Murder In Big Horn

Showtime

‘Voor ons zijn dit geen true crime-verhalen’, zegt journalist Luella Brien, waarvan in 1977 tante DeeDee verdween, met ingehouden emotie. ‘De slachtoffers komen uit onze families.’ Al decennia zijn de ‘native Americans’ van Big Horn County, Montana, zich er maar al te zeer van bewust dat er jonge vrouwen, meisjes nog, uit hun midden verdwijnen. Verder kraait er echter geen haan naar deze MMIW (Missing/Murdered Indigenous Women).

Totdat Henny Scott in 2018 plotseling verdwijnt na een feestje op The Northern Cheyenne Reservation. Het veertienjarige meisje wordt enkele weken later dood aangetroffen in de sneeuw. Omdat ze op het indianenreservaat zelf is gevonden moet het Bureau of Indian Affairs (BIA) van Lame Deer in actie komen. En die kan de hulp inroepen van de FBI. Zoals de sheriff van Big Horn County dan weer verantwoordelijk is voor een ander deel van het grotere gebied, The Crow Reservation. Afhankelijk van het slachtoffer, de (onbekende) dader, plaats delict en de plek waar het lichaam wordt aangetroffen. Dat probleem speelt direct op als ruim een half jaar later een ander indiaans meisje, Kaysera Stops Pretty Places, dood wordt gevonden. Er zijn aanwijzingen dat ze wellicht is vermoord. En dan raakt op 1 januari 2020 ook de zestienjarige Selena Not Afraid nog vermist.

Dat juist het leefgebied van de Cheyenne- en Crow-stammen juridisch braak ligt, is natuurlijk geen toeval. ‘Native Americans’ werden aan het einde van de negentiende eeuw aan hun lot overgelaten, in de hoop dat ze stilletjes zouden opgaan in de ‘gewone’ bevolking of zouden uitsterven. Reservaten groeiden uit tot plekken van werkeloosheid, armoede, gokken en verslaving. Door Big Horn County loopt bovendien nog de Interstate 90, die als doorvoerroute van en naar Canada kan fungeren voor drugs, vrouwen en andere illegale handel. Zo wordt de traditionele angst gevoed voor de witte man, die zich van oudsher op indianenvrouwen richt om via hen de complete gemeenschap te ontwrichten, zo is het algehele gevoel. Neem bijvoorbeeld Pocahontas. Van haar romance met kapitein John Smith is een prachtige Disney-liefde gemaakt, maar in werkelijkheid was ze waarschijnlijk slachtoffer van mensenhandel.

Die geladen geschiedenis en maatschappelijke context zorgen ervoor dat Murder In Big Horn (157 min.) nooit een routineuze true crime-productie wordt. Zeker omdat er ook nog een andere kant aan datzelfde verhaal zit: de misstanden binnen het reservaat zelf, waar huiselijk geweld en seksueel misbruik schering en inslag lijken. Veel meer dan een zoektocht naar de daders van de tientallen ‘native women’ die in de afgelopen decennia zijn verdwenen is deze sfeervolle driedelige docuserie van Razelle Benally en Matthew Galkin een portret van een getroebleerde gemeenschap, die in z’n hart – de vrouwen en meisjes – wordt getroffen. ‘Every child matters’, stelt een leus over de MMIW. Dat moet het uitgangspunt worden, vinden strijdbare vrouwen zoals Luella Brien. In plaats van ‘another dead indian’.

McCurry: The Pursuit Of Colour

Afghan Girl / Steamroller Media

In India kreeg de wereld kleur. Na enkele jaren buffelen voor een kleine krant in Philadelphia vond fotograaf Steve McCurry er in 1978 zijn stem. Hij ging voor het eerst met kleurfilm werken en ontdekte de bloemrijkste taferelen. Via buurland Pakistan belandde de Amerikaanse fotograaf vervolgens in Afghanistan, waar toen een bloedige oorlog met de Sovjet-Unie woedde. McCurry was er gek genoeg helemaal op zijn plek. ‘Hij koos de oorlog niet’, zegt Anthony Bannon, oud directeur van het George Eastman Museum of Photography, daarover. ‘Die koos hem.’

Daar, in dat jarenlange conflict, zou Steve McCurry in 1984 ook zijn beroemdste foto schieten: Afghan Girl, een portret van het twaalfjarige meisje Sharbat Gula dat in een Pakistaans vluchtelingenkamp was beland. Vanaf de cover van het tijdschrift National Geographic leek ze, met haar felgroene ogen, de wereld met een mengeling van wanhoop en verwijten aan te kijken. Pas toen hij enkele maanden later thuis zijn materiaal ging bekijken, ontdekte McCurry wat hij had gemaakt: een soort moderne Mona Lisa, een symbool voor alle slachtoffers van de oorlog.

‘Ik heb mijn leven gewijd aan het najagen van kleur’, zegt hij zelf in McCurry: The Pursuit Of Colour (53 min.). ‘Om de schoonheid van diversiteit uit te drukken.’ Samen met mensen uit zijn directe omgeving, zoals z’n zus Bonnie en vriend/schrijver Paul Theroux, loopt de fotograaf zijn loopbaan door en probeert intussen z’n filosofie onder woorden te brengen. Tegelijkertijd toont regisseur Denis Delestrac hoe de kwieke zeventiger nog altijd als een fotograferende nomade naar alle uithoeken van de wereld afreist, om te laten zien hoe kostbaar het leven is.

Aan het eind van de film komt ook de controverse aan de orde die ooit rond McCurry is ontstaan: in de nabewerking van zijn foto’s zou hij de waarheid nét iets te veel naar zijn hand hebben gezet. ‘Ik ben zeer dankbaar dat iemand dat heeft ontdekt en onder de aandacht heeft gebracht van mij en de wereld’, zegt hij onderkoeld tegen Delestrac. ‘Ik wil ze daar oprecht voor bedanken.’ Die kan zijn oren niet geloven. ‘Dat meen je niet, toch?’ Zijn gesprekspartner begint te lachen. ‘Nee, dat is bullshit.’

Steve McCurry is van mening dat hij als ‘visuele verhalenverteller’ meer artistieke vrijheid heeft dan een willekeurige fotojournalist. ‘Ik fotografeer niet voor jou’, zegt hij ferm. ‘Ik fotografeer ook niet voor iemand anders. Ik fotografeer voor mijn eigen plezier en hoop dat mijn foto’s communiceren. Punt.’ Wie niet beter weet – of gewoon heeft gezien: in de talloze foto’s waarmee dit verzorgde portret is aangekleed – zou bijna gaan denken dat die hele wereld hem gestolen kan worden.

The Soul Of Steffen Morrison

NTR

Zoals elke documentairemaker probeert Marcel de Vré in The Soul Of Steffen Morrison (55 min.) onder de oppervlakte te komen bij zijn hoofdpersoon. Als het goed is, kan hij daarbij uitgaan van zijn eigen visie op de Nederlandse soulzanger en de mens die daarachter schuilgaat. Die wordt dan uitgewerkt in een coherente vertelling, waarbinnen alle losse puzzelstukjes bijdragen aan het grotere geheel. Dit portret van Steffen Morrison wordt alleen nooit meer dan een verzameling losse puzzelstukjes.

Vrijwel alle belangrijke elementen uit het leven en de carrière van Morrison worden aangestipt, alsof ze moeten worden afgevinkt: zijn Surinaamse achtergrond, de relatie met zijn oma Hilda, de Bijlmervliegramp, z’n liefde voor soulmuziek, ’s mans doorbraak via The Voice Of Holland, dat hij zijn carrière sindsdien op eigen voorwaarden heeft vormgegeven, de opmerking daarbij dat dit nog geen vetpot is, het verbond met zijn (begeleidings)Band Of Brothers, de constatering dat hij als zwarte man in een wit land en binnen een witte industrie opereert, hoe hij als vrijwilliger muziekles geeft op de school van zijn zoontje, zijn laatste album Soul Revolution en dat hij als artiest steeds meer een eigen smoelwerk begint te krijgen.

Verder is Morrison joggend en fietsend te zien, doet hij enkele stukjes van zijn theatervoorstelling The Art Of Being Human op camera en brengt hij alle mogelijke podia en festivals aan de kook. De Vré lijkt ook hierbij een ogenschijnlijk tamelijk willekeurige greep in de Morrison-grabbelton te doen. Wat hij daar uithaalt wordt steeds becommentarieerd door gitarist en bandleider Alvin Lewis, producer Tjeerd Oosterhuis en Michiel van Elk van de soul-, funk- en jazzradiozender Sublime (die zich als een enthousiaste promotor van de zanger opwerpt). Een typisch geval van ‘more is less’, zo lijkt het, waarbij de ontwikkeling van Morrisons eigen muzikale identiteit en zijn identiteit als zwarte man als constanten fungeren.

Steffen Morrison is volgens eigen zeggen een ‘blaku rosoe’, een zwarte roos, die stilaan tot bloei aan het komen is. Deze tv-docu volstaat als nadere introductie daarvan, waarbij ‘s mans lekkere soulstrot en de gestaalde band aan zijn zijde de aandacht er wel bijhouden. Iedereen die daadwerkelijk onder de huid wil komen bij de zanger en zijn muziek loopt echter al snel op tegen de beperkingen van de film, in het bijzonder de vluchtigheid ervan.

The Most Hated Man On The Internet

Netflix

Als The Most Hated Man On The Internet (162 min.) van Rob Miller een klassieke Hollywood-actiefilm zou zijn geweest, dan was die waarschijnlijk aangeprezen met een smeuïge tagline in de trant van: ‘one woman’s mission to detroy The King Of Revenge Porn’.

Die vrouw heet Charlotte Laws en krijgt te horen dat er illegaal een topless foto van haar dochter Kayla is gepubliceerd op de schmutzige website IsAnyoneUp.com. Charlotte, een voormalige ‘partycrasher of the rich and famous’ die wordt ondersteund door echtgenoot/advocaat Charles, zet alles in het werk om die website uit de lucht te krijgen en de kwade genius daarachter, de cynische internetpiraat Hunter Moore, een kopje kleiner te maken.

Een typisch heldenverhaal dus: goede vrouw pakt slechte man aan. Een thema dat Netflix in de afgelopen jaren al op diverse manieren heeft aangegrepen voor aantrekkelijke true crime-achtige producties: van The Tinder Swindler en Bad Vegan tot Don’t F**k With Cats en The Puppet Master. Een gecompliceerde – en wellicht ook enigszins genuanceerdere – werkelijkheid wordt daarbij aangeboden in een hap-slik-weg verpakking.

Hoe komt Moore aan de foto’s? Met die vraag kan deze formule-achtige film, waarin alle betrokken netjes de rol spelen die hen is toebedeeld, wel even vooruit. Hij zal zijn slachtoffers toch niet hebben gehackt? Charlotte laat zich de hoofdrol van onverschrokken heldin intussen maar al te graag aanleunen. Zoals ook de bijrollen goed bezet zijn: haar dochter is overtuigend als onschuldig slachtoffer en de schurkenrol blijkt Moore op het lijf geschreven.

Hij verschuilt zich met liefde en plezier achter het argument dat hij slechts de beheerder van het ranzige platform is. Wat daarop wordt geplaatst is natuurlijk niet zijn verantwoordelijkheid – al verdient hij er wel een aardige zakcent mee. Intussen doet deze driedelige docuserie min of meer hetzelfde: het treurige relaas van een jonge vrouw die zich als ‘Butthole Girl’ publiekelijk heeft ‘laten’ vernederen, wordt bijvoorbeeld nauwelijks meer dan clickbait.

Echte interesse voor haar verhaal – of voor dat van de andere gekleineerde, misbruikte en soms zelfs volledig geknakte vrouwen – is er niet in deze typisch Amerikaanse productie. Zoals ook Hunter Moore nooit meer wordt dan een verachtelijk personage, waarbij eenieder zich moreel verheven kan voelen. En aan het eind, ook al zo bevredigend, wordt de slechterik natuurlijk ingerekend en, op zijn minst in gedachten, geboeid afgevoerd.

Toch is het niet ondenkbaar dat diezelfde kijker na afloop ook achterblijft met een ongemakkelijk gevoel, dat wel aardig wordt samengevat met de boodschap die IsAnyoneUp steevast stuurde als iemand stiekem naaktfoto’s had geüpload: ‘Thank you for being evil.’

Keep Sweet: Pray And Obey

Netflix

Hoe meer vrouwen, hoe meer kinderen, hoe meer aanzien en hoe dichter bij God. Vandaar dat de Profeet Warren Jeffs, zijn persoonlijke vertegenwoordiger op aarde, een hele harem om zich heen verzamelde. Daarvoor gold: hoe jonger, hoe beter. Kindbruiden. En hij arrangeerde meteen ook de huwelijken van andere mannen van de Fundamentalist Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints (FLDS): wie kreeg welke echtgenotes? En hoeveel vrouwen in totaal?

Vrouwen als vee, vat zijn jongere broer Wallace het bondig samen in de vierdelige serie Keep Sweet: Pray & Obey (192 min.), waarin de mormoonse kerkgemeenschap uit Utah kritisch wordt doorgelicht. De Jeffs werden met polygamie opgevoed. Hun vader Rulon was tot zijn dood in 2002 geestelijk leider van FLDS, had ruim zestig kinderen en bleef tot aan het eind nieuwe vrouwen aan zijn g/heilige collectie toevoegen. Ze zagen er stuk voor stuk uit alsof ze rechtstreeks afkomstig waren uit Little House On The Prairie.

Inmiddels is zijn zoon Warren nu alweer twintig jaar geestelijk leider van de kerkgemeenschap. En dat zal hij naar eigen overtuiging ook blijven tot ‘het einde van de wereld’, dat inmiddels talloze malen door hem is aangekondigd. Zonder tastbaar resultaat, vooralsnog. Intussen heeft Jeffs de gemeenschap verder uitgebouwd tot een karikaturale sekte, waar zijn wil natuurlijk wet is, elke vrouw (lees: elk minderjarig meisje) de zijne kan worden en alle geldstromen toevallig ook zijn kant op worden gedirigeerd.

Rachel Dretzin en Grace McNally schetsen met (voormalige) leden, insiders en critici hoe de situatie binnen FLDS, in de naam van de Heer, steeds verder ontspoort. Zeker als Warren Jeffs in een verdorven meesterzet zo’n beetje alle belangrijke mannen, waaronder zijn eigen broers, verdoemt tot ‘Zoon des Verderfs’ en vervolgens uit de kerk zet. Daarmee zijn ze, volgens die geheel eigen Latter-Day Saints-logica, meteen ook hun vrouwen en kinderen kwijt. En de Profeet wil zich daar natuurlijk best over ontfermen.

Het is een typisch sekteverhaal, degelijk verteld met veel persoonlijke getuigenissen, dat op een tamelijk voorspelbare wijze ontspoort. Zoals nu eenmaal steevast gebeurt als één man alle macht naar zich toetrekt en vervolgens steeds extremere middelen nodig heeft om zijn positie te behouden. Totdat zijn parochianen in een nieuw onderkomen in Eldorado, Texas – hun eigen hemel op aarde waar je je ergste vijand nog niet naartoe zou sturen – volledig geīsoleerd zijn geraakt van de wereld en de realiteit van alle andere aardbewoners.

Als politie en justitie interesse beginnen te krijgen voor hoe Warren Jeffs FLDS in z’n greep houdt en minderjarige meisjes dwingt tot geslachtsgemeenschap, slaat de Profeet zowaar op de vlucht. Hij zal op de Top Ten Most Wanted-lijst van de FBI belanden, samen met onder anderen Osama Bin Laden, en uiteindelijk toch worden gedwongen om zich te verantwoorden voor de rechter.

Social Media Murders: The Murder Of Molly McLaren / The Murder Of Grace Millane

ITV

Ze leefden het social media-bestaan. Zij had overduidelijk lol in haar leven, was het middelpunt van elk feest. En hij deed daar nauwelijks voor onder, met zijn coole looks en stralende glimlach. Toen Molly McLaren en Joshua Stimpson elkaar tegenkwamen op een datingsite, was er duidelijk sprake van een match. En toen begon het echte leven…

Molly had een angststoornis en kampte met boulimia, Josh leverde strijd met mentale problemen. Volgens eigen zeggen was hij bipolair – en ontoerekeningsvatbaar toen het echt helemaal misging tussen hen. Op 29 juni 2017 doodde hij Molly met ruim vijftig messteken, twaalf dagen nadat zij de relatie beëindigde die in totaal zeven maanden had geduurd. Josh wachtte daarna op de politie.

In het eerste deel van het Britse tweeluik Social Media Murders (92 min.), geregisseerd door respectievelijk Angus Cameron en Natasha Cox, reconstrueren Molly’s ouders, vriendinnen en allerlei deskundigen de toxische relatie tussen de twee geliefden. Die wordt verder inzichtelijk gemaakt met hun online-conversatie, die uiteindelijk uitmondt in laster, chantage en stalking.

Deel twee van de true crime-serie concentreert zich op de gewelddadige dood van de Engelse backpacker Grace Millane in Nieuw-Zeeland. Als zij tijdens haar wereldreis in Auckland arriveert, komt ze via social media in contact met ene Jesse Shane. Een dag later, op 2 december 2018 viert Grace haar 22e verjaardag. Op de felicitaties die binnenkomen reageert ze echter helemaal niet. Grace is vermist.

Met behulp van chatberichten, telefoongegevens en beveiligingscamera’s weet de politie te deduceren hoe het Britse meisje de laatste uren voor haar verdwijning heeft doorgebracht, wat er in die periode met haar kan zijn gebeurd en hoe het daarna verder is gegaan. Was het een koelbloedige moord? Of toch een Fifty Shades Of Grey-achtige fantasie die helemaal uit de hand is gelopen?

Deze twee tragische kwesties vestigen de aandacht op de gevaren van de online-wereld: dat iemand die je ontmoet niet hoeft te zijn wie hij zegt dat hij is en dat we allemaal steeds beter zicht- en vindbaar zijn, ook voor de politie, door de sporen die we achterlaten op het web. Intussen voelt de kijker van deze twee crimedocs zich ook een beetje een voyeur. Van levens die op hun kwetsbaarst vanuit allerlei hoeken en gaten zijn vastgelegd. Ter leering ende vermaeck.

Rules Of War

VPRO

‘Verkrachting’, houdt Albert de verzamelde militairen voor. ‘Is dat een taak voor soldaten?’ De Nederlander laat een stilte vallen. ‘Hoe komt het dan dat dit gebeurt?‘ Daarna komt er mondjesmaat reactie vanuit de groep. Die is kortweg samen te vatten met de dooddoener: dat gebeurt nu eenmaal in oorlog. En de ontkenning dat zij zich daaraan schuldig maken laat natuurlijk ook niet lang op zich wachten.

Albert, zelf oud-militair, confronteert Zuid-Soedanese (onder)officieren namens het Rode Kruis met de internationale Rules Of War (52 min.), die zijn vastgelegd in de Conventie van Genève. ‘Het is jullie taak om ervoor te zorgen dat burgers gespaard blijven’, houdt hij zijn gesprekspartners voor. ‘Dat is het enige doel van de oorlogsregels.’ Dit lijkt misschien een open deur, maar stuit toch op onbegrip en soms zelfs verzet. Want spelen die burgers niet onder één hoedje met de vijand? En staan internationale organisaties zoals het Rode Kruis dat dan niet oogluikend toe?

Regisseur Guido Hendrikx maakte eerder lekker dwarse films als Stranger In Paradise en A Man And A Camera en kijkt nu mee als Albert, die met een speedboot het Zuid-Soedanese binnenland doorkruist, heel elementaire uitgangspunten voor oorlogsvoering voorlegt aan gestaalde mannen die nauwelijks een wereld zonder strijd of oorlog kennen. Voor hen lijkt vooral ‘Befehl ist Befehl’ te gelden – of anders op zijn minst het recht van de sterkste.

De film bestaat vrijwel volledig uit socratische gesprekken waarin de ethiek van de doorgewinterde vechtjassen diepgaand wordt bevraagd, door een man uit een heel andere wereld. Waardoor ook culturele verschillen onvermijdelijk een rol gaan spelen in deze interessante botsing van normen, waarden, woorden en daden, waarbij het machinegeweer voor eenmaal is ingeruild voor een spervuur van woorden.

Crooked Lines Of Beauty – My Grandfather The Architect Carl Nyrén

AVROTROS

‘s Man gebouwen interesseerden hem eerlijk gezegd weinig, bekent Sven Blume. Hij herinnert zich zijn opa vooral als middelpunt van uitbundige familiefeesten in de gerieflijke villa die hij samen met oma Marianne bestierde. Die werden nogal eens afgesloten met een potje pingpong, waarbij opa zich een geduchte tegenstander betoonde. Hij liet zijn kleinzoon echt niet zomaar winnen. En die betaalde hem vervolgens met gelijke munt terug en sprak nooit met hem over architectuur. Ook omdat hij daar als jongen maar geen vat op scheen te krijgen.

Carl Nyrén (1917-2011) was nochtans een toonaangevende architect. In heel Zweden staan huizen, kerken, scholen, kantoren, fabrieken, musea en treinstations van zijn hand. Wat kunnen zijn gebouwen Blume nu vertellen over opa ‘Calle’? ‘Ik snap de architecturale grootheid er niet van’, constateert hij tijdens een eerste wandeling door het voormalige hoofdkwartier van Pharmacia op een industrieterrein bij Uppsala. ‘Het lijkt alsof niemand van dit gebouw houdt.’ Voor de mensen die er tegenwoordig actief zijn, constateert Sven enigszins somber, is het niet meer dan hun werkplek.

Terwijl hij in Crooked Lines Of Beauty – My Grandfather The Architect Carl Nyrén (58 min.) via oude interviews, 8mm-filmpjes en bezoeken aan allerlei gebouwen door het leven en werk van zijn grootvader struint, leert Sven Blume de man daarachter, een kind van het landschap Småland (dat ook Ikea voortbracht) veel beter kennen. Gaandeweg begint hij in zijn gebouwen echt Calle’s oog en hand te ontwaren, lukt het ook om de schoonheid daarvan te ontdekken en krijgt hij vat op diens architectonische erfenis. Achter elke afzonderlijke creatie zit echt een gedachte, een ideaal zelfs.

‘Als een gebouw klaar is, heb ik, de architect, er in mijn hoofd al jaren gewoond’, schreef zijn opa eens heel treffend. ‘De weg naar het eindresultaat is echter lang en bochtig. Als je daaraan begint, weet je nooit hoe en waar het eindigt.’

The Conquest Of Everest

Waarom moet iemand de Everest beklimmen? ‘Omdat hij er is’, antwoordde de vermaarde Britse klimmer George Mallory ooit in stijl. Samen met Andrew Irvine zou hij de berg in 1924 proberen te bedwingen. Tevergeefs. Geen van beiden kwam terug. Het zou nog bijna dertig jaar duren voordat een expeditie, bij de elfde poging, daadwerkelijk de top bereikte. Op 29 mei 1953 plantte (Sir) Edmund Hillary, terzijde gestaan door de sherpa Tenzing Norgay, zijn vlag op de bergtop. ‘De top van de wereld was bereikt.’

Waar hedendaagse klimdocu’s zoals Free Solo, The Alpinist of 14 Peaks: Nothing Is Impossible zich vooral richten op zulke glorieuze verrichtingen van een select groepje alpinisten en de ontberingen die zij daarbij moeten doorstaan, benadert de klassieker The Conquest Of Everest (75 min.) deze beklimming van de hoogste berg ter wereld, op de grens van Tibet en Nepal, eerder als een groepsprestatie, met tevens aandacht voor de antropologische en wetenschappelijke dimensies ervan.

Regisseur George Lowe had destijds natuurlijk ook geen drones, minieme cameraatjes of mobiele geluidsapparatuur tot zijn beschikking om elke stap omhoog tot in ijzingwekkend detail te vereeuwigen. Hoewel zijn documentaire uit 1953 daardoor qua spanning en dramatiek nooit kan wedijveren met hedendaagse topfilms, lukt het hem wel degelijk om het hachelijke karakter van de onderneming over het voetlicht te brengen – en wat er toentertijd allemaal nodig was om zo’n expeditie op te zetten.

Cameraman Tom Stobart, die zijn ongetwijfeld loodzware apparatuur ook mee naar boven moest zeulen, verricht daarbij fabuleus werk. Verteller Meredith Edwards krijgt tevens een sleutelrol toebedeeld. Hij voorziet de gebeurtenissen in het hooggebergte voortdurend van duiding, drama en achtergrondinformatie. En de alomtegenwoordige klassieke muziek maskeert tenslotte effectief dat de activiteiten van de helden ter plaatse zonder audio zijn vastgelegd. De film won niet voor niets een BAFTA en werd genomineerd voor een Oscar.

Enkele dagen na de verovering van Mount Everest werd overigens, om het Britse feest helemaal compleet te maken, Elizabeth tot koningin van het Verenigd Koninkrijk gekroond. Het waren de dagen van Brittannia rules the waves – ook al was het dan via een Nieuw-Zeelander (Hillary) en kind van de Himalaya (Norgay).

Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy

Prime Video

In de nasleep van de Rodney King-rellen in Los Angeles startte Guy Torry begin jaren negentig een speciale avond met louter zwarte comedians in The Comedy Story. Dat podium zou een springplank worden voor een nieuwe generatie Afro Amerikaanse stemmen, zoals Martin Lawrence, Chris Tucker en Kevin Hart.

In de driedelige serie Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy (158 min.) kijkt Reginald Hudlin met de fine fleur van de Amerikaanse stand-upcomedy terug op die glorieperiode. ‘Guy stuurde een groep jonge, zwarte professionals aan’, vertelt comedian Dave Chappelle bijvoorbeeld. ‘Er zaten wat gangsterrappers bij, maar het was een eclectisch gezelschap. Zoals het leven van zwarte Amerikanen ook divers is. Het was geen eenheidsworst. De één was naar Harvard geweest, een ander naar de gevangenis.’

Phat Tuesday was voor hen een vuurdoop, vertellen entertainers als Steve Harvey, Tiffany Haddish, Cedric The Entertainer, Snoop Dogg en Regina King. Want Will Smith, Magic Johnson of Prince konden zomaar in de zaal zitten. En een zwart publiek is sowieso geen gedwee publiek. Een beleefd applaus hoef je als halfbakken grappenmaker niet te verwachten. Als het hen niet bevalt, laten ze dit op niet mis te verstane wijze merken. Ze beginnen misprijzend te kijken, draaien zich demonstratief van je af of roepen iets in de trant van: ‘Heb je ook nog wat leuks, gast?’

In de kantlijn worden er af en toe ook min of meer serieuze thema’s behandeld – seksisme, transcomedians en ‘bomben’, de plank helemaal misslaan, bijvoorbeeld – maar deze miniserie is eerst en vooral een ongegeneerde viering van de zwarte humor. Met veel sterke verhalen, popi jopi-gedrag en snelle grappen.

Biography: The Nine Lives Of Ozzy Osbourne

De aanloop was ronduit moeizaam: armoedige jeugd, dyslexie en gevangenisstraf. Het middenstuk heftig en opwindend: frontman van de (allereerste) heavy metalband Black Sabbath en een lange en onverwacht succesvolle solocarrière. En de afwikkeling niets minder dan een surprise: een hoofdrol in de komische reallifesoap The Osbournes.

Nu was John ‘Ozzy’ Osbourne, een larger than life-stuiterbal uit de Britse industriestad Birmingham, altijd al een clown. Of zoals hij het zelf formuleert in Biography: The Nine Lives Of Ozzy Osbourne (88 min.): ‘Ik maak jou aan het lachen, zodat ik me veilig bij je kan voelen.’ Veelvuldig gebruik van drank, drugs en vrouwen hielp ook. Hierbij, tenminste. Ook bij het afbijten van het hoofd van een duif of vleermuis, trouwens. Een ‘normaal’ leven als John Osbourne met vrouw en kinderen werd alleen wel wat lastiger. Om niet te zeggen: onmogelijk.

Een verblijf in de beruchte Betty Ford Clinic bleek onvermijdelijk. Hoe lang hij daarna nuchter bleef? Zijn echtgenote Sharon, die door de docusoap zelf ook een bekendheid is geworden, laat nét genoeg pauze vallen. ‘Ongeveer drie kwartier.’ Zo speelt de gehele familie Osbourne zijn eigen rol in deze film over de hogepriester van de metalmuziek, waarvoor regisseur Greg Johnston netjes diens leven en loopbaan doorakkert met verwanten, bandleden en collega-artiesten zoals Rick Rubin, Marilyn Manson, Jonathan Davis, Billy Idol en Ice-T.

Hij zet de ‘onweerstaanbare mafketel’ (dochter Kelly) bovendien in een bioscoopzaaltje en confronteert hem op het witte doek met zichzelf. Dat is geen onverdeeld genoegen voor de man die over de hoogste toppen en door de diepste dalen ging. De aandacht ligt in dit zeer vermakelijke portret sowieso wel erg op Osbournes uitspattingen. Zijn baanbrekende werk met Black Sabbath komt er bijvoorbeeld wat bekaaid vanaf. Of is hijzelf, ‘Ozzy’, uiteindelijk toch zijn voornaamste kunstwerk? Een metershoog personage, dat entertainment voor de gehele familie verzorgt.

An Irish Story: This Is My Home

Netflix

Het wereldrecord staat nu op vijftig optredens in vijftig Amerikaanse staten in vijftig dagen. Dat kunnen The Black Donnellys beter. Slogan: ‘60 shows, 50 states, 40 days’. De Ieren weten waarover ze spreken: zanger/songschrijver Dave Rooney en gitarist/mandolinespeler Dave Browne waren tevens betrokken bij het langste optreden aller tijden: 372 uur. En Browne is ook in zijn eentje al eens doorgedrongen tot het Guinness World Records-boek. Hij speelde ooit 114 uur aaneengesloten gitaar.

Daarmee zijn de hoofdrolspelers geïntroduceerd voor een als leutige roadmovie vermomde recordpoging: An Irish Story: This Is My Home(90 min.) van Karl Nickoley. Waarbij de kijker op voorhand al weet: over welke hobbel de mannen zich ook moeten slepen en welke tegenslag ze ook krijgen te verwerken, aan het eind van de rit staat (er) Guinness klaar. Toch? Nádat De Twee Daves, die er allebei smakelijk over kunnen vertellen in de pub, nog een laatste horde hebben genomen, welteverstaan.

Vermindert die voorspelbare afloop – terwijl ik dit typ, is de film pas twintig minuten onderweg – het kijkplezier onderweg? Dat lijkt me een vraag om over een uurtje te beantwoorden. [Uurtje on the road: geen camper, gebroken teen, vulkaanuitbarsting, stemmingswisselingen, geldtekort, een GoFundMe-campagne, toch camperproblemen, tornado, bevlogen ode aan een overleden nicht, opnieuw camperproblemen en geldtekort, andere camper en – altijd en overal – optreden]. Komt ie: niet echt.

Zolang diezelfde kijker – buiten tamelijk obligate bespiegelingen over het muzikantenbestaan, The American Dream en de plek van (Ierse) immigranten in het land van hoop en dromen – geen al te hoge eisen stelt aan zoiets arbitrairs als dieperliggende thematiek en bestand is tegen de Bassie & Adriaan-dynamiek van Rooney en Browne. Dan is An Irish Story gewoon een aardig verhaaltje over getapte jongens die lekker(e) muziek maken en wel/niet (ik weet ‘t inmiddels!) een nieuw wereldrecord vestigen.

Some Kind Of Heaven

Hulu

Op hun oude dag leven ze (alsnog) ‘The American Dream’. Uitroepteken. Bij The Villages, de grootste ouderengemeenschap van de Verenigde Staten in de enige echte ‘Sunshine State’ Florida, horen nu eenmaal uitroeptekens. Dat is… een droomstad voor babyboomers! Het nirvana! Disneyworld voor gepensioneerden! De fontein van de jeugd! Elke dag vakantie! Of zoals het Amerikaanse droomstadje zichzelf enthousiast afficheert: Florida’s Friendliest Hometown!

Some Kind Of Heaven (83 min.) kortom. Een bepaalde variant op wat voor sommigen onder ons de hemel op aarde is. Een enclave met meer dan 100.000 bejaarden. All inclusive, natuurlijk. Met de verplichte tennisbanen, palmbomen, zwembaden, kerkdiensten en golfbanen. En met een slagboom, dat ook. Regisseur Lance Oppenheim laat in deze gestileerde film ongenadig de achterkant van de idylle zien. Hij portretteert enkele ‘gewone’ ouderen die door het plastic paradijs dolen.

Reggie wil zijn leven eindigen met ‘een glimlach op mijn gezicht’, maar zijn echtgenote Anne maakt zich na 47 jaar huwelijk echt zorgen over hoe zijn ontremde gedrag steeds vaker voor problemen zorgt, ook met de wet. Vrijgezel Dennis sneakt elke dag de stad binnen vanuit de bus waarin hij leeft, in de hoop een gefortuneerde dame aan de haak te slaan. En de weduwe Barbara kan ternauwernood het hoofd boven water houden en is intussen aan het daten met een nét iets te getapte (oudere) jongen.

Net als een verwante documentaire als King Of The Cruise, van de Nederlandse maakster Sophie Dros, toont Some Kind Of Heaven de schijn van het zijn. Een perfecte perfide wereld – vereeuwigd met een zekere compassie, veel symmetrie en warme kleuren – waar alles ‘goed verzorgd’ is, behalve de menselijke ziel. En die eigenlijk alleen met een mengeling van gêne en mededogen is aan te zien.

Muhammad Ali

PBS

Hij heeft één van de best gedocumenteerde levens van de afgelopen honderd jaar geleid. Het aantal documentaires over Muhammad Ali is nauwelijks te overzien. In Oscar-winnaar When We Were Kings (1996) wordt bijvoorbeeld zijn ‘rumble in the jungle’ met George Foreman belicht. Thrilla In Manila (2008) plaatst hem op de Filipijnen voor de allerlaatste keer tegenover aartsvijand Joe Frazier (die hij tot op het bot beledigde, gebruikmakend van racistische retoriek). The Trials Of Muhammad Ali (2013) concentreert zich op Ali’s problemen met justitie, nadat hij heeft geweigerd om een ‘tour of duty’ in Vietnam te doen. En Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali (2021) behandelt de relatie van de zwarte bokser met de vermoorde woordvoerder van de militante Nation Of Islam.

Het is maar een willekeurige selectie: zowat elk aspect van Ali’s roerige leven is inmiddels uit en te na in beeld gebracht. In films die een deel ervan uitdiepen of juist de grootsheid ervan proberen te omvatten (zoals Antoine Fuqua’s What’s My Name: Muhammad Ali uit 2019). En toch voelt Ken Burns, de grootmeester van de Amerikaanse historische documentaire, zich geroepen om nóg een portret te maken van ‘the greatest’, simpelweg Muhammad Ali (446 min.) getiteld. Net als in klassieke series zoals The Civil War, Baseball en Country Music is zijn aanpak tamelijk traditioneel: een verteller (Keith David in dit geval) leidt de kijker op gezaghebbende toon door Ali’s leven, ondersteund door weldadig archiefmateriaal en een uitgelezen selectie van sprekers (dochters Hana en Rasheda Ali, ex-vrouwen Belinda Boyd en Veronica Porche, broer Rahaman en zijn protégé en laatste opponent in een titelgevecht Larry Holmes bijvoorbeeld).

Van zijn opkomst als bokser onder de slavennaam Cassius Clay en eerste wereldtitelgevecht tegen Sonny Liston in 1964, via zijn bekering tot de islam en bijbehorende naamsverandering en politieke bewustwording naar zijn schorsing als bokser en onwaarschijnlijke comeback tot aan de aftakeling op latere leeftijd, een logisch gevolg van alle klappen die hij gedurende zijn leven moest incasseren. Samen met zijn coregisseurs, dochter Sarah en haar echtgenoot David McMahon, plaatst Burns die ontwikkeling, opgebouwd rond enkele heroïsche gevechten, voortdurend binnen z’n maatschappelijke context. De man, sporter en mediapersoonlijkheid Muhammad Ali kunnen immers niet los worden gezien van de tijd en wereld waarin hij leefde. In de bijna acht uur speeltijd van deze epische serie, op temperatuur gebracht met dampende zwarte muziek, blijft vrijwel geen aspect onbelicht van één van de beste boksers – en pochers en treiteraars – van de twintigste eeuw: zijn vechtlust, (media)geilheid, idealisme, wreedheid en veerkracht.

Tot nader order is dit zonder enige twijfel het definitieve portret van de man met de lijfspreuk ‘float like a butterfly, sting like a bee’. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er ook echt geen documentaires meer over hem zullen worden gemaakt.

Paul Newman: Behind Blue Eyes

Mediawan Rights

‘Er zat altijd een bepaalde kwetsbaarheid in hem’, zegt zijn biografe Elena Oumano. ‘Ook als hij een slechterik speelde, werden vrouwen verliefd op hem en wilden ze “die stoute jongen” redden.’ Met die gevoelige onderstroom voorkwam acteur Paul Newman (1925-2008) volgens haar dat hij overkwam als de eerste de beste bordkartonnen versie van mannelijkheid. ‘Hij was zo aantrekkelijk en verleidelijk’, vult regisseur Ron Shelton aan, ‘omdat je hem nooit helemaal te pakken kreeg.

In Paul Newman: Behind Blue Eyes (52 min) akkert regisseur Pierre-Francois Gaudry Newmans complete filmografie door, met een hele zwik fraaie speelfilmfragmenten, enkele oude interviews met de ster zelf, een bescheiden hoeveelheid backstage-beelden en quotes van acteurs die samen met hem op het witte doek belandden, zoals Ellen Burstyn, James Naughton, Brigitte Fossey, Mary Elizabeth Mastrantonio en Lolita Davidovich.

Zoals dat gaat in dit soort tv-portretten schetsen zij een aansprekend beeld van de Amerikaanse acteur die ruim een halve eeuw een beeldbepalende figuur was in Hollywood en schitterde in bioscoophits als Cat On A Hot Tin Roof, The Hustler, Cool Hand Luke, Butch Cassidy And The Sundance Kid, The Sting en The Color Of Money. Tegelijkertijd was er de man achter de filmster: verlegen, progressief en zéér op zijn privéleven gesteld.

Deze film, waarin een alwetende verteller de boel soepel aan elkaar praat, brengt die elementen netjes bij elkaar en werkt toe naar het einde van Newmans leven op 83-jarige leeftijd, als eindelijk het grafschrift kan worden geopenbaard dat hij zich al in de jaren vijftig had ingebeeld: ‘Hier ligt Paul Newman. Zijn acteercarrière eindigde toen zijn blauwe ogen bruin werden.’

René – The Prisoner Of Freedom

dokreview.com

Deze documentaire begint met een verzoek: of René Plásil zijn mobiele telefoon wil uitzetten? Hij dreigt de première van zijn eigen film te verstoren. Dat zit zo: de kleine crimineel is twintig jaar gevolgd door de Tsjechische documentairemaakster Helena Trestiková. In die periode zit hij af en aan in de gevangenis, waarbij zij zo’n beetje de enige constante factor in zijn leven lijkt. Trestiková wordt in die tijd zelf overigens ook eens bestolen door de man, die zijn levenshouding heeft laten tatoeëren in zijn nek, inclusief spelfout: Fuck Of People. Tegelijkertijd is René gevoeliger dan een buitenstaander misschien zou verwachten en huist er zowaar een liefhebber van literatuur, en schrijver in de dop, in dat door ruim dertig jaar leven aan de zelfkant gehavende lijf.

De vasthoudendheid van zowel filmer als protagonist, die haar gedurig brieven blijft schrijven, resulteert in 2008 in een film die simpelweg René is genaamd. Hij wordt er een heuse knuffelcrimineel mee, een graag geziene gast in Tsjechische media. Tegelijkertijd verandert zijn leven er in eerste instantie verrassend weinig door: hij blijft een man van twaalf klusjes en dertien ongelukken. En Trestiková blijft ook gewoon stug doorgaan met filmen. Plásils nieuwe roem zorgt er hooguit voor dat er aan zijn eindeloze rij knipperlichtrelaties ook enkele ‘thrill seekers’ worden toegevoegd. Een blond gevangenisliefje bijvoorbeeld, dat hem trouw brieven schrijft en knuffelbeestjes geeft, maar uiteindelijk toch twijfelt of ze een échte relatie wil met zo’n gevaarlijke man.

René Plásil laat zich al die aandacht ogenschijnlijk tamelijk onbewogen aanleunen. Wat kan hij anders? Hij houdt er ook wat geld en zo nu en dan een verzetje aan over. En Trestiková blijft hem gewoon trouw om de paar maanden opzoeken om de actuele stand van zaken op te maken. Óók als zijn leven in rustiger vaarwater terecht lijkt te komen, met zowaar een vaste vriendin met kind – al houdt hij het nooit lang vol in een baantje. Helena Trestiková’s nieuwe film over hem, René – The Prisoner Of Freedom (102 min.), krijgt daardoor gaandeweg wel een wat routineus karakter – we filmen omdat we nu eenmaal filmen – en dreigt zelfs een beetje als een nachtkaars uit te gaan. Uiteindelijk is René Plásil echter toch een te interessant filmpersonage en zorgt zijn werkrelatie met Trestiková, ook door het longitudinale karakter ervan, toch voor te veel intimiteit en diepte om dat te laten gebeuren.

The Banality Of Grief

IDFA

Hij maakt haar voortdurend deelgenoot van wat hij meemaakt, wat zich voor zijn camera aandient ook en hoe hij zich daar dan zelf weer toe verhoudt. In gedachten is Jon Bang Carlsen permanent bij zijn echtgenote Madeleine. Zij is enkele jaren geleden overleden. Carlsen wil en kan zich echter niet losmaken van de vrouw, met wie hij 35 jaar van zijn leven heeft gedeeld.

Terwijl hij in de Verenigde Staten werkt aan een nieuw project, wordt de Deense filmmaker constant overvallen door gevoelens en gedachten aan haar. Die vervat hij in een stream of consciousness-achtige brief, die als hart van The Banality Of Grief (70 min.) fungeert. Soms kwetsbaar en gevoelig, dan weer scherp en vol zelfspot. Vaak filosofisch ook, in een poging om de alomvattendheid van zijn verdriet en wat dit bij hem aanricht vast te grijpen en alsnog met haar te delen.

Het presidentschap van Donald Trump functioneert als metaforisch decor voor zijn somtijds deplorabele staat. Dat contrasteert met de opkomst van diens voorganger, de eerste zwarte president van de Verenigde Staten Obama, en het gevoel van hoop en geluk dat Carlsen met die periode associeert. Overmand door herinneringen aan zijn leven met Madeleine zwerft hij tevens door zijn eigen verleden als filmmaker, dat wordt geïllustreerd met treffende fragmenten.

The Banality Of Grief is een zeer particulier verhaal – en daardoor ook universeel. Rouw manifesteert zich in minutieuze details, die voor iedereen anders en toch herkenbaar zijn. Deze film is, zoals de maker het zelf omschrijft, een kleine stamelende liefdesbrief aan een vrouw waarvan het adres nog onbekend is. Jon Bang Carlsen is alleen wel een overdadige verteller. Hij vertoont zich weliswaar slechts zelden voor ‘het dodemansoog’ – de benaming die Madeleine gaf aan de cameralens, waardoor zijzelf zich ook zelden liet betrappen – maar laat de woorden intussen rijkelijk vloeien.

Hij voorkomt daarmee dat deze heel persoonlijke documentaire een gemakkelijke tearjerker wordt, maar maakt het tegelijkertijd ook lastiger voor buitenstaanders om zich écht te identificeren met zijn gevoel van verlies.

Toni Morrison, Black Matter(s)

Arte

‘Eerst wilde ik er niet aan: het was te pijnlijk’, vertelt de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931-2019) aan het begin van deze documentaire over Beloved (Beminde), het boek over de gruwelen van slavernij waarvoor ze in 1988 een Pulitzer Prize kreeg. ‘Als zij er hun hele leven mee moesten leven, dan kon ik er wel enkele jaren aan besteden om een boek te schrijven’.

In Toni Morrison, Black Matter(s) (52 min.) belicht regisseur Claire Laborey met enkele kenners het werk van de schrijfster die tevens als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur won en die in 2012 van de zwarte Amerikaanse president Barack Obama de Presidential Medal Of Freedom kreeg. Morrison zelf komt natuurlijk ook veelvuldig aan het woord via interviews en fragmenten uit haar geschriften, ingesproken door actrice Fanny Gautier.

Deze verzorgde film, die verder een treffende mixture van foto’s, filmbeelden en animaties rond de beladen geschiedenis van Zwart Amerika bevat, richt zich overigens niet zozeer op Morrisons leven en carrière, maar op de inhoud en betekenis van haar werk en hoe ze daarmee het Amerikaanse verhaal heeft proberen te herschrijven. Met haar uitgesproken visie heeft de schrijvende denker bovendien aansluiting gevonden bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-beweging.

En Toni Morrison, Black Matter(s) kan worden geboekstaafd als een gedegen weerslag van de erfenis van deze trotse, intelligente en welbespraakte vrouw, die tot op hoge leeftijd een krachtig zwart zelfbewustzijn heeft uitgedragen.

Burma VJ: Reporting From A Closed Country

‘We kunnen niet zomaar weer de straat opgaan om doodgeschoten te worden’, zegt de anonieme verteller ‘Joshua’ van Burma VJ: Reporting From A Closed Country (85 min.), een documentaire van regisseur Anders Østergaard uit 2008. ‘Want we hebben geen mensen meer om te sterven.’ Hij vraagt zich ook af of zijn landgenoten, die sneuvelden bij de opstand tegen het militaire regime in 1988, tevergeefs zijn gestorven. Want wat heeft hun opoffering eigenlijk opgeleverd?

Joshua heeft een nieuw wapen gevonden: zijn (verborgen) camera. Zo kunnen hij en zijn collega’s van het illegale televisiestation Democratic Voice Of Burma van binnenuit laten zien hoe de militaire dictatuur werkt. Het is wel zaak om vooraf goed te bekijken waar en wanneer ze gaan filmen, vooral niet te lang en opzichtig door te gaan en het verzamelde materiaal daarna zo snel mogelijk clandestien naar het buitenland te transporteren.

De beelden worden via via naar Noorwegen gesmokkeld, van waaruit ze in de hele wereld kunnen worden uitgezonden. Zo tonen de burgerjournalisten de volledig geïsoleerde Aziatische natie Birma, ook wel Myanmar genoemd, een land dat leeft in angst. Elke kleine poging tot verzet wordt direct in de kiem gesmoord. En als je om je heen kijkt, op straat of in de trein, weet je nooit: wie is lid van de geheime politie of informant voor de machthebbers?

In het najaar van 2007 ontstaat er dan toch massaal verzet tegen het dictatoriale bewind, als ook Boeddhistische monniken zich ermee beginnen te bemoeien. Als zij met geweld worden opgewacht door handlangers van de macht, krijgt het protest zowaar momentum. Tienduizenden gewone burgers gaan de straat op en eisen bijvoorbeeld de vrijlating van de befaamde dissidente Aung San Suu Kyi. En Democratic Voice Of Burma staat vooraan om een wereldwijd publiek te bedienen.

Hoop maakt zich meester van de demonstranten in de straten van Rangoon: kan de volksheldin het land misschien naar democratie leiden? De machthebbers proberen de revolte echter met bruut geweld de kop in te drukken. Burma VJ brengt de (wan)hoop van die hete herfst van dichtbij in beeld en maakt tevens invoelbaar hoe de moedige filmers van Democratic Voice Of Burma daardoor steeds verder in de verdrukking komen. Totdat ze hun werk eigenlijk niet meer kunnen doen en de droom van een vrije staat opnieuw dreigt te vervliegen.

De geschiedenis heeft zich sindsdien alleen maar herhaald, getuige bijvoorbeeld de korte docu’s Sad Film en Letter To San Zaw Htway, beide uit 2021.

Monobloc: On The Trail Of 1.000.000 Plastic Chairs

Een miljard exemplaren van de Monobloc zouden er rondzwerven op de wereld. Iedereen heeft ook wel eens (verplicht) op zo’n karakteristieke witte plastic stoel plaatsgenomen. Geen camping, tuin of festival kan eigenlijk zonder. Ook fijn: na gebruik kan ie netjes worden opgestapeld.

Het ding is dik een halve eeuw geleden in productie genomen door de Noord-Italiaanse broers Camillo, Serafino en Carlo Proserpio. Het kost volgens hen nog geen minuut om een exemplaar te fabriceren. Daarom is ie waarschijnlijk ook spotgoedkoop. De Monobloc werd echter niet door de Proserpio’s ontworpen, maar door hun Franse concullega Henry Massonnet. Hij won er een ‘Oscar des Meubles’ mee, maar slaagde er niet om een patent te verkrijgen voor deze stoel uit één stuk.

Monobloc: On The Trail Of 1.000.000 Plastic Chairs (53 min) had intussen een oersaai verhaal kunnen worden – over een massaproduct waarvan niemand echt houdt – ware het niet dat documentairemaker Hauke Wendler er een lekker losse en luchtige verteltrant op nahoudt. Zo heeft hij met witte stoeltjes bijvoorbeeld het woord Monobloc gevormd op het strand. ‘We moesten 150 plastic stoelen kopen voor de opnames op het Noordzeestrand’, vertelt hij er lekker droog bij. ‘Vermoedelijk zijn we nu de enige documentairemakers ter wereld die 150 plastic stoelen bezitten.’

Toch is Monobloc, opgeleukt met een kekke soundtrack en vermakelijke vox pops, ook geen melige bedoening geworden. De stoel, waarop westerlingen nogal eens spugen vanwege zijn lelijke ontwerp en milieuonvriendelijke basismateriaal, heeft in andere delen van de wereld juist bijgedragen aan maatschappelijke veranderen. In India hielp de Monobloc, beweert de plaatselijke fabrikant tenminste, bijvoorbeeld bij het verbeteren van de leefomstandigheden van de onderklasse. In Oeganda zijn de stoeltjes gebruikt als basismateriaal voor betaalbare rolstoelen. En in Brazilië kunnen mensen in hun inkomen voorzien door Monoblocs in te zamelen en worden ze vervolgens massaal gerecycled.

‘Voor de duidelijkheid: de Monobloc is nog steeds niet mijn favoriete stoel’, concludeert Heike Wendler, na zijn interessante rondgang langs de halve wereld. ‘Maar in onze huidige wereld vertrouwen miljoenen mensen op de Monobloc. Omdat ze geen geld hebben en simpelweg geen andere keus.’