De Hoofdprijs

Lily

‘Ik ben rolstoelgebonden en heb heel weinig kracht’, vertelt de 23-jarige Lily in de televisiedocu De Hoofdprijs (74 min.). ‘Ik vind dat ik heel veel kan nog. Ik haat het woordje ‘nog’ trouwens. Dat vind ik een verschrikkelijk woord.’ Ze herstelt zichzelf: ‘Ik vind dat ik heel veel kan, maar ik heb ook heel veel hulp nodig.’

Lily heeft Spinale Musculaire Atrofie (SMA), type 2. Langzaam maar zeker levert ze spierkracht in. Totdat haar vitale functies het ooit zullen begeven en onvermijdelijk de dood volgt. Kinderen die type 1 van de progressieve spierziekte hebben, bereiken vaak niet eens de leeftijd van twee jaar. De diagnose SMA betekent in wezen een doodvonnis, zegt de Amerikaanse kinderarts en neuroloog Richard Finkel.

Vanuit de Verenigde Staten komen er echter hoopvolle berichten. Er zou een nieuw wondermedicijn zijn, Spinraza. Als posterboy daarvan introduceert regisseur Jannes van Lenteren, die deze degelijke film maakte in opdracht van het Prinses Beatrix Spierfonds, het Amerikaanse peutertje Cameron. Enkele weken na zijn geboorte werd hij gediagnosticeerd met SMA. ‘Dit was een kind, van wie ik hoopte dat hij in ieder geval twee vingers zou kunnen bewegen’, zegt zijn vader Rob. ‘En nu fietste hij op een driewieler.’

Camerons miraculeuze ontwikkeling wordt via de Facebook-pagina Hope For Cameron met de wereld gedeeld en zorgt natuurlijk ook in Nederland voor vraag naar het nieuwe medicijn. Spinraza moet echter eerst toegelaten worden tot de Nederlandse markt. Bovendien vraagt de Amerikaanse producent Biogen de hoofdprijs voor het ‘wondermiddel’: 750.000 dollar voor het eerste behandeljaar, 375.000 voor elk volgend jaar.

Twee jaar lang volgt Van Lenteren enkele Nederlandse patiënten die Spinraza willen gaan gebruiken. Ze dreigen het slachtoffer te worden van de moeizame onderhandelingen tussen de Nederlandse overheid en de farmaceut. Is de gevraagde prijs een redelijke compensatie voor de ontwikkeling van een levensreddend middel, waarmee bovendien de research voor toekomstige medicijnen kan worden gegarandeerd? Of maakt die prijs vooral duidelijk dat winstmaximalisatie voor de farmaceutische industrie écht belangrijker is dan de volksgezondheid?

Diverse pratende hoofden (artsen, de patiëntenvereniging, een woordvoerder van Biogen, Tweede Kamerleden en minister voor Medische Zorg en Sport Bruno Bruins) doen daarover hun zegje. Intussen blijven patiënten als Lily verstoken van het middel dat hun achteruitgang zou kunnen stoppen. ‘De laatste tijd gaat het echt heel snel’, zegt ze emotioneel. ‘En dat maakt me echt heel bang. Je ziet jezelf moeite krijgen met dingen. Je ziet jezelf dingen niet meer kunnen doen. En het hoeft niet. En dat maakt me zo boos.’ Lily laat een stilte vallen en benadrukt nog eens: ‘Het is niet nodig.’

The Accountant Of Auschwitz

Netflix

Vrolijke marsmuziek klinkt in de openingsscène van deze film. In beeld verschijnt de zwart-wit foto van een jonge militair. Rond brilletje, melancholiek gezicht. De stem van deze Oskar Gröning zorgt voor de herinneringen bij archiefbeelden van een concentratiekamp. ‘Het hoofdkamp van Auschwitz was net een klein dorp, met veel geroddel en geklets. Er was een kantine, een bioscoop.’ Intussen zien we hoe gezellig de medewerkers van het beruchte kamp ‘t hadden met elkaar. De opgewekte muziek zwelt weer aan: ‘Links um die Ecke…’ In het kader van de vrijetijdsbesteding wordt er enthousiast gesport. De atleten hebben ook mooie trainingspakjes aan, met een SS-embleem erop.

‘Het was een plek waar je vriendschappen voor het leven opdeed en waar ik met veel plezier op terugkijk’, blikt Gröning bij de start van The Accountant Of Auschwitz (75 min.) met weemoedige stem terug. Inmiddels wordt het archiefmateriaal van de levenslustige jongelingen afgewisseld met de huiveringwekkende beelden die we doorgaans associëren met het vernietigingskamp. ‘We waren ervan overtuigd dat we verraden waren door de hele wereld en dat er een grote samenzwering van Joden tegen ons was’, zegt de kampmedewerker nu, op zoek naar een verklaring en rechtvaardiging voor zijn eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog.

‘Maar je moet je toch hebben gerealiseerd dat zeker die kinderen je helemaal niets misdaan kunnen hebben?’ werpt de interviewer van dienst tegen, terwijl de alomtegenwoordige marsmuziek gaandeweg helemaal vastloopt en de openingsscène aan zijn einde komt. ‘Die kinderen zijn op het moment zelf natuurlijk niet de vijand’, stelt Gröning. ‘De vijand is het bloed dat door hun aderen stroomt.’ Die gedachtegang maakte het voor de Duitser (blijkbaar) mogelijk om te werken bij Auschwitz. Zijn werk in het kamp was voor hem een normale baan. De één werkt nu eenmaal bij Philips of Volkswagen, een ander bij de Firma Endlösung.

Oskar Gröning verzamelde bijvoorbeeld de spullen van Joden die aankwamen in het vernietigingskamp. Zij hadden die immers toch niet meer nodig – waaruit je overigens meteen kunt afleiden dat hij er wel degelijk van op de hoogte was wat er met de nieuwe kampgasten zou gaan gebeuren. Maar is de man, die zelf ogenschijnlijk verder geen geweldsdaden pleegde, daarmee ook (mede)verantwoordelijk voor de genocide die in zijn directe werkomgeving plaatsvond?

Die principiële vraag drijft deze film van Matthew Shoychet, waarin De Zaak Gröning wordt geplaatst tegen de achtergrond van rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers (die verdacht vaak met een heel beperkte straf zijn weggekomen). Van beruchte beulen als John Demjanjuk lijkt het logisch dat ze tot in lengte van dagen worden vervolgd, maar kun je ook iemand veroordelen die zelf geen mens heeft vermoord en daartoe ook niet de opdracht heeft gegeven? En: wanneer houdt iemands schuld op?

Thuishaven

Nederlandse Filmacademie

In de psychiatrie mag je als patiënt nog geen schilderijtje aan de muur hangen, zo wil het verhaal. Uiteindelijk moet het vizier immers altijd gericht blijven op een leven buiten de instellingsmuren. En dus is het niet de bedoeling dat je je tijdens de behandeling thuis gaat voelen.

De 55 bewoners van het Judith van Swethuis in Amsterdam zijn echter uitbehandeld en proberen, met de mogelijkheden en onmogelijkheden die hen zijn gegeven, zo goed en zo kwaad als dat gaat te leven. In Thuishaven (25 min.), zijn afstudeerfilm voor de Nederlandse Filmacademie, observeert Niels Beth hen in hun kleine, beschermde wereld.

Hij vangt zo enkele indringende inkijkjes in het (samen) leven met een beperking. Als bewoner Joost, die tot dan versuft in zijn stoel heeft gehangen, tijdens een bijeenkomst van de religiegroep bijvoorbeeld ineens de telefoon opneemt en een geanimeerd gesprek begint, leidt dit tot irritatie bij de man die op dat moment voorgaat in het gebed.

Hij maant Joost het gesprek te stoppen. ‘Hans, Hans, ik zit midden in een vergadering’, probeert deze zijn (denkbeeldige?) gesprekspartner af te breken, terwijl zijn tics intussen steeds heviger worden. ‘Nee, in een gebed zitten we’, reageert de voorganger geërgerd, waarna hij de draad weer probeert op te pakken. ‘Met David bidden we…’

Met zulke treffende scènes kleurt Beth het leven van de bewoners van het Judith van Swethuis overtuigend in. Hun begeleiders Tanja en Jeffrey fungeren daarbij als verteller. Dat is op zich wat ongemakkelijk: er wordt – overigens met respect en in vrij algemene termen – wel óver de bewoners van het huis gesproken, maar niet mét hen. Waarschijnlijk illustreert die keuze echter vooral het sociale onvermogen van de hoofdpersonen.

De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17

KRO-NCRV

‘De oorlog is Oud Ade binnengekomen’, sprak diaken André van Aarle, nu alweer vijf jaar geleden, tijdens de kerkdiensten na MH17. Hij leende de woorden van dorpsbewoner Dammes van der Poel, die het gevoel in de Zuid-Hollandse gemeenschap perfect wist te verwoorden. Van der Poel wist ook als geen ander waarover hij sprak. Zijn eigen zoon Erik en diens vriendin Truike Heemskerk kwamen om het leven toen de vlucht van Malaysian Airlines boven Oekraïne uit de lucht werd geschoten.

Dammes en zijn vrouw Toos doorlopen in De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17 (42 min.) nog eens het hele proces dat ze toen moesten doormaken: van de allereerste berichten over een neergestort vliegtuig tot het begraven van de botdeeltjes van hun kind. In deze televisiedocumentaire van Stephanie Sint Nicolaas en Alje Kamphuis komen daarnaast diverse dorpsgenoten aan het woord: vrienden en kennissen van de overledenen, de voorzitter van de voetbalclub, een wethouder en de regisseur van de toneelgroep.

Gezamenlijk schetsen ze het beeld van een hechte gemeenschap, die eensgezind treurt en verwerkt. ‘Heel het dorp was in de rouw’, zegt diaken Van Aarle. ‘Er hing een soort van vacuüm, er hing een ijzige stilte waarin je de pijn voelde.’ Die onderlinge verbondenheid is duidelijk ook wat de documentairemakers aan de kijker willen meegeven. Het gevoel voor gemeenschapszin wordt steeds weer benadrukt. Zoals sommige activiteiten van Eriks ouders ook nét iets te geregisseerd ogen; alsof ze speciaal voor de camera worden uitgevoerd.

Dit laat onverlet dat De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen treffend documenteert wat het met ouders doet als ze het meest onnatuurlijke verlies, de dood van een kind, moeten zien te incasseren en welke rol de directe omgeving kan spelen bij het dragen van dat lot.

Veearts Maaike

KRO-NCRV

’t Is goed, meisje’, zegt de Groningse boer Evert Smink tegen zijn koe, terwijl hij haar liefdevol op de hals klopt. ‘Bedankt voor de melk die je hebt gegeven, hoor.’ Intussen dient Veearts Maaike (97 min.) het dier een fatale injectie toe.

De koe heeft onlangs onverwacht gekalfd en ligt sindsdien al dagen lusteloos op de grond. ‘Het komt niet meer goed’, heeft Maaike van den Berg even daarvoor geconstateerd. Evert wist het al, zegt hij. ‘Alleen zelf ben ik er nog niet helemaal aan toe.’ En nu moet de boer dus afscheid van zijn melkkoe. ‘Dank je wel. Je mag wel gaan’, fluistert hij haar liefdevol toe en aait haar nek. ‘Ga maar, meisje.’

De ontroerende scène is exemplarisch voor deze aardse docu van Jan Musch en Tijs Tinbergen, die eerder films als Mees TV en Rotvos maakten: een jonge, stoere en ambitieuze vrouw van de wereld staat zij aan zij met een man die helemaal is gevormd door het Groningse platteland, op een moment dat het ertoe doet.

In een andere, zeer expliciete scène probeert Maaike bijvoorbeeld een kalf ter wereld te brengen. Als dat niet op de reguliere manier kan, moet er een keizersnede aan te pas komen. Terwijl de veearts begint aan haar incisie, wendt boer Roelf Bus het gezicht even af. Het is een tafereel van vertrouwen en vertrouwdheid tussen boer en arts, intimiteit wellicht, die natuurlijk nooit wordt uitgesproken.

Leven en dood liggen dicht bij elkaar in de Nederlandse melkveehouderij. Als het gaat om de dieren, maar ook bij de bedrijven zelf. Sommige boeren bouwen een nieuwe stal en geven zichzelf daarmee opnieuw een toekomst. Bij andere families ontbreekt een opvolger en wacht een voortijdig einde – en waarschijnlijk het slachthuis voor de betrokken dieren.

Via de veearts wordt, met grootse droneshots en veel gevoel voor symmetrie, zo tevens haar directe werkveld in beeld gebracht: een boerengemeenschap uit de omgeving van Loppersum, die zich regelmatig de speelbal van Haagse en Brusselse regelgeving voelt. Maaike pendelt letterlijk op en neer tussen die twee werelden en voelt zich uiteindelijk gedwongen om te kiezen.

Ligt haar toekomst in de dagelijkse praktijk, rijdend van veehouderij naar veehouderij? Of moet ze het zoeken op een hoger niveau, als woordvoerder of vertegenwoordiger van dierenartsen? Zodat ze zich kan laten gelden over actuele thema’s als het gebruik van antibiotica, melkquota en fosfaatrechten.

Die tweestrijd brengen Musch en Tinbergen treffend in beeld in deze typische plattelandsfilm: de veearts die met beide poten in de klei staat – en menig uur achter het stuur doorbrengt, op weg naar alweer een boer – tegenover de eloquente vertegenwoordigster, die zich in haar werkveld wil manifesteren en metavragen stelt als: ‘hoe willen we in Nederland dieren houden?’ en ‘hoe willen we vlees eten?’.

Chasing The Moon

Het was net zo goed een tijd van grote woorden als van grote daden. ‘Na deze dag gaan we wellicht nog verder, naar Mars en Jupiter en zelfs naar de hemelen daar voorbij’, verklaarde een zwarte leider bij de lancering van de Apollo 11-raket op 16 juli 1969, tevens de openingsscène van deze historische docuserie. ‘Maar zolang racisme, armoede, honger en oorlog op aarde blijven heersen hebben wij als beschaafde natie gefaald.’

Een ander zag in de reis naar de maan niets minder dan een uitkomst: ‘Volgens sommigen is de zo populaire ruimtevaart een zoektocht naar een nieuw paradijs’, klonk het bijna religieus. ‘De mens voelt zich schuldig over de wereld waarin hij leeft en die hij misschien heeft leeggeroofd. En nu hij de volwassenheid heeft bereikt, moet hij een nieuwe plek gaan zoeken. Een plek waar de mens naartoe kan gaan met achterlating van de roestige kooi waarin zijn fouten hem gevangen hielden.’

En dan waren er vier dagen later, bij het betreden van het aanbeden hemellichaam, natuurlijk de iconische woorden van de eerste man op de maan zelf. ‘One small step for man’ verhaspelde Neil Armstrong de grootse zin die voor hem was geschreven. ‘For a man’, had hij moeten zeggen. Een man, hijzelf. En daarna, de mensheid: ‘One giant leap for mankind.’ Er sprak een soort onmetelijk geloof uit al die woorden, in een maakbare wereld. Hier op aarde en anders in de één of andere uithoek van het heelal. Zonder grenzen of beperkingen.

In de zesdelige documentaireserie Chasing The Moon (300 min.) wordt de ruimterace die aan de geslaagde maanlanding voorafging minutieus gereconstrueerd. Een wedloop die in eerste aanleg door de Sovjet-Unie leek te worden gewonnen, tot grote consternatie van de Verenigde Staten die zich publiekelijk vernederd voelden. Onder aanvoering van de illustere Duitser Wernher von Braun, die ook al voor Hitler werkte, zetten ze begin jaren zestig de achtervolging in op de Russische spoetnik. Waarbij de NASA ook enorme tegenslagen moest overwinnen. Zoals de dramatische episode rond Apollo 1 en de astronauten Virgil Grissom, Ed White en Roger Chaffee, die door een wrede speling van het lot nooit in de buurt van de maan zouden komen.

Regisseur Robert Stone plaatst de ruimterace met een karrenvracht aan archiefmateriaal binnen de Koude propagandaoorlog – met astronauten als Glenn, Armstrong en Gagarin als boegbeelden van het vrije westen of juist het communistische ideaal – en kadert dit in met off screen quotes van de ruimtevaarders, hun echtgenotes (die het lang niet altijd gemakkelijk hadden met deze haantjes), NASA-medewerkers, historici en journalisten. Sergej Chroestsjov, de zoon van de toenmalige Sovjet-leider, vult aan met het Russische perspectief.

Zo ontstaat een uitputtend, gelaagd en persoonlijk verslag van een stuk moderne geschiedenis met een mythisch karakter, dat eigenlijk geen hedendaagse equivalent heeft. De maan is even ver weg als toen, Mars en Jupiter zijn vooralsnog buiten het bereik van de mens gebleven. De reuzensprong voorwaarts die ‘man’ via ‘a man’, Armstrong dus, destijds voor de gehele mensheid zette, heeft in de navolgende jaren slechts kleine stapjes als vervolg gekregen.

Deze puike serie is een prima bijsluiter voor de uitmuntende documentaire Apollo 11, die op dit moment in de Nederlandse bioscoop draait, en geeft ook extra context bij de speelfilm First Man, over de jarenlange reis van Neil Armstrong en zijn mannen naar de maan, die vorig jaar op het witte doek was te zien.

Wig

HBO

In hoeverre kan Wigstock in de 21e eeuw nog een bijdrage leveren aan empowerment van de LGBT-gemeenschap? vraagt een drag queen aan haar collega. Of zou het festival wel eens te ‘Disney’ kunnen worden? In de jaren tachtig en negentig was de functie van Wigstock glashelder: travestie bevrijden uit de randen van de nacht en aantonen dat de stijlvorm, en de bijbehorende beoefenaars, het daglicht wel degelijk kon verdragen.

Sinds 2001, toen het festival na de aanslagen van 11 september werd stopgezet, is er evenveel hetzelfde gebleven als veranderd, bewijst Wig (90 min.), een portret van de veelkleurige New Yorkse drag scene en haar bewogen historie. De gemeenschap die in eerste instantie vooral een emancipatoir karakter had en uitbundig de eigen diversiteit wilde vieren, heeft zich gaandeweg flink doorontwikkeld. Met (meer) acceptatie kwam ook professionalisering – en verdween volgens sommigen de oorspronkelijke charme.

Exemplarisch is het verhaal van Charlene Incarnate, één van de hoofdpersonen van deze documentaire. Zij was volgens eigen zeggen een ‘closeted church boy from Alabama’, werd nadat ze uit de kast kwam verstoten door haar familie en begon in New York een nieuw leven. Inmiddels heeft ze haar transitie van man naar vrouw onderdeel gemaakt van haar Drag Queen-performance. Tijdens een festival in 2015 liet ze op het podium bijvoorbeeld voor het eerst vrouwelijk hormoon inspuiten. Inmiddels heeft Charlene een pronte buste, die ze zonder enige gêne laat zien.

Regisseur Chris Moukarbel alterneert voortdurend tussen heden en verleden in deze collectie snapshots van een uitbundige subcultuur, die kan worden beschouwd als een update van de klassieke documentaire Paris Is Burning uit 1990. De baanbrekende toeren die de queens toentertijd uithaalden zijn echter allang (uitvergrote) clichés geworden, blijkt uiteindelijk op het Wigstock-festival van 2018, de climax van deze wat fragmentarische film. Intussen worden er alweer vrolijk nieuwe grenzen verlegd.

Blue Note Records: Beyond The Notes

Een Duitse leeuw en wolf stonden ooit aan de basis van het vermaarde Amerikaanse platenlabel Blue Note Records. De jeugdvrienden Alfred Lion en Francis Wolff ontvluchtten in de jaren dertig de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. In hun nieuwe vaderland focusten de twee outsiders zich op hun grote passie, jazz, en richtten in 1939 Blue Note op, een onderneming waarmee waarschijnlijk geen rooie rotcent was te verdienen. Een grotendeels zwart label bovendien, in een veelal witte industrie. Het zou niettemin een groot succes worden.

In Blue Note Records: Beyond The Notes (54 min.) blikken kopstukken als Herbie Hancock, Terrace Martin, Derrick Hodge en de huidige directeur van Blue Note, Don Was, terug op de hoogtijdagen van ‘de Cadillac onder de jazzlabels’, toen grootheden als Miles Davis, Thelonious Monk, John Coltrane, Art Blakey, Lee Morgan, Horace Silver en Sonny Rollins van Lion en Wolff volledige artistieke vrijheid kregen en met speels gemak muzikale grenzen verlegden. In een nieuwe studiosessie zoeken The Blue Note All-Stars intussen de magie van Blue Notes gouden jaren op.

Regisseur Sophie Huber richt zich in deze gedegen televisiedocumentaire compleet op de kunst: de muziek zelf natuurlijk, de bijbehorende coole zwart-wit foto’s en het stijlvolle artwork. Ze tekent ook de revival van het label in de tweede helft van de jaren tachtig op, als Blue Notes onmiskenbare sound wordt opgepikt door hiphoppers, opnieuw in de belangstelling komt te staan en nieuwe sterren als Norah Jones in de vaart der volkeren opstuwt.

Jiro Dreams Of Sushi

Jiro Dreams Of Sushi (82 min.) is een kleine film. Letterlijk. Het leeuwendeel van de documentaire speelt zich af op hooguit twintig vierkante meter. Zo groot is het restaurant van de 85-jarige Japanse sushimeester. Tien zitplekken, meer niet. En de wc is buiten. Lekker lang tafelen is er ook niet bij. Een snelle eter staat na een kwartier, en 30.000 Yen lichter, weer buiten. Toch is het, blijkbaar, een voorrecht om te mogen eten bij Jiro Ono in Tokyo. Hij is de oudste kok met drie Michelin-sterren.

Uiterste eenvoud schept zuiverheid, zoals een toonaangevende Japanse culinair journalist het omschrijft in deze fijne film van David Gelb uit 2011. De Japanse chef is een absolute ambachtsman, een relikwie van een verloren era waarin tijd en aandacht nog niet waren verdrongen door snel en voordelig. Jiro is tevens een strenge meester. Één van zijn leerlingen vertelt hoe hij eerst tweehonderd afgekeurde omeletten moest maken voordat er één goed werden bevonden. De tranen sprongen toen in z’n ogen.

De perfectionist Jiro werd automatisch een afwezige vader. Het lukte hem zelfs niet om op zondag thuis de vis aan te snijden. Hij was altijd aan het werk en droomde zelfs over sushi. Intussen zijn z’n beide zoons in zijn voetsporen getreden. Jongste zoon Takashi is elders een eigen restaurant begonnen. Oudste zoon Yoshikazu, vijftig inmiddels, staat nog altijd bij vader in de zaak. Hij wilde ooit straaljagerpiloot worden, maar wacht nu, geheel volgens de traditie, op zijn kans om de leiding over te nemen. Kan hij zijn onverslijtbare pa ooit overtreffen of zelfs maar evenaren?

In die zin vertelt Jiro Dreams Of Sushi, opgediend met ferme Philip Glass-muziek, een klassiek vader-zoon verhaal. Met de wisseling van de wacht dient zich straks ook onvermijdelijk het einde van een tijdperk aan. Dat tekent zich nu al af, getuige bijvoorbeeld het contrast tussen Jiro’s minieme restaurant en de enorme vismarkt, waar zijn oudste zoon tegenwoordig voor hem het neusje van de tonijn moet zien te vinden. Van een exclusief gerecht is sushi in de afgelopen jaren een massaproduct geworden. Een tekort aan kwaliteitsvis dreigt voor Jiro en zijn clientèle. Waardoor die uiteindelijk toch nog wel eens héél duur betaald zou kunnen worden.

Tiananmen: The People Versus The Party

PBS

Het is een tafereel dat op het netvlies van een complete generatie staat gebrand: een Chinese man stelt zich op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing te weer tegenover een rij oprukkende legertanks en dreigt erdoor verpletterd te worden. In één enkel beeld is vervat hoe het communistische regime in 1989 de roep om democratisering, ‘dialoog’, van de Chinese studentenbeweging met bruut geweld de nek omdraaide.

Dertig jaar later is nog altijd onbekend wie deze ‘Tank Man’ was, die het symbool werd van een uiteindelijk vruchteloze campagne om van China een normaal functionerende democratie te maken. In de journalistieke documentaire Tiananmen: The People Versus The Party (111 min,) reconstrueert Ian MacMillan met toenmalige studentenleiders, ooggetuigen, mensenrechtenactivisten en sinologen gedetailleerd de redenen voor, aanloop naar en achtergronden van de confrontatie tussen het communistische regime en de nieuwe generatie Chinezen die westerse waarden nastreefde.

Als alwetende verteller vertolkt Corey Johnson daarbij een prominente rol. Zijn voice-over fungeert als verbindende factor die van alle ervaringen en meningen en het overvloedige archiefmateriaal een coherent verhaal maakt, dat onvermijdelijk afstevent op een dramatische (anti)climax. Waarbij de studenten die zijn opgestaan voor hun idealen voor de elementaire keuze worden gesteld of ze moeten blijven staan of toch beter kunnen buigen voor het overmatige geweld van de machthebbers. De cruciale vraag in dit soort situaties: do or die?

Het Plein van de Hemelse Vrede verandert in het strijdtoneel voor een Hels gevecht, dat drie decennia later nog altijd na-ijlt. Ook al heeft de revolte ogenschijnlijk weinig concreets opgeleverd, zo toont deze interessante en uitstekend gedocumenteerde, maar ook wat schoolse geschiedenisles eens te meer aan. Aan de vooravond van de dertigste ‘verjaardag’ van Tiananmen hebben de Chinese autoriteiten onlangs activisten en familieleden van slachtoffers gearresteerd, onder huisarrest geplaatst of naar andere plaatsen overgebracht. Voor het geval iemand zich nog vreemde ideeën in het hoofd wilde halen…

Life Overtakes Me

Netflix

De kinderen stoppen met praten. Ze gaan gewoon liggen. En daarna willen ze steeds minder eten en drinken. Totdat ze er helemaal mee ophouden. In catatonische toestand vervolgen ze hun leven. Doods liggend in een rolstoel. Of gewoon op bed. In een soort coma. Voor enkele maanden. Een compleet jaar. Of… En hun ouders denken dat ze doodgaan.

De korte documentaire Life Overtakes Me (40 min.) belicht het zogenaamde berustingssyndroom, waaraan maar liefst honderden vluchtelingenkinderen in Zweden zouden lijden. De filmmakers John Haptas en Kristine Samuelson portretteren bijvoorbeeld een Oekraïense familie, die zich in eigen land bedreigd voelde en is gevlucht. Als de asielaanvraag van het gezin wordt afgewezen, begint hun ooit zo actieve dochter Daria zich terug te trekken in haar eigen wereld. Al acht maanden oogt ze als Sneeuwwitje, die nodig wakker gekust moet worden.

Ook de andere ‘afwezige’ kinderen in deze sobere film, die in leven moeten worden gehouden met sondevoeding, hebben hun eigen verhaal. Getuige van een moord, aanwezig bij een verkrachting. Getraumatiseerd, dat zeker. Tegenslagen in hun nieuwe vaderland zetten hun lijf vervolgens helemaal op slot. Is het zelfbescherming? Of belazeren deze kinderen en ouders de kluit, zoals sommige criticasters beweren, om zo een verblijfsvergunning voor hun familie af te dwingen?

De psychologen die in Life Overtakes Me aan het woord komen twijfelen niet aan het Resignation Syndrome, maar waarom juist vluchtelingen uit de Balkan of de voormalig Sovjet-republieken deze problemen hebben en waarom die zich vrijwel uitsluitend in Zweden manifesteren? Daarover tast eigenlijk iedereen in het duister. Intussen is het pijnlijk om te zien hoe de ouders, in afwachting van een definitief besluit over hun asielaanvraag, moeten hannessen met kinderen, die bevangen lijken te zijn door pure angst.

El Caso Alcàsser

‘Hoe leven de gezinnen van die meisjes nu? vraagt Manuel Campo Vidal, de presentator van de Spaanse televisierubriek Noticias zich af, nadat hij zojuist het nieuws heeft gebracht dat er drie lichamen zijn aangetroffen. ‘Zoals gezegd schamen we ons ervoor, maar we moeten bellen, dat is ons werk: Mevrouw Iborra, moeder van Miriam Garcia, wat voor nieuws is er?’

De moeder van de vermiste Miriam heeft natuurlijk ook niets nieuws te melden, maar dat weerhoudt Spaanse media er in 1992 blijkbaar niet van om de familie, live in de uitzending zelfs, lastig te vallen met impertinente vragen. De politie onderzoekt op dat moment nog of de gevonden lichamen inderdaad aan Miriam, Toñi en Desirée toebehoren, de drie verdwenen tieners uit Alcàsser.

De geruchtmakende verdwijningszaak was niets minder dan een zegen voor de Spaanse media. Schaamteloos legden ze het verdriet van de familie vast met hun camera’s, onderwijl natuurlijk steeds hun medeleven betonend. De twee belangrijkste talkshows van het land bouwden voor de gelegenheid zelfs een provisorische televisiestudio in de regio Valencia. ‘De meisjes zijn vermoord’, zegt presentatrice Nieves Herrero bijvoorbeeld op camera, tijdens een smakeloze live-uitzending. ‘Dat, na de reclame.’

Talkshowhost Paco Lobatón, de voornaamste concurrent van Nieves Herrero, kijkt in de vijfdelige true crime-serie El Caso Alcàsser (306 min.), waarin de zaak met vrijwel alle betrokkenen nog eens minutieus wordt doorgelicht, enigszins beschaamd terug op de rol van de journalistiek. Tegelijkertijd spreken de cijfers in zijn voordeel: beide programma’s behoren nog altijd tot de vijf best bekeken programma’s in de Spaanse televisiehistorie. En er zou in de navolgende jaren nog veel vaker worden gescoord met ‘nieuws’ uit de Alcàsser-zaak.

Nu werd de pers ook veelvuldig ingeschakeld door de families van de meisjes, waarbij met name Miriams vader Fernando zich ontwikkelde tot een echte mediapersoonlijkheid. Ruim 25 jaar later blikt ook deze Spaanse evenknie van Paul Marchal terug op de tragedie die zijn leven bepaalde, het politie-onderzoek én zijn eigen naspeuringen, waarmee hij een enorme Dutroux-achtige samenzwering op het spoor meende te zijn. In talkshows mocht hij, ondersteund door de cynische misdaadjournalist Juan Ignacio Blanco, ongehinderd allerlei ongefundeerde beschuldigingen uiten.

Zo toont deze typische true crime-serie van Elías León Siminiani vooral de lelijkste kant van de Spaanse media, die een gruwelijke misdaad vooral lijken te zien als een kans om de eigen status of kijkcijfers op te krikken. Nabestaanden, verdachten, advocaten en allerlei soorten ‘deskundigen’ zijn daarbij niet meer dan babbelvee, dat naar behoefte kan worden ingezet. En moddergevechten of ‘trial by media’ zijn nooit ver weg. Intussen komt er maar geen klaarheid in de zaak waarmee het ooit begonnen was: de verdwijning van drie volledig onschuldige tienermeisjes. Ook deze interessante, soms wat langdradige en warrige serie geeft geen definitief antwoord.

Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story

Je zou hem de ultieme winnaar kunnen noemen. Ten koste van alles en iedereen, ongeacht de middelen. De ideale posterboy voor het winner-takes-all wereldbeeld – en in het verlengde daarvan: het onversneden roofdier-kapitalisme. En toen haalde het verleden Lance Armstrong, zevenvoudig winnaar van de Tour de France, alsnog met duizelingwekkende snelheid in. De ultieme Gele Truidrager werd de risee van zijn sport.

De ontluisterende documentaire Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story (100 min.) uit 2014 gaat terug naar het moment waarop de opkomst – en navolgende neergang – van de Amerikaanse wielercrack gestalte krijgt: zijn noodlottige ontmoeting met dopingdokter Michele Ferrari. Armstrong werd zijn ideale pupil. Of, zoals David Walsh, de Ierse journalist die hem jarenlang op het spoor was en daarvoor, niet alleen door Armstrong zelf, met pek en veren werd overgoten, het formuleert: ‘Als jij je werk als Frankenstein doet, word ik het beste monster dat je ooit hebt geschapen.’

Filmmaker Alex Holmes ontleedt de veelvraat van het moderne wielrennen, die bereid was om werkelijk alles te vreten (of slikken of injecteren of transfuseren of…) om te kunnen winnen, met zijn voormalige secondant Frankie Andreu en diens vrouw Betsy, oud-ploeggenoot en klokkenluider Tyler Hamilton, z’n voormalige masseuse Emma O’Reilly die eveneens een boekje open deed over Armstong en die andere Amerikaanse wielergrootheid Greg Lemond, met wie hij een uiterst moeizame relatie onderhoudt. Samen met enkele journalisten, een strijdbare advocaat en het hoofd van de Amerikaanse anti-dopinginstantie belichten zij de strijd om de waarheid boven tafel te krijgen.

De all American hero, moedige kankeroverwinnaar en naamgever van zijn eigen goede doel-stichting laat zelf verstek gaan in deze film, waarin hij wordt geportretteerd als een aartsleugenaar en gewetenloze psychopaat die geen middel onbenut laat om zijn grote geheim te beschermen. De hoofdpersoon komt wel veelvuldig aan het woord in archiefmateriaal, waarin hij talloze statements doet die naderhand stuk voor stuk zijn ontkracht. Ook, uiteindelijk, door hemzelf: in een zogenaamd ‘tell all‘- interview met Oprah Winfrey. Met zijn gedrag heeft hij zijn sport dan al op systematische wijze besmeurd.

Er is nóg een andere Armstrong-documentaire over min of meer hetzelfde thema: The Armstrong Lie van regisseur Alex Gibney uit 2013. Vier jaar eerder had hij de Amerikaanse beroepswinnaar gevolgd tijdens zijn terugkeer in de Tour de France. Die film werd echter ingehaald door de feiten. Toen het dopingschandaal zijn opnamen irrelevant had gemaakt, ging Gibney verhaal halen. Bij mensen uit Armstrongs entourage en bij Lance zelf.

Cat Stories

Hoe zou een Internationaal publiek naar deze film over Nederlanders en hun liefde voor katten kijken? Zouden ze daarin iets wezenlijks over onze volksaard vinden? De Spaanse filmmaakster Carmen Cobos woont al geruime tijd in Nederland en verbaast zich over het feit dat mensen hier massaal poezen als huisdier houden. In eigen land kende ze dat fenomeen helemaal niet. De kat was toch een buitendier?

In de documentaire Cat Stories (73 min.) onderzoekt ze als een soort antropoloog de kattenliefde van miljoenen Nederlanders. In dat kader biedt ze zichzelf ook aan als oppas, een keuze die wat gekunsteld aandoet en bovendien relatief weinig oplevert (of het moet een verdwenen kat zijn).

Via hun katten portretteert Cobos ook enkele baasjes, waaronder een gedreven fokster van Siamese katten. Met hen bezoekt ze het asiel, de dierenarts en kattenshows. Uit hun verhalen komt een vertrouwd beeld naar voren: het huisdier als trouwe metgezel in tijden van ziekte, eenzaamheid en verdriet, die menselijke eigenschappen wordt toegedicht en waar stevig om wordt gerouwd als het zelf afscheid van het leven moet nemen.

Sommige van die gesprekken voert Cobos in het Engels. Dat schept soms een zekere afstand en verhindert sommige hoofdpersonen om echt in hun ziel te laten kijken. Je zou ook kunnen zeggen: het versterkt de buitenstaandersblik van deze film, die in Nederlandse ogen wel heel erg gewoon blijft en weinig nieuws – of écht bijzonders – heeft te bieden. Maar wellicht zien vreemde ogen veel meer. Of juist iets heel anders.

The Brink

‘Wat zou Leni Riefenstahl doen?’, geint Steve Bannon tegen documentairemaakster Alison Klayman, nadat zij hem kritisch heeft bevraagd over een nieuwe, opruiende Trump @War-campagnefilm voor de Amerikaanse midterm-verkiezingen van 2018. ‘Hoe zou zij die scène monteren?’

De zelfverklaarde ideoloog van het Trumpisme begint te glunderen. Propaganda is voor hem helemaal geen vies woord. En hij weet dat hij met het verwijzen naar de beruchte Duitse filmmaakster zijn ideologische tegenstanders gemakkelijk op de kast kan krijgen – en dat het de doelgroep van zijn campagne, de mensen die hij de van aartsvijand Hillary Clinton geleende geuzennaam ‘the deplorables’ heeft gegeven, tegelijkertijd geen barst uitmaakt. Win-win, zogezegd.

Misschien is dat ook de reden dat hij opnieuw meewerkt aan een documentaire van een filmmaker die niet per definitie in zijn kamp zit. Ná Errol Morris’ vlammende film American Dharma uit 2018, die tijdens de opnames voor The Brink (91 min.) in première is gegaan. Er is een duidelijk verschil tussen de twee docu’s: terwijl Morris Bannons extreme ideologie en de mogelijke implicaties daarvan onder vuur neemt in een gestileerde setting, legt Alison Klayman als de spreekwoordelijke vlieg op de muur, die slechts een heel enkele keer een vraag stelt, de praktische uitwerking daarvan vast.

Zo volgt ze Trumps voormalige campagnemanager naar achterafkamertjes in de Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen, en reist ze tevens mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen. In een ontspannen atmosfeer dineert de man bijvoorbeeld gezellig met (extreem-)rechtse kopstukken als opper-Brexiteer Nigel Farage, Vlaams Belang-leider Filip de Winter, de Zweedse scherpslijper Kent Ekeroth en Lega Nord-voorman Matteo Salvini. Ook adviseurs van Marine le Pen en de Hongaarse premier Orbán laten zich gewillig door hem influisteren.

In eigen land schuift Alison Klayman aan als de onvermoeibare Bannon de financiers bezoekt van zijn campagne om, met alle beschikbare middelen, Amerika’s hart en ziel te veroveren: Erik Prince (de oprichter van het omstreden beveiligingsbedrijf Blackwater), de Chinese multimiljonair Miles Kwok en voormalig topman van Goldman Sachs, John Thornton. Mannen die hun geld graag voor hen laten spreken. En laat het maar aan Steve Bannon over om de juiste woorden te vinden. ‘Haat motiveert’, zegt hij daarover in deze documentaire. ‘Woede motiveert.’

Gevraagd naar zijn eigen drijfveren windt de workaholic er ook geen doekjes om: ‘Het gaat mij maar om één ding: winnen.’ Het doel heiligt in zijn geval écht alle middelen. Al betekent dat niet dat dit doel ook daadwerkelijk wordt bereikt. Als Bannon – tijdelijk? – uit de gratie raakt bij Trump, een periode waaraan hij de bijnaam ‘Sloppy Steve’ overhoudt, raakt hij ook zijn momentum kwijt. Nadat de Democraten in het najaar van 2018 de congresverkiezingen winnen met een diversere kandidatenlijst dan ooit, lijkt de invloed van de Macher tanende en begint de geboren winnaar steeds meer te ogen als een praatjesmakende loser.

De Man Die Achter De Horizon Keek

Bas Jan Ader / KRO-NCRV

Kijk goed naar de foto hierboven. Dit is Bas Jan Ader. Hij staat op het punt om de Atlantische Oceaan over te steken. Van Amerika naar Engeland. In het kleinste zeilbootje ooit. De Ocean Wave. Gekkenwerk!

Zijn vrouw Mary Sue maakte deze foto van hem. Voordat hij, op 9 juli 1975, aan de oostkust van de Verenigde Staten de zee opging. Het is het laatste beeld van de Nederlandse avonturier en kunstenaar. Negen maanden later is zijn boot teruggevonden bij de Engelse kust. Van Bas Jan ontbreekt ruim veertig jaar later nog elk spoor.

Of toch niet? Martijn Blekendaal stuit op aanwijzingen dat er wel eens iets héél anders achter die verdwijning zou kunnen zitten. Hij pluist bijvoorbeeld de vele zwart-wit video’s die zijn held achterliet uit op mogelijke clous. Slapstickachtige filmpjes. Bas Jan laat zich van een tak in het water vallen. Bas Jan probeert schuin te staan en valt. En Bas Jan rijdt met zijn fiets de plomp in.

Intussen wordt de joyeuze verteller Blekendaal zelf steeds meer de hoofdrolspeler van deze met veel fantasie, schwung en humor aangeklede zoektocht naar De Man Die Achter De Horizon Keek (28 min.), die zijn doel steeds nadrukkelijker uit het oog verliest. En dat, de heilzame ontsporing van Blekendaals queeste, lijkt vanaf het allereerste moment de bedoeling te zijn geweest.

Op die foto hierboven had dus net zo goed Martijn Blekendaal kunnen staan. Dat had hij overigens ook best gewild. Die allesbepalende stap durven te zetten naar dat véél te kleine bootje.

The Edge Of Democracy

Michel Temer (l), Dilma Rousseff (m) en Lula (r)

In bovenstaand beeld zit in zekere zin deze complete film – en de recente politieke geschiedenis van Brazilië – opgesloten. Rechts staat voormalig president Lula (2003-2011), die inmiddels in de gevangenis zit vanwege (vermeende) corruptie. Hij houdt de hand omhoog van zijn opvolgster Dilma Rousseff, die in 2016 na ruim vijf jaar werd afgezet als president omdat… Ja, waarom eigenlijk? En links in beeld kijkt haar vicepresident Michel Temer van enige afstand toe. Hij keerde zich later tegen Rousseff, mocht haar daarna opvolgen en zou zo de weg vrijmaken voor de huidige president van Brazilië, de ultrarechtse Jair Bolsonaro.

In de meeslepende documentaire The Edge Of Democracy (122 min.) verbindt filmmaakster Petra Costa de politieke ontwikkeling van Brazilië met haar eigen familiegeschiedenis. Zij stamt uit een geslacht dat van oudsher over macht en kapitaal beschikte, maar heeft ouders die zich daarvan juist los hebben gemaakt en linkse idealen koesterden. In de jaren dat Brazilië een dictatuur was, van 1964 tot 1983, bracht hen dat gedurig in de problemen. Net als de latere presidenten van ‘hun’ Arbeiderspartij, Lula en Dilma (die in die tijd ook in de gevangenis zat en flink werd gemarteld). Die tegenstellingen, en de bijbehorende keiharde strijd, spelen in de 21e eeuw onverminderd op en verscheuren ouderwets het land.

Costa mag met haar camera nog altijd zéér dichtbij de voormalige strijdmakkers van haar ouders komen en sympathiseert ook duidelijk met hun gevecht om politiek lijfsbehoud. Vanuit dat perspectief registreert ze hoe ‘het kapitaal’ via zijn handlangers in het parlement toch weer de macht probeert te grijpen. En op straat worden politieke tegenstanders intussen met veel theater uitgemaakt voor slangen die vleugels hebben gekregen (die natuurlijk direct moeten worden afgehakt) en weerklinkt ook doodleuk de roep om het leger. ‘Militaire interventie is het medicijn voor dit land’, schreeuwt een man bijvoorbeeld vol overgave in de camera. ‘Ten tijde van de dictatuur was alles veel beter. Dus generaals, waar blijven jullie?’

Het is een angstaanjagend beeld: de roep om een harde hand buiten en het gemak waarmee binnen basisregels van de democratie met voeten worden getreden. Alsof de bijbehorende normen en waarden op geen enkele manier gerespecteerd of onderhouden hoeven te worden, zodra de eigen emoties opspelen of belangen in het geding komen. Tendensen die ook moeiteloos in een Nederlandse context zijn waar te nemen. The Edge Of Democracy, waarin Costa als verteller de schokkende ontwikkelingen probeert te duiden, is daarmee een documentaire die de verwikkelingen in Brazilië, hoe verontrustend ook, duidelijk ontstijgt en iets wezenlijks over onze tijd probeert te zeggen.

Over het doel dat alle middelen heiligt. Over onoverbrugbare afstanden tussen bevolkingsgroepen, ideeën en – vooral – belangen. En over de fragiliteit van democratie (die veel te vaak, betoogt bijvoorbeeld de historicus Timothy Snyder, als vanzelfsprekend wordt beschouwd). Dit is, kortom, een film die ertoe doet. En ertoe zou moeten doen.

Lots Of Kids, A Monkey And A Castle

VPRO

Als jonge vrouw wilde ze een hele zwik kinderen, een aap en een kasteel, zo wil de familielegende. Al Julita’s dromen kwamen uit, maar niet helemaal op de manier die ze in gedachten had gehad. Haar volwassen zoons en dochters stellen nu impertinente vragen over het verleden, die aap bleek uiteindelijk onhandelbaar en dat droomkasteel werd een ongelooflijk rommeltje en onbetaalbaar bovendien. En nu wil haar echtgenoot de excentrieke Julita ook al niet meer aanraken. Hij trouwde ooit een meisje van 53 kilo, zegt Antonio fijntjes. Tegenwoordig is hij getrouwd met een vrouw die bijna dubbel zoveel weegt.

In Lots Of Kids, A Monkey And A Castle (86 min.) richt de Spaanse acteur Gustavo Salmerón z’n camera op zijn praatzieke moeder. Hij filmt en bevraagt haar in huiselijke kring, een onvervalst huishouden van Juan Piedra dat helemaal, he-le-maal, dichtgegroeid is met spullen. Door de financiële crisis dreigen Julita en haar man Antonio bovendien bankroet te gaan en wordt de vraag actueel hoe dit gigantische hoardershuis in godsnaam kan/moet worden ontruimd? En, een vraag die steeds terugkeert: waar zijn eigenlijk de botten gebleven van Julita’s grootmoeder, die werd geëxecuteerd tijdens de Spaanse burgeroorlog?

Veertien jaar lang maakte Gustavo opnames voor deze film waarvan zijn moeder in eerste instantie dacht dat die alleen voor de eigen familie zou worden. Wie zat er immers op haar verhaal te wachten? En zou dat dan niet goed gefilmd en gemonteerd moeten worden? Een gelikte, strak gestructureerde documentaire zou de plank in dit geval echter behoorlijk mis hebben geslagen. Bij Julita en haar rommelige entourage past een charmante warboel van een film. En die doet in de verte wel wat doet denken aan Grey Gardens, een documentaireklassieker over de buitenissige moeder en dochter Beale, die zich begin jaren zeventig hadden verschanst in een vervallen en vervuild landhuis.

Terwijl haar kinderen beginnen op te ruimen, leegt Julita in Lots Of Kids, A Monkey And A Castle vooral haar overvolle hart, waarvan waarschijnlijk nog nooit een moordkuil is gemaakt. Het is een vermakelijk tafereel, met een melancholieke ondertoon. Van een uitbundig leven dat ten volle is geleefd, maar nu toch echt zijn einde nadert.

Het Wonder Van Le Petit Prince

De Kleine Prins werd een vriend voor het leven. Nadat haar zus Pirkko verdronk, was Kerttu Vuolab uit Samiland als dertienjarig meisje naar een kostschool in Ivalo gestuurd. De taal waarmee ze in het afgelegen Vuovdaguoika opgroeide, Sami, werd daar niet gesproken. Ze moest en zou Fins leren. ‘Het voelde alsof iemand mijn keel had doorgesneden’, zegt Kerttu nu. ‘Mij werd de mond gesnoerd nog voordat ik iets had gezegd.’

Toen ontdekte ze het boek Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry. ‘Het bood me vriendschap en troost.’ Het was alsof Kerttu via de woorden van de Sain-Exupéry met zichzelf kon praten en zich kon laven aan de inherente wijsheid ervan. Met een eigen vertaling van het boek, in de taal van de hooglanden van Samiland, zou ze er later bovendien haar bedreigde taal en cultuur mee revitaliseren.

Na de Bijbel is Le Petit Prince het meest vertaalde boek ter wereld. De klassieker is inmiddels in meer dan 375 talen uitgebracht. In Het Wonder Van Le Petit Prince (88 min.) portretteert Marjoleine Boonstra vertalers uit alle windstreken. Zij vervatten het moderne sprookje in zieltogende talen als Nawat of Tamazight, die in respectievelijk El Salvador en de Sahara worden gesproken en ernstig in hun voortbestaan worden bedreigd.

Boonstra geeft haar hoofdpersonen alle ruimte in deze bespiegelende film. Ze laat hen kalm – of traag, afhankelijk van je kijktempo – hun eigen verhaal doen. Van een veelbewogen persoonlijk leven, hun cultuur die vertrapt of ondergesneeuwd dreigt te worden en dat ene boek van De Saint-Exupéry, waaruit ze ook liefdevol, in hun eigen taal natuurlijk, voorlezen. Omdat de wereld, zo lijkt deze verstilde documentaire te betogen, gebaat is en blijft bij ‘culturele en taalkundige diversiteit’.

Everything Must Fall

‘Each generation must, out of relative obscurity, discover its mission, fulfil or betray it.’ Met dit citaat van Frantz Fanon als leidmotief belicht Everything Must Fall (58 min.) de Zuid-Afrikaanse studentenbeweging, die in 2015 van zich laat horen als de University Of The Witwatersrand in Johannesburg het collegegeld alweer met ruim tien procent verhoogt. Op een moment dat een deel van de zwarte studenten al is aangewezen op de voedselbank. Studeren dreigt opnieuw echt iets te worden voor de (witte) elite. Als tegenreactie ontstaat een vreedzaam protest onder de noemer Fees Must Fall.

Wat begint als een studentenactie die zich al snel verspreidt over het hele land, mondt echter uit in een opgeheven vuist voor een hele wirwar aan sociale issues: vrouwenrechten, inkomensongelijkheid, LGBT, anti-Apartheid, de outsourcing van banen en dekolonisatie en… (en dan ben ik er vast nog een paar vergeten). It’s the sixties all over again, zogezegd. Als de universiteit vervolgens besluit om de zwaarbewapende oproerpolitie in te schakelen, wordt de campus het strijdtoneel voor een gewelddadige confrontatie. Een onschuldige Maagdenhuis-achtige bezetting escaleert zo razendsnel tot een soort Zuid-Afrikaanse variant op het Kent State-bloedbad.

Met enkele prominente studentenleiders en vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur neemt regisseur Rehad Desai de gebeurtenissen door die in het gehele land voor schermutselingen zorgen en alle betrokkenen dwingen om voor zichzelf de vraag te beantwoorden of het doel de middelen nog heiligt. Hoe heilzaam is de voortgang van het collegejaar nu werkelijk als de universiteit en zijn studenten daardoor lijnrecht tegenover elkaar komen te staan? En wat zijn die collegegeldconcessies waard als ze betaald moeten worden met bloed? In zulke verhitte omstandigheden blijkt het bovendien, zo toont deze degelijke film, bepaald geen sinecure om de neuzen dezelfde kant op te houden.