Confessions To dEUS

Fleur Boonman

Over bands en hun betekenis…

De helende waarde van muziek, belicht via een langspeler die inmiddels de twintig jaar aantikt: The Ideal Crash. Het signatuuralbum van dEUS uit 1999, leeft nog altijd voort. De Belgische groep rond zanger en frontman Tom Barman wijdde er onlangs een serie optredens aan in heel Europa. Die vormen weer de basis voor deze documentaire van Fleur Boonman.

Confessions To dEUS (84 min.) is evenwel geen typisch bandverhaal, geen making of-exercitie en ook geen regulier tourverslag. En in zekere zin ook weer wel. Maar dan vanuit het perspectief van de fans. De dEUS-aanbidders namen na afloop van die concerten plaats in een soort biechtstoel en vertelden aan Boonman wat de muziek van de Belgische band voor hen betekent. En vooral wat die in hen losmaakt. Verhalen over de valkuilen van de liefde en het bestaan, tevens de thematiek van de plaat die hun favoriete album werd.

En dat verleidt de individuele bandleden van dEUS weer tot persoonlijke ontboezemingen over hun zielen- en relatieleven. Bassist Alan Gevaert vertelt bijvoorbeeld aangrijpend over een diepe depressie die hij doormaakte, over hoe hij zich toen ‘een levende dode’ voelde. Was dat nu een ideal crash? Het voelde vooral alsof er geen einde aan kwam. De vraag was of er überhaupt nog een einde was.

Door die persoonlijke insteek wordt deze boeiende film méér dan de zoveelste nostalgische popdocu, waarin met alle egards een klassiek album wordt afgestoft. Hoewel Boonman natuurlijk niet de verleiding kan weerstaan om te eindigen met het absolute prijsnummer Instant Street, dat ook twintig jaar na dato, met behulp van de choreografie en dansers die destijds glorieerden in de uitzinnige videoclip, gewoon voor een zinderende apotheose zorgt.

Over bands en hun blijvende betekenis…

White Cube

Mokum

In zijn controversiële film Episode III: Enjoy Poverty uit 2008 spoorde beeldend kunstenaar Renzo Martens arme Afrikanen aan om hun persoonlijke misère te veranderen in een geslaagd verdienmodel. Dat deed de rest van de wereld – van hulporganisaties tot oorlogsfotografen – immers ook. En dus legde de Nederlander, ogenschijnlijk met sardonisch genoegen, bijvoorbeeld uit aan lokale fotografen in Congo hoe ze de ellende om hen heen zo gedetailleerd mogelijk konden vastleggen. Zodat die optimaal effect zou sorteren.

Martens’ nieuwe film White Cube (77 min.) is een logisch vervolg op die ontregelende exercitie, maar minder cynisch getoonzet. Plaats van handeling is een palmolieplantage in Congo, die al ruim een eeuw wordt gerund door de multinational Unilever. De plaatselijke medewerkers verdienen er nauwelijks een dollar per dag, terwijl het Brits-Nederlandse concern wereldwijd enorme omzetten draait. Een deel van dat geld wordt vervolgens, in goede koloniale traditie, ingezet om gerenommeerde musea in het westen te sponsoren. 

Dat kan en moet anders, constateert de steevast in smetteloos wit gestoken Martens, die daardoor oogt als een ouderwetse witte imperialist. Hij richt samen met voormalige werknemers van de plantage de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC) op, om de lokale economie een serieuze push te geven, Van rivierklei gaan zij beelden boetseren, waarvan vervolgens met 3D-technologie een chocolade replica wordt gemaakt. Wat chocola überhaupt is, moet Martens ze dan nog wel even uitleggen. Beter: hij laat het ze proeven. In een wrange scène verdeelt hij ‘de zoete verleiding’ onder de Afrikanen. Dus dit eten ze in het rijke westen?

De commerciële opzet van de hele onderneming laat onverlet dat die wel degelijk betekenisvol werk oplevert. Het beeld dat een deelneemster maakt van hoe een man in de struiken ruw een vrouw verkracht, gebaseerd op een daadwerkelijke ervaring van de maakster, is even expliciet als pijnlijk. De inspanningen van CATPC vinden ondertussen hun weg naar een New Yorks museum, waar de Afrikaanse kunstwerken met groot enthousiasme worden onthaald. Met het geld dat zo wordt verdiend, kunnen ze thuis een eigen kunstcentrum bouwen, een zogenaamde ‘white cube’, en hun land terugveroveren op de kolonisator.

Die strijd zonder wapens – of het moeten creativiteit en koopmansgeest zijn – maakt dat deze documentaire aaibaarder is dan zijn provocerende voorganger. Enigszins conventioneler ook. Tegelijkertijd stelt Renzo Martens wederom ongemakkelijke vragen, over zijn eigen werkterrein nota bene, die niet zomaar van een sluitend antwoord zijn te voorzien. Als een slager die rücksichtslos in eigen vlees durft te snijden.

Here We Move, Here We Groove

Doxy

‘Kijk, we hebben nog steeds sporen van onze oorlog’, zegt Robert Soko tegen de Afghaanse vluchteling Ferdows terwijl hij naar een waarschuwingsbord wijst. Hij leest: ‘Pas op, mijnen.’ De jongen is na een tocht van achttien maanden voorlopig in Bosnië gestrand, maar droomt van een toekomst in Soko’s huidige thuishaven Berlijn.

Robert Soko weet wat het is om te vluchten. In ‘de verdoemde jaren negentig’ liet hij zelf de Joegoslavische burgeroorlog achter zich, om een nieuw bestaan op te bouwen in Duitsland. Hij werd er eerst taxichauffeur en later deejay. In den vreemde herontdekte Soko zijn eigen muzikale wortels en stond zo aan de basis van wat dansvloeren in heel Europa hebben leren kennen als Balkan Beats.

Gaandeweg is hij volgens eigen zeggen zijn honger echter kwijtgeraakt. Het succes werd eerst vanzelfsprekend en ebde vervolgens weg. Soko werd blasé en moet weer gaan jagen, vindt hij. Die gedachte heeft hem teruggebracht naar het land waar zijn Servische moeder nog altijd woont, z’n Kroatische vader begraven ligt en migranten dromen van een toekomst in Europa.

En daar, te midden van de restanten van de oorlog die hen ooit verscheurde, ontmoet hij hongerige nieuwkomers als Ferdows, een jongen die rapt en human beatboxt alsof zijn leven ervan afhangt. Daarmee zet hij tevens de luiken open bij Robert Soko, die in al die invloeden – of ze nu afkomstig zijn uit Syrië, Griekenland of Palestina – een pad naar nieuwe Europese muziek ontdekt.

Here We Move, Here We Groove (55 min.) is de fraaie weerslag van dat proces, een gefühlvolle muzikale roadtrip door een continent dat opnieuw wordt gedefinieerd. Zoals ook Soko zelf een remonte doormaakt (en thuis zijn multiculturele gezin bijeen probeert te houden). Culturele recycling noemt hij dat in deze overtuigende film van Sergej Kreso. Met de dansvloer als enige oorlogsgebied.

Laat ze maar verbinding maken, zegt hij er met de nodige bravoure bij, als al die buitenstaanders hun ervaringen, achtergrond en muziek vermengen en een nieuwe, gezamenlijke identiteit vinden, ergens tussen oost en west, op de grens van de beide Berlijnen. Een nieuwe Europese (muziek)taal, die ook nog eens swingt als een tiet.

Famke Next

Videoland

Met haar desastreuze optreden bij de talkshow Jinek, waarin ze onbeholpen de anti-Corona actie #ikdoenietmeermee probeerde te verdedigen, gaf de Nederlandse zangeres en YouTube-ster Famke Louise half Nederland, waaronder haar vaste haters, de kans om ongegeneerd de strontkar over haar uit te rijden. Kort daarna volgde een openbare boetedoening. Een maand later is er alweer de driedelige docuserie Famke Next (95 min.), het vervolg op Famke Louise, De Documentaire uit 2018. Het is de vraag of die gunstig uitpakt voor ‘the babe you love to hate’ – hoewel ze oprecht haar best doet om zich daarin te presenteren als een heel gewoon meisje van begin twintig: Famke Meijer.

Een meisje met allerlei problemen, dat wel: met haar moeder Marja, met haar nicht/huisgenoot Yvonne en met zo ongeveer haar complete professionele entourage, waaronder de rappers Bizzey en Ali B. Documentairemaakster June te Spenke stond er in het afgelopen jaar bovenop en legde alle twijfels, frustraties en ruzies van akelig dichtbij vast met haar camera. ‘Soms voel ik mezelf niet mezelf’, verzucht Famke op een gegeven moment. Of: ‘Zelfs mijn eigen moeder onderschat mij.’ En, tijdens een ruzie met diezelfde ouder: ‘Ik heb hier ook gewoon geen zin in, als-je-blieft, en ik wil ook niet dat dit in de docu komt.’

Het fragment zit natuurlijk wél in Famke Next, een even exhibitionistische als onevenwichtige miniserie. Want niets lijkt daarvoor te privé of ongemakkelijk. De geregistreerde gebeurtenissen roepen regelmatig de vraag op of er nu echt niemand in Famkes directe omgeving is die zegt: zet dat ding eens uit. Of beter: leg hem gewoon weg. Als ze op bezoek gaat bij de oud-buurman van haar vader, acteur Hugo Metsers, om meer zicht te krijgen op de ware toedracht van diens (zelfverkozen?) dood, wordt bijvoorbeeld ook dat heel kwetsbare moment rücksichtslos opgetekend. Inclusief het verdriet en de verwarring naderhand.

Uiteindelijk lijkt alles, ook voor de hoofdpersoon zelf, gewoon materiaal. Of het nu ruw, intiem of pijnlijk is. Het echte leven zogezegd, of op zijn minst de (social) media-versie daarvan. Een ontzettend schrijnende selfie. Associatief gemonteerd en verbonden met gestileerde sequenties van het ongenaakbare jeugdidool Famke Louise. En daarachter schuilt dus een gewoon – en gewond – meisje dat wil communiceren wat haar echt, écht, beweegt. Waarbij zo langzamerhand toch ook de vraag op tafel komt of ze, om Britney Spears-achtige taferelen te voorkomen, in bescherming moet worden genomen tegen zichzelf.

Maar wie heeft daar belang bij in tijden van Corona, als de entertainmentsector alle zeilen bij moet zetten om te overleven? Zou Famkes debuutalbum Next, een jaar geleden al aangekondigd, nu misschien dan toch echt in aantocht zijn? Jawel hoor. Het lijken perverse prikkels voor nóg meer openbaar uitgevent drama – en, wie weet, serieuze brokken.

AC/DC: Let There Be Rock

Nee, dit is geen poging om het raadsel van AC/DC te doorgronden, de Australische rockband die nu al een halve eeuw immens populair is en zojuist weer een nieuwe variant op steeds hetzelfde album (ditmaal Power Up genaamd) heeft uitgebracht.

Geen profiel ook van de familie Young. Van stergitarist Angus en de schromelijk onderschatte riffmeister Malcolm, hun oudere broer en producer George en neefje Stevie (die de gitaar in 2014 heeft overgenomen van Malcolm, toen die begon te dementeren).

Geen onderzoek naar de dood van hun eerste zanger Bon Scott in 1980, een zorgvuldige ontleding van diens liederlijke 33-jarige bestaan of een eerbetoon aan zijn onverwoestbare ‘vervanger’ Brian Johnson, nu al veertig jaar de frontman van de groep. 

Geen doodgewoon carrière-overzicht met alle nog levende bandleden (onder wie de onlangs weer teruggekeerde drummer Phil Rudd, die al z’n problemen met de wet achter zich hoopt te laten), producers, managers, pophotemetoten en de verplichte bekende fans.

En zelfs geen volwaardige tourfilm, waarin de band eindeloos in een aftands busje van stad naar stad reist, in Nowhereville elke pan van het dak speelt en zich daarna overgeeft aan alle excessen die we tegenwoordig associëren met rock & roll.

Natuurlijk, AC/DC: Let There Be Rock (98 min.), een film van Eric Dionysius en Eric Mistler uit 1980, bevat korte intermezzo’s, zoals een race tussen de snelle bolide van drummer Phil Rudd en een vliegtuig met bassist Cliff Williams aan boord op een besneeuwd grasveld, Bon Scott die met de gebruikelijke bravoure poseert op een bevroren meertje en een in zijn eentje voetballende Malcolm Young met een tamelijk tragische fles bier in de hand. En, oh ja, zijn jongere broer tekent verdienstelijk.

Er zijn ook nog wat totaal nietszeggende kleedkamerinterviewtjes tussen geplempt. Waarin de bandleden, gewone jongens zonder uitgebreide filosofie of doordacht verhaal, de interviewer met een kluitje in het riet sturen en zijn ongemakkelijke vragen over Angus in zijn schoolkostuum, vrouwen, seks, zuipen en, jawel, de Derde Wereldoorlog van een beleefd antwoord voorzien.

Het heeft allemaal verdacht weinig om het lijf. Net als Angus Young trouwens, nadat hij op 9 december 1979 in Pavillon de Paris zijn welbekende striptease heeft uitgevoerd en van een schooljongen is veranderd in een volwassen vent – van anderhalve meter, dat wel – die héél even zijn achterwerk heeft laten zien. Ze kunnen allemaal zijn, pardon my French, reet kussen. Zoals vrijwel alle andere rockgitaristen tegelijkertijd zijn schoenveters nog niet mogen strikken. Behalve Malcolm dan.

Dit is eerst en vooral een harde, zweterige, theatrale, grappige en buitengewoon opwindende momentopname van één van de allerbeste rockbands die deze aardkloot ooit heeft mogen aanschouwen. Vanaf het podium, waarop ze gezamenlijk excelleren. Met Bon als de ultieme cocky frontman, een glorieus rockende én rollende ritmetandem en twee continu oerriffs en extatische solo’s opboerende meestergitaristen (waarvan de jongste tussendoor even aan de zuurstoffles moet). Als een bulldozer in overdrive met een onvervalste ‘no one gets out alive’-mentaliteit denderen ze over alles en iedereen heen.

Let There Be Rock, juist.

AC/DC: Let There Be Rock is hier te bekijken.

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon

NTR

Hij is een grote man. Letterlijk. En figuurlijk. Groter dan hij zelf waarschijnlijk in de gaten heeft. En blijkbaar was dat in de jaren zeventig – toen hij eind twintig was, theatervoorstellingen regisseerde en de Theaterschool & Kleinkunstacademie in Amsterdam runde – ook al zo. Dat verleden heeft Ruut Weissman enkele jaren geleden ingehaald. Hij werd, zoals hij dat zelf zegt, ‘meegenomen in die #metoo-storm’ en lijdend voorwerp van enkele pijnlijke publicaties.

‘Je wilt niet weten wat dat voor een impact heeft’, vertelt Weissman aan documentairemaakster Judith de Leeuw, die met hem een theatervoorstelling over de kwestie gaat maken en het maakproces daarvan wil vastleggen in een film. ‘Daar wil ik ook helemaal niet zielig over doen, maar dat is wel wat het is. Ik heb echt overwogen om voor de trein te springen op een gegeven moment.’

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon (78 min.) start met diezelfde voorstelling, Priviliged Man, een monoloog van actrice Harriët Stroet, die ook zo haar #metoo-ervaringen heeft. ‘Ik heb bedacht dat ik hem nog een keer wil spreken’, zegt ze, alleen op het podium. ‘Ik heb hem benaderd en hij heeft zonder aarzelen ingestemd. De ontmoeting vindt plaats in een oude tuin van een grachtenhuis. In dat grachtenhuis was de school gevestigd, toen. Hier ben ik – kan ik dat zeggen? – gelukkig geweest en ook gewond geraakt.’

Als de thematiek van de voorstelling, en daarmee ook van deze documentaire, helder is neergezet, introduceert De Leeuw haar hoofdpersonage. Ze probeert hem tevens te regisseren, voorwaar geen sinecure. De spanning tussen de filmmaakster en haar protagonist – en eerder al tussen docent en student en later in de film tussen regisseur en actrice – vormen het hart van dit broeierige portret van Weissman, een overheersende man, een explosief heerschap en – soms – een aandoenlijk jongetje.

Via alle aanvaringen, toenaderingspogingen en (bijna)liefdesverklaringen, die parallel zijn gemonteerd met delen uit de voorstelling waaraan ze werken, openbaart zich een gepassioneerde kerel met een aanzienlijke geldingsdrang, ‘al was het alleen maar om mijn moeder te laten zien dat ze niet voor niets de kampen heeft overleefd’. Een alfaman, aimabel ook, die volgens eigen zeggen niet doorhad welke positie hij had. In een tijd ook, waarin dat nog best vanzelfsprekend was.

Doordat Judith de Leeuw hem in al zijn complexiteit probeert te laten zien, wordt Ruut Weissman – De Hoofpersoon een waardevolle aanvulling op alle #metoo-documentaires vanuit slachtofferperspectief, die demonstreert hoe verschillend mensen, afhankelijk van hun eigen rol daarin, dezelfde werkelijkheid kunnen beleven. Én een intense, spannende en toch ook dappere film over zo’n man, die groter lijkt dan goed voor hem (en anderen) is.

Ruut Weissman – De Hoofdpersoon is hier te bekijken.

Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice

NTR

Ze is een geboren performer, met een geweldig stembereik. Hoewel Linda Ronstadt zelf geen liedjes schrijft, heeft de Amerikaanse zangeres een geheel eigen signatuur. Tenminste, dat zeggen mensen die het kunnen weten in Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice (91 min.). Ze luisteren naar namen als Dolly Parton, Bonnie Raitt, Ry Cooder, Don Henley, Jackson Browne, JD Souther, Aaron Neville en Emmylou Harris en bivakkeerden stuk voor stuk naast Ronstadt terwijl die op het podium of in de studio de sterren van de hemel stond te zingen.

Deze tamelijk routinematige popbio van Rob Epstein en Jeffrey Friedman laat ook nog popprofessionals aan het woord die jarenlang een boterham aan Ronstadt hebben verdiend, zoals platenbaas David Geffen, popjournalist Robert Hilburn en producer John Boylan. Stuk voor stuk lichten ze een tipje van de sluier op van de zeer wendbare zangeres Linda Ronstadt, die met name in de jaren zeventig en tachtig immens succesvol was en tegenwoordig in de luwte leeft.

De vrouw zelf heeft slechts weinig woorden nodig en laat, in steeds wisselende gedaanten en stijlen, horen wat ze zoal in haar mars heeft – waarbij hits als You’re No Good, It’s So Easy en Don’t Know Much (met Aaron Neville) natuurlijk niet (mogen) ontbreken. Het interessantst wordt dit portret als Ronstadt op latere leeftijd echt een eigen koers begint te varen en daarbij ook onverwachte afslagen, richting operette en traditionele Mexicaanse muziek bijvoorbeeld, besluit te nemen. Zo bouwt ze niet alleen een succesvolle, maar uiteindelijk ook een eigenzinnige loopbaan op, die hier nauwgezet en met veel aandacht voor de muziek wordt doorgenomen.

Stuffed

VPRO

Taxidermisten doen het niet omdat ze iets doods zien, maar omdat ze leven zien, zegt één van de hoofdpersonen in de openingsscène van Stuffed (81 min.). En in dat kader zetten deze gedreven ambachtslieden dus gestorven dieren op. Een baan met een ronduit macaber imago. ‘Als je een meisje wilt versieren en je zegt dat je taxidermist bent dan krijg je wel rare reacties’, vertelt Jordan Hackle, een vrolijk ogende jongeman, over hoe mensen reageren op zijn beroep. ‘Ben je taxichauffeur? Wat griezelig. Of ze liegen en zeggen dat ze het niet eng vinden. Ondertussen denken ze dat ik een seriemoordenaar ben.’

Regisseur Erin Derham portretteert in deze verzorgde documentaire enkele taxidermisten, die binnen hun stiel zowel kunstenaar als naturalist proberen te zijn. Hun werk wordt geëxposeerd in een (natuurkundig) museum, ligt in de winkel of wordt beoordeeld tijdens een wedstrijd. De werkwijze van de vakidioten loopt uiteen van zuiver wetenschappelijk, een zo natuurgetrouwe replica maken van een bestaand dier, tot uitgesproken kunstzinnig. Zo spelen de Nederlanders Ferry van Tongeren en Jaap Sinke, afkomstig uit de reclamewereld, bijvoorbeeld rustig voor God en helpen, in het kader van storytelling, de natuur een handje, bijvoorbeeld door de vervaarlijke tanden van een tijger een heel klein beetje te vergroten.

Met veel oog voor detail, een expressieve soundtrack en aandacht voor de historische context belicht Derham alle facetten van een bijzonder beroep, waarbij de schoonheid en het belang van taxidermie, volgens de beoefenaars de beste manier om natuurhistorie te bewaren, voorrang krijgen op de onsmakelijke beelden die menigeen wellicht met het vak associeert. Stuffed opent zo een prachtige wereld, waarin de tijd even stilstaat en uiteindelijk, voor een film van bijna anderhalf uur, ook relatief weinig gebeurt. Dit diorama, een zorgvuldig geconstrueerd stilleven van taxidermisten in hun biotoop, dwingt z’n kijkers om even halt te houden en de pure schoonheid van (gecreëerde) natuur op zich in te laten werken.

The Way I See It

Op 20 januari 2017 veranderde zijn leven. Hij zwaaide af, samen met zijn baas. Die maakte plaats voor een ander. Pete Souza was acht jaar lang de officiële Witte Huis-fotograaf geweest tijdens het presidentschap van Barack Obama. En daarvoor, omdat hij geen politieke scherpslijper was, ook de vaste fotograaf van de Republikein Ronald Reagan (1981-1989).

Souza beschouwt zichzelf vooral als een ‘historicus met een camera’, zegt hij in The Way I See It (101 min.), een film van Dawn Porter die uitgroeit tot een soort lofzang op Barack Obama, de leider die hem vrijwel ongelimiteerd toegang gaf tot zijn leven en werk. Daarmee wordt deze doeltreffende documentaire tevens een diskwalificatie van diens opvolger Donald Trump, die zijn fotografen alleen laat opdraven voor georkestreerde momenten.

Eerst vooral impliciet: door simpelweg te laten zien hoe consciëntieus Obama zijn werk deed en hoe betrokken hij was bij zijn land en mensen, niet in het minst bij Pete zelf (die bijvoorbeeld mocht trouwen in de Rose Garden van het Witte Huis, waarbij Obama zelf als gastheer optrad). En later heel expliciet: als de fotograaf zich openlijk begint uit te spreken tegen Trump en een populair Instagram-account opent om te laten zien hoe een president zich in zijn ogen behoort te gedragen.

‘A different kind of wall’, schrijft hij bijvoorbeeld bij een foto van Obama, die een vlinder schildert op een Wall Of Hope met een afbeelding van Martin Luther King. Of: ‘Here’s how you’re supposed to deal with the Russian president’, bij een verhitte discussie tussen Poetin en Obama. @petesouza verdient er de bijnaam The King Of Shade mee. Het betekent een enorme ommezwaai voor de man, die zich daarvoor altijd achter de schermen ophield en onzichtbaar zijn werk deed.

Souza heeft nu een bundel gemaakt van die venijnige Insta-posts: Shade: A Tale Of Two Presidents. Hij hoopt oprecht dat het boek zijn waarde verliest op 20 januari 2021, als er weer een president wordt beëdigd. En dan verdwijnt Pete zelf opnieuw in de anonimiteit.

Bruce Springsteen’s Letter To You

Apple TV+

Zonder de waarheid geweld aan te doen kun je dit een simpele ‘making of’ noemen. Van een bandje dat (weer) een nieuwe plaat opneemt. Je kent het wel: oude mannen met jonge hondenenergie, bakkeleiend over de juiste songstructuur of take en intussen gouden herinneringen ophalend.

Dit is alleen wel het bandje van Bruce Springsteen: The E Street Band. Met Stephen ‘Little Stevie’ van Zandt! Bruce’s echtgenote Patti Scialfa! En, tromgeroffel, Mighty Max Weinberg! Zonder de twee die hen ontvielen, dat wel: Danny Federici! En, niet te vergeten, Clarence ‘Big Man’ Clemons!!

Diens neef Jake en zijn saxofoon zijn overigens wél van partij als dat bandje, voor het eerst sinds – herinnert u zich deze nog-nog-nog? – Born In The USA (1984) live een nieuwe langspeler gaat opnemen: Bruce Springsteen’s Letter To You (85 min.).

Daarop is een bandje te horen dat er, als in z’n allerbeste jaren, onvervalste Bruce Springsteen & The E Street Band-songs uitperst. ‘An album that could be no more Springsteen-esque without sounding like self-parody’ stelde de Britse krant The Guardian heel treffend.

Volgens Bruce zelf, in één van de voice-overs waarmee hij de verschillende songs met elkaar verbindt, is het tevens een eerbetoon aan dat bandje zelf. Na de autobiografie Born To Run, de bijbehorende Broadway-uitvoering en de registratie daar weer van is hij opnieuw in een contemplatieve bui.

‘A rockband is a social unit based on the premise that all of us together are greater dan the sum of our individual parts’, klinkt ‘t gedragen. ‘While, in our band, the songs and individual vision are mine, the physical creation of that vision into a real-world presence belongs to all of us.’ Korte stilte: ‘We are a band.’

Vanuit een knusse studio in besneeuwd New Jersey legt Springsteens vaste huisfilmer Thom Zimny ondertussen in zwart-wit de hernieuwde bromance van Bruce en zijn mannen (en vrouw) vast, waarbij het gezelschap zich ook nog drie Springsteen-songs van bijna een halve eeuw geleden toe-eigent.

Verleden en heden, tevens vervat in archiefbeelden van The Boss en zijn koempels, vloeien zo weldadig samen in een weemoedige film over de kracht van rock & roll, oneindige vriendschap en ‘finding your better angels’.

Alsof dit de aller-aller-allerlaatste keer is. Voor Bruce en z’n bandje.

Harry Mulisch: Schepper Van Zichzelf

Harry Mulisch in zijn werkkamer naar aanleiding van een interview voor de Belgische krant De Standaard / C: Michiel Hendryckx

‘Hij is er, maar hij is er ook héél erg niet’, constateert Adriaan van Dis in de voormalige werkkamer van wijlen Harry Mulisch (1927-2010). Dat is een soort mausoleum geworden. ‘Ik geloof niet aan de dood’, beweert de bewierookte schrijver zelf in een interview. ‘Dood ben je alleen voor de omstanders. Ik zal nooit naar waarheid de zin kunnen uitspreken: ik ben dood.’

Hij is natuurlijk wel degelijk kassiewijlen, de man die jarenlang de Nobelprijs voor de Literatuur níet won. Harry Mulisch: Schepper Van Zichzelf (56 min.). Hij kijkt zogezegd nu al tien jaar op ons, doodgewone stervelingen, neer. Zoals hij ook bij leven en welzijn regelmatig deed. Met intimi probeert Coen Verbraak nog eenmaal het fenomeen Mulisch te pakken te krijgen.

‘Hij moest zich als jongetje en opgroeiend kind uitvinden.’ (biograaf Robbert Ammerlaan)

‘Altijd de juiste woorden.’ (collega Remco Campert)

‘Hij dacht dat ie precies wist hoe de wereld in elkaar zat.’ (schrijver/presentator Adriaan van Dis)

‘Een zekere mate van genialiteit.’ (beeldend kunstenaar Jeroen Henneman)

‘Hij was onbenaderbaar.’ (Jeroen Krabbé, regisseur van de film The Discovery Of Heaven)

‘Aardiger tegen honden dan tegen vele mensen.’ (schrijver Cees Nooteboom)

‘Een introvert iemand.’ (vriend Julius Roos)

‘Hij was altijd in zijn eigen bubbel.’ (dochter Anna Mulisch)

 ‘Het leek alsof hij de dood met open ogen tegemoet wilde treden.’ (echtgenote Kitty Saal)

‘Hij kon niet meer spreken, maar hij zag ons nog. Met zijn ogen ging hij ons af en nam op die manier afscheid.’ (Marcel van Dam, vriend en lid van ‘De Herenclub’)

In deze interessante tv-docu, die voor een groot deel uit gesproken woord en pratende hoofden bestaat, krijgt De Grote Mulisch beslist niet alleen lof toegezwaaid, maar in het algemeen wordt de schrijver wel met alle egards benaderd. Niet als de overcompenserende, egocentrische en wellicht ook wat contactgestoorde man, die je met enige afstand ook in hem zou kunnen zien.

En dan is er ook nog prachtig archiefmateriaal. ‘De naam is Mulisch en ik schrijf boeken’, zegt de gevierde auteur bijvoorbeeld tegen een medewerker van een taxibedrijf die maar niet op zijn naam kan komen. ‘Zo zit het in elkaar.’ Waarna de man hem enthousiast bij de chauffeur introduceert. ‘Nou, Dirk, je krijgt meneer Mulisch, de Nobelprijs-winnaar van de vrede geloof ik, mee.’

Waarmee die pompeuze schrijver even, onbedoeld, op zijn plek wordt gezet. Waarna hij in dit eerbetoon zijn zelfgebouwde troon weer mag beklimmen. Als, zeker in zijn eigen ogen, De Grootste van De Grote Drie van de Nederlandse literatuur (Hermans, Mulisch en Reve), die alleen alsmaar minder worden gelezen.

Phil Lynott: Songs For While I’m Away

Piece Of Magic

Achter het podiumbeest, dat moeiteloos alle aandacht naar zich toetrok, ging een verlegen joch schuil. Een half-zwart joch bovendien. Vroeger, in Dublin, scholden ze hem uit voor ‘Blackie’. Toen hij halverwege de jaren zeventig wereldberoemd werd als frontman van de rockband Thin Lizzy, had Phil Lynott echter allang alle schroom afgeworpen. Hij was een archetypische rockster geworden, met een voorliefde voor mooie vrouwen, feesten en drank en drugs. En dan laat de afloop van het verhaal zich doorgaans wel raden…

De biografie Phil Lynott: Songs For While I’m Away (113 min.) reconstrueert het turbulente leven van de charismatische Ierse zanger/bassist met een hele berg archiefmateriaal, dat door regisseur Emer Reynolds is voorzien van sjieke vormgeving en met de nodige bravoure tot een krachtige vertelling wordt gemonteerd. De bijbehorende inkijkjes en anekdotes komen van een afgewogen lijst sprekers; van de verplichte beroemde fans (zoals Metallica-zanger James Hetfield, Suzi Quatro en Adam Clayton, de bassist van U2) tot Lynotts voormalige kompanen in de verschillende incarnaties van Thin Lizzy. En ook zijn eerste vriendin, vrouw Caroline en inmiddels volwassen dochters Sarah en Cathleen ontbreken niet.

Philip Lynott (1949-1986) zelf komt zo nu en dan ook aan het woord via een persoonlijk audio-interview. Verder is het, zoals gebruikelijk in dit soort hommages aan een gevallen popheld, toch de muziek die het ‘m moet doen. Opwindende concertbeelden genoeg. En enkele songs waarmee de tijd die hijzelf nu al weg is moeiteloos kan worden overbrugd, zoals Dancing In The Moonlight, Jailbreak en – natuurlijk! – het jonge honden-anthem The Boys Are Back In Town. Sinds 2005 staat er in het centrum van Dublin al een standbeeld van de stoere rocker met de romantische inborst. Dertig jaar na zijn dood is er met dit stevige portret nu ook een ‘moving statue’ voor de enige echte Phil Lynott opgericht.

Bibian Mentel: Leef

Videoland

‘Vroeger was ze dwars, nu is ze ook nog laesie’, grapt echtgenoot Edwin over snowboardkampioen Bibian Mentel, die al jaren een gevecht op leven en dood levert met kanker. Sinds enige tijd zit ze ook in een rolstoel. Het verhindert haar niet om in het najaar van 2019 deel te nemen aan Dancing With The Stars. ‘Dit is mijn overlevingsstrategie’, zegt ze daar zelf over in deze persoonlijke tv-docu.

In het ziekenhuis, wachtend op alweer een uitslag, verbaast Mentel zich over het feit dat ze zelfs de finale van het televisieprogramma heeft gehaald. Even later krijgt ze van haar arts zorgwekkend nieuws. Dat heeft ook weer gevolgen voor de finale trainingen. Extensie van de rug moet volgens hem worden voorkomen. ‘Je wilt geen calamiteit hebben op de dansvloer daar’, klinkt het eufemistisch.

In Bibian Mentel: Leef (55 min.) volgt regisseur Jesse Bleekemolen Mentel, haar man Edwin en zoon Julian gedurende een periode waarin de eindigheid van haar leven steeds nadrukkelijker in zicht komt. Een portret dat direct heftig begint. In de openingsscène doet een huilende Mentel haar echtgenoot in een persoonlijke videoboodschap een belofte: ‘Ik beloof jou dat ik zal knokken.’

Dat zal ook het parool van deze documentaire worden – en een sleutel om haar leven te begrijpen. ‘Wat niet kan, dat kan niet’, zegt een begeleider van Dancing With The Stars bij de start van het programma bijvoorbeeld tegen de vrouw, die er dan nog aan moet wennen dat ze voortaan in een rolstoel zit. ‘Whoa, ik zal je laten zien wat ik kan!’ reageert Mentel vol bravoure.

Daarmee wordt Bibian Mentel: Leef, net als eerder Nada’s van Nie’s docu Marc de Hond: Tot De Dood Ons Scheidt, een uiterst toegankelijk eerbetoon aan mensen die – om de terminologie van de eveneens verwante Gouden Televizier-Ring winnaar Over Mijn Lijk te hanteren – ‘niet rustig willen wachten op de dood en er juist nog een mooie tijd van proberen te maken’.

Waarbij de kijker zich verwondert over de hoeveelheid moed van de hoofdpersoon, al dan niet stiekem met haar een traantje wegpinkt en zich tegelijkertijd ook een héél klein beetje een voyeur voelt.

Dichterbij

EO

‘Dames, ik ben de dakloze dichter van Amsterdam’, zegt Hilmano van Velzen tegen de twee vrouwen voor wie hij net in een winkelcentrum in Almere vol vuur een gedicht heeft voorgedragen. Hij ziet er opvallend uit: een Surinamer in een schreeuwerige bontjas, met een zwarte capuchon op en behangen met opzichtige kettingen. Hij neemt de complimentjes in ontvangst en schakelt dan door: ‘En ik ben op zoek naar mijn vader. Die heb ik jaren niet gezien.’

Die vader is een steeds terugkerend thema in de gesprekken met de straatpoëet, voor wie de stad een soort huiskamer is geworden. Ze zijn ooit, ergens, gebrouilleerd geraakt en Hilmano kan dat nog altijd niet verkroppen. Samen met zijn vriendin Iris probeert hij Dichterbij (25 min.) de man te komen, die dat contact blijkbaar al een hele tijd afhoudt. En dichter bij de jongen die hij ooit moet zijn geweest.

De dakloze dichter is ook wel een opvallend portret. Al ruim 35 jaar struint hij door zijn stad (‘liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen’) en brengt hij zijn poëzie aan de man. Een geboren performer, dromend van z’n grote doorbraak. Er staat inmiddels ook een gedichtenbundel op stapel. Binnen drie maanden denkt Hilmano er zeker een miljoen van te kunnen verkopen. Alleen in Nederland, welteverstaan. ‘En dan die hele merchandise erbij!’

Die overmoed staat vast niet helemaal los van de harddrugs die hij, ook voor de camera, gebruikt in deze intrigerende korte film van Caroline Keman. Want soms kan zijn stemming ineens helemaal omslaan, ook in de relatie met Iris. Het maakt van hem ongetwijfeld een moeilijke en onvoorspelbare man, maar ook een fascinerend documentaire-personage. Zo’n man waar je, met een mengeling van plezier, irritatie en compassie, maar naar blijft kijken.

Keman doet dat met een onmiskenbaar gevoel voor sfeer en compositie. Dichterbij wordt daardoor een hallucinante film, die stiekem onder de huid kruipt. Over een man die met veel bravoure paradeert over het slappe koord tussen genie en gekte, waar hij elk moment vanaf kan donderen. ‘Ik heb niet overal antwoorden op, hè?’ zegt hij zelf. ‘Ik weet alleen dat de poëzie op het juiste moment in mijn leven is gekomen en dat het heelt en dat het verzacht. En dat de dromen die ik altijd had niet voor niets zijn geweest.’

Dichterbij is (tussen 20.00 uur en 6.00 uur) hier te bekijken.

Ai Weiwei: Never Sorry

United Expression Media

‘Kunnen we je moeder bezoeken om haar naar jou te vragen?’ wil de interviewer weten. Dat lijkt Ai Weiwei geen goed idee. ‘Ze is oud. Zoals zij naar me kijkt, zo ben ik niet.’ De Chinese kunstenaar en activist denkt even na. ‘Ik heb een idee: misschien kun je een willekeurige vrouw vragen om mijn moeder te zijn. Dat lijkt me prima. Vraag haar naar haar eigen zoon en vul dan mijn naam in.’ Het is Ai Weiwei ten voeten uit: tegendraads, in your face en met geheel eigen humor

Even later komt Gao Ying, Ai Weiweis echte moeder, niettemin gewoon binnen. ‘Ik ben heel trots, want hij spreekt zich uit voor de gewone burger’, stelt ze. ‘Maar ik zou willen dat hij alleen kunstenaar was. Één persoon kan nooit de problemen van een heel land oplossen.’ Tegen haar zoon, die al enige tijd op ramkoers ligt met het Chinese bewind, zegt ze. ‘Ik lig elke nacht wakker. Ik maak me zo’n zorgen dat ze je keihard gaan aanpakken.’ Hij reageert ogenschijnlijk stoïcijns. ‘Als ze me willen pakken, dan doen ze dat. Daar hebben we geen vat op.’

Ai Weiwei steekt zijn verbolgenheid over het Chinese regime, vervat in een foto met opgestoken middelvinger op het Tiananmen-plein, in elk geval niet onder stoelen of banken en probeert bovendien de onderste steen boven te krijgen in de kwestie rond de verpletterende aardbeving in Chengdu, waarbij tienduizenden doden vielen. Ook daarmee maakt hij geen vrienden. In de documentaire Ai Weiwei: Never Sorry (91 min.) uit 2012 wordt tastbaar hoe hij zich zo in een hoek van de kamer schildert. Trammelant met de autoriteiten is onvermijdelijk. En die komt er dan ook.

Regisseur Alison Klayman, die Ai Weiwei twee jaar filmde, belicht daarnaast met familieleden, collega’s, activisten en kunstkenners zijn achtergrond, persoonlijk leven, periode in New York en meest spraakmakende projecten, zoals het schilderen van een Coca Cola-logo op een antieke vaas en het voor de camera kapot smijten van een kostbare urn uit de tijd van de Han-dynastie. Kunst waarmee hij ‘the talk of town’ werd, maar zich ook ontwikkelde tot doelwit voor een regime dat van zijn onderdanen weinig strapatsen, en al helemaal geen openlijke tegenspraak, duldt.

‘Hij moet zichzelf echt beschermen, want hij is zo belangrijk’, meent collega-kunstenaar Chen Danqing in deze sprankelende film. ‘Ik weet heel goed hoe het hier gaat. Uiteindelijk proberen ze je te vernietigen. Dan zou hij weg zijn. En dat zou een enorm verlies betekenen.’ De man in kwestie reageert in stijl. ‘Wat kunnen ze me doen?’ tweet Ai Weiwei onverschrokken. ‘Niets anders dan deporteren, kidnappen en gevangenzetten of me gewoon helemaal laten verdwijnen.’

Drama Girl

Halal

In haar fictieve ouderlijk huis ontmoet de jonge danseres Leyla de Muynck de acteurs, Elsie de Brauw en Pierre Bokma, die zo meteen haar ouders moeten vertolken. De kennismaking is wat onwennig. Ze gaan dadelijk samen sleutelscènes uit haar leven naspelen. En geen van drieën weten ze wat dat gaat brengen.

De hele exercitie begon als een idee van regisseur Vincent Boy Kars, een Nederlandse filmmaker met een geheel eigen signatuur. Hij voerde urenlange gesprekken met Leyla (en zag in haar verhaal parallellen met zijn eigen leven), verwerkte die informatie in een script en vroeg haar vervolgens om de hoofdrol te spelen in de verfilming daarvan.

En Drama Girl (95 min.) is dan weer de documentaire die verslag doet van dat proces. Dat klinkt een stuk ingewikkelder dan het is. Kars laat De Muynck acteren in scènes die hij uit haar leven heeft geplukt en bekijkt wat er vervolgens gebeurt: lukt het haar om de toenmalige ervaring op te roepen? Wat brengt die haar? En in hoeverre heeft dat dan weer effect op de acteurs met wie ze werkt?

In zekere zin is de film, die zich op het snijvlak van fictie en non-fictie begeeft en de grenzen van beide genres aftast, een logisch vervolg op de vorige productie van Vincent Boy Kars. In Independent Boy nam hij voor een maand het leven van een goede vriend over en registreerde wat er toen gebeurde.

Ook nu stuurt de jonge regisseur als een soort filmend opperwezen de gebeurtenissen in het (nagespeelde) leven van zijn hoofdpersoon. Voor en na de opnames gaan Kars en De Muynck daar dan weer over in gesprek met elkaar en komen wezenlijke vragen uit de leef- en denkwereld van hedendaagse adolescenten, millennials, aan de orde.

Het gestileerde Drama Girl, aangekleed met fraaie danssequenties en synthesizermuziek, krijgt daardoor soms bijna de vorm van een therapiesessie, waarbij herbeleving voor een nieuw begrip van een gebeurtenis kan zorgen, maar ook navelstaarderij en psychologie van de koude grond op de loer liggen.

Een zeer eigenzinnige film dus, waarvan je gaat houden. Of niet.

Jochem Myjer – Nog Eentje Dan

NTR

Een emotionele achtbaan. Elke voorstelling weer. Nog een stuk of vijftien te gaan. Het laatste staartje van een tournee van drie jaar: Adem In, Adem Uit. Straks door bijna 400.00 cabaretliefhebbers gezien. En dan? Hoe verder?

Alles gaat op uur en tijd. Nee: móet op uur en tijd. Soundcheck, precies om zeven uur. ‘En dat is niet om vijf voor zeven of om vijf over zeven’, zegt mijn geluidstechnicus Bo. Anders raakt mijn ritme verstoord. Autistische trekjes, hè?

Elke voorstelling moet perfect zijn. Dus geen onverwachte bezoekjes meer tijdens de pauze. Komt dat plastic geluid in de coulissen trouwens van jullie camera, Suzanne? Rust heb ik nodig. Concentratie. En dan: knallen!

Ook al kan het eigenlijk niet meer. Kost dit leven simpelweg te veel. Soms ben ik zo ‘fucking moe’. Maar: ‘ik ben klaar met het ziek zijn. Met moe en niet meer fit zijn’. Ik wil doorbijten.

Ook voor al die fans. Ze zijn overal. Via social media. Gewoon privé. En na elke voorstelling. Voor een warm woordje. Geintje. En een selfie, natuurlijk. Totdat mijn kok/bodyguard Bob ‘ho’ zegt. Tien minuten. Daarna is het schluss.

Roofbouw, vindt m’n manager Robert-Jan. Ik moet eens nadenken waarom ik iedereen altijd honderd procent wil geven, vindt mijn vrouw Marloes. Het mooiste vak op aarde, vind ik zelf. Dat me steeds meer kruim kost, dat wel.

Al dagen van tevoren in een hotel. Overdag gapen en slapen. Bijkomen in het zwembad. En weg van mijn kinderen Limoni en Melle. Die natuurlijk gewoon hun eigen leven hebben. En daarover hebben we thuis soms ook best zorgen.

Na elke voorstelling – honderd in Carré! – ben ik volledig uitgewoond. Kom nauwelijks op adem. Twijfel aan mezelf. Huil in de kleedkamer. En, natuurlijk, soms is er die blijdschap. Over alwéér een zaal, hier in mijn achterzak.

Ik laat me nu bekijken. Observeren alsof ik een bijzondere diersoort ben. Suzanne Raes en de fly on the wall-camera van Victor Horstink. Ze hebben ook mijn dierbaren geïnterviewd. En stiekem, vanaf de achterkant van allerlei theaters, meegekeken tijdens mijn voorstelling.

Hier ben ik te zien als het podiumgordijn (nog) dicht is. Wat ik ervoor moet doen en laten. En hoe graag ik dat doe.

Doeioei,

Jochem Myjer

– Nog Eentje Dan (54 min.)?

QT8: The First Eight

Natuurlijk, de controverse rond de stunt van actrice Uma Thurman tijdens de opnames voor Kill Bill, die haar blijvend letsel bezorgde, komt aan de orde. En ook zijn innige samenwerking met de in opspraak geraakte filmproducent Harvey Weinstein, die ook actrices uit zíjn films zou hebben misbruikt, wordt niet geschuwd. QT8: The First Eight (97 min.) is echter eerst en vooral een liefdesbetuiging aan de filmmaker Quentin Tarantino.

De aanbeden regisseur van moderne klassiekers als Pulp Fiction, Inglourious Bastards en Reservoir Dogs komt zelf niet aan het woord. Al begint elk hoofdstuk van dit eerbetoon, dat chronologisch zijn loopbaan doorloopt aan de hand van zijn eerste acht speelfilms, wel met een quote uit een oud interview. ‘Ik steel van iedereen’, staat er bijvoorbeeld genoteerd bij aanvang van Badass Women & Genre Play. ‘Grote artiesten stelen. Ze doen niet aan hommages.’

Deze documentaire van Tara Wood bestaat voor het leeuwendeel uit fragmenten uit zijn films, die worden aangevuld met making of-beelden en scènes uit de films, televisieprogramma’s  en series die hem hebben gevormd. Het geheel wordt aan elkaar gepraat door Tarantino-getrouwen zoals Samuel L. Jackson, Michael Madsen, Tim Roth, Kurt Russell en Christopher Waltz. Zij belichten tevens subthema’s als zijn uitzinnige gebruik van klassieke popsongs, de rol van vrouwen in zijn films en de virtuoze choreografie van zijn vechtscènes.

Daarbij worden enkele kostelijke anekdotes opgedist over de man voor wie film maken een soort religie is. Enkele ervan zijn zelfs geanimeerd. Ook leuk. Intussen valt er – natuurlijk, zou je bijna zeggen – nauwelijks een onvertogen woord in dit gelikte portret. Daar moet je tegen kunnen: QT8 is een onvervalste hagiografie. Van de rechtgeaarde cinefiel die de droom van elke cinefiel ter wereld leeft.

Frida – Viva La Vida

Piece Of Magic

‘Ik ben drie kinderen en een heleboel andere dingen kwijtgeraakt die mijn verschrikkelijke leven zin hadden kunnen geven’, citeert regisseur Giovanni Troilo bij aanvang van dit portret zijn hoofdpersoon Frida Kahlo. ‘Het schilderen moest dit allemaal vervangen.’ Daarmee zou de Mexicaanse kunstenares zichzelf echter onsterfelijk maken, zo wordt nog eens onderstreept met de gestileerde documentaire Frida – Viva La Vida (93 min.)

De filmmaker maakt daarin opmerkelijke keuzes. Een verteller in beeld, bijvoorbeeld: de mysterieuze Asia Argento. Zij wordt gesecondeerd door Kahlo-kenners en kunsthistorici, die de kijker, enigszins opgeprikt, langs plekken in het hedendaagse Mexico leiden die zijn gelieerd aan de hoofdpersoon. Deze getuige-deskundigen proberen het iconische beeld van Frida Kahlo van enige nuance te voorzien. Uiteindelijk leveren ze evenwel vooral hun eigen bijdrage aan het mythologiseren van hun heldin.

Alle kernelementen uit haar opmerkelijke levenswandel passeren daarbij de revue: het dramatische ongeluk dat Kahlo’s leven veranderde, zodat er ineens twee Frida’s zouden zijn ontstaan: de feministe avant la lettre en de gevierde kunstenares. Haar ontmoeting met de vermaarde schilder Diego Rivera, die tot belangwekkende kunst en twee (!) stormachtige huwelijken zou leiden. En die ontzettend beladen beslissing in 1953, het startpunt van deze film, om haar rechterbeen te amputeren – het begin van het einde, háár einde.

Troilo lardeert zijn dramatische vertelling met passages uit Kahlo’s geschriften en zet die nog eens stevig aan met een tamelijk bombastische mixture van haar kunstwerken, archiefmateriaal, panorama’s van het hedendaagse Mexico, symbolische sequenties die de emotionele ontwikkeling van zijn protagonist moeten weerspiegelen en een dikke soundtrack. Het is allemaal wat veel, voelt soms ook wat gekunsteld en slaat uiteindelijk een beetje dood.

De Zee Die Denkt

NTR

Ik snap er niets van. En Gert de Graaff is de eerste om toe te geven dat De Zee Die Denkt (99 min.) inderdaad géén documentaire is. Niet echt, tenminste. Toch won zijn film in 2000 de Joris Ivens Award op het documentairefestival IDFA. Dat is op zichzelf een mindfuck, die perfect past bij de film. Want nee, in deze ‘documentaire’ wordt geen gruwelijke misstand in de één andere uithoek van de wereld aan de kaak gesteld, is er geen protagonist die allerlei ontberingen doorstaat om zichzelf vervolgens helemaal opnieuw uit te vinden (alhoewel?) en probeert ook niemand met nieuw bewijsmateriaal een veroordeelde vrij te pleiten. Om maar eens wat clichés op te hoesten over/van het genre, waaraan ik een groot deel van mijn leven spendeer.

Dit is een filosofische queeste naar wat het ik is, doet en kan. Denk ik. Ik dus. En of dat ik wel bestaat. Mijn ik. En hoe dan? Via onze weerspiegeling op het scherm? En wanneer? Ik? Het heeft allemaal te maken met perspectief. En daarmee speelt De Graaff, die al jaren in heel het land lessen beeldtaal geeft en op die manier voortleeft in talloze televisieprogramma’s, films en documentaires van anderen, alsof zijn leven ervan afhangt. En misschien is dat ook wel zo. Rick de Leeuw, zanger en toenmalig frontman van een band waarop ikzelf toevallig totaal verliefd was, Tröckener Kecks, zorgt voor dat perspectief. Althans, zo lijkt ‘t. De Leeuws ‘rol’ was volgens De Graaff oorspronkelijk overigens bedoeld voor Sean Connery.

Scenarioschrijver Bart, een rol van Bart Klever, heeft echter ook een hoofdrol voor zichzelf bedacht. Dat gaat ongeveer zo: ‘Ik introduceer mijzelf als hoofdpersoon en speel mijzelf’, typt Bart op het beeldscherm. ‘Bart dus. Wat hij doet dat typ ik en wat hij typt dat doe ik.’ Terwijl Bart aan het typen is, horen we een fluitketel langzaam op stoom komen. Bart typt: ’18. INT – KAMER BART – DAG. We horen de ketel in de k…’ Intussen zwerft de camera van de kamer naar de keuken, waar diezelfde Bart thee gaat inschenken. Hij fluit er een beetje bij. Tegelijkertijd zijn er nog altijd typegeluiden te horen. In beeld is nu een deel van het beeldscherm te zien, waarop de keukenscène is uitgetikt. Bart typt door: ‘Hij fluit een deuntje.’

Ik kan me voorstellen dat je, jij dus, of ook gewoon ik, nu het spoor bijster bent. Dat kan aan mij liggen. Of aan Rick. Bart. Of Gert. Niet aan Sean. Aan een ik, dat wel. Mensen lopen ermee weg of lopen erbij weg, stelt De Graaff zelf over deze film, waaraan hij dertien jaar werkte en naar verluidt anderhalf miljoen gulden besteedde. Aan een kamer waarin niets helemaal is zoals het lijkt, opstellingen die op de meest ingenieuze manieren spelen met het waarnemingsvermogen en 40.000 liter water, om maar eens wat te noemen. De optelsom is een zoektocht naar geluk (toch?), die is vergeven van de zinsbegoochelingen, valkuilen en kleine openbaringen. Een spiegelpaleis, waarin je gegarandeerd de weg kwijtraakt – en terugvindt. Op een gegeven moment dacht ik zelfs: waar kijk ik naar? Naar mezelf misschien?

Alles is illusie! constateert de scenarioschrijver op een gegeven moment wanhopig. Ik moest intussen denken aan Churchill: ‘It is a riddle wrapped in a mystery inside an enigma.’ Of beter: aan hoe David Ferrie, een personage uit de film JFK, gebaseerd op een man die betrokken zou zijn geweest bij de moord op Kennedy, een complot dus, waarvan ook ik niet weet of het er ooit is geweest, die quote verbasterde tot: ‘It’s a mystery wrapped in a riddle inside an enigma!’ Ik had het zelf echt niet beter kunnen zeggen.