Anna: Status

Prime Video

Als je imago niet alleen voor de buitenwereld bepaalt wie je bent, moet het verdomd lastig zijn om de controle daarover af te geven aan een willekeurige filmmaker. In Anna: Status (170 min.), waarvan ik tot dusver drie afleveringen heb gezien, twijfelt Anna Nooshin voortdurend over wie of wat ze wil laten zien. Net als Ali B. dat eerder deed in de vergelijkbare productie Ali Bouali. Die conversatie over wat er wel en niet wordt gedeeld voor de camera heeft ongetwijfeld ook tot doel om het belang van dit portret te benadrukken. In de trant van: in deze vierdelige serie laat de befaamde Iraans-Nederlandse influencer Anna Nooshin méér, zo niet álles, zien van zichzelf.

Het is natuurlijk wel de vraag hoeveel ruimte de hoofdpersoon van showrunner Niki Padidar heeft gekregen om te bepalen wat de serie op welke manier mag halen. Wie heeft bijvoorbeeld bedacht om Anna’s eerste sessie met psychiater Glenn Helberg, waarbij ze van binnenuit wordt opgewacht met de camera, te filmen? Wie heeft het initiatief genomen om een soort familiegesprek te organiseren met haar moeder en zus, over hun vluchtverleden en haar gewelddadige vader? En wie heeft het onzalige idee opgevat om acteur Derek de Lint te vragen om een bij vlagen ironische voice-over in te spreken, die de plank af en toe helemaal misslaat?

Anna: Status is over het algemeen tamelijk ruw gefilmd en gemonteerd, zodat de serie een ‘reality’-feel krijgt. Tegelijkertijd oogt ie ook zorgvuldig gestyled. Neem het centrale interview waarin Nooshin het achterste van haar tong lijkt te laten zien. Als ze vertelt over haar kwetsbaarheid, gebrek aan zelfliefde en onvermogen om gelukkig te zijn, zit ze op de grond, tegen een betegelde muur in een soort fabriekssetting. Ze is nauwelijks opgemaakt, draagt onopvallende kleding en kistjes en wordt een beetje van bovenaf gefilmd. Zo, willen de filmmakers/Anna zelf ons duidelijk maken, ziet iemand eruit die zich kwetsbaar opstelt.

In het verleden, in haar geboorteland Iran en de eindeloze tocht langs AZC’s in Nederland, lijkt de sleutel te liggen naar het begrijpen van de persoon Anna Nooshin. Daartegenover staan scènes met het fenomeen Anna Nooshin in de buitenwereld: tijdens fotosessies, bijkletsend met YouTuber Robbert Rodenburg en in een kunstgalerie, waar ze (samen met oud-wielrenner Thomas Dekker) een kunstwerk probeert aan te kopen. Het is duidelijk: in Nooshins leven lijken de binnenkant en de buitenkant soms volledig langs elkaar heen te leven. Duidelijk is ook dat Nooshin een kwetsbaar rolmodel is. Geen slachtoffer overigens, volgens haarzelf, maar een overlever.

In dat opzicht doet deze erg grillige productie enigszins denken aan de twee documentaireseries over een ander omstreden boegbeeld van millennials, Famke Louise De Documentaire en Famke Next. Allebei leven ze een leven waarin het persoonlijke, publieke en zakelijke volledig verknoopt zijn geraakt met elkaar. En waarbij geluk en succes bepaald niet vanzelfsprekend samengaan en soms zelfs op ramkoers met elkaar kunnen liggen.

They Call Me Magic

Apple TV+

Het is in 1979 letterlijk een kwestie van kop of munt: krijgen The Chicago Bulls of The Los Angeles Lakers de kans om het toptalent Earvin ‘Magic’ Johnson in te lijven? Het wordt uiteindelijk Californië voor de topper in spé uit Lansing, Michigan. Naast een bewezen crack als Kareem Abdul-Jabbar kan de mediagenieke Afro-Amerikaan met de kamerbrede glimlach er uitgroeien tot één van de succesvolste Amerikaanse basketballers aller tijden en zo een remonte van de zwalkende National Basketball Association (NBA) inluiden.

Dat is het startpunt voor de gelikte vierdelige docuserie They Call Me Magic (240 min.), waarin Johnsons carrière netjes wordt doorgelopen, gebruikmakend van een mixture van wedstrijdbeelden, nieuwsreportages en interviews. Magic zelf komt natuurlijk aan het woord. Familie, vrienden en kennissen. Collega’s zoals Michael Jordan, Isiah Thomas en Larry Bird. De onvermijdelijke sportjournalisten, basketbalofficials en deskundigen. En ook het verplichte blik Bekende Amerikanen wordt opengetrokken. Daarin blijken ditmaal Barack Obama, Snoop Dogg, Bill Clinton, Samuel L. Jackson, Spike Lee, Rob Lowe, Paula Abdul, LL Cool J, Jimmy Kimmel en Arsenio Hall te zitten.

Met al die verschillende sprekers maakt regisseur Rick Famuyiwa er een typisch Amerikaanse sportdocumentaire van: een vertelling die continu van drama via cliffhanger naar overwinning snelt – en weer terug. Van Johnsons komeetachtige opkomst via de (opgeklopte) zwart-wit rivaliteit met de blanke held Larry Bird van de grote concurrent The Boston Celtics en de entree van de nieuwe superster Michael Jordan tot zijn schokkende mededeling dat hij besmet is geraakt met het HIV-virus. Een vet aangezette basketbalsaga, die natuurlijk is gelardeerd met onnoemelijk veel superlatieven, dramatiek en clichés. Dichtgesmeerd bovendien met een vlotte collectie soul-, pop- en discohits.

Al dat spektakel kan echter niet verhullen dat They Call Me Magic slechts zelden écht de diepte ingaat. Zoals het ook slechts zelden écht lijkt te schuren in het leven van de goedlachse Magic. Zelfs het feit dat hij de relatie met zijn echtgenote Cookie tot driemaal toe heeft afgebroken voordat het kwam tot een huwelijk heeft achteraf bezien ook wel zijn charme. Pas als Johnson krijgt te horen dat hij HIV heeft en vervolgens een spreekbuis wordt voor besmette Amerikanen krijgt de serie werkelijk scherpte en diepgang. Dan gaan de toch wat gladde praatjes aan de kant en toont de man achter Magic, Earvin Johnson, alsnog publiekelijk zijn ziel.

In de laatste aflevering van de serie roept alleen de plicht weer (deelname met het zogenaamde Dream Team aan de Olympische Spelen, terugkeer in de NBA, de start van een eigen zakenimperium en ondertussen ook nog het bij elkaar houden van zijn gezin) en verdwijnt de urgentie net zo snel als ie is gekomen, ten faveure van wat toch wel héél dicht bij een hagiografie komt.

JFK: Destiny Betrayed

Hij heeft de schijn enigszins tegen. In de speelfilm JFK uit 1991 tuigde Oliver Stone met veel bravoure een enorm complot op rond de moord op de Amerikaanse president John F. Kennedy op 22 november 1963. Lee Harvey Oswald, die in het officiële onderzoek van The Warren Commission werd aangemerkt als de ‘lone gunman’, zou in werkelijkheid slechts een zondebok zijn geweest. JFK was in Stone’s vertelling uit de weg geruimd door een samenzwering van de CIA, maffia en anti-Castro activisten.

Oliver Stone’s paranoïde real life-thriller, waarin fictie en non-fictie virtuoos werden vervlochten, veroorzaakte heel wat commotie en dwong de Amerikaanse overheid in de navolgende jaren om allerlei officiële documenten rond de moord vrij te geven. Voor Stone is dat aanleiding om de zaak opnieuw onder de loep te nemen in de vierdelige docuserie JFK: Destiny Betrayed (236 min.). Bewandelt hij daarin het welbekende pad? Geeft hij ongelimiteerd een podium aan gestaalde complotdenkers? Of durft de befaamde regisseur ook zijn oorspronkelijke aannames kritisch te bevragen (en is hij zelfs bereid om zo nodig op zijn schreden terug te keren?)

De gebeurtenissen voor en na de moord op Kennedy, waarbij de actrice Whoopi Goldberg als verteller fungeert, roepen nog altijd veel vragen op. En die worden ook allemaal weer gesteld: over Oswalds vermeende wapen, zijn alibi, ’s mans avonturen in de Sovjet-Unie, de zogenaamde Zapruder-film van de moord, Kennedy’s autopsie, de liquidatie van Oswald zelf, diens connectie met extreemrechtse figuren en de zeer omstreden ‘magic bullet theory’ (de basis voor de officiële conclusie dat de president door één enkele schutter zou zijn gedood). Ondanks wat nieuw bewijsmateriaal verkoopt Stone hier toch vooral oude wijn in nieuwe zakken, verteld bovendien door usual suspects en een nieuwkomer zoals de zoon van John Kennedy’s eveneens vermoorde broer en minister van justitie Bobby Kennedy. Deze Robert Kennedy Jr. heeft in de afgelopen jaren overigens een geduchte reputatie als complotdenker opgebouwd.

Een update van Stone’s eigen speelfilm dus, waarvan hij soms ook gewoon een ronkende scene gebruikt. Definitieve antwoorden blijven uit. Natuurlijk. In de Kennedy-moordzaak, de moeder aller complottheorieën, is er inmiddels zóveel rook dat het vrijwel onmogelijk is om vast te stellen waar het vuur is – áls er al ooit vuur is geweest (behalve een schokkende politieke aanslag). Het interessantst wordt deze miniserie als Oliver Stone zich richt op Kennedy’s buitenlandbeleid, waarbij Donald Sutherland (Mr. X uit JFK) de voice-over verzorgt. De jonge politicus kwam al vóór zijn presidentschap in botsing met hardliners binnen de Amerikaanse overheid, die een veel agressievere politiek voorstonden. En de CIA, de buitenlandse inlichtingendienst, speelde daarin weer een sleutelrol.

Daar vindt Stone, die Kennedy overigens wel erg veel idealisme toedicht, ook nog altijd het motief voor de moord. Dat klinkt ronduit grotesk: een overheidsdienst die zijn eigen ‘commander in chief’ uit de weg ruimt. Tegelijkertijd hield de CIA zich in diezelfde periode zonder twijfel bezig met vuile zaakjes. De pogingen om Fidel Castro, de communistische leider van Cuba, koud te maken zijn inmiddels uitgebreid gedocumenteerd. En de buitenlandse veiligheidsdienst zou ook betrokken (kunnen) zijn geweest bij de moord op de Congolese president Patrice Lumumba, het fatale vliegtuigongeluk van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Dag Hammarskjöld en – later – het afzetten van de Chileense president Salvador Allende. De CIA was zeker – daarover kan geen misverstand bestaan – in staat om tegenstanders uit de weg te ruimen.

Of de moord op John F. Kennedy een ingenieus complot was of toch het werk van een doorgedraaide eenling? Voor een buitenstaander is dat nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat Oliver Stone nog altijd op hetzelfde spoor zit als ruim twintig jaar geleden, vooral nieuw bewijs heeft gezocht voor zijn eigen theorieën (bijvoorbeeld een schaduwkiller, Thomas Arthur Vallee, met min of meer hetzelfde profiel als Oswald) en geen serieuze poging heeft gedaan om de kritiek daarop ook te incorporeren.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan?

VPRO

Elke drie jaar is er een reünie van de mannen van het ‘509th’. In tegenstelling tot wat er soms is beweerd lijken ze niet te worden geteisterd door verpletterende schuldgevoelens en hebben ze ook geen last van gruwelijke lichamelijke plagen. Zij maakten die ene kolossale gebeurtenis op 6 augustus 1945 mogelijk: de atoombom op Hiroshima. Tijdens hun gezamenlijke bijeenkomst bekijken ze beelden van hun historische werk terug. Trots, zo lijkt het.

Toch is het opvallend dat enkele sleutelfiguren – gezagvoerder Paul Tibbets, bommenrichter Thomas Ferebee en copiloot Robert Lewis – ontbreken op de reünie, constateert de Nederlandse filmmaker Roelof Kiers in de documentaire Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? (71 min.) uit 1981. En tussen die mannen is er ook nog eens kinnesinne. Over de naam van het B-29 vliegtuig bijvoorbeeld – Enola Gay, vernoemd naar Tibbets’ moeder – en wie dat nu echt zou hebben gevlogen.

Kiers laat zijn camera dwalen over het beruchte toestel, dat op de reünie dienst doet als nostalgisch decorstuk voor foto’s van de aanwezige veteranen. Hij reconstrueert met hen de beruchte vlucht die het einde van de Tweede Wereldoorlog zou inluiden. Radarspecialist Jacob Beser deed op weg naar het doelwit nog lekker een tukje, vertelt hij. De anderen hadden er lol in om hem wakker te maken. De sfeer aan boord was duidelijk ontspannen. Tot het moment suprême aanbrak.

‘En toen drukte u op een knop’, zegt Kiers tegen bommenrichter Thomas Ferebee. ‘Niet echt op een knop, maar ik liet de bom los, ja’, antwoordt die 35 jaar later zonder ook maar een spoor van emotie. Daarna keerden ze om, herinnert hij zich. ‘Tegen die tijd was de paddenstoel al tot onze hoogte gestegen’, klinkt het nog altijd buitengewoon nuchter. ‘Dus we vlogen erlangs en keken ernaar en zetten koers naar huis.’

En daar leefden ze – is nu heel verleidelijk om te zeggen – nog lang en gelukkig. Toch is dat niet eens zo ver bezijden de waarheid. Dat is wellicht ook het meest schokkende aan deze boeiende interviewfilm: ook al lieten ze uiteindelijk een kleine 150.000 doden achter in Hiroshima – en drie dagen later nog eens 40.000 in Nagasaki – tot wroeging leidde dat nauwelijks bij de mannen van het 509th. Ze deden gewoon, zoals dat dan heet, hun plicht.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? is hier te bekijken.

Voorgoed Samen

KRO-NCRV

‘Met Wim? Je spreekt met Loes. Ik wou je even iets vertellen. Nou, ik wou je even vertellen dat wij volgend jaar niet zullen halen. Allebei niet. Dan weet je dat vast. Als je vandaag of morgen een rouwkaart krijgt, dan weet je dat het voor ons allebei geldt. Monique is aan het dementeren en ik ben heel zwak. Zo zwak dat ik niet alleen kan blijven leven als zij doodgaat. Dus we krijgen samen euthanasie. Ergens in december.’

Voorgoed Samen (53 min.) valt gelijk met de deur in huis. Binnen twee minuten zijn de hoofdpersonages, de geliefden Loes (88) en Monique (74), geïntroduceerd en staat ook de afloop van de film, hún afloop, al min of meer vast. De dood mag hén dus niet scheiden. ‘Omdat ze zo in liefde geleefd hebben, is het natuurlijk prachtig als je ook in liefde kunt sterven’, zegt hun vriendin Sanna, die de twee leerde kennen als collega bij de Bijenkorf.

Alleen moeten doorleven zou voor hen allebei ondraaglijk lijden inhouden, stellen Loes en Monique in deze docu van Nousjka Thomas. Hun huisarts vertelt de twee echter dat ze het toch wel heel lastig vindt dat hun vragen zo met elkaar verweven zijn. De vrouwen zijn desondanks overtuigd van hun keuze en leggen contact met de Levenseindekliniek. Vastberaden sturen ze, ondersteund door enkele vrienden, aan op een gezamenlijk einde.

Via het onafscheidelijke duo maakt deze doeltreffende tv-film inzichtelijk hoe het gaat als twee mensen de droom van sommige koppels, samen leven én sterven, proberen te verwezenlijken. Ze stappen een zeer intiem proces binnen dat vraagt om doorzettingsvermogen, moed en onvoorwaardelijke liefde. Loes en Monique durven dat én kunnen dat samen ook aan. Voorgoed Samen wordt zo een onverhuld pleidooi voor het recht om samen menswaardig te kunnen sterven.

A-ha The Movie

Periscoop

Eerst wilden ze koste wat het kost beroemd worden. En toen ze dat eenmaal waren, nadat de met een kekke videoclip opgeluisterde single Take On Me een wereldhit was geworden, ontstond de behoefte om serieus genomen te worden. Géén tienerbandje, met louter mooie jongens. Maar volbloed muzikanten die iets hebben te vertellen. En daarbij liep het dan weer spaak. Als het beeld van een band – bandje, in dit geval – zich eenmaal heeft gezet, laat zich dat verdomd moeilijk bijstellen.

Toch bestaat A-ha nog steeds. Het Noorse tienertrio dat perfect paste in de gladde jaren tachtig gaat, na enkele tussenstops, alweer zo’n veertig jaar mee. En dus is het zo langzamerhand tijd voor A-ha The Movie (90 min.). Dat is zo’n typische bandjesdocu geworden, waarin chronologisch de groepshistorie wordt doorgenomen en intussen aandacht wordt besteed aan de huidige activiteiten van de helden. Daarin zit meestal ook een mooie spanning: in hoeverre kunnen zij zichzelf ervan (blijven) overtuigen dat ze niet alleen bestaan uit verleden, waaraan in het nostalgiecircuit natuurlijk altijd behoefte is, maar ook serieus moeten blijven werken aan het heden en de toekomst?

Vanzelf gaat dat bij dit drietal in elk geval nooit. Tussen zanger Morten, gitarist Pål en toetsenist Magne is er voortdurend frictie. Alles bij A-ha eindigt ‘met getouwtrek en een rotsfeer’, zegt de laatste in deze documentaire van Thomas Robsahm, waarin het feit dat het lang niet altijd gezellig is in de band bepaald niet wordt verbloemd. Magne wil bijvoorbeeld best optreden met zijn oude maten, maar niet meer met hen de studio in. Dat loopt toch altijd op een enorme teleurstelling uit. Gedoe over rechten en geld ook. ‘Het voelt alsof ik dan een kamer inloop, waarin ik me vreselijk heb gevoeld’, zegt hij treffend.

Het is wel verfrissend dat daarover zo open en onbezwaard wordt verteld in deze vermakelijke bandfilm, die verder precies biedt waarop het publiek zit te wachten. En dat telt – als we tenminste de albumverkoopcijfers van A-ha mogen geloven – in potentie enkele tientallen miljoenen zielen.

Gabi, Between Ages 8 And 13

IDFA

Gabi wil net zo’n kapsel als Robin van Persie. Ze heeft alleen Emma Watson-haar. Het kapsel van Gareth Bale zou ook al goed zijn. Of een opgeschoren kop zoals Cristiano Ronaldo. Van haar moeder Tracy mag de gedreven voetbalster het alleen niet te kort laten knippen. Dat wordt het alleen wel. Steeds iets korter. Totdat ze kan doorgaan voor een jongen.

Gabriella Jude Fletcher, de hoofdpersoon van Gabi, Between Ages 8 And 13 (78 min.), werd geboren in Newcastle, leefde daarna zes jaar in Stockholm en verhuist nu met haar moeder en stiefvader Thomas naar het Zweedse platteland. Regisseur Engeli Broberg registreert gedurende vijf jaar hoe het haar vergaat: een kind dat niet past in vaste genderrollen. Dat demonstratief een T-shirt draagt met de tekst ‘Raise Boys And Girls The Same Way’.

Dit persoonlijk portret van een buitenbeentje, volledig verteld vanuit het perspectief van het kind, oogt fraai en komt dichtbij hoe zij de wereld ervaart, wat haar daarbij bezighoudt (wie en waar is haar biologische vader?) en met wie ze die zielenroerselen deelt (beste vriend Henry, die naar Australië is verhuisd). Dat is een klein en groot verhaal tegelijk, dat verder zonder al te hoge pieken en diepe dalen aangenaam voorbij trekt.

Writing With Fire

Toen enkele vrouwen uit de Noord-Indiase deelstaat Uttar Pradesh in 2002 begonnen met Khabar Lahariya had niemand, inclusief hun eigen echtgenoten, daar al te veel fiducie in. Een krant gerund door louter vrouwen, afkomstig bovendien uit de allerlaagste kaste? Kansloze missie. Inmiddels is Khabar Lahariya (‘Golven van Nieuws’) uitgegroeid tot een modern en onafhankelijk journalistiek medium, met een bijzonder succesvol eigen YouTube-kanaal.

In een wereld waarin vrouwen nog steeds worden beschouwd als tweederangs burgers en (seksueel) geweld tegen hen aan de orde van de dag is, werpen hoofdredacteur Meera Devi en haar medewerkers zich op als onversaagde controleurs van de macht. Ze onderzoeken net zo gemakkelijk misstanden in een illegale mijn, die wordt gerund door de plaatselijke georganiseerde misdaad, als dat ze lokale politici ongenadig het vuur aan de schenen leggen.

In eerste instantie lijken de vrouwelijke journalisten in Writing With Fire (94 min.) niet altijd serieus te worden genomen door het manvolk dat ze met hun scherpe vragen en filmende mobiele telefoons trotseren, maar meestal dwingen ze met hun moed en onafhankelijkheid snel respect af. Als een echte luis in de pels zorgt Khabar Lahariya er bovendien regelmatig voor dat politie en justitie (alsnog) hun werk doen. Die ‘dalits’, onaanraakbaren, zijn een factor geworden om rekening mee te houden.

Daarbij moeten ze altijd op hun qui vive blijven, blijkt uit deze boeiende documentaire van Rintu Thomas en Sushmit Ghosh. Zeker als de hindoe-nationalistische Bharatiya Janata-partij van de Indiase premier Modi zijn macht versterkt, lijkt de speelruimte voor de moedige vrouwen kleiner te worden. Sterverslaggever Suneeta Prajapati, een alleenstaande jonge vrouw, voelt bijvoorbeeld van alle kanten de druk om haar werk op te geven, ten faveure van een traditioneler leven.‘

Terwijl we werken als journalist, proberen we ook onze samenleving te transformeren’, zegt Meera Devi, die zelf op haar veertiende is getrouwd en daarna, met toestemming van haar schoonouders, heeft kunnen studeren. ‘Maar ik zie die verandering op dit moment niet plaatsvinden. En daar heb ik erg veel last van.’ Khabar Lahariya opereert nu eenmaal binnen zo’n conservatieve omgeving dat Devi en de haren bijna automatisch voor de muziek uitlopen. Al ontlenen ze daar ook weer hun bestaansrecht aan.

Cannon Arm And The Arcade Quest

Hij heeft een keer 49 uur lang gespeeld op één enkele munt. Normale mensen kunnen daarmee 3 a 4 minuten vooruit. Maar Kim Købke – herstel: Kim Cannon Arm – is geen normaal mens. Oké, hij mag dan inmiddels vier kinderen en één kleinkind hebben, nog steeds fan zijn van Iron Maiden en er een normale baan als laborant op nahouden, maar als Kim (leeftijd: onbekend) bij een speelautomaat plaatsneemt om de eighties-game Gyruss te gaan spelen komen er bovenmenselijke krachten in hem vrij. En enorme ambities, dat ook. Nu heeft hij zich bijvoorbeeld in zijn (langharige) kop gehaald dat hij honderd uur aan één stuk wil gaan spelen. Ga er maar aan staan!

En dat is precies wat Cannon Arm gaat doen voor een film met best wel een toepasselijke titel: Cannon Arm And The Arcade Quest (97 min.). Hij heeft overigens al drie keer geprobeerd om het Gyruss-record te breken. Tevergeefs dus. Gelukkig staan zijn vrienden van The Bip Bip Bar in Kopenhagen, een bonte verzameling gamenerds, hem terzijde. Behalve Thomas dan. Die heeft een tijdje geleden een einde aan zijn leven gemaakt. Op zijn grafsteen prijkt Pac-Man. Gelukkig voor Kim is Mads (Hedegaard) wél altijd in de buurt. En die heeft meteen deze héérlijke docu gemaakt. Waarvoor hij ook hoogstpersoonlijk de dolkomische voice-over heeft ingesproken. Alsof de film zelf al niet leuk genoeg was.

Dat is overigens net zo goed een portret van de goedmoedige Kanonarm – Kim dus – als van zijn vriendenkring geworden. Neem Carsten: hij analyseert het werk van Bach vanuit een geheel eigen optiek en speelt verder obsessief Donkey Kong. Totdat hij een zogenaamd ‘kill screen’ heeft bereikt. Of Dyst. Publiceerde al diverse dichtbundels, speelt met wisselend succes Puzzle Bobble en zou als hij een superheld was volgens eigen zeggen beslist Captain Obvious zijn. Hij is alleen geen superheld. En Svavar, die wel degelijk Europees kampioen Tetris is en bovendien helemaal in zijn element als hij mag bellen met de Amerikaanse Donkey Kong-legende Billy Mitchell (die zelf overigens de hoofdrol mocht spelen in de héérlijke documentaire The King Of Kong). Samen bereiden ze zich voor op Kims recordpoging.

Mads huppelt met veel humor langs de verschillende verhaallijntjes, maakt zo nu en dan een tijdsprongetje (hup!) en plamuurt de belevenissen van deze (buiten)gewone jongetjes in een volwassen lichaam tenslotte dicht met dikke klassieke muziek en eightiesklappers; van synthpop tot heavy metal (Iron Maiden, natuurlijk). Gaandeweg snijdt hij bovendien terloops, bijna zonder dat je het in de gaten hebt (bijna dan), ook enkele onderliggende thema’s aan. De voorliefde van de vrienden voor games, muziek en de grote vragen des levens en vooral de soms bijna mathematische manier waarop ze de wereld lijken te beschouwen verraden waar de film uiteindelijk ook naartoe wil. Behalve naar een nieuw wereldrecord Gyruss, bedoel ik. Zonder het expliciet uit te spreken, overigens. En daarbij speelt Kim natuurlijk een sleutelrol. Als dit doldwaze verhaal een superheld heeft, dan zou het Kim Købke zijn, gewoon een aardige vent. Herstel: Kim ‘Kanonarm’ Købke.

En op weg naar GAME OVER, bij voorkeur honderd uur lang, is het publiek zonder enige twijfel de grote winnaar. Zóveel spelvreugde (zeg maar gerust: joie de vivre. ‘Joie de vivre!’), zóveel denkvermogen en zóveel virtuositeit. En – bijna vergeten! – uithoudingsvermogen. Een beetje zoals bij dit stukje over Cannon Arm And The Arcade Quest nodig is (maar dat haal ik me vast maar in mijn weinig mathematisch aangelegde hoofd, ook wel ‘warhoofd’ genoemd). Zal ik de film tot slot nog een héérlijke ode aan mannenvriendschap noemen? Of nóg een keer de term ‘joie de vivre’ droppen?

‘Joie de vivre.’ Pure levensvreugde. Van het type Anvil: The Story Of Anvil, Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging of We Are The Thousand, documentaires waarvan je (ik, tenminste) dagenlang met een kamerbrede glimlach rondloopt.

Sing Me A Song

Toen documentairemaker Thomas Balmès voor zijn bekroonde film Happiness (2013) de achtjarige Peyangki in een afgelegen klooster te Bhutan portretteerde, was de jongen er vast van overtuigd dat hij monnik zou worden. Hij hoopte alleen dat ze binnenkort elektriciteit en televisie konden krijgen. En dat zou alles veranderen.

Inmiddels is Peyangki zeventien en heeft ook het internet z’n intrede gemaakt in zijn kleine, overzichtelijke wereld. Waar bij het ochtendritueel serene rust zou moeten heersen, zitten alle jonge monniken tegenwoordig over hun smartphone gebogen. In de ban van de verlokkingen die de hedendaagse wereld heeft te bieden.

In Peyangki’s geval: Ugyen, een bevallig meisje dat hij heeft leren kennen via WeChat. Met mooie liedjes brengt ze zijn hoofd op hol. Het ideaal dat hij altijd koesterde, zijn leven wijden aan het boeddhisme en lama worden, komt erdoor op de tocht te staan. De jongen overweegt om het klooster, waar hij nu al bijna tien jaar woont, te verlaten.

Kalm en zorgvuldig registreert Balmès in Sing Me A Song (93 min.) hoe Peyanki’s leven in het klooster in het landelijke Laya, geworteld in eeuwenoude traditie, in beweging komt. Hij spiegelt dat met de dagelijkse beslommeringen van Ugyen die in de grote stad Thimphu fantaseert over die ongetwijfeld bemiddelde jongen van het platteland.

Als het uiteindelijk tot een ontmoeting komt tussen de twee blijkt dat ze elkaar online toch veel minder goed hebben leren kennen dan gedacht en moeten Peyankgki en Ugyen zich allebei bezinnen op wat dat betekent. Voor de jonge boeddhistische monnik is het in elk geval de vraag of hij eigenlijk nog terug kan naar het leven dat hij ooit leidde.

Via de zoekende tiener maakt deze fraaie, subtiele en toch krachtige film inzichtelijk hoe het wereldwijde web niet alleen alles en iedereen met elkaar in verbinding brengt, maar mensen ook kan losrukken van waar ze altijd thuishoorden. Door de immense omvang en diversiteit van de wereld op het scherm verliest het eigen bestaan zijn glans en lijkt het klein en nietig. 

En als gevolg daarvan, zo maakt Sing Me A Song eveneens pijnlijk duidelijk, kun je zomaar het kind met het badwater weggooien.

Finding Jack Charlton

‘Dat ben ik’, zegt de oudere man tegen zijn kleindochter als hij zichzelf op het televisiescherm ziet. ‘Dat ben ik. En ik herinner me er niets van.’ Samen met zijn gezin kijkt Jack Charlton naar oude beelden van hoe hij, en zijn onafscheidelijke pet, het één of andere kasteel aanprijst. Hij was decennialang een Bekende Brit: eerst als voetballer van Leeds United en het Engelse nationale elftal, later als coach, met name van Engelands grote rivaal Ierland.

En nu weet hij daar weinig meer van. Charlton is ten prooi gevallen aan dementie, een aandoening die voetballers van zijn generatie gemiddeld drie tot vijf keer zo vaak treft. Als gevolg van de kopduels die hij als boomlange verdediger, bijgenaamd ‘de Giraffe’, jarenlang uitvocht op ‘s werelds velden, zo is de veronderstelling. Samen met zijn meer getalenteerde jongere broer Bobby, met wie hij een moeizame relatie onderhield, werd Jack Charlton in 1966 wereldkampoen met het Engelse nationale voetbalelftal. Dat zijn teamgenoot Geoff Hurst een hattrick scoorde in de finale is hem echter allang ontglipt.

De delicieuze sportdocu Finding Jack Charlton (97 min.) is opgebouwd rond zijn periode als coach van het Ierse elftal, dat hij zelfvertrouwen gaf en eindelijk succes bracht. De opmars van het nationale voetbalteam aan het begin van de jaren negentig fungeerde als vliegwiel voor een nieuw zelfbewustzijn, stellen prominente Ieren als schrijver Roddy Doyle, U2-drummer Larry Mullen en de voormalige Taoiseach Bertie Ahern. Dat had namelijk een flinke deuk opgelopen tijdens ‘The Troubles’ in Noord-Ierland. Charlton, een Engelsman nota bene, bracht het elan terug. Hij werd zo een heuse volksheld, die als eerbetoon zou worden uitgeroepen tot ereburger. Net als Nelson Mandela. ‘De Kennedy-familie, moeder Teresa’, somt zijn oudste zoon John op, waarna hij naar zijn vader kijkt. ‘En dan heb je hem.’

‘s Mans werkwijze wordt in deze documentaire van Gabriel Clarke en Pete Thomas verbeeld via een pilaar waarop alle briefjes die Charlton als coach volkalkte zijn bevestigd. ‘You reap what you sow’, staat er bijvoorbeeld op. ‘Never assume they know and understand.’ En: ‘Be a dictator, but be a nice one.’ Bij dat laatste parasiteerde hij zonder enige twijfel op zijn heerlijke gevoel voor humor. Daarmee nam hij alles en iedereen voor zich in, zo kunnen voormalige pupillen als Paul McGrath, Niall Quinn en Pat Bonner bevestigen. Voor ‘the boss’, hoe eigenzinnig en koppig die ook kon zijn, gingen ze door het vuur.

En op basis van dit puntgave portret van Jack Charlton, een authentiek ‘character’ dat tot zijn dood op 10 juli jongstleden trouw bleef aan zichzelf, is dat niet meer dan logisch. De man mocht zichzelf dan langzaam maar zeker vergeten, dit betekent niet dat hij ook wordt vergeten.

The Hunt For Gaddafi’s Billions

VPRO

Na een uur krijgt hij telefoon en moet plotseling weg. George Darmanovic laat zijn gesprekspartners Misha Wessel en Thomas Blom met allerlei vragen achter. De Zuid-Afrikaanse geheimagent weet alles over de weggesluisde miljarden van de Libische leider Muammar Gaddafi, maar heeft het achterste van zijn tong nog niet laten zien.

Darmanovic vertrekt met de belofte dat hij bij een volgend interview foto’s en ander bewijsmateriaal zal laten zien. Wessel en Blom zullen hem echter nooit meer ontmoeten. Zes weken later wordt zijn ontzielde lichaam gevonden in de Servische hoofdstad Belgrado. Hij is geliquideerd. Later volgen ook de twee huurmoordenaars die Darmanovic zouden hebben neergeschoten.

Deze kille afrekeningen lijken aan te tonen dat er echt wat op het spel staat in The Hunt For Gaddafi’s Billions (91 min.). Ettelijke miljarden dollars, zoals het zich laat aanzien. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ten tijde van de Arabische Lente van 2011, besloot de Libische leider Gaddafi een groot deel van zijn vermogen, geschat op zeker 150 miljard dollar, clandestien naar het buitenland te verplaatsen. Als een enorme oorlogskas of voor – wie zal het zeggen? – een riant bestaan als pensionado.

Wat is er met dat geld gebeurd? En wie heeft er zich over ontfermd? Het spoor in deze groots opgezette internationale productie leidt naar Zuid-Afrika, waar een deel van de verdwenen cash werd vrijgemaakt voor een wapendeal en daarna spoorloos is verdwenen. Twee concurrerende groeperingen – bestaande uit dubieuze diplomaten, privédetectives, geheimagenten, wapenhandelaren, premiejagers en huurlingen – zetten de jacht in op de verdonkeremaande schat. Voor de goede zaak, hun land of – zo gaat dat in deze schimmige wereld – het op te strijken vindersloon.

Hun jarenlange speurtocht naar waar Gaddafi’s erfenis terecht is gekomen leidt Wessel en Blom naar de donkerste spelonken van de internationale diplomatie, waar ze stuiten op enkele politieke kopstukken die zich ogenschijnlijk in duistere zaakjes hebben begeven. Onderweg hebben de Nederlandse onderzoeksjournalisten zowaar ook een ontmoeting met een Deep Throat-achtige anonieme bron. In een parkeergarage, natuurlijk.

Stukje bij beetje komen ze in deze enerverende jacht op Gaddafi’s geld en de bijbehorende goudzoekers zo steeds dichter bij wat er met die miljarden gebeurd zou kunnen zijn.

The Hunt For Gaddafi’s Billions is hier te bekijken.

The Swamp

Matt Gaetz (l) & Thomas Massie (r) / HBO

‘Ik ben deze speld ‘precious’ gaan noemen’, zegt het Republikeinse volksvertegenwoordiger Thomas Massie terwijl hij de officiële speld die aantoont dat hij lid is van het Amerikaanse congres laat zien. ‘Als je ooit Lord Of The Rings of The Hobbit hebt gezien, weet je dat zo’n ding beïnvloedt hoe je denkt. Je komt hier als een hobbit, doet die speld op en wordt binnen de kortste keren Gollem.’

En als je besluit om het spel met lobbyisten, partijleiders en donoren niet mee te spelen, zoals diezelfde Massie probeert, word je al snel een buitenbeentje in Washington en komt er ook geen geld meer jouw kant op. Zodat direct je herverkiezing, elke twee jaar voor een congreslid, in gevaar komt. Zo houdt The Swamp (115 min.) zichzelf in stand en verliest de volksvertegenwoordiging intussen elke geloofwaardigheid bij gewone Amerikanen.

Donald Trump afficheerde zich niet voor niets met de campagneslogan ‘drain the swamp’, een voornemen dat toen hij eenmaal was verkozen trouwens meteen in de prullenbak belandde. Daarmee geconfronteerd zit zelfs Matt Gaetz, Trumps grootste fan in het parlement en de belangrijkste hoofdpersoon van deze slimme en vermakelijke film van Morgan Pehme en Daniel DiMauro (die eerder Get Me Roger Stone maakten), even met zijn mond vol tanden.

De blitse Gaetz, tandpastasmile en gebeeldhouwd kapsel, is een man met vele gezichten. Enerzijds is hij een overtuigd pleitbezorger van initiatieven met Democraten om de campagnefinanciering te hervormen en het congres te revitaliseren, anderzijds fungeert hij als een Republikeinse bloedhond die zeker tijdens het impeachmentproces tegen Trump steeds weer ten strijde trekt tegen de verfoeide tegenpartij.

Als een verliefde puber belt hij vervolgens ‘zijn’ president om de lof daarvoor in ontvangst nemen. Een ideale protagonist kortom voor deze antropologische kijk op het Amerikaanse politieke systeem, dat aan alle kanten piept en kraakt en, daarover zijn de opgevoerde Democraten en Republikeinen het wel eens, zou moeten worden vrijgemaakt van extreme partijpolitiek en de nefaste invloed van het grote geld.

Die reduceren op zichzelf integere parlementariërs tot voortdurend om een financiële bijdrage bedelende en binnen de lijntjes kleurende kwezels. Maar wie heeft er de politieke moed om, in de woorden van Thomas Massie (die een stem tegen Trump eerder dit jaar overigens moest bekopen met een tegenstrever in de voorverkiezingen van zijn partij), die vermaledijde congresspeld in de Doemberg te gooien?

Capital In The Twenty-First Century

Thomas Piketty / Human

Staan we aan de vooravond van een terugkeer naar het ongebreidelde kapitalisme van de achttiende en negentiende eeuw, met een kleine aristocratie die leeft in weelde en het gewone volk dat omkomt van de honger? Deze zorg spreekt de Franse econoom Thomas Piketty nadrukkelijk uit bij de start van de boeiende documentaire Capital In The Twenty-First Century (102 min.), die is gebaseerd op zijn baanbrekende boek uit 2013. De eerste tekenen dienen zich volgens hem aan: groeiende ongelijkheid en, als een soort bliksemafleider daarvoor, toenemend nationalisme.

Samen met vooraanstaande collega-economen, psychologen, historici en politicologen licht Piketty vervolgens de ontwikkeling van het kapitalisme door, de talloze pogingen om dat bij te sturen en de recente opkomst van de ‘Greed is good’-mentaliteit, waardoor er weer een ouderwetse samenleving van Haves, een kleine elite, en Have-nots, de rest van de bevolking, dreigt te ontstaan. In politieke termen: één dollar, één stem. In plaats van wat je zou verwachten in een goed functionerende democratie: één mens, één stem.

De bijbehorende winnaarsattitude wordt ook direct verinnerlijkt, zo toont een fascinerend experiment met het bordspel Monopoly aan. Door het opgooien van een munt wordt steeds bepaald welke van twee spelers allerlei voordeeltjes krijgt toebedeeld. Die geluksvogels gaan zich vervolgens binnen enkele minuten ook als winnaar gedragen. Ze verplaatsen hun pion met meer geluid, graaien vaker in de chipszak en beginnen hun opponent te kleineren. Na afloop geloven ze dat ze puur op basis van hun kwaliteiten hebben gewonnen. Niet als gevolg van stom toeval.

Het is niet moeilijk om die mentaliteit te ontwaren in de hedendaagse samenleving. In zowel individuele personen als ondernemingen. Met deze uitstekend gedocumenteerde film van Justin Pemberton, die is geïllustreerd met nieuwsbeelden, televisiefragmenten en scènes uit speelfilmklassiekers zoals Pride And Prejudice, Les Misérables en The Grapes Of Wrath, bepleiten Piketty en zijn mededenkers dan ook een beter gereguleerde vorm van kapitalisme, waaraan echt iedereen zijn steentje bijdraagt, bijvoorbeeld via het betalen van belasting.

Enig optimisme is daarbij op zijn plaats, meent hij. De menselijke geschiedenis toont volgens Piketty aan dat we altijd streven naar een samenleving met harmonie en samenhang. Daarvoor moet dan alleen de huidige ongelijkheid nog wel even worden bestreden.

Showbiz Kids

Evan Rachel Wood, Cameron Boyce, Henry Thomas & Wil Wheaton / HBO

Van Drew Barrymore en River Phoenix tot Britney Spears en Lindsay Lohan. Er zijn legio voorbeelden van kindersterren die op latere leeftijd in de problemen komen. Ze kunnen de weelde van het succes niet dragen, worden als jongvolwassene al beschouwd als oud nieuws of raken verstrikt in dat eeuwige dilemma: vinden al die mensen míj leuk of kicken ze gewoon op mijn bekendheid? Toch zijn er altijd weer kinderen – en niet te vergeten: hun ouders – die naar Hollywood verkassen om daar, voor eventjes dan, eeuwige roem te verwerven.

Marc Slater en zijn moeder Melanie zijn bijvoorbeeld vanuit Orlando in Florida gekomen om te auditeren voor een rol in de pilot van een serie. De ouders van het guitige joch hebben al hun spaargeld moeten aanspreken om de reis te betalen en een acteercoach in te huren. Zonder enige garantie op succes. Demi Singleton heeft al een voet tussen de deur gekregen in de entertainmentindustrie. Ze speelde maandenlang in de musicals School Of Rock en The Lion King. Maar kan ze het zich nu ook permitteren om een zomer vrijaf te nemen? vragen Demi en haar moeder zich af.

Regisseur Alex Winter, die zelf als jongeling actief was op Broadway, paart de lotgevallen van de twee aspirant-publieksfavorieten in de interessante documentaire Showbiz Kids (94 min.) aan de ervaringen van gewezen kindersterren zoals Evan Rachel Wood (Thirteen), Henry Thomas (E.T.), Mila Jovovich (Return To The Blue Lagoon), Wil Wheaton (Stand By Me), Todd Bridges (Diff’rent Strokes), Mara Wilson (Mrs. Doubtfire) en de onlangs op twintigjarige leeftijd aan een epilepsie-aanval overleden Cameron Boyce (Jesse). Hun verhalen over plotselinge roem en de keerzijde daarvan worden geïllustreerd met fragmenten uit de films en televisieprogramma’s waarin ze ooit schitterden.

Een aardige trouvaille is ook één van de allereerste kindersterren, Baby Peggy. Diana Serra Cary is de grens van honderd jaar inmiddels gepasseerd en kan vanuit eigen ervaring bevestigen dat de kansen en uitdagingen van hedendaagse sterretjes eigenlijk al zo oud zijn als pak ‘m beet Shirley Temple. Waarbij alle actoren rondom de Hollywood-ster in spe – de ouders, managers, filmbonzen, fans én kritische recensenten – wel eens uit het oog verliezen dat ze toch echt met een tere kinderziel hebben te maken.

Next Goal Wins

Met 31-0 gingen ze in 2001 de bietenbrug op tegen Australië. De grootste nederlaag in een officiële interland ooit. Het kan ook 32-0 zijn geweest. Feit is dat het nationale elftal van Amerikaans-Samoa het lachertje van de internationale voetbalwereld werd. Een team om af te slachten en belachelijk te maken. Gepersonifieerd door de onfortuinlijke keeper Nicky Salapu, de man die ruim dertig keer een bal uit het net moest halen.

Ruim tien jaar later hebben ze nog altijd geen officiële wedstrijd gewonnen. Dat is de uitgangspositie voor de documentaire Next Goal Wins (93 min.) uit 2014, waarin de ‘trots’ van het eilandje in de Zuidelijke Grote Oceaan wordt gevolgd tijdens de kwalificatie voor het WK Voetbal. Onder de hoede van een nieuwe coach, de Nederlandse bullebak Thomas Rongen, gaan ze proberen om eens te winnen, of op zijn minst om ook weer eens te scoren. Want zelfs dat is pas één keer gelukt.

Voor Rongen, die in een grijs verleden met zowel Johan Cruijff als George Best speelde in de Amerikaanse Major Soccer League en daar ook op behoorlijk niveau coachte, is het een fikse stap terug. En voor de goedmoedige Samoanen blijkt het ook flink wennen, zo’n coach die echt altijd het onderste uit de kan wil en van zijn hart bepaald geen moordkuil maakt.

Die cultuurclash vormt het hart van deze uiterst sympathieke documentaire, waarbij het team ook nog een heel opmerkelijke speler in de gelederen heeft: een zogenaamde ‘fa’afafine’, iemand die zich in lijn met de plaatselijke cultuur zowel als man als als vrouw identificeert. Jaiyha Saelua kan de eerste transgender-voetballer in een officiële wedstrijd worden.

Is het elftal van de piepkleine natie, met slechts 65.000 inwoners, in staat om eindelijk de ban te breken? De allang gestopte doelman Nicky Salapu heeft er in elk geval voldoende vertrouwen in om zijn rentree te maken. En wat doet de onmogelijke opdracht met de Nederlandse coach Rongen, die vanwege persoonlijke redenen samen met zijn vrouw naar het andere eind van de wereld blijkt te zijn afgereisd?

De Britse filmmakers Mike Brett en Steve Jamison maken van hen personages om van te houden, serveren hun verrichtingen met gevoel voor dramatiek en dampende soulmuziek en zorgen er zo voor dat de wedstrijden van ‘het slechtste voetbalelftal ter wereld’ het belang van een gemiddelde WK-finale krijgen. Intussen vangen ze tevens de oprechte liefde die sport zo leuk, en belangrijk, kan maken. En die is onweerstaanbaar.

Op De Tast: Tussen Verbeelding En Herinnering

EO

‘Je groeit natuurlijk mee met zo’n stad’, zegt Marianne Polderman. ‘Maar op een gegeven moment is de maat vol en denk je: het is tijd om weg te zijn hier.’ Samen met haar eveneens blinde echtgenoot Ronald woont ze al veertig jaar op tweehoog in een flat in Amsterdam-Slotervaart. De stad wordt langzamerhand echter te druk voor het oudere echtpaar, dat zich Op De Tast: Tussen Verbeelding En Herinnering (55 min.) door de wereld beweegt.

In de openingsscène van deze observerende documentaire van Thomas Doebele en Maarten Schmidt moeten ze zo ook hun nieuwe woning leren kennen. Met hun handen volgen Marianne en Ronald de contouren van de muur en proberen ze zich te oriënteren op de plek waar hun leven zich voortaan zal afspelen: Het Schild, een beschermde woonomgeving voor blinden en slechtzienden op de Veluwe.

Deze film is echter nog grotendeels gesitueerd in de wereld waarvan zij vrijwel hun hele leven deel hebben uitgemaakt: een levendige en rumoerige stad, die voortdurend onderhavig is aan veranderingen en waarin het leeftempo steeds verder wordt opgeschroefd. Totdat ’t voor het echtpaar Polderman nauwelijks meer is bij te benen. Een doodgewoon middagje boodschappen doen wordt al snel een onzekere ontdekkingstocht.

Doebele en Schmidt slaan hun hoofdpersonen van enige afstand gade en slagen er zo perfect in om dat gevoel tastbaar te maken. Als kijker zie je voortdurend potentieel gevaar waarvan de hoofdpersonen op dat moment nog geen vermoeden hebben. Dat geldt zelfs voor de nieuwe leefomgeving van het echtpaar, die weliswaar aangepast en voorspelbaar is, maar voor hen in eerste instantie net zo onoverzichtelijk en onvoorspelbaar oogt als hartje Amsterdam.

American: The Bill Hicks Story

Hij is de comedian’s comedian. De man die door collega’s als misschien wel de allerbeste uit het vak wordt gezien. Bill Hicks, in 1994 op slechts 32-jarige leeftijd overleden. Met zijn ontregelende humor was hij de standaard stand-up comedy routine allang ontstegen. Hicks deed aan niets minder dan ‘truthin’: ongemakkelijke waarheden, vervat in bikkelharde grappen.

25 Jaar na zijn dood duiken er nog altijd regelmatig Hicks-quotes op in het publieke domein. Over oorlogsvoering, abortus, marketing én geestverruimende middelen. Want dat was bepaald geen onbekend terrein voor de man die zich regelmatig verloor in paddo’s en zo nu en dan ook met een kwaaie dronk op het podium stond. Hij was de gemakkelijke grap allang voorbij. Hicks wilde écht iets zeggen over de wereld waarin hij leefde.

Zo vroeg hij zich bijvoorbeeld af waarom verhalen in de media over drugs altijd negatief waren. ‘Always that same LSD story, you’ve all seen it. ‘Young man on acid, thought he could fly, jumped out of a building. What a tragedy.’ What a dick! Fuck him, he’s an idiot. If he thought he could fly, why didn’t he take off on the ground first? ‘

Dat kon ook anders, meende Hicks: ‘Today a young man on acid realized that all matter is merely energy condensed to a slow vibration, that we are all one consciousness experiencing itself subjectively, there is no such thing as death, life is only a dream, and we are the imagination of ourselves….’ Waarna hij een korte, perfect getimede stilte liet vallen. ‘Here’s Tom with the Weather.’

American: The Bill Hicks Story (101 min.), een tamelijk conventionele film van Matt Harlock en Paul Thomas uit 2009 over een allesbehalve conventionele comedian, zet de geboren dwarsligger weer eens in de spotlights met een uitputtende collectie archiefmateriaal, die soepel wordt verbonden met (off screen) quotes van directe familie, vrienden en collega’s. Zij verhalen over een man die op dubbele snelheid dacht, sprak en leefde en die als geen ander de spijker op z’n kop kon slaan.

‘The best kind of comedy to me is when you make people laugh at things they’ve never laughed at, and also take a light into the darkened corners of people’s minds, exposing them to the light.’ (brainyquote)

The World Of Thinking

Robbert Dijkgraaf / BNNVARA

Een leeg canvas biedt alle mogelijkheden van de wereld, maar kan ook ontzettend intimiderend werken. Het kan nog alles worden, maar wordt het ook wat? Als jonge veelbelovende wetenschapper krijg je op het Institute For Advanced Study in Princeton bijvoorbeeld alle vrijheid. En juist dat zorgt voor een enorme druk. ‘Ik ben ontzettend zenuwachtig’, zegt de jonge theoretisch natuurkundige Yvonne Geyer, die drie jaar de tijd krijgt om zich te bewijzen. Ze gaat op zoek naar een ‘theory of everything, die alle waarneembare krachten in het universum beschrijft’. En als dat onverhoopt niets oplevert, zal ze daar volgens eigen zeggen helemaal ‘kapot’ van zijn.

In The World Of Thinking (67 min.) belichten Thomas Blom en Misha Wessel de ‘wetenschappelijke vrijplaats, gericht op diepe gedachten en radicale ideeën’, die zich ten doel heeft gesteld om de grenzen van de menselijke kennis te verleggen en sinds 1930 al 33 Nobelprijs-winnaars heeft voortgebracht. Het is de plek waar iconen als Albert Einstein, Niels Bohr en Robbert Oppenheimer excelleerden en nu de Nederlander Robbert Dijkgraaf de scepter zwaait. In Princeton huist een elitegezelschap waar je je letterlijk moet indenken. Bewijzen dat je erbij hoort. En daarbij kan het er stevig aan toegaan, zoals zichtbaar wordt in een pijnlijke scène waarin de van oorsprong Iraanse wiskundige Nima Arkani-Hamed de ‘intellectuele luiheid’ van een andere wetenschapper rücksichtslos afstraft.

Tegenover de botsing van ideeën staat het hoogst persoonlijke proces van research en ideeënontwikkeling. Met een machete baan je je dan een weg door een intellectuele jungle, aldus de gelauwerde wiskundige Helmut Hofer. ‘Als je eenmaal aan het denken bent, ben je in je eigen wereld’, zegt hij. ‘Dan vergeet je alles.’ Hofer is volledig geobsedeerd, bekent hij. Op zoek naar iets dat groter is dan hijzelf. Voordat je iets kunt vinden, stelt Robbert Dijkgraaf, moet je het je voorgesteld hebben. Zoals er lang voordat er een raket naar de maan ging ooit iemand moet zijn geweest – volgens de overlevering: Jules Verne – die bedacht dat de mens überhaupt naar dat hemellichaam zou moeten afreizen.

Zulke grootse aspiraties leiden onvermijdelijk ook tot elementaire twijfel, zo ervaart Yvonne Geyer als haar onderzoek in de eerste maanden op Princeton niet wil vlotten. Is een vaste plek binnen dit elitegezelschap, met zijn eigen taal en codes, wel voor haar weggelegd? Hebben ze niet gewoon een hele grote fout gemaakt met haar aanstelling? Via de twijfelende nieuweling en vier ervaren collega’s die ook hun eigen issues hebben, maakt The World Of Thinking van topbreinen weer normale mensen. Tegelijkertijd verleent de boeiende film gewone stervelingen toegang tot een wereld die hun denkvermogen eigenlijk te buiten gaat.

March Of The Penguins 2

Het zijn zogezegd net mensen, die pinguïns. En tegelijkertijd blijven ze lekker exotisch. Ideaal materiaal dus om je aan te vergapen. Dat bleek al bij de kaskraker March Of The Penguins (2005) en wordt opnieuw bevestigd met deze opvolger.

In March Of The Penguins 2 (79 min.) geeft de Franse regisseur/bioloog Luc Jacquet zijn succesformule nog maar eens een slinger met een klassiek ouder-kind verhaal. De lotgevallen van Keizer, die samen met zijn pinguïnvrouwtje heel wat ontberingen moet doorstaan voor zijn zoon De Jonge Keizer, worden opgediend met een uitgekiende flashback-structuur.

Thomas Acda fungeert daarbij als luchtige verteller, met een Amsterdamse tongval en veel (flauwe) grapjes. Een keuze die valt te betwisten. Het kost Acda moeite om de film te dragen. Zeker als je hem afzet tegen de majestueuze voice-over van de oorspronkelijke versie van de film, Morgan Freeman.

Deze opvolger borduurt verder vrolijk voort op het Oscar-winnende origineel, één van de succesvolste natuurdocumentaires ooit. Met subliem camerawerk dat majestueuze vergezichten paart aan veel oog voor detail wordt een klein – ik zou bijna zeggen: menselijk – verhaal uit de doeken gedaan. Waarbij Jacquet kiest voor één enkele pinguïn als hoofdpersoon, die (natuurlijk) menselijke eigenschappen wordt toegedicht.

Uiteindelijk is ook deze tweede episode van March Of The Penguins een gemakkelijk invoelbaar verhaaltje over hoeveel ouders voor hun kinderen (moeten) doen. En tussendoor worden er natuurlijk heel wat buikschuivers, bommetjes en plonsduiken gemaakt, gaat de camera mee onder water en in de lucht en ontsnapt het jonge kuiken bovendien op diverse manieren aan de dood. Een entertainende film, kortom.