The AI Doc: Or How I Became An Apocaloptimist

Netflix

Na het alarmistische eerste half uur van zijn film The AI Doc: Or How I Became An Apocaloptimist (105 min.) kunnen ze documentairemaker Daniel Roher (Navalny) opvegen. Kunstmatige intelligentie, ofwel AI, zorgt voor de ondergang van de mensheid.

De ontwikkeling van AGI (Artificial General Intelligence), de Heilige Graal van AI, zal een grotere impact hebben dan de Industriële Revolutie. Het systeem wordt slimmer dan de gehele mensheid bij elkaar (!), volstrekt superieur in het herkennen en vervolgens manipuleren van patronen. Zonder enige vorm van ethiek of moraal. Dat kan alleen verkeerd aflopen. Sommige van de vooraanstaande experts in deze zoekende, vlot en aantrekkelijk opgediende denkfilm van Roher en zijn coregisseur Charlie Tyrell gaan er zelfs vanuit dat hun eigen kinderen nooit de middelbare school zullen bereiken.

Dit toekomstperspectief voelt als een klap in het gezicht voor Roher: zijn echtgenote Caroline Lindy, die tevens dienst doet als verteller van deze docu, is zwanger van hun eerste kind. Hij snakt dus naar licht aan het einde van de tunnel. Welkom, Peter Diamandis. ‘De enige tijd die spannender is dan vandaag is morgen’, stelt deze exponent van het ‘data-gedreven optimisme’. Volgens hem is superintelligentie geen bedreiging maar een voorwaarde voor het voortbestaan van de menselijke soort, hét antwoord op grote uitdagingen zoals pandemieën, hongersnood en klimaatverandering.

De aanstaande vader Roher weet nog niet aan welke kant hij staat, bij de doemdenkers of de rasoptimisten. Want zelfs de meest hoopvol gestemde deskundigen maken zich zorgen om de ‘racedynamiek’ rond AI. Hoe kunnen ze daarvan een race naar de top, in plaats van richting de bodem maken? Roher benadert de CEO’s van de vijf belangrijkste AI-bedrijven, ‘de Oppenheimers van dit moment’. Twee van hen staan hem niet te woord over het fenomeen dat net zo bedreigend zou kunnen worden als kernwapens. Mark Zuckerberg (Meta) heeft geen behoefte om te reageren, Elon Musk (xAI) geen tijd.

Sam Altman (OpenAI), Demis Hassabis (Google Deepmind) en Dario Amodei (Anthropic) staan hem wél welwillend te woord. Roher legt hen eerst de vraag voor of het verstandig is om nu een kind op de wereld te zetten en krijgt ogenschijnlijk eerlijk antwoord. Daarna pleiten de AI-hotshots eensgezind voor internationale afstemming en onafhankelijk toezicht. Net als bij nucleaire wapens. ‘Er zijn op dit moment meer regels voor de verkoop van een broodje dan voor de bouw van een AI, die de wereld kan vernietigen’, voegt de computerwetenschapper Connor Leahy daar nog gortdroog aan toe.

Voor het indammen en afremmen van Artificial Intelligence is publieke druk nodig, betoogt Daniel Roher, nadat zijn vrouw Caroline, net moeder geworden, het oorspronkelijke einde van deze urgente en toch ook wel onrustbarende film heeft afgeschoten met de kwalificatie ‘Kumbaya-onzin’. Haar echtgenoot herpakt zich, met een onverbloemde oproep aan alle ‘Apocaloptimisten’ om in actie te komen.

The Match

September Film / vanaf donderdag 17 september in de bioscoop

De Falkland-oorlog van 1982 werpt vier jaar later nog altijd z’n schaduw over de wedstrijd tussen Engeland en Argentinië, in de kwartfinale van het wereldkampioenschap voetbal in Mexico op 22 juni 1986. Het is de dag waarop ‘de Hand van God’ zal interveniëren in een voetbalwedstrijd – en één enkele speler boven alle gewone stervelingen zal uittorenen.

Toch is The Match (91 min.), de gestileerde documentaire van Juan Cabral en Santiago Franco, meer dan simpelweg het verhaal van Diego Maradona, aan de hand van zijn meesterstuk. Cabral en Franco plaatsen de Britse teamcaptain Gary Lineker (terzijde gestaan door de oud-internationals John Barnes en Peter Shilton) en zijn Argentijnse tegenhanger Jorge Valdano (ondersteund door z’n ploeggenoten Oscar Ruggeri, Jorge Burruchaga, Ricardo Giusti en Julio Olarticoechea) in een breed opgezette vertelling, die de context, het belang en de reikwijdte van die ene legendarische wedstrijd met veel bravoure uitdiept. Lineker en Valdano krijgen ook meteen de rol van verteller toebedeeld.

Die match begint overigens pas halverwege. De filmmakers nemen eerst de tijd om alle bouwstenen voor dat titanengevecht te schetsen. Het wegzenden van de Argentijnse speler Antonio Rattín tijdens het WK van 1966 in Engeland bijvoorbeeld, de directe aanleiding voor de wereldvoetbalbond FIFA om rode kaarten, en gele, te introduceren. Of de onverwachte entree van Diego Maradona tijdens een concert van de Britse rockband Queen in Argentinië, voor zijn eigen versie van de klassieker Another One Bites The Dust. En, natuurlijk, het plotseling opvlammende gewapende conflict tussen de twee landen rond Las Malvinas, ofwel de Falklandeilanden, voor de kust van Argentinië.

In het Azteca-stadion duurt het tot de tweede helft voordat de wedstrijd loskomt. Eerst door Maradona’s handsbal, één van de meest omstreden doelpunten uit de voetbalhistorie. Drie minuten later gevolgd door zijn allermooiste doelpunt, een weergaloze solo langs vijf verbouwereerde Engelsen. Cabral en Franco laten de fameuze goal in eerste instantie niet zien. Ze geven simpelweg de Argentijnse commentator van dienst alle ruimte en tonen ondertussen close-ups van de gebiologeerde gezichten van de oud-spelers, terwijl zij de beelden aanschouwen die hun verdere leven hebben bepaald – al is ook de zogeheten ‘Nek van God’ essentieel geweest voor de Argentijnse overwinning.

The Match wordt zo een lekker lyrische film over sport, politiek en mythologie, die het gejuich in het hier en nu of toen en daar ontstijgt. Over een wedstrijd die véél meer is geworden dan een krachtmeting tussen twee voetbalelftallen – en topsport behandelt als de hartslag van een land, tijd en wereld.

Mourinho / A Beautiful Obsession

Netflix
Prime Video

Als coaches van de aartsrivalen Real Madrid en FC Barcelona ontwikkelden ze zich allebei tot de belichaming van een voetbalfilosofie. Met de zelfverklaarde ‘special one’ José Mourinho als geboren winnaar, ten koste van alles. En Cruijff-adept Pep Guardiola als de pure liefhebber – en zonder enige twijfel ook een echte winnaar. Vanaf 2010 maakten ze elkaar enkele seizoenen het leven zuur in Spanje. Zo’n vijftien jaar later krijgen ze nu allebei, vrijwel tegelijkertijd, hun eigen documentaireserie.

De drie afleveringen van Mourinho  (171 min.) zijn grofweg gewijd aan zijn opeenvolgende gloriejaren bij respectievelijk Chelsea, Inter Milaan en Real Madrid (en zijn terugkeer naar Chelsea), met nauwelijks aandacht voor de mindere periodes die daarna kwamen. Een leven gecondenseerd tot z’n gloriedagen. De vierdelige serie A Beautiful Obsession (157 min.) volgt Pep Guardiola juist als zijn team Manchester City, na vier opeenvolgende kampioenschappen, in 2024 begint te verliezen – en verliezen.

Ofwel: de meest gehate man van het internationale voetbal versus de coach waarvan iedereen wel een beetje houdt. De hoofdpersoon van de All Or Nothing-serie over het kwakkelende Tottenham Hotspur versus de held van de reeks over het onoverwinnelijke City. En ook: Joe Pearlman (Bros: After The Screaming Stops, Lewis Capadli: How I’m Feeling Now en Robbie Williams) versus Kevin Macdonald (One Day In September, Touching The Void en Marley), twee filmmakers die een groot publiek weten te vinden.

Achter de schermen schijnt José Mourinho een mensenmens te zijn. Die krijgt echter weinig ruimte in ‘zijn’ miniserie. ‘Ik zag jongens het veld opgaan met tranen in hun ogen’, vertelt zijn personage, de geboren bluffer, bijvoorbeeld op kenmerkende wijze, over hoe hij, Barcelona’s voormalige ‘vertaler’, Inter Milaan met een emotionele speech tijdens de rust prepareerde voor het vervolg van de Champions League-halve finale tegen het machtige Barça. ‘Niet om te voetballen. Om weerstand te bieden in een oorlog.’

Even later, als die beker daadwerkelijk is gewonnen, toont hij kort, gecontroleerd, zijn kwetsbare kant. Want Mourinho weet al dat hij zijn team gaat verlaten voor een volgende club, Real Madrid, en reist niet mee terug naar Milaan om met hen de overwinning te vieren. ‘Ik kon ’t gewoon niet’, vertelt de topcoach, bij beelden van hoe hij geëmotioneerd afscheid neemt van zijn spelers. ‘Ik vluchtte voor die emotie.’ Om er meteen, heel geroutineerd, weer zo’n straffe oneliner aan toe te voegen: ‘De klus was geklaard.’

In Spanje gaat de Portugees de strijd aan met een verwende sterrenploeg, een ‘kleedkamer vol ego’s’ aangevoerd door Reals vermaarde keeper Iker Casillas, teneinde het Barcelona van Pep en Messi te kunnen verslaan. Nadat dit is gelukt, begint Mourinho’s conflictmodel zich tegen hem te keren. Als Casillas, met wie hij sowieso een ‘kille’ relatie onderhoudt, voor een wedstrijd de opstelling zou hebben gelekt naar de pers, verwijst de coach hem naar de reservebank. Intussen verliest hij zo de kleedkamer.

In die kleedkamer, van Manchester City welteverstaan, moet Pep Guardiola in het seizoen 2024-2025 het lek weer boven zien te krijgen. Zijn ze de passie kwijtgeraakt? vraagt de Spaanse stercoach zich af in de observerende eerste aflevering van ‘zijn’ puike docuserie. ‘Geef me het gevoel dat jullie willen winnen!’ schreeuwt hij zijn spelers toe, als de gifbeker maar niet leeg lijkt te raken. Met geladen speeches probeert ie de ommekeer te bewerkstelligen. En er zijn fikse woordenwisselingen achter de schermen.

‘Je maakt geen documentaire over een verliezer’, zegt Peps rivaal met kenmerkende arrogantie in Mourinho, maar verliezen levert wel degelijk een fascinerend schouwspel op. Net als de wederopbouw van een nieuwe succesploeg bij City, in de tweede aflevering van A Beautiful Obsession. Die geeft echt een blik achter de schermen bij een topsportorganisatie, waar afscheid moet worden genomen van oude helden, zoals de geëmotioneerde spelmaker Kevin De Bruyne, en nieuwe iconen worden gerekruteerd.

Als zijn team helemaal stuk zit, verlengt Pep zowaar zijn contract, voor zijn finale seizoen bij de club waar hij sinds 2016 de scepter zwaait. Die laatste akte vormt de onderlegger voor de laatste twee afleveringen van de serie, als Guardiola alle middelen inzet, waaronder zijn eigen echtscheiding, om een nieuwe voetbalmachine te construeren – en wat dit losmaakt bij City’s top, vervat in besprekingen en privéberichtjes. Die emotionele open- en eerlijkheid contrasteert met de façade die Mourinho blijft ophouden.

Waar de Portugees rancune en wraak als motor lijkt te gebruiken, wil zijn Spaanse concullega ogenschijnlijk vooral zijn passie en liefde delen. Hij blijft maar knuffelen. Slechte verliezers zijn ze allebei. Voor José wordt het dus tandenknarsen, want ditmaal wordt hij echt overvleugeld door Pep. Het meeslepende A Beautiful Obsession maakt daadwerkelijk zichtbaar wat ‘t in het hier en nu betekent om topsport te bedrijven, terwijl Mourinho, met louter archiefmateriaal, vooral een imposante carrière nog eens doorneemt.

Inmiddels is José Mourinho overigens terug bij Real Madrid en heeft Pep Guardiola een sabbatical, volgens zijn nooit aflatende concullega ‘een teken van zwakte’, opgenomen. Om te ontdekken of er ‘een leven na voetbal’ bestaat.

De twee topcoaches schitteren trouwens door afwezigheid in elkaars serie. Pep zou volgens dit artikel naar verluidt best bereid zijn geweest om in José’s (anti)heldenepos op te draven. Hij moest ’t alleen wel even zelf vragen.

Trustorhärvan

Netflix

Vanuit een Deense gevangenis, waar hij een straf uitzit voor oplichting, begint Joachim Posener halverwege de jaren negentig het ‘Team Moyne’ samen te stellen. Voor een klus, de frauduleuze overname van een beursgenoteerd bedrijf, waarmee ze helemaal gaan binnenlopen. Zijn flamboyante neef Thomas Jisander, ‘consultant’, zal functioneren als z’n postiljon d’amour, terwijl diens maatje Peter Mattsson, kind van een bevoorrechte familie uit Gothenburg, voor de contacten zorgt. Zakenman Lindsay Smallbone wordt de beoogde ‘managing director’. En de Britse Lord Moyne, het zwarte schaap van een familie die fortuin heeft gemaakt met Guinness-bier, moet het geheel voldoende cachet geven. Zij worden Poseners stromannen in de Trustor-affaire.

Posener wil de aankoop van de Zweedse investeringsmaatschappij Trustor financieren met haar eigen kasreserve. Uitroepteken. Zo zet hij in 1997 een enorm oplichtingsschandaal, waarbij honderden miljoenen Zweedse kronen verdwijnen, in gang. Trustor wordt leeg geplunderd. En Posener had naderhand vermoedelijk niet eens de benen hoeven te nemen als zijn patserige neef Thomas, bijgenaamd Mr. No Limit, daarna niet ongegeneerd met geld was gaan smijten. ‘s Mans champagnefeesten in Saint-Tropez worden binnen de kortste keren een begrip. En Jisander laat zich, getuige enkele smakelijke scènes in Trustorhärvan (internationale titel: Inside The Trustor Scandal, 102 min.), nog altijd graag voorstaan op het luxe leven.

‘Als die jongens niet waren gaan pierewaaien aan de Côte d’Azur, waren ze er waarschijnlijk mee weggekomen’, stelt de doorgewinterde financier Björn Björnsson, een hardliner met naar verluidt de bijnaam ‘de Terminator van de zakenwereld’, in deze ferme witte boorden-docu van Karin Af Klintberg. Als er stront aan de knikker blijkt te zijn, moet hij als liquidateur de belangen van de aandeelhouders veiligstellen. Intussen heeft Trustors adjunct-directeur Richard Djursén, volgens Björnsson niet meer dan een ‘useful idiot’, in het openbaar de klappen opgevangen. De affaire zit de brave burgerman Djursén, bijna dertig jaar na dato, nog altijd zeer hoog. Hij gaat zichtbaar gebutst door het leven – al zit ie er tegenwoordig ook opvallend warmpjes bij.

Af Klintberg heeft daarmee enkele van de belangrijkste spelers voor de camera gekregen, waaronder zowaar ook Posener zelf. Hij is al drie decennia een enigma. Op de vlucht voor Interpol wordt ie in zowat elke uithoek van de wereld gespot. Nu de misdrijven zijn verjaard, wil hij er eindelijk openlijk over praten. Samen met de Zweedse rechercheur Jochum Söderström en journalist Gunnar Lindstedt leiden deze Team Moyne-leden de filmmaakster door het doolhof van de Trustor-affaire, waar wetten niet meer dan richtlijnen zijn – voor als het zo uitkomt – en de waarheid een zeer rekbaar begrip blijkt. Zij benadert hen met gezonde scepsis, kadert hun beweringen in met een snedige voice-over en probeert zo de feiten van de fictie te scheiden.

Met die no nonsense-attitude, gepaard aan een gedegen uitleg van allerlei ondoorzichtige malafide constructies en soms een opzichtige knipoog, tekent Trustorhärvan een financieel schandaal op, dat uiteindelijk een nogal ironische uitkomst krijgt. Op rekening van de belastingbetaler.

Free Nelson Mandela

Channel 4

Eerst bevrijdt muziek de geest, daarna de man. In dit geval: Nelson Mandela. Sinds 1964 zit de leider van het African National Congress (ANC) op Robbeneiland een levenslange gevangenisstraf uit. Zijn strijd tegen het Apartheidsregime, dat al zoveel zwarte Zuid-Afrikanen heeft geknecht of gedood, krijgt gaandeweg echter steeds meer internationale steun. En muziek speelt daarbij een essentiële rol. Eerst als manier om zelfrespect te verkrijgen en uitdrukking te geven aan hoe de zwarte meerderheid van de Zuid-Afrikaanse bevolking lijdt onder het witte minderheidsregime. Later om Mandela te lanceren als een wereldwijd symbool en druk uit te oefenen op datzelfde bewind.

Free Nelson Mandela (92 min.), ter gelegenheid van Mandela’s 65e verjaardag in 1983 uitgebracht door The Special AKA, is daarvan het meest iconische voorbeeld. De compositie van Jerry Dammers, de spil van de Britse skaband The Specials, groeit uit tot hét strijdlied van de Anti-Apartheidsbeweging. Deze boeiende documentaire van James Rogan, die zich in Freddie Mercury: The Final Act (2021) al richtte op hoe muziek het bewustwordingsproces rond AIDS bevorderde, belicht nu de rol van songs van Miriam Makeba, Hugh Masekela, Gill Scott-Heron, Peter Gabriel, Bob Marley & The Wailers, Labi Siffre en Artists United Against Apartheid in de strijd tegen een racistisch maatschappijmodel.

En hoewel Rogan Jerry Dammers en andere westerse artiesten zoals Peter Gabriel, Bono, Steven Van Zandt en Jim Kerr aan het woord laat, krijgen zij nooit de overhand. De filmmaker realiseert zich dat het échte verhaal bij zwarte Zuid-Afrikanen zit en roept de bloedige Apartheid-historie op met schokkende nieuwsbeelden, audiofragmenten van Nelson Mandela en zijn omstreden echtgenote Winnie en interviews met nazaten van ANC-kopstukken zoals Steve Biko, Oliver Tambo en Joe Slovo. Hun gezamenlijke inzet blijkt uiteindelijk succesvol: in 1990 komt Nelson Mandela na ruim 27 jaar gevangenschap vrij. Vier jaar later wordt hij beëdigd als de eerste zwarte president van Zuid-Afrika.

Ruim veertig jaar sociale strijd, weerspiegeld in en ook aangejaagd door muziek, zijn niet zonder resultaat gebleven en hebben nu ook hun weg gevonden naar een even geladen als swingende film.

Alive Inside: A Story Of Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story Of Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.

Brutalt Broderskab: Bandidos

HBO Max

Na het zoveelste gewelddadige incident in de dertig jaar dat de Bandidos actief zijn in Denemarken, besluit minister van Justitie Peter Hummelgaard in 2023 om in te grijpen. Hij probeert de zeer omstreden motorclub verboden te krijgen. Om de beeldvorming rond hun club te verbeteren, kiezen enkele Bandidos-kopstukken, onder aanvoering van hun Europese leider Michael ‘Kok’ Rosenvold, vervolgens de vlucht naar voren en doorbreken hun stilzwijgen.

In de zesdelige serie Brutalt Broderskab: Bandidos (internationale titel: Gang War: Bandidos, 253 min.) neemt Jon Adelsten met leden van de ‘1%MC’, alsmede journalisten, strafrechtdeskundigen en vertegenwoordigers van de Deense politie en justitie, eerst ‘De Scandinavische Motoroorlog’ door. Sinds begin jaren negentig worden Denemarken en de omringende landen opgeschrikt door een maalstroom van bloedige liquidaties, bom- en raketaanslagen en aanvallen op de gevangenis.

Wanneer na moeizame onderhandelingen eindelijk een staakt het vuren wordt bereikt met hun aartsrivalen van de Hell Angels, begint ’t aan het begin van de 21e eeuw binnen de Bandidos zelf te rommelen. Na interne conflicten moet het ene na het andere lid in ‘bad standing’ de club verlaten. Ook dan geldt het parool dat op Bandidos-insignes en -tattoos prijkt: ‘expect no mercy.’ Als de broederschap wegvalt, waarvoor ze zichzelf vaak op de borst kloppen, wordt er ook met bekende clubleden keihard afgerekend.

Elke dag laat je iets meer van je moraal los, vertelt Lars Toxværd, de voormalige president van de afdeling Holbæk en enige tijd lid van het landelijke Bandidos-bestuur. Na een aanvaring met andere bestuursleden wordt ie beschuldigd van verraad. Hij voelt zich ‘een levende dode’ binnen de club, die hem al snel buiten werkt. Hoewel dat niet zonder gevaar is, kijkt ie nu (zelf)kritisch terug op zijn jaren bij de Bandidos. Alle erecodes ten spijt had hij het gevoel ‘dat je nu juist niet kon vertrouwen op de mensen om je heen.’

Tegenover de klokkenluider Lars Toxværd staan gestaalde soldaten zoals de boomlange bodybuildbiker Claus Palermo. Hij was ooit een talentvolle volleyballer, maar werd betrapt op drugshandel. In de gevangenis leerde ie de Bandidos kennen, een organisatie waarbij hij zich direct thuis voelde en die hij nog altijd te vuur en te zwaard verdedigt. De motorclub is géén criminele organisatie, betoogt Palermo. En wat individuele leden in hun vrije tijd doen – de redenering klinkt zéér vertrouwd – is zijn zaak natuurlijk niet.

Adelsten brengt alle verwikkelingen in beeld met een combinatie van nieuwsreportages, achter de schermen-beelden en gereconstrueerde scènes. Net als Kampen Om Pusher Street (2025), een verwante docuserie over hoe de hippievrijstaat Christiania in Kopenhagen al decennia strijd levert met drugshandel en misdaadbendes, begint Brutalt Broderskab: Bandidos na verloop van tijd wel te lijden onder een overdaad aan interne en externe conflicten, die nauwelijks meer van elkaar zijn te onderscheiden.

Daarbij wreekt zich ook dat de miniserie zelden voorbij de strijd en het geweld kijkt. Over waarom mannen zich aansluiten bij éénprocentclubs zoals de Bandidos, wat dit hen oplevert en waarom de onderlinge dynamiek altijd weer uitmondt in moord en doodslag. Het antwoord laat zich wellicht raden, maar komt alleen in de kantlijn ter sprake in deze reconstructie van een eindeloze bendeoorlog, die toewerkt naar het antwoord op een vraag die ook aan de Deense rechter wordt voorgelegd: Bandidos, verbieden of niet?

En daarvoor brengt de Deense officier van justitie een anonieme getuige, een voormalige prospect met de codenaam Guldfugl, in stelling…

The Battle Over Citizen Kane

PBS

In The Battle Over Citizen Kane (110 min.) wordt een verpletterende botsing gereconstrueerd. Tussen twee gi-gan-ti-sche ego’s, welteverstaan. Tussen Orson Welles (1915-1985), de maker van de baanbrekende film Citizen Kane (1941), en William Randolph Hearst (1863-1951), de mediamagnaat op wiens leven die film is gebaseerd. Twee mannen met wie altijd wat loos is. Ze zijn allebei mateloos, roekeloos en grenzeloos en lijken waarschijnlijk ook meer op elkaar dan ze zichzelf realiseren.

Deze documentaire van Thomas Lennon en Michael Epstein uit 1996, die destijds werd genomineerd voor een Oscar, zet de levens van deze twee mastodonten tegenover elkaar. De rijkeluiszoon Hearst bouwt een eigen krantenimperium op, probeert tevergeefs burgemeester, gouverneur en president te worden en groeit desondanks uit tot één van de rijkste en machtigste mannen van de Verenigde Staten. Welles wordt intussen beschouwd als een absoluut wonderkind, maakt als jongeling furore in het New Yorkse theater en jaagt half Amerika in 1938 de stuipen op het lijf met het nét iets te realistische hoorspel War Of The Worlds over een acute aanval van buitenaardse wezens.

Als Orson Welles op 24-jarige leeftijd zijn eerste film gaat maken, kiest hij de meedogenloze mediatycoon als zijn doelwit. Die is wel wat kritiek gewend en trekt zich daar doorgaans weinig van aan. Welles maakt echter één cruciale fout: hij richt zijn peilen ook op Hearsts maîtresse, de 35 jaar jongere actrice Marion Davies. Het jeugdige genie bestaat het zelfs om zijn koosnaampje voor haar edele delen, ‘rosebud’, belachelijk te maken. Als dat nieuws uitlekt, stelt de grondlegger van de Amerikaanse riooljournalistiek alles in het werk om Welles film te laten vernietigen en de maker daarvan helemaal kapot te maken – een kwestie die ook nog zal worden opgeroepen in de speelfilm RKO 281 (1999).

The Battle Over Citizen Kane, in goede banen geleid door een lekker vileine verteller (schrijver Richard Ben Cramer), verhaalt over hoe die epische ruzie hen allebei ten gronde richt. William Randolph Hearst besmet er zijn eigen reputatie mee, terwijl Orson Welles al snel ‘Amerika’s jongste has been’ wordt gedubd en er nooit meer helemaal bovenop zal komen. En het gekke is, betogen Lennon en Epstein in deze gesmeerd lopende film, in de fictieve hoofdpersoon van de gewraakte film, Charles Foster Kane, zijn ze allebei te herkennen. ‘Orson maakte een autobiografische film’, stelt Robert Wise zelfs, die Citizen Kane monteerde. ‘Maar hij realiseerde zich dat helemaal niet.’

Skin: A History Of Nudity In The Movies

Plausible Film

Al vanaf de geboorte van de Amerikaanse film aan het eind van de negentiende eeuw zoeken makers de grenzen van hun tijd op met naaktscènes. In 2020, als #metoo Hollywood net op zijn grondvesten heeft doen schudden en de intimiteitscoördinator zijn entree heeft gemaakt op de filmset, maakt Danny Wolf in de documentaire Skin: A History Of Nudity In The Movies (130 min.) de balans op van ruim 130 jaar bloot in films.

Gedurende die jaren lijken periodes van vrijheid en preutsheid elkaar voortdurend af te wisselen. Nét voordat in 1934 de zogeheten Production Code wordt ingevoerd, die twintig jaar lang zal bepalen welke films wel en niet in productie kunnen worden genomen, zien bijvoorbeeld nog het baanbrekende Ecstacy (1933), met een naakte Hedy Lamarr en een heuse seksscène, en Tarzan And His Mate (1934), waarin de ster Maureen O’Sullivan tijdens een naaktzwemscène zowaar wordt vervangen door een ‘body double’, het licht.

Hollywood realiseert zich intussen terdege dat ‘sex sells’. Met de vraag ‘What are the two great reasons to see Jane Russell in The Outlaw?’ en een sexy afbeelding van de hoofdrolspeelster wordt in 1943 bijvoorbeeld de Howard Hughes en Hawks-western letterlijk aan de man gebracht. Later fungeren ‘seksbommen’ zoals Brigitte Bardot, Marilyn Monroe en Jayne Mansfield als verleidelijk uithangbord voor nieuwe films. De tijd dat naaktscènes of -foto’s een actrice haar carrière kunnen kosten lijkt dan definitief voorbij.

Behalve op filmjournalisten en -historici verlaat Wolf zich in deze chronologisch opgebouwde film ook op regisseurs zoals Peter Bogdanovich (The Last Great Picture Show), Amy Heckerling (Fast Times At Ridgemont High) en Kevin Smith (Zack And Miri Make A Porno). Hij laat verder actrices aan het woord die spraakmakende blootscènes speelden, waaronder Mamie van Doren (High School Confidential), Pam Grier (Foxy Brown), Mariel Hemingway (Personal Best), Sean Young (No Way Out) en Shannon Elizabeth (American Pie).

Ook aan mannelijk naakt – en het taboe daarop in bepaalde tijdsgewrichten – besteedt Skin volop aandacht, met bijdragen van Malcolm McDowell, die de hoofdrol vertolkte in de klassiekers A Clockwork Orange en Caligula, en Ken Davitian, de zwaarlijvige acteur die een grotesk naaktgevecht leverde in de comedy Borat. ‘Full frontal’-naaktscènes maken sowieso altijd de tongen los, getuige de spraakmakende verhoorscène in Basic Instinct van Paul Verhoeven, die met Showgirls nog een andere zéér omstreden naaktfilm maakte.

Danny Wolf wikkelt de hele historie netjes af, met natuurlijk ook verwijzingen naar de illustere filmmakers Ed Wood, Russ Meyer en Roger Corman, geruchtmakende films zoals Blow-Up, Last Tango In Paris, The Crying Game en Fifty Shades Of Grey en de rol van de alomtegenwoordige filmkeuring, maar hij gaat nooit echt de diepte in. Deze documentaire voelt daardoor, ondanks talloze saillante voorbeelden en de bijbehorende filmfragmenten, eerder als een interessante geschiedenisles dan als een geslaagde vertelling.

Michael Jackson: The Trial

Videoland

Het bioscoopsucces van de nieuwe speelfilm Michael, door de erven Jackson vakkundig weggestuurd van de hardnekkige beschuldigingen van kindermisbruik tegen de Amerikaanse zanger, songschrijver en danser, zet de schijnwerper weer vol op Michael Jackson (1958-2009). Het is onvermijdelijk dat daarbij die onwelgevallige verhalen over de King Of Pop tóch weer opduiken.

Terwijl de BBC-serie Michael Jackson: An American Tragedy uitzoomt en de impact van de beschuldigingen op Jacksons leven en carrière probeert te vatten, zoomt deze miniserie van Channel 4 juist in: op de rechtszaak die voortvloeit uit Martin Bashirs scandaleuze documentaire Living With Michael Jackson (2003), waarin de wereldvreemde popster vertelt dat het dertienjarige jongetje Gavin Arvizo, dat tijdens het interview nét iets te intiem tegen hem aanzit, gewoon bij hem in bed mag slapen. Later zal Gavin verklaren dat de zanger hem dronken heeft gevoerd en misbruikt.

In de vierdelige docuserie Michael Jackson: The Trial (184 min.) van Gillian Pachter komt, behalve een aantal sprekers uit het kamp Jackson en anderen die hem juist veroordeeld probeerden te krijgen, ook de hoofdpersoon zelf aan het woord. ‘Als je me nu zou vertellen dat ik nooit meer een kind zou zien, zou ik er een eind aan maken’, zegt Michael Jackson bijvoorbeeld, in audio-opnames uit 2000-2001 van gesprekken met zijn vertrouwenspersoon, de rabbijn Shmuley Boteach, één van de bronnen die in beide producties participeren. ‘Dat zweer ik. Want ik heb niets anders om voor te leven.’

Zulke uitspraken zijn natuurlijk voor tweeërlei uitleg vatbaar – al roepen die allebei vragen op over Jacksons geestesgesteldheid. Ook het idee om een privéfilm van Arvizo en hem te maken, waarin de twee hand in hand voor de camera lopen, is op z’n minst twijfelachtig te noemen. De artiest wil bovendien dat zijn eigen mierzoete compositie I’ll Be There daaronder wordt gemonteerd. ‘Ik heb nooit zijn seksuele kant gezien’, stelt Jacksons vaste cameraman Christian Robinson (2001-2004) niettemin. ‘Ik zag een aseksuele man die twaalf jaar wilde zijn en met waterballonnen wilde spelen.’

Met z’n ‘less is more’-insteek werkt The Trial als een nadere inkleuring van An American Tragedy. De miniserie kruipt naar de binnenkant van een maatschappelijk en raciaal geladen schandaal en belandt daarmee op hetzelfde terrein als Ezra Edelmans epische docuserie O.J.: Made In America (2016), over de geruchtmakende rechtszaak tegen O.J. Simpson. In Pachters productie komen de onkreukbare openbaar aanklager Ron Zonen en Jacksons advocaat Brian Oxman, die als een Amerikaanse televisiedominee de zaak van zijn beroemde cliënt met veel theater blijft bepleiten, tegenover elkaar te staan.

Zij vertegenwoordigen de zoektocht naar de waarheid en het koste wat het kost beschermen van de nalatenschap van de grootste popster van de wereld, krachten die zeventien jaar na Jacksons dood nog altijd in gevecht met elkaar zijn. Intussen lijkt de muziek van Michael Jackson alweer uit het verdomhoekje te zijn gehaald.

Kort na Michael Jackson: The Trial werd door Netflix Michael Jackson: The Verdict uitgebracht. Een driedelige serie die eveneens de rechtszaak in 2005 belicht.

The Dark Wizard

HBO Max

‘Als ik sterf, film het’, zegt Dean Potter voordat hij de rotswand ‘Heaven’ in het Yosemite Park in de Amerikaanse staat Utah gaat beklimmen. Wanneer The Dark Wizard (236 min.) valt, dondert hij honderden meters naar beneden. Want Potter klimt ‘free solo’, zonder enige vorm van zekering, en zoekt steeds zijn eigen grenzen op. Één fout betekent de dood. ‘Volg me tot op de grond, film het’, instrueert hij zijn vriend Brad Lynch. Die moet er zo’n twintig jaar later nog altijd niet aan denken. ‘Als hij daar valt, ga ik dat niet filmen.’

Het is een cruciaal moment in Potters ontwikkeling en deze vierdelige serie die aan hem is gewijd. Direct daarna, aan het einde van de eerste aflevering, loopt zijn relatie met topklimster Steph Davis op de klippen en heeft hij écht niets meer te verlezen. Graham Potter begint steeds nadrukkelijker met de dood te spotten. En hij beperkt zich niet alleen tot klimmen. De Amerikaanse waaghals houdt zich ook onledig met skydiven, basejumpen én slacklinen, het lopen over een zelf gespannen lijn tussen twee bergen, natuurlijk ook zonder deugdelijke zekering. Dat kan niet goed aflopen.

Als Potter wordt geconfronteerd met een jongere en getalenteerdere rivaal, Alex Honnold (de onverstoorbare hoofdpersoon van de Oscar-winnende documentaire Free Solo), ziet hij zich genoodzaakt om zijn eigen grenzen steeds verder te verleggen. Deze miniserie van Peter MortimerNick Rosen en Josh Lowell documenteert dat proces: met elk record dat hij verliest en elke bokkensprong die ie vervolgens maakt – ‘free basen’ bijvoorbeeld, een combinatie van free solo-klimmen en basejumpen – raakt hij zichzelf verder kwijt. En ook zijn beste vrienden beginnen gaandeweg af te haken.

Uit zijn dagboek, verlevendigd met elementaire illustraties (die voor dit portret tot leven worden gewekt), komt een man naar voren, die letterlijk de hoogste toppen beklimt en door de diepste dalen moet. Volgens zijn oudere zus Elizabeth had Dean van hun ouders, die in een pijnlijke scheiding verzeild waren geraakt, een ‘sad gene’ geërfd. Hij was, zoals één van z’n vrienden ‘t uitdrukt, zowel gezegend als vervloekt. Te midden van alle adembenemende beelden – want elke zelfoverwinning, recordpoging en verplaswedstrijd is natuurlijk gefilmd – openbaart zich een labiele man.

Die emotionele onderlaag kan The Dark Wizard soms ook goed gebruiken, want vier uur springen, balanceren en vliegen (met een wingsuit – en soms ook een hond in wingsuit) wordt toch al snel méér van hetzelfde. Dean Potter lijkt bezig aan een desperate vlucht voor zichzelf. Als een menselijke raaf, de onheilspellende zwarte vogel waarmee Potter zich is gaan identificeren. Die wordt door het filmmakende drietal ook optimaal uitgenut in deze typisch Amerikaanse productie, waarin de alfaman/paria/antiheld uiteindelijk, met ware doodsverachting, afstevent op een ‘glorieus’ slotakkoord.

Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas

VRT / Docville

‘We gaan een documentaire maken van vijftig minuten met alles wat Dennis gedaan heeft en wat hij dus nu doet’, vertelt regisseur Katherine Schmelzer in de openingsscène van Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas (52 min.) aan één van de kunstenaars die daarin aan het woord komt, Peter Fengler. ‘Ja, dat is kort’, reageert die. ‘Dat is krap.’ Zijn Vlaamse collega Gerard Herman vult al snel aan: ‘Ik denk niet dat dat mogelijk gaat zijn om iets van vijftig minuten over Dennis te maken.’ Waarna Sara Weyns, directrice van het Middelheimmuseum, de grap doorzet: ‘Het is een begin…’

Welk leven is er wél in vijftig minuten te vangen? Die vraag dringt zich onwillekeurig op, bij eenieder die de Antwerpse kunstenaar nog niet kent. Die gaat in de navolgende vijftig, snel voorbij fladderende minuten kennis maken met een man die werkelijk niet voor één gat – of door één cameralens – te vangen is: tekenaar, radiomaker, ontwerper, performancekunstenaar, organisator, tatoeëerder en eigenaar van het obscure noise-platenlabel Ultra Exzema. Tijdens deze film legt hij zich toe op het maken van olieverfschilderijen. Voor een expositie in de Tim van Laere Gallery te Rome.

Katherine Schmelzer en coregisseur Pieter Verbiest volgen de creatieve duizendpoot gedurende dit intensieve proces, waarin hun overactieve hoofdpersoon zichzelf weer eens helemaal opnieuw wil gaan uitvinden. Tyfus weet in dit joyeuze portret ogenschijnlijk niet waar hij mee bezig is – en wil dat vermoedelijk ook helemaal niet weten. Zijn vriendin, kunstenares Charline Tyberchein, wordt er soms ‘zot’ van, vertelt ze. Tegelijk lijkt zij hem ook wel een beetje te benijden om die heerlijk onbezonnen werkwijze, ‘hoe da ge dan toch uzelf kunt verrassen terwijl da ge aan het maken zijt’.

Tussendoor maakt het filmmakende duo, aan de hand van uiteenlopende bronnen zoals schilder Luc Tuymans, kunsthistorica Anny de Decker en Sonic Youth-gitarist Thurston Moore, vlotte uitstapjes naar alle lumineuze ideeën, bokkensprongen en rare fratsen die hun protagonist door de jaren heen, in naam van de kunst, op zijn naam heeft geschreven. Wat te denken bijvoorbeeld van No Choice Tattoos? Waarbij iemand een nog onbekende tatoeage kan laten zetten door Tyfus. ‘Laat mij maar doen’, legt z’n vriend Gerard Herman het concept uit. ‘Vertrouw er maar op dat het goed komt.’

De No Choice Taxi biedt klanten dan weer de kans om ‘vrijwillig ontvoerd’ te worden. In de wereld van Dennis Tyfus, die afwisselend een verbaasde glimlach, gefronste wenkbrauwen of een ongecontroleerd schuddende buik oproept, tuimelen de anarchistische ideeën werkelijk over elkaar heen. Met een bijzondere rol voor blokluiten – zo mogelijk in combinatie met zijn (andere) grote liefde, de punkband The Ramones. Of zoals Thurston Moore het treffend omschrijft in een film die met vijftig minuten tegelijk véél te kort en toch precies goed is: joyful disturbance.

Snoepjes

Canal+

Jack ‘Den Regelaar’ heeft, zoals ze dat in Brabant zeggen, ‘unne verrekeskop’. Niet dat de man zo’n dikke kop heeft – althans, niet dat we weten. De ‘XTC Kingpin’ heeft letterlijk een varkenskop op, zodat zijn anonimiteit is gewaarborgd. Vermoedelijk weten insiders uit het Brabantse criminele milieu desondanks direct wie hij is, want hij behoort tot de (voormalige) kopstukken van de lokale drugscriminaliteit. Die opereerde overigens bepaald niet alleen in de regio. Ooit was Jack goed voor zo’n miljoen pillen per week.

Zijn vakbroeder, Aad ‘De Kluiskraker’, ook al met ‘zonne verrekeskop’ op, was lid van de beruchte West-Brabantse York-bende, draaide eerst zijn hand niet om voor een bankoverval en zette daarna echt wereldwijd pillen af. En die werden gefabriceerd op het platteland, in pak ‘m beet paardenmaneges of struisvogelbedrijven of – vandaar die kop – varkensstallen. Want er was altijd wel een boer te vinden die een centje wilde bijverdienen – of die zich gedwongen voelde om ‘an offer you can’t refuse’ te accepteren.

In de vierdelige docuserie Snoepjes (176 min.), die kan worden beschouwd als de missing link tussen Amsterdam Narcos, De IRT Affaire, De Godfather Van Oss en Over Grenzen, laat Bart van den Aardweg leden van de Brabantse maffia leeglopen over hun ervaringen in de designer drugsbusiness, waar kerels met bijnamen zoals ‘De Man Op De Berg’, ‘De Zigeunerkoning’ en ‘De Commissionaris’ de toon zetten en een sleutelrol is weggelegd voor ‘De Gekke Professor’, chemicus Robert Hollemans.

Hun herinneringen zijn door Van den Aardweg omlijst met fraaie archiefbeelden en gereconstrueerde scènes en worden verder van kleur voorzien door hardcore-DJ Dano, feestorganisator Ilja Reiman, Roxy-portier Remco Doorn en Bhagwan-volgeling en XTC-therapeut Peter den Haring. De misdaadjournalisten Hessel de Ree en Jens Olde Kater, oud-officieren van justitie Monique Klinkenbijl en Cees Spierenburg en ex-minister van Justitie Winnie Sorgdrager zorgen voor context en tegenwicht.

Die is broodnodig. Anders waren de varkenskoppen en al die andere pillenboeren wellicht overgekomen als relatief onschuldige geinponems. Deze smeuïge miniserie maakt er echter geen geheim van: de Brabantse drugscriminaliteit mocht dan provinciaals overkomen, het was wel degelijk een internationaal vertakte business, die gepaard ging met geweld, ripdeals en liquidaties. En ter plaatse, in het beruchte dorp Sint Willebrord bijvoorbeeld, werd daarover zorgvuldig gezwegen. Omerta, juist.

Snoepjes toont nog maar eens ondubbelzinnig aan: Nederland – lees Brabant – deed (en doet) dienst als een internationaal zenuwcentrum voor de productie van en handel in synthetische drugs.

Streetart Frankey

September Film

Met zijn guitige lach, pretoogjes en – jawel! – Frankey-rode muts zou hij kunnen doorgaan voor een personage uit zijn eigen oeuvre. Sterker, misschien is Streetart Frankey (68 min.) – want over hem hebben we ‘t – dat ook wel. Een naïeve, speelse en grappige kaaskopvariant op – pak ‘m gerust beet – de Britse straatkunstenaar Banksy.

Frankey is de man achter de legoversie van André Hazes op de Dam, een waterkraan die eruit ziet als Manneke Pis en de (Nederlandse) leeuw met het helpbordje die kopje onder gaat in een hoofdstedelijke gracht. Als een soort Kuifje in Amsterdam begeeft hij zich op het kruispunt tussen Maurizio Cattelan, Wim T. Schippers en – daar istie weer! – Banksy. Schatplichtig aan Suske en Wiske, Ghostbusters en Buurman & Buurman.

Peter Wingerder volgt Frankey, die eigenlijk – ssst! – Frank de Ruwe heet, van de ene vette knipoog naar de andere schelmenstreek. Samen met zijn geliefde Urs Hasham, die het ‘megaleuk’ vindt om mee te doen en mee te helpen, maakt ie van elke (on)bezonnen actie ook een lekkere foto, die onderdeel is van ’s mans alsmaar uitdijende collectie straatkunstwerkjes, waarmee hij ook best ’s werelds galerieën en musea in wil.

’s Mans strapatsen worden in deze joyeuze film opgeleukt met tekeningen van Typex en animaties van Ot Leendertse. Met een poppetje van een speels figuurtje met een Frankey-rode muts bijvoorbeeld. Zo heeft Streetart Frankey – de docu dus – uiteindelijk hetzelfde effect als het werk van de Nederlandse kunstenaar, designer en handige jongen met precies dezelfde naam: een mens wordt er zowaar vrolijk van.

Kom daar maar eens om in tijden waarin het begrip – lees het navolgende woord aub met gefronste wenkbrauwen –  ‘documentaire’ toch vooral associaties oproept met de oorlog in Oekraïne, het lijden van Gaza en de wankelende democratie in de Verenigde Staten. Over dat laatste gesproken: Frankey – en in zijn kielzog: Wingerder – is erbij als dat wankelen (weer) begint: tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024.

Als de held van dit verhaal – nee, niet Donald Trump! – New York heeft voorzien van openbare Teenage Mutant Ninja Turtles en WALL-E verkeersborden, hijst hij zich in een levensgrote Hug For Unity-knuffelbeer. Voor de verandering zónder Frankey-rode muts. Als ie in dat pak, in het kader van de naderende verkiezingen, de straat op wil, moet Frankey echter wel een kogelvrij vest aan. Het blijft tenslotte Amerika.

Daar schrikt hij zich een hoedje – vast niet Frankey-rood – bij een campagnebijeenkomst van de Republikeinse presidentskandidaat: ‘nog nooit zo’n negatief event meegemaakt’. En dan wordt de zelfverklaarde held nog gekozen ook! Is de beoogde campagne ‘Frankey Comes To America’ daarna nog wel gepast? vraagt de echte held – Streetart Frankey dus – zich dan af. Al te lang laat hij zich echter niet uit het veld slaan. De plicht/pret roept!

En dus eindigt deze documentaire waar ie begon: bij een zorgvuldig voorbereide en secuur uitgevoerde ludieke actie van de Frankey-rode muts en het mannetje daaronder, de enige echte Frankey.

The Tony Blair Story

VPRO

Even lijkt hij de wereld, of op zijn minst Groot-Brittannië, in zijn hand te hebben. Tony Blair slaagt er in 1998 zowaar in om vrede te sluiten in Noord-Ierland, iets wat zijn conservatieve voorgangers Thatcher en Major niet wilden of konden. Tegenwoordig staat de voormalige Britse premier, die met zijn geheel vernieuwde Labour-partij een einde heeft gemaakt aan achttien jaar heerschappij van The Tories, er véél minder goed op.

Als premier ontwikkelt Blair zich destijds, aan de zijde van zijn Amerikaanse geestverwant Bill Clinton, tot een erkende wereldleider. Ook met Clintons opvolger George W. Bush ontwikkelt hij een ‘special relationship’. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 volgt ie Bush dus ook bij diens zeer omstreden inval in Irak in 2003. En dan begint ook Blairs ogenschijnlijk onverwoestbare imago af te bladderen.

De hoofdpersoon gaat er zelf eens goed voor zitten aan het begin van deze driedelige serie van Michael Waldman. Hij wordt in The Tony Blair Story (156 min.) in de rug gedekt door zijn echtgenote Cherie, de Amerikaanse politici Bill Clinton en Condoleezza Rice en z’n getrouwen Anji Hunter, Alastair Campbell en de onlangs door de zaak Epstein ernstig in opspraak geraakte Peter Mandelson. Daartegenover staan (zeer) kritische partijgenoten zoals Jack Straw, Clare Short en Jeremy Corbyn.

Tijdens zijn eerste campagne is Tony Blair net een bloem die tot bloei komt in de zonneschijn, stelt schrijver/journalist Robert Harris, die ziet hoe de jurist groeit in zijn rol als politicus, in deel 1 van deze miniserie. Op het toppunt van Blairs roem, wanneer hij in 1999 een sleutelrol heeft gespeeld in het bezweren van het gewapende conflict in Kosovo, bespeurt Harris ook dat de premier losgezongen begint te raken van de realiteit.

Dat neemt tragische vormen aan als hij Groot-Brittannië meesleept in een oorlog in Irak, het onderwerp van aflevering 2, om nooit aangetroffen massavernietigingswapens onschadelijk te maken. Die beslissing was volgens z’n vrouw Cherie in eerste instantie helemaal niet zo vanzelfsprekend. ‘Je moet kiezen. En als Tony eenmaal heeft gekozen, kan hij anderen ervan overtuigen dat dit altijd al de voor de hand liggende keuze was.’

Of dat een teken van te veel zelfvertrouwen is? wil Waldman weten. Daarover houdt Cherie zich op de vlakte. Duidelijk is dat de beeldvorming rond haar man dan definitief verandert: Tony Blair wordt de leugenaar Tony Bliar. De man zelf weigert intussen om zich echt in de kaarten te laten kijken. ‘Als mensen een eerlijk verhaal willen, vraag een leider dan niet om zichzelf te beoordelen. Want dan krijg je een politiek antwoord.’

Hij toont zich strijdbaar in dit breed opgezette en genuanceerde portret, overtuigd van wie hij is, wat hij heeft gedaan en welke resultaten hij heeft geboekt. Een man die door sommigen nog altijd diep wordt geminacht en bij anderen juist op een zekere herwaardering mag rekenen. Een politicus die, wat je ook van hem vindt, tot de beeldbepalende leiders van de afgelopen dertig jaar moet worden gerekend.

Trailer The Tony Blair Story

How To Die In Oregon

HBO

‘It was easy, folks!’ zegt Roger Sagner, net voor hij zijn laatste adem uitblaast in de openingsscène van de aangrijpende documentaire How To Die In Oregon (107 min.) uit 2011. ‘It was easy.’ Even daarvoor heeft Roger, omringd door zijn naasten en enkele vrijwilligers van de ideële organisatie Compassion And Choices een drankje ingenomen, dat naar verluidt ‘houtachtig’ smaakt, om zijn leven te beëindigen.

Als de Amerikaanse staat Oregon halverwege de jaren negentig de Death With Dignity Act aanneemt, zijn er nog maar twee landen in de wereld – Zwitserland en Nederland – waar euthanasie is gelegaliseerd. Ruim vijftien jaar later hebben inmiddels ruim vijfhonderd ‘Oregonians’ de zachte dood gekregen die zij, gedwongen door de omstandigheden, hebben gezocht. Ze moeten het dodelijke middel uiteindelijk overigens wel zelf innemen. Hun artsen kunnen en willen zich nog niet wagen aan het verlenen van actieve hulp.

In deze film brengt documentairemaker Peter Richardson verschillende aspecten van dit delicate proces in beeld. Hij volgt bijvoorbeeld Cody Curtis, een aimabele 54-jarige vrouw met leverkanker, die is uitbehandeld en een waardig levenseinde nastreeft. Samen met haar echtgenoot Stan en hun volwassen kinderen Jill en zoon Thomas probeert Curtis, voortdurend ondersteund door haar oncoloog Katherine Morris, te genieten van elke goede dag die haar nog is vergund – al voelt ze zichzelf ook een ‘dead woman walking’.

Nancy Niedzielski uit Seattle is intussen vastbesloten om de laatste wens van haar echtgenoot Randy in vervulling te laten gaan. Hij overleed na een lange lijdensweg aan hersenkanker. ‘Zes weken voor zijn dood zei hij: dit wordt een heel lelijk proces’, herinnert ze zich geëmotioneerd. ‘Beloof me dat je je best doet om de wet te laten veranderen.’ Dat wordt vervolgens Nancy’s levensdoel. Pas als de Death With Dignity-wet is aangenomen in de staat Washington, is haar huwelijk echt voorbij – en kan zij eindelijk gaan rouwen.

Tegenstanders noemen zo’n zachte dood consequent ‘assisted suicide’ en bestrijden die te vuur en te zwaard. Richardson is er echter niet op uit om het politieke gevecht rond euthanasie te belichten, maar richt zich op de menselijke verhalen. Zo wil Randy Stroups zorgverzekeraar bijvoorbeeld zijn behandeling voor prostaatkanker niet vergoeden, omdat die te weinig effect zou hebben op z’n levensverwachting. Een ‘doctor assisted suicide’ blijkt wel bespreekbaar. Als Stroup daarmee naar buiten treedt, krijgt ie alsnog zijn behandeling.

Sober, zonder enige vorm van effectbejag, belicht How To Die In Oregon intussen de dagelijkse praktijk in Ohio rond Death with Dignity. Na een onverwachte zomer begint intussen ook de geleende tijd van Cody Curtis op te raken. Ze ziet er nog bedrieglijk goed uit – Curtis volgt een ‘kankerdieet’, zegt ze zelf – maar voelt het einde wel degelijk naderen. Als het zover is, brengt Peter Richardson dit met gepaste distantie in beeld. Als treffend slot van een ingetogen en juist daardoor zo indringende film.

Mel Brooks: The 99 Year Old Man!

HBO Max

Als ambassadeur van de Amerikaanse comedy doet Judd Apatow zich al jaren gelden. Hij speelde als producer een belangrijke rol bij de Hollywood-hits The Cable Guy, Knocked Up en The 40 Year Old Virgin en behoorde tot de drijvende krachten achter series zoals The Larry Sanders Show, Girls en Love.

En als documentairemaker eert Apatow z’n helden. Met The Zen Diaries Of Garry Shandling (2018) bijvoorbeeld en het dit jaar te verschijnen Paralyzed By Hope: The Maria Bamford Story. Samen met Michael Bonfiglio, met wie hij eerder ook al George Carlin’s American Dream maakte, portretteert hij nu ook een levende legende: Mel Brooks: The 99 Year Old Man! (217 min.), in het jaar, op 28 juni om precies te zijn, waarin die honderd jaar oud hoopt te worden.

De Joodse komiek, regisseur, producer en schrijver Mel Brooks (echte naam: Melvin Kaminsky) scoorde in zijn leven kaskrakers zoals The ProducersBlazing Saddles en Spaceballs, maar leverde zo nu en dan ook flinke flops af. Collega’s zoals Ben Stiller, Conan O’Brien, Jerry Seinfeld, Dave Chappelle en Adam Sandler vinden hem ronduit geniaal. Anderen, ‘de critici’ waarvoor hij graag z’n neus ophaalt, noemen zijn werk dan weer dom en platvloers.

Deze lijvige biografie in twee delen, waarin ook z’n zoons Nicholas, Eddie en Max hun zegje doen, neemt zijn leven van begin tot eind door. Sterke verhalen, smakelijke anekdotes en grappige fragmenten te over. Iemand die zo lang leeft, moet zichzelf nu eenmaal steeds opnieuw uitvinden – als producent van serieuze films, gelauwerd musicalschrijver of ‘wise old man’ van de Amerikaanse comedy bijvoorbeeld – en kan diverse malen in en uit de mode raken.

Te midden van alle (on)gein, gevatheid en wansmaak verschijnt een man die alle tegenslag met humor tegemoet treedt en op de één of andere manier altijd de moed vindt om verder te gaan. Nadat zijn echtgenote Anne Bancroft is overleden, spendeert Mel Brooks bijvoorbeeld elke avond bij zijn beste vriend, collega-komiek Carl Reiner. Hij is ook bij hem als Reiner in 2020 op 98-jarige leeftijd overlijdt. En Brooks blijft ook daarna naar diens woning komen.

‘Maandenlang kwam hij naar het huis, nadat mijn vader gestorven was, om daar te zitten, tv te kijken en te eten’, vertelt Carls zoon Rob Reiner, die onlangs samen met zijn echtgenote Michele op tragische wijze om het leven werd gebracht, aan Apatow en Bonfiglio. Brooks vraagt Rob ook om het hem te laten weten als ze het huis willen verkopen. ‘En toen zei ik: misschien is het beter als we het huis te koop zetten, met jou erin? Wellicht is het dan meer waard.’

Wat er ook zijn levenspad komt – een jong gestorven vader, de Tweede Wereldoorlog of bezoek van Magere Hein – Mel Brooks blijft ogenschijnlijk onverstoorbaar doorwandelen. Nog steeds. Totdat de weg toch doodloopt en even later de allerlaatste lach wegsterft…

Dogs Of War

BBC

Hoewel internationale wetten het inzetten van huurlingen bij gewapende conflicten verbieden, zijn er wereldwijd naar schatting zo’n 100.000 buitenlandse beroepssoldaten actief. ‘Oorlog is verslavend’, vertelt de Britse huursoldaat David Tomkins, die zo’n veertig jaar (mee)vocht en voor wapens zorgde in landen als Somalië, Koeweit, Afghanistan, Sierra Leone en Colombia in Dogs Of War (87 min.). ‘Chaos is verslavend. Het is net een drug. En ik vond het geweldig!’

Zijn carrière als huurling kreeg halverwege de jaren zeventig een pikstart in Angola. Toen er een burgeroorlog uitbrak in het Afrikaanse land, bleek er behoefte aan een explosievenexpert. En Dave had net naam gemaakt in Londen als bankrover. Met zelfgemaakte nitroglycerine bracht hij kluizen tot ontploffing. Zo’n man konden ze goed gebruiken. ‘Ik schaam me diep voor een aantal dingen die in Angola zijn gebeurd’, stelt David een halve eeuw later. ‘Die zouden nooit mogen gebeuren, in welke oorlog dan ook.’

Angola mocht dan een voorbeeld zijn van hoe ’t niet moest. Tomkins had de smaak wel degelijk te pakken gekregen. Volgende missie: het omleggen van president Étienne Eyadéma van Togo. Rationalisatie: de man had zelf zijn voorganger laten liquideren. Oog om oog, tand om tand. Opblazen, die kerel! Zover zou ’t echter nooit komen. Uiteindelijk ging Dave zelfs nog op bezoek bij Eyadéma, vertelt hij in deze boeiende film van David Whitney, waarin ie het verhaal van zijn loopbaan in de oorlogs- en wapenbusiness doet.

Van de revenuen daarvan kon hij zijn gezin prima onderhouden, stelt Tomkins. Er stond zowaar een Rolls Royce in de garage. Intussen viel en valt hij zichzelf niet lastig met ethische vragen. ‘I can’t be sorry for everybody in the world’, legt hij uit. ‘The world is what it is.’ Hij was nu eenmaal ‘proud to be a criminal’. Zo doet de gepensioneerde huurling elke kwestie af met een straffe oneliner. Over de jaren negentig, toen de halve wereld in brand stond, zegt ie bijvoorbeeld: ‘A bad time for the world, but good for me.’

David Whitney verbeeldt ‘s mans herinneringen met enigszins kluchtige reconstructies en kadert ze verder in met quotes van direct betrokkenen, deskundigen en de huurlingen Alex Lennox, Dean Shelley en Peter McAleese (die samen met Tomkins ook al was te zien in Killing Escobar, Whitneys reconstructie van hun mislukte moordaanslag op de Colombiaanse drugscrimineel). Samen schetsen zij letterlijk een gewetenloze business, waarin het eigen gewin voorop staat en de rest een zorg is voor anderen of voor later.

Als ík ‘t niet zou doen, zegt David Tomkins bijna letterlijk, dan zou een ander ’t doen. En wanneer David Whitney maar blijft doorvragen naar zijn gevoelens over z’n roemruchte verleden, schiet dat bij hem in het verkeerde keelgat. Hij heeft helemaal geen berouw. ‘I wouldn’t swap one day of my fucking life for you or anybody else’, bijt hij de filmmaker toe. ‘I live for me and my family only. That’s the end of the story… Done!’

New Order – Power, Corruption & Lies

Mark Fenna-Roberts / NTR

Ze besluiten zowaar om een oujijabord te raadplegen. Zanger Ian Curtis is dood, hun band Joy Division lijkt daarmee wel klaar en nu blijkt al hun apparatuur, na studio-opnames in New York, nog te zijn gestolen ook. Halverwege 1980 is hun situatie tamelijk hopeloos, stelt gitarist Bernard Sumner. ‘Hoeveel erger kan ‘t nog worden?’

‘The band that used to be Joy Division’, aldus drummer Stephen Morris, vindt zichzelf echter opnieuw uit, met Gillian Gilbert (keyboards) als nieuw groepslid en Sumner als nieuwe oude frontman. En ze besluiten meteen om signatuursongs zoals Day Of The Lords, Isolation en Love Will Tear Us Apart niet meer te gaan spelen.

De vraag is wel of er iemand zit te wachten op New Order. In 1981 verschijnt het debuutalbum van de tegendraadse Britse groep. ‘Movement is een Joy Division-plaat met New Order-vocalen’, stelt oud-bassist Peter Hook. ‘Tegen de tijd dat we Power, Corruption & Lies uitbrachten, maakten we New Order-muziek met New Order-vocalen.’

Op die tweede langspeler (1983) heeft de vernieuwde band z’n eigen niche gevonden, op het kruispunt van rock- en dancemuziek, werelden die voorheen strikt van elkaar werden gescheiden. Met de 12 inch-single Blue Monday / The Beach, fraai vormgegeven als een floppydisk, toont New Order nog eens ondubbelzinnig z’n bestaansrecht aan.

In de muziekdocu New Order – Power, Corruption & Lies (72 min.) van David Barnard blikken de vier bandleden, ondersteund door ontwerper Peter Saville en de producers Arthur Baker en Michael Johnson, terug op deze jaren en de totstandkoming van hun tweede album, dat is vernoemd naar een citaat uit George Orwells Animal Farm.

In een aardige archiefscène uit 1983 leggen ze in het Nederlandse tv-programma Countdown bijvoorbeeld uit hoe ze gebruik hebben gemaakt van synthesizers. ‘Wat is New Order?’ wil presentator Erik de Zwart weten. ‘Computerprogrammeurs of muzikanten? ‘Geen van beide eigenlijk’, antwoordt Bernard Sumner. ‘Bankrovers.’

Die attitude is nog altijd zichtbaar in de no-nonsense manier waarop de vier leden in deze gedegen popfilm terugblikken op de formatieve jaren van New Order. Zonder overdadige pretenties of al te nostalgische gevoelens. Tevreden, dat wel. Over al wat ze hebben gepresteerd en de lol die ze daarbij – ondanks alle meningsverschillen – hadden.

De Wilde Noordzee

MN Media / EO

Zijn passie voor de onderwaterwereld werd ooit in gang gezet door de films van de befaamde Franse ‘oceanaut’ Jacques Cousteau. En gaandeweg wist de Nederlandse duiker en natuurfilmer Peter van Rodijnen van zijn hobby zowaar z’n beroep te maken. Het duurde alleen even voordat hij ook in zijn eigen omgeving begon rond te kijken, naar De Wilde Noordzee (89 min.).

Hij start deze groots opgezette natuurfilm, geregisseerd door Mark Verkerk, dicht bij huis, in zijn eigen biotoop Zeeland. Daar observeert hij bijvoorbeeld hoe een mannelijke zeedonderpad wekenlang tussen de oesters waakt over z’n eitjes. ‘Na al die weken zorg voor hem en zo’n tien koude duiken voor mij komen de eitjes uit’, vertelt Van Rodijnen erbij. ‘Ja, je krijgt echt een band! Nou ja, of het echt wederzijds is…’

Zo begeleidt hij de verwikkelingen in en om het water van persoonlijk, veelal luchtig commentaar. Bij de reuzenhaai bijvoorbeeld, ‘formaat stadsbus’, die hij zowaar ook in die good old Noordzee aantreft. Voor de mens vormt die geen gevaar. Want deze haai mag dan gigantisch groot zijn, volgens de Nederlandse Cousteau eet hij piepklein. ‘Hij zwemt met zijn muil open’, windt hij er geen doekjes om, ‘en filtert er plankton uit.’

Peter van Rodijnen is natuurlijk geen Jacques Cousteau – of ‘een’ David Attenborough – maar zeker een verdienstelijke verteller, met ook oog voor de rol van de mens: van vissers uit Urk tot de aanleg van windmolens. Hij benoemt de schade die zo wordt aangericht, maar zoomt ook in op initiatieven om de biodiversiteit te stimuleren, zoals Deense pogingen om de zalm te laten terugkeren in z’n oorspronkelijke leefgebied.

Van Rodijnens verhalen strekken zich uit tot alle landen rond de Noordzee en worden begeleid door treffende Cousteau-citaten, een weelderige soundtrack van Sven Figee en – natuurlijk – zinnenprikkelende beelden van het waterleven, zowel (extreme) close-ups van al wat leeft onder de zeespiegel als epische droneshots van de wereld daaromheen. Ernaar kijken betekent ook bij De Wilde Noordzee er waarde aan hechten.

En, citeert Peter van Rodijnen tot besluit ene Jacques-Yves Cousteau: mensen beschermen waar ze van houden.’