Bono: Stories Of Surrender

Apple TV+

Een kleine man met een aanzienlijk ego – en zelfspot, dat ook. Een geboren verteller, laverend tussen kleine momentjes en grote gebaren. Paul Hewson. Al een slordige veertig jaar wereldberoemd als U2-frontman Bono. Hij voelt zich duidelijk senang in het middelpunt van de belangstelling, Ook op dit podium, van het Beacon Theatre in New York. En zonder zijn drie vaste begeleiders, Larry, Adam en The Edge. 

Bono: Stories Of Surrender (86 min.) is de zwart-witte weerslag van z’n gelijknamige onemanshow, die weer is gebaseerd op zijn memoires Surrender: 40 Songs, One Story. Een heel leven, met al z’n pieken en dalen, gecondenseerd tot anderhalf uur aan (sterke) verhalen en klassieke liedjes. Met niet veel meer dan een tafel en enkele stoelen, in de rug gedekt door het excellerende Jacknife Lee Ensemble.

Regisseur Andrew Dominik, die eerder de stemmige Nick Cave-muziekfilms One More Time With Feeling (2017) en This Much I Know To Be True (2022) maakte, zet het vergrootglas op de toch al niet kleine performance van het Ierse podiumbeest en voegt daar enkele zorgvuldige geënsceneerde backstage-momenten aan toe. Kippenvel is bijna verzekerd, of het nu van pure verrukking of totaal afgrijzen is.

Bono valt direct met de deur in huis: met een scène uit 2016, als zijn leven in het New Yorkse Mount Sinai Hospital aan een zijden draadje hangt. Al snel volgt het jeugddrama dat zijn verdere leven heeft bepaald: de dood van zijn moeder Iris, die bij de uitvaart van haar eigen vader in elkaar zakte. De veertienjarige Bono was voortaan aangewezen op zijn vader Bob, die nooit meer over zijn overleden echtgenote sprak.

Broer Norman had wel wat te bieden: zijn gitaar. ‘Een schild, een wapen, een vertrouweling’, aldus Bono. ‘En een andere stem om mee te bidden: muziek.’ Zo past de man elke gebeurtenis in z’n narratief. Zijn allereerste liedje, Out Of Control, werd bijvoorbeeld meteen de eerste U2-single. En hij ontmoette de andere leden van die band in dezelfde week als zijn vrouw Ali, met wie hij nu al zo’n halve eeuw samen is.

Achteraf bezien krijgt zo alles in het leven van de Ierse zanger, spreker en activist betekenis. Het móest zo zijn, inclusief de vroegtijdige dood van zijn katholieke moeder en het ongemak tussen hem en zijn protestantse vader. ‘I was born with my fists up’, concludeert Bono aan het einde van z’n betoog. ‘Surrender does not come easy to me. To bow down to my bandmates, my wife, my maker is a struggle.’

Met Bono: Stories Of Surrender, waarin natuurlijk ook talloze U2-klassiekers een plek hebben bemachtigd, zet hij een uitroepteken achter wat je sowieso al van hem vindt: typische ‘man you love to hate’? Of toch eerder: ‘hate to love’?

Kees Vliegt Écht Uit

c: Malou van Breevoort / Videoland

De lotgevallen van Kees Momma, hoe ontwapenend of grappig die soms ook uitpakken, vormden in wezen altijd al een drama. Over een man die zich maar niet los kan maken van zijn vader en moeder. En over ouders, moeder Henriëtte in het bijzonder, die hun volwassen zoon eveneens blijven vasthouden. Dat werd nog niet eerder zo schrijnend als in deze derde Kees-film van Monique Nolte.

Wat zich in de vorige twee documentaires – Het Beste Voor Kees (2014) en Kees Vliegt Uit (2023) – al aandiende en toen ook meteen aanzienlijke vertraging opliep, is nu onvermijdelijk geworden: Kees Momma, een hypergevoelige man van halverwege vijftig met een autismespectrumstoornis, moet afscheid gaan nemen van de twee mensen rond wie hij zijn complete bestaan heeft opgebouwd.

Deze nieuwe episode uit het Kees-feuilleton begint waar de vorige film ophield: bij de woning die zijn ouders ooit voor hem kochten, even verderop in dezelfde straat te Velp, waar hij maar niet daadwerkelijk introk. Kees bleef een vaste gast van ‘pappie en mammie’ in het ouderlijk huis en het chalet dat, speciaal voor hem en zijn werkzaamheden als tekenaar, bij hen in de tuin was geplaatst.

Terwijl hun zoon in deze derde film gewoon z’n oude zelf blijft – altijd geïrriteerd ridderend, hardop denkend en zeer zorgvuldig en archaïsch formulerend – worden zijn ouders zienderogen ouder. Vader Willem oogt steeds breekbaarder, terwijl de geest van moeder Henriëtte alsmaar meer begint te haperen. Totdat zij haar zoon net zo hard nodig heeft als hij haar – al was dat waarschijnlijk altijd al zo.

De interactie tussen de onverbiddelijk wegglijdende moeder en het volwassen kind dat haar koste wat het kost probeert vast te houden en daarbij geen oog wil/kan hebben voor wat zij nodig heeft, is pijnlijk om te aanschouwen. Hoewel ze soms rechtstreeks wordt aangesproken door Kees en hij haar zo nu en dan ook brieven schrijft, slaagt Nolte er op zulke momenten in om zich geheel onzichtbaar te maken.

Dit geeft Kees Vliegt Écht Uit (87 min.) iets heel intiems – de façade voorbij, op het ongemakkelijke af. In lang uitgesponnen scènes wordt langzaam maar zeker het kleed onder het bestaan van Kees (en zijn moeder) weggetrokken. Klassieke muziek of zijn modeltreinen kunnen hem dan helpen, maar rust is lang niet altijd verzekerd. Hij moet zijn leven, dat zich afspeelt op een vierkante centimeter, grondig herbezien.

Deze film openbaart tegelijkertijd geen nieuwe of andere Kees. Daarvoor hangt hij te veel aan zijn eigen rolpatronen, rituelen en preoccupaties. Monique Nolte laat echter zien dat je zelfs dan – al is het alleen uit puur lijfsbehoud – soms verder kunt springen dan je polsstok eigenlijk lang is. Naar een ander bestaan, opgedrongen door een nieuwe werkelijkheid. De toekomst is dus onvermijdelijk: Kees Solo.

En dat is tevens de titel van de vierde Kees-film, waarmee Monique Nolte haar hartveroverende feuilleton binnen afzienbare tijd vervolgt – al lijkt haar onweerstaanbare hoofdpersoon ’t daarin tóch weer niet alleen te gaan doen.

Yoràn Vroom – Master Of Drums

Zeppers

Je hoeft niet over een kennersoog te beschikken om te zien dat er ‘iets’ gebeurt als dat kleine kereltje, hooguit een jaar of drie, twee stokjes heeft bemachtigd. Fanatiek begint Yorán Vroom ermee op de rand van een fauteuil te trommelen. Met de kennis van nu zeg je: hij heeft zíjn lotsbestemming dan al gevonden. Een aandoenlijke kleuter uit de Amsterdamse Rivierenbuurt, vereeuwigd in talloze aandoenlijke familievideo’s. Zo’n dertig jaar later geldt Vroom als een topdrummer en -slagwerker. Hij treedt in de hele wereld op met zijn eigen Group Of Friends en geeft les op het conservatorium.

Yoràn drumde eerst links, vertelt zijn moeder Esther in de documentaire Yoràn Vroom – Master Of Drums (58 min.), omdat hij ‘t zichzelf via de spiegel leerde. In de navolgende jaren bouwde hij met allerlei spullen langzaam zijn eigen drumstelletje. Eddy Veldman, sinds jaar en dag drumleraar in de Bijlmer, kon zijn ogen nauwelijks geloven: dit vijfjarige jochie kon al roffelen! Yoràn zou negen jaar bij zijn mentor blijven hangen en heeft hem nog altijd graag aan z’n zijde. ‘Ik bewonder die gozer’, bekent Veldman trots. ‘Je hoort het Afrikaans, je hoort het Surinaams, je hoort alles gewoon… En ook fijn werk, hè? Die man speelt zo secuur!’

Documentairemaker John Appel neemt de tijd om zijn bedachtzame hoofdpersoon ook in die hoedanigheid te laten zien: helemaal opgaand in zijn eigen muziek, bijvoorbeeld tijdens een optreden met zijn Group Of Friends op North Sea Jazz, een festival dat hij als peuter voor het eerst bezocht, of tijdens een reis met zijn muzikale vrienden naar Senegal, waar hij als jochie les kreeg van meesterdrummer Famoutou Konaté. Vrooms eigen composities zijn een weerslag van de Afro-diaspora – via de slavenschepen werden ook de cultuur en muziek van Afrikanen over de wereld verspreid – en de muzikale reis die hij zelf heeft afgelegd.

In deze film geeft Vroom, een alleenstaande vader die zelf zijn vader nauwelijks heeft gekend, stukje bij beetje ook meer over zichzelf prijs – al blijft het parool van dit warmbloedige portret uiteindelijk tóch: let the music do the talking. Want die taal verstaat vrijwel iedereen – en kan een Amsterdams jongetje blijkbaar al helemaal in de vingers hebben.

The Home Game

VPRO

Al 25 jaar ligt het voetbalveld van Hellissandur er verweesd bij. Het werd halverwege de jaren negentig, op initiatief van trainer Vidar Gylfason, aangelegd op een lavaveld achter de gletsjer. De plaatselijke voetbalclub Reynir FC zou er zijn allereerste wedstrijd gaan spelen. Een belangrijke match, voor de IJslandse beker. De ploeg uit het westen van het land lootte alleen een uitduel. Het werd ook nog eens een smadelijke nederlaag: 10-0 tegen het altijd gevaarlijke Grindavik FC.

Sindsdien is het elftal nooit meer in de actie gekomen. De gemeenschap van nog geen vierhonderd inwoners smacht inmiddels naar eerherstel. Gylfasons zoon Kári Vidarsson wil het voetbalelftal dus nieuw leven inblazen en dan wederom inschrijven voor de IJslandse bekercompetitie, in de hoop dat de loting nu wel een thuisduel oplevert: The Home Game (79 min.), de ultieme gelegenheid om het veld nu eindelijk eens te dopen en zo meteen het leven in Hellissandur te vieren.

Voor het zover is moet de nieuwe kartrekker, in de rug gesteund door zijn altijd enthousiaste vader Vidar, nog wel enkele oude helden, nieuwe talenten én een voormalige bijna-international – van het vrouwenelftal, dat wel – zien op te trommelen voor de plaatselijke trots. Samen nemen ze zich in deze sympathieke kleine film van Smari Gunn en Logi Sigursveinsson één ding voor: we gaan er ditmaal niet met dubbele cijfers vanaf. Sterker: misschien kunnen we wel winnen.

Ze loten in elk geval een thuiswedstrijd. Op zaterdag 10 april 2021 moet Reynir FC ’t echter gaan opnemen tegen het nog véél gevaarlijkere Afturelding FC, één van de beste IJslandse teams. Voor het nieuw samengestelde elftal en hun supporters is het spel echter beslist belangrijker dan de knikkers. Geen overwinning kan op tegen lekker samen ballen. Voetbal is vooral een sociaal smeermiddel, om een kleine gemeenschap bij elkaar te brengen en houden.

En The Home Game is de vermakelijke weerslag daarvan, een feelgood-docu die zich volledig richt op de onweerstaanbare charme van de belangrijkste bijzaak in de wereld.

Oasis: Supersonic

Mint Pictures

Ze zijn weer uit de dood herrezen. Zoals dat nu eenmaal gaat met bands die ooit véél populairder waren dan de afzonderlijke leden daarna nog zijn geworden. Dan is de verleiding om dat verleden nog eens te bezoeken – en nog eens en nog eens en… – nauwelijks te weerstaan. Zeker omdat ook de portemonnee daar beslist niet leger van wordt.

En dus laat Oasis deze zomer weer ouderwets hits als Don’t Look Back In Anger, Champagne Supernova en Wonderwall herleven en bekvechten ook de gebroeders Gallagher, de Peppi en Kokki van de Britse popmuziek, weer ouderwets met elkaar. Gitarist en songschrijver Noel, het Beatlesque pophart van de groep uit Manchester, en zanger en frontman Liam, de soms onuitstaanbare blufkikker van dat gezelschap. Hoewel er onmiskenbaar ook chemie is tussen de twee broers, kunnen ze elkaar vaak nog altijd niet luchten of zien. ‘Noel heeft heel veel knopjes, zegt Christine Mary Biller van het management van de band daarover. ‘En Liam heeft heel veel vingers.’

In het typische bandjesportret Oasis: Supersonic (116 min.) uit 2016 loopt Matt Whitecross (Coldplay: A Head Full Of Dreams) de geschiedenis van de Britpopband netjes door met de bandleden en mensen uit hun directe entourage, waaronder Liam en Noels moeder Peggie, hun broer Paul en platenbaas Alan McGee. Zij geven, buiten beeld, commentaar bij de concertfragmenten, studio-opnames, interviews, tv-optredens en backstage-beelden, waarmee de stormachtige opkomst van Oasis en de beste jaren van de band, halverwege de jaren negentig, worden gereconstrueerd. Alle strapatsen van ná 1996, evenals de rivaliteit met grote concurrent Blur, blijven onbelicht.

Dat Oasis vroeger of later zal imploderen, staat vanaf het begin vast. Zoveel grootspraak, onderbroekenlol en drugsgebruik zet de interne verhoudingen nu eenmaal op scherp en eist vroeger of later zijn tol. Op dat niveau – van jongens die zich laven aan alle denkbare rock & roll-clichés – blijft de film ook wel een beetje steken. Héél veel dieper graaft Whitecross niet. Al wordt de problematische relatie van de Gallaghers met hun vader – Noel: ‘In zekere zin heeft mijn ouwe mijn talent in me geslagen – nog wel aangestipt. De charme van deze film is juist dat Noel en de vijf jaar jongere Liam, allebei dik in de veertig bij de release ervan, nog altijd ondubbelzinnig in hun eigen imago lijken te geloven.

En hun bandje, ooit het grootste van de héééle wereld, trekt bijna dertig jaar na hun glorieperiode dus nog altijd volle stadions. Oasis-fans blijken bereid om de absolute hoofdprijs te betalen voor de gewezen vaandeldragers van de Britpop.

Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag

TG4

Het duurt even voordat Gerry Conlon, in het archiefinterview uit 2013 dat wordt gebruikt in de tv-docu Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag (60 min.) van Sinéad Ingoldsby, niet meer op de karakteracteur Daniel Day-Lewis lijkt – en zijn broze vader Guiseppe niet meer op Pete Postlethwaite. In de speelfilm In The Name Of The Father (1993) gaven zij op een verpletterende manier een gezicht aan de Noord-Ierse vader en zoon Conlon, die onschuldig in de gevangenis waren beland. Guiseppe zou deze nooit meer verlaten.

Samen met Paul Hill, Carole Richardson en Paddy Armstrong werd Gerry in 1974 gearresteerd voor bomaanslagen van de IRA in twee pubs te Guildford. Ze zouden ruim vijftien jaar in een Britse cel zitten en kwamen bekend te staan als ‘The Guildford Four’. Intussen waren ook Gerry’s vader en zes andere leden van hun uitgebreide familie ingerekend vanwege het bezit van nitroglycerine, een vloeistof waarmee bommen kunnen worden gemaakt. Zij gingen door het leven als ‘The Maguire Seven’.

Voor de veroordeling van deze ‘terroristen’ uit het weerspannige Noord-Ierland was geen enkel bewijs. Hun straf was volledig gebaseerd op verklaringen die de verdachten zelf hadden afgelegd – onder zéér moeilijke omstandigheden en immense druk. En hoewel de Britse politie, toen en later, alle reden had om die getuigenissen nog eens goed onder de loep te nemen, bleven ze dat consequent weigeren. Dat was het gemakkelijkste. Die lui uit Ulster zaten netjes achter slot en grendel – of ze nu schuldig waren of niet.

Ruim een halve eeuw na dato maakt deze documentaire de balans op van die onverkwikkelijke geschiedenis. De onterechte veroordelingen stalen niet alleen vijftien jaar uit het leven van de direct betrokkenen, maar bleven hen ook naderhand parten spelen. Ze waren de lol in het leven definitief kwijt, hadden psychologische hulp nodig en/of kampten met PTSS. Gerry Conlon, die in 2014 op slechts zestigjarige leeftijd overleed, bleef volgens zijn advocaat Alastair Logan bijvoorbeeld een ‘troubled man’.

Van de zogenaamde ‘Guildford Four’ zijn alleen Hill en Armstrong nog in leven. Die laatste participeert ook in deze film. Hij oogt opmerkelijk mild en laat zich alle aandacht aanleunen. Paddy Armstrong geniet van een schilderij dat van hem is gemaakt en bezoekt een voorstelling over zijn levensverhaal (dat eerder ook al het boek Life After Life (2017) heeft opgeleverd). Dat lijkt een keuze te zijn. Na zijn vrijlating is Paddy een nieuw leven begonnen. Bitterheid kan je opvreten. Dit wilde hij niet laten gebeuren.

Dat is niet iedereen gegeven: voor Gerry Conlons zus Bridie, die dus ook haar vader Guiseppe verloor, gaat het verleden bijvoorbeeld niet weg. Dat wil ze ook helemaal niet. Zij heeft zich vastgebeten in de zaak van The Guildford Four en Maguire Seven en probeert nog altijd geheime documenten vrij te krijgen. Hoewel er inmiddels vijftig jaar zijn verstreken sinds de Britse politie het huis van enkele onschuldige Noord-Ierse burgers binnenviel, is de zaak dus nog altijd niet naar tevredenheid afgerond.

Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag, dat dit verhaal van binnenuit en voor een belangrijk deel ook in de plaatselijke taal Gaelic vertelt, is daarvan het tragische bewijs. De weerslag van schrijnend onrecht, dat willekeurige burgers wordt aangedaan als de jacht op ‘een’ schuldige de zoektocht naar de waarheid volledig overvleugelt.

An Eternity Of You And Me

MCO Film

Zo vanzelfsprekend als de kippen in hun tuin eieren leggen, zo moeizaam verlopen de pogingen van de Belgische filmmaakster Sanne This en haar Deense echtgenoot Albert Davidsen om zwanger te worden. Het leek zo vanzelfsprekend dat ze samen een kind zouden krijgen. Totdat dit helemaal niet zo vanzelfsprekend blijkt.

Hun pogingen om nageslacht te verwekken beginnen luchtig – en worden in deze persoonlijke film dan nog begeleid door vrolijke muziekjes – maar raken meer en meer beladen als een spontane zwangerschap uitblijft en het stel in de medische molen terecht komt. In verwachting raken – in de ideale wereld het resultaat van een enkel spontaan moment – verwordt dan tot een taai proces, waarin Sanne en Albert voortdurend heen en weer worden geslingerd tussen hoop en wanhoop.

This heeft dit zelf vastgelegd. Van binnenuit dus. Dat geeft An Eternity Of You And Me (79 min.) een zeer intiem karakter – al moet ’t ook lastig zijn geweest om voor kwetsbare momenten een camera klaar te zetten en alvast op ‘record’ te drukken. Als er weer een zwangerschapstest moet worden gedaan bijvoorbeeld, waarvan de uitslag natuurlijk ongewis is. Tussendoor gaan ze af en toe op bezoek bij een bevriend koppel, dat inmiddels wel kinderen heeft. Dat is gaandeweg vast een bezoeking geworden.

Deze documentaire speelt zich voor een belangrijk deel in en om hun woning te Kopenhagen af, met uitstapjes naar allerlei vruchtbaarheidsartsen en klinieken. Terwijl ze klussen aan hun huis, de kippen proberen te beschermen tegen een vos en plannen maken voor een boomhut in de tuin, fantaseren ze samen over hoe ’t leven eruit gaat zien als… Ja, als. Maar wat nu als er niets gebeurt – en tegelijk ongelooflijk veel? Een kinderwens die (nog) niet wordt vervuld kan zelfs de sterkste persoon of relatie breken.

Sanne This en Albert Davidsen lijken elkaar in elk geval stevig vast te houden. Dat is tenminste het beeld dat zij ervan schetst in deze film. Ze doen ’t echt samen: hopen, slikken en huilen – en dan weer, verrassend snel ogenschijnlijk, opkrabbelen en doorgaan. An Eternity Of You And Me, in de loop van ruim drie jaar gefilmd, wordt zo een optimistische vertelling, die tegelijkertijd héél privé en universeel voelt.

Congonhas: Tragédia Anunciada

Netflix

De ramp na de ramp. En vooral: de ramp vóór de ramp. Die zijn bijna net zo erg als het vliegtuigongeluk zelf. Wanneer een Airbus A320 van vliegmaatschappij TAM op 17 juli 2007 bij z’n landing op de luchthaven Congonhas, midden in de metropool São Paolo, niet voldoende kan remmen en tegen een gebouw aanvliegt, is de schade nauwelijks te overzien. Het gaat om de dodelijkste vliegramp in de Latijns-Amerikaanse geschiedenis, met 187 doden aan boord en twaalf slachtoffers op de grond.

In Congonhas: Tragédia Anunciada (139 min.) reconstrueert Angelo Defanti eerst met overlevenden, nabestaanden en direct betrokkenen hoe vlucht JJ3054, twee uur eerder opgestegen in Porto Allegre, bij z’n landing het gebouw voor vrachtverkeer van TAM binnenvliegt. Daarna concentreert de driedelige serie zich op de commotie na de ramp, waarbij de vliegmaatschappij, het Braziliaanse agentschap voor veilig vliegverkeer ANAC en zelfs president Lula danig onder vuur komen te liggen.

Want kijkend naar de voorgeschiedenis lijkt het om een ‘aangekondigde tragedie’ te gaan. ‘Het was vreselijk’, zegt een insider, ‘maar voorspelbaar.’ Brazilië is immers al enkele jaren in de greep van een luchtvaartcrisis. Het vliegverkeer is in de voorgaande jaren enorm toegenomen, de luchthavens kunnen de drukte allang niet meer aan. Op Congonhas zijn er ook al langer problemen met de landingsbaan, waarop groeven voor waterafvoer ontbreken. Er dreigt voortdurend slipgevaar.

Ruimte om pas op de plaats te maken en afdoende veiligheidsgaranties in te bouwen zien de betrokken bedrijven en instanties echter niet. Ze willen door. De prijsvechter TAM heeft z’n prioriteit in elk geval zeker niet bij de veiligheid van de passagiers liggen. De Braziliaanse vliegmaatschappij gaat prat op z’n zeven geboden. De eerste? ‘Er gaat niets boven winst.’ Dat dit gebod voorop staat is toeval, beweert CEO Marco Antonio Bologna, achttien jaar na de ramp op Congonhas, nog altijd met droge ogen.

Haarfijn identificeert Defanti in deze pijnlijke miniserie alle losse elementen die samen wel tot een ramp móesten leiden. ‘Winst is natuurlijk belangrijk’, stelt Dario Scott, vader van de tiener Thaís. Na het ongeluk waarbij zijn dochter om het leven kwam heeft hij zich onvermoeibaar opgeworpen als woordvoerder van de nabestaanden – óók in Congonhas: Tragédia Anunciada. ‘Elk bedrijf moet winstgevend zijn, maar winst mag niet belangrijker zijn dan mensenlevens.’

Voetbalmiljonair Uit Oost

BNN

Het leven lijkt Mbark Boussoufa toe te lachen. Als voetballer van Anzhi Makhachkala is hij terechtgekomen in het elftal van coach Guus Hiddink, met wereldtoppers zoals Samuel Eto’o en Roberto Carlos. Niet slecht voor een Marokkaanse jongen die opgroeide in Amsterdam-Oost. Als klein jochie deed hij ooit van zich spreken: voor een wedstrijd van Ajax verbeterde ie het record hooghouden.

In de Russische deelrepubliek Dagestan, de thuisbasis van Anzhi, is het vanwege terreuraanslagen al enige tijd niet veilig. Boussoufa woont dus tweeduizend kilometer verderop, in de hoofdstad Moskou. Bovendien dreigt de clubeigenaar, miljardair Soelejman Kerimov, zich terug te trekken. Het is de vraag wat dit betekent voor de Marokkaanse international en zijn vaste hofhouding.

Thuis in Nederland kwakkelt Boussoufa’s vader Slima intussen met z’n gezondheid. Hij hoopt ook dat zijn eigen Voetbalmiljonair Uit Oost (80 min.), die furore maakte bij de Belgische topclub Anderlecht, eindelijk eens aan een gezin begint. Dat is de startpositie van deze ferme documentaire van Carin Goeijers uit 2015, waarin Mbark en de rest van de islamitische familie Boussoufa worden gevolgd.

De aanvallende middenvelder speelde aanvankelijk in de jeugdopleiding van Ajax met leeftijdsgenoten als Wesley Sneijder, Nigel de Jong en Hedwiges Maduro, maar zou uiteindelijk nooit actief zijn in de Nederlandse eredivisie. Na zijn carrière in België, waar ie tweemaal de Gouden Schoen voor beste speler won, belandde Boussoufa in 2011 in het verre Rusland, waar dan het grote geld is te verdienen.

Daarmee onderhoudt Mbark Boussoufa zowel zijn familie in Nederland als de vaste entourage waarmee hij zich in het buitenland omringt, waaronder zijn beste vriend Lorenzo (manager) en broer Moussi (personal assisant). Dat luxe leven lijkt nochtans een eenzaam bestaan, als de persoon om wie altijd alles draait. Zo gedraagt de voetballer zich soms overigens ook: als een man wiens wil wet is.

Via de voetbalmiljonair in Dagestan brengt Goeijers tevens een familie in beeld, die tussen drie werelden leeft: Marokko, Nederland en Rusland. Rond een Marokkaanse pater familias die in Nederland geen geschikte partner kon vinden en toen in zijn geboortedorp de moeder van z’n kinderen strikte. En nu wil Slima ook voor zijn zoon Mbark op zoek. ‘Maar dat wilde hij niet. Hij zei: laat maar aan mama over.’

Het mag in elk geval geen ‘golddigger’ worden, meent broer Moussi, die ook ooit een carrière als betaald voetballer ambieerde en altijd in de schaduw van zijn oudere broer bleef spelen. Zo houdt deze documentaire steeds het midden tussen een gelaagd familieportret en een film over de besognes van een dik betaalde topvoetballer, die zijn geld mogelijk bij een andere club moet gaan verdienen.

KIJK HIER: Voetbalmiljonair Uit Oost

Het Zwijgen Van Loe de Jong

Selfmade Films

In eigen kring zweeg Loe de Jong (1914-2005) doorgaans categorisch over de oorlog, waarvan hij zijn levenswerk had gemaakt. Als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie groeide hij uit tot dé Nederlandse WOII-autoriteit. De Jong was het gezicht van het televisieprogramma De Bezetting (1960-1965) en schreeg de gezaghebbende boekenreeks Het Koninkrijk Der Nederlanden In De Tweede Wereldoorlog (1996-1994).

Als Abel en Daan, de zoons van zijn door de nazi’s vermoorde tweelingbroer Sally, vragen hadden over wat er was gebeurd met hun vader, wimpelde hij die echter resoluut af. ‘Jongen, je moet in het heden leven’, zei Loe dan. Hij zou zelfs eens hebben gezegd dat geschiedenis helemaal geen zin heeft. ‘Je moet je niet met het verleden bezighouden’. Toch is dat precies wat de broers, die de oorlog overleefden op een onderduikadres, gaan doen. En Loe’s kleindochter Simonka de Jong documenteert dat proces.

Na het overlijden van de toonaangevende historicus zijn er namelijk brieven gevonden van Sally de Jong, die zijn eeneiige tweelingbroer altijd achter had gehouden voor diens zoons. In Het Zwijgen Van Loe de Jong (55 min.) uit 2011 gaan zijn neven, die geen bewuste herinneringen hebben aan hun ouders, op zoek naar de reden. Die queeste begint in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, waar in een kluis nog altijd Loe’s kenmerkende brillen, pacemaker en pijptabak worden bewaard.

Loe de Jong, kind van een Joods gezin in Amsterdam, vluchtte aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Engeland. Het was de bedoeling geweest dat ook zijn ouders en jongere zusje zouden meegaan. Onderweg waren ze elkaar echter kwijtgeraakt. Sally was toen al gemobiliseerd als arts en niet meer bereikbaar. De eeneiige tweeling zou nooit herenigd worden. Toen Loe, nadat hij tijdens de oorlog voor Radio Oranje had gewerkt, terugkeerde in Nederland, was zijn gehele familie verdwenen.

Daan de Jong grijpt elke strohalm aan om meer te weten te komen over dat verleden en te ontdekken waarom Loe zo weinig over zijn broer wilde vertellen. Tegelijk ontstaat er verwijdering met zijn eigen broer Abel en onmin over het feit dat hij doorgaat met deze film over zo’n gevoelige familiekwestie. Die stelt echter niemand in een kwaad daglicht – al komt Loe de Jong er niet uit naar voren als een bijzonder invoelend mens – en laat vooral zien hoe het verleden ook Joodse families nog altijd verscheurt.

En Loe’s kleindochter Simonka leert tijdens een andere kant kennen van haar beroemde opa: de soms beste kleine man achter het levensgrote icoon.

Viktor

Cinephil

De Oekraïense jongeling Viktor (89 min.) wil het leger in. Zijn land verdedigen. En de onuitgesproken belofte aan zijn vader gestand doen. Die is in 2015 overleden en had toen vast niet kunnen vermoeden dat de Russen zeven jaar later aan de grens zouden staan, klaar om hun land binnen te vallen.

Aan de vooravond van die historische gebeurtenis start ook deze zwart-wit film van Olivier Sarbil. Viktor staat buitenspel bij die oorlog. Hij is sinds zijn vijfde doof – oorkanker – en mag daarom, tot zijn verdriet, niet in het leger. ‘Ik spreek tot jullie met een stem, die ik zelf niet kan horen’, zegt hij in de openingsscène, met de aardedonkere ‘inner voice’ waarmee hij/Sarbil de film aanstuurt. ‘De doven worden aan de kant geschoven en raken verloren. Ze verliezen het contact met de horende wereld. Ik wilde een krijger zijn, maar misschien heb ik mezelf voor de gek gehouden.’

Terwijl hij dit ‘zegt’ houdt Viktor een samoeraizwaard vast. Zijn andere houvast. Hij zweert bij Miyamoto Musashi’s boek De Strategie Van De Samoerai. Ondanks zijn imposante gestalde, een gepijnigde blik en donkere baard – die zijn moeder niet te kort mag knippen, anders verliest hij, gelijk Samson, wellicht zijn kracht – oogt hij op zulke momenten als een jongetje. Met een heel irreëel beeld van de oorlog. Sarbil, die zelf gehoorschade heeft opgelopen tijdens z’n werk, valt hem echter niet lastig met moeilijke vragen tijdens zijn pogingen om een plek in het Oekraïense leger te bemachtigen.

Intussen speelt de filmmaker met het geluid en die inwendige stem, die overigens heel anders klinkt dan Viktor zelf. Zodra die een machinegeweer krijgt omgehangen blijkt dat hij een talent heeft voor schieten. Instructeurs kunnen nauwelijks geloven dat Viktor dit nog nooit eerder heeft gedaan. Dat betekent alleen niet dat er ook plek is voor hem in één van de legereenheden. Daarvoor verloopt de communicatie met iemand die niet kan horen toch te stroef. Op momenten dat soldaten aan één woord genoeg moeten hebben, zou Viktor volstrekt aan de Goden zijn overgeleverd.

Deze documentaire is bedoeld als een immersieve ervaring, een poging om te benaderen hoe een jonge, vaderlandslievende en dove man de oorlog in zijn land ervaart. Dat voelt soms enigszins gekunsteld en staat zo nu en dan ook het ervaren van diezelfde oorlog in de weg. Alsof alles minder hard binnenkomt. Secundair. En misschien is dat precies hoe Viktor die oorlog ervaart en waarom hij er zo graag deel van wil uitmaken – al is het dan als fotograaf, de uitweg die hij uiteindelijk vindt om zijn diepgevoelde behoefte en de daaraan opgelegde beperkingen te omzeilen.

‘Stilte is geen leegte’, stelt die innerlijke stem intussen. ‘Er ontbreekt niets. Het is de aanwezigheid van het zelf en niets anders. En in deze stilte vind ik m’n vrede.’

Faderen, Sønnerne Og Helligånden

Christian Sønderby Jepsen

Een stevig fundament ontbreekt. En dus leiden de Deense broers Henrik en Christian Ernst een zeer wankel bestaan. Hun moeder Elisabeth had een serieus alcoholprobleem en overleed op jonge leeftijd. Vader Preben startte daarna een nieuw gezin met een Thaise vrouw en heeft elke vorm van contact met hen verbroken. En dan is er nog de nalatenschap van hun vermogende opa Hans Peter Ernst. Die overleed in 2010, maar daarvan hebben de broers nooit een cent gezien. Ze zijn ervan overtuigd dat de handtekening onder zijn testament is vervalst.

De Deense documentairemaker Christian Sønderby Jepsen volgt de gebroeders Ernst in Faderen, Sønnerne Og Helligånden (Engelse titel: The Father, The Sons And The Holy Trinity, 97 min.) gedurende een langere periode, waarin ze hun leven op orde proberen te krijgen. Henrik heeft in de voorgaande jaren weinig uitgevreten. Behalve gamen en blowen. En samen met zijn vrouw Ceci z’n gezin een beetje bij elkaar gehouden. Hij kan zich goed voorstellen dat mensen in hem, die kerel met dat lange haar en die cowboyhoed op, niet meer dan een luie loser zien.

Henriks broer Christian, met wie hij een tijd nauwelijks contact had, heeft een veelbewogen bestaan achter de rug. Als hij aan hun vader Preben denkt, kan Christian nog altijd zomaar in woede ontsteken. Hij oogt als een eeuwige jongen. Van het versleten soort, dat wel. En als een ruige kerel, dat ook, met z’n getatoeëerde handen en die tattoo op z’n linkeroor. Christian raakte op jonge leeftijd verslaafd aan heroïne, zat enkele jaren in de gevangenis en was ook een flinke tijd dakloos. Net als hij zijn leven enigszins op de rit lijkt te hebben, dient er zich een nieuwe ontwikkeling aan.

Christian sluit zich aan bij een orthodox-christelijke militie. Binnen de kortste keren heeft hij een leren clubjack met de tekst ‘Hellige Danmark’ aangetrokken, verklaart hij ferm dat Denemarken toch echt van en voor de Denen is en begint hij rond te hangen met lieden die heel fier op hun land zijn – waarbij het de vraag is of dat wederzijds is. In Servië zoekt Christian zielsverwanten van de Holy Europe-beweging op, kerels met gemillimeterd haar en een bomberjack. Bovendien plaatst hij ‘von’ voor zijn achternaam – vermoedelijk omdat het Germaanser klinkt. Christian Peter von Ernst.

Henrik ziet deze ontwikkeling met lede ogen aan. ‘Ik ga niet graag om met een Führer-achtig types en alle bijbehorende symbolen’, zegt hij ongemakkelijk lachend. ‘Ik weet niet waar hij mee bezig is.’ Hij richt zich naar de camera: ‘Weet ie dat zelf eigenlijk wel?’ Henrik besluit intussen te stoppen met blowen en zijn oude beroep van elektricien weer op te pakken. En hij houdt goed in de gaten hoe ’t gaat met zijn oudste zoon Alexander. Zou deze langharige tiener, een rasechte metalhead, in staat zijn om het familiesysteem te doorbreken en zowaar zijn school af te maken?

Via de getormenteerde broers Ernst en hun gezinnen laat Christian Sønderby Jepsen zien hoeveel moeite het kost om een leven dat al op jonge leeftijd is ontspoord weer op de rit te krijgen – áls dat al lukt. Zijn film- en montagestijl is al even ruw als de levens die zich voor zijn cameralens ontvouwen. Los van wat toegevoegde muziek permitteert hij zich geen enkele opsmuk. Ook geen spannende ontknoping overigens. Het spoor naar dat vervalste testament loopt al snel dood. Het leven gaat ondertussen gewoon door. Twee stappen vooruit en één weer terug, lijkt het parool.

En familie blijft familie – hoe verknipt die misschien ook is.

Flophouse America

Cinema Delicatessen

De afwas doen ze in het bad. Beter: die doet hij. Die moet hij doen. Mikal, de twaalfjarige zoon. Samen met zijn ouders Jason en Tonya woont hij in een aftands Amerikaans motel. Met z’n drieën op een goedkope kamer.

Al te veel gebeurt er in eerste instantie niet in Flophouse America (80 min.), de debuutfilm van de Noorse fotografe Monica Strømdahl. De drie hangen maar wat rond. Mikal verdwijnt het liefst de hele dag in videogames, drukt zich uit in basale gedichten en speelt met de kat. Jason gaat geregeld werken of eten halen en blijft onderweg dan nog wel eens ergens steken. En Tonya lijkt tot heel weinig te komen. Behalve drinken.

Deze documentaire speelt zich vrijwel volledig af op die ene kamer. Soms ontsnapt Mikal even naar de gang of naar de plek in de hal, waar je tegen betaling een wasje kunt draaien. En dan wacht die kamer weer, waar hij als opgroeiende tiener geen enkele privacy heeft, voortdurend wordt gewezen op het feit dat zijn schoolcijfers te wensen overlaten en zijn ouders bepaald niet altijd het goede voorbeeld geven.

Als een vlieg op de muur vangt Strømdahl de situatie in de desolate kamer. Te beginnen met de leegte en landerigheid. Wie heeft er bijvoorbeeld wodka op de kat geknoeid? Met het drinken volgen andere uitdagingen vanzelf. ‘Mikal, maak je uit de voeten’, draagt Jason hem op, als hij met z’n vrouw – en Meatloaf op de speakers – een feestje heeft gebouwd. Ze trekken resoluut een gordijn dicht. Even tijd voor elkaar.

Spanningen en conflicten kunnen niet uitblijven. Mikal wil eigenlijk maar één ding: dat zijn ouders stoppen met drinken. En laat dat nu het enige zijn wat ze niet lijken te kunnen of willen. Het leven – in armoede, zonder uitzicht – is een beest geworden dat ze, zeker moeder, alleen beneveld in de bek durven te kijken. Elke vorm van decorum gaat ondertussen, voor het oog van Strømdahls nietsontziende camera, het raam uit.

‘Het is niet zo erg als je denkt’, houdt Jason Mikal tijdens een conflict voor. ‘Misschien is het erger dan jij door hebt’, riposteert zijn zoon fel, terwijl een stomdronken Tonya het gesprek voortdurend onderbreekt met dwarse opmerkingen. Toch is Flophouse America meer dan een genadeloze strooptocht door Amerika’s onderbuik, waar elke vorm van (mede)menselijkheid wordt geofferd aan de roes van drank of drugs.

Terwijl ze, op die luttele vierkante meters, worstelen met het leven, ontwikkelen Jason en Tonya zich ook tot gelaagde personages, die zeker niet helemaal losgezongen zijn geraakt van de wereld en elkaar. Tegelijkertijd toont deze zielstriemende film via hen wat het hedendaagse Amerika doet met de mensen die nauwelijks kunnen meekomen in de eindeloze ratrace – en het nageslacht dat zij onderweg op de wereld zetten.

Daarmee werpt zich Strømdahl op als pleitbezorger van ‘alle Mikals van deze wereld’. Dat ligt er misschien wat dik bovenop, maar dit familieportret agendeert wel zeer effectief de situatie van de Amerikaanse onderklasse, die ook gemakkelijk kan worden weggezet als ‘trailer trash’. Gelukkig bevat de documentaire, te langen leste, ook nog nét genoeg zonnestralen om enige hoop voor hun toekomst te koesteren.

Blue Notes & Higher Grounds

Max

Anthon, de 89-jarige vader van filmmaker Erik de Bruyn, kwakkelt steeds nadrukkelijker met zijn gezondheid. Er moet echter heel wat gebeuren wil hij een repetitie of optreden overslaan van de Seaside Dixieland Jazz Band, waarin hij sinds z’n pensionering trombone speelt. Als hij musiceert met z’n vrienden – of zijn liefde voor muziek deelt in z’n eigen programma Carrousel op Radio Schouwen-Duivenland – oogt Anthon even vitaal als altijd. Dan is er weinig van te merken dat hij in de ‘PHPD’-fase van zijn leven zit: pijntje hier, pijntje daar.

De appel valt niet ver van de boom: ook Erik zelf is verknocht aan muziek, net als diens zoon Ole. In de warme documentaire Blue Notes & Higher Grounds (alternatieve titel: Swingtij, 57 min.) tekent De Bruyn via zijn vader en diens vrinden op wat muziek kan betekenen voor mensen op leeftijd. Anthons beste vriend Bart Wind, een oud-collega bij de politie te water met wie hij al ruim een halve eeuw optrekt, koestert zelfs nog een bescheiden droom: hoe mooi zou ‘t zijn als ze nog eens mogen optreden op het Jazz By The Sea-festival in Domburg? ‘Als je daar mag staan, dan hoor je bij de top, hè?’, zegt de beminnelijke Bart enthousiast. ‘Maar ik denk wel dat ’t te hoog gegrepen is, hoor.’

De oude dag zorgt bij alle bandleden voor kleinere en grotere gebreken. Saxofonist Ad Smaal heeft last van ijzerstapeling, trompettist Dies de Jonge kampt met reuma en pianist Maarten Bruijnes heeft last van artrose in zijn handen. Wat doe je daaraan? wil Erik de Bruyn weten. ‘Doorspelen’, antwoordt Bruijnes nuchter. ‘Dat zal wel moeten. Met klagen gaat ‘t niet over.’ En anders is er nog altijd drummer Reinier van der Valk, met 65 de benjamin van de groep en tevens huisarts in Bruinisse. ‘Stel dat er wat gebeurt, dan moet er iemand de AED bedienen’, zegt hij lachend. ‘Dat is natuurlijk ook een extra reden dat ik drummer van de band ben geworden.’

Los daarvan is (samen) muziek maken goed voor lichaam en geest. Je hoeft overigens geen dokter te zijn om dat te kunnen constateren. Één blik op een repetitie van de Seaside Dixieland Jazz Band, elke vrijdagavond in de wachtkamer van Van der Valks praktijk, is genoeg: hier zitten mannen die helemaal in hun element zijn, die er samen alles uithalen wat er nog altijd inzit. Dat gevoel – van muziek als positieve en verbindende kracht – weet deze liefdevolle film, waarin Erik de Bruyn en passant een klein monumentje opricht voor zijn vader Anthon, diens boezemvriend Bart en zijn moeder Fetty, uitstekend over te brengen.

The Treasure Hunter

Gex Film

De vindplaats is natuurlijk niet met een kruis aangegeven, stelt Jack nog maar eens ten overvloede. De jonge Brit zoekt nu al een jaar of zes, geheel verblind en met één arm op zijn rug gebonden, naar Yamashita’s goud.

Bij de invasie van de Filipijnen, in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, beroofde de Japanse generaal Tomoyuki Yamashita het land van zijn schatten. En toen de Japanners na de capitulatie weer met de staart tussen de benen uit de Aziatische archipel moesten vertrekken, zou hij volgens plaatselijke legenden het verzamelde goud hebben verstopt in het labyrint van grotten, gangen en tunnels van zijn strijdkrachten.

Jack is ervan overtuigd dat hij die schat kan vinden – en zijn beste vriend Giacomo Gex, die eigenlijk beter zou moeten weten, legt zijn verwoede pogingen om schathemeltjerijk te worden van zeer nabij vast. Één blik op al dat gegraaf en gewroet in claustrofobische kuilen, gangetjes en grotten en een buitenstaander weet genoeg: Jack zal nooit iets vinden en zal desondanks altijd blijven doorgaan. Tot hij er helemaal aan kapot is gegaan.

Steun van zijn ouders hoeft The Treasure Hunter (84 min.) niet te verwachten. Beter: echte steun. Geld is – herstel: wás – er in overvloed. Jacks vader, die ooit een flinke rederij bezat, heeft naar verluidt al miljoenen gepompt in de redeloze queeste van zijn zoon. Het water staat ook hem inmiddels aan de lippen. En Jacks moeder had ’t al niet zo breed. Ook zij legt echter haar laatste cent apart. Zodat ze met z’n allen naar de Gallemiezen gaan.

Het is een tragische geschiedenis. De jonge protagonist, een lastig invoelbaar personage, trekt zijn hele omgeving, inclusief zijn Filipijnse vrouw en kind, mee in zijn verslaving. Plaatselijke huurkrachten zijn er goed mee – al denken zij er vast het hunne van. Totdat Jack zichzelf tot de orde roept en z’n leven weer in het gareel probeert te krijgen. Hij kan natuurlijk ook een normale huisvader worden, die tegen betaling Engelse les geeft.

Dat lijkt eigenlijk wel zo gemakkelijk, maar hoeveel jaren er ook overheen gaan, de goudzucht laat hem nooit helemaal los. Die aap op Jacks rug blijft zich maar roeren, toont Giacomo Gex, in deze donkere en beklemmende film, waarvan het einde, dat geen einde kan zijn, bij het begin al vast lijkt te staan. En dat is ook voor de kijker een ontmoedigende gedachte.

Ik Was Een Kind

Doxy / EO

‘Wat heb ik van die man gehouden!’ constateert Anneloes van ‘t Licht aan het einde van Geertjan Lassches indringende film Ik Was Een Kind (76 min.). Het is een bijzonder wrange conclusie. Diezelfde man – haar eigen vader, inmiddels overleden – heeft haar ook gesloopt.

Als zestienjarig meisje deed Anneloes aangifte tegen hem, een bekende SGP-politicus. Vanwege seksueel misbruik. Incest. Nu, 25 jaar later, overziet ze de schade die dat heeft veroorzaakt in haar leven. De manier waarop ze na die aangifte, ook tegen haar broer, werd behandeld vond ze nog erger dan het misbruik zelf. Ze werden bovendien niet veroordeeld – ook niet in hoger beroep. Het bewijs zou onrechtmatig zijn verkregen.

Voor deze documentaire heeft Anneloes brieven rondgestuurd, in de Gereformeerde gemeenschap waarbinnen ze opgroeide. De brief aan haar moeder heeft ze persoonlijk bezorgd. Slechts een enkeling – een broer van vader, een nicht, een gezinsverzorgster – blijkt bereid om met haar in gesprek te gaan. Net als tal van hulpverleners, die ze in die heftige periode en het van tragiek doortrokken leven daarna, op haar pad vond. 

Van ‘t Licht nodigt hen uit, om de maalstroom van gebeurtenissen die haar hebben getekend door te nemen, om er samen vat op te krijgen. Lassches camera is daarbij permanent gericht op de hoofdpersoon, die centraal in beeld zit. De anderen zijn niet meer dan passanten in haar schrijnende relaas. ‘Ik moet dit doen’, houdt ze zichzelf voor in dagboekfragmenten die de ontmoetingen inkaderen. ‘Voor mezelf, voor m’n kinderen.’

Met deze documentaire wil Anneloes zichzelf laten zien, ‘met alles wat er in mij zit’. Woede bijvoorbeeld. Over de ‘victim blaming’, verhalen over ‘seksueel wervend gedrag’. ‘Dat jullie ‘t in het verborgene willen houden, ergens snap ik het zelfs nog’, zegt ze boos tegen de camera. ‘Maar stóp met mij de schuld geven. Ík heb niet mezelf misbruikt.’ Ze laat een stilte vallen. ‘En ma, u weet, u wéét, dat ik de waarheid spreek. U wéét het.’

Ik Was Een Kind is echter niet zozeer een keiharde afrekening met haar familie als wel een poging om te begrijpen wat er is gebeurd, waarom haar dierbaren hebben gehandeld zoals ze deden en wat dit nu voor haar betekent. De film markeert wel het afscheid van een waardensysteem en de bijbehorende zwijgcultuur, waarvan Anneloes niet langer deel uit wil en kan maken – ook al zit dit, of ze nu wil of niet, diep in haar verankerd.

Die worsteling met het verleden, haar familie en zichzelf is pijnlijk om te zien. Een lijdensweg, een afspiegeling van de weg die ze daadwerkelijk heeft moeten afleggen, die in het hier en nu, voor de camera, nog eens wordt opgeroepen, om die dan, als ‘t enigszins kan, definitief achter zich te laten. Zodat de vrouw, die gedwongen door de omstandigheden altijd kind moest blijven, nu eindelijk in het heden kan gaan leven.

Heb Je Geen Kinderen?

c: Elvin Boer

Heb Je Geen Kinderen? (46 min.). Die vraag krijgt journalist en podcastmaker Liesbeth Rasker, net als sommige andere Nederlandse vrouwen die geen moeder willen worden, al heel lang voor haar kiezen. Gevolgd door de wacht maar-opmerking: wacht maar tot je in de dertig bent of een vaste relatie hebt. Rasker heeft daar last van. Er gaat sociale druk van uit. Ze gaat er ook weer van twijfelen of ze niet tóch een kind wil.

Terwijl ze eigenlijk weet: het moederschap is niets van mij. Die constatering gaat dan weer gepaard met verdriet. En dat is in haar specifieke situatie ook helemaal niet vreemd: Rasker verloor op tienjarige leeftijd haar eigen moeder, een onderwerp dat ze vorig jaar uitgebreid met familieleden, vrienden en lotgenoten heeft geëxploreerd in de aangrijpende documentaire Vroeg Verloren van Tessa Louise Pope.

Dat het overlijden van haar moeder verband zou kunnen houden met het ontbreken van een kinderwens wimpelt Liesbeth Rasker in eerste instantie resoluut af. Het onderwerp komt echter toch weer ter sprake tijdens een workshop met lotgenoten, Nederlandse vrouwen die ook geen moeder willen worden, welteverstaan. Met memoblaadjes die op een spiegel worden gegroepeerd inventariseren ze hun ervaringen en gevoelens.

In deze veilige omgeving benoemt Liesbeth Rasker ook dat voor haar ‘het overlijden van een kind een onacceptabel risico’ is. Die opmerking wordt verder alleen nauwelijks onderzocht. Zoals deze film van Pim Castelijn sowieso vooral z’n punt lijkt te willen maken: dat het krijgen van kinderen nog altijd de norm is en dat dit door vrouwen die het ‘niet-moederschap’ ambiëren als zeer beknellend kan worden ervaren.

En dus gaat Rasker vooral praten met geestverwanten: een jonge vrouw die zich al heel jong heeft laten steriliseren, een stel waarbij de man wél en de vrouw géén kinderwens had (en die met een lesbisch koppel ‘de beste oplossing ooit’ voor alle betrokkenen vonden) en een moeder op wie het ouderschap zwaar weegt (een thema dat vorig jaar overigens ook al werd uitgewerkt in de docu Spijtmoeders van Milou Gevers).

Rasker vindt bij haar bronnen precies wat ze zocht – ook omdat kritische vragen achterwege blijven – en lijkt niet serieus te hebben gezocht naar wezenlijk andere gezichtspunten. Ze heeft ook wel erg nadrukkelijk in de mediawereld rondgekeken. Toen ze te gast was in de talkshow van Eva Jinek, om over dit onderwerp te spreken, bleek zelfs de host de druk om moeder te worden te hebben ervaren. Uitroepteken.

En interviewer Antoinnette Scheulderman, waarbij ze aan het eind langsgaat, is ongetwijfeld een geschikt rolmodel voor vrouwen die bewust kinderloos zijn, maar nieuwe inzichten levert haar inbreng dan niet meer op. Wat zou het hebben gebracht als Rasker haar eigen kring eens had verlaten en zou gaan spreken met kinderloze vrouwen die zich nooit belemmerd hebben gevoeld of die juist later tóch spijt hebben gekregen?

Niet omdat Raskers eigen voorkeur voor het niet-moederschap er niet zou mogen zijn of moet worden verdedigd, maar juist om die bij anderen te toetsen en verrijken. Nu wordt Heb Je Geen Kinderen? waarschijnlijk precies wat de makers voor ogen hadden – ‘een emancipatoir pamflet vanuit een persoonlijke invalshoek’ – maar heeft de film niet heel veel méér te bieden.

The Tuba Thieves

SFFILM

Hoe ’t is om slechthorend (of doof) te zijn? De Amerikaanse kunstenares Alison O’Daniel wil de ervaring delen. Hoe geluid alomtegenwoordig kan zijn – of niet. En hoe het samensmelt met beelden, er juist keihard tegenaan botst of gedachteloos langs dendert. In haar eerste film The Tuba Thieves (90 min.), een hybride van docu en drama, zoekt O’Daniel die zintuiglijke, wonderlijke en soms ook vervreemdende ervaring doelbewust op, zodat die ook voor horenden beter invoelbaar wordt.

Ze dwingt haar kijkers om voortdurend af te stemmen: waar kijk/luister ik naar, hoe moet ik dit interpreteren en waar moet ik ’t plaatsen in de rest van de vertelling? De diefstal van tuba’s van middelbare scholen in Los Angeles, in de periode 2011-2013, fungeert daarbij als startpunt. Maar wat dit nu betekent? Jonge muzikanten en hun orkesten die beroofd worden van hun meest dominante en voelbare instrument? De daders worden aan het eind in elk geval niet in de kraag gevat. Daar gaat ’t duidelijk niet om.

The Tuba Thieves is een exploratie van de (niet-)horende wereld. Waar laag over LA heen scherende vliegtuigen en helikopters elk gesprek onmogelijk maken – tenzij het met gebarentaal wordt gevoerd, natuurlijk – en de wereld regelmatig even stilleggen. Waar bezoekers van het laatste concert in The Deaf Club – of een re-enactment daarvan – tijdens het optreden gewoon rustig kunnen bijpraten of discussiëren. En waar Prince tijdens de Purple Rain-tour van 1984 een gratis concert geeft op de dovenschool Gallaudet College.

De hele film is ondertiteld. Fout: de geluiden of muziek zijn via teksten in beeld beschreven. Dat betekent iets wezenlijk anders: een helikopter scheert bijvoorbeeld over de snelweg tussen de bergen door. Het beeld lijkt op z’n kop. En intussen kun je [BEATING HELICOPTER BLADES] horen of lezen. De camera houdt daarna halt bij enkele middelbare scholen, begeleid door [TUBA NOTES…]. Bij de John C. Fremont School, ‘Home of the Pathfinders’, bezweert een elektronisch bord vervolgens: ‘All is not lost’.

[ONE TUBA NOTE PLAYED FOR THIS LONG…] staat er vervolgens bij het exterieur van de South Gate High School, terwijl er vanuit dat gebouw een monotone tuba klinkt. En dan is het, inderdaad, precies op tijd stil. Al die beelden en (uitgeschreven) geluiden, het is een onwerkelijke ervaring. Het is ook moeilijk om vat te krijgen op wat McDaniel er precies mee wil. Behalve een zintuiglijke ervaring bewerkstelligen en nieuwe verbanden in het brein leggen tussen kijken en horen, op het snijvlak tussen fictie en non-fictie bovendien.

Een geënsceneerd verhaal over de dove Afro-Amerikaanse vrouw Nyke, met een voorliefde voor drummen, en haar eveneens dove vader en geliefde Nature Boy vormt het hart van de film. Waarbij het de vraag blijft of de dove acteurs (een versie van) zichzelf spelen. Helder is dat ook niet/slecht horende mensen zich moeten verhouden tot geluid. Zoals ook géén geluid geluid is. Een idee dat is vervat in 4’33”, het ‘silent piece’ van John Cage. Ruim vier minuten gecomponeerde stilte, nu gereconstrueerd.

Met al die los-vast verbonden verhaalelementen en de voortdurende afwisseling van geluid, stilte, lawaai en muziek groeit The Tuba Thieves uit tot een even intrigerend als ongrijpbaar pleidooi voor inclusiviteit.

Het Is Een Schone Dag Geweest

Eye

Het boerenbedrijf van het oudere Zeeuwse echtpaar De Putter houdt op te bestaan. Nog één jaar, nog vier seizoenen. En dan zijn de De Putters uitgeboerd.

Via z’n ouders vereeuwigt Jos de Putter in zijn verstilde debuutfilm Het Is Een Schone Dag Geweest (70 min.) uit 1993 – ondertitel: kleine vertelling over een laatste oogstjaar – tevens een verdwijnende levensstijl. Een bestaan dat zich enkele tempo’s langzamer lijkt af te spelen. Leven van de dieren en het land, in slow-motion bijna. Mindful avant la lettre. Alles gebeurt met zorg en aandacht – ook het filmen door hun zoon. 

Jos, inmiddels een gelauwerde Nederlandse documentairemaker, was destijds, begin jaren negentig, niet bereid om de erfgenaam geworden waarop zijn ouders hadden gehoopt. Zoals zijn vader ooit zijn eigen vader was opgevolgd. Het feit dat het familiebedrijf niet zal worden voortgezet zorgt voor een grote leegte, zegt z’n moeder, zittend aan de keukentafel, tegen haar zoon. ‘Waar boert ie dan nog voor?’

Alle dagelijkse bezigheden van haar echtgenoot – zaaien, voeren, hooien, sleuven graven, alles met de hand – krijgen daarmee het karakter van een afscheid, door zoon Jos met gevoel voor esthetiek en drama vastgelegd. Een laatste weemoedige blik op een wereld die snel verdwenen zal zijn. Voor ruim elfduizend gulden verkoopt De Putter ook zijn koeien. De deal wordt bezegeld met een gezamenlijk glaasje sterke drank.

Wat hem van het laatste jaar is bijgebleven? vraagt Jos aan zijn vader als het einde echt nabij is. Die antwoordt geheel in stijl: dat we in een natte periode zitten, nu. Hij lijkt er verder niet over na te denken. Of: te willen denken. ‘En voor u persoonlijk?’ vraagt zijn zoon door. Vader laat een lange stilte vallen en neemt een slok van z’n koffie. ‘Hoe bedoel je: persoonlijk?’ Aan zijn gezicht valt af te lezen dat hij de vraag wel heeft begrepen.

Zo stevent het familiebedrijf onafwendbaar af op het einde, een proces dat door de filmmaker uit de familie is vervat in zorgvuldig gekozen – en volgens eigen zeggen ook geënsceneerde – beelden. Dat hij daarbij een rookmachine heeft ingezet om mist te suggereren heeft hem overigens nog wel nodige kritiek opgeleverd. De dagelijkse werkelijkheid van zijn ouders hoeft toch helemaal geen handje te worden geholpen?

Het Is Een Schone Dag Geweest heeft zich desondanks ontwikkeld tot een Nederlandse documentaireklassieker, een film waarmee een verloren land en tijd is gedocumenteerd en een belangwekkende maker geïntroduceerd.

Trailer Het Is Een Schone Dag Geweest

The Baby Daddy

Yes Docu

Op een feestje waar een aantal moeders en kinderen zich hebben verzameld – als één grote ‘happy family’ – maakt Ari Nagel van de nood maar een deugd. Er is ook een nieuw vrouwenkoppel met een kinderwens aanwezig. Daarin kan hij misschien wel meteen voorzien. Op het toilet legt hij dus de hand aan zichzelf, zodat het stel het resultaat daarvan in een nabijgelegen slaapkamer kan inbrengen.

Zo heeft de Joodse wiskundeleraar uit New York inmiddels 22 kinderen op de wereld gezet. Nee: 26. Ik bedoel: 29. Weet ik veel. Véél. Steeds meer zelfs. Véél meer. Want Ari, bijgenaamd ‘The Sperminator’, weet van geen ophouden. Sterker: The Baby Daddy (78 min.) laat er geen misverstand over bestaan: hij kán helemaal niet ophouden. En voor veel van die kinderen wil hij ook best een soort vaderrol vervullen – en voor andere wordt hij gedwongen om alimentatie te betalen. Hij houdt ’t allemaal netjes bij op een speciaal daarvoor aangemaakt Excel-spreadsheet.

Nagel, die ook al één van de hoofdrollen had in Lance Oppenheims unheimische Spermworld, gunt Adi Rabinovici en Yair Cymerman in dit portret een ogenschijnlijk ongefilterd kijkje in zijn leven: van de problematische relatie met zijn orthodoxe ouders, die afstand nemen van de manier waarop hij zijn leven invult, tot de omgang met zijn oudste kind, de achttienjarige Tyler, in wie Ari zowaar een soort opvolger ziet. Hij neemt de jongen dus gewoon mee op zijn omzwervingen door binnen- en buitenland, waarop hij zijn kinderschare gestaag blijft uitbreiden.

Rabinovici en Cymerman lijken nauwelijks geïnteresseerd in Nagels beweegredenen. Ze gaan in elk geval niet heel erg op zoek naar de belangrijkste vraag die hun hoofdpersoon oproept: waarom? Wat beweegt een Amerikaanse man van halverwege veertig om overal – toiletten in de Target, op het vliegveld of in een winkelcentrum lijken favoriet – vrouwen aan een kind te ‘helpen’? Ook die andere voor de hand liggende vraag komt overigens slechts beperkt aan bod: wat vinden de moeders ervan dat hij vrolijk doorgaat met het verwekken van halfbroertjes en -zusjes van hun eigen kinderen?

The Baby Daddy volgt simpelweg de bal(len): naar overal waar Ari nu weer met een leeg bekertje een klein hokje opzoekt. Tussen al die momentjes van klein geluk door – gratis, maar niet belangeloos – vangt de film ook de frictie die er soms ontstaat tussen Arie en zijn zoon Tyler, die zich toch wel een beetje schaamt voor die overactieve vader, en de ongemakkelijke ontmoetingen met Nagels tamelijk laconieke vader Heshy en zijn vinnige vrouw Shirley, zorgvuldig buiten beeld gehouden, die haar zoon op niet mis te verstane manier laat weten dat ze zijn leefwijze verafschuwt.

Het geheel – het bizarre leven van de ‘Target-donor’ Ari Nagel – vormt een even onwerkelijk als onweerstaanbaar schouwspel.