John McEnroe: In The Realm Of Perfection

Je zou kunnen denken dat John McEnroe: In The Realm Of Perfection (94 min.) een standaard portret is van het voormalige enfant terrible van het Amerikaanse tennis. Een overmatig getalenteerd ettertje met krullenkop, vaak in toom gehouden door een zweetband, dat briljante dropshots en vlijmscherpe passeerslagen afwisselde met rondvliegende rackets. Als geen ander kon McEnroe fulmineren naar scheids- en lijnrechters.

Het kutmenneke, inmiddels alweer jaren een gewaardeerd commentator en analist, was echter ook een begenadigde stilist, de ideale uitdager voor het ijskonijn dat tennis in de tweede helft van de jaren zeventig had gedomineerd, de Zweed Björn Borg. Uitgelezen materiaal voor een meeslepende sportdocumentaire, zou je zeggen. Voor een psychologisch portret van een artistieke linkshander, die verdwaald raakte in topsport. Of voor een meeslepende reconstructie van een heroïsche grand slam-finale. Deze film beoogt echter iets anders. En dat weet je binnen enkele seconden.

Trage zwart-wit beelden van een man met een tennisracket, die mechanisch verschillende slagen voordoet. Gevolgd door een curieus muziekje. En een quote van nouvelle vague-held Jean-Luc Godard: ‘Cinema lies, sport doesn’t’. Een enigmatische voice-over mengt zich in de strijd en duidt de man en zijn racket als onderdeel van een instructiefilm uit 1966, A Study In The Basic Techniques Of Tennis. Theorie die weinig met de praktijk van doen had. De maker ervan, Gil de Kermadec, zou zich later specialiseren in portretten van tennishelden van vlees en bloed. Daarvoor filmde hij elk jaar tijdens de Open Franse Tenniskampioenschappen. Zo kreeg hij ook John McEnroe in het vizier.

Terwijl hij het ruwe materiaal van die portretten bekeek, had filmcriticus én tennisliefhebber Serge Daney, die door documentairemaker Julien Farnaut wordt ingezet als verteller, een authentieke brainwave: ‘We waren niet naar John McEnroe aan het kijken. We keken ook niet naar een film over John McEnroe. We waren als de cameramannen op de set van een film die daar werd gemaakt.’ Die filosofische inslag, waarin steeds de raakvlakken tussen cinema en sport wordt gezocht, zorgt voor een atypische en contemplatieve film, die rust, aandacht en een subtiel gevoel voor humor vraagt van de kijker.

McEnroe zelf wordt bijvoorbeeld niets gevraagd. Hij is slechts een object om te observeren. Liefst in slow-motion en begeleid door lekker tegendraadse muziek van Sonic Youth en Black Flag: als hij die gefühlvolle linkerarm laat neerdalen voor een venijnige service. Als hij zijn tegenstander alle hoeken van het centre court laat zien. Of – iconisch beeld – als hij met een ontevreden kop, één hand op het net en de andere wijzend naar een afdruk in het gravel, met veel misbaar verhaal gaat halen bij de wedstrijdleiding. ‘Doe je zonnebril af’, bijt hij een lijnrechter bijvoorbeeld toe. ‘Dan zie je die bal tenminste.’

McEnroe is een absolute winnaar, meent sportschrijver Cédric Quignon-Fleuret. Het gevoel dat iedereen tegen hem is, werkt als een soort drug voor hem. Hij heeft een (imaginaire) vijand nodig. Via een omweg komt Farnaut zo uiteindelijk toch min of meer uit bij dat psychologische portret en dat heroïsche titelgevecht. Niet met Borg overigens, maar met een andere rivaal: het Tsjechoslowaakse krachtmens Ivan Lendl, die de umpire zelf trouwens ook niet spaart. ‘Ben je soms bang voor hem?’, vraagt hij de ref verontwaardigd, terwijl hij naar zijn norse nemesis aan de andere kant van het net kijkt.

Net als zijn hoofdpersoon heeft Jean Farnaut zijn publiek gedurig tegen de haren ingestreken. Ruim een uur. Te langen leste geeft zijn film de toeschouwer met de finale van Roland Garros in 1984 echter tóch wat die wil: een zinderende climax, waarbij de ene matador echt niet onder de andere door wil gaan.

De documentaire McEnroe (2022) is een wat traditioneler portret van de voormalige toptennisser.

Schapenheld

Er zijn dagen waarop de gemiddelde Nederlander niet mijmert over de toestand van de vaderlandse heide. Totdat je dat typische landschap krijgt te zien zoals schaapsherder Stijn Hilgers het dagelijks ziet – of beter: zoals filmmaker Ton van Zantvoort de hei laat zien in zijn meeslepende documentaire Schapenheld (80 min.). Een uitgestrekt landschap, waar de kou nog van de grond opstijgt, de opkomende ochtendzon de lucht blauw-oranje kleurt en een man met een hoed en zijn trouwe metgezel Hekske, een ‘flapdrol’ van een hond, hun kudde naar graasplekken leiden. ‘Dat is mijn werk’, stelt Hilgers in karakteristieke krachttaal met Brabantse tongval. ‘Zorgen dat die schapen hun pens volvreten op de goeie plekkies.’

Zo ongeveer zou een Nederlandse versie van het Wilde Westen eruit zien, met Hilgers als de onverschrokken held die sneller (verwensingen) schiet dan zijn eigen schaduw. Verweerde kop, twee oorringen in en het haar samengebonden in een staartje. Stuurs in de verte starend, zo nu en dan trekkend aan het shaggie in zijn hand. Onversaagd trekt hij ten strijde voor het behoud van de vaderlandse heide en zijn eigen bedreigde stiel. Ondertussen onophoudelijk foeterend op de Nederlandse regeltjeszucht en de, ja, neoliberalisering van het natuurbehoud. Want zelfs een authentieke schaapsherder, een beroep dat toch op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed staat, moet concurreren. Totdat-ie er kapot aan gaat.

‘Openheid, rust, ruimte’, zocht de schaapsherder ooit in het vak, dat hem soms acht tot tien uur per dag alleen op de hei brengt. ‘Vrijheid. Dingen die ik zelf heb gekozen, die me niet opgelegd zijn. Dát. Simpel leven.’ Hilgers – of beter: filmmaker Van Zantvoort – laat een korte pauze vallen. ‘Dacht ik.’ En dan is het weer even stil, totdat Hilgers op zijn bouwradio stevige dansmuziek aanzet en zijn schapen begint te scheren. In die beginquote van de documentaire zit het complete drama van de film verscholen. Want de solitaire herder krijgt nauwelijks meer ruimte om zich te bewegen. Als de schapenheld, met zwarte hoed overigens, zijn kudde van de ene naar de andere wei dient te verplaatsen, moet hij bijvoorbeeld uit de minste van twee kwaden kiezen: door het bos kan een boete van de boswachter opleveren, door het dorp betekent andere mogelijke ellende.

Hilgers kiest overtuigd voor het laatste. Het ziet er ook majestueus uit, zo’n stoet schapen die door het dorp heen trekt. Een beeld uit lang vervlogen tijden. ‘Hadden ze bijna dat gloednieuwe gazon te grazen genomen’, roept de herder grappend naar enkele kijkende bewoners. Niet veel later krijgt hij de politie op zijn dak: de beesten hebben keutels achtergelaten nabij een ijssalon. ‘Het is afgelopen met dit vak, hier in Nederland’, foetert de man in kwestie machteloos. Het is één van de sleutelscènes van deze knarsetandende film, die past in een traditie van vaderlandse documentaires over plattelanders die langzaam maar zeker helemaal vastlopen in het moderne Nederland, zoals De Kleine Oorlog Van Boer Kok of Het Mysterie Van De Melkrobots.

Altijd weer is er het gevecht met de ‘teringlijers’ en de noodzaak om samen met zijn vrouw Anna op de één of andere manier, vraag niet hoe, de eindjes aan elkaar te knopen. De geboren rebel Hilgers – laten we hem een wolf in schaapskleren noemen – moet de tering naar de nering zetten en ziet zich bijvoorbeeld gedwongen om allerlei commerciële activiteiten te ontplooien. Van Zantvoort legt ‘s mans strijd tegen de bierkaai met compassie vast en brengt intussen het verdwijnende, of op zijn minst veranderende, beroep van schapenherder prachtig in beeld. De onontkoombare keuze waar Stijn Hilgers uiteindelijk voor komt te staan wordt ondertussen uitstekend invoelbaar.

Klem Aan De Kade

‘Ik wil vechten’, zegt André Bochem, een oudere, licht ontvlambare woonbootbewoner, vertwijfeld. ‘Ik wil het gevoel hebben dat ik er iets aan heb gedaan. Maar tegen wie moet je vechten?’ Bochem en zijn buren dreigen van hun plek aan de kade te worden verdreven. Eerst werden ze gedoogd, toen zouden ze worden gelegaliseerd en nu moeten ze ineens weg. Want in Ouder-Amstel zal ‘het nieuwe Manhattan van Amsterdam’ verschijnen. De gemeente en projectontwikkelaar zijn het roerend eens: die boten dienen daarvoor te wijken.

Kapster Diana Giannattasio begrijpt er niets van: het huis dat ze al jaren bewoont met haar dochter is nu ineens illegaal? Al die tijd werden ze gedoogd. Ze waren gewoon aangesloten op water en gas, betaalden netjes gemeentelijke belastingen en hadden een eigen huisnummer. Vertrekken betekent volgens haar niets minder dan een persoonlijk faillissement. Intussen is er achter, boven en om de ooit idyllisch gelegen woonark van buurman Jan Griffejoen al een BMW-garage verschenen. Na bijna een halve eeuw dreigt ook hij te moeten verkassen.

De persoonlijke tragiek ligt er soms duimendik bovenop in Klem Aan De Kade (53 min.). Gedurende drie jaar volgen Esther Janmaat en Olaf Schuur de pogingen van de woonbootbewoners om hun plek te zekeren – of op zijn minst duidelijkheid te krijgen over hun toekomst. Van de politiek, een enkel gemeenteraadslid van een oppositiepartij natuurlijk uitgezonderd, hoeven ze niets te verwachten. ‘Die raadsleden zullen best het idee hebben dat ze het goed doen’, aldus de voormalige ambulancemedewerker Bochem. ‘Maar in mijn ogen zijn het allemaal gevulde koeken.’

De filmmakers bestendigen die indruk. Ze gaan bijvoorbeeld geen verhaal halen bij de verantwoordelijke wethouder Rineke Korrel, die het steeds emotioneler wordende bewonersverzet uiterlijk onbewogen aanhoort. Zo ontstaat een typisch David en Goliath-verhaal, waarbij de verenigde woonarkers zich steeds weer stuklopen op de bureaucratische muur die rondom hen is opgetrokken. ‘Nou lees ik het weer en snap ik er nog geen kloten van’, verzucht André Bochem na alweer een onbegrijpelijke brief. En dat allemaal omdat de gemeentekassa zo nodig moet rinkelen.

Het is een gevecht dat overal ter wereld wordt uitgevochten: de particuliere behoeften van mondige burgers tegenover Het Grotere Belang – of wat daarvoor moet doorgaan. De één wordt emotioneel van de strijd, een ander juist woedend. Het gezamenlijk optrekken tegen een gemeenschappelijke vijand zorgt in elk geval voor solidariteit. Dat is de hoopvolle conclusie die uit deze strijdbare televisiedocumentaire valt te destilleren. In tijden van tegenslag worden de mouwen opgestroopt, gaan de neuzen dezelfde kant op en wordt er ook nog goed voor mekaar gezorgd.

Lost Warrior

Hij heeft zijn zoon Yassir nog nooit in het echt gezien. Al drie jaar zit de 23-jarige Mohammed ondergedoken in de Somalische hoofdstad Mogadishu. Daar is hij ook stiekem getrouwd met Fathi, die vervolgens is teruggekeerd naar Londen. Sindsdien onderhouden ze contact via Skype en fungeert hij als virtuele vader voor hun peutertje in Engeland.

Mohammed zou dolgraag terugkeren naar Groot-Brittannië, het land waar ook hij is opgegroeid. Daar is hij echter persona non grata. Hij staat te boek als terrorist. Één impulsieve beslissing is hem fataal geworden: op zijn twintigste werd de rebelse jongeling, na een gevangenisstraf, uitgezet naar zijn moederland. Daar werd hij lid van al-Shabaab, een Somalisch neefje van extremistische moslimorganisaties als IS en Al-Qaeda.

Inmiddels heeft hij de terreurbeweging alweer verlaten. Mohammed wist helemaal niet voor welke organisatie hij was geronseld. Zegt hij nu. Als hoofdpersoon van de documentaire Lost Warrior (57 min.). De spijtoptant is zijn leven bovendien niet zeker in Somalië, beweert hij. Want zijn voormalige vrinden van al-Shabaab hebben nog een appeltje met hem te schillen.Deze observerende film van Nasib Farah en Søren Steen Jespersen volgt zowel de ontheemde vader in Mogadishu als zijn vrouw, kind en familie in Londen bij hun pogingen om een gezinshereniging tot stand te brengen. In het Verenigd Koninkrijk zitten ze echter, net als in Nederland, bepaald niet te wachten op terugkerende islamitische strijders. Alle officiële toegangswegen naar Londen lijken afgesloten.

Terwijl de spijtoptant zoekt naar een sluiproute die hem moet terugbrengen naar zijn vorige en toekomstige leven, komt de relatie van Mohammed en de uitgesproken, in plat-Engels van zich afbijtende Fathi danig onder druk te staan. Ook als ze erin slagen om weer bij elkaar te komen, blijft het in deze interessante documentaire, die een actueel thema behandelt, de vraag of het hen ook lukt om hun huwelijk te lijmen.

Ik Heb Het Niet Gedaan

Waarom, zo vraag je je af na de openingsscène van Ik Heb Het Niet Gedaan (85 min.), corrigeert documentairemaker Elena Lindemans haar hoofdpersoon zo nadrukkelijk als hij zijn eerste brief aan de Nederlandse autoriteiten voorleest? ‘Er staat toch wél Van der Dussen?’, stelt ze scherp. ‘Je vergeet je achternaam.’ ‘Maar dan komt het zo stom over’, werpt Romano tegen. Lindemans wil echter van geen wijken weten. Vanwaar deze prominente rol voor de regisseur zelf? In de tweede helft van de film volgt het antwoord als de filmmaker en haar subject serieus met elkaar beginnen te botsen.

Tot die tijd vertelt deze documentaire het verhaal dat je zou verwachten en blijft Lindemans grotendeels buiten beeld: Romano van der Dussen, in 2016 vrijgekomen nadat hij twaalf jaar onschuldig vastzat in een Spaanse cel, probeert zijn leven weer te op te pakken, de band met zijn vader Rob te herstellen en (financiële) genoegdoening te krijgen van de Spaanse overheid. Intussen weidt hij uit over zijn verleden. Nee, hij was geen lieverdje. En ja, hij is in zijn jeugd regelmatig in aanraking met justitie gekomen. Type ontspoorde ADHD’er. Maar dat is natuurlijk geen reden om iemand vast te zetten voor drie gewelddadige verkrachtingen die hij beslist niet heeft gepleegd.

Het is een schrijnend verhaal, dat vooralsnog echter niet tot een opzienbarende documentaire leidt. Enerverender wordt het als Van der Dussen halverwege de film besluit om een brief te schrijven aan de veroordeelde serieverkrachter en moordenaar Mark Dixie. Zijn DNA is aangetroffen bij één van de verkrachtingszaken waarvoor Romano werd veroordeeld. Die vondst leidde tot de vroegtijdige vrijlating van de Nederlander. Nu wil die hem een gunst vragen: of Dixie nog één keer wil proberen om zich te herinneren of hij ook die andere verkrachtingen heeft gepleegd. Van der Dussen sluit onwerkelijk beleefd af: ‘Bedankt voor wat je voor me hebt gedaan.’

En daarna komt Lindemans zelf in actie en gaat de confrontatie met haar hoofdpersoon aan. Want de puzzel Romano van der Dussen, zoals zijn eigen vader het treffend uitdrukt, blijkt nog enkele ontbrekende stukjes te bevatten. Die wending doet Ik Heb Het Niet Gedaan beslist goed. Het geeft de documentaire spanning en maakt van het hoofdpersonage, dat met enige verhaaltechnische soepelheid had kunnen worden gereduceerd tot een bordkartonnen slachtoffer, weer een man van vlees en bloed. Met zijn eigen karakterzwaktes, frustraties en geheimen. ‘Mensen worden niet zo geboren’, zegt hij er zelf over, als Lindemans hem de duimschroeven aanzet. ‘Mensen worden zo gemaakt door omstandigheden in het leven. En dan later zeggen ze: die is gek!’

Ik Heb Het Niet Gedaan is hier te bekijken.

The Radical Story Of Patty Hearst

CNN

Haar naam is bijna een synoniem voor het Stockholm-syndroom geworden. Patricia Hearst, de steenrijke erfgename van de befaamde Amerikaanse Hearst-familie, werd op 4 februari 1974 ontvoerd door het Symbionese Liberation Army (SLA). Dik twee maanden later pleegde ze, als de gedreven strijder ‘Tania’, samen met haar ontvoerders een overval op de Hibernia Bank in San Francisco. De kleindochter van mediamagnaat William Randolph Hearst, die ooit model stond voor de Orson Welles-film Citizen Kane, had zich volledig vereenzelvigd met de idealen en methoden van een radicale representant van de Amerikaanse tegencultuur, die ook terreurgroepen als The Black Liberation Army en The Weather Underground zou voortbrengen. Was ze gehersenspoeld of gewoon een ‘natuurtalent’?

In de zesdelige serie The Radical Story Of Patty Hearst (240 min.) belicht regisseur Pat Kondelis de opzienbarende wildemansrit van Hearst met de extreem-linkse splintergroep, die in een orgie van geweld zou uitmonden. De SLA-leden stond niets minder dan de revolutie voor ogen. Al bleef volgens auteur Jeffrey Toobin, die de ongeautoriseerde biografie American Heiress schreef waarop deze serie is gebaseerd, onduidelijk wat ze nu precies wilden en hoe ze dat dachten te bereiken. De organisatie schuwde geweldsmiddelen in elk geval niet. Vóór de ontvoering van hun toekomstige strijdmakker, die toen nog een rijkeluisleventje met haar aanstaande echtgenoot leidde, was de organisatie met de zevenkoppige cobra als logo al verantwoordelijk voor de moord op een in hun ogen repressief schoolhoofd, Marcus Foster.

‘Dood aan het fascistische insect dat het volk misbruikt’, stond er pontificaal in de eerste verklaring die de Symbionese Liberation Army na de ontvoering naar de Hearst-familie stuurde. Patty’s vader Randy moest die voorlezen tijdens een persconferentie. Er zouden nog veel boodschappen volgen, waarvan een groot deel ingesproken door ‘Tania’ zelf. Het waren ‘crazy ass communiques’ volgens voormalig SLA-kaderlid Bill Harris, één van de belangrijkste bronnen van Toobins boek en deze serie. Hij praat erover alsof die hele ontvoering niet meer dan een onschuldige jeugdzonde was. En het Symbionese Liberation Army een soort hippiebende van Robin Hood. Soms klinkt er zelfs trots in zijn woorden door, bijvoorbeeld als de afgedwongen voedseldonaties aan arme Amerikanen ter sprake komen. Serieuze zelfreflectie lijkt in elk geval te ontbreken bij de voormalige extremist.

Hearsts voormalige verloofde Steven Weed noemt de SLA-leden daarentegen zonder omhaal van woorden ‘compleet gestoord’. Patty zelf, die binnenkort 65 wordt en al enige tijd oma is, ontbreekt helaas in de serie. Zij had volgens een officiële verklaring ‘geen interesse om deze gewelddadige en pijnlijke periode uit haar leven opnieuw te beleven’ en stelt zelfs dat Toobins boek haar verkrachting en marteling heeft geromantiseerd. Ze is in de serie alleen aanwezig via oude audio-interviews en archiefmateriaal. Als psychologisch portret van een jonge vrouw in zeer uitzonderlijke omstandigheden komt The Radical Story Of Patty Hearst daardoor niet uit de verf. De hoofdpersoon, die zich binnen luttele maanden ontwikkelt van rijkeluisdochter tot de gestaalde guerrillastrijder ‘Tania’, blijft een enigma.

Als historische reconstructie heeft de documentaireserie, die wordt bevolkt door diverse direct betrokkenen, de gehele affaire minutieus doorneemt en is aangekleed met gedramatiseerde scènes en een overdaad aan fraai archiefmateriaal, zeker zijn waarde. Tegelijkertijd voelt de serie minder urgent dan vergelijkbare historische producties als The Clinton Affair en Enemies: The President, Justice & The FBI, waarin duidelijke parallellen met het heden worden getrokken.

Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes

Netflix

Hij was het type man waarmee je je zus zou laten trouwen, zegt Marlin Lee Vortman, een politiek medewerker die Ted Bundy aan het begin van de jaren zeventig leerde kennen tijdens een campagne van de Republikeinse partij. Enige charme kon Bundy inderdaad niet worden ontzegd, maar of het goed zou aflopen met die zus valt te betwijfelen. De gesoigneerde jongeman met de vlotte babbel zou zich ontpoppen tot de loverboy onder de seriemoordenaars.

Niet dat ze dat begrip al kenden in het Amerika van de seventies. De term ‘seriemoordenaar’ moest nog worden bedacht. Zoals er ook geen profilers waren. Al zouden die werk genoeg overhouden aan de woelige seventies, een decennium waarin de Verenigde Staten op alle mogelijke manieren in brand leken te staan en diverse illustere killers van zich deden spreken: The Son Of Sam, John Wayne Gacy, The Golden State Killer en de bloeddorstige van hen allemaal, Theodore Robert Bundy. Een psychopaat pur sang, een man waarvan het je, ook na zijn dood, nog altijd koud om het hart wordt.

Op 24 januari jongstleden was het precies dertig jaar geleden dat hij, de gewetenloze charmeur die op foto’s soms doet denken aan een jeugdige George W. Bush, ter dood werd gebracht. Vóór het zover was gaf Bundy vanuit de gevangenis zo’n honderd uur aan interviews aan de jonge journalist Stephen Michaud. Waarschijnlijk niet zozeer om openheid van zaken te geven als wel om zijn eigen ‘sterstatus’ te bevestigen. Als hij in de derde persoon mocht praten – zodat hij niet, per ongeluk, allerlei moorden kon bekennen – was Bundy bereid om in zijn inktzwarte ziel te laten kijken.

De audiocassettes van die gesprekken, geduid door Michaud en diens toenmalige mentor Hugh Aynesworth (Newsweek), vormen het hart van de vierdelige documentaireserie Conversations With A Killer: The Ted Bundy Tapes (235 min.) van regisseur Joe Berlinger, die al een indrukwekkend true crime-track record heeft opgebouwd met films als de Paradise Lost-trilogie, Whitey: United States Of America v. James J. Bulger en Cold Blooded: The Clutter Family Murders. De filmmaker sprak verder met kennissen van Bundy, zijn advocaten, rechercheurs, de openbaar aanklager, verslaggevers en een psycholoog die hem beroepsmatig onderzocht. Ook Carol DaRonch komt aan het woord; zij overleefde als bij wonder een attaque van de diabolische moordenaar.

De contouren van Bundys strooptocht door vrouwelijk Amerika zijn voor menigeen wellicht bekend terrein, de details daarvan blijven onverminderd choqueren. Hoe hij er bijvoorbeeld in slaagde om op één dag tweemaal een meisje te ontvoeren bij het drukbevolkte recreatiegebied Lake Sammamish, tart elke verbeelding. Dit is geen roofdier dat louter vanuit zijn instincten te werk gaat, maar een calculerende moordmachine. Berlinger maakt de angst weer voelbaar voor een gezichtsloze killer die op elk moment en elke plek kan toeslaan. Hij zet zijn onrustbarende narratief kracht bij met allerlei (logische) tijdsprongen, vervat Bundys belevingswereld en de tijdgeest in enkele spannende associatieve sequenties en alterneert steeds soepel tussen de gesprekken met de dwangmatige killer, diens persoonlijke historie en dat gru-we-lijke moordpatroon.

Met al deze elementen construeert de documentairemaker een complete en overtuigende narratief over de horrordaden van Ted Bundy, die model stond voor de archetypische hyperintelligente seriemoordenaar die inmiddels in talloze films en televisieseries is opgevoerd. Waarbij de archiefbeelden van hoe die vriendelijke Ted na zijn arrestatie uitnodigend lacht naar de camera, de verzamelde pers te woord staat of dolt met zijn bewakers, er nog steeds genadeloos inhakken en altijd weer dezelfde vraag oproepen: waarom? Was het een afrekening met zijn jeugd als onwettig kind, wraak op zijn ex-vriendin, frustratie over zijn gefnuikte studieloopbaan, het uitleven van gewelddadige seksuele fantasieën, een stem die hem opdroeg om te doden of…? We zullen het nooit helemaal (zeker) weten.

En waarschijnlijk is dat precies de reden dat we nooit genoeg krijgen van de Bundy’s van deze wereld; zij laten een beest los, waarvan we niet wisten dat het in ons kon huizen.

Regisseur Joe Berlinger was na deze fascinerende documentaireserie ook nog niet klaar met Ted Bundy. Op het Amerikaanse Sundance-festival is zaterdag de speelfilm Extremely Wicked, Shockingly Evil And Vile in première gegaan. Zac Efron kruipt in de huid van de onverbeterlijke vrouwenvreter, diens horrorverhaal wordt verteld vanuit het perspectief van zijn voormalige vriendin Elizabeth Kloepfer.

The Atomic Cafe

Beelden ontlenen hun betekenis aan de context waarin ze worden geplaatst, zo bewijst The Atomic Cafe (85 min.) uit 1982 nog maar eens ten overvloede. De film over de manier waarop nucleaire oorlogsvoering na de Tweede Wereldoorlog in de VS aan de man is gebracht, onlangs als belangrijk erfgoed opgenomen in The National Film Registry van The Library Of Congress, is volledig opgebouwd uit bestaand beeld- en geluidsmateriaal: newsreels, propagandafilms, (politieke) speeches, commercials, instructiefilmpjes, interviews en (mars)muziek.

Van al die losse elementen fabriceren de filmmakers Kevin Rafferty, Jayne Loader en Pierce Rafferty, zonder gebruik van een voice-over of verbindende teksten, een geheel eigen narratief over hoe de Koude Oorlog en bijbehorende kernwapenwedloop de Amerikaanse huiskamer is ingestuurd, waarbij de betrokken partijen regelmatig een loopje nemen met de waarheid. Dat leidt tot pijnlijke, angstaanjagende én komische taferelen. Want The Atomic Cafe benadert een op zichzelf topzwaar thema met veel zwarte humor.

Illustratief is in dat verband een Amerikaans propagandafilmpje rond het schrikbeeld dat de Verenigde Staten in handen zouden vallen van “the enemy of freedom’, de Sovjet-Unie. Het dorpje Mosinee in Wisconsin wordt voor 24 uur een communistische dictatuur. ‘U denkt dat dit hier niet kan gebeuren?’ vraagt een bombastische voice-over terwijl een grote groep mensen demonstreert met borden als ‘The communist party is the only party’ en met gebalde vuist verklaart dat Stalin de enige echte leider is. ‘Welnu, zo ziet het eruit.’

Het potsierlijke filmpje komt tot een climax met het Amerikaanse Vrijheidsbeeld, dat tot ontploffing wordt gebracht, waarna een levensgrote Russische vuist het dorpje letterlijk plat slaat. ‘Laten we hopen dat dit nooit gebeurt’, rondt de presentator van dienst de uitzending af, waarna hij linea recta verder gaat met het bedanken van enkele sponsors, twee Californische winkelcentra. ‘Omdat zij concrete voorbeelden zijn van het praktische idealisme waarmee Amerika is gebouwd.’ Je kunt er bovendien gratis parkeren.

Tegelijkertijd is er de knalharde realiteit van de Koude Oorlog, bijvoorbeeld als het lot wordt bezegeld van Julius en Ethel Rosenberg. ‘Don’t fry them’, heeft een demonstrerende man op zijn bord geschreven over het echtpaar dat wordt beschuldigd van spionage. ‘They’ll stink to much. Hang them.’ Op de radio en televisie wordt vervolgens tot in detail verteld hoe de Rosenbergs aan hun einde zijn gekomen. ‘Dat was een verslag van de executie in de Sing Sing-gevangenis van Julius en Ethel Rosenberg’, sluit de omroeper de reportage af. ‘En dan nu The Great Day Show!’

The Atomic Cafe fileert aldus niet alleen een (koude) oorlog, maar ook de cultuur, gemoedstoestand en massamedia van de naoorlogse Verenigde Staten. Dat doet regelmatig surrealistisch aan. ‘Viewed from a safe distance’, stelt een trainingsfilm van het Amerikaanse leger bijvoorbeeld zonder enige ironie, ‘the atomic bomb is one of the most beautiful sights ever seen by man.’ Maar vergeet daarnaast vooral niet om een voorbeeld te nemen aan Bert The Turtle: Duck And Cover.

Matangi / Maya / M.I.A

‘All I wanna do is bang bang bang bang’, rapt M.I.A., terwijl er geweerschoten klinken in haar wereldhit Paper Planes uit 2007. Een kassa rinkelt: ‘And take your money.’ Zo kijken veel westerlingen toch tegen immigranten aan? Nou, dan kunnen ze het krijgen ook, moet de Britse rapper van Sri Lankaanse origine (echte naam: Maya Arulpragasam) hebben gedacht. In 1985 vluchtte ze als tienjarige Aziatische meisje naar een volledig vreemde wereld, Europa. Die verscheurdheid klinkt door in alles wat ze sindsdien heeft gemaakt.

Dat perspectief – van de buitenstaander die bij ‘ons’ en haar eigen moederland naar binnen kijkt – maakt van de biopic Matangi / Maya / M.I.A. (96 min.) méér dan het zoveelste portret van een succesvolle artiest, die nog eens goed in de markt moet worden gezet of wel een extra veer in zijn reet kan gebruiken. M.I.A.’s venijnige songs kunnen niet los worden gezien van hun maatschappelijke context. Dat betekent overigens niet dat filmmaker Steve Loveridge ook kritisch naar de controversiële rapper kijkt. Daarvoor verblijft hij (blijkbaar) al te lang in haar entourage. Hij filmt Maya sinds halverwege de jaren negentig, toen ze allebei op de kunstacademie zaten.

Onplezierige vragen over de aard van M.I.A.’s activisme of haar omstreden vader, een prominent lid van de verzetsbeweging/terreurgroep de Tamil Tijgers, blijven achterwege. ‘Waarom ben je zo’n problematische popster?’, vraagt Loveridge nog wel aan zijn hoofdpersoon. ‘Waarom…’ Ze maakt de zin zelf af: ‘houd je niet gewoon je bek?’. Waarmee de relatie tussen maker en subject aardig is neergezet. Deze film moet het duidelijk niet hebben van kritische distantie, maar van de nabijheid tussen vrager en bevraagde. De documentaire bestaat voor het leeuwendeel uit B-roll video’s die in huiselijke kring, backstage en tijdens reizen naar Sri Lanka zijn gemaakt.

M.I.A.’s leven en dit spannende portret van een strijdbare jonge vrouw komen tot een climax in 2009 als ze, zwanger van haar eerste kind en genomineerd voor zowel een Oscar als een Grammy Award, ziet hoe de oorlog in haar moederland escaleert. Als ‘enige Tamil in de westerse media’ voelt ze zich geroepen om zich uit te spreken over wat zij de genocide op haar volk noemt. Zo komt Maya zelf ernstig onder vuur te liggen, bijvoorbeeld via een venijnig profiel in New York Times Magazine, waarin ze wordt neergezet als een verwend kind, dat flinterdunne politieke statements maakt. Sleutelquote: ‘”I kind of want to be an outsider”, she said, eating a truffle-flavoured French frie.’

M.I.A. (ofwel: Missing In Action) reageert in stijl met een slicke videoclip, waarin ze zogenaamd met een grote zonnebril op aan een zonovergoten buitenzwembad zit. ‘All I wanna do is check my Monet’, concludeert ze, om met de nodige zelfspot te verduidelijken: ‘M.I.A. investing in third world democracy. These shades were made in Sri Lanka. Don’t you dare write anything else funny about me.’ Waarna de geboren provocateur ostentatief een vliegtuigje vouwt van een dollarbiljet en het door de lucht laat dwarrelen…

Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop

Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).

In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.

Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’

Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.

Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?

The Deminer

Als het wapengekletter allang is verstomd, etteren de meeste oorlogen onverminderd door. Ook als de wonden zijn gelikt en de doden beweend en begraven, herbergt het land vaak nog sporen van de strijd. Met een beetje pech zijn grote delen bezaaid met bommen, IED’s en landmijnen, de botste middelen om een oorlog in je voordeel te beslechten. Zeker als die oorlog wordt uitgevochten in het gebied waar je straks zelf hoopt te leven.

In The Deminer (82 min.) schetst de Iraakse jongeling Abdulla het bloedstollende relaas van zijn vader, de Koerdische officier Fakhir Berwari. Na de Amerikaanse inval van 2003 laat hij zijn vrouw en acht kinderen thuis achter om Irak te bevrijden van explosieven. Met een schaartje, knijptang en gevaar voor eigen leven doet hij zijn werk. Niet alleen de bommen en mijnen kunnen ‘crazy Fakhir’ de kop kosten, ook de lieden die deze hebben geplaatst azen op zijn vroegtijdige dood.

Via homevideo-beelden van de heroïsche militair, gefilmd door secondanten in de periode van 2003-2008, wordt in deze grimmige documentaire van Hogir Hirori het helse werk van de professionele mijnenruimer in beeld gebracht. Met diverse verpletterende ontploffingen en talloze slachtoffers en verwondingen tot gevolg. En dan, nadat het Amerikaanse leger zich heeft teruggetrokken uit Irak, valt Fakhirs geboortestad Mosul in handen van Islamitische Staat.

Inmiddels heeft zich met Shinwar Kamal een professionele cameraman bij de hoofdpersoon gevoegd, die van veel te dichtbij – over onzichtbare helden gesproken – Fakhirs gekkenwerk vastlegt. ‘Als het mislukt, ben ik de enige die sterft’, zegt de idealistische Irakees er zelf over. ‘Maar als het me lukt, kan ik heel wat levens redden.’ Deze film is een passend eerbetoon aan deze dappere man, die zijn leven stelselmatig in de waagschaal stelt.

Paris Is Burning

Janus Films

’Voguing is hetzelfde als twee messen tegen elkaar slijpen, maar dan in dansvorm.’ Voguen, later gepopulariseerd door Madonna, houdt weer verband met shade. ‘Dat is een dans door twee mensen die elkaar niet mogen. In plaats van vechten dans je het uit op de dansvloer. En diegene met de beste moves heeft de beste shade.’ Shade is op zijn beurt dan weer een vorm van reading, de kunstvorm van het beledigen. Zo kun je bijvoorbeeld tegen een ander zeggen: ‘Jij bent niet meer dan een uit de kluiten gewassen orang-oetan.’ Nog erger is echter wat onuitgesproken blijft: ik zeg niet dat je lelijk bent maar dat hoef ik ook niet te zeggen, want je weet dat je lelijk bent.

De wereld die in de documentaire Paris Is Burning (76 min.) uit 1990 wordt geportretteerd bestaat bij de gratie van codes, regels en competitie. Als buitenstaander heb je er niets te zoeken. Toch zou je kunnen betogen dat deze wereld zelf door louter buitenstaanders wordt bevolkt. In het New York van de jaren tachtig hebben homo’s, travestieten en transgenders, veelal afkomstig uit minderheidsgroeperingen, hun geheel eigen subcultuur ontwikkeld. Die wordt gekenmerkt door de zogenaamde ‘balls’, extravagante travestie-feesten waarbij allerlei huizen, met illustere namen als Saint Laurent, LaBeija en Ninja, voor het oog van een lekker vileine jury de strijd met elkaar aanbinden.

Het lijkt allemaal bedrieglijke oppervlakkig. Achter al dat uiterlijke vertoon gaan echter kwetsbare mensen schuil die al heel wat hobbels hebben moeten nemen in hun leven en nog de nodige obstakels op hun pad zullen treffen. De ballroom-scene biedt hen een veilige setting waarbinnen ze hun fantasie kunnen uitleven. Want uiteindelijk lijkt deze klassieke film van Jennie Livingston vooral te gaan over zelfacceptatie en zelfrespect. ’Ik heb drie dingen tegen’, zegt één van de hoofdpersonen nuchter. ‘Ik ben zwart, man en homo.’ Een ander, al even slecht bedeeld, houdt er heel traditionele toekomstdromen op na, over trouwen in het wit met de prins op het witte paard. Tot die tijd verricht het blonde tienermeisje van mannelijke origine, dat zich Venus Xtravaganza noemt, echter escortwerk en wacht ergens in een achterafsteegje het noodlot op haar. Want heeft elke klant door met wie hij te maken heeft?.

Deze documentaire, die werd bedolven onder de prijzen en in 2016 werd opgenomen in de National Film Registry van de Library Of Congress omdat-ie ‘culturally, historically, or aesthetically significant’ is, schildert op treffende wijze de flamboyante New Yorkse ‘drag queen’-cultuur van de jaren tachtig, waarbinnen allerlei veelkleurige paradijsvogels op hun eigen manier, soms met behulp van plastische chirurgie en geslachtsoperaties, hun eigen bereik verkennen en zichzelf proberen te vinden.

In de zomer van 2024 werd I’m Your Venus uitgebracht. In deze fijne nabrander van Paris Is Burning, gaan de broers van Venus Xtravaganza op zoek naar wat er is gebeurd met hun zus.

Fyre: The Greatest Party That Never Happened

Het had een soort Woodstock voor millennials moeten worden. Een zéér exclusief festival op Norman’s Cay, het voormalige eiland van drugsbaron Pablo Escobar op de Bahama’s, waar je een luxueuze villa kon huren, de beschikking zou krijgen over een eigen jacht of speedboot en he-le-maal uit je plaat kon gaan bij wereldberoemde artiesten als Major Lazer en Blink-182. En, o ja, je zou er zo’n beetje non-stop worden gefêteerd door topmodellen als Bella Hadid, Emily Ratajkowski en Rose Bertram.

‘We verkopen een droom aan gewone sukkels’, aldus organisator Billy McFarland, die nooit eerder een festival uit de grond had gestampt. De marketingcampagne voor het Fyre Festival, met al die modellen en de dikbetaalde steun van influencers als Kendall Jenner, was alvast een doorslaand succes. McFarland en zijn zakenpartner, hiphopper Ja Rule, zagen het al helemaal voor zich als ze samen het glas hieven: ‘Leven als filmsterren, feesten als rocksterren en… neuken als pornosterren.’

De snelle jongens hebben maar één probleem: nu moet er ook nog zoiets als een festival komen. Die klus wordt op zijn minst schromelijk onderschat (en is in het slechtste geval onderdeel van een serieus geval van list & bedrog). In de navolgende maanden voltrekt zich een organisatorische ramp, die tot een enorme anticlimax komt in het weekend dat het festival had moeten plaatsvinden. Chris Smith reconstrueert in Fyre: The Greatest Party That Never Happened (97 min.) met zowel medewerkers als festivalgangers hoe eerst een gigantische marketingzeepbel wordt gecreëerd, die vervolgens en plein publique uit elkaar spat.

‘Fyre was instagram dat tot leven kwam’, zegt Jillionaire, deejay van Major Lazer, erover. En daarmee is het festival meteen een uithangbord voor onze tijd, waarin imago regelmatig voor identiteit wordt versleten. Die attitude heeft Fyre eerst op de kaart gezet en vervolgens ten gronde gericht. Want toen het fiasco op de Bahama’s zich aftekende waren dezelfde influencers, die een enorme smak dollars hadden neergeteld om zich bij de happy few van het festival te voegen, er natuurlijk als de kippen bij om het evenement via de sociale media helemaal af te maken. En dat zorgde online natuurlijk weer voor het nodige leedvermaak.

Organisator Billy McFarland, die wordt beschuldigd van oplichting, komt zelf niet aan het woord in de Fyre-documentaire. Enkele dagen voordat de film afgelopen week werd uitgebracht door Netflix, pakte concurrent Hulu echter uit met een andere documentaire over hetzelfde thema (die ik overigens nog niet heb gezien): Fyre Fraud. En wie verschijnt daar wél voor de camera? Juist. De grote vraag daarbij: is McFarland betaald voor zijn bijdrage?

Of Fathers And Sons

‘Hij is geboren op de dag dat het World Trade Center viel’, aait de Syrische vader Abu zijn zoon Mohammad-Omar (vernoemd naar Mullah Omar, de leider van de Afghaanse Taliban) over zijn bol. ‘Op de dag van de aanval vroeg ik God om die dag te zegenen met een kind.’ Abu Osama wil dat filmmaker Talal Derki, die zich in de Noord-Syrische provincie Idlib voordoet als sympathisant van IS en Al-Qaida, ook met zijn andere kinderen kennismaakt. Ze dragen namen als Osama (een verwijzing naar Bin Laden, de voormalige leider van Al-Qaida) en Ayman (vernoemd naar al-Zawahiri, diens opvolger bij de terreurorganisatie) en worden klaargestoomd voor de jihad.

Abu, overtuigd lid van de al-Nusrah-brigade, is een echte gelover. In zijn auto galmt hij enthousiast mee met strijdliederen. ‘Gods volgelingen zullen jullie vermorzelen, hoe lang het ook duurt’, zingt hij de ‘beschermers van Israël’ Hezbollah vol overgave toe. ‘We verspillen ons bloed ruimhartig, want God geeft ons onze kracht.’ Naar zijn kinderen kan Abu, bij wie Derki twee jaar inwoont, liefdevol zijn. Maar hij schuwt de harde hand (en voet) ook niet.

Gaandeweg verlegt de documentairemaker de focus in Of Father And Sons (53 min.) van de volwassen strijder naar zijn opgroeiende kinderen. Naar zijn jongens, om precies te zijn. In de gehele documentaire is nauwelijks een meisje of vrouw te zien. Die doen er niet toe. Het zijn de jongens die de (wan)hoop van het kalifaat vertegenwoordigen. Zij krijgen al op jonge leeftijd een shariastudie en gedegen militaire training, waarin marcheren en de stormbaan natuurlijk niet ontbreken. Zodat ze klaar zijn voor het slagveld.

Talal Derki, die de verwording van Syrië eerder vastlegde in Return To Homs (2013), ziet het met lede ogen en zorgvuldig observerende camera aan. Met bespiegelende voice-overs beschrijft hij ondertussen hoe zijn thuisland, dat hij zelf ooit ontvluchtte ‘om te ontsnappen aan het onrecht en de dood’, een Gouden Eeuw heeft gegeven aan wat hij ‘het salafisten-jihadisme’ noemt. Het stemt de documentairemaker – en de kijker met hem – ronduit somber.

Stuk

VPRO

Met niet al te veel fantasie zou je van dit onderwerp, de patiënten van een revalidatiecentrum, relatief eenvoudig een tranentrekkende documentaire(serie) kunnen maken. Je kiest enkele aansprekende hoofdpersonen die in de komende tijd iets te winnen of verliezen hebben, stelt je vervolgens met de camera enige maanden verdekt op in hun leven en volgt simpelweg hoe het hen vergaat. Succes verzekerd. De moed of/der wanhoop van mensen die verpletterende tegenslag proberen te overwinnen en hun leven weer in handen hopen te krijgen laat niemand met enig gevoel in zijn donder onberoerd.

Met héél veel fantasie (en inlevingsvermogen en creativiteit en verteldrang en beeldend vermogen en joie de vivre en…) maak je van datzelfde onderwerp echter een vierdelige serie, waarmee het begrip documentaire verder wordt opgerekt – of op zijn minst heel eigenzinnig wordt geïnterpreteerd. Stuk (200 min.) is de naam, een levensschets in vier bedrijven van Jurjen Blick. Naar verluidt heeft de man, die eerder de serie De Hokjesman regisseerde, zich laten inspireren door speelfilms, dramaseries en romans. Daarmee zal hij beslist niet de eerste documentairemaker zijn, maar in dit specifieke geval heeft het geresulteerd in een unieke vertelling.

Niet voor niets wordt de ‘docuroman’ Stuk op primetime uitgezonden (en niet aan de randen van de nacht, zoals de meeste documentaires). Dit is een serie die op emotioneel niveau een groot publiek kan aanspreken – zoals bijvoorbeeld de televisieprogramma’s Over Mijn Lijk en Je Zal Het Maar Hebben doen – terwijl fijnproevers zich ongegeneerd kunnen verlustigen aan de literaire vertelvorm, het prachtige camerawerk en de gelaagde personages. Stuk is niets minder dan de Schuldig van 2019, de televisiehype voor Verantwoord Nederland van enkele jaren geleden.

Blick is een verteller met een geheel eigen stem. Letterlijk. Hij kruipt in het hoofd van zijn hoofdpersonen en maakt van hen onvergetelijke personages. De van oorsprong Amerikaanse man Paul bijvoorbeeld, die ’s nachts van de trap viel en na een bijzonder actief leven nu gedwongen pas op de plaats moet maken (terwijl zijn vrouw Suzanne nog een ongelofelijke berg andere sores krijgt te verwerken). Of de optimistische zestienjarige scholier Daan die moest leren leven met een spierziekte, maar nu wellicht tevens een dwarslaesie heeft opgelopen. In het centrum sluit hij vriendschap met de bejaarde vliegeraar Jan.

Ook de begeleiders van de patiënten van het revalidatiecentrum van Heliomare in Wijk aan Zee spreken tot de verbeelding. Zo strijdt de stoere wondverpleegkundige Monique op haar werk bijvoorbeeld onversaagd tegen decubitus bij haar ‘revalidanten’, terwijl ze thuis tegen zwaarmoedigheid vecht. Niet alleen bij zichzelf overigens. Blick, gevoed door researcher/interviewer Soraya Pol, keert hen liefdevol binnenstebuiten in deze prachtige momentopname van een parallelle wereld, die met de fraaie titelsequentie van Erwin Olaf en aangrijpende projecties op de muren van het revalidatiecentrum, met beelden uit de vorige levens van de patiënten, helemaal wordt vervolmaakt.

Stuk is werkelijk te mooi om waar te zijn. Bijna dan.

De vier afleveringen van Stuk zijn hier te bekijken op 2doc.nl.

John & Yoko: Above Us Only Sky

Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…

The Beatles: Destination Hamburg concentreert zich op de Duitse puberjaren van zijn popgroepje, The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years brengt daarna de eerste succesjaren in beeld en How The Beatles Changed The World buigt zich over de invloed die dat gezelschap zou hebben gehad. Zo ongeveer elke langspeler van deze muzikanten kreeg natuurlijk eveneens een eigen documentaire: Rubber SoulRevolverThe White Album en – natuurlijk! – Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Zelfs de trouwe secretaresse van de groep, Good Ol’ Freda, werd tot heldin van haar eigen film gebombardeerd.

Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New Yorkactiviteiten als anti-oorlogsactivistde moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).

Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor dat liedje over die jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.

Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘Toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.

Hoeveel documentaires zouden er overigens gaan in de mensenlevens van pak ’m beet J.F. KennedyC.M. Clay of E.A. Presley?

The Mother Of Beauty

Voordat ze hét sekssymbool van de twintigste eeuw werd, Andy Warhol haar beeltenis gebruikte voor een befaamde popart-serie en Marlene Dumas vervolgens van het icoon weer een kwetsbaar mens maakte in het ontluisterende schilderij Dead Marilyn, was Marilyn Monroe zomaar een ontheemd 19-jarige meisje dat roem en succes zocht. Op 2 augustus 1945 meldde ze zich bij het Blue Book Modeling Agency, een modellenbureau uit Hollywood dat ook de ‘blonde bombshell’ Jayne Mansfield zou voortbrengen.

‘Dougherty, Norma Jeane. Getrouwd’, noteerde eigenaresse Emmeline Snively over het toekomstige idool in haar Models Bluebook. ‘1,71 meter, 54 kilo, 91-61-86 cm, maat 42.’ Het aspirant-model betaalde Blue Book 25 dollar als inschrijfgeld, een flinke som geld in die tijd. ‘Ze droeg geen make-up, maar had een goede huid, mooie ogen en een mooi gebit. Zo zag ze eruit: haar haar was moeilijk in bedwang te houden. Haar gezicht wat te rond, maar ze zag er wel gezond uit. Opmerking: blonderen en permanenten aanbevolen.’

De tragische schoonheid Monroe is van een zekere afstand permanent aanwezig in documentaire The Mother Of Beauty (60 min.). Als de onbereikbare schoonheid die ze gaandeweg werd. Óók voor – en tot grote frustratie van – haar voormalige mentor Emmeline Snively. Deze film van Frank van Osch portretteert enkele andere Blue Book-glamourgirls van weleer, inmiddels dames van respectabele leeftijd. Ze zien er ‘voor hun leeftijd’ nog goed uit, constateren ze zelf. En dat willen ze weten ook.

Alles was gebaseerd op uiterlijk, zegt één van de mannelijke modellen uit de documentaire over de glamourwereld waarin hij opgroeide. ‘Als ik dik, klein en lelijk zou zijn geweest, had je me nu niet gefilmd.’ De man is inmiddels 86 en doet er alles aan om ‘handsome’ te blijven. ‘Mijn doel is om op mijn honderdste verjaardag nog steeds gewichten te heffen. Zou dat niet geweldig zijn?’ Hij herhaalt het, alsof hij opnieuw verrukt wordt door het idee, nog maar eens: ‘zou dat niet geweldig zijn?’

De wijsheid dat de werkelijke schoonheid toch echt van binnen zit komt dus niet per definitie met de jaren. Intussen schetst deze fraaie film met verve een wereld die bestaat bij de gratie van uiterlijk vertoon én de vergankelijkheid van schoonheid – van het leven in het algemeen.

Boom For Real: The Late Teenage Years of Jean-Michel Basquiat

Op weg naar een expositie moest je bij wijze van spreken over de lijken heen stappen. Intussen behandelde de kunst in de galerie die je daarna bezocht dan onderwerpen uit een wereld die je volledig wezensvreemd voorkwam. De politieke situatie in een Midden-Amerikaans land. Of de beslommeringen van mensen van middelbare leeftijd.

Het is een herkenbaar beeld dat één van de sprekers in Boom For Real: The Late Teenage Years Of Jean-Michel Basquiat (75 min.) oproept: de kunst van de gevestigde orde representeert op geen enkele manier meer de wereld waarin de volgende generatie leeft en jaagt daarmee automatisch een nieuwe kunststroming aan. Omdat ouwe lullen nu eenmaal weg moeten.

Deze documentaire van Sara Driver zoomt in op het New York van de jaren zeventig, dat met enorme hoeveelheden drugsgebruikers, daklozen en moorden nieuwe dimensies gaf aan het begrip stedelijk verval. De stad zou een ideale voedingsbodem blijken voor punkrock en de bakermat worden voor hiphop, met aanverwante uitingsvormen als breakdance en graffiti.

Binnen die laatste stijlvorm zou ook de neo-expressionistische kunstenaar Basquiat opkomen, dan nog als onderdeel van het duo SAMO, een verwijzing naar ‘same old shit’. Met zijn enigmatische straatpoëzie zou hij zich gaandeweg ontwikkelen tot één van de toonaangevende kunstenaars van het einde van de twintigste eeuw. Voordat heroïne hem definitief in zijn greep zou krijgen…

Deze film concentreert zich evenwel op de jaren dat Basquiat als een getalenteerde krabbelaar op zoek was naar zijn ideale uitingsvorm. Nog meer is het echter een documentaire over de underground-scene waarbinnen hij opgroeide. Filmmaker Jim Jarmusch, kunstenaar/hiphopper Fab 5 Freddy en talloze andere insiders belichten de wereld waarin zij hun stiel vonden.

De kunstenaar waaraan deze documentaire is opgehangen delft daarbij het onderspit. Jean-Michel Basquiat is na vijf kwartier nog altijd een vreemde voor de kijker. En ook zijn kunst en biotoop hebben geen nieuwe dimensie gekregen. Dat is al met al een teleurstellende conclusie. Boom For Real is daardoor vooral interessant voor mensen die sowieso al interesse hadden in de New Yorkse artscene.

The Family I Had

The Thin Blue Line, Paradise Lost, The Staircase, Making A Murderer en The Jinx behoren inmiddels tot het lexicon van de rechtgeaarde true crime-liefhebber. Met nieuwe loten aan de boom als Casting JonBenét en Mommy Dead And Dearest.

Anderhalf jaar geleden ontdekte ik een werkelijk fascinerende documentaire, die beslist niet in dit rijtje mag ontbreken. Het is een film die, als je het mij vraagt, schromelijk wordt onderschat. The Family I Had (73 min.) vertelt het tragische relaas van de alleenstaande moeder Charity uit Texas, die in 2007 een ronduit verwoestend telefoontje krijgt. Ella, haar dochtertje van vier, blijkt te zijn vermoord. De dader? Haar dertienjarige zoon Paris.

De gewelddadige dood van Ella vormt het startpunt van een troosteloos verhaal, dat als een virtuoze thriller wordt verteld. Elke keer als je denkt dat je de bodem van deze familietragedie hebt bereikt en het vervolg nu wel kunt uittekenen, sturen de co-regisseurs Katie Green en Carlye Rubin je een andere richting in en blijkt die bodem slechts een valluik naar een nieuwe laag misère.

Zo geeft The Family I Had je elke tien minuten een gigantische klap voor je kanis. Na bijna vijf kwartier zoek je bont en blauw, en met een niet meer zo gerust hart, je eigen veilige leventje weer op. Familieleden, zoveel is duidelijk, die heb je inderdaad niet voor het uitkiezen.

Transformer

Hij was een gestaalde marinier, werd een succesvolle bodybuilder en ontwikkelde zich ook nog eens tot één van de beste powerlifters van de wereld. Op en top man. Matt Kroczaleski, een spierbundel van jewelste. Kortweg: Kroc. Van jongs af aan wilde hij maar twee dingen: sterk zijn én vrouw zijn.

Dat is best lastig. Zeker als je ook vader bent van drie opgroeiende jongens. Zijn lijf brengt tevens zijn eigen dilemma’s met zich mee. Janae, de nieuwe naam van Kroczaleski, kan zichzelf niet voorstellen als een zeer gespierde vrouw. Als man zou hij echter niet met een ander lichaam kunnen leven.

Het kolossale lijf waarin hij altijd veilig heeft kunnen schuilen belet hem nu om zich door te ontwikkelen. Het uitgangspunt voor de documentaire Transformer (79 min.) is echter spannender dan de uitwerking ervan. Want die is typisch Amerikaans. Behalve zijn ouders is iedereen zo enthousiast over Krocs transitie dat het ongeloofwaardig wordt.

Alsof Kroczaleski zich permanent in een soort plastic realiteit bevindt, waarin al het ongemak bij hemzelf zit en vrijwel alle anderen (voor de camera) alleen maar ondersteunende woorden voor hem hebben. De hoofdpersoon praat de twijfel en onzekerheid dapper van zich af, maar regisseur Michael Del Monte had nadrukkelijker voorbij het sociaal wenselijke gedrag moeten kijken.

Hoewel Janaes achtergrond (white trash), persoonlijk leven (‘transgender dad’), leefomgeving (de powerliftwereld) en ingrijpende keuzes (het ziekenhuis) ogenschijnlijk aanknopingspunten bieden voor een moverende film die wel degelijk wringt, wil Transformer dus nooit meer worden dan het gemiddelde inspirerende Hollywood-drama. Real life, dat wel.