Checkpoint

Yoav Shamir Films

‘Als de Palestijnen komen’, zegt een Israëlische soldaat bij de start van Checkpoint (80 min.), ‘dan voeren we onze show op.’ Die voorstelling, het checken van burgers die van en naar Gaza of de Westelijke Jordaanoever willen, wordt in deze observerende documentaire uit 2003 zonder commentaar gadegeslagen door de Israëlische filmmaker Yoav Shamir.

Zijn film speelt zich volledig af bij grensposten, waar Palestijnse burgers zich melden om op bezoek te gaan bij een rouwend familielid, met een ziek kind naar de dokter willen of de laatste voorbereidingen proberen te treffen voor een huwelijk. Zij moeten daarvoor toestemming krijgen van Israëlische soldaten, puberale jongens soms nog, die verantwoordelijk zijn gemaakt voor de veiligheid van hun land.

Bij het checkpunt ontstaat vervolgens een Babylonische spraakverwarring, fel twistgesprek of Kafkaëske crisis. Iemand die van de ene soldaat probleemloos de grens mag passeren, kan een uur later op de terugweg zomaar worden tegengehouden door een ander – en belandt dan in een soort niemandsland tussen hier en daar, met een voor alle betrokkenen frustrerende woordenwisseling als gevolg.

De menselijke maat raakt intussen volledig zoek. Een passagier van een ambulance moet bijvoorbeeld voor elke inzittende uitleggen waarom die zo nodig een behandeling in het ziekenhuis van Nablus moet krijgen en niet gewoon in het nabijgelegen Jenin kan worden geholpen. In spanning wachten de passagiers vervolgens af als de dienstdoende Israëlische soldaat hun identiteitsbewijzen controleert.

Zulke routines worden zowel in de brandende zon als stromende regen uitgevoerd. Gewone burgers zijn volledig overgeleverd aan de procedures – en grillen – van de poortwachters van dienst. Zo nu en dan doorbreekt iemand de patstelling of strijkt een soldaat over zijn hart, maar het dagelijkse ritueel – dat ook het karakter kan krijgen van treiteren, intimidatie of vernedering – blijft natuurlijk gewoon bestaan.

In het klein ontstaan er bij die grensposten, gefilmd in de periode van 2001 tot 2003, steeds weer nieuwe varianten op het conflict dat de wereld een kleine 25 jaar later nog in z’n greep houdt en alleen maar verder is ontspoord.

Finding Fela

Kino Lorber

Bij leven en welzijn had Fela Anikulapo Kuti (1938-1997) waarschijnlijk nooit kunnen vermoeden dat hij de hoofdpersoon zou worden van een Amerikaanse musical. Twaalf jaar na zijn dood brengt regisseur/choreograaf Bill T. Jones het levensverhaal van de Nigeriaanse Afrobeat-pionier niettemin naar Broadway. En de musical Fela! vormt meteen één van de belangrijkste bouwstenen voor dit postume portret van de Amerikaanse documentairemaker Alex Gibney.

Finding Fela (119 min.) bestaat dus voor een belangrijk deel uit musicalscènes, met de acteur Sahr Ngaujah in de rol van Fela Kuti, een revolutionair pur sang. In alle opzichten: geïnspireerd door James Brown speelt hij een sleutelrol in de ontwikkeling van een eigen muziekgenre. En net als z’n Jamaicaanse geestverwant Bob Marley krijgt Kuti’s werk gaandeweg een uitgesproken politiek karakter. Het Nigeriaanse regime beschouwt hem als een oproerkraaier. Elk nieuw album kan ‘m op gevangenisstraf komen te staan.

Ze maken me alleen maar sterker, houdt Fela Kuti vol tegenover een interviewer, nadat hij weer eens is opgepakt en afgeranseld. ‘Ooit word ik president van dit land!’ Zover zal ‘t nooit komen – ook doordat hij relatief jong het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. En dat heeft alles met z’n levensstijl te maken. De Afrikaanse ster trouwt bijvoorbeeld met 27 vrouwen (!) en laat desondanks geen andere aantrekkelijke dame ongemoeid. Via seks kan hij spirituele krachten krijgen, meent Fela zelf. In werkelijkheid krijgt hij AIDS.

Met behulp van opwindende concertopnamen, oude reportages en (archief)interviews met Fela Kuti en zijn dochter Yeni, zoons Seun en Femi, voormalige geliefde Sandra Izsadora, ex-vrouw Queen Kewe, drummer Tony Allen, manager Rikki Stein en de bekende fans Paul McCartney en Ahmir ‘Questlove’ Thompson (drummer van The Roots en maker van de muziekdocumentaires Summer Of Soul en Sly Lives!) krijgt Gibney in deze biografie uit 2014 vat op een groots, meeslepend en excessief leven. 

Fela Kuti opereert daarin als de onbetwiste heerser van zijn eigen rijk. Z’n band Africa ’70 en entourage bestaan bijvoorbeeld al uit 28 mensen. Maar als hij eind 1978 in Europa gaat optreden, sluiten er maar liefst 71 mensen aan bij de tournee. Niet te doen, vindt Fela’s meesterdrummer en bandleider Tony Allen. Niet te betalen ook. Er is permanent geldtekort. Na een, overigens klassiek geworden, optreden op het Berlin Jazz Festival besluit Allen zijn drumstokken in de lucht te gooien. Een ander mag ze opvangen.

Daarmee is de man die het ritme bepaalt voor Fela’s lang uitgesponnen grooves verdwenen. Kuti gaat echter onverdroten verder. Africa ‘70 neemt een nieuwe gedaante aan, Egypt ’80, en de leider ervan haakt aan bij een spiritueel adviseur, de schimmige Professor Hindu, die zowaar mensen uit het graf kan laten herrijzen. Alex Gibney tekent zulke smakelijke verhalen vaardig op en smeedt daarmee een ge(s)laagd portret van deze Afrikaanse rebel, polygamist en muzikale legende.

Dogs Of War

BBC

Hoewel internationale wetten het inzetten van huurlingen bij gewapende conflicten verbieden, zijn er wereldwijd naar schatting zo’n 100.000 buitenlandse beroepssoldaten actief. ‘Oorlog is verslavend’, vertelt de Britse huursoldaat David Tomkins, die zo’n veertig jaar (mee)vocht en voor wapens zorgde in landen als Somalië, Koeweit, Afghanistan, Sierra Leone en Colombia in Dogs Of War (87 min.). ‘Chaos is verslavend. Het is net een drug. En ik vond het geweldig!’

Zijn carrière als huurling kreeg halverwege de jaren zeventig een pikstart in Angola. Toen er een burgeroorlog uitbrak in het Afrikaanse land, bleek er behoefte aan een explosievenexpert. En Dave had net naam gemaakt in Londen als bankrover. Met zelfgemaakte nitroglycerine bracht hij kluizen tot ontploffing. Zo’n man konden ze goed gebruiken. ‘Ik schaam me diep voor een aantal dingen die in Angola zijn gebeurd’, stelt David een halve eeuw later. ‘Die zouden nooit mogen gebeuren, in welke oorlog dan ook.’

Angola mocht dan een voorbeeld zijn van hoe ’t niet moest. Tomkins had de smaak wel degelijk te pakken gekregen. Volgende missie: het omleggen van president Étienne Eyadéma van Togo. Rationalisatie: de man had zelf zijn voorganger laten liquideren. Oog om oog, tand om tand. Opblazen, die kerel! Zover zou ’t echter nooit komen. Uiteindelijk ging Dave zelfs nog op bezoek bij Eyadéma, vertelt hij in deze boeiende film van David Whitney, waarin ie het verhaal van zijn loopbaan in de oorlogs- en wapenbusiness doet.

Van de revenuen daarvan kon hij zijn gezin prima onderhouden, stelt Tomkins. Er stond zowaar een Rolls Royce in de garage. Intussen viel en valt hij zichzelf niet lastig met ethische vragen. ‘I can’t be sorry for everybody in the world’, legt hij uit. ‘The world is what it is.’ Hij was nu eenmaal ‘proud to be a criminal’. Zo doet de gepensioneerde huurling elke kwestie af met een straffe oneliner. Over de jaren negentig, toen de halve wereld in brand stond, zegt ie bijvoorbeeld: ‘A bad time for the world, but good for me.’

David Whitney verbeeldt ‘s mans herinneringen met enigszins kluchtige reconstructies en kadert ze verder in met quotes van direct betrokkenen, deskundigen en de huurlingen Alex Lennox, Dean Shelley en Peter McAleese (die samen met Tomkins ook al was te zien in Killing Escobar, Whitneys reconstructie van hun mislukte moordaanslag op de Colombiaanse drugscrimineel). Samen schetsen zij letterlijk een gewetenloze business, waarin het eigen gewin voorop staat en de rest een zorg is voor anderen of voor later.

Als ík ‘t niet zou doen, zegt David Tomkins bijna letterlijk, dan zou een ander ’t doen. En wanneer David Whitney maar blijft doorvragen naar zijn gevoelens over z’n roemruchte verleden, schiet dat bij hem in het verkeerde keelgat. Hij heeft helemaal geen berouw. ‘I wouldn’t swap one day of my fucking life for you or anybody else’, bijt hij de filmmaker toe. ‘I live for me and my family only. That’s the end of the story… Done!’

The Last Republican

Media Courthouse Documentary Collective

Samen met Liz Cheney is hij verworden tot de risee van zijn eigen partij. Niet alleen heeft het Republikeinse congreslid Adam Kinzinger begin 2021 vóór het opstarten van een afzettingsprocedure tegen de Amerikaanse president Donald Trump gestemd. Net als Cheney is hij nu ook toegetreden tot de commissie die de gebeurtenissen op 6 januari van dat jaar – de dag waarop het Capitool, op instigatie van zijn partijgenoot Trump, werd bestormd – officieel gaat onderzoeken.

Rond die tijd begint Steve Pink ook te filmen met The Last Republican (90 min.). De twee komen allebei uit de Amerikaanse staat Illinois, maar hebben verder niets met elkaar. Pink is een klassieke ‘liberal’, Kinzinger een conservatief. In andere tijden zouden ze elkaar te vuur en te zwaard bestrijden. Nu Donald Trump de Republikeinse partij echter volledig heeft overgenomen, zijn ze ineens veroordeeld tot elkaar – en gaan ze zowaar samen een film maken. Over het verval van de Amerikaanse democratie.

Dat gaat in het begin gepaard met enig wantrouwen, maar dat maakt al snel plaats voor een vertrouwelijke sfeer én humor. Wat had je dan verwacht? houdt Pink zijn hoofdpersoon bijvoorbeeld voor, als die weer eens met pek en veren is overgoten door zijn eigen partijgenoten. Het zijn Republikeinen. Uitroepteken. Kinzinger laat zich op zijn beurt ook niet onbetuigd over Pinks verrichtingen als filmmaker – diens Hot Tub Time Machine in het bijzonder – en blijkt over een gezonde dosis zelfspot te beschikken.

Adam Kinzinger is een klassieke conservatieve Republikein, een man die zijn liefde voor het partij-icoon Ronald Reagan nog altijd niet onder stoelen of banken steekt. Hij werd als jongetje al actief voor de partij (van zijn ouders), begon als tiener taferelen uit de Amerikaanse burgeroorlog te re-enacten en nam na 11 september 2021 direct dienst. Als piloot van de United States Air Force raakte hij betrokken bij de oorlogen in Irak en Afghanistan. Een volbloed patriot, kortom, met bovendien bona fide ‘pro life’-ideeën.

Die nochtans wordt uitgekotst door de mensen waar hij al z’n hele leven bij hoort. Vanwege zijn stem tégen Trump en het feit dat hij in die vervloekte onderzoekscommissie is gaan zitten. Niet uit vrije wil overigens, stelt hij tegenover Pink. Nancy Pelosi, de gewiekste leider van de Democraten in het Amerikaanse congres, heeft hem erin geluisd. Tijdens een televisie-interview kondigde Pelosi doodleuk aan dat ze hem zou gaan bellen, in de wetenschap dat hij dan geen nee meer kon zeggen.

The Last Republican biedt talloze van zulke interessante doorkijkjes. Over Kinzingers bijdrage aan de eerste hoorzitting van de commissie bijvoorbeeld, waarin hij enkele politieagenten toespreekt die gebutst en gehavend uit 6 januari zijn gekomen. ‘You guys won!’ houdt hij hen voor, woorden die hem even daarvoor blijken te zijn ingefluisterd door zijn echtgenote Sofia. Bij de gedachte aan wat die agenten hebben doorgemaakt op de dag dat de Amerikaanse democratie werd aangevallen, schiet Kinzinger zelf vol.

En daarmee maakt hij zichzelf tot een doelwit van volksopruiers zoals Tucker Carlson en Sean Hannity. Intussen stromen de bedreigingen permanent binnen, op kantoor en thuis, waar Sofia hun eerste kind verwacht. Met zijn principiële keuze vóór de democratie vervreemdt Kinzinger zich van vrijwel zijn complete natuurlijke omgeving. Zelfs enkele familieleden zien zich genoodzaakt om in een openbare brief afstand van hem te nemen. Het congreslid begint intussen steeds meer te ogen als een gewond dier.

Met deze meeslepende documentaire brengt Steve Pink de ontmanteling van de Amerikaanse democratie in beeld via één enkele man die daaraan weigert mee te werken. Hij toont tevens hoe dat ontluisterende proces doorwerkt bij Adam Kinzinger zelf, zijn directe familie en z’n medewerkers. Want de nasleep van 6 januari wordt behalve een maatschappelijke ook een persoonlijke tragedie. De relativerende humor van het duo Pink-Kinzinger houdt de ellende nochtans draaglijk en de film in balans.

De tijd zal leren of ook die andere Republikeinen ooit nog worden aangesproken op de keuzes die zij maakten in de nasleep van de bestorming van het Capitool.

Animorphia

Ruud Lenssen Documentaires / Picl

‘Geef mij maar tachtig honden, in plaats van één kind’, zegt oud-militair Claudia Boerma in Animorphia (56 min.). Nadat ze in 2006, als gevolg van traumatische ervaringen tijdens een uitzending, complexe PTSS had ontwikkeld, kwam hulphond Dingo in haar bestaan. Die heeft haar leven, dat zich inmiddels afspeelt in Hammarstrand te Zweden, weer draaglijk gemaakt.

Boerma is één van de vier hoofdpersonen van deze documentaire van Ruud Lenssen – ondertitel: the skin we keep – met een uitgesproken liefde voor dieren. En daaruit spreekt soms ook teleurstelling in de mens. Bij Jari Jansen bijvoorbeeld, een jonge man uit het Limburgse Beesel die een huis vol met reptielen en gifslangen heeft. Dieren liegen en bedriegen niet, stelt hij. ‘Dat is bij mensen vaak anders.’

Jansen prepareert ook dieren. Dat heeft hij gemeen met taxidermist Wesley Kevenaar uit Venlo. Die is druk doende met het opzetten van de Sumatraanse tijger Hermes, ooit één van de blikvangers in Diergaarde Blijdorp. Het geprepareerde roofdier komt op termijn in het Museon in Den Haag te staan, maar wordt eerst geshowd tijdens het Europees kampioenschap taxidermie in Salzburg te Oostenrijk.

Als leerling van de land- en tuinbouwschool kwam Kevenaar ooit in een slachthuis. Toen hij klaar was met school ging ie er ook werken. Als ik het doe, rechtvaardigde hij dit tegenover zichzelf, gebeurt ‘t tenminste goed. ‘Voordat ik dan schoot of voordat het lichtje uitging, zei ik altijd: sorry’, herinnert hij zich. ‘Dus dan keek ik ze altijd recht in de ogen aan en schoot ik.’ Jaren later kreeg de taxidermist er toch last van .

Ook Debby Smit uit Sint Willebrord heeft echt iets met dieren. Dat moet ze, als fervent jaagster, nogal eens benadrukken. En ze moet de online scheldpartijen en dreigementen erbij op de koop toe nemen. Smit ziet zichzelf als een serieuze jager, zeker niet als zo’n rotte appel, een ‘schieter’. De jacht is essentieel voor het beheer van dierenpopulaties, stelt ze. ‘En je hebt gewoon een lekker stukje vlees op je bord.’

Lenssen laat zijn hoofdpersonen intussen in hun waarde en knoopt hun verhalen tenslotte ook aan elkaar. Zo meldt Claudia Boerma, die er niet aan moet denken om zonder Dingo te leven, zich bijvoorbeeld bij Wesley Kevenaar. Als zij er zelf niet meer is, kan haar hond dan misschien mee de kist in? ‘Hij is er jaren voor mij geweest’, concludeert ze, volgens een geheel eigen logica. ‘En nou ben ik er voor hem.’

Stuk voor stuk hebben deze lekkere eigenheimers zo hun eigen manier om hun liefde voor dieren te betuigen. Van het opzetten van een gedood dier als ultiem teken van respect tot het beeld van een geprepareerd dier als een zelfgemaakt kunstwerk met alleen een huid erom. En van een soort surrogaatkind tot ‘een stukje natuur in huis’. En de kijker van Animorphia mag zich eraan vergapen. Aan hun dieren en aan henzelf.

The Nazi Cartel

SkyShowtime

Vóór Pablo Escobar was er de Boliviaanse drugsbaas Roberto Suárez. Hij wordt beschouwd als de eerste cocaïnekoning van de wereld en zou zelfs model hebben gestaan voor het personage Alejandro Sosa in de ultieme gangsterfilm Scarface.

En als rechterhand van Suárez fungeerde ene Klaus Altmann, een Duitser die na de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Amerika was beland. In werkelijkheid ging het om de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, bijgenaamd ‘De Beul van Lyon’, die ook in Nederland nog ongenadig huis had gehouden. Samen met enkele andere oud-nazi’s speculeerde Barbie eind jaren zeventig nog altijd over een Vierde Rijk.

En er was een Amerikaanse undercoveragent, die zich namens de Drug Enforcement Agency (DEA) al jaren voordeed als dealer. Michael Levine begon zich actief met de handel te bemoeien. Samen met Suárez’s zoon Gary en schoonzoon Gerardo Caballero fungeert deze klassieke ‘tough guy’ nu als voornaamste getuige-deskundige van The Nazi Cartel (145 min.), een driedelige docuserie van Justin Webster.

Die duikt diep in deze onverkwikkelijke geschiedenis, waarin ook het Boliviaanse leger een belangrijke rol zou gaan spelen, en serveert die met veel drama en suspense uit. Webster maakt daarbij gebruik van nieuwsbeelden en reconstructies, spreekt allerlei direct betrokkenen en deskundigen en zet tevens enkele met AI geconstrueerde voice-overs in, die zijn gebaseerd op citaten uit een boek over Suárez.

De kongsi tussen Roberto Suárez en Klaus Barbie leidde in 1980 tot een bloedige staatsgreep, de zogenaamde Cocaïne Coup. Met hulp van het leger en huurlingen van Los Novios De La Muerte werd een linkse regering voorkomen. Onder de nieuwe militaire leider García Meza kon Bolivia vervolgens uitgroeien tot de eerste Zuid-Amerikaanse narcostaat. En de kans dat die Barbie zou uitleveren leek vrijwel nihil.

Dit politieke verhaal, mede verteld door slachtoffers van het regime, beklijft uiteindelijk meer dan de tamelijk routineuze jacht van Amerikaanse DEA-agenten op drugscriminelen. De vraag die daarachter ligt spreekt eveneens tot de verbeelding: was de CIA, die een kleine tien jaar eerder in Chili al de dictator Pinochet aan de macht had geholpen, misschien ook betrokken bij de Boliviaanse coup?

Volgens zijn zoon was Roberto Suárez er in elk geval best trots op dat hij was geportretteerd in Scarface. Hij herkende enkele filmpersonages ook uit zijn eigen omgeving. García Meza bijvoorbeeld. En Pablo Escobar, ofwel het legendarische Al Pacino personage Tony Montana. Suárez zou met Escobar breken, vóórdat die echt helemaal losging en zo aan de basis stond van de narcostaat Colombia.

Connected

SkyShowtime

Als de Russische oppositieleider Aleksej Navalny begin 2021 wordt gearresteerd, kiest de man die hem al jaren openlijk steunt, Dmitry Borisovitsj Zimin, de vlucht naar voren. Hij verlaat zijn geboorteland en zal er ook nooit meer terugkeren. Binnen een jaar is ‘Dim’ er zelfs helemaal niet meer. De bijna negentigjarige oprichter van de telecomgigant VimpelCom, het eerste Russische bedrijf op de beurs van New York, heeft voor een zachte dood gekozen, op zijn eigen voorwaarden.

In de interessante documentaire Connected (105 min.) van Vera Krichevskaya vertelt zijn veel jongere vriend en compagnon Augie Fabela hun verhaal. Samen gingen ze halverwege de jaren negentig, toen de Sovjet-Unie uiteen was gevallen en de aartsvijanden van de Koude Oorlog toenadering zochten tot elkaar, met hun startup naar de beurs. De Rus Zimin en de Amerikaan Fabela, een kind van Mexicaanse en Colombiaanse immigranten, werden vrienden voor het leven.

Later kregen ze met hun bedrijf te maken met nietsontziende Russische criminelen, die uit waren op hun geld, en werden ze geconfronteerd met een nieuwe autocratische leider, Vladimir Poetin, en de corrupte clan die zich daaromheen verzamelde. Rusland begon, op een totaal andere manier, net zo’n totalitaire staat te worden als de Sovjet-Unie. Zimin trok er zijn conclusies uit. Hij verliet de business en besloot zijn aanzienlijke fortuin beschikbaar te stellen voor goede doelen.

Met deze terugblik op zijn opmerkelijke leven belicht Krichevskaya tevens de geschiedenis van de Sovjet-Unie en Rusland. In 1935 werd Zimins vader gearresteerd. Hij zou sterven in een strafkamp. Na de dood van de destijds almachtige leider Jozef Stalin in 1953, ontving zijn familie zowaar een rehabilitatieformulier. Dims moeder kreeg ook nog enkele maanden salaris van haar echtgenoot overgemaakt. ‘Ik weet niet of het tragisch was, of een farce’, herinnerde hun zoon zich later.

Het lot van zijn vader zou een enorme vastberadenheid losmaken in Dmitry Zimin. ‘We zullen nooit ergens komen’, hield de man, die ooit werd opgeleid als ingenieur en jarenlang werkzaam was in het militair-industriële complex, zijn gehoor voor tijdens een speech in 2011, ‘als we geen respect ontwikkelen voor afwijkende meningen.’ En daaraan zal hij ook het finale deel van zijn leven wijden, bezegeld met een allerlaatste reis met zijn vrouw Maya op hun zeiljacht.

En daar komt Augie, die op latere leeftijd zowaar politieagent is geworden, hem natuurlijk opzoeken. Ook bij hem kruipt het bloed waar ’t niet gaan. Als Rusland Oekraïne binnenvalt, kort na Dims dood, komt Fabela in actie – vast ook om zijn hartsvriend te eren.

In Waves And War

Netflix

Voor de camera hebben drie stoere mannen – nee: de stoerste mannen, want: Navy SEALs – plaatsgenomen. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2011 zijn ze naar Afghanistan gestuurd, om de verantwoordelijken op te sporen en voor eens en altijd orde op zaken te stellen. Ze komen stuk voor stuk kapot terug. Hun lichaam heeft de onophoudelijke stroom militaire missies, met talloze dodelijke slachtoffers, min of meer ongeschonden doorstaan, maar hun geest begint serieuze mankementen te vertonen.

Hun levens worden ontregeld door hyper-waakzaamheid, survivor’s guilt, angst, woedeaanvallen, nachtmerries, déjà vu-gevoelens en depressies. Kortweg: PTSS. Ze keren zich af van de wereld, verliezen zichzelf in drank of drugs en beginnen te denken aan zelfmoord. ‘Sinds 9/11 zijn er 7100 dodelijke slachtoffers gevallen bij gevechten’, legt admiraal Brian Losey uit in In Waves And War (108 min.). ‘In diezelfde periode hebben zo’n 30.000 veteranen zelfmoord gepleegd. Dat zijn er ongeveer 22 per dag.’

‘I could have done more’, schrijft Navy SEAL Marcus Capone, in de brief waarmee hij in 2013 zijn medisch pensioen aanvraagt. De voormalige footballer is ten einde raad. Als zijn vrouw Amber hem op een ochtend aantreft met een lege fles whisky en een doorgeladen geweer, besluit ze om zelf actie te ondernemen. Zij stuit op een alternatieve therapie met psychedelica in Mexico. ‘En dit moet onze geharde krijgers redden?’ lacht haar echtgenoot cynisch, voordat ie zich toch laat overhalen. Hij heeft ook geen keus.

Behalve Capone volgen de documentairemakers Jon Shenk en Bonni Cohen nog twee andere SEAL-veteranen. D.J. Shipley is zichzelf en zijn relatie dan al enige tijd ten gronde aan het richten. ‘Terminale kanker zou een zegen zijn geweest’, zegt hij nu. Z’n vrouw Patsy dwingt hem om een behandeling te ondergaan bij de Ambio Psychedelic Clinic in Baja California. ‘Als je van me houdt, ga je’, herinnert hij zich haar woorden. ‘Dat is raar om te zeggen: als je van je vrouw houdt, ga je in Mexico psychedelische drugs gebruiken.’

Matty Roberts tenslotte, op het eerste gezicht ook al zo’n roestvrijstalen elitesoldaat, loopt al een tijd met een serieus oorlogstrauma rond. Hij zit volledig opgesloten in zijn hoofd en functioneert alleen nog tussen de broeders van zijn clan. Op een gegeven moment kan hij thuis helemaal geen rust meer vinden. Eenmaal terug op de basis slaapt hij echter weer ‘als een baby’. Ook hij ziet in eerste instantie echter helemaal niets in een behandeling die toch vooral associaties oproept met trippende bloemenkinderen.

In de eerste helft van deze documentaire nemen Shenk en Cohen de tijd om, samen met hun hoofdpersonen en met behulp van trainingsfilms en de foto’s en video’s die zij zelf maakten tijdens hun uitzending, hun periode in actieve dienst te schetsen. Daarna wagen die in Mexico, en gadegeslagen door onderzoekers van de Stanford University, de sprong in de diepte van hun eigen geest, een ervaring die de filmmakers proberen op te roepen met animaties, die het geheel een aantrekkelijk Hollywood-randje geven.

In eerste instantie lijkt In Waves And War triptherapie, onlangs ook al belicht in de Nederlandse documentaire Psychedelisch Pionieren, dan ook als een soort wondermiddel te presenteren. Een duizenddingendoekje voor al uw psychisch leed. Gaandeweg komt de nuance: hoe heilzaam een trip naar binnen ook kan zijn, daarmee is het leed nog niet automatisch geleden of elk pijnpunt ook weggewerkt. De ervaringen van deze stoere mannen doen vermoeden dat er nog een wereld te ontsluiten is – en te winnen.

Voor de camera – en daarmee ook voor zichzelf en hun directe omgeving – stellen ze zich in elk geval opmerkelijk kwetsbaar op en lijken ze ook daadwerkelijk vooruitgang te boeken. Terug naar het gewone leven, naar zichzelf.

Justice For Sale

IF Productions

Volgens de Congolese vrouw Sifa Mbala is ze op 13 mei 2008 verkracht. Het politierapport spreekt echter van een dag eerder, 12 mei. En het slachtoffer van dit seksuele geweld blijkt zich nóg een dag eerder, op 11 mei 2008, al bij het ziekenhuis te hebben gemeld. Pro deo-advocaat Claudine Tsongo kan ‘t nauwelijks geloven: ondanks deze overduidelijke ongerijmdheden is haar cliënt, de militair Masamba Masamba, bij een verkrachtingstribunaal tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld. ‘Wat was het bewijs?’, vraagt ze zich af. ‘Ik zie ‘t niet.’

Tsongo is bij de zaak betrokken geraakt via de Nederlandse documentairemakers Ilse en Femke van Velzen. Zij maakten al twee films over seksueel geweld in Congo: Fighting The Silence (2007) en Weapon Of War (2009). Zij registreerden in dat kader ook de berechting van Masamba en vonden de gang van zaken daarbij toch wel héél opmerkelijk. ‘Ik ken haar lichaam niet’, hield de verdachte militair toen staande. ‘Ik zou niet weten hoe wij seks hadden kunnen hebben. Als zij beweert dat ik haar heb verkracht, laat haar dan met bewijs komen. Ik heb haar helemaal niet verkracht.’

In de observerende documentaire Justice For Sale (82 min.) uit 2011, het derde deel van hun Congo-trilogie, alterneren de tweelingzussen Van Velzen voortdurend tussen de oorspronkelijke rechtszaak tegen Masamba, die soms Kafkaëske vormen aanneemt, en de pogingen van de kordate mensenrechtenadvocate Claudine om de waarheid boven tafel te krijgen. Zij spreekt niet alleen met haar cliënt, diens echtgenote en zijn advocaat, maar reist ook naar het slachtoffer, haar advocaat en de man die verantwoordelijk lijkt te zijn voor de aangifte tegen Masamba, Sifa’s echtgenoot.

Gaandeweg ontstaat bij Tsongo de overtuiging dat Masamba méér is dan de zoveelste man die ontkent dat hij de grenzen van een vrouw heeft overschreden en die zich erop beroept dat er geen bewijs is. Hij zou inderdaad wel eens onschuldig kunnen zijn. Wellicht zit de reden voor deze beschuldiging in een meningsverschil met kapitein Mbala over een verdwenen telefoon. En omdat Congo, na een verpletterende burgeroorlog waarin seks stelselmatig als wapen is ingezet, schoon schip wil maken, lijkt een man die wordt beschuldigd van verkrachting bij voorbaat al veroordeeld.

Daarmee heeft Justice For Sale een wezenlijk andere insteek dan de twee eerste Congo-films van Ilse en Femke van Velzen. In Fighting The Silence en Weapon Of War tonen ze de enorme schade die seksueel geweld kan aanrichten in een samenleving, terwijl deze derde documentaire juist laat zien hoe de reactie daarop ook weer kan doorslaan. Als slachtoffers en hun advocaten op alle mogelijke manieren worden bijgestaan door lokale en internationale hulporganisaties, die ook de rechters op hun hand hebben, komt de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het geding.

Deze film heeft er in elk geval voor gezorgd dat de zaak tegen Masamba nog een vervolg heeft gekregen.

2000 Meters To Andriivka

Periscoop Film

Het Zhyzhky-bos heeft al talloze levens geëist. Je zou er in tien minuten doorheen kunnen rennen. Rennen is alleen onmogelijk. Het gebied eromheen is eveneens onbegaanbaar. De Russen hebben dit bezaaid met mijnen. Er is geen andere optie: de Oekraïense soldaten moeten stapvoets door dat bos, de inkomende granaten ontwijken en ondertussen alle ‘klootzakken’ uit de weg ruimen. Zo probeert de Derde Aanvalsbrigade de 2000 Meters To Andriivka (108 min) te overbruggen, zodat daar, in een ogenschijnlijk volstrekt onbelangrijk dorpje, de nationale vlag kan worden gehesen.

Het Oekraïense tegenoffensief heeft onmiskenbaar een symbolisch karakter: het terugveroveren van land, hún land. De situatie aan de frontlinie heeft evenwel niets verhevens: gewone mannen stellen voor een betwistbaar ideaal hun leven in de waagschaal. De Oekraïense Associated Press-journalist Mstyslav Chernov, die voor zijn vorige film 20 Days In Mariupol (2023) een dik verdiende Oscar won, heeft zich op 16 september 2023 bij de brigade gevoegd. Na de Russische inval nam hij geen wapen op, maar zocht zijn toevlucht tot zijn eigen wapentuig: de alziende camera.

De filmmaker begeleidt de verwikkelingen die zich voor zijn eigen lens, dronecamera’s en de helmcamera’s van zijn hoofdpersonen voordoen met een bespiegelende voice-over. Soms gebruikt hij daarbij ook wijsheid van achteraf: over hoe ’t verder zal gaan met de soldaat die nu in de loopgraaf een sigaretje met hem rookt of een praatje maakt – als ’t daarmee überhaupt nog verder gaat. Een zeer effectieve keuze. De oorlog kent immers geen genade. Ook hun eigen vierkante centimeter van dat gedoemde gevecht met de Russen zal zijn slachtoffers eisen. Mannen die het bos nooit meer zullen verlaten.

Hoezo sterven helden niet? vraagt de moeder van één van hen zich af bij diens uitvaart, in één van de weinige scènes waarin deze mokerslag van een film de frontlinie even verlaat. ‘Je kunt beter thuisblijven’, zegt ze verbitterd over de gewone Oekraïense mannen die vrijwillig dienst hebben genomen. ‘Onze helden sterven wel degelijk!’ Zij hebben hun leven dan officieel misschien voor hun land gegeven, in werkelijk zijn ze geslachtofferd voor de verovering van een dorp dat vast al van de kaart is geveegd als het ooit kan worden ingenomen. Als ze überhaupt in de buurt van Andriivka komen…

Behalve de grimmigheid tekent Mstyslav Chernov in 2000 Meters To Andriivka, dat is voorzien van een onheilszwangere soundtrack en dramatische droneshots die de totale verwoesting van het land in kaart brengen, ook de zinloosheid van die oorlog op. Het Oekraïense tegenoffensief aan het Oostfront is gedoemd om te mislukken, maar welke andere mogelijkheden heeft het bedreigde land? Behalve de rug rechten, de vlucht naar voren kiezen en er maar het beste van hopen?

First Kill

Lemming Film

Als oorlog niet meer dan de hel zou zijn, dan zouden we snel stoppen met al die oorlogen, stelt voormalig oorlogscorrespondent Michael Herr, die over zijn ervaringen als journalist in Vietnam het boek Dispatches schreef en later meewerkte aan de klassieke oorlogsfilms Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Hoewel hij zelf zeker geen ‘John Wayne Jr.’ was, bleek Herr erg gevoelig voor de verleidingen van oorlog. ‘Het was niet saai. Je kreeg nooit de kans om verveeld te raken.’

En daarop, op hoe je volledig verslingerd kunt raken aan oorlog en er vervolgens door wordt opgevreten, richt Coco Schrijber zich in haar indringende film First Kill (73 min.) uit 2001. Voor de Amerikaanse soldaat Billy Heflin doet bijvoorbeeld maar één ding ertoe tijdens zijn tour in Vietnam: ‘the kill’. Het kost hem geen enkele moeite om de trekker over te halen – ook al is het een kind. Het is hij of ik. En hij wil zijn ‘body count’ op peil brengen. Met elke dode gaat Billy zich beter voelen. Hij vergelijkt ’t zelfs met seks.

Behalve met veteranen zoals Heflin, die steeds verder afdaalt in zijn weerzinwekkende jacht op ‘gooks’, spreekt Schrijber ook met de Amerikaanse fotograaf Eddie Addams. Hij maakte in 1968 een inmiddels klassiek geworden foto, waarin de horror van oorlog héél tastbaar wordt. Een Vietnamese man zet zijn pistool tegen het hoofd van een landgenoot en haalt rücksichtslos de trekker over. Addams voelde er echter helemaal niets bij toen hij die foto maakte. Hij leverde het rolletje in, vertelt hij droog, en ging daarna lunchen.

Een (foto)journalist kan zich natuurlijk verschuilen achter zijn werk en heeft daarmee een plausibele reden om de frontlinie op te zoeken. Michael Herr koestert daarover echter geen illusies: ook mensen zoals hij zijn veel meer dan een observator, zij participeren net zo goed in de strijd en kunnen daarvan eveneens ‘genieten’. En dat oorlogsjournalistiek een heilzame werking heeft, wil er bij hem ook niet in. De eeuw waarin massamedia hun entree hebben gemaakt was tevens de bloedigste. Moordlust wordt er bijna sexy van.

Deze zinnenprikkelende trip naar de donkerste hoeken van de menselijke ziel krijgt daarmee een bijzonder ongemakkelijke boodschap: oorlog beschikt over een zekere schoonheid als je ‘m van z’n morele dimensie ontdoet. Als individuele mensen zijn we, in de juiste verkeerde omstandigheden, tot zo’n beetje alles in staat. En dat kan ook nog lekker voelen. Billy Heflin, inmiddels een breekbare man in een rolstoel, is daarvan het sprekende voorbeeld. Hij zou best terug willen naar Vietnam, zegt ie. Hij mist het doden.

Y A-T-Il Un Dealer Dans L’Avion?

Netflix

‘De feiten in deze documentaire zijn nauwkeurig gecontroleerd’, waarschuwt de driedelige serie Y A-T-Il Un Dealer Dans L’Avion? (132 min.) bij aanvang. ‘Het is echter mogelijk dat sommige mensen niet de volledige waarheid vertellen.’ En dat vinden Olivier Bouchara en Jérôme Pierrat, de makers van deze kokette real life-misdaadkomedie, helemaal niet erg. Die dubbelheid kunnen ze naar hartenlust uitspelen, met rücksichtslos tegen elkaar weggesneden personen en volstrekt tegenstrijdige verklaringen, liefst in splitscreen.

Op 19 maart 2013 worden de vier inzittenden van een Franse privéjet, voor het oog van een camera van het antidrugsagentschap DNCD, aangehouden op het vliegveld Punta Cana in de Dominicaanse Republiek. Het is de piloten Bruno Odos en Pascal Fauret al snel duidelijk waarnaar de agenten op zoek zijn: ‘mucha drogas’. Uiteindelijk worden er 26 koffers aangetroffen in het vliegtuig, met in totaal bijna zevenhonderd kilo cocaïne. Ook de twee passagiers Nicolas Pisapia en Alain Castany, die als enige niet in deze productie participeert, weten natuurlijk van niks.

De kwestie komt bekend te staan als de zaak Air Cocaïne, waarbij ook de voormalige Franse president Nicolas Sarkozy nog even betrokken raakt. Hij werpt alle beschuldigingen ver van zich. Sterker: dat doen alle verdachten. Niemand is schuldig! Of we ze maar op hun al dan niet blauwe ogen willen geloven. Bouchara en Pierrat geloven alvast he-le-maal niemand. Tenminste, als we dan weer afgaan op de montage van deze miniserie. Van vrijwel elke persoon wordt met kekke vormgeving, koddige muziek en pure ongein een (karikaturaal) personage gemaakt.

Zelfs de Franse onderzoeksrechter Christine Saunier-Ruellan, die de vier, ogenschijnlijk op heterdaad betrapte verdachten van grootschalige drugssmokkel eveneens in de peiling heeft gekregen, ontkomt niet aan spontane terzijdes, beeldgrapjes en ongepaste close-ups. Zij speelt het spel ook lekker mee. Met veelkleurige stiften onderstreept of omcirkelt de steile Française desgevraagd op enorme vellen papier de belangrijkste speerpunten of conclusies van haar onderzoek. En ook het standvastig in de camera blikken beheerst Saunier-Ruellan als weinig anderen.

Of ‘t moet het olijke driemanschap zijn, dat een onbezonnen bevrijdingsactie op het Caraïbische eiland op touw zet voor de twee piloten. Ze zijn ‘t over werkelijk niets eens: de klunzige luchtvaartveiligheidsspecialist (Christophe Naudin), mediageile Europarlementariër van het Front National (Ayméric Chauprade) en stronteigenwijze ex-militair die graag in het gezelschap van good old Jean-Marie Le Pen verkeert (Pierre Malinowski). Mengen ze zich in de zaak vanuit de pure goedertierenheid van hun hart of toch om de belangen van de georganiseerde misdaad te dienen?

Aldus ontspint zich in Y A-T-Il Un Dealer Dans L’Avion? een aardig spelletje Cops & Robbers, waarbij drugssmokkel wordt gereduceerd tot een vermakelijke schelmenstreek, volledig ontdaan van z’n ethische component of maatschappelijke schade. Waarna het aan advocaten, met lekker opzichtige kapsels of gezeten in een decor van koffers, is om de verdachten bij de rechter vrij te pleiten. Liefst allemaal.

Portrait Of A Confused Father

UpNorth Film / DR Sales

Als de Noorse documentairemaker doet Gunnar Hall Jensen wat natuurlijk voelt als hij vader wordt: hij begint z’n zoon Jonathan in 2002 direct vanaf z’n geboorte te filmen. En zichzelf, in de ouderrol die onwennig blijft voelen. Zo wil hij in contact blijven met zijn kind. Inmiddels is ie daarmee opgehouden. Noodgedwongen. Jonathan is dood, verklapt Jensen aan het begin van Portrait Of A Confused Father (93 min.).

En dan begint die film over hun gezamenlijke leven. De documentairemaker loodst ons, als argeloze kijkers, erdoorheen met een reflectieve voice-over. Hij weet wat ie doet: Jensen maakte al diverse egodocu’s. Zijn naasten zijn er inmiddels ook min of meer aan gewend dat er altijd wel een camera meekijkt terwijl ze hun leven leven – al heeft Gunnars vrouw Jonna ervoor gekozen om zoveel mogelijk buiten beeld te blijven.

Jonathan is die luxe niet vergund. Waar zijn vader is, is een camera. Tijdens persoonlijke gesprekken, in de auto en op reis. Als ze samen gaan kamperen in de sneeuw bijvoorbeeld. Dat idee is dan weer geïnspireerd door zijn grote held Roald Amundsen. Deze Noorse ontdekkingsreiziger ondernam aan het begin van de twintigste eeuw allerlei ambitieuze poolexpedities. Hij is al sinds jaar en dag Gunnar Hall Jensens rolmodel.

Want zijn eigen vader, kapitein op cruiseschepen, heeft hij slechts één keer ontmoet, op z’n dertigste. En na diens overlijden heeft hij zichzelf met hem gefilmd, natuurlijk. Dat filmen – en het doen van dingen voor de camera – krijgt al snel iets exhibitionistisch. En wat is nog waar van wat er wordt vastgelegd? Vader en zoon dansend op een balkon, met zicht op de hemelsblauwe zee? Spontane actie? Of toch vooral een act?

En als Jensen Jonathan naar een militair boot camp stuurt, om de discipline aan te halen, is het ook de vraag: hard nodig, of ook wel goed voor ‘hun’ film? Feit is dat zijn zoon gaandeweg toch uit het zicht verdwijnt. Als Jonathan Jensen op z’n achttiende samen met een vriend een huisje in de bergen betrekt, ontglipt hij zijn vader en diens alziende oog. Dan ontwikkelt dit zelfgemaakte dubbelportret zich tot een zoektocht.

De jongen is terechtgekomen in een voor zijn vader volstrekt onbekende ‘manosfere’ en daarmee helemaal buiten het bereik van Gunnar geraakt. Stukje bij beetje weet die, de camera altijd paraat, toch bij elkaar te puzzelen waarin zijn zoon – en zoveel andere jongens van zijn generatie – verzeild is geraakt en welke rolmodellen hem op dat pad naar roem en snel geld hebben gezet. Met uiteindelijk bijzonder tragische gevolgen.

Portrait Of A Confused Father wordt daarmee een actuele en urgente film – al is het ook een grillige vertelling, met losse flodders en eindjes. Over een rusteloze en op zichzelf betrokken man, die zijn kind uiteindelijk niet kan behoeden voor de hedendaagse gevaren waarvoor mensen zoals zij zo gevoelig zijn. Bij het laatste afscheid ontbreekt natuurlijk ook de camera niet: Gunnar Hall Jensen filmt er ook zijn eigen tranen mee.

La Batalla De Chile

Equipe Tercer Ano

‘Gelooft u in verkiezingen of ook in andere middelen?’ wil een verslaggever in de openingsscène van La Batalla De Chile (internationale titel: The Battle Of Chile, 263 min.) weten van gewone Chilenen op straat, nadat hij hen eerst naar hun politieke voorkeur heeft gevraagd. Een man, die een ruime overwinning voor de rechtse oppositie voorspelt bij de verkiezingen van 1973, stelt nadrukkelijk dat de regering die uitslag dan ook moet accepteren.

Hij wordt aangevuld door een slanke oudere vrouw, ogenschijnlijk een nette dame, die zich bruusk voor de camera wurmt. ‘De president moet ter verantwoording worden geroepen’, verwoordt zij in felle bewoordingen het overheersende sentiment bij conservatief Chile. ‘Hij moet worden aangeklaagd en op 21 mei naar buiten worden geschopt. Hij heeft ons land kapot gemaakt. Deze regering is ontaard, corrupt en smerig. Al die vuile communisten moeten weg uit Chili!’

Elders schreeuwen aanhangers van de socialist Salvador Allende, de president die sinds 1970 aan de macht is met zijn Unidad Popular, hun linkse leuzen: De Macht Aan Het Volk, natuurlijk. En ook: Voorwaarts Zonder Compromis. Zij reppen, in de woorden van hun tijd, over een strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie. Het Zuid-Amerikaanse land staat duidelijk voor een essentiële splitsing: door op de ingeslagen linkse weg of een fundamenteel andere koers met de conservatieven?

Het vervolg moge bekend zijn en zindert ruim een halve eeuw later nog altijd na: Salvador Allende weet de electorale aanval af te slaan, maar wordt nog datzelfde jaar vermoord bij een militaire staatsgreep, die wordt gesteund door de Amerikaanse regering van de Republikeinse president Richard Nixon. Zo komt uiteindelijk de dictator Augusto Pinochet aan de macht. De voormalige opperbevelhebber van het Chileense leger zal het land tot 1990 in een ijzeren greep houden.

Dit gelauwerde drieluik in zwart-wit van regisseur Patricio Guzmán (1975-1979) wordt gezien als het definitieve document over deze gewelddadige ommekeer. In deel 1 schetst de Chileense filmer hoe de gemoederen na de parlementsverkiezingen steeds verder verhit raken, met als dramatische apotheose het eindshot van de Argentijnse verslaggever Leonardo Henrichsen. Hij vangt het ware gezicht van het Chileense leger, maar moet dat wel met de dood bekopen.

Allende is aan het begin van deel 2 nog vastbesloten om vast te houden aan democratie, maar aanhoudende confrontaties, doelbewuste obstructie en gericht geweld maken hem het leven onmogelijk. Een militaire coup op 11 september beëindigt vervolgens met brute kracht ‘de kanker van het marxisme’. Het slot van de trilogie gaat daarna terug in de tijd, naar de aanloop voor de bloedige afrekening in 1972, als het nog bij vurige woorden blijft tussen strijdbare arbeiders en de gevestigde orde.

Voor hedendaagse begrippen neemt Guzmán erg veel tijd om alle ontwikkelingen te schetsen. La Batalla De Chile lijkt vooral bedoeld als een ooggetuigenverslag van hoe een socialistische droom met bot geweld de nek wordt omgedraaid, met een alwetende verteller die de gebeurtenissen aan elkaar praat en al weet hoe ’t afloopt. Het drieluik schetst tevens een essentieel tijdsbeeld, van de periode waarin de geest van de jaren zestig oppopt en dan weer terug in de fles wordt gepropt.

Intussen loopt het geloof in een maakbare samenleving de ene na de andere knauw op – en wordt daar uiteindelijk ook korte metten mee gemaakt.

Porcelain War

Picturehouse / Roco Films

‘Oekraïne is net porselein’, zegt Slava Leontyev. ‘Gemakkelijk te breken, maar onmogelijk te vernietigen.’ Samen met zijn geliefde Anya Stasenko is de Oekraïense kunstenaar dagelijks in de weer met porselein. Hij vormt dierfiguurtjes, bakt die in een oven en overhandigt ze daarna aan haar. En zij beschildert die ‘porcelain beasts’ dan, geïnspireerd door al wat leeft in de natuur, met gedetailleerde en kleurrijke taferelen.

De twee uit Kharkiv, zo’n veertig kilometer van de Russische grens, kennen elkaar al van kinds af aan, maar vormen sinds de kunstacademie echt een onafscheidelijk duo. In een andere tijd zou het Oekraïense stel zich ook alleen met hun kunst hebben beziggehouden. Sinds de Russische aanval in het begin van 2022 staat de wereld van Slava, Anya en hun hond Frodo echter helemaal in vuur en vlam.

Slava’s beste vriend, de schilder Andrey Stefanov, is enkele jaren geleden in Kharkiv komen wonen. Nadat de Russen in 2014 het Oekraïense schiereiland De Krim bezetten, zagen Andrey, zijn vrouw Lena en hun tienerdochters Anya en Sonya daar geen toekomst meer. Nu ’t enige tijd later ook in Kharkiv oorlog is, nemen de twee kameraden Slava en Andrey de camera ter hand om hun levens en land te filmen.

Dat beeldmateriaal heeft z’n weg gevonden naar Porcelain War (87 min.), waarmee Slava en zijn coregisseur Brendan Bellomo tonen hoe die oorlog gewone mensen dwingt om de wapens op te nemen. Slava behoort zelf al enkele jaren tot een speciale legereenheid en is nu ook begonnen met het trainen van burgers als militair. Want dat is de realiteit in Oekraïne: Ruslands beroepsleger staat tegenover vrijwilligers.

Slava’s collega’s in de zogenaamde Saigon-eenheid waren ooit melkveehouder, meubelverkoper, aannemer, grafisch ontwerper, wapenmaker of IT’er. Al die gewone Oekraïners, met hun eigen verhaal en achtergrond, zijn nu omgevormd tot een professionele militaire eenheid. En die wordt naar de frontlinie in Bakhmut gestuurd, een soort Armageddon, om daar ‘het kwaad’ een halt toe te roepen.

Deze meermaals bekroonde film, voor het leeuwendeel door de hoofdpersonen zelf gefilmd, toont echter niet alleen de schermutselingen, veelal met drones, aan het front, maar vangt ook hoe Skava en Anya thuis, in hun kapotgeschoten stad, mens en kunstenaar proberen te blijven. De creativiteit en liefde voor elkaar versus de rücksichtslos verstoorde vrede. Met kunst als probaat beschermingsmiddel.

In de porseleinen uilen, honden én slakken van Slava en Anya, geplaatst in de buitenwereld en virtuoos met animaties tot leven gebracht door BluBlu Studios, komen die conflicterende werelden samen. ‘Slakken reizen met hun huis op hun rug’, vertelt Slava. ‘Een vluchteling is net een naaktslak.’ Hij herkent ‘t bij z’n vriend Andrey, die z’n gezin bij de grens heeft afgeleverd. Hopelijk zijn ze elders veilig.

Slava Leontyev ziet ook een andere kant aan die oorlog. ‘Het is gewoon een kwestie van enorm geluk dat ik zulke bijzondere mensen ben tegengekomen in mijn leven’, stelt hij. ‘In zekere zin compenseert dat een deel van de ellende die zich rondom ons voltrekt.’ Anya vult aan: ‘De oorlog heeft me laten zien hoe goed mensen kunnen zijn. Van tevoren had ik alleen in boeken gelezen over mensen die van binnen schitteren.’

Het is de opmerkelijke slotsom van deze gekantelde ‘oorlogsfilm’ over de rol van verbeeldingskracht, zelfexpressie en vriendschap, nog eens kracht bijgezet overigens door de bezwerende soundtrack van het Oekraïense folkkwartet Dakhabrakha, in tijden van strijd, nood en patriotisme. Als uitdrukking van de, ondanks alles, liefde voor het leven en de vrijheid.

Hollywoodgate

Rolling Narratives

Wees gerust, zegt de nieuwe Taliban-commandant Mawlawi Mansour op de voormalige Amerikaanse basis Hollywoodgate (88 min.) in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. ‘Als hij snode plannen blijkt te hebben, is ie snel dood.’ Hij bedoelt de man die hen staat te filmen, waarover een ander Talib zich verbaasde. Ibrahim Nash’at maakt een documentaire, legt Mansour uit. ‘Net een film, maar dan met echte mensen’.

De Egyptenaar heeft toestemming gekregen om hen een jaar te filmen. Met gevaar voor eigen leven kan Nash’at zo documenteren hoe de Taliban in augustus 2021 de macht weer overnemen in Afghanistan. Van 1996 tot 2001 hebben ze een waar schrikbewind gevoerd in het land, dat al sinds de jaren zeventig wordt geteisterd door oorlog en waarop na de Russen nu dus ook de Amerikanen zich hebben stukgebeten.

De filmmaker moet zich strikt houden aan de regels die hem door Mansour en zijn manschappen worden opgelegd. De nieuwe machtshebbers weten heel goed wat ze wel en niet willen laten zien. Ibrahim Nash’at realiseert zich terdege dat hij alleen een incompleet en gekleurd beeld van de werkelijkheid kan laten zien – zonder het dagelijks leven en lijden van gewone Afghanen, vrouwen in het bijzonder, bijvoorbeeld.

Tussendoor hoopt hij nochtans de geest van het nieuwe (oude) Afghanistan te kunnen vangen. Een land waar woeste mannen met baarden en tulbanden weer de dienst uitmaken. Veelal laag opgeleide kerels ook – rekenen blijkt bijvoorbeeld moeilijk – die zich verbazen over wat de Amerikanen bij hun vertrek voor hen hebben achtergelaten. Volgens het Pentagon gaat het om ruim zeven miljard dollar aan militaire spullen.

Voor Nash’ats camera inspecteren Mansour en zijn gevolg, waaronder de ambitieuze voetsoldaat Mukhtar, verweesde oorlogsvliegtuigen, proberen ze de uitgebreide sportfaciliteiten uit of checken de houdbaarheidsdatum van de aangetroffen medicijnvoorraad. Intussen speculeren ze voortdurend over het aanpakken van politieke tegenstanders of het starten van een nieuwe oorlog met buurland Tadzjikistan.

Hoewel ze ’t in deze interessante film voornamelijk bij woorden houden, is glashelder wat de aard van dit gezelschap is. En tijdens de even indrukwekkende als angstaanjagende militaire parade, om het eerste jaar van het nieuwe regime luister bij te zetten, tonen ze alsnog het ware gezicht van het nieuwe Afghaanse regime. Dat voorspelt weinig goeds voor de toekomst.

Turning Point: The Vietnam War

Netflix

Een halve eeuw is inmiddels verstreken sinds de Verenigde Staten met de staart tussen de benen afdropen uit Vietnam. Aan het begin van dit jaar verscheen in dat kader al Rob Coldstreams docuserie Vietnam: The War That Changed America op Apple TV+. Nu volgt Netflix met Turning Point: The Vietnam War (381 min.), een vijfdelige serie van regisseur Brian Knappenberger en het team dat eerder ook al verantwoordelijk was voor de miniseries Turning Point: 9/11 And The War On Terror (2021) en Turning Point: The Bomb And The Cold War (2024).

Beide producties hebben zich te verhouden tot The Vietnam War (2017), de gezaghebbende historische serie van Ken Burns en Lynn Novick over de oorlog, die in Vietnam overigens ‘de Amerikaanse oorlog’ wordt genoemd. Terwijl Coldstream het vooral zoekt in de persoonlijke verhalen van de (Amerikaanse) mannen en vrouwen aan het front, kiest Knappenberger meer voor een helikopterview: hoe hebben de politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten én Vietnam geleid tot een oorlog, die voor het eerst via de televisie, met sterrollen voor verslaggevers als Peter Arnett en Dan Rather, werd uitgevochten en die bovendien nog altijd een schaduw werpt over het heden?

Een essentiële rol is er daarbij voor geluidsopnames van gesprekken in het Witte Huis, waarmee de achterkant van het officiële beleid kan worden blootgelegd. Zo komt de zogenaamde ‘credibility gap’ in beeld: tussen wat de Amerikaanse overheid zegt dat er gebeurt in Vietnam en wat er daadwerkelijk gebeurt. Berichten van de regering en legerleiding bevatten volgens historici vaak een ‘onzinnig optimisme’. Tegelijk richt Knappenberger zich ook op de Vietnamese kant van de zaak. Hij gaat bijvoorbeeld in op de politieke verhoudingen, schetst de achtergronden van de communistische leider Ho Chi Min en belicht het opvallende aantal vrouwelijke strijders in de Vietcong.

Binnen die grote vertelling is er vervolgens ook weer ruimte voor persoonlijke verhalen. Van de Vietnamese overlevenden van het bloedbad in het dorpje My Lai bijvoorbeeld en de Amerikaanse fotograaf Ronald Haeberle, die de oorlogsmisdaden daar met een privécamera vereeuwigde. Van Everett Alvarez Jr., die in 1964 als eerste Amerikaanse piloot werd neergeschoten en daarna ruim acht jaar krijgsgevangene was. En van Scott Camil, die zich enkele jaren na zijn diensttijd aansloot bij de protestbijeenkomsten van Vietnam Veterans Against The War. Vanwege zijn ijzingwekkende herinneringen werd hij ook onderwerp van een lied van zanger Graham NashOh! Camil (The Winter Soldier).

Alvarez en Camil waren overigens ook al te zien in respectievelijk The Vietnam War en Vietnam: The War That Changed America. Dat tekent meteen de uitdaging van dit soort historische producties: wat kun je bij een inmiddels behoorlijk afgekloven onderwerp zoals ‘Vietnam’ nog toevoegen? Turning Point: The Vietnam War belicht weliswaar enkele interessante deelonderwerpen (heroïneverslaving bij soldaten, de biraciale kinderen die zij verwekten en wangedrag door de Vietcong), presenteert bovendien een afgewogen collectie bronnen uit beide landen en schetst daarmee ook een tamelijk compleet beeld van de Amerikaanse oorlog, maar heeft in wezen niets nieuws te melden. 

Misschien kan de serie die oorlog, via de toonaangevende streamer, echter nog aan een ander publiek of aan een nieuwe generatie slijten.

What They Found In Bergen-Belsen

EO

Ze zeiden er volgens de Britse sergeant Bill Lawrie geen woord over tegen elkaar toen ze eenmaal in hun bed lagen. De medewerkers van de Army Film and Photographic Unit waren die dag in het concentratiekamp Bergen-Belsen geconfronteerd met het ergste wat de mens kan aanrichten en overkomen.

‘Het waren geen mensen meer, maar wat er nog over was van mensen’, vertelde Lawrie later over die dag in april 1945 aan filmconservator Kay Gladstone, die medewerkers van de eenheid interviewde voor het Imperial War Museum in Londen. ‘Lege hulzen’, zoekt hij naar de juiste woorden. ‘Helemaal dood. Er was complete hopeloosheid. Wanhoop. Alsof het einde was gekomen en niemand daar nog iets aan kon doen. En ik denk dat niemand van ons zich realiseerde wat er met ons gebeurde.’

‘Er waren wachttorens in het kamp’, herinnert Lawries collega Mike Lewis, die zelf van Joodse afkomst was, zich de volgende dag. ‘Ik klom erin, om beelden te maken. Het was een andere planeet, een andere aarde, een hel. Hoewel ik al verschrikkelijke dingen had gezien tijdens de oorlog, kon ik me niet voorstellen dat mensen elkaar zo konden behandelen.’ Intussen zijn de beelden te zien die Lawrie, Lewis en hun collega’s destijds maakten van What They Found In Bergen-Belsen (37 min.).

Als cameramensen moesten ze emotionele afstand proberen te bewaren, vertellen ze als die oorlog allang tot de geschiedenis behoort. Anders was het werk ondraaglijk. En het hielp dat ze zich achter een zoeker konden verbergen. Om vast te leggen wat er zich daar, in dat hellehol van nazi-Duitsland, had voltrokken. Bewijsmateriaal. Zwart-witte 35mm-beelden, zonder geluid. Met commentaar erbij van hen, de makers. Over dat ze elke dag, na de opnames, moesten worden ontluisd bijvoorbeeld.

En dan verstommen ook Lewis en Lawrie en mogen de gruwelijke beelden van Bergen-Belsen even voor zichzelf spreken. In doodse stilte. Hun boodschap, door samensteller Sam Mendes vervat in een sober document zonder enige franje, is tachtig jaar later nog altijd met geen mogelijkheid te negeren.

Viktor

Cinephil

De Oekraïense jongeling Viktor (89 min.) wil het leger in. Zijn land verdedigen. En de onuitgesproken belofte aan zijn vader gestand doen. Die is in 2015 overleden en had toen vast niet kunnen vermoeden dat de Russen zeven jaar later aan de grens zouden staan, klaar om hun land binnen te vallen.

Aan de vooravond van die historische gebeurtenis start ook deze zwart-wit film van Olivier Sarbil. Viktor staat buitenspel bij die oorlog. Hij is sinds zijn vijfde doof – oorkanker – en mag daarom, tot zijn verdriet, niet in het leger. ‘Ik spreek tot jullie met een stem, die ik zelf niet kan horen’, zegt hij in de openingsscène, met de aardedonkere ‘inner voice’ waarmee hij/Sarbil de film aanstuurt. ‘De doven worden aan de kant geschoven en raken verloren. Ze verliezen het contact met de horende wereld. Ik wilde een krijger zijn, maar misschien heb ik mezelf voor de gek gehouden.’

Terwijl hij dit ‘zegt’ houdt Viktor een samoeraizwaard vast. Zijn andere houvast. Hij zweert bij Miyamoto Musashi’s boek De Strategie Van De Samoerai. Ondanks zijn imposante gestalde, een gepijnigde blik en donkere baard – die zijn moeder niet te kort mag knippen, anders verliest hij, gelijk Samson, wellicht zijn kracht – oogt hij op zulke momenten als een jongetje. Met een heel irreëel beeld van de oorlog. Sarbil, die zelf gehoorschade heeft opgelopen tijdens z’n werk, valt hem echter niet lastig met moeilijke vragen tijdens zijn pogingen om een plek in het Oekraïense leger te bemachtigen.

Intussen speelt de filmmaker met het geluid en die inwendige stem, die overigens heel anders klinkt dan Viktor zelf. Zodra die een machinegeweer krijgt omgehangen blijkt dat hij een talent heeft voor schieten. Instructeurs kunnen nauwelijks geloven dat Viktor dit nog nooit eerder heeft gedaan. Dat betekent alleen niet dat er ook plek is voor hem in één van de legereenheden. Daarvoor verloopt de communicatie met iemand die niet kan horen toch te stroef. Op momenten dat soldaten aan één woord genoeg moeten hebben, zou Viktor volstrekt aan de Goden zijn overgeleverd.

Deze documentaire is bedoeld als een immersieve ervaring, een poging om te benaderen hoe een jonge, vaderlandslievende en dove man de oorlog in zijn land ervaart. Dat voelt soms enigszins gekunsteld en staat zo nu en dan ook het ervaren van diezelfde oorlog in de weg. Alsof alles minder hard binnenkomt. Secundair. En misschien is dat precies hoe Viktor die oorlog ervaart en waarom hij er zo graag deel van wil uitmaken – al is het dan als fotograaf, de uitweg die hij uiteindelijk vindt om zijn diepgevoelde behoefte en de daaraan opgelegde beperkingen te omzeilen.

‘Stilte is geen leegte’, stelt die innerlijke stem intussen. ‘Er ontbreekt niets. Het is de aanwezigheid van het zelf en niets anders. En in deze stilte vind ik m’n vrede.’