Pray For Our Sinners

Break Out Pictures

In eigen land kan Paddy Randles, de dokter van het Ierse stadje Navan, in 1969 geen journalistiek medium vinden dat het verhaal wil publiceren. Daarom probeert hij ‘t maar bij de Britse krant News Of The World, die altijd in is voor wat sensatie. ‘Children under the lash’, kopt de tabloid op zondag 4 mei. Één van de mishandelde Ierse kinderen, de dan negenjarige Norman, is er ruim een halve eeuw later nog altijd vol van. Dat hij en zijn moeder zich hebben uitgesproken is hen bepaald niet in dank afgenomen en heeft zijn hele verdere leven beïnvloed.

Nadat dokter Randles uit de school heeft geklapt over de fysieke straffen die Ierse kinderen krijgen op de katholieke school, wordt ook hij, samen met zijn (nog altijd) strijdbare echtgenote Mary, met de nek aangekeken in Navan. En zijn goede verstandhouding met Father Andy Farrell, de plaatselijke vertegenwoordiger van de almachtige kerk, loopt vanzelfsprekend ook vast. Het is één van de verhalen waarop documentairemaakster Sinéad O’Shea stuit als ze het door en door katholieke land van haar jeugd probeert op te roepen met mensen uit haar geboorteplaats Navan.

De beknellende gemeenschap die ze toont in Pray For Our Sinners (81 min.), vervat ook in bijzonder treffend archiefmateriaal, lijkt mijlenver verwijderd van het hedendaagse leven in West-Europa – ook al liggen sommige gebeurtenissen toch echt slechts enkele tientallen jaren achter ons. In deze wereld is de wil van de kerk wet, moeten mannen krom liggen om voldoende geld binnen te brengen en doen vrouwen er simpelweg niet toe. Ze mogen voor het huwelijk geen seks hebben, zijn daarna permanent zwanger en hebben zich verder maar te schikken in hun lot.

Vrouwen of meisjes die ongehuwd zwanger raken, zoals de toenmalige tiener Betty, worden bijvoorbeeld afgevoerd naar een tehuis voor alleenstaande moeders. Ze is er liefdeloos behandeld en voor het leven beschadigd, vertelt de oudere vrouw aan ‘Sinéad’, bij wie ze zich duidelijk vertrouwd voelt. En altijd speelt de kerk, in dit geval de intrigerende pastor Farrell, een sleutelrol bij zulke beslissingen. Via kleine menselijke verhalen vanuit de gemeenschap maakt Pray For Our Sinners zo tastbaar hoe alomtegenwoordig het katholicisme was in het Ierland van de twintigste eeuw.

En er waren grote schandalen, waarover in een documentaire zoals The Missing Children bijvoorbeeld uitvoerig is bericht, voor nodig de Ieren los te weken van het allesbepalende instituut.

Trapped

DR Sales

‘What the fuck!’ roept duiker Nico van Heerden.

‘Wat is er?’ reageert zijn duikbegeleider. ‘Oh, je hebt er één gevonden, hè? In de doorgang of niet? Begrepen.’

Dan volgt echter een daverende verrassing. ‘Ik heb een levend iemand gevonden!’ meldt Nico verbouwereerd. ‘Fuck, dat is wel het laatste wat ik verwachtte’, antwoordt z’n begeleider. Even later komt die overlevende zowaar ook in beeld, via Nico’s camera. Het is een verbijsterend tafereel: Harrison Okene, de kok van de sleepboot Jascon 4, zit ontredderd voor de camera. In zijn onderbroek. Zijn boot is drie dagen eerder gekapseisd nabij Nigeria en ondersteboven in de Atlantische Oceaan terecht gekomen. De voltallige crew van twaalf bemanningsleden zou daarbij zijn verdronken. Dat was tenminste het uitgangspunt waarmee de duikerscrew aan het werk is gezet: berg de stoffelijke overschotten van de ramp op 26 mei 2013, zodat hun familieleden netjes afscheid van hen kunnen nemen.

Kijkers van de documentaire Trapped (79 min.), die dan zo’n 45 minuten onderweg is, hebben in de openingsscène direct kennisgemaakt met Harrison. Het is voor hen dus niet de vraag óf hij de scheepsramp heeft overleefd, maar hóe. Die vraag drijft deze enerverende film. Nadat hij de overlevende heeft geïntroduceerd stelt regisseur Lasse Spang Olsen het duikteam voor dat dik honderd kilometer verderop aan het werk was aan een pijplijn en van daaruit naar het wrak van de Jascon 4 is afgereisd voor wat een deprimerende missie leek te worden. Gezamenlijk reconstrueren zij nu de heroïsche reddingsactie. Die brengt een schier onmogelijke opdracht met zich mee: hoe krijgen ze de kok, die al 62 uur nabij de zeebodem bivakkeert en zich had opgemaakt voor een langzame en pijnlijke dood, weer heelhuids boven water?

Want in tegenstelling tot Nico en zijn collega-duikers heeft Harrison natuurlijk geen ‘umbilical, een soort navelstreng die zorgt voor warmte, licht en zuurstof en waarmee ook kan worden gecommuniceerd. Hij kan dus niet zomaar naar de oppervlakte worden gebracht. Dat zou hij niet overleven. Spang Olsen begeleidt de hachelijke onderneming om Harrison in veiligheid te brengen met een slimme combinatie van onderwaterreconstructies en authentieke beelden van de redding en de radiocommunicatie daarover. Trapped begeeft zich daarmee in hetzelfde water als Last Breath en The Rescue, films die met zowel de redders als de door hen geredden een heldenverhaal maken van een onwaarschijnlijke hulpactie op zee. Alsof het huzarenstukje voor het oog van de camera nogmaals wordt geleverd.

Free Space

Marian Markelo en Boris van Berkum / Zeppers / NTR

Wie mag wat maken? vraagt Karin Junger zich af in Free Space (65 min.), de film die ze in samenwerking met schrijver Stephan Sanders heeft gemaakt over de verlegenheid daarover bij veel hedendaagse kunstenaars. Wie bepaalt dat? Op grond waarvan? En hoe ga je om met de kritiek dat je je op het terrein van een ander hebt begeven?

Toen Junger als witte vrouw enkele jaren geleden een documentaire maakte over haar eigen donkere kinderen en hun vrienden (Ik Alleen In De Klas, 2020), kreeg zij volgens eigen zeggen het verwijt dat ze haar ‘white privilege’ misbruikte. Het was niet aan haar om dat verhaal te vertellen. ‘En ik voelde me ineens de vijand’, vertelt ze in een voice-over, bij de start van deze persoonlijke film, die actuele thema’s zoals identiteit, representatie, cancelen, stereotypen en culturele toe-eigening onderzoekt.

Dat blijkt overigens een stuk lastiger dan gedacht. Veel kunstenaars en kenners die Junger benadert zien af van een bijdrage of haken in een later stadium alsnog af. Bang om hun vingers te branden aan een onderwerp, waarbij de emoties hoog kunnen oplopen. Zangeres Anne-Faye Kops, kind van een zwarte moeder en een witte vader, maakte bijvoorbeeld een theaterconcert over haar gemengde afkomst. Die kwam haar, vanwege haar witte voorkomen, op veel kritiek te staan.

Dit roept de vraag op van wie verhalen zijn. Ligt het ‘ownership’ bij de groepen waarover ze gaan? Wie bepaalt wie bij de groep hoort? En mogen leden van een andere groep zich dan niet over zulke verhalen buigen? Bij zijn voorstelling De Gendermonologen heeft theatermaker Raymi Sambo criticasters bijvoorbeeld duidelijk moeten maken dat hij geen voorstellingen maakt óver mensen, maar mét en vanuit hen. Schrijver Ted van Lieshout ervaart dergelijke discussies als ‘verlammend’.

In de samenwerking tussen de Surinaamse wintipriesteres Marian Markelo en de witte Nederlander Boris van Berkum komen twee werelden samen. Ze maken een soort Delftsblauwe wintikunst. Samen willen ze over de bestaande grenzen heen kijken. Want ‘die kunnen ons beperken in het voortbrengen van mooie dingen’, stelt Marian ferm. Als we blijven uitgaan van oprechte interesse in de ander en verbinding met elkaar, ontstaat er waardevol erfgoed dat echt van ons allen is.

Toch is het onvermijdelijk dat verschillende visies over wat van wie is en wat daarbij mag soms flink botsen. ‘If you are cis, straight and white’, schreef kunstenares Angel-Rose Oedit Doebé bijvoorbeeld op een spiegel, ‘this ain’t for you.’ Het werk riep een venijnige reactie op van haar collega Floyd, die zich wilde afzetten tegen ‘woke-populisme’. Deze venijnige clash resulteert in het enerverendste deel van deze film – al roept de afhandeling ervan vragen op. Want wat vindt Angel-Rose van Floyds respons?

Behoedzaam tast Karin Junger in Free Space het werkterrein van hedendaagse kunstenaars af, dat soms verdacht veel op een mijnenveld lijkt. Als laatste sluit ze aan bij Stephan Sanders, die in gesprek gaat met de ‘zwarte’ Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams. Hij schrijft in het boek Self-Portrait In Black And White: Unlearning Race (2019) dat hij niet meer wil meedoen aan ‘het Amerikaanse huidspel’. Het antiracistische discours schiet volgens hem z’n doel voorbij.

Jungers conclusie, in deze boeiende en actuele film, lijkt in het verlengde daarvan te liggen: uiteindelijk hebben al die verschillende mensen meer gemeen met elkaar dan dat ze van elkaar verschillen, stelt ze. Bovendien weten ze zelf echt wel wat goed voor hen is.

The Blue Angels

Prime Video

Zes mannen, zes jets, één team. Uitroepteken. Familie, zogezegd. Elk jaar starten The Blue Angels (92 min.) in januari met een wintertraining van drie maanden in El Centro in Californië. Daarna zijn de Amerikaanse legerpiloten en hun crew klaar om samen acht maanden lang door de Verenigde Staten te trekken met een spetterende, tot in detail gechoreografeerde vliegshow.

Dat gaat in deze gestroomlijnde film van Paul Crowder gepaard met een overdaad aan ronkende vliegtuigmotoren, muziek en teksten. Intussen mogen de stoere, rechtschapen en typisch Amerikaanse piloten zich verliezen in twirls, loops en simulaties, die spectaculair zijn vastgelegd, ook vanuit de cockpit. De ‘all American boys’ blijven intussen, net als hun toestellen, altijd in formatie.

Nergens zit een weerhaakje, nooit schuurt het ergens en van enige vorm van (zelf)relativering is al helemaal geen sprake. Het zou toch wel prettig zijn geweest als er één chagrijnige monteur, eentje maar, met een verwassen T-shirt, slobberbroek en shaggie in z’n mondhoek tussen had gelopen. Zeikend over de baas, mopperend over moeder de vrouw en lonkend naar een goudgele rakker.

Maar ja, zulke types worden er natuurlijk consequent uitgefilterd tijdens het strenge selectieproces. Daarbij kijken ze volgens eigen zeggen naar talent, passie en persoonlijkheid. Het resultaat laat zich voorspellen: zes ideale schoonzonen, waaraan kraak noch smaak zit. En dat geldt eveneens voor de ideale schoondochter, die gaandeweg wordt geselecteerd voor het vliegdemonstratieteam.

Dat team beweegt zich in een volstrekt procedurele wereld, waarin niets aan het toeval kan worden overgelaten. Deze documentaire is daarvan een uitstekende weerslag. The Blue Angels wordt nooit meer dan een soort real life-variant op de Top Gun-franchise, die zich gedurende de jaren heeft bewezen als een effectieve promotool voor het Pentagon en de Amerikaanse krijgsmacht.

Ook deze film, waarin natuurlijk ook lekker sentimenteel eer wordt betoond aan de gevallen Engelen, lijkt vooral bedoeld om het elitegezelschap, en daarmee het complete leger, de hemel in te prijzen. Niet te versmaden ‘eye candy’ dus voor eenieder die nooit voorbij de vluchtsimulator is gekomen en nu bereid is om niet verder te kijken dan zijn neus lang is – en tamelijk zielloos propagandamateriaal voor alle anderen.

99

Prime Video

Drie wedstrijden in tien dagen. Alles of niets. De ‘treble’ of een gigantisch feest van de gemiste kansen. Manchester United kan in mei 99 (168 min.) geschiedenis schrijven. Het kampioenschap, de FA Cup én de Champions League binnenhalen. Of sterven in schoonheid.

Aan het begin van het seizoen ’98-’99 wordt er nog openlijk getwijfeld aan Uniteds manager Alex Ferguson, zijn omstreden sterspeler David Beckham en de nieuwe aankoop, de Nederlandse centrale verdediger Jaap Stam. Het voorgaande seizoen is United genadeloos afgetroefd door Arsène Wengers Arsenal, met de Nederlanders Bergkamp en Overmars in de gelederen. Vlak voor het seizoen heeft Ferguson zelfs nog zijn ontslag ingediend, blijkt nu, 25 jaar later. ‘Dat gesprek had ik niet graag met hem gevoerd’, reageert rechtsback Gary Neville. ‘Dat hoor ik vandaag voor het eerst.’

In deze driedelige serie van het productieteam achter Beckham, geregisseerd door Sampson Collins, zijn eigenlijk alle direct betrokkenen van de partij: van topspelers zoals David Beckham, Ryan Giggs, Paul Scholes, Peter Schmeichel, Andy Cole, Dwight Yorke en Jaap Stam tot coach Ferguson, zijn assistent Steve McClaren en de Nederlandse reservekeeper Raimond van der Gouw. Alleen aanvoerder Roy Keane schittert door afwezigheid. Zijn voormalige teamgenoten spreken over het algemeen niet met meel in de mond en delen de geheimen die doorgaans in de kleedkamer blijven.

Geen enkele chemie tussen de spitsen Cole en Sheringham bijvoorbeeld. De vormcrisis van sterkeeper Peter Schmeichel. Een vechtpartij in de kleedkamer. Het plotselinge vertrek van assistent-trainer Brian Kidd, die als het cement tussen de verschillende stenen wordt beschouwd. Een in de pers breed uitgemeten slippertje van twee spelers. In eerste instantie wijst niets op een superseizoen, waarin ManU geschiedenis gaat schrijven. Zulke verhaallijnen vormen zich natuurlijk ook pas achteraf, als de prijzen zijn verdeeld en ‘gewone’ topspelers blijken te zijn uitgegroeid tot tijdloze helden.

Al wordt de kern van Alex Fergusons ploeg natuurlijk nog altijd gevormd door The Class Of ’92, spelers uit eigen jeugd die zijn klaargestoomd om op absoluut topniveau te presteren. Hun inspanningen komen tot een ongelofelijke climax tijdens de Champions League-finale tegen Bayern München. Voor aanvang staat de Britse topclub nog op achterstand: de middenvelders Roy Keane en Paul Scholes zijn geschorst. Na afloop staat er een bijna Duits uitroepteken achter. De 93 enerverende minuten daartussen vormen de logische apotheose van deze gesmeerd lopende sportserie.

La Mano En El Fuego

HBO Max

‘Om tegen een kind te zeggen: je bent een hoer en je hebt Pincelito verkracht.’ Mari Carmen Espinosa kan er nog altijd niet bij. ‘Godverdomme! Pfff….’ Haar dochter Verónica was dertien toen ze op zaterdagochtend oktober 1998 door een dorpsgenoot werd verkracht. De metselaar en duivenhouder Antonio ‘Pincelito’ Cosme was 63. En de andere inwoners van Benejúzar in Alicante stonden aan zijn kant. Zij konden zich niet voorstellen dat hij, lid van een bekende familie in het Spaanse dorp, zich werkelijk had vergrepen aan dat kind van die vrouw van buiten.

‘We kregen alleen maar minachtig, beledigingen en agressie van het dorp’, vertelde het tienermeisje zelf destijds. ‘Mensen op straat hebben me bedreigd: als Pincelito vrij is, snijdt hij je keel door. En die van je familie ook.’ Ruim 25 jaar later kunnen Verónica en haar inmiddels bejaarde moeder, die elkaar regelmatig moed inspreken tijdens hun gesprekken voor deze docuserie, nog altijd nauwelijks geloven hoe zij in de beklaagdenbank terecht kwamen. Het was een pijnlijk staaltje ‘victim blaming’. Want toen had Mari Carmen nog helemaal geen wraak genomen op Pincelito.

In het gelikte intro van La Mano En El Fuego (Engelse titel: Hell On Earth: The Veronica Case, 132 min.) – waarin, zoals tegenwoordig ‘goed’ gebruik is, alvast wordt geteased naar wat er nog gaat komen – geeft documentairemaakster Elena Molina dat direct prijs: de moeder van het dertienjarige slachtoffer heeft de verkrachter zeven jaar later overgoten met benzine en vervolgens levend in brand gestoken. Daarmee ligt het complete tragische verhaal al bij de start van deze driedelige serie op tafel en is het vooral de vraag hoe en waarom het zover heeft kunnen komen.

En dat is onvoldoende om drie afleveringen lang, ruim twee uur, te blijven boeien. Hoeveel drama Molina met tamelijk gekunstelde toneelstukjes tussen moeder en dochter, onheilspellende muziek en symbolische sequenties met duiven, een ontsnapt paard en vuur ook toevoegt, de serie blijft voelen als een eindeloze herhaling van zetten. Achteraf bezien zaten alle elementen die er echt toe deden in deze tragische geschiedenis al in die allereerste minuten verstopt en blijkt vrijwel alles wat daarna volgt niet héél veel meer dan het uitmelken daarvan.

Het is alleen nog de vraag of die wraakactie het gevolg was van spontane verstandsverbijstering of toch tot in detail was voorbereid.

Als Je Ons Kan Horen

Prime Video / VRT

Het duurt bijna vijftig minuten voordat zijn naam voor het eerst valt in de vierdelige serie Als Je Ons Kan Horen (Franse titel: Innommable, 223 min.): Dutroux, zonder voornaam erbij. Hij leidt de Belgische rechercheurs, die hem enkele dagen eerder hebben aangehouden en verhoord, op 15 augustus 1996 naar een huis in het Waalse stadje Marcinelle, waar twee ontvoerde tienermeisjes worden aangetroffen: Sabine Dardenne (12) en Laetitia Delhez (14).

Vier andere Belgische meisjes zijn dan nog vermist. De ouders van de verdwenen zevenjarige vriendinnetjes Julie Lejeune en Mélissa Russo verkeren al veertien maanden in opperste onzekerheid over het lot van hun dochters. De vaders en moeders van Eefje Lambrecks (19) en An Marchal (17), verdwenen na een optreden van de Nederlandse hypnotiseur Rasti Rostelli in Oostende, lopen ook al een jaar met een gigantische steen in hun maag rond.

Aflevering 1 van deze indringende miniserie van Joeri Vlekken is volledig gericht op hen: ouders die met het ergst denkbare worden geconfronteerd – de verdwijning van een kind – en volledig in het duister tasten over wat er met hen is gebeurd. Omdat ze het gevoel hebben dat de politie verzaakt, zetten ze zelf alles op alles om hun dochters te vinden. En altijd zijn er camera’s en journalisten die hen een podium bieden – en hun leed van dichtbij vastleggen.

Vlekken kiest consequent het perspectief van deze ouders. Als in de tweede aflevering duidelijk wordt dat Dutroux, Marc dus, en zijn handlangers waarschijnlijk betrokken zijn geweest bij de vermissing van hun kinderen, blijft de serie dit benaderen vanuit hen, de nabestaanden in spe. Van hen blijkt ook opvallend veel en zeer tragisch beeldmateriaal te zijn gemaakt, bijvoorbeeld van hoe Ans ouders thuis op nieuws wachten terwijl er bij Dutroux opgravingen worden gedaan.

Als Je Ons Kan Horen presenteert alle tragische ontwikkelingen sober en zakelijk, zonder vet aangezet true crime-randje. Dat is ook zeker zo effectief. Joeri Vlekken laat de gebeurtenissen inkaderen door agenten en journalisten die bij de zaak betrokken waren – de directe familieleden van Dutroux’s slachtoffers participeren niet in de serie – maar laat vooral het archiefmateriaal, ondersteund door een stemmige soundtrack, zijn verpletterende werk doen.

Deel 3 concentreert zich op de volkswoede over De Zaak Dutroux, die uitmondt in een Witte Mars in Brussel. Daarna volgt in de slotaflevering de juridische afwikkeling ervan, waarbij Marc Dutroux voor het eerst herkenbaar in beeld is te zien. Met mate, dat wel. Dit onderstreept nogmaals Vlekkens insteek: niet het ‘monster’, de meest gehate man van België, de potentiële true crime-held, staat centraal, maar zijn slachtoffers, de overledenen en hun familieleden.

Juist doordat de docuserie elke vorm van sensatiezucht ontbeert en ook de bijbehorende (complot)theorieën over een pedofilienetwerk nauwelijks exploreert, komt de impact van wat Dutroux en zijn handlangers hebben aangericht extra hard binnen. De steeds terugkerende tijdlijn waarop alle ontwikkelingen worden geplaatst is in dat verband pijnlijk effectief. Eerst: zoveel dagen sinds de meisjes zijn verdwenen. Dan: het aantal dagen sinds zij zijn gevonden.

Onverdraaglijke onzekerheid, gevolgd door onpeilbaar verdriet. Het leed van de ouders, de overlevende meisjes, een heel land eigenlijk, etst zich zo ook in de ziel van de kijker.

Trailer Als Je Ons Kan Horen

The Beach Boys

Disney+

Terwijl de rest van The Beach Boys (113 min.) halverwege de jaren zestig de wereld rondreizen met hun zonnige popsongs, laat songschrijver, arrangeur en producer Brian Wilson, die ’t niet langer kan opbrengen om te toeren, de eenvoudige surfliedjes waarmee ze zijn doorgebroken definitief achter zich. Uitgedaagd door hun grote Britse rivaal The Beatles stijgt hij in de studio, in de rug gedekt door de gerenommeerde muzikanten van The Wrecking Crew, tot imposante hoogte. Met als resultaat het album Pet Sounds (1966) dat, hoewel niet direct een commercieel succes, inmiddels alom wordt beschouwd als een meesterwerk – en Wilson als een genie.

‘Het probleem was dat Brian werd onthaald als een genie, maar dat de rest van de band eigenlijk nauwelijks waardering kreeg’, stelt zanger Mike Love in deze gezaghebbende documentaire van Frank Marshall en Thom Zimny. ‘Dan was het misschien ook wat gemakkelijker geweest voor Brian om met dat predicaat om te gaan.’ Want het genie achter de schermen legt een enorme druk op zichzelf, worstelt met zijn dominante vader Murray en voelt dat hij niet altijd de onvoorwaardelijke steun heeft van zijn groepsgenoten. Gaandeweg raakt hij verstrikt in de kronkels van zijn eigen geest. Totdat het genie eigenlijk alleen nog maar in bed wil liggen.

Wilsons persoonlijke tocht over hoge toppen en door diepe dalen is onlangs al, met zijn eigen medewerking, gedocumenteerd in Brian Wilson: Long Promised Road (2021). Deze nieuwe film concentreert zich meer op de hoogtijdagen van zijn groep, met hem en de nog levende andere leden Mike Love, Al Jardine, David Marks en Bruce Johnston. Brians overleden broers Wilson, Dennis (1944-1983) en Carl (1946-1988), zijn aanwezig via archiefinterviews. Hun verhalen worden aangevuld door Brian Wilsons eerste vrouw Marilyn, producer Don Was en collega’s/fans zoals Janelle Monáe, Lindsey Buckingham (Fleetwood Mac) en Ryan Tedder (OneRepublic).

Dit levert geen nieuwe inzichten op over de tot Beach Boys gedoopte muzieknerds, die bij de eerste de beste golf al van hun surfboard donderden. Deze documentaire schetst echter wel een compleet en afgewogen beeld van hun gloriejaren en is natuurlijk volgestort met prachtig beeld- en geluidsmateriaal. De harmonieën van de drie Wilsons, hun neef Mike en de vrienden Al, David en Bruce zijn bijvoorbeeld nog altijd onovertroffen en een zegen en inspiratiebron voor iedereen met een pophart – of het verlangen om ook stiekem een ‘surf dude’ te zijn.

Stax: Soulsville U.S.A.

HBO Max

Het platenlabel dat in de jaren zestig en zeventig vanuit Memphis een geheel eigen, typisch zwart soulgeluid ontwikkelt, wordt in 1957 opgericht door twee witte Amerikanen: Jim Stewart en zijn zus Estelle Axton. Met de eerste twee letters van hun achternamen vormen ze de naam Stax Records. Ze willen countrymuziek gaan uitbrengen. En dan stappen in 1960 Rufus Thomas en zijn dochter Carla binnen met een liedje: Cause I Love You. Broer en zus zijn enthousiast en vragen twee plaatselijke tieners om mee te spelen tijdens het opnemen ervan: David Porter, een joch dat vaak in hun platenzaak Satellite Records Store rondhangt en z’n veertienjarige vriend, de multi-instrumentalist Booker T. Jones. Jim Stewart: ‘Dat was het einde van country voor mij.’

Het duurt niet lang of Stax heeft een absolute soulheld op de kop getikt: Otis Redding, een zwarte zanger die ook witte harten weet te raken, zo wordt duidelijk tijdens de eerste Britse tournee van enkele artiesten. Het Amerikaanse label begint daarna ook in eigen land te floreren. En dan slaat het noodlot toe in Stax: Soulsville U.S.A. (211 min.): de 26-jarige Redding en zijn begeleidingsband The Bar-Kays komen eind 1967 om het leven bij een dramatisch vliegtuigongeluk. Stax-muzikant en -producer Steve Cropper krijgt nog dezelfde dag de opdracht om Reddings laatste nummer (Sittin’ On) The Dock Of The Bay af te mixen. Het wordt zijn grootste hit. Voor Cropper is het niettemin een traumatische ervaring. ‘Ik ben nooit over de dood van Otis heen gekomen.’

Enkele maanden later, op 4 april 1968, volgt een tweede drama: de zwarte burgerrechtenleider Martin Luther King wordt vermoord in Memphis, de thuishaven van het soullabel. Die tragische gebeurtenis zorgt ervoor dat de raciale spanningen die de Verenigde Staten dan al enige tijd in hun greep houden ook doorsijpelen naar Stax Records, waar de interraciale band die alle hits inspeelt tot dan toe tamelijk probleemloos heeft samengewerkt. Zwart en wit, hoewel ze elkaar op muzikaal vlak blindelings vinden, dreigen uit elkaar te worden gespeeld. Ongeveer tegelijkertijd wordt het platenlabel uit Tennessee opgevreten door de New Yorkse gigant Atlantic Records. En dat neemt ook meteen maar alle bekende hits mee. Stax is een lege huls geworden.

Deze vierdelige serie van Jamila Wignot, opgeleukt met talloze smakelijke muziekfragmenten en herinneringen van insiders, is dan precies halverwege. Stax moet weer van de grond af aan worden opgebouwd en zal onder de bezielende leiding van hoofd promotie Al Bell, een voormalige deejay die maar wat graag vertelt over zijn jaren bij het toonaangevende soullabel, een tweede glorieperiode ingaan, met de Oscar voor Isaac Hayes’ Shaft-soundtrack en het festival Wattstax (1972), een soort zwart Woodstock, als absolute hoogtepunten. Stax: Soulsville U.S.A. roept die gouden souljaren, waarbij het woord ‘Motown’ overigens verdacht weinig valt, overtuigend op en blaast meteen het stof van bijna vergeten hits van Booker T & The M.G.’sJohnny Taylor en The Staple Singers.

Want hoewel de signatuursongs van Stax Records inmiddels zeker een halve eeuw oud zijn, hebben ze aan kracht en vitaliteit helemaal niets ingeboet.

Cocksucker Blues

Robert Frank

Het moest een soort All Access Areas-pas worden. Een ongefilterde blik achter de schermen bij de Amerikaanse tournee van The Rolling Stones in 1972, waarbij de Britse rockband z’n nieuwe dubbelalbum Exile On Main Street ging promoten. Het eindresultaat bleek echter zo 18+ dat Mick Jagger en consorten het toch maar niet met de wereld wilden delen.

En dat was weer tegen het zere been van Robert Frank, de maker van Cocksucker Blues (95 min.). De Zwitsers-Amerikaanse fotograaf, die eerder het artwork voor de veel geprezen dubbelaar had gemaakt, verzette zich met hand en tand. The Stones hadden hem zelf gevraagd. En hij had precies geleverd wat er was afgesproken: een ruige direct cinema-film over het leven ‘on the road’. Een soort ‘flies on the wall’-docu, afwisselend in zwartwit en kleur, waarvoor Mick en alleman een camera ter hand mocht nemen, om ‘slices of tour life’ te vangen.

Enkele jaren eerder waren The Stones ook al het onderwerp geweest van een observerende documentaire, Gimme Shelter (1970). Dat was de band uiteindelijk niet al te best bekomen. In deze klassieke popdocu van de gebroeders Maysles en Charlotte Zwerin was te zien hoe Hells Angels een concertganger om het leven brachten tijdens het Stones-concert op het Altamont-festival – en hoe Mick Jagger dat huiveringwekkende tafereel voor het eerst terugzag in de montageruimte. ‘Altamont’ werd een dramatisch uitroepteken achter de jaren zestig. 

Toch was dat voor de band blijkbaar geen beletsel om opnieuw een cameraploeg – behalve Frank was ook z’n protegé Daniel Seymour van de partij – toe te laten bij hun terugkeer naar de Verenigde Staten. Voor wat een typische tourfilm over ‘the greatest rock & roll band on earth, voor het eerst voorzien van dat overbekende tonglogo, zou worden. Live-uitvoeringen van Brown Sugar, Midnight Rambler, Street Fighting Man en een mash-up van Uptight en (I Can’t Get No) Satisfaction met Stevie Wonder, vermengd met alle mogelijke ongein.

Met hedendaagse ogen zie je dan – op z’n best – jochies, kwajongens, doerakken, die zich te buiten gaan aan alles wat God verboden heeft – en de Duivel hen blijkbaar heeft opgedragen. Een neukpartij in het tourvliegtuig. De televisie die gitarist Keith Richards met saxofonist Bobby Keys uit een hotelraam kiepert. Een jonge groupie die een heroïnespuit zet. De verplichte spelletjes biljart en kaart onderweg. Vluchtige ontmoetingen met kunstenaar Andy Warhol, schrijver Truman Capote en zangeres Tina Turner. En Jagger die een mespuntje coke snuift. 

Het is de leegte van het rock & roll-bestaan, in al z’n decadentie, lamlendigheid en hedonisme vereeuwigd voor het nageslacht. Rommelig, ranzig en op z’n eigen manier ook weer saai en routinematig. On the road to nowhere, zoiets. Door Robert Frank tamelijk chaotisch vastgelegd en voorzien van een collageachtige geluidstrack. Waarbij de focus net zo goed ligt op de entourage van The Rolling Stones als op de bandleden zelf, die alle actie meestal eerder bezien – of van een soundtrack voorzien – dan er voluit in participeren.

Mick Jagger en de zijnen zaten nochtans niet te wachten op zo’n ruige registratie van hun tournee en schakelden de rechter in. Na een rechtsgang van ruim vier jaar werd in 1977 bepaald dat Cocksucker Blues voortaan slechts enkele malen per jaar mocht worden vertoond, in het kader van een soort retrospectief van Robert Frank en liefst ook in zijn aanwezigheid. Intussen groeide de morsige documentaire in de beleving van veel rockfans uit tot een cultfilm, een ultieme uiting van – maakt uit duizenden herkenbaar handgebaar – rock & roll.

H2 – The Occupation Lab

Imad Abu Shamsiya / VPRO

In Hebron, de grootste stad op de Westelijke Jordaanoever, wonen zo’n 250.000 Palestijnen. In hun midden bevinden zich achthonderd Joodse kolonisten. Zij leven in een afgeschermd gedeelte van het oude stadscentrum, dat permanent wordt bewaakt door het Israëlische leger. In dit stadsdeel, dat H2 wordt genoemd, ligt ook de Grot van de Patriarchen, een heilige plek voor zowel Joden als moslims. Daar ligt hun gemeenschappelijke voorvader Abraham/Ibrahim begraven.

Van vreedzame co-existentie is evenwel nauwelijks sprake. Op z’n best is er in Hebron sprake van gewapende vrede, waarbij de spanningen regelmatig uitmonden in geweldsuitbarstingen. In H2 – The Occupation Lab (94 min.), een titel die verwijst naar het imago van de Joodse enclave als een testlocatie voor Israëls nieuwste veiligheidsmaatregelen, belichten Noam Sheizaf en Idit Avrahami de woelige historie van Hebron, dat tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 in Israëlische handen is gekomen.

Vrijwel direct melden zich dan weer Joodse kolonisten in de stad, die voor hen zowel van historisch als religieus belang is. Na het zogenaamde Bloedbad van Hebron in 1929, een scharnierpunt in de strijd om de stad, leken zij daar van het toneel te zijn verdwenen. Met indringend archiefmateriaal en direct betrokkenen van Palestijnse en Israëlische zijde, zowel gestaalde militairen als mensenrechtenactivisten, reconstrueren Sheizaf en Avrahami hoe het leven in en om H2 zich vervolgens heeft ontwikkeld.

Het is een tamelijk moedeloos makend relaas.  Als er zoiets als vreedzame co-existentie lijkt te (kunnen) ontstaan, melden zich altijd weer hardliners die de situatie destabiliseren. In dat opzicht staat Hebron symbool voor de tragische situatie waarin de Israëliërs en Palestijnen samen verzeild zijn geraakt. Met H2 als een onvervalste trial & error-plek, die in deze stevige film uiteindelijk vooral foutmeldingen afgeeft.

Power

Netflix

Wie is er machtiger? vraagt Yance Ford zich af in de openingsscène van Power (88 min.). Het volk of de politie? Het is de opmaat naar een zeer kritische beschouwing van de Amerikaanse politie, die door hem wordt beschouwd als een staat binnen de staat. En die heeft ‘t in het bijzonder gemunt op minderheden, zwarte Amerikanen in het bijzonder.

De ‘paramilitaire organisatie’ is onder andere voortgekomen uit de slavenpatrouilles. Politiemensen spreken volgens de Afro-Amerikaanse agent Charlie Adams niet voor niets over ‘patrouilleren’. Historicus en socioloog Nikhil Pal Singh verwijst daarnaast naar hoe de politie, halverwege de negentiende eeuw, witte kolonisten steunde bij het overnemen van land van indianenstammen. Of de gemeentepolitie die toen in de steden de arbeidersklasse in het gareel moest houden. De politiemacht wordt nu eenmaal ingezet door de bezittende klasse, betogen diverse deskundigen, om de status quo in stand te houden en uitdagers daarvan klein te houden.

Volgens hen gaat het daarbij in het bijzonder om immigranten – en dus om racisme en xenofobie. Filosoof George Yancy geeft het voorbeeld van de arts Samuel Cartwright. Hij constateerde in de negentiende eeuw dat slaven die de plantages wilden ontvluchten aan de psychische aandoening ‘drapetomanie’ leden. Want zulke inferieure mensen konden natuurlijk met geen mogelijkheid de oprechte behoefte hebben om vrij te zijn. Ze waren immers geboren om slaaf te zijn. Alle reden dus ook om elke vorm van oproer direct de kop in te drukken en onruststokers, zoals burgerrechtenactivist Stokely Carmichael en Black Panther-leider Huey P. Newton, keihard aan te pakken.

Wat in 1838 begon met het allereerste hedendaagse politiekorps in Boston, is een kleine tweehonderd jaar later uitgegroeid tot 18.000 korpsen met ruim een miljoen agenten. Een miljardenbusiness, laat Yance Ford zien in dit polemische beeldessay, dat thematisch verwantschap vertoont met recente films als Riotsville, U.S.A. en Stamped From The Beginning. In een ontluisterende sequentie vragen alle Amerikaanse presidenten van de afgelopen halve eeuw – van Lyndon Johnson tot Joe Biden, met uitzondering van Jimmy Carter – bijvoorbeeld om meer geld voor Law & Order. In 2023 ging het inmiddels om niet minder dan 192 miljard dollar.

Intussen kunnen de politieorganisatie of individuele agenten nauwelijks aansprakelijk worden gesteld als ze hun boekje te buiten gaan, stelt Ford. En daarvan zijn in dit prikkelende pamflet talloze voorbeelden te zien, uit vroeger tijden en van recenter datum, zoals bijvoorbeeld de pijnlijke ‘I can’t breathe’-video van Eric Garner of het filmpje van de 75-jarige demonstrant die rücksichtslos omver wordt geduwd door een politieman, op zijn achterhoofd valt en bloedend wordt achtergelaten. Met al die verschillende voorbeelden wordt een repressief systeem geschetst, dat de bovenklasse beschermt en de rest van het volk, desnoods met bruut geweld, probeert te knechten.

Koyaanisqatsi

Criterion

Het beeld was er ongetwijfeld eerst. Eenmaal ondergedompeld in Koyaanisqatsi (82 min.) is de gedachte echter bijna onvermijdelijk: die majestueuze shots van cameraman Ron Fricke zijn speciaal voor de beeldende muziek van Philip Glass gemaakt en er vervolgens netjes op gelegd. Beeld en muziek vormen in elk geval een onmiskenbare eenheid in deze zinnenprikkelende trip langs het leven op aard.

De mens is alomtegenwoordig in de debuutfilm van Godfrey Reggio – via voorbij flitsend verkeer in een nachtelijke metropool, de vernietigingskracht van oorlogsmachines of ineen zijgende flatgebouwen bijvoorbeeld – maar wordt an sich als individu nooit meer dan een onbeduidend rekwisiet. Gesproken wordt er bijvoorbeeld helemaal niet. En als de mens, precies halverwege de film, voor het eerst centraal wordt gezet, letterlijk, kijkt die recht in de camera – en wij, als kijkers die achter de lens schuilgaan, al even recht in diens collectieve ziel.

De mensch als volstrekt inwisselbaar wezentje in een gigantische mierenhoop, een organisme dat bruist van het leven en tegelijkertijd lijkt te zijn ontdaan van de spontaniteit ervan. Aan de lopende band, op de roltrap of in de file. Komend van het één, gaand naar het ander. Soms vertraagd, een andere keer weer aanzienlijk versneld. Met behulp van de barokke, sacrale of ronduit bombastische muziek van Glass toewerkend naar een ongenadige climax of juist even een moment van stilte inlassend. Steeds weer opnieuw. Laden en ontladen.

Daar tegenover staat de onverzettelijkheid van moeder aarde: wolkenpartijen, rotsformaties, watervallen. Die er al lang voor de komst van de mens waren en er na diens verscheiden waarschijnlijk ook nog wel zullen zijn. De beeldsymfonie Koyaanisqatsi, een woord dat Hopi-indianen gebruiken voor een leven dat uit balans is geraakt of in moeilijkheden verkeert, werd gemaakt tussen 1975 en 1982 en is bedoeld als ‘een apocalyptisch beeld van de botsing tussen twee verschillende werelden: het stedelijke leven en technologie versus de aarde’.

De documentaire is onderdeel van Reggio’s zogenaamde Qatsi-trilogie, die verder uit Powaqqatsi (1988) en Naqoyqatsi (2002) bestaat, en geldt als een echte cultfilm, die je gezien – nee: ondergaan – moet hebben. Als een beeldenstorm die over je heen komt en een nauwelijks te bevatten wirwar van indrukken op de innerlijke printplaat achterlaat.

Thuisfront

BNNVARA

Twee volwassenen, vijf kinderen, twee chihuahua’s en een miljoen problemen. Het zou de titel van een nieuwe realityserie op een willekeurige commerciële zender kunnen zijn. Over een bont gezelschap uit het Westen van Oekraïne dat elders, in een afgelegen dorp bij de Poolse grens, een nieuw bestaan wil opbouwen. Dat begint letterlijk met bouwen: een eigen huis. En de filmende Anna’s, Ilchenko en Yutchenko, zijn er als de kippen bij om dat proces van het werken aan een nieuw thuis, vanaf het begin vast te leggen. Er gaat alleen iets mis. ‘Onze hoofdpersonen verdwenen van de ene op de andere dag’, legt één van de twee Anna’s uit. ‘Dus wij gingen op zoek.’

Voordat de queeste van Thuisfront (46 min.) kan beginnen, moeten die nieuwelingen zich natuurlijk nog wel melden in het dorp Mshanets, zo’n zeven maanden eerder. Daar, bij de berg Hora Mahura die uitzicht biedt op het beloofde land Europa, wonen behalve een trouwlustige priester, geheime verslaggeefster en drankzuchtige zanger ook twee documentairemakers. Juist: de Anna’s. Zij beginnen de veelkoppige familie Lymar te filmen. Helaas hebben die hun herdershond, papegaai, vissen en grootouders duizenden kilometers verderop achter moeten laten in de stad Soemy, toen de Russen daar begin 2022 het leven onmogelijk begonnen te maken.

En net als de Lymars een vertrouwd gezicht zijn geworden in Mshanets, verdwijnen ze dus van de aardbodem en zien Anna Ilchenko en Yutchenko zich genoodzaakt om hun spoor te volgen. Zo ontvouwt zich een opmerkelijk luchtig verteld vluchtelingenverhaal. Over een gezin dat er ook in den vreemde maar het beste van maakt. Terwijl andere familieleden naar het buitenland zijn vertrokken en hun grootouders zijn achtergebleven in Soemy, renoveren zij een huis dat ze uiteindelijk nooit zullen bewonen en genieten de kinderen intussen naar hartenlust van de idyllische omgeving. Ook hier kruipt de oorlog echter steeds dichterbij.

‘Iedereen heeft z’n eigen oorlogservaring’, constateren de Anna’s als ze richting het einde van hun zoektocht gaan. ‘We denken dat buitenlanders ons niet goed kunnen begrijpen. Ze weten niet wat het is om een vriend te begraven, een raket je huis te zien vernietigen en te weten dat jij misschien wel de volgende bent.’ En daarmee krijgt deze ogenschijnlijk onbekommerde film over twee volwassenen, vijf kinderen, twee chihuahua’s, een miljoen problemen en twee documentairemakers op de valreep toch nog een serieuze ondertoon – al wordt die nooit overheersend.

Citizenfour

Dogwoof

‘Het is jouw beslissing of en hoe je mijn betrokkenheid met de wereld wilt delen’, schrijft de anonieme bron aan documentairemaakster Laura Poitras. ‘Het heeft mijn voorkeur dat je gewoon man en paard noemt. Niemand, zelfs de mensen die het dichtst bij me staan, is op de hoogte van mijn plannen. Het zou niet fair zijn als zij er desondanks de gevolgen van moeten dragen. Jij kunt dat als enige voorkomen. Nagel mij onmiddellijk aan het kruis, in plaats van me als bron te beschermen.’

Poitras en de onbekende persoon die haar in januari 2013 heeft benaderd, onderhouden dan al enkele maanden contact met elkaar en hebben onlangs een afspraak gemaakt voor een ontmoeting in Hongkong. Op 3 juni sluit op verzoek van Citizenfour (113 min.) ook journalist Glenn Greenwald aan, voor wat een serie ontmoetingen op een hotelkamer zal worden, die in totaal acht dagen in beslag neemt. Voor de camera heeft een bedachtzame 29-jarige man plaatsgenomen, die de wereld zal leren kennen als de klokkenluider Edward Snowden.

Als contractant voor de CIA en NSA is hij er getuige van geweest hoe Amerikaanse inlichtingendiensten illegaal informatie verzamelen over mensen en organisaties in binnen- en buitenland. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 zijn hun bevoegdheden steeds verder opgerekt. Inmiddels reikt de lange arm van Uncle Sam verder dan wie dan ook goed lijkt. Telefoons worden afgeluisterd, e-mails gelezen en zoekopdrachten op Google nagetrokken. Snowden kan niet langer leven met deze gigantische inbreuk op de privacy.

Om te illustreren dat hij echt overal rekening mee houdt, gooit hij een rode doek over zich heen voordat hij een wachtwoord invoert bij zijn laptop. ‘Ik denk dat we inmiddels op het punt zijn aanbeland waarop niets ons nog verrast’, reageert Glenn Greenwald grappend. Alle aanwezigen in die hotelkamer, waar ook Ewen MacAskill van The Guardian is aangesloten, lijken inmiddels gestoken door het ‘paranoia-beestje’. En dan gaat het brandalarm af. Het is een onwerkelijk tafereel. Wat nu? Is het een oefening? Of toch een slinkse poging om de geheime meeting te hacken of ontregelen?

Als zijn onthullingen even later naar buiten beginnen te komen, valt de spanning voor Edward Snowden enigszins weg: hij weet dat zijn tijd nu beperkt is. Vroeger of later zal hij worden ingerekend. De klokkenluider wil echter laten zien dat hij niet bang is en zich ook nergens voor schaamt. ‘Ik wil me niet verbergen of op de vlucht gaan’, zegt hij tegen Greenwald, die zich afvraagt hoe hij in zijn publicaties moet omgaan met de identiteit van zijn bron. ‘Dat zou ook niet nodig moeten zijn’, stelt Snowden, waarschijnlijk tegen beter weten in.

Poitras is er ondertussen getuige van hoe in die hotelkamer geschiedenis wordt geschreven en legt dat sober, een beetje droog en traag zelfs, vast voor de eeuwigheid. De focus moet in Citizenfour, waarmee ze de Oscar voor beste documentaire van 2014 won, te allen tijde blijven liggen op de inhoud van Snowdens boodschap en de implicaties daarvan – en op de gevolgen voor hemzelf, de man die tot nader order de rol van Amerika’s staatsvijand krijgt toebedeeld.

Ashley Madison: Sex, Lies & Scandal

Netflix

‘Life is short’, houdt de datingsite Ashley Madison potentiële klanten voor. ‘Have an affair.’ Al snel pronkt de site voor getrouwde mensen die wel eens een avontuurtje willen met niet minder dan 37 miljoen subscribers. CEO Noel Biderman manifesteert zich intussen nadrukkelijk in de media. ‘De perfecte affaire is niet alleen iemand ontmoeten, maar er ook nog mee wegkomen’, zegt hij, soms ook met zijn eigen vrouw Amanda aan z’n zijde. ‘Een affaire op je werk, onze grootste concurrent, wordt ontdekt.’

Het verdienmodel van Ashley Simpson is eenvoudig volgens voormalig vice president of sales, de guitige Evan Back: pay to play: klanten kopen credits om berichten te kunnen versturen aan potentiële ‘sex interests’. Het is dus zaak om ze, op alle mogelijke manieren, te stimuleren om zoveel mogelijk credits te blijven kopen. Zodat de kassa blijft rinkelen. En dan staat er ineens een melding in het interne systeem: ‘Wij zijn het Impact Team. We hebben alle systemen in uw kantoor- en productieomgeving overgenomen. Ashley Madison moet meteen en voorgoed stoppen.’ Kortom: de boel is gehackt. Met één druk op de knop kan gevoelige informatie van miljoenen vreemdgangers – persoonlijke gegevens, creditcardinformatie én seksuele fantasieën – op straat belanden. Hoeveel huwelijken gaan er dan omvallen?

Dat smeuïge verhaal is al eens eerder verteld, bijvoorbeeld in de erg gelikte miniserie The Ashley Madison Affair, maar wordt door Toby Paton in deze driedelige serie nog eens grondig en smakelijk opgediend. Hij kan daarvoor een beroep doen op enkele medewerkers van het bedrijf, waarbij de flamboyante Back, die volgens eigen zeggen ook al bijna 25 jaar een monogame relatie heeft, als centrale figuur is gepositioneerd. Daarnaast heeft Paton ook enkele stellen gestrikt die tot de klantenkring van Ashley Madison behoren. Soms zonder dat ze het weten of willen, maar zo nu en dan ook met instemming van de ander. In de regel – en daar zit natuurlijk ook het verdienmodel – faciliteert de datingsite echter buitenechtelijke escapades die het daglicht niet kunnen verdragen. En is er dus ook een bedrogen partner…

Men neme in Ashley Madison: Sex, Lies & Scandal (155 min.) bijvoorbeeld Sam en Nia, twee Amerikaanse ‘gezinsvloggers’ die samen met hun kinderen regelmatig een inkijkje geven in ‘hoe je kunt leven voor de Heer’. Als ze in de auto eens enthousiast playbacken bij het Frozen-liedje Love Is An Open Door, gaat het stel viral en lijkt hun kostje als christelijke influencers gekocht. Zeker als Sam later ook nog eens stiekem Nia’s urine test en haar fantastisch nieuws brengt in de video Husband Shocks Wife With Pregnancy Announcement. Wanneer het Impact Team start met datadumps van de Ashley Madison-hack, vestigt manlief echter ook nog op een heel andere manier de aandacht op zich. Sam blijkt een account op de overspelsite te hebben gehad. Tot daadwerkelijke ontmoetingen met andere vrouwen is het natuurlijk niet gekomen.

Terwijl dit persoonlijke verhaal zich ontvouwt, zoomt de serie steeds verder in op de hack van de overspelsite, de zoektocht naar de mogelijke dader(s), de lozingen van privéinformatie van miljoenen klanten en de schade – persoonlijk, sociaal en maatschappelijk – die daarmee worden veroorzaakt. Want onderweg blijkt dat Ashley Madison bepaald niet zo discreet te werk gaat als het z’n klanten altijd heeft voorgehouden en vallen er nog veel meer lijken uit de kast in deze slim opgebouwde miniserie over een tot de verbeelding sprekend schandaal – al hadden de voormalige medewerkers van de ondeugende datingsite, zoals die koddige vice president of sales, wel wat steviger aan de tand gevoeld mogen worden.

De Godfather Van Oss

Videoland

De Godfather? Van Oss? Antoon, de broer van Martien R., lacht schamper: ‘We noemen hem altijd gewoon bij zijn voornaam.’ Martiens rechterhand Arnold M., onherkenbaar in beeld gebracht, typeert hem zelfs als ‘de goedheid zelve.’

Zo staat de Ossenaar niet bekend bij de recherche van Oost-Brabant. Martien R. en ‘zijn criminele familienetwerk’ worden door justitie verdacht van een hele waaier aan strafbare feiten: brandstichting, wapenhandel, zware mishandeling, afpersing, handel in ecstacy, cocaïne en methamfetamine en enkele gewelddadige moorden.

De tweedelige true crime-docu De Godfather Van Oss (72 min.) reconstrueert het kat- en muisspel dat in de afgelopen jaren is ontstaan tussen de politie en R.’s familie en laat daarbij zowel vertegenwoordigers van de politie als leden van de Osse clan en advocaat Jan-Hein Kuipers aan het woord. Hij kenschetst de hoofdverdachte als ‘een rustige vent’.

Uit geheime audio- en video-opnamen, die de Brabantse politie anderhalf jaar lang heeft gemaakt op het kantoor van R’s familie, komt een ander beeld naar voren. Martien trekt stevig van leer als iets of iemand hem niet zint. En met zijn familieleden lijkt hij zich structureel met zaken bezig te houden die het daglicht niet kunnen verdragen.

Misdaadjournalisten zoals Mick van Wely (De Telegraaf), Willem-Jan Joachems (Omroep Brabant) en Joris van der Aa (Gazet van Antwerpen) zorgen voor verdere duiding bij de strafzaak tegen deze ‘Boss from Oss’, die zijn wortels heeft op Vorstengrafdonk, het grote woonwagenkamp in de Brabantse stad dat in de jaren negentig is gesloten. 

Dit tweeluik stipt die historie kort aan, met bijdragen van oud-lerares Riek Kuijper en voormalig maatschappelijk werker Rob Spit, maar had daar nog wel wat verder op in mogen gaan, om zo de achtergronden van de familie R., de bijbehorende woonwagencultuur en het mogelijke verband met hun huidige activiteiten te exploreren.

Nu blijft De Godfather Van Oss veelal op true crime-niveau steken: bij de spraakmakende misdrijven die worden toegeschreven aan de familie R. Vanuit een klein subkamp aan de Osse Hoogheuvelstraat zou die de lakens uitdelen in de Brabantse onderwereld. Waarbij het wel fascinerend is dat enkele leden zelf ook hun zegje mogen/willen doen.

Hoewel Martiens broer Antoon R., rechterhand Arnold M. en schoonzus Bea T. alle beschuldigingen tamelijk achteloos verwerpen, geven ze toch een interessant inkijkje in hun gedachtegang, activiteiten en milieu. En dat doet toch eerder denken aan The Sopranos dan aan The Godfather.

Wat Is Het Waard?

Mave Media / BNNVARA

Aan de hand van drie concrete casussen belichten Max Vessies en Gonzalo Ochoa in de korte docu Wat Is Het Waard? (25 min.) het toenemende geweld tegen Nederlandse journalisten. In 2023 werden bij Persveilig, een organisatie die zich ten doel heeft gesteld om ‘de positie van journalisten te versterken tegen geweld en agressie op straat, op social media en tegen juridische claims’, maar liefst 218 incidenten met journalisten gemeld.

In Göteborg, waar hij samen met zijn Zweedse vriendin woont, vertelt podcasthost, columnist en programmamaker Sander Schimmelpenninck bijvoorbeeld over hoe hij vanuit extreemrechtse hoek aanhoudend wordt bestookt met bedreigingen, laster en stalking. Tot handgeschreven brieven aan zijn Zweedse schoonfamilie aan toe. Schimmelpenninck vindt het daarom wel zo prettig om buiten Nederland te wonen. In Zweden voelt hij zich veiliger, vertelt hij tijdens het uitlaten van de hond.

De Rotterdamse journaliste Tara Lewis werd in 2022 ernstig bedreigd na een column in NRC over de Roze Kameraden, de LHBTIQ+-supportersvereniging van de voetbalclub Feyenoord. Op een gegeven moment adviseerde de politie haar zelfs om tijdelijk haar woning te verlaten, omdat er vanuit de harde kern van de club concrete plannen zouden zijn om dat in brand te steken. Intussen wilde Lewis zelf gewoon wedstrijden van Feyenoord kunnen blijven bezoeken in stadion De Kuip.

Misdaadjournalist Paul Vugts tenslotte kreeg in de nazomer van 2017 concrete aanwijzingen dat er voor hem een moordopdracht was afgegeven. Uit zijn publicaties in het Parool hadden criminelen opgemaakt dat Vugts nog veel meer moest weten dan hij al had opgeschreven en op basis daarvan geconcludeerd dat hij daarom maar beter uit de weg kon worden geruimd. Vugts leefde vervolgens een aanzienlijke periode in een safehouse en mocht alleen met beveiliging de straat op.

De ervaringen van Schimmelpenninck, Lewis en Vugts maken tastbaar hoe kwetsbaar kritische journalisten kunnen worden in de huidige maatschappelijke verhoudingen en hoeveel moed en doorzettingsvermogen het dan van hen en hun directe omgeving vraagt om dat werk gewoon te vervolgen. De opzet en lengte van deze film laten echter niet toe dat zij verder gaan dan het simpelweg delen van wat hen is overkomen en welke rol dat nu nog speelt in hun leven.

Dat volstaat weliswaar om de problematiek (nogmaals) te agenderen, maar laat ook nog het nodige te wensen over.

Kunstroof

Periscoop Film

Als er op 16 oktober 2012 wordt ingebroken bij de Kunsthal in Rotterdam, is de Nederlandse kunstwereld in rep en roer. De dieven hebben zeven schilderijen en tekeningen gestolen van de Triton Collectie van de Rotterdamse havenbaron Willem Cordia (1940-2011), die onder de noemer ‘Avant-gardes’ werden geëxposeerd. Er zijn werken van onder anderen Picasso, Matisse, Gauguin en Monet gestolen. Waar moeten de inbrekers worden gezocht? In de Balkan? Of toch in Ierland?

Uiteindelijk komt een groep jonge Roemeense kruimeldieven uit het dorpje Carcaliu in beeld. Zij lijken aan het einde van de zomer van 2012 tamelijk willekeurig op rooftocht te zijn gegaan in Nederland. Zoveel belang als de conservatoren en kunstkenners aan de gestolen werken hechten, zo weinig betekenis hebben die voor de dieven. Zij zijn vooral afgegaan op de bekendheid van de desbetreffende kunstenaar en hoeveel geld het schilderij dan kan opleveren.

‘Een beroemde crimineel die ik redelijk goed ken heeft ’t nog steeds over Andy Warholt’, legt kunstdetective Arthur Brand uit in Kunstroof (102 min.). ‘Anderen hebben ’t over Picasso. En dan zie ik gewoon dat het geen Picasso is, maar een Dali.’ Wat hij maar wil zeggen: de dieven hebben geen idee wat ze stelen, alleen dat het veel waard is. ‘Als jij naar een museum gaat en je ziet zo’n werk hangen, dan zie je een mooi portret of wat dan ook. Zij zien een tien miljoen dollar-biljet.’

Octave ‘Okkie’ Durham is misschien wel Neerlands bekendste kunstdief. Hij wilde in 2002 Van Goghs De Aardappeleters – die hij volgens Brand consequent ‘de Aardappeltelers’ noemt – gaan stelen. Dat schilderij bleek echter te groot om mee te nemen. Daarom nam hij maar twee andere Van Goghs mee. Okkie heeft geen hoge pet op van de beveiliging van veel Nederlandse musea, zegt hij in deze film van Jorien van Nes. ‘Een kledingwinkel in de stad’ is volgens hem nog beter beveiligd.

Met direct betrokkenen zoals conservator Peter van Beveren, hoofdinspecteur Raymond Kolsteren en de Roemeense officier van justitie Raluca Bottea duikt Van Nes in de roof en het belang van de gestolen werken. Parallel daaraan reconstrueert ze met acteurs de handel en wandel van de dieven uit Carcaliu en hun politieverhoren. Deze hybride werkt ten dele. De twee verhaalvormen komen eerst niet helemaal samen. De gedramatiseerde scènes blijven veelal voelen als, ja, drama.

Later nemen de gebeurtenissen bijna kluchtige vormen aan – als de dieven de gestolen waar maar niet van de hand kunnen doen en vervolgens op allerlei plekken verbergen – en werken die reconstructiescènes beter en versmelten ze ook gemakkelijker met de interviews, die eveneens een steeds onwerkelijker karakter krijgen. Kunstroof slalomt dan comfortabel tussen ‘based on a true story’ en ‘truth is stranger than fiction’ door.

Daughter Of Genghis

Elk Film / VPRO

Van Chinezen moet ze niets hebben. Gerel Byamba zweert bij haar Mongoolse identiteit. ‘We zijn afstammelingen van Genghis Khan’, zegt de alleenstaande moeder tegen haar zoontje Temuulen. Zij groeide op in de buurt van de Chinese grens en vreest de bijna vijftig miljoen alleenstaande mannen aan de andere kant daarvan. Die vormen een bedreiging voor de zuiverheid van het Mongoolse volk.

En daarvoor maakt deze Daughter Of Genghis (80 min.) zich sterk. Eerst als lid van een groep extreemrechtse skinheads, daarna als boegbeeld van een volledig uit vrouwen bestaande ultranationalistische club, Gerel Khas. Beide organisaties gebruiken het hakenkruis als symbool. Want voor Byamba blijft de Swastika gewoon een zonnewiel, dat helaas ooit is gekaapt door de nazi’s.

Christian Als, Kristoffer Juel Poulsen en Knud Brix hebben de verbitterde dertiger voor deze film zeven jaar lang gevolgd. Ze begint als een verwrongen soort feministe, die met enkele getrouwen binnenvalt bij als massagesalon vermomde bordelen en de vrouwen daar vernedert. Intussen moet ze zelf alle zeilen bijzetten om de kost te verdienen en een goede ouder te zijn voor haar zoon.

Wordt het niet eens tijd dat je stopt? vraagt een vriendin haar. ‘Als jij doodgaat, wat gebeurt er dan met je kind? Wordt hij net als jij? Een eenzame strijder die bereid is om te sterven voor nationale veiligheid en de zuiverheid van ons bloed?’ De opmerkingen leiden tot een pittige confrontatie tussen de twee vrouwen, die Gerel Byamba uiteindelijk toch aan het denken zet. Of ze nu wil of niet.

Ze moet de confrontatie aan met zichzelf en met wat haar gemaakt heeft tot wie ze nu is. Byamba’s moeder overleed toen ze pas zes jaar oud was, haar vader was daarna nauwelijks in staat om voor haar te zorgen. En toen ze de liefde van haar leven ontmoette en zwanger van hem werd, sloeg het noodlot opnieuw toe. Haar persoonlijke verdriet zette ze daarna om in woede op de wereld.

Geduldig kijken de filmmakers mee als hun protagonist haar blik gaandeweg naar binnen richt. Dat proces wordt nog eens versterkt doordat ze eieren voor haar geld moet kiezen en een baan in de Gobi-woestijn accepteert, waar een spoorlijn naar China wordt aangelegd en ze aan het werk gaat met Chinese collega’s. Haar zoon Temuulen blijft achter in Ulaanbataar, de hoofdstad van Mongolië.

Los van elkaar proberen moeder en zoon hun onderlinge band te versterken en groeien ze, vastgelegd in even fraaie als intieme scènes, naar elkaar toe. De zenuwtic rond Gerels ogen maakt gaandeweg plaats voor een voorzichtige glimlach. Het is de kroon op haar persoonlijke ontwikkeling, die in deze subtiele observerende film overtuigend zichtbaar wordt gemaakt.