Want ‘zijn’ televisie werd steeds meer een podium voor het betere (verbale) gooi- en smijtwerk.
Na afloop van Won’t You Be My Neighbor? rest een onbestemd verlangen naar, in sommige opzichten, betere tijden. Want gewoon een aardige man, waar zie je die tegenwoordig nog op de (Amerikaanse) televisie?
Je kunt hem punker noemen. Performancekunstenaar. Of gewoon: volledig gestoord. De openingstekst van deze geruchtmakende documentaire uit 1993 over het gewezen punkicoon laat er echter geen misverstand over bestaan. ’GG Allin is een entertainer met een boodschap voor een zieke samenleving. Hij laat ons daarnaar kijken, zodat we kunnen zien wie we zelf zijn.’
De schrijver concludeert: ‘Vergis je niet, achter wat hij doet zit beslist een brein.’ Was getekend niet minder dan John Wayne Gacy, succesvol aannemer, de ideale clown voor uw kinderfeestje en, o ja, berucht seriemoordenaar. Welkom in de verknipte wereld van GG Allin, de ideale representant van punk die nog oprecht gevaarlijk kon en wilde zijn.
Todd Philips, die later Hollywood-comedy’s als The Hangover zou regisseren, probeert het fenomeen te vatten in de ronduit onsmakelijke film Hated: GG Allin And The Murder Junkies (52 min.). Hij gaat met de ‘zanger’ en zijn band op tour door Amerika en spreekt met mensen uit zijn heden en verleden. GG zelf heeft hem verder weinig te melden. Het is met name zijn broer Merle, getooid met een uit de hand gelopen Hitlersnor, die voor duiding van deze geboren provocateur moet zorgen.
GG doet vooral van zich spreken met zijn spraakmakende performances. Wat een optreden van de held zoal inhoudt? GG schreeuwt. Slikt van alles. Spuugt. Draagt een nazihelm. Scheldt. Vecht. Dreigt met zelfmoord. Kotst. Verwondt zichzelf. Schijt. En eet dat weer op. Intussen probeert hij uit de cel te blijven. Een gemiddeld optreden beëindigt Allin helemaal buiten zinnen, zwaar bebloed en piemelnaakt. Een trouwe schare devote fans achterlatend.
Een ideale vent kortom, om te laten opdraven in de schreeuwerige talkshows waar de Amerikaanse televisie al decennia het patent op heeft. En laat het maar aan, een bijkans kwijlende, presentator Geraldo Rivera over om Allin vervolgens vakkundig ten toon stellen voor zijn kijkerspubliek van ‘average Americans’. Waarmee de punkscene reden te meer heeft om GG Allin, die later aan de verplichte heroïne-overdosis zou bezwijken, op het schild te hijsen als een vleesgeworden middelvinger.
En dat is precies wat deze film doet.
In de korte documentaire Live Fast Die: The GG Allin Story uit 2008 probeert Jay McBeth met GG’s moeder, broer en liefhebbers ene Kevin Michael Allin te vinden, de man achter deze punkvariant op een bezopen circusact.
Zij is inmiddels tachtig, maar zo oud wil ze natuurlijk niet lijken. In die zin is Jane Fonda nog altijd een typische Hollywood-diva. Aan de uitreiking van de Golden Globes gaat dus een hele beautysessie vooraf, zodat haar make-up, kapsel en kleding helemaal tiptop in orde zijn en ze onbevreesd richting de rode loper kan. Stralend als een jonge blom.
Jane Fonda In Five Acts (134 min.) is een tamelijk lang uitgevallen biografie van de bekende Amerikaanse actrice, activiste en fitnessgoeroe. De vijf bedrijven van deze film zijn opgehangen aan de mannen uit haar leven: vader Henry (de befaamde acteur, die volgens Janes broer Peter een script nodig had om zijn vaderrol te kunnen spelen) en drie exen: regisseur Roger Vadim, burgerrechtenactivist Tom Hayden en entrepreneur Ted Turner. Het afsluitende bedrijf, act five, heet simpelweg Jane.
Die structuur vertelt eigenlijk het gehele verhaal in deze verder traditioneel opgezette, nét iets te gladde biopic van Susan Lacy. Bij elke man vindt Jane zichzelf opnieuw uit, compleet met nieuw uiterlijk en activiteitenpatroon. Totdat ze helemaal aan het eind, zoals je van een Hollywood-verhaal mag verwachten, eindelijk terugkeert bij zichzelf.
Waarna je je heel even afvraagt of de hoofdpersoon in de voorafgaande twee uur zichzelf heeft laten zien of heel overtuigend Jane Fonda heeft geacteerd.
Ze hebben allebei hun geboorteland achter zich gelaten, maar verder hebben moeder en dochter El-Fassi weinig met elkaar gemeen. Moeder Noha kwam ooit vanuit Marokko naar Nederland om zich bij haar man Ali te voegen. In Zeeland werd ze huisvrouw en moeder. Haar dochter Zoulikha is voor haar werk naar Hongkong vertrokken en voelt zich daar nu, zonder man of kinderen, vrijer dan ooit.
Als vader El-Fassi zijn dochter gaat opzoeken, blijft moeder gewoon thuis in Oost-Souburg. Voor hun zoon Abdelkarim is dat een prima gelegenheid om het huwelijk van zijn ouders door te lichten. In Hongkong gaan zijn vader en zus met elkaar in gesprek. Intussen bevraagt Abdelkarim zelf zijn moeder, die zich nooit helemaal thuis heeft gevoeld in Nederland. Intussen wil ze er echter niet meer weg.
Toen Ma Naar Mars Vertrok (47 min.) is de tweede egodocumentaire van Abdelkarim El-Fassi. Eerder reisde hij al met zijn vader naar het Marokkaanse Rifgebergte voor de documentaire Mijn Vader, De Expat. Papa El-Fassi is nu opnieuw veel in beeld. De camera van zijn zoon houdt van hem, zogezegd. Moeder daarentegen blijft vrijwel de gehele film anoniem. Zoals ze vast haar leven ook leidt; dienend, in de schaduw van haar man en gezin.
De vormkeuze om moeder nooit echt herkenbaar in beeld te brengen pakt goed uit. Verder voelt deze documentaire echter enigszins gekunsteld. Het camerawerk (met veel droneshots van bovenaf) is fraai, de muziek treffend en de montage gelikt, maar de gesprekjes tussen ouder en kind ogen wat opgeprikt. Je ziet aan alles dat er zorg is besteed aan de setting en cameravoering. En zodra het rode lampje van de camera’s gaat branden, doen de gesprekspartners inderdaad hun kunstje.
Van spontaniteit is slechts beperkt sprake. Daarbij wreekt zich ook een beetje dat het verhaal van Ali en Noha El-Fassi weinig echt drama bevat. Sommige gesprekjes ontstijgen het keukentafelniveau niet. Maar wellicht was dat precies de bedoeling en staan de beide echtelieden simpelweg model voor een generatie Marokkaanse stellen, die zich binnen een geheel andere cultuur opnieuw hebben moeten wortelen.
‘Hier noemde iemand me voor het eerst nikker’, herinnert Roger Ross Williams zich als hij zijn geboortestad Easton in Pennsylvania binnenrijdt. ‘Zijn moeder zei nog: “doe dat niet, anders branden die mensen ons huis plat”.’
Williams, die onlangs voor een Oscar werd genomineerd met het prachtige Life, Animated, onderzoekt in zijn nieuwe film American Jail (95 min.) het Amerikaanse justitiesysteem. Hij start daarvoor in zijn eigen jeugd. Terwijl hij zelf journalistiek ging studeren en zich ontwikkelde tot een gelauwerde documentairemaker, werden enkele van zijn jeugdvrienden vaste klant van de Amerikaanse gevangenisindustrie.
Hij reconstrueert bijvoorbeeld het verhaal van Tommy. Een goeie gast, aldus Williams. Na een onschuldig vergrijp belandde hij echter achter slot en grendel. De ene straf leidde vervolgens tot de andere. Al snel ging Tommy zich ook gedragen als een bajesklant. Door het systeem gereduceerd tot een soort ‘dead man walking’: een zwarte draaideurcrimineel die zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Een verpletterde familie achterlatend.
American Jail is niet minder dan een pamflet. Tegen een inhumaan gevangenissysteem, volgens Williams gewoon een moderne variant op slavernij, dat zwarten ontmenselijkt en goedkope arbeidskrachten, slaven dus, van hen maakt. Onderdeel van een industrie, die zich inmiddels binnen en buiten de gevangenismuren heeft vertakt en overal tot wantoestanden leidt. Neem de man die vanwege een elektronische enkelband niet in aanmerking komt voor een baan, maar pas van die enkelband af mag als hij een baan heeft. Je zou van minder hoorndol worden – of gewoon in de cel belanden.
Het systeem moet rehabiliteren in plaats van criminaliseren. Zoals ze dat zo geweldig doen in Nederland, constateert Williams wat ongemakkelijk tijdens een bezoek aan ons land – zeker als je bedenkt dat deze, met fraaie animaties geïllustreerde film deels met een Nederlands team is gemaakt. Dat uitstapje naar ons land voelt een beetje als een fremdkörper in dit verder glasheldere betoog voor een humaner en kleurenblind Amerika.
In India, dat zichzelf afficheert als de grootste democratie ter wereld, is de handel in kinderen aan de orde van de dag, zo betoogt Selling Children (58 min.). Overal in het immense land zijn rotbaantjes te doen en kloteklusjes op te knappen. Óók in de seksindustrie. Deze journalistieke documentaire presenteert een veelomvattende kijk op de welig tierende mensenhandel, die een spoor van vernieling door het land trekt.
Eerlijk gezegd moest ik zo nu en dan wel een beetje grinniken om regisseur Pankaj Rajinder Johar. Hij fungeert in deze road movie als alomtegenwoordige verteller en claimt op die manier erg veel ruimte in de zoektocht naar kinderhandel(aren), die begint bij de verdwenen dochter van zijn huishoudelijke hulp en hem uiteindelijk in alle uithoeken van India brengt.
Om zijn eigen rol te benadrukken zien we soms in beeld hoe Johar een bepaalde situatie staat te filmen of hoe hij, terwijl diezelfde camera werkeloos op zijn schoot ligt, een slachtoffer interviewt. Blijkbaar heeft hij een cameraman geïnstrueerd om dat te registreren. Daarmee zit de filmer de getuigenissen van de betrokkenen, hun familieleden én mensen die zich ooit schuldig maakten aan ‘trafficking’ (waaronder ook familieleden) soms een beetje in de weg.
De mensen die hun verhalen met hem delen worden nooit meer dan passanten. De enige constante is Johar zelf. Intussen brengt hij de omvang en reikwijdte van de problematiek wel overtuigend in kaart. En overal waar de Indiase filmmaker komt krijgt hij min of meer hetzelfde antwoord op de steeds weer opduikende waarom-vraag: armoede. Alle mensen die worden verhandeld behoren tot India’s laagste kaste en hebben geen nagel om aan hun kont te krabben.
Nadat het leeuwendeel van de mannen van de Koerdische Jezidi-gemeenschap in Noord-Irak in 2014 (letterlijk) een kopje kleiner is gemaakt, besluit de nieuwe bezetter van de stad Sinjar, Islamitische Staat, zijn politiek van de verschroeide aarde ook toe te passen op de vrouwen. Die dienen natuurlijk sowieso maar één doel: het behagen van de mannen.
In I Was A Jazidi Slave (59 min.) reconstrueren enkele vrouwen die in handen vielen van de bebaarde barbaren hun ervaringen als sexslavin. Dat doen ze, eenmaal opgevangen in Duitsland, in een therapeutische context. Zodat ze straks een nieuw leven kunnen opbouwen in Europa. Tegelijkertijd kunnen met hun gedetailleerde getuigenissen de verantwoordelijke IS’ers misschien worden aangeklaagd bij het Internationaal Strafhof in Den Haag.
Deze journalistieke documentaire van David Evans laat behalve de vrouwen zelf ook diverse hulpverleners en mensenrechtenactivisten aan het woord. Zij geven ‘de zaak tegen IS’ gewicht en context, maar zorgen er tevens voor dat de docu, die ook nog is voorzien van een eikenhouten voice-over, erg praterig wordt en uiteindelijk meer aan het hoofd dan aan het hart appelleert. Terwijl Islamitische Staat toch echt onuitsprekelijke ellende heeft aangericht…
Je kunt er bij ons op kantoor eentje komen uitzoeken in de catalogus. Als ze Arabisch spreekt, kost ze 200 dollar per maand. Anders maar 150. Ze komt twee jaar en drie maanden bij je werken. Elke dag natuurlijk. Vrije dagen krijgt ze niet. En haar paspoort moet je goed bewaren en verstoppen.
Dat krijg je zo ongeveer te horen als je een officieel agentschap benadert voor een zogenaamde Maid In Hell (59 min.). En aan mensenrechten doen we niet, zegt Maher Doumit, die samen met zijn moeder Hasna zo’n tweehonderd vrouwen per jaar afzet. Dat gedoe is in zijn ogen meer iets voor Europa. Niet voor het Midden-Oosten, waar bijna drie miljoen buitenlandse vrouwen werkzaam zijn als huishoudelijke hulp.
In de rest van de wereld moeten ze weinig hebben van het zogenaamde Kafalasysteem. Landen als Ethiopië, de Filipijnen en Nepal hebben al een verbod uitgevaardigd, maar met een beetje goede wil, en wat geld onder de tafel, is daar wel omheen te werken, zo laten de Doumits niet zonder trots weten. Hij gaat er ook echt niet mee stoppen, zegt Maher. Hij helpt op deze manier immers zichzelf en anderen. In die volgorde.
Moeder en zoon Doumit vertegenwoordigen in deze schokkende documentaire van Søren Klovborg, wat mij betreft de beste film uit de Why Slavery?-reeks, de min of meer legale tak van de branche. Elders, in de schaduw, is het nóg slechter voor de vrouwen. De gevolgen laten zich raden: onderdrukking, uitbuiting en mishandeling. Sommige vrouwen weten te ontsnappen en komen terecht in speciale opvanghuizen. Hun verhalen zijn nauwelijks te bevatten.
De Keniaanse senator Emma Mbura, die zelf ooit als maid in de Verenigde Arabische Emiraten werkte, neemt het voor hen op. Als zij serieuze maatregelen voorstelt, merkt ze echter al snel dat die de economische belangen van haar eigen land, dat intensief handelt binnen het Midden-Oosten, natuurlijk niet mogen schaden. Ziedaar de wereld waarbinnen de strijders tegen moderne slavernij moeten opereren. En de wereld waarbinnen die vrouwen moeten werken.
Marish doet het hele huishouden en maakt daarnaast twaalf arbeidsuren per dag in een fabriek, waar ze eigenlijk geen cent aan overhoudt. Tussendoor werkt ze staand in de keuken een boterham weg. ‘s Nachts slaapt ze gewoon op de bank. Toch vindt haar meesteres Eta het nog regelmatig nodig om Marish af te bekken. ‘Als je dit vergeet’, zegt ze bijvoorbeeld bits. ‘Dan breek ik je nek.’
A Woman Captured (59 min.) is een schrijnend portret van een afgeleefde Hongaarse vrouw, die noodgedwongen als een soort lijfeigene leeft. Bernadett Tuza-Ritter filmde deze Marish zo’n 2,5 jaar lang. Eigenaresse Eta, die zelf met haar hoofd buiten beeld blijft en voor het filmen een financiële vergoeding heeft ontvangen, gaf daarvoor hoogstpersoonlijk toestemming. Ze houdt Marish al een tijd onder de knoet met ondertekende bewijsstukken van een schuld die de hulp toch nooit kan terugbetalen.
De tragische hoofdpersoon kan intussen geen kant op. ‘Ik trek dit niet langer’, fluistert ze wanhopig in de camera van Tuza-Ritter, die gaandeweg steeds nadrukkelijker de rol van vertrouwelinge en partner in crime op zich neemt in deze rudimentaire film, die erg dicht op de huid van de ‘moderne slaaf’ Marish zit en haar desolate leefomstandigheden op intieme wijze in beeld brengt. Weet ze zichzelf uit haar benarde positie te bevrijden?
‘Dat verklaar ik en beloof ik’, verklaren de nieuwe Nederlanders aan het begin van John Appels nieuwe film Sprekend Nederland (82 min.). Tijdens de naturalisatieceremonie wordt natuurlijk ook het Wilhelmus gezongen. Na afloop wil menigeen bovendien op de foto met de Nederlandse vlag. In al hun verscheidenheid zijn die mensen bij ons gaan horen. Of wij dat nu willen of niet. Maar wie zijn wij eigenlijk?
Deze veelkleurige film, die is opgebouwd rond openbare toespraken, geeft daarop geen eenduidig antwoord. Zijn we de boze mannen van Pegida die ‘we zijn niet bang voor de Islam’ zingen en één van hen hebben uitgedost als Mohammed, die rond paradeert met een afgehakt hoofd in zijn hand? Of juist het Amsterdamse moslimmeisje dat op een manifestatie voor diversiteit alle grote mensen voorhoudt om voortaan vooral te denken met hun hart?
John Appel zelf omschrijft Sprekend Nederland als een soort hedendaagse variant op Alleman, de legendarische film waarmee Bert Haanstra in 1963 het toenmalige Nederland portretteerde. Een wit land, dat de jaren vijftig nog definitief van zich af moest zien te schudden. Het land dat Appel ruim een halve eeuw later heeft aangetroffen heeft duidelijk meer kleur op de wangen gekregen. Van opwinding, boosheid of gewoon omdat de roots van de bijbehorende mensen buiten Nederland liggen.
De Amsterdamse filmer vindt ‘de Nederlander’ in alle soorten en maten. Bij allerlei verschillende openbare gelegenheden: de publieke doop van nieuwe christenen, het eerste kampioenschap van Feyenoord in bijna twintig jaar of een feestje voor succesvolle beleggers, waar saxofonist Hans Dulfer lustig staat te toeteren en een soort van rapper de legendarische straathit The Message (‘don’t push me, cause I’m close to the edge’) vernachelt. Iedereen koestert zijn eigen biotoop en gebruikt zijn eigen taal.
Echte hoofdpersonen heeft Sprekend Nederland niet – of het moet de honderdjarige vrouw zijn, die op dezelfde dag is geboren als koning Willem-Alexander en net als een selecte groep andere 27 aprillers wordt uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Je zou kunnen zeggen dat wij allen, gewone en toch bijzondere Nederlanders, centraal staan. Met deze film laat John Appel ons met andere ogen kijken naar het land, dat we al van binnen en van buiten dachten te kennen.
Het caleidoscopische karakter van Sprekend Nederland deed me denken aan de korte docu De Spelende Mens van Sanne Rovers, een ‘speel’-film over hobbyend Nederland, en Michiel van Erps meest recente documentaire Leve de Vrijwilliger!, waarin hij ons land portretteert aan de hand van de vele vrijwilligers en waarin onze koning zich ook al van zijn beste kant laat zien.
Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.
In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’
Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.
Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.
Als er inderdaad vuur is waar je rook ziet, dan móet er zoiets als Russiagate bestaan. Verdachte omstandigheden genoeg. Het rechtssysteem in een functionerende democratie vraagt echter om sluitend bewijs. Totdat dit wordt geleverd, moeten we ervan uitgaan dat Donald Trump en veelbesproken (ex-)medewerkers als Paul Manafort, Michael Flynn en Carter Page onschuldig zijn.
Ook de documentaire Active Measures (110 min.) krijgt de zaak (natuurlijk) niet sluitend. Die taak ligt bij speciaal aanklager Robert Mueller. Deze scherpe film levert echter wel een overvloed aan secundair bewijs en plaatst de affaire bovendien in zijn geopolitieke context. Van een Rusland dat een conventionele oorlog met de eeuwige rivaal Amerika nooit kan winnen. En dus voert Poetin een verhulde (informatie)oorlog.
Regisseur Jack Bryan zoomt in op de zogenaamde ‘active measures’ die Rusland inzet om de positie van het Westen te verzwakken. Desinformatie bijvoorbeeld, in de vorm van fake news op de sociale media. Of het ondersteunen van extreme politici, zoals Farage en Le Pen, om de plaatselijke democratie te ondermijnen. Enter Donald Trump. En verwante begrippen als Brexit, Kompromat en Cambridge Analytica.
Active Measures, aangekleed met kekke en spannende muziekjes, is een pamfletterige film. De documentaire wil duidelijk een punt maken. Dat blijkt ook uit de indrukwekkende bronnenlijst: behalve een hele trits deskundigen en journalisten komen ook Hillary Clinton en andere prominente Democratische politici aan het woord. Van de Republikeinen meldt zich alleen de onlangs overleden senator John McCain, een bekende tegenstander van Trump.
Is Trump een speelbal van de Russische georganiseerde misdaad? Of (zonder dat hij het zelf weet) zelfs een Russische agent? The proof of the pudding is in the eating, zou je zeggen. In die zin houdt een sequentie van Trump-statements over de Russische betrokkenheid bij MH17, het geboortebewijs van Barack Obama en de toekomst van de NAVO behoorlijk huis. Alles wat hij zegt is bijna letterlijk een verwoording van de officiële beleidslijn van Rusland. Vuur? Of toch alleen rook? Zeg het maar.