The Thief Collector

HBO

Routineus beginnen ze aan het leegruimen van de woning in het kleine Amerikaanse plaatsje Cliff. It’s all in a day’s job voor Dave Van Auker en zijn collega’s van Manzanita Ridge Antiques in Silver City, New Mexico. Ditmaal is alles echter anders. Op een augustusdag in 2017 treffen ze op de slaapkamer van het huis een schilderij aan, dat verdacht veel lijkt op Woman-Ochre, een belangwekkend werk van de befaamde Nederlands-Amerikaanse schilder Willem de Kooning.

Het schilderij is al ruim dertig jaar spoorloos. Op 29 november 1985, de dag na Thanksgiving, werd het door een man en een vrouw gestolen uit het University Of Arizona Museum of Art in Tucson. Toen was het ‘slechts’ drie á vier ton waard. Inmiddels wordt het op een slordige 160 miljoen dollar ingeschat. Ter plaatse, in Nowhereville, USA , hebben ze desondanks weinig op met het schilderij. Dat kan hun kleine broertje ook – of een bonobo, heb je die wel eens zien schilderen?

In de woning van de pensionado’s Jerry en Rita Alter worden tevens manuscripten aangetroffen van de man des huizes. In het korte verhaal The Thrill Seekers beschrijft Jerry bijvoorbeeld hoe de adrenalinejunkies ‘Georges’ en ‘Suzie’ een schilderij stelen. Ze beschouwen zichzelf als ‘masters of victimless crimes’. Moet dit worden opgevat als een bekentenis? Regisseur Allison Otto heeft hun lotgevallen in elk geval met acteurs en een vette knipoog verfilmd voor The Thief Collector (96 min.). 

Er zijn drie soorten kunstdieven volgens Bob Cauthorn, voormalig kunstmedewerker van The Arizona Daily Star. De types die simpelweg de gelegenheid aangrijpen, zij die er dik geld mee willen verdienen en lieden die puur en alleen voor zichzelf stelen. Die laatsten zijn volgens hem het gevaarlijkst. Zij verbergen het ontvreemde werk angstvallig voor de wereld. Behoren de Alters tot die categorie? Of hadden ze misschien een appeltje met De Kooning te schillen? En hebben ze wellicht nog meer op hun kerfstok?

Met familieleden, kennissen, medewerkers van de plaatselijke kringloopwinkel, vertegenwoordigers van het museum, kunstkenners en een agent van het FBI Art Crime Team ontleedt Otto in deze vermakelijke kunstcrime-docu het dubbelleven van Jerry en Rita Alter. Hebben ze al die tijd iedereen in het ootje genomen? Of doelbewust een mythe rond hun eigen levensverhaal gecreëerd? Maar als dat laatste waar is: hoe komen ze dan in Godsnaam aan Woman-Ochre?

God Forbid: The Scandal That Brought Down A Dynasty

Disney+

Hoogmoed komt voor de val. Terwijl Jerry Falwell Jr., rector magnificus van de christelijke Liberty University, en zijn vrouw Becki zo’n beetje worden beschouwd als het koninklijke echtpaar van evangelisch Amerika, leiden ze in werkelijkheid een losbandig bestaan. In maart 2012 slaan ze in Miami een twintigjarige ‘pool boy’ aan de haak. Als Becki seks heeft met deze Giancarlo Granda kijkt haar echtgenoot Jerry verlekkerd toe. Ofwel: cuckolding. Een spel waarbij BDSM en voyeurisme elkaar ontmoeten. En deze pikante driehoeksverhouding, die door Jerry overigens wordt ontkend, houdt in totaal zo’n zeven jaar stand.

In eerste instantie richt God Forbid: The Scandal That Brought Down A Dynasty (109 min.) zich vooral op het persoonlijke relaas van Giancarlo Granda. Over hoe hij als bleue Cubaans-Amerikaanse jongeling langzaam maar zeker verstrikt raakt in het web van de christelijke drinkebroer en zijn onverzadigbare ‘cougar’. Hij was geil en naïef, concludeert Granda nu. En Jerry wilde vooral dat Becki gelukkig was, stelt Mark Ebner, de grofgebekte schrijver van het boek Off The Deep End: Jerry And Becki Falwell And The Collapse Of An Evangelical Dynasty. En dat was ze volgens hem met name ‘when Giancarlo Granda was balls deep inside of her’.

Die ferme oneliner – en Ebner schudt er nog veel meer uit zijn mouw – is exemplarisch voor de toonzetting van deze documentaire van Billy Corben, die is opgeleukt met slicke nagespeelde scènes met acteurs en volgestort met catchy deuntjes (waarbij ook orgelwonder Klaus Wunderlich soms een deuntje lijkt mee te spelen). Dit kan evenwel niet verhullen dat het ondeugende tabloidverhaaltje, dat gaandeweg ook nog uitmondt in een schimmige onroerend goeddeal, gaandeweg een veel groter maatschappelijk thema blootlegt: de toenemende invloed van evangelische Amerikanen op de koers van hun land en het grimmige geweld dat daardoor soms loskomt.

Want Falwell is de zoon van één van de bekendste en meest invloedrijke tv-predikanten die de Verenigde Staten ooit hadden. Moral Majority-leider Jerry Falwell Sr. maakte in de jaren zeventig van de strijd tegen abortus een cultuuroorlog, voerde tevens een kruistocht tegen porno en gaf later gays zowaar de schuld van de terroristische aanslagen van 11 september 2001. Als prominente vertegenwoordiger van christelijk nationalisme liet Jerry Sr. volgens historicus Matthew Sutton zien ‘dat je met politiek, demagogie en hysterie geld kon verdienen en meer invloed en macht kon krijgen. Jerry Jr. erkent dit en zet het werk van zijn vader voort.’

En daarmee maakt zowaar ook Donald Trump zijn entree in de film. Eerst als succesvolle zakenman, mediapersoonlijkheid en kennis van de Falwells, later ook als kandidaat-politicus. Als zijn ‘enforcer’ Michael Cohen stuit op ‘persoonlijke foto’s’ van het echtpaar en hun zwembadjongen, worden die rücksichtslos ingezet om christelijk rechts aan Trumps kant te krijgen. En Falwell Jr. zal zich tijdens Donald Trumps campagne en presidentschap inderdaad opwerpen als één van zijn loyaalste medestanders – ook als die zich steeds openlijker gedraagt als een despoot. Zolang hij maar trouw aan de bijbel blijft zweren – of Cohen stiekem aan die foto’s refereert.

De hypocrisie van de Falwells dient in deze smeuïge film uiteindelijk vooral als casus om de wisselwerking tussen conservatieve christenen en met name Republikeinse politici aan te kaarten. Uit principiële of puur praktische overwegingen sluiten zij de rijen. Falwell Sr. en Jr. kunnen daarbij allebei terugvallen op een speciale relatie met hun ‘eigen’ president, Ronald Reagan en Donald Trump. En daartussen zijn, zo laat Corben zien in een spannende parallelmontage, opvallende overeenkomsten. Als deze conservatieve christenen hun zin krijgen, zo toont deze documentaire eveneens, kunnen de VS wel eens uitgroeien tot een theocratie.

God verhoede ‘t, zal menigeen denken.

Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur

FX

Zijn naam is voor eeuwig verbonden met het alter ego van die andere vermaarde hiphopper, Christopher Wallace. Tupac Shakur versus The Notorious B.I.G. De Amerikaanse westkust tegenover de oostkust. Een gangsterrapoorlog, die hen allebei het leven kostte. Eerst ‘2Pac’, op 23 september 1996. Ruim een half jaar later ‘Biggie’.

Het is een tragische geschiedenis, die zijn weg ook al heeft gevonden naar diverse documentaires. Na Biggie And Tupac (2002) maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield een kleine twintig jaar later bijvoorbeeld ook Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac. En Suge Knight, de platenbaas van Death Row Records die wordt gezien als de aanstichter van de ontspoorde oorlog, kreeg in 2018 ook zijn eigen podium in American Dream / American Knightmare.

Nadat regisseur Emmett Malloy in 2021 al Christopher Wallace achter de zwaarIijvige gangsterrapper vandaan probeerde te halen in Biggie: I Got A Story To Tell, neemt filmmaker Allen Hughes nu bijna vijf uur de tijd om de enige echte Tupac Amaru Shakur te vinden in de patser, die het boegbeeld van ‘thug life’ was geworden. En het duurt in de vijfdelige serie Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur (298 min.) ruim twee uur voordat de naam Biggie voor het eerst valt – en nog een stuk langer voordat de strijd oplaait.

Hughes en Shakur gaan ver terug. Ze werkten samen voor enkele videoclips, maar kregen ruzie over Tupacs bijdrage aan de speelfilm Menace II Society. De rol stond hem niet aan. Het conflict liep hoog op. Geruchten dat hij in elkaar is geslagen door de rapper/acteur verwijst Allen Hughes, die noodgedwongen ook even vóór de camera verschijnt, echter direct naar het rijk der fabelen. Shakur had wel een stuk of tien hardhandige ‘vrienden’ die dat voor hun rekening namen.

Tupac was ‘de intelligentste idioot die ik ooit heb ontmoet’, stelt zijn manager Watani. Zijn latere gedrag is ook nauwelijks te rijmen met de beelden van de zeventienjarige Shakur. Hoe kon deze gevoelige en welbespraakte scholier uitgroeien tot een rapper die steeds verder ontspoorde? Allen Hughes legt in deze miniserie de link met het woelige bestaan van zijn moeder Afeni Shakur. Zij was een prominent lid van The Black Panther Party, zat een hele tijd vast en ontwikkelde een ernstige verslaving.

In Dear Mama, tevens de titel van een song van Tupac over de vrouw die hem in haar eentje opvoedde, alterneert Hughes voortdurend tussen deze twee verhaallijnen. Afeni‘s leven in en rond de militante Panther-beweging, die in de jaren zestig en zeventig in een loopgravenoorlog was verwikkeld met de Amerikaanse overheid, claimt vrijwel net zoveel ruimte als de lotgevallen van haar zoon. Het is alsof ze allebei vast zijn gelopen in een permanente vechtmodus, die hen weinig goeds brengt.

Met familieleden, vrienden en medestrijders van moeder en zoon, alsmede geestverwanten van Tupac zoals Dr. Dre, Snoop Dogg en Mike Tyson, kleurt Allen Hughes die twee getormenteerde, onlosmakelijk met elkaar verbonden levens, vereeuwigd in een overvloedige hoeveelheid fraai beeldmateriaal, verder in tot een dubbelportret van epische proporties. Alleen het gezwollen eind, waarin de betreurde Tupac tot een halve heilige wordt uitgeroepen, is wat veel van het goede.

Als de rapper/acteur – die zijn biologische vader nauwelijks heeft gekend, al draaft de man wél op in deze miniserie – op slechts 25-jarige leeftijd zijn laatste adem heeft uitgeblazen, leeft zijn moeder nog twintig jaar verder. Afeni zal Tupacs woordvoerder, zaakwaarnemer en martelaar worden. Strijdbaar, zoals altijd – net als haar zoon. Maar met een zwaar hart.

Gaby Aghion: The Woman Behind Maison Chloé

AVROTROS

Ook toen ontwerpers een soort rocksterren werden, bleef couturière Gaby Aghion (1921-2014) het liefst op de achtergrond. De oprichtster van het Franse modehuis Chloé, dat ze had vernoemd naar haar vriendin Chloé Huysmans, liet zich zo min mogelijk zien en gunde de aandacht bijvoorbeeld met liefde en plezier aan de jonge ontwerper Karl Lagerfeld, die begin jaren zestig het Chloé-team had versterkt. Samen zouden ze grote successen vieren.

‘Gaby is een aparte figuur in de mode’, vertelt haar kleindochter Mikhaela in de docu Gaby Aghion: The Woman Behind Maison Chloé (53 min.) van Isabelle Cottenceau. ‘Men vraagt me altijd: wat heeft ze ontworpen? Was ze stylist? Was ze artistiek directeur?’ Volgens schilder, fotograaf en huisvriend Peter Knapp was Aghion echter geen ontwerper, maar een doorgever. Ze kon de toekomst aanvoelen en daarbij de juiste mensen kiezen.

‘Vergeef me dat ik pretentieus ben’, vertelde Gaby Aghion zelf tijdens een interview in 2012, waarvan enkele fragmenten voor deze film zijn ingesproken door Keren Ann. ‘Maar ik geloof dat ik door mijn voorbeeld de vrouwen heb bevrijd.’ Daarvoor moest ze dan wel eerst van haar geboorteland Egypte naar Frankrijk verhuizen. Daar schrok ze als geëmancipeerde vrouw van de onvrijheid van Franse vrouwen en startte in 1952 haar eigen modehuis.

Aghion maakte direct naam met shows die ze bijvoorbeeld in het befaamde Parijse Café de Flore organiseerde. Terwijl de pers café au lait dronk en zich tegoed deed aan croissants, liepen de mannequins gewoon tussen de tafels door. Ze richtte zich bovendien op luxe confectiekleding. Ready-to-wear. Ofwel, met een mooie Franse vakterm: prêt-à-porter. Zoals de Embrun, een hemdjurk die z’n weg zou vinden naar de garderobe van elke bijdetijdse dame.

Cottenceau neemt in deze verzorgde film de tijd om zulke ontwerpen eens goed te laten bekijken en beschrijven door enkele begeesterde experts. Daarop ligt zeker zoveel nadruk als op het – voor een buitenstaander minstens zo interessante – leven van Aghion, die Joods was, samen met haar echtgenoot Raymond het communisme aanhing en volgens haar zoon, de bekende econoom Philippe Aghion, alleen de waarheid sprak als het haar uitkwam.

Net als in het echte leven krijgt Gaby Aghion in dit postume portret zo de gelegenheid om zich een beetje te verschuilen achter haar werk.

Television Event

VPRO

Geen bloed. En geen verbrande lijken. De censoren van de Amerikaanse commerciële zender ABC lijken onverbiddelijk. Het is duidelijk dat zij geen idee hebben van wat de makers van die nieuwe ‘Saturday Night Movie’ proberen te bewerkstelligen. De filmcrew laat zich er in elk geval niet door weerhouden. Regisseur Nick Meyer en z’n team willen Amerika confronteren met de gevaren van een kernoorlog. Hun speelfilm The Day After wordt in 1983 een ongekend Television Event (86 min.) – en een prachtige metafoor voor de collectieve angst voor nucleaire verwoesting van de aarde.

‘In de jaren tachtig hadden Amerika en Rusland genoeg kernwapens om iedere man, vrouw en kind op aarde 54 keer te doden’, stelt Meyer, die even daarvoor nog een Star Trek-film heeft afgeleverd. ‘54 keer!’ Alle reden dus om het land wakker te schudden met een onvervalste ‘what if’-film. Alleen dreigt de licht ontvlambare filmmaker zelf een obstakel te worden. Tijdens het productieproces blijkt steeds weer dat waar Nick Meyer komt, ook ruzie komt. ABC Motion Pictures-onderdirecteur Stu Samuels ontwikkelt een serieuze vorm van ‘Nick-moeheid’ en overweegt om hem van de film af te halen.

Rondom die clashende ego’s ontwikkelt zich een discussie over of die film over gewone Amerikanen voor, tijdens en na een kernaanval er überhaupt moet komen. Is het meer dan ordinaire bangmakerij? Spelen ze grote vijand Rusland ermee in de kaart? De nieuw aangetreden regering van de ‘cowboy’ Ronald Reagan komt in elk geval met dwingende inhoudelijke suggesties. Blijkbaar is het idee van een film over een kernoorlog nog enger dan een echte kernoorlog. Intussen laait de Koude Oorlog, mede door Reagans retoriek over de Sovjet-Unie als ‘evil empire’, begin jaren tachtig ouderwets op. 

Via het voorbeeld van de controversiële kernoorlogsfilm belicht deze hele smakelijke reconstructie van Jeff Daniels intussen treffend de angst voor nucleaire destructie die als een grauwsluier over de jaren tachtig hangt (en die nu, gezien bijvoorbeeld de ontwikkelingen in Oekraïne, opnieuw uiterst actueel is). Totdat de regering Reagan toch maar toenadering zoekt tot de aartsvijand, om de ontspoorde wapenwedloop een halt toe te roepen – al is het de vraag of The Day After daarbij inderdaad zo’n prominente rol heeft gespeeld als Television Event, op toch wel typisch Amerikaanse wijze suggereert.

Patti Smith: Electric Poet

Arte

Na een concert met Bruce Springsteen & The E Street Band voelde gitarist Steven van Zandt onlangs de behoefte om met een tweet een recensent te corrigeren: nee, Bruce speelde geen cover van Patti Smith, het was zijn eigen compositie!

Vreemd is het overigens niet dat Because The Night door menigeen vooral wordt geassocieerd met de zangeres, dichter en kunstenares uit New York. Zij eigende zich het prijsnummer volledig toe en maakte er een absolute wereldhit van, haar enige overigens. Smith zelf werd intussen in het collectieve geheugen opgeslagen als een performer die floreerde op het braakliggende terrein tussen poëzie en rock & roll. Ze stond daarbij op de schouders van giganten als Arthur Rimbaud, Brian Jones, James Dean, Albert Camus en Bob Dylan en werd volgens eigen zeggen regelmatig verrast door de kracht van haar eigen verbeelding.

Als outsider had ze haar plek gevonden in het illustere Chelsea Hotel, een bastion van de tegencultuur waar je in de lobby zomaar bohémiens als Janis Joplin, William Burroughs of Allen Ginsberg tegen het lijf kon lopen. En even verderop huisde Andy Warhol’s The Factory, waar The Velvet Underground kind aan huis was. Gedragen door de eerste punkgolf van halverwege de jaren zeventig, waarbinnen ze helemaal op haar plek was, werd Smith zelf ook een icoon van die scene: oorspronkelijk, eigenzinnig en androgyn. Gaat het te ver om haar ‘non-binair avant la lettre’ te dubben? Feit is dat ze speelde met de traditionele man- en vrouwrollen.

Het gedegen portret Patti Smith: Electric Poet (53 min.) van Anne Cutaia en Sophie Peyrard richt zich vooral op het decennium waarin de geboren performer zich openbaarde aan de wereld. Zoals wel vaker wordt de periode daarna, waarin ze ook nog eens bijna tien jaar uit het publieke leven verdween om zich samen met haar echtgenoot Fred ‘Sonic’ Smith (oud-gitarist van The MC5) te wijden aan haar gezinsleven, bijna behandeld als een soort epiloog. Alsof dat latere leven simpelweg kan worden gereduceerd tot de comeback, na Freds vroegtijdige overlijden in 1994, en de blijvende artistieke waardering die haar sindsdien, ook als fotograaf, ten deel is gevallen.

‘Ik ben nooit normaal geweest’, stelt ze zelf, na een leven lang liefdevol laveren tussen punk en poëzie. ‘Maar ik ben een normale excentriekeling.’

The Murder Of Fred Hampton

MGA

‘Je kunt een revolutionair opsluiten, maar je kunt de revolutie zelf niet opsluiten’, houdt Fred Hampton zijn gehoor voor tijdens een speech. Even later gevolgd door een variant op die strijdleus: ‘Je kunt een vrijheidsstrijder doden, maar je kunt de vrijheidsstrijd zelf niet doden.’

Daarvan is hij zelf een schrijnend voorbeeld geworden. Hampton, leider van het Illinois Chapter van The Black Panther Party, werd in december 1969 op 21-jarige leeftijd, naar verluidt in zijn slaap, tijdens een inval van de politie van Chicago gedood. Net als andere prominente Afro-Amerikaanse stemmen van zijn tijd, zoals Malcolm X, Medgar Evers en Martin Luther King, moest hij zijn bijdrage aan de strijd om burgerrechten op jeugdige leeftijd met de dood bekopen. Hij zou daardoor bijvoorbeeld nooit meemaken hoe een zwarte man ruim dertig jaar later president van zijn land werd. Hampton en zijn strijdmakkers van The Black Panthers hadden dat waarschijnlijk voor onmogelijk gehouden.

Deze observerende zwart-wit film van Howard Alk begint als een collageachtige impressie van ‘s mans strijd, maar wordt gaandeweg een exploratie van The Murder Of Fred Hampton (89 min.). Die heeft als zoveelste scharnierpunt gefunctioneerd in een tijd waarin het Afro-Amerikaanse verzet steeds militanter en openlijk socialistisch wordt, mannen als Bobby Rush, Huey P. Newton en Bobby Seale de harten van Jong Zwart Amerika veroveren en de regering Nixon en het lokale gezag hen maar al te graag een kopje kleiner maken. In het geval van Fred Hampton, een charismatische leider met de gave des woords, gebeurt dit eerst met min of meer legale middelen, in de rechtbank via The Ice Cream Trial, en worden later, in de woorden van de Panthers, talloze ‘pigs’ ingezet om hem definitief het woord te ontnemen.

Intussen nemen zij zelf ook de wapens op en beginnen zich met hand en tand te verdedigen. Moet de dood van Fred Hampton in dat verband worden gezien als – de officiële lezing van de autoriteiten, verwoord door Cook’s County’s officier van justitie Edward Hanrahan – het logische gevolg van een schietpartij tussen zwaarbewapende Black Panthers en de politie van Chicago? Of toch – de haaks daarop staande visie van Hamptons medestanders – als een door het gezag, J. Edgar Hoovers FBI in het bijzonder, slinks georkestreerde moordpartij van een man die de strijd aanbond met de hegemonie van de witte man? Regisseur Alk laat er geen misverstand over bestaan welke mening hij is toegedaan – en het kost een buitenstaander weinig moeite om hem daarin te volgen.

Michael Douglas – The Child Prodigy

Kirk & Michael Douglas / AVROTROS

Als één acteur de Amerikaanse man van eind twintigste eeuw een gezicht heeft gegeven, dan is het Michael Douglas. Of het nu was als een overspelige echtgenoot (de brave borst Dan Gallagher die in Fatal Attraction een affaire heeft met een bijzonder wraaklustige Glenn Close), de Januskop van het kapitalisme (Gordon ‘Greed is good’ Gekko in Wall Street, Oliver Stone’s aanklacht tegen de Reagan-jaren) of een doorgesnoven en seksbeluste thrillseeker (rechercheur Nick Curran die in Paul Verhoevens erotische thriller Basic Instinct jaagt op Sharon Stone), Douglas wist er een gedenkwaardige ‘man you hate to love’ van te maken.

Ook dit portret van de Amerikaanse acteur begint echter weer bij zijn vader Kirk Douglas, één van de grootste Hollywood-sterren van de jaren vijftig en zestig en een man waar je als kind bijna standaard schril tegen afsteekt. Kan Michael binnen de filmwereld ooit meer worden dan ‘de zoon van Spartacus’? blijft lang, niet in het minst voor hemzelf, de vraag. Hij belandt eerst op het televisiescherm (de populaire politieserie The Streets Of San Francisco), wordt daarna succesvol achter de schermen als filmproducent (de klassieker One Flew Over The Cuckoo’s Nest, waarbij hij zijn vader passeert voor de hoofdrol) en breekt tenslotte toch door op het witte doek met ComaThe China Syndrome en Romancing The Stone.

In Michael Douglas: The Child Prodigy (52 min.), een documentaire van Amine Mestari, gaat de hoofdpersoon er eens goed voor zitten om het verhaal van zijn leven en carrière van context te voorzien. Dat vadercomplex blijft daarin alsmaar terugkomen, ook als junior zich al lang en breed op eigen kracht heeft bewezen. ‘Als ik had geweten dat je zo succesvol zou worden was ik aardiger tegen je geweest toen je opgroeide’, zei Kirk, volgens Michael, op latere leeftijd tegen hem. ‘Achteraf bezien was hij héél trots.’ Zoonlief had bovendien inmiddels iets bereikt wat voor zijn vader nooit zou zijn weggelegd: een Oscar. Voor de rol van Gordon Gekko, die hij ruim twintig jaar later nog eens op zich zou nemen in het vervolg Wall Street: Money Never Sleeps (2010).

In de tussentijd was Michael Douglas al indringend geconfronteerd met de man die hij was geworden. Een workaholic, net als zijn vader. En bevattelijk voor verslaving, zoals wel meer leden van de familie. Hij praat er open over in dit verzorgde portret. Douglas zou er ook door rijpen als acteur en andersoortige rollen gaan accepteren, tegenpolen van de typische Amerikaanse mannen die hij eerder in zijn loopbaan van zo’n typisch Douglas-gezicht had voorzien.

Enron: The Smartest Guys In The Room

Magnolia Pictures

‘What’s he building in there?’, gromzingt Tom Waits, met zijn donkerste stem aan het begin van Alex Gibney’s klassieke witte boorden-docu. ‘What the hell is he building in there?’ bromt de Amerikaanse zanger nog eens als het hoofdkwartier van Enron in Houston, Texas, in beeld komt. Wat zit er in godsnaam in de zwarte doos van zo’n energieconcern?

Journalist Bethany McLean van Fortune Magazine, die later samen met Peter Elkind ook het boek The Smartest Guys In The Room zal schrijven, stelt in maart 2001 de vraag waarop niemand eigenlijk antwoord kan geven: hoe verdient Enron precies zijn geld? Het heeft jaren en onnoemelijk veel bravado, schimmigheid en schelmentrucs gekost om de zeepbel tot opzienbarende proporties op te blazen, zodat Enron een plek kan verwerven in de top tien van grootste bedrijven van de Verenigde Staten. Niet veel later zal het echter slechts een luttele 24 uur kosten om hem lek te prikken.

De financiële crisis van 2008, waarbij zakenbank Lehman Brothers onderuit gaat, ligt dan nog jaren in de toekomst verscholen. En Bernie Madoff is nog gewoon bestuursvoorzitter van de NASDAQ als Enron en plein public voor de bijl gaat. In Enron: The Smartest Guys In The Room (109 min.) tekent Alex Gibney de survival of the fittest en bijbehorende machocultuur binnen het bedrijf op, die daaraan ten grondslag ligt. Het is alsof de topmannen denken dat zij een casino hebben gevonden dat alleen uitkeert. En zo nodig schoppen ze stiekem tegen de speeltafel aan.

Zoals wanneer de energievoorziening in de staat Californië schaamteloos wordt ontregeld, om zelf op slinkse wijze extra inkomsten te genereren. Enrons CEO Jeffrey Skilling grapt in die tijd dat er één verschil is tussen de Titanic en Californië: toen de boot ten onder ging, deed het licht het tenminste nog. Geld fungeert als enige motivator bij Enron. En perceptie is alles. Zolang niemand het merkt – of er iets van zegt – mag alles. Totdat de conclusie onvermijdelijk wordt: ook deze keizers, de zelfverklaarde slimste jongetjes van de klas, hebben echt helemaal geen kleren aan.

‘Ik heb nooit iets gedaan dat niet in het belang was van onze aandeelhouders’, beweert Skilling niettemin met een stalen gezicht voor een onderzoekscommissie van het Amerikaanse parlement. ‘Bij de Titanic ging de kapitein ten onder met zijn schip’, riposteert de Democratische senator Byron Dorgan vervolgens ijzig. ‘Bij Enron gaf de kapitein zichzelf en zijn vrienden eerst een bonus, stapte daarna met de andere toplui in een gereedstaande reddingsboot en riep tenslotte tegen de rest: o ja, alles komt helemaal goed!’ Jeffrey Skilling probeert geen spier te vertrekken.

Ook Enrons andere topman Ken Lay, een persoonlijke vriend en donateur van de Republikeinse president George W. Bush, zal nooit verantwoordelijkheid nemen voor de wanorde, het opportunisme en de onvoorstelbare corruptie binnen het bedrijf, waaraan alle ‘usual suspects’ van Wall Street, de banken en accountants, ook weer ongegeneerd hand- en spandiensten blijken te hebben verleend. En als Enron dan over de kop gaat, blijft alleen het personeel op de werkvloer berooid achter. Als nietsvermoedende passagiers op een schip dat wel een Titanic moest worden.

Het bankroet van Enron geldt sindsdien als een exemplarisch voorbeeld voor het failliet van een compleet financieel systeem, dat overigens, ruim twintig jaar later, nog altijd vrolijk voortwoekert. En deze ferme film uit 2005, waarin acteur Peter Coyote als verteller fungeert, Enron-medewerkers worden geportretteerd als subjecten binnen het beruchte wetenschappelijke Experiment van Milgram en allerlei smakelijke muziekjes ervoor zorgen dat het geheel nooit té zwaar op de maag ligt, geldt als het ultieme, nog altijd zwaar ontluisterende bewijsstuk daarvoor.

In dit artikel van Investopedia is overigens te lezen hoe het de belangrijkste betrokkenen bij het Enron-schandaal daarna verging.

The Quiet Epidemic

First Run Features

‘Het is niets minder dan een oorlog, een oproer tegen geneeskunde die zich baseert op wetenschappelijke feiten’, schrijft een medewerker van de National Institutes of Health (NIH) ontzet aan zijn collega’s. ‘Het is tijd om terug te vechten.’ Hij heeft ‘t niet over coronasceptici. Samen met de Centers for Disease and Control (CDC) bindt de Amerikaanse evenknie van het RIVM de strijd aan met de ‘anti-wetenschap’ die wordt gepropageerd door de zogenaamde ‘Lyme Loonies’.

De Ziekte van Lyme, die kan ontstaan na een tekenbeet, werkt al jaren als een splijtzwam binnen de Amerikaanse gezondheidszorg. De aandoening, begin jaren zeventig voor het eerst vastgesteld bij jonge mensen met artritis uit het stadje Lyme in de staat Connecticut, wordt volgens dokter Richard Horowitz, die zich heeft gespecialiseerd in de behandeling van Lyme-patiënten, gemakkelijk verward met het chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, reumatische artritis, lupus, multiple sclerosis en dementie.

The Quiet Epidemic (101 min.) documenteert de strijd van Horowitz en enkele collega’s om Lyme – en dan met name de omstreden chronische variant daarvan, die door tien tot twintig procent van de patiënten zou worden ontwikkeld – geaccepteerd te krijgen door het medische establishment. Daarbij spelen verzekeraars een twijfelachtige rol. De intensieve zorg die de Lyme-artsen verstrekken – voor een officieel niet-bestaande, of in elk geval moeilijk aan te tonen, aandoening – wordt door hen niet meer vergoed.

Wat dit in de praktijk betekent, laten de filmmakers Lindsay Keys en Winslow Crane-Murdoch zien via Julia Bruzzese en haar vader Enrico. Als negenjarig meisje werd Julia gebeten door een teek. Sindsdien heeft ze last van allerlei symptomen, die voor de officiële wetenschap lastig zijn te verklaren. Ze zit tegenwoordig zelfs in een rolstoel. En haar vader heeft zijn baan opgezegd, om permanent voor haar te zorgen. Zouden haar klachten ingebeeld kunnen zijn? Met andere woorden: leidt Julia misschien aan een conversiestoornis?

Keys en Crane-Winslow stellen zich in deze stevig doortimmerde film op aan de kant van de Lyme-patiënten en hun onvermoeibare pleitbezorgers, waarbij ze niet alleen de slachtofferverhalen vertellen maar ook diepgaand aandacht besteden aan de wetenschappelijke verklaringen daarvoor. Het blijft alleen jammer dat de vertegenwoordigers van de officiële gezondheidsorganisaties, die volgens hun criticasters de ziekte onvoldoende serieus nemen en behandeling zelfs in de weg staan, de kans laten lopen om te reageren.

Zonder zulk weerwoord kan The Quiet Epidemic alleen een onverhuld pleidooi worden om de Ziekte van Lyme nu eindelijk eens serieus te nemen. Om er een Loud Epidemic van te maken, zogezegd. Zodat de medische wetenschap zich genoodzaakt voelt om écht in actie te komen.

The Dmitriev Affair

Zeppersfilm

Het is hun taak om elk afzonderlijk individu recht te doen, is de stellige overtuiging van Joeri Dmitriev. Net als andere Russen, verenigd in de mensenrechtenorganisatie Memorial, zoekt hij naar slachtoffers van Stalins Grote Terreur, waarbij in de jaren 1936 tot 1938 misschien wel een miljoen Russen werden omgebracht. In Karelië, in het noordwesten van het land, heeft Dmitriev twee enorme massagraven met duizenden slachtoffers ontdekt.

En in voorheen gesloten archieven vindt de historicus gedetailleerde informatie over de terreur en slachting. Een concrete verklaring van één van de uitvoerders bijvoorbeeld. ‘Eerste luitenant Shondysh schoot in de nacht van 22 op 23 januari van 1938 eigenhandig 446 mensen dood’, vertelt Dmitriev daarover, met nauwelijks ingehouden woede. ‘In één nacht. Met een revolver, niet met een machinegeweer of automatisch wapen.’ Hij kan het nog altijd nauwelijks geloven: ‘En ze kwamen er zomaar mee weg.’

Dmitrievs activiteiten zorgen ervoor dat hij op de radar komt van Russische autoriteiten. Op de staatszender Russia Today wordt hij er bijvoorbeeld van beschuldigd dat hij de geschiedenis van het land, met buitenlandse financiering bovendien, probeert te bezoedelen. Eind 2016 volgt zijn arrestatie, op bijzonder twijfelachtige gronden. Die zet The Dmitriev Affair (93 min.) definitief in gang. Documentairemaakster Jessica Gorter, die al meerdere documentaires maakte in Rusland, is dan al enige tijd met hem aan het filmen.

Met ‘s mans aanhouding verplaatst haar film zich in zekere zin van Ruslands afschrikwekkende verleden naar het heden, dat hard op weg is om een natuurgetrouwe weerspiegeling van die geschiedenis te worden. Via haar strijdbare protagonist, en de pogingen van het regime om hem klein te krijgen, toont Gorter knap de repressie in het huidige Rusland en de gevolgen daarvan voor burgers, en de mensen om hen heen, die zich niet zomaar de mond laten snoeren – of op een vuile manier worden besmeurd.

Terwijl Memorial, in het najaar van 2022 beloond met de Nobelprijs voor de Vrede, het werken vrijwel onmogelijk wordt gemaakt, krijgt de herijking van Stalin, ook al het thema van Gorters vorige film De Rode Ziel, steeds meer reliëf. Daarbij past ook het herschrijven – of gewoon vervalsen – van de geschiedenis, zoals deze film pijnlijk duidelijk laat zien. Over niet al te lange tijd is die Grote Zuivering er nooit geweest en wordt Rusland ook weer omringd door louter vijanden. Met stuk voor stuk bloed aan hun handen bovendien.

En Joeri Dmitriev wacht hetzelfde lot als talloze landgenoten. Toen en nu.

The Rise Of The Murdoch Dynasty

BBC

Volgens een recent profiel van Rupert Murdoch in Vanity Fair was Murdochs zoon Lachlan ervan overtuigd dat z’n broer James verhalen over hun vader lekte naar de schrijvers van de populaire dramaserie Succession. En iemand uit de directe omgeving van James meldde dat die er dan weer vanuit ging dat Rupert en Lachlan de pers op het spoor hadden gezet van verhalen over hem.

Het zijn taferelen die de gemiddelde televisiekijker inderdaad direct associeert met de infame mediafamilie Roy uit Succession. Hoezeer de pater familias van de Murdochs ook aan ‘damage control’ probeert te doen. Bij de scheiding van zijn vierde echtgenote Jerry Hall, het voormalige fotomodel dat eerder breed in de pers uitgemeten relaties had met Bryan Ferry en Mick Jagger, liet Rupert Murdoch bijvoorbeeld expliciet vastleggen dat zij geen verhaallijnen mocht lekken naar het schrijversteam van de serie. Wie weet wat er anders via de fictieve stamvader Logan Roy nog was onthuld over de man die de pers en politiek in zijn geboorteland Australië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de afgelopen halve eeuw danig naar zijn hand heeft gezet.

The Rise Of The Murdoch Dynasty (180 min.) heeft zulke omwegen niet nodig. In dit drama in drie bedrijven van regisseur Jamie Roberts (Four Hours At The Capitol/Escape From Kabul), waarin overigens geen enkel lid van de Murdoch-familie participeert, wordt het echte leven van de oerconservatieve mediamagnaat gekoppeld aan de strijd om zijn opvolging en de schandalen die door de jaren aan hem zijn blijven kleven. In deel 1 staat bijvoorbeeld zijn opmerkelijke kongsi met de Britse Labour-leider Tony Blair centraal. Het tweede deel belicht het afluisterschandaal rond Murdochs beruchte Britse tabloid News Of The World, dat zelfs leidt tot parlementaire hoorzittingen. In de slotaflevering worden ten slotte het door Rupert Murdoch bepleite Brexit en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten, met hulp van Murdochs Fox News, behandeld.

Roberts laat daarbij prominente medestanders zoals Les Hinton (die ruim een halve eeuw voor de man werkte), Piers Morgan (voormalig editor van News Of The World), Trump-fluisteraar Steve Bannon en Brexiteer Nigel Farage aan het woord. Hij geeft echter ook spreektijd aan gezworen tegenstanders zoals acteur Hugh Grant en Formule 1-baas Max Mosley, die ernstig zijn belaagd en belasterd door Murdochs schandaalkranten, en onderzoeksjournalist Nick Davies en hoofdredacteur Alan Rushbridger van de krant The Guardian, die het hack- en afluisterschandaal rond News Of The World aan het licht brachten. Zij kenschetsen hem als een rücksichtslose ondernemer, een man die veel kan en tot nog veel meer, zo niet alles, bereid is om zijn wil op te leggen aan de wereld.

Toen deze gedegen miniserie in 2020 werd uitgebracht konden ook zij niet vermoeden dat de door Trump en Fox opgepookte volkswoede begin 2021 bijna zou leiden tot een tweede Burgeroorlog in de Verenigde Staten (die onlangs overigens ook zijn weg vond naar Succession, via de dubieuze acties van de Fox News-achtige nieuwszender van de familie Roy, ATN, bij fictieve Amerikaanse presidentsverkiezingen). Al waren er vanaf het begin wel degelijk ferme criticasters. De Britse schrijver Dennis Potter vond bijvoorbeeld al in 1994 dat Murdoch het mediaklimaat en de politiek in zijn land had vergiftigd. Vlak voor zijn dood vertelde de inmiddels ernstig zieke schrijver tijdens een interview dat hij zijn kanker daarom maar ‘Rupert’ had genoemd.

Ook Potter had toen echter niet kunnen vermoeden hoever de ‘kanker’ Rupert Murdoch en zijn dynastie zich in de navolgende dertig jaar zouden verspreiden – en dat er nog altijd geen effectieve remedie is gevonden tegen zijn gevaarlijke vermenging van activisme, entertainment en journalistiek.

Victim / Suspect

Netflix

‘Ik wil je geen leugenaar noemen’, zegt de agent van dienst tegen Dyanie Bermeo, een 21-jarige Amerikaanse studente die aangifte heeft gedaan van aanranding tijdens een verkeerscontrole. ‘Maar….’

En dan volgt een lange lijst met inconsistenties in haar verklaring, die tot een voor Dyanie verpletterende conclusie leidt: ze wordt aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. ‘Als je bekent, doen we een goed woordje voor je bij het OM’, zou de man die haar heeft verhoord erbij hebben gezegd. Niet veel later ontdekt Bermeo’s huisgenote een bericht dat de politie van Washington County, in de Amerikaanse staat Virginia, op Facebook heeft geplaatst. De jonge vrouw wordt met naam en toenaam genoemd. Er is ook een foto van haar bijgeplaatst. De reacties laten zich voorspellen.

Van slachtoffer van aanranding is Dyanie Bermeo binnen korte tijd veranderd in een verdachte, die in ‘the court of public opinion’ ook meteen wordt veroordeeld. En ze is bepaald niet de enige, ontdekt Rachel de Leon, een onderzoeksjournalist van The Center For Investigative Reporting en de hoofdpersoon van de documentaire Victim / Suspect (95 min.), die deze actuele maatschappelijke kwestie probeert te agenderen. De Leon is allerlei valse aangiftes op het spoor gekomen, die vermoedelijk helemaal niet vals waren. ‘Is aangifte doen het risico waard?’ vraagt ze zich op basis daarvan af.

De kans dat een melding van seksueel geweld tot een veroordeling leidt is sowieso zeer klein, concludeert de journaliste na jarenlang graafwerk. En het slachtoffer loopt het risico dat ze zelf tot verdachte wordt gebombardeerd. Regisseur Nancy Schwartzman volgt De Leon tijdens haar werk aan enkele casussen (waarvoor waarschijnlijk ook enkele scènes, getuige een paar wat opgeprikte gesprekken en scènes, zijn gereconstrueerd). Dat levert een schrijnend beeld op: van agenten die slachtoffers verhoren en de bijbehorende verdachten, waarmee ze soms ook wel erg familiair omgaan, veelal ongemoeid laten.

Om bekentenissen uit te lokken – van slachtoffers, welteverstaan – mogen ondervragers zelfs hun toevlucht nemen tot ‘listen’, een mooi woord voor leugens en verzinsels. Zo kunnen agenten tijdens een verhoor bijvoorbeeld inbrengen dat de verklaring van de jonge vrouw niet strookt met beveiligingsbeelden – ook al hebben ze die beelden zelf nooit gezien (of bestaan die misschien zelfs helemaal niet). En het meisje, vermoedelijk getraumatiseerd, heeft zich daar dan maar tegen te verdedigen. Houdt ze voet bij stuk of trekt ze haar aanklacht in, met daarbij het risico dat ze vervolgens zelf in de beklaagdenbank belandt?

Waar bij de mannen in de genoemde voorbeelden de onschuldpresumptie te allen tijde leidend blijft, lijkt een vrouw die aangifte durft te doen bij voorbaat al verdacht. Óók omdat zo’n omgekeerde aanklacht in de praktijk – over perverse prikkels gesproken – vaak minder werk oplevert voor de betrokken politieman dan een regulier onderzoek naar seksueel geweld. Het is een tragische constatering, die deze soms wel erg Amerikaanse film een bijzonder schrijnend karakter geeft. Dit is victim blaming in het kwadraat, die voor de aangeefsters ongetwijfeld voelt als de spreekwoordelijke ‘second rape’.

Een Amerikaanse Nachtmerrie

BNNVARA

Hoe zou de ideale true crimezaak eruit zien? Een maker stuit op een gerechtelijke dwaling, achterhaalt na allerlei dramatische verhaalwendingen, doodlopende onderzoekspistes en gigantische cliffhangers wat er werkelijk is gebeurd en pleit vervolgens zijn protagonist vrij, zodat die alsnog in vrijheid van de rest van zijn leven kan genieten? Zo eenvoudig en plooibaar is de werkelijkheid doorgaans echter niet, hoezeer sommige makers hem ook hun wil proberen op te leggen.

Ook Hans Pool zal misschien, toen hij zich zes jaar geleden in De Zaak Singh begon te verdiepen, héél even hebben gedacht dat hij de Nederlandse Errol Morris zou worden en dat Jaitsen Singh wellicht kon uitgroeien tot zíjn Randall Adams, de Amerikaan die door Morris werd vrijgepleit van moord in de true crime-klassieker The Thin Blue Line (1988). Pool is echter geen Amerikaanse amateurdetective die even snel en gemakkelijk wil scoren met Een Amerikaanse Nachtmerrie (internationale titel: The Singh Case, 235 min), maar een gelauwerde Nederlandse documentairemaker, met bijvoorbeeld een Emmy Award voor Bellingcat – Truth In A Post-Truth World op zak. Hij wil zich ook niet zomaar voor iemands karretje laten spannen – al is dat in deze gecompliceerde zaak bepaald geen sinecure. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat je aan de tunnelvisie gaat lijden die je bij de politie vermoedt? Of een instrument wordt van de aanklagers of verdediging?

De zaak leek in eerste aanleg, vanuit het verre Nederland, vast nog bedrieglijk simpel: Jaitsen Singh, een Surinaamse Nederlander die met zijn gezin ooit ‘The American Dream’ was gaan najagen, zit al sinds halverwege de jaren tachtig in een Amerikaanse cel als vermeende opdrachtgever van de moord op zijn vrouw Grace en stiefdochter Daphne. Onschuldig, welteverstaan. Singh zou erin zijn geluisd door een overijverige openbaar aanklager, die warm liep voor een politieke carrière en veel te graag wilde scoren, en een verslaafde crimineel, die in ruil voor strafvermindering bereid was om op te treden als kroongetuige. Maar is de werkelijkheid net zo simpel als het verhaal dat ervan kan worden gemaakt? Van de andere kant: het kan toch ook niet zo zijn dat Jaitsen Singh, zoals de aanklagers lijken te beweren, simpelweg een gewetenloze killer is, die een overval op zijn eigen huis heeft geënsceneerd en daarbij zijn eigen echtgenote en stiefkind heeft laten ombrengen?

Via Singhs Nederlandse advocate Rachel Imamkhan, die in de afgelopen jaren uitgebreid zijn onschuld heeft bepleit in Nederlandse media en vanaf het begin betrokken is geweest bij deze Nederlandse Making A Murderer, komt Hans Pool ook in direct contact met Jaitsen Singh zelf. Hij stelt dat zijn zaak, net als de veelbesproken dood van George Floyd, ’voor honderd procent puur op racisme gebaseerd is’. Zó eenvoudig zijn de beschuldigingen tegen hem echter zeker niet te weerleggen. Behoedzaam pelt Pool de verschillende lagen er vanaf, in de hoop zo bij de kern te komen. Hij neemt de kijker daarbij letterlijk mee in zijn onderzoek. In beeld, als de man die Singhs verleden doorwandelt en uiteindelijk zelfs voor het spreekwoordelijke true crimebord belandt. En via verbindende voice-overs, waarmee hij zijn bevindingen, gevoelens én twijfels deelt. Want waar de filmer ooit begon vanuit het idee dat zijn protagonist waarschijnlijk onschuldig vastzit, krijgt hij daarbij gaandeweg steeds meer vragen.

Een Amerikaanse Nachtmerrie blijft mede daardoor vijf afleveringen lang onverminderd boeien. Ook omdat Pool al zijn bronnen, achtergrondinformatie en ontdekkingen slim en gedoseerd uitserveert en er dus steeds een andere verhaallijn of -laag wordt blootgelegd. Elk nieuw stukje informatie plaatst wat je al denkt te weten over de twee moorden en de achtergronden daarvan in een nieuw perspectief. Een echte true crimezaak dus, die zich echter niet zomaar laat reduceren tot een hap-slik-weg misdaadverhaal. Daarvoor is De Zaak Singh te ingewikkeld en diffuus. Hans Pool wordt er bijna zichtbaar ‘sadder and wiser’ van en weerstaat tegelijkertijd de verleiding om al te gemakkelijke conclusies te trekken. Samen met productiemaatschappij Submarine is de filmmaker desondanks in een conflict verzeild geraakt over wat hij wel of niet wil, mag en kan vertellen. Via de rechter hebben Singh en zijn advocaat, vooralsnog tevergeefs, geprobeerd om uitzending van de serie te verhinderen.

Beneath The Surface

Spring Films

Ze werden zogezegd geboren aan de verkeerde kant van het fjord, een wetteloze plek waar alcoholisme, (huiselijk) geweld en drugs welig tierden. Decennialang hulde de Sami-gemeenschap van Tysfjord, gelegen in de poolcirkel, zich in stilzwijgen over wat er zich in haar binnenste afspeelde. Langzaam maar zeker ging echter de deksel van de beerput. In 2016 publiceerde de Noorse krant VG over elf meldingen van seksueel misbruik. In totaal zouden er ruim honderdvijftig meldingen worden gedaan, op een gemeenschap van slechts tweeduizend zielen.

Hele generaties Sami-kinderen groeiden ermee op. Het moet een publiek geheim zijn geweest. En ook de Noorse autoriteiten, aan de andere kant van dat fjord, keken blijkbaar jarenlang de andere kant op. Daar waren ze erop gericht om de Sami-minderheid in hun land, die tegen hun zin ‘Lappen’ werden genoemd, bij wet te verplichten om te assimileren en zo ongemerkt op te gaan in de samenleving. Dat had dan weer zijn effect op die gemeenschap zelf. Een gebrek aan waarde leidt immers onherroepelijk tot geen eigenwaarde, zelfhaat vervolgens tot zelfdestructie.

Zo ongeveer luidt de, enigszins onbevredigende, verklaring voor het grootschalige misbruik in Beneath The Surface (89 min.), een stemmige film waarin regisseur Alexander Irvine-Cox (Missing: Dead Or Alive) VG-journalist Harald Amdal volgt als hij in gesprek gaat met slachtoffers, die de hardnekkige zwijgcultuur binnen hun volk hebben doorbroken. Hun herinneringen worden geïllustreerd met ogenschijnlijk idyllische familiefilmpjes en beelden van de imposante leefomgeving van de Sami, een gebied dat ook wel Lapland wordt genoemd en zich uitstrekt over meerdere Scandinavische landen.

Een schuldig landschap zou de Nederlandse schrijver en kunstenaar Armando ’t noemen, dat leed en geheimen verbergt. Die van de ene op de andere generatie blijken te zijn doorgegeven. Door mannen én vrouwen. Ouders, grootouders, broers en andere familieleden. Leden van een geslagen (nomaden)volk. Alles van waarde is weerloos, constateerde de dichter Lucebert al, maar deze zware, danig op het gemoed werkende documentaire bewijst dat dit evenzeer geldt voor datgene waar nauwelijks waarde aan wordt toegekend: door de betrokkenen zelf en een onverschillige overheid.

Turn Every Page – The Adventures Of Robert Caro And Robert Gottlieb

Sony

De race tegen de klok duurt nu al zo’n halve eeuw. Biograaf Robert Caro en zijn vaste redacteur Robert Gottlieb, allebei inmiddels hoogbejaard, stellen alles in het werk om die alomvattende biografie van de Amerikaanse president Lyndon Baines Johnson (1908-1973) voor hun dood af te ronden. Deel 1 verscheen in 1982, deel 4 dertig jaar later. Het afsluitende vijfde deel laat nu al jaaaren op zich wachten. De epische boekenreeks The Years Of Lyndon Johnson, over één van de gecompliceerdste machtspolitici die de Verenigde Staten ooit hadden, zal straks waarschijnlijk meer dan drieduizend (!) pagina’s beslaan.

Het kost Gottliebs dochter Lizzie heel wat overredingskracht om de twee Bobs te strikken voor Turn Every Page – The Adventures Of Robert Caro And Robert Gottlieb (114 min.). De schrijver heeft bovendien één voorwaarde: hij wil niet in dezelfde ruimte worden geïnterviewd als haar vader. De mannen hebben elkaar leren kennen ten tijde van Caro’s eerste boek, de klassieker The Power Broker: Robert Moses And The Fall Of New York (1974), en onderhouden sindsdien een stormachtige relatie. Want ook ruziën kunnen ze als de allerbesten. Over woordkeuze, de kunst van het weglaten of het gebruik van puntkomma’s. De liefde voor taal, verhalen en de waarheid spat er vanaf.

Terwijl ze de gezamenlijke missie van de twee mastodonten probeert te bevatten, zoomt Lizzie Gottlieb tevens in op hun afzonderlijke levens. Gottlieb redigeerde bijvoorbeeld klassieke boeken van Toni Morrison, John le Carré, Nora Ephron, Michael Crichton en Joseph Heller (wiens Catch-22, volgens Gottlieb, eerst Catch-18 was getiteld) en was daarna hoofdredacteur van The New Yorker. Caro leerde het vak bij de New Yorkse krant Newsday (waar hoofdredacteur Alan Hathway hem een dwingend advies gaf: ‘Turn every page. Never assume anything. Turn every goddamn page!’) en wordt inmiddels beschouwd als de grootste levende schrijver over Amerikaanse politiek. 

Samen hebben ze zich volledig ingegraven in het woelige bestaan van de meestermanipulator LBJ, die na de moord op John F. Kennedy president van de Verenigde Staten (1963-1969) werd. Een machtspoliticus zonder gelijke, die zo’n beetje tegelijkertijd een karrenvracht aan baanbrekende sociale wetgeving door het Amerikaanse parlement loodste en de Vietnamoorlog definitief liet escaleren. Voor wat oorspronkelijk een driedelige biografie van zou worden, is Caro in de tweede helft van de jaren zeventig zelfs drie jaar in het afgelegen en bijzonder armoedige Hill County in Texas gaan wonen. Op Johnsons geboortegrond kreeg hij eindelijk grip op het ‘larger than life’-personage.

Voor dit dubbelportret heeft Lizzie Gottlieb Caro en haar vader op haar beurt vijf jaar lang gefilmd, gesproken met hun echtgenotes Ina en Maria en haar licht opgestoken bij prominenten zoals Ethan Hawke, Bill Clinton, David Remnick, Conan O’ Brien en Daniel Mendelsohn. Het resultaat is een verrukkelijke ode aan schrijven (op een ouderwetse typemachine, met carbonpapier eronder), journalistiek én de waarheid.

The Etilaat Roz

IDFA

De laatste gedrukte editie verschijnt op zondag 15 augustus 2021. Op die dag verandert alles in Afghanistan als de hoofdstad Kabul valt. President Ashraf Ghani vertrekt met de staart tussen de benen, de fundamentalistische moslims van de Taliban nemen de macht over. En daarmee dreigt ook de meest gelezen dagelijkse krant ten onder te gaan. The Etilaat Roz (92 min.) volgt van binnenuit de ontwikkelingen bij het dagblad, dat in de voorgaande jaren een onafhankelijke koers heeft gevaren en zowel over corruptie binnen de regering als over bloedbaden die werden aangericht door de nieuwe machthebbers heeft bericht.

Etilaat Roz-medewerker Abbas Rezaie is twee dagen eerder, op vrijdag 13 augustus, begonnen met filmen en blijft de gebeurtenissen in de navolgende weken vanaf het hoofdkwartier van de krant registreren. Eigen veiligheid staat voorop, houdt hoofdredacteur Zaki Daryabi zijn team voor. Hij zou het dagblad wel vanaf een andere plek, in het buitenland wellicht, willen voortzetten, maar hoe nemen ze het (papieren) archief dan mee? Terwijl sommige stafleden de kans krijgen om het land te ontvluchten, zit een deel van de redactie vast in Kabul, overgeleverd aan de grillen van het nieuwe regime dat weinig op heeft met persvrijheid.

Als een echte kapitein weigert Daryabi intussen om het zinkende schip te verlaten. Met lede ogen moet hij echter toezien hoe rondom hem de Afghaanse democratie wordt ontmanteld, waarbij ook fysiek geweld tegen zijn verslaggevers niet wordt geschuwd. En vrouwelijke medewerkers van Etilaat Roz voelen zich sowieso niet veilig in de openbare ruimte. Het zorgt voor vrees en wanhoop op de burelen van de krant. Rezaie legt deze gebeurtenissen gedurende bijna twee maanden tamelijk sec vast, neemt (soms rijkelijk veel) tijd voor ieder gesprek en elke scène en kadert de verwikkelingen tussendoor in met uitvoerige teksten in beeld.

Als artistiek werk heeft The Etilaat Roz daardoor zijn beperkingen, maar de documentaire slaagt beslist als rudimentaire ooggetuigenverslag van hoe enkele moedige journalisten in bijzonder moeilijke omstandigheden trouw proberen te blijven aan hun idealen – ook al stemmen die zo nu en dan wel degelijk somber en wanhopig.

Kim Novak: Hollywood’s Golden Age Rebel

Arte

Als een klassieke ‘blonde bombshell’, aan de man gebracht onder de noemer ‘The Lavender Blonde’, werd Kim Novak begin jaren vijftig door Hollywood in de markt gezet. Als de opvolgster bij filmstudio Columbia Pictures van Rita Hayworth en een geduchte rivale van Marilyn Monroe, de ster van de concurrerende studio 20th Century Fox. In Alfred Hitchcocks klassieker Vertigo (1958) zou de Amerikaanse actrice tot grote hoogte stijgen met een ijzingwekkende dubbelrol.

Tegelijkertijd werd ze behandeld zoals vrouwen nu eenmaal werden behandeld in het mannenbolwerk dat Hollywood zeker in die tijd was. Haar schoonheid voelde daardoor eerder als een juk dan als een zegen. ‘Ik herinner me nog goed dat het hoofd publiciteit van een filmstudio ooit tegen me zei: vergeet nooit dat je niet meer bent dan een stuk vlees’, stelde ze toentertijd verontwaardigd tijdens een tv-interview. ‘Net als in een slagerij. En het erge is: zo word je ook behandeld.’

Daarmee slaat Kim Novak: Hollywood’s Golden Age Rebel (52 min.) een vergelijkbare toon aan als de recente portretten van klassieke ‘sekssymbolen’ zoals Mae West, Marilyn Monroe en Anita Ekberg. Zij mochten stuk voor stuk nooit meer worden dan de vleesgeworden mannelijke fantasie. Novak voelde zich bepaald niet senang bij deze rol, die haar automatisch was toebedeeld. ‘Ik wilde mijn ziel laten zien op het scherm’, vertelde ze op latere leeftijd. ‘Niet mijn borsten.’

Volgens dit klassiek gemaakte portret van Jessica Menéndez was zij sowieso een ster tegen wil en dank. Novak wilde eigenlijk kunstenares worden en liep voortdurend tegen de beperkingen op die ze als eigenzinnige vrouw kreeg opgelegd. Dat werd nog eens pijnlijk duidelijk toen in de media het verhaal rondging dat ze een relatie had met Sammy Davis Jr. Een witte ster die zich inliet met een zwarte man. Dat was vragen om problemen in de oerconservatieve filmindustrie.

Bezien vanuit het #metoo-tijdperk lijkt het Hollywood uit deze degelijke tv-docu, waarin een verteller de kijker langs allerlei filmfragmenten, archiefmateriaal en enkele filmhistorici loodst, één grote vleesfabriek en ‘casting couch’. Zo bekeken is het helemaal niet vreemd dat één van de grootste sterren van de fifties al na een kleine vijftien jaar besloot om zich voortaan vooral op schilderen te gaan richten.

STILL: A Michael J. Fox Movie

Apple TV+

Dit verhaal heeft alles wat een ouderwetse ‘tearjerker’ nodig heeft. Een voormalige schlemiel wordt tegen alle verwachtingen in een immens populaire televisie- en filmster en krijgt dan, eind twintig pas, een ongenadige onheilstijding: de ziekte van Parkinson.

In andere handen, een minder creatieve filmmaker en een minder lichtvoetige hoofdpersoon, zou het dat ook vast zijn geworden: zo’n documentaire die langzaam ieders keel dichtknijpt, waarna de kijker happend naar adem het aangrijpende dan wel sentimentele einde bereikt. En terwijl de allerlaatste traan over diens wang biggelt, wil de steen in zijn maag maar van geen wijken weten.

Dat is niet deze film. Omdat Davis Guggenheim over veel te veel verbeeldingskracht, makerslol en durf beschikt om zo’n rechttoe rechtaan drama te maken. En acteur Michael J. Fox in één (trillende) vinger meer humor en zelfspot heeft dan de gemiddelde comedian en bovendien consequent weigert om zijn leven te laten reduceren tot een zorgvuldig gecomponeerd hoopje ellende.

Wat is STILL: A Michael J. Fox Movie (95 min.) dan wel? Een ontzettend, ja, levenslustige film. Over een man die al als jong en (veel te klein) kind leerde dat het leven hem voor de keuze zette: funny or fight. Fox koos natuurlijk voor het eerste. Na talloze kinderrollen, die hij vanwege zijn geringe lengte als volwassene best nog kon spelen, volgde zijn doorbraak in de cheesy sitcom Family Ties.

Als Alex P. Keaton, de conservatieve oudste zoon van een hippiestel, stal hij ieders hart. Niet in het minst van de bevallige Tracy Pollan, die ook in het echte leven zijn geliefde – en de moeder van hun vier kinderen – zou worden. En kort daarna volgde zijn definitieve doorbraak in Hollywood met de eerste Back To The Future-film en was de ster Michael J. Fox (voorheen Mikey Fox) geboren.

Guggenheim dist het verhaal, dat Fox van zijn leven heeft gemaakt en eerder al in enkele boeken verwerkte, met ongelooflijk veel bravoure en schwung op. Daarbij maakt hij zeer ingenieus gebruik van scènes uit het omvangrijke oeuvre van zijn protagonist, vermengt die met gereconstrueerde kerngebeurtenissen uit diens leven en saust er enkele lekkere pophits doorheen. Dat werkt wonderwel.

STILL vangt zo ook de losse ‘tone of voice’ van Michael J. Fox, een man die beweert dat geen drank, drugs of vrouw op kan tegen dat gevoel als er om je wordt gelachen. Dit is dus geen topzware film – ook al wordt het Zwaard van Damocles dat permanent boven de hoofdpersoon hangt zeker niet buiten beeld gehouden. Het krijgt alleen tegenwicht met humor en (zelf)relativering.

En ook als zijn verhaal definitief aanbelandt bij de trillende vinger, die al aan het begin van dit (zelf)portret is geïntroduceerd, blijft Guggenheim stijl- en toonvast. Want Fox mag dan een ziekte hebben die ‘progressief, degeneratief en ongeneeslijk’ is – iets wat hij jarenlang verborgen hield, ook al is het met de wijsheid van nu gemakkelijk te spotten in beelden uit die tijd – die kan zijn kern niet raken.

De aandoening is natuurlijk ook zichtbaar in de centrale interviews voor deze, vreemd genoeg, héérlijke film, die werkelijk op alle niveaus werkt. Als Fox’s tremoren zich bijvoorbeeld even niet meer laten controleren of maskeren en hij nodig zijn medicatie moet innemen. ‘Je krijgt weer de vorm van jezelf’, zegt hij dan, zodra de rust in zijn binnenste is teruggekeerd. ‘Je wordt weer met jezelf gevuld.’

In de beperking toont zich zo wederom de meester. Tegelijkertijd slaagt Davis Guggenheim erin om voorbij die beperking te komen. Met een meesterlijke documentaire tot gevolg: een typische Michael J. Fox-film.

Dating Death

Sky

Dat je jezelf op de gedachte betrapt: dit heb ik al eens eerder gezien. Beter bovendien. Al die pratende hoofden. Getuigen. Familieleden. Politiemannen. Openbaar aanklagers. Journalisten, natuurlijk. Mensen die van ‘hem’ bijna hun beroep hebben gemaakt. Streep ‘bijna’ gerust weg. En de slachtoffers. Willekeurige Amerikaanse vrouwen. Meisjes, beter gezegd. De slachtoffers van een, checks notes, seksueel roofdier. Seriemoordenaar, juist. De enkeling die het kan navertellen doet dat ook. Been there, denkt de geoefende true crime-kijker desondanks. Done that. Daartegen is geen gimmick bestand (zoals: ‘hij’ heeft ooit aan een bekende, lékker dubbelzinnige datingshow op de Amerikaanse televisie deelgenomen en wij hebben de beelden!).

En dat je dan pas bedenkt: this is real, mán! Niet de pennenvrucht van een verknipte geest, maar de dadendrang van een verknipte geest. Herstel: van een psychisch gestoorde man. Die best gewoon oogt – overigens ook niet súperaantrekkelijk, al wordt het verhaal daarvan natuurlijk wel een stuk smeuïger – maar het van binnen helemaal niet is. Geen larger than life-personage, maar een levensechte man. Écht echt, zeg maar. Rodney Alcala, oud-militair en fotograaf in Californië. Een man die zijn eigen macabere invulling gaf aan de vrije liefde die de tweede helft van de sixties in z’n greep kreeg. En die in de jaren zeventig onder een andere naam, John Berger, van geen ophouden wist. Zijn, jawel, ‘body count’ zou al gauw zijn opgelopen tot honderd. Of meer. Of, ja, minder. Niemand die het precies weet. Al is dat geen beletsel om er tóch over te speculeren.

Dating Death (123 min.) dus. Een driedelige docuserie van David Harvey. Tamelijk routineus gemaakt: veel sprekers, aangekleed met een hele smak archiefbeelden en dichtgesmeerd met tamelijk platte muziek. Weerzinwekkende misdaden van een psychopaat, tot in detail doorgelicht. De plaatsen delict. Het politieonderzoek. De rechtszaak. Een hervertelling van een, nou ja, smakelijk verhaal. Geen nieuwe inzichten verder. Gewoon één van de vele seriemoordenaars – te situeren tussen pak ‘m beet Ted Bundy en Richard Ramirez – die tussen de jaren zestig en tachtig nu eenmaal actief waren in Amerika. Alan R. Warren, auteur van het boek The Killing Game over Alcala, heeft daarvoor wel een verklaring: ‘Een groot deel van die generatie is opgevoed door ouders, vaders in het bijzonder, die terugkwamen van de oorlog. Zij waren doorgaans niet affectief naar hun kinderen.’

En zulke liefdeloos aan de wereld toevertrouwde jongeren werden dus, denkt de doorgewinterde true crimer even welwillend mee, losgelaten in een tijd waarin alles mocht en kon. Dat móest wel tot een hele generatie lustmoordenaars leiden. Het is, in een wereld waarin wij ons verlustigen aan misdaad, al even onvermijdelijk dat daarover een eindeloze stroom boeken, films, podcasts en documentaires op gang is komen. Die we gewoon kunnen gaan uitzitten – of links laten liggen. Omdat de ene n(auwelijks )iets toevoegt aan de andere. Behalve de kick van het griezelen. The horror, the horror! Zoiets. Zonder dat we, écht, iets wijzer worden. En dan gewoon nóg een rondje. In de afzichtelijke achtbaan van de dood. Waar ditmaal Rodney Acala, of het monster dat we van hem hebben gemaakt, aan de knoppen zit.

Zulke gedachten dus…

Trailer Dating Death