Inside The Uffizi

Magnet Film / vrijdag 25 september, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

De Galleria degli Uffizi is ‘een oneindige Ark van Noach’, stelt Claudio di Benedetto, de filosofisch ingestelde bibliothecaris van het museum in Florence. De imposante kunstcollectie van de ooit zo machtige De’ Medici-familie, die grofweg van de veertiende tot en met de achttiende eeuw alomtegenwoordig was in het huidige Italië, wordt in het hier en nu beschikbaar gemaakt voor een groot publiek. Belangrijker nog, vindt Di Benedetto, is dat de klassieke kunstwerken van onder anderen Leonardo Da Vinci, Michelangelo en Caravaggio ook worden gepreserveerd voor de toekomst.

Voor deze verzorgde documentaire gaan Corinna Belz en Enrique Sánchez Lansch letterlijk Inside The Uffizi (96 min.). Hun camera schrijdt door het museum en geeft onze ogen goed de kost, begeleid door ijle klassieke muziek. Kijken, écht kijken, is het parool. Dat is tegenwoordig geen overbodige luxe, stelt huismeester Fabio Sostegni. Sommige bezoekers zijn zo druk met fotograferen dat ze vergeten om echt te kijken. Je hebt eigenlijk zeker vier dagen nodig om alles goed in je op te nemen, vindt hij. ‘Luister, zelfs iemand zoals ik, die hier praktisch woont, ontdekt na al die jaren nog nieuwe details en vraagt zich af waarom die schilders hebben gedaan wat ze hebben gedaan.’

In dat kijken zit ook de voornaamste kracht van deze film, die geen dwingende verhaallijn heeft. Kijken. Naar Uffizi’s Duitse directeur Eike Schmidt die, afwisselend in vloeiend Italiaans, Engels en Duits, alles in goede banen probeert te leiden – ook als er verschil van mening ontstaat met de Britse kunstenaar Antony Gormley over de plaatsing van één van diens sculpturen. Naar de begeesterde rondleidster die een groep kinderen op de grond laat liggen, zodat ze de plafondschilderingen extra goed kunnen zien. En naar de precieze herstelwerkzaamheden aan een schilderij dat in 1993 ernstig beschadigd is geraakt bij een autobom. Tijdens de restauratie wordt ’t als het ware herboren.

Uit al die los-vast met elkaar verbonden verhaalelementen spreekt een diepe eerbied voor de kunst en de makers daarvan. En dat komt allemaal samen in de krop in de keel van die ene suppoost, die vertelt hoe dankbaar ie is dat hij dagelijks in contact staat met zulke bijzondere kunstwerken. ‘En dat dit mag in zo’n belangrijk museum als het Uffizi maakt het extra speciaal.’

Kusama In Holland

Memphis Film / maandag 21 september, om 22.40 uur, op NPO2

Een protofeminist, een handenbindster, een bezienswaardigheid. Zo’n zestig jaar later roept het verblijf in Nederland van de Japanse kunstenares Yayoi Kusama, de onlangs op 97-jarige leeftijd overleden polka dot-koningin en Instagram-hype, nog altijd levendige beelden op. Via kunstenaars zoals Henk Peeters en Jan Schoonhoven vindt zij in de jaren zestig aansluiting bij de zogeheten Nul-beweging, een reactie op de Cobra-groep en de expressionistische schilderkunst. Ze maakt in die tijd bijvoorbeeld ‘infinity nets’, hele grote schilderijen met eindeloos herhaalde boogjes of puntjes.

Met haar excentriciteit, verzet tegen traditionele rolpatronen en seksueel geladen werk doet Kusama In Holland (53 min.) het nodige stof opwaaien. Bij de tentoonstelling ‘Facetten van de hedendaagse erotiek’ in de Haagse galerie Orez moet in 1965 zelfs de zedenpolitie eraan te pas komen. Preutse Nederlanders spreken schande van de in zilver of goud gespoten schoenen met fallussymbolen die zij daarvoor heeft gemaakt. Later begint ze ook naakt-happenings te organiseren en wordt haar werk alsmaar explicieter. Kusama schildert live stippen op blote mannenlijven – al is ze zelf, volgens de overlevering, wars van lichamelijk contact.

De kunstenares, die pas op latere leeftijd erkenning zal krijgen in eigen land en inmiddels geldt als één van de belangrijkste kunstenaars die Japan ooit heeft voortgebracht, wordt door de vrienden en kennissen uit haar Nederlandse periode in deze boeiende film van Sherman de Jesus zelfs gekenschetst als ‘geestesziek’. Ze blijft haar hallucinaties alleen de baas door ze te vertalen naar kunst. Obsessief, tot in het oneindige. De Jesus verbeeldt die binnenwereld met treffende geanimeerde sequenties van Cristina Garcia Martin, aangevuld met een voice-over die is geïnspireerd op originele teksten en citaten van Kusama en ingesproken door Kumi Sekimoto.

De rol van kunstenares Alicia Framis, die als onderdeel van haar werk onlangs is getrouwd met het AI-hologram Ailex, is minder evident. Of ‘t moet zijn dat zij, in navolging van Yayoi Kusama, eveneens een exponent is van een wereld, waarin kunstenaars ook zichzelf tot hun werk rekenen. Sterker: Kusama lijkt ook al in het Holland van de jaren zestig nauwelijks te kunnen worden onderscheiden van haar kunst. Ze heeft uiteindelijk bijna een eeuw kunnen bestaan – overleven, wellicht – bij de gratie ervan.

Jimmy & The Demons

Magnet Film / VPRO

Op een gegeven moment begint Jimmy Grashow zelf een beetje te lijken op de Christusfiguur, met een heuse kathedraal op zijn rug, waaraan hij nu al drie jaar vol overgave werkt. De Amerikaanse kunstenaar, illustrator en beeldhouwer mag de tachtig dan al zijn gepasseerd, maar hij legt nog steeds ziel en zaligheid in zijn werk. En net als zijn uit hout gesneden Christus wordt hij daarbij omringd door zijn eigen duivels en demonen. In zekere zin is een kunstwerk nu eenmaal een zelfportret.

In de liefdevolle documentaire Jimmy & The Demons (94 min.) volgt Cindy Meehl de ontwapenende kunstenaar en zijn vrouw Guzzy, met wie hij al ruim een halve eeuw getrouwd is, tijdens het werken aan het groots opgezette houtsnijkunstwerk dat hij zelf beschouwt als zijn ‘grande finale’. Grashow is een warme en begeesterde man, met wie het gemakkelijk meeleven is – ook omdat hij op geen enkele manier blasé lijkt. Hij gáát ervoor, met alles wat ie heeft, en pleegt zo meteen roofbouw op zichzelf.

Zijn echtgenote ziet het soms met lede ogen aan. Op ‘Guzzy’s worry ladder’ geeft ze haar voornaamste zorgen van dat moment een plek. ‘Health’ staat nu op één, met ‘Jimmy’ daar net achter. Via het onafscheidelijke duo dringt Meehl door tot het wezen van het kunstenaarschap – zonder dat haar film al te serieus of zwaar wordt. Want voor Jimmy mag zijn werk dan een toevluchtsoord zijn, in een wereld vol chaos en ellende, hij houdt oog voor zijn omgeving en blijft dankbaar voor al wat die hem te bieden heeft.

Terwijl de voltooiing van zijn werk in zicht komt en Grashow nog te maken krijgt met de verplichte crisis die elke grote prestatie lijkt te vergezellen, vertelt deze fijne film ook het verhaal van zijn leven en werk. Hoe een onzeker Joods jongetje ontdekt dat hij een talent heeft en daarmee begint te ‘spelen’, een gevoel dat hij zijn leven lang vast weet te houden. Daarmee kan Jimmy ook zijn altijd weer opspelende angst voor de dood, de realisatie dat wij allen maar al te sterfelijk zijn, hanteerbaar houden.

Zo stevent hij ook zelf af op de grande finale. Dankbaar voor het leven dat hij heeft geleid, als kunstenaar en als familieman. En overmand door melancholie dat het einde nu echt in zicht is. Deze film toont hem als een man om van te houden, met ook werk waarvan het hart moeiteloos open bloeit.

Emily: I Am Kam

Greg Weight

Kunst als bevrijding. Van armoede, vooroordelen en gebrek aan zelfrespect. Via hun kleurrijke, gebatikte doeken vragen Emily Kam Kngwarray en de andere aboriginal-kunstenaressen van het Utopia Women’s Batik-programma vanaf eind jaren zeventig aandacht voor de achtergestelde positie van hun volk, Australië’s oorspronkelijke bewoners, en maken ze meteen een voorzichtig begin met het verbeteren daarvan.

De ontzagwekkende schilderwerken van de matriarch Emily Kam Kngwarray (1910-1996) mogen zich al snel in bijzondere aandacht verheugen. Dertig jaar na haar dood geldt zij als één van de beeldbepalende kunstenaars van Australië en als een onbetwist boegbeeld van de inheemse bevolking. In de boeiende documentaire Emily: I Am Kam (58 min.) laat Danielle MacLean zien dat dit bepaald niet vanzelf is gegaan. Tijdens de permanente strijd om hun land met de ‘whitefeller’ hebben Emily en de andere vrouwen van de inheemse gemeenschap in het woestijnachtige Alhalker Country in Centraal Australië niets voor niets gekregen.

Met trotse aboriginal-vrouwen, die destijds nog met hun beroemde voorvrouw hebben gewerkt of die later door haar zijn geïnspireerd, en witte kunstkenners en conservatoren van de National Gallery of Australia in Canberra, waar een overzichtstentoonstelling van Emily’s werk wordt georganiseerd, tekent MacLean de vrouw, de kunstenaar en de leider op. Zij komt verder tot leven met fraaie archiefbeelden, uit de tijd waarin Kam Kngwarray de kunst in zichzelf ontdekt en anderen de kunstenares in haar ontdekken, en hedendaagse beelden van de gemeenschap die met en zonder haar doorleeft, vervat in grondig doorleefde zang- en dansceremonies.

Emily Kam Kngwarray leeft voort als een vrouw die op latere leeftijd weliswaar nog moest leren hoe ze haar eigen naam kon schrijven en die tegelijk als geen ander kon schilderen wie zij was en is en wie zij, haar volk, waren en nog altijd zijn.

Azart Come Make Art

Marja de Vries / Amstelfilm

Van een vissersboot maakt hij een varend theater, dat ruim dertig jaar de wereld rond zeilt. Sinds 1989 vaart de Azart, het ‘Ship Of Fools’ van de Nederlandse avonturier August Dirks, vanuit Amsterdam de wereld rond. Iedereen is welkom aan boord bij dit narrenschip. Come make art! zegt de kapitein en artistiek leider van het internationale, steeds van samenstelling wisselende collectief van acteurs, muzikanten, theatermakers, komieken en kunstenaars enthousiast.

Dirks is ook alomtegenwoordig in de documentaire Azart Come Make Art (83 min.) van Masha Novikova, die in de jaren tachtig zelf een tijd op de zottenschuit woonde, en Annike Kaljouw, die het schip sinds 2017 volgt met haar camera. Hij krijgt van hen alle ruimte om in zijn eigen ronkende taal, koeterwaals soms, kond te doen van zijn geesteskind, dat de wilde wateren bevaart en in elke uithoek van de wereld aanmeert om daar ongegeneerd theater en lol te gaan maken.

Dat gaat bepaald niet altijd vanzelf. De geschiedenis van de Azart lijkt in deze joyeuze film soms ook op een feest van de gemiste kansen, met allerlei reizen en bestemmingen die ergens onderweg verdampen. Want Dirks’ Villa Kakelbont op zee hangt van de houwtje-touwtje oplossingen aan elkaar. En van binnen de lijntjes kleuren wil de kapitein doorgaans ook niet weten. Hij ligt dus nogal eens overhoop met pennenlikkers, die het ‘artistieke kapitaal’ van de Azart niet altijd op waarde schatten.

Via de historie van het schip en de perikelen aan de kade, verlevendigd met stop motion-animaties, benadrukken Novikova en Kaljouw en passant ook het belang van culturele broedplaatsen, waar kunstenaars de ruimte krijgen om te experimenteren, te falen én te groeien. Als culturele piraten hebben de kleurrijke bemanningsleden van de Azart, geïnspireerd door het schilderij Het Narrenschip van Jheronimus Bosch, bovendien werkelijk in alle windstreken drukte en jolijt gebracht.

Inmiddels wordt Dirks zelf, door fysieke malheur, gedwongen om pas op de plaats te maken. Voordat hij ‘voor onbepaalde tijd op wereldtournee vertrekt’ dient er in deze bruisende weerslag van de filosofie dat elke dag een feest zou kunnen/moeten worden dus een (voorlopige) eindbestemming gevonden te worden voor het schip dat hij met zoveel joie de vivre heeft aangestuurd en dat hem nog altijd levensadem geeft.

Batik, Beats & Bumbu

Periscoop Film / vanaf donderdag 18 juni in de bioscoop

De eerste generatie Nederlanders met Indonesische roots probeerde geruisloos te integreren. Generatie twee vormde zogezegd een brug tussen de eerste en de volgende generaties. En de derde generatie, waarop Claire Pijman zich richt in de documentaire Batik, Beats & Bumbu (84 min.), probeert de verbinding te leggen tussen de wereld waarin zij zijn opgegroeid en het land van hun voorouders.

‘Er is wel echt iets aan het bloeien’, stelt Megan de Klerk, de leadzangeres van Nusantara Beat, een zeskoppige groep uit Amsterdam die zich onderscheidt met moderne interpretaties van traditionele Indonesische muziek. Pijman (Living The Light – Robby Muller / Een Vrouw Als Monique) volgt de groep naar Indonesië voor enkele optredens. Ook de andere hoofdpersonen van deze bedaarde film, jonge kunstenaars met wortels in het voormalige Nederlands Indië, doen inspiratie op in het Aziatische land waar hun oorsprong ligt.

Chefkok Vanja van der Leeden, auteur van het boek Indorock, laat zich door haar collega William Wongso bijvoorbeeld nóg verder inwijden in de geheimen van de Indonesische keuken. De modeontwerpers Romée Mulder en Myrthe Groot van atelier Guave bezoeken hun batikcontact Nia Hasan Batik. En deejay Michiel Sekan is als baas van zijn eigen platenlabel Jiwa Jiwa Records en connaisseur van de Indonesische muziek altijd op zoek naar verborgen pareltjes. Hij schrijft ook een boek, Soundwriters, over de Indische muzikale diaspora.

Stuk voor stuk zoeken ze een weg door hun eigen culturele erfgoed: wat valt er nog te ontdekken en hoe kunnen – en mogen – ze daar hun eigen draai aan geven? Deze documentaire registreert dat proces, waarin zij ook nadrukkelijk verbinding zoeken met vakbroeders en -zusters in Indonesië. Dat levert geen héél spannende of verrassende vertelling op. Pijman volgt haar hoofdpersonen simpelweg op de weg die zij afleggen: van Nederland naar dat land, waar ze net zo goed thuis zijn, en nóg dieper de cultuur in, die ze zich eigen hebben gemaakt.

Eenmaal terug in het land waar ze zijn opgegroeid vertalen deze vertegenwoordigers van de derde generatie Indische Nederlanders hun indrukken naar exposities, feesten en optredens, waarmee ons aller cultuur verder wordt verrijkt.

Ai Weiwei’s Turandot

Incipit Film / La Monte Productions

Hij is bepaald geen voor de hand liggende keuze als regisseur voor Turandot. En ook voor Ai Weiwei is ‘t in het voorjaar van 2020 een flinke stap om zich over een opera van Giacomo Puccini te ontfermen. Hij heeft er eigenlijk niets mee. En dat is waarschijnlijk precies de reden dat de tegendraadse Chinese kunstenaar de klus toch heeft aanvaard. Los daarvan had hij ruim dertig jaar geleden al eens een rolletje als figurant in de opera. En toen kreeg hij ook te maken met Chiang Ching, die nu als choreografe fungeert voor zijn uitvoering van Puccini’s laatste opera voor het Teatro Dell’Opera in Rome.

Ai Weiwei’s Turandot (77 min.) wordt dus een héél andere opera. Politiek geladen, dat staat vast. Want voor Ai Weiwei is kunst altijd politiek. Turandot gaat in zijn optiek over vluchtelingen. Zoals hij zelf is, als dappere en onvermoeibare strijder tegen de Chinese dictatuur die tegenwoordig noodgedwongen vanuit het westen opereert. Turandot representeert de autocratie waartegen hij zelf te hoop – en bijna stuk – is gelopen en is zo bezien dus ook een persoonlijk project. ‘Het is geen simpele opera. Het gaat om ons begrip en onze individuele interpretatie van hoe onze wereld zou moeten zijn.’

Het is een bijzondere tijd voor kunstenaars zoals wij, houdt hij de cast en crew voor. Met deze opera kunnen ze een rol spelen in het verdedigen van de vrede en menselijkheid. De Chinese kunstenaar, die tijdens z’n leven regelmatig als vleesgeworden opgestoken middelvinger heeft geacteerd, lardeert zijn versie van Turandot dus met paraplu’s als schild tegen de oproerpolitie, Michael Jackson-achtige moonwalks en geladen nieuwsbeelden uit de wereld van nu. Documentairemaker Maxim Derevianko registreert dit maakproces en doorsnijdt ‘t met impressies van zijn roerige kunstenaarsbestaan.

En dan – het is tenslotte 2020, het jaar van de pandemie – gooit het Coronavirus, halverwege de film, roet in het eten en bevriest de ontwikkeling van Weiweis interpretatie van Turandot. En wanneer de productie in 2022 wordt hervat, valt Rusland, tot grote ontzetting van een aantal medewerkers aan de groots opgezette productie, buurland Oekraïne binnen.

Verweesd Eigendom

The Film Kitchen / Max

Ruim tachtig jaar later zijn ruim drieduizend objecten, persoonlijke bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd van Joodse families en kunsthandelaren, nog altijd verweesd.

Tegenwoordig zijn de schilderijen, kasten, tapijten en andere spullen in bewaring bij de Nederlandse staat. Een groot deel bevindt zich in het depot van het Collectiecentrum Nederland te Amersfoort. Researchers gaan vier jaar lang onderzoek doen om deze ‘verweesde objecten’ te koppelen aan nabestaanden van de oorspronkelijke eigenaren, die de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet hebben overleefd.

In de geserreerde documentaire Verweesd Eigendom (50 min.) volgen Piet de Blaauw en Frénk van der Linden dit proces aan de hand van twee concrete voorbeelden. De casus Van Son bijvoorbeeld. Als de Joodse familie uit Hilversum in 1940 met de boot naar Engeland is vertrokken, trekt een NSB’er in hun huis. Na de oorlog blijkt het meubilair en de kunstverzameling te zijn verdwenen.

Het schilderij Lezende Vrouw van de kunstenaar Jan Sluijters uit 1911 is bijvoorbeeld weg. Enkele jaren later duikt het werk ineens op bij de Biënnale in Venetië, waarna het wordt aangekocht door Het Van Abbemuseum in Eindhoven. Namens de jongste zoon Mischa van Son, wiens gezondheid inmiddels erg broos is, probeert familievriend André Broers het schilderij nu terug te krijgen.

De zussen Renée en Denise Citroen krijgen intussen bericht dat er servies is getraceerd van hun grootouders, die zijn vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz. Of ze een claim willen indienen? Dat idee haalt emotioneel heel wat overhoop. In de praktijk blijkt het echter bijzonder lastig om de borden van het echtpaar, dat in Amsterdam een juwelierszaak runde, daadwerkelijk te verkrijgen.

Want hoewel alle betrokken functionarissen en organisaties welwillend zijn om geroofde spullen terug te bezorgen, zit de bureaucratie hen danig in de weg. Tot grote frustratie van de nabestaanden, die het gevoel krijgen dat ze blij zijn gemaakt met een dode mus. Tegelijk wordt de ‘culturele shoah’, constateren de zussen Citroen verontwaardigd in deze ingetogen pijnlijke film, niet gecorrigeerd.

De Nederlandse autoriteiten hebben te veel een ambtenarenmentaliteit om zich emotioneel in te kunnen leven, stelt ook Andre Broers bozig. Het aanvragen van restitutie blijkt steeds weer een mijnenveld waarin het gemakkelijk verdwalen is – en gewond raken bijna onvermijdelijk lijkt. Met als gevolg dat sommige rechthebbenden niet eens meer aan de pijnlijke en dure procedure beginnen.

De Adviescommissie-Asscher adviseerde onlangs overigens aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: maak Joodse roofkunst uit depots zichtbaar.

Hokusai, Impressions De Soleil Levant

France TV / AVROTROS

Zijn echte naam is altijd onbekend gebleven. De Japanse schilder wordt bekend onder zijn pseudoniem Hokusai (noordster). We weten wel dat hij werd geboren op de 23e dag van de negende maan in het Jaar van de Draak van het tiende jaar van het Hōreki-tijdperk, meldt de alomtegenwoordige verteller van de documentaire Hokusai, Impressions De Soleil Levant (58 min.). Ofwel: 31 oktober 1760.

Ruim 250 jaar later spreekt het werk van de kunstenaar nog altijd tot de verbeelding. Hij is opgegroeid in de Japanse hoofdstad Edo, het huidige Tokio. In een land, dat strak wordt geleid door de Shogun en dat zich volledig heeft afgesloten van de rest van de wereld. De jonge illustrator, dan nog Shunrō genaamd, gaat in de leer bij de Shunshō-studio, waar hij zich bekwaamt in de houtbewerkingskunst Ukiyo-e. Met kerven in zachte kersenhoutbokken en verf leert hij kleurrijke prints te maken.

Nauwgezet probeert regisseur Lise Barron de persoonlijke en artistieke ontwikkeling van de latere Hokusai, die ook nog door het leven gaat als Sōri, Taito en Litsu, te reconstrueren. Soms is ze haar protagonist enige tijd kwijt, waarna hij plotseling weer van zich doet spreken met bloemrijke kunst die het Japan van zijn tijd doet herleven. Een wereld van kabuki-acteurs, courtisanes, samoerai, draken en manga, vervat in een ontzaglijke hoeveelheid tekeningen, illustraties en schilderijen.

Barron omlijst haar vertelling over de enigmatische kunstenaar, die zich steeds blijft ontwikkelen en daarbij ook wordt beïnvloed door de grote Nederlandse schilders, met sfeervolle sequenties van woodprinten en sumo-worstelaars en fraaie archiefbeelden van Japanse cultuur. Zo haalt ze een kunstenaar die al een kleine twee eeuwen dood is – en die zich in de jaren voor zijn overlijden overigens Manji noemt – overtuigend naar het hier en nu.

Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas

VRT / Docville

‘We gaan een documentaire maken van vijftig minuten met alles wat Dennis gedaan heeft en wat hij dus nu doet’, vertelt regisseur Katherine Schmelzer in de openingsscène van Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas (52 min.) aan één van de kunstenaars die daarin aan het woord komt, Peter Fengler. ‘Ja, dat is kort’, reageert die. ‘Dat is krap.’ Zijn Vlaamse collega Gerard Herman vult al snel aan: ‘Ik denk niet dat dat mogelijk gaat zijn om iets van vijftig minuten over Dennis te maken.’ Waarna Sara Weyns, directrice van het Middelheimmuseum, de grap doorzet: ‘Het is een begin…’

Welk leven is er wél in vijftig minuten te vangen? Die vraag dringt zich onwillekeurig op, bij eenieder die de Antwerpse kunstenaar nog niet kent. Die gaat in de navolgende vijftig, snel voorbij fladderende minuten kennis maken met een man die werkelijk niet voor één gat – of door één cameralens – te vangen is: tekenaar, radiomaker, ontwerper, performancekunstenaar, organisator, tatoeëerder en eigenaar van het obscure noise-platenlabel Ultra Exzema. Tijdens deze film legt hij zich toe op het maken van olieverfschilderijen. Voor een expositie in de Tim van Laere Gallery te Rome.

Katherine Schmelzer en coregisseur Pieter Verbiest volgen de creatieve duizendpoot gedurende dit intensieve proces, waarin hun overactieve hoofdpersoon zichzelf weer eens helemaal opnieuw wil gaan uitvinden. Tyfus weet in dit joyeuze portret ogenschijnlijk niet waar hij mee bezig is – en wil dat vermoedelijk ook helemaal niet weten. Zijn vriendin, kunstenares Charline Tyberchein, wordt er soms ‘zot’ van, vertelt ze. Tegelijk lijkt zij hem ook wel een beetje te benijden om die heerlijk onbezonnen werkwijze, ‘hoe da ge dan toch uzelf kunt verrassen terwijl da ge aan het maken zijt’.

Tussendoor maakt het filmmakende duo, aan de hand van uiteenlopende bronnen zoals schilder Luc Tuymans, kunsthistorica Anny de Decker en Sonic Youth-gitarist Thurston Moore, vlotte uitstapjes naar alle lumineuze ideeën, bokkensprongen en rare fratsen die hun protagonist door de jaren heen, in naam van de kunst, op zijn naam heeft geschreven. Wat te denken bijvoorbeeld van No Choice Tattoos? Waarbij iemand een nog onbekende tatoeage kan laten zetten door Tyfus. ‘Laat mij maar doen’, legt z’n vriend Gerard Herman het concept uit. ‘Vertrouw er maar op dat het goed komt.’

De No Choice Taxi biedt klanten dan weer de kans om ‘vrijwillig ontvoerd’ te worden. In de wereld van Dennis Tyfus, die afwisselend een verbaasde glimlach, gefronste wenkbrauwen of een ongecontroleerd schuddende buik oproept, tuimelen de anarchistische ideeën werkelijk over elkaar heen. Met een bijzondere rol voor blokluiten – zo mogelijk in combinatie met zijn (andere) grote liefde, de punkband The Ramones. Of zoals Thurston Moore het treffend omschrijft in een film die met vijftig minuten tegelijk véél te kort en toch precies goed is: joyful disturbance.

Naked Ambition

Music Box Films

Ze wordt ‘the world’s most prettiest photographer’ genoemd. Dat is niet zo gek. Linnea Eleanor ‘Bunny’ Yeager (1929-2014) is haar carrière gestart als pin-upgirl. Als fotograaf weet zij vervolgens het beste uit haar eigen modellen te halen. Ze heeft het vermogen om van elk knap meisje een onweerstaanbare vamp te maken en schuwt naakt daarbij niet. In de jaren vijftig zoekt Bunny zo doelbewust de grens op van wat nog als acceptabel en smaakvol wordt gezien.

Bij haar voelen fotomodellen zich veilig en durven ze meer van zichzelf te laten zien. Het voormalige fetishmodel Bettie Page bijvoorbeeld, in (en zonder) een luipaardpakje. De foto’s vormen de opmaat naar een kerstreportage in Playboy, waarmee ze allebei definitief doorbreken. Yeager groeit al snel uit tot de hoffotograaf van het ultieme mannenblad en slaat haar vleugels daarna uit naar boeken en films. Totdat ze begin jaren zeventig onaangenaam wordt verrast door de opkomst van pornografie en explicietere bladen zoals Penthouse en Hustler.

Tegen die tijd begint Naked Ambition (72 min.), het postume portret dat Dennis Scholl en Kareem Tabsch van de fotografe hebben gemaakt, zich te richten op de magere jaren van Bunny Yeager, waarin het haar zowel persoonlijk als professioneel bepaald niet voor de wind gaat. Haar dochters Lisa en Cherilu herinneren zich nog goed hoe hun moeder destijds geen cent te makken heeft. Totdat Bettie Page in de jaren negentig wordt herontdekt als een symbool van vroege vrouwelijke seksualiteit en Yeagers oeuvre zowaar doordringt tot de kunstwereld.

Met prominente bronnen zoals televisiepresentator Larry King, Playboy-oprichter Hugh Hefner, fotograaf Bruce Weber, actrice/regisseur Guinevere Turner en het burleske model Dita von Teese tekenen Scholl en Tabsch de fotografe, die zelf ook regelmatig voor de camera blijft verschijnen en zo misschien wel de weg plaveit voor wat we nu selfies noemen, met grove penseelstreken op, in een film die tamelijk braaf blijft en nooit écht doordringt tot de vrouw achter het icoon. Bunny Yeager blijft eerst en vooral een baanbrekende vrouwelijke kunstenaar.

Streetart Frankey

September Film

Met zijn guitige lach, pretoogjes en – jawel! – Frankey-rode muts zou hij kunnen doorgaan voor een personage uit zijn eigen oeuvre. Sterker, misschien is Streetart Frankey (68 min.) – want over hem hebben we ‘t – dat ook wel. Een naïeve, speelse en grappige kaaskopvariant op – pak ‘m gerust beet – de Britse straatkunstenaar Banksy.

Frankey is de man achter de legoversie van André Hazes op de Dam, een waterkraan die eruit ziet als Manneke Pis en de (Nederlandse) leeuw met het helpbordje die kopje onder gaat in een hoofdstedelijke gracht. Als een soort Kuifje in Amsterdam begeeft hij zich op het kruispunt tussen Maurizio Cattelan, Wim T. Schippers en – daar istie weer! – Banksy. Schatplichtig aan Suske en Wiske, Ghostbusters en Buurman & Buurman.

Peter Wingerder volgt Frankey, die eigenlijk – ssst! – Frank de Ruwe heet, van de ene vette knipoog naar de andere schelmenstreek. Samen met zijn geliefde Urs Hasham, die het ‘megaleuk’ vindt om mee te doen en mee te helpen, maakt ie van elke (on)bezonnen actie ook een lekkere foto, die onderdeel is van ’s mans alsmaar uitdijende collectie straatkunstwerkjes, waarmee hij ook best ’s werelds galerieën en musea in wil.

’s Mans strapatsen worden in deze joyeuze film opgeleukt met tekeningen van Typex en animaties van Ot Leendertse. Met een poppetje van een speels figuurtje met een Frankey-rode muts bijvoorbeeld. Zo heeft Streetart Frankey – de docu dus – uiteindelijk hetzelfde effect als het werk van de Nederlandse kunstenaar, designer en handige jongen met precies dezelfde naam: een mens wordt er zowaar vrolijk van.

Kom daar maar eens om in tijden waarin het begrip – lees het navolgende woord aub met gefronste wenkbrauwen –  ‘documentaire’ toch vooral associaties oproept met de oorlog in Oekraïne, het lijden van Gaza en de wankelende democratie in de Verenigde Staten. Over dat laatste gesproken: Frankey – en in zijn kielzog: Wingerder – is erbij als dat wankelen (weer) begint: tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024.

Als de held van dit verhaal – nee, niet Donald Trump! – New York heeft voorzien van openbare Teenage Mutant Ninja Turtles en WALL-E verkeersborden, hijst hij zich in een levensgrote Hug For Unity-knuffelbeer. Voor de verandering zónder Frankey-rode muts. Als ie in dat pak, in het kader van de naderende verkiezingen, de straat op wil, moet Frankey echter wel een kogelvrij vest aan. Het blijft tenslotte Amerika.

Daar schrikt hij zich een hoedje – vast niet Frankey-rood – bij een campagnebijeenkomst van de Republikeinse presidentskandidaat: ‘nog nooit zo’n negatief event meegemaakt’. En dan wordt de zelfverklaarde held nog gekozen ook! Is de beoogde campagne ‘Frankey Comes To America’ daarna nog wel gepast? vraagt de echte held – Streetart Frankey dus – zich dan af. Al te lang laat hij zich echter niet uit het veld slaan. De plicht/pret roept!

En dus eindigt deze documentaire waar ie begon: bij een zorgvuldig voorbereide en secuur uitgevoerde ludieke actie van de Frankey-rode muts en het mannetje daaronder, de enige echte Frankey.

The Road To Fenix

M&N Film

In een oude havenloods in de Rotterdamse wijk Katendrecht, een omgeving die ooit werd bevolkt door zeelui en hoeren, is in de afgelopen jaren het migratiemuseum Fenix verrezen. Bij de officiële opening in mei 2025, in aanwezigheid van koningin Máxima, spreekt de jonge directeur van het museum, Anne Kremers, over migratie ‘als universele menselijke beweging’. Behalve in de historie moet de kunstcollectie van Fenix dus ook in het hier en nu geworteld zijn.

Na de feestelijke opening gaat deze film van Mark Bakker vijf jaar terug in de tijd, om The Road To Fenix (91 min.) op te tekenen. En daarin speelt niet alleen Kremers een belangrijke rol. De hoofdrol wordt opgeëist door Wim Pijbes, oud-directeur van Het Rijksmuseum en in die hoedanigheid ook één van de hoofdpersonen van Oeke Hoogendijks klassieke documentaireserie Het Nieuwe Rijksmuseum. Hij is tegenwoordig directeur van Droom en Daad, het filantropische fonds van de Rotterdamse rederijfamilie Van der Vorm dat de culturele sector in de havenstad ondersteunt en ook Fenix heeft geïnitieerd.

Pijbes staat voor ‘hoge kwaliteit, lage drempel’, zegt ie zelf. ‘Verwacht dingen die je kunt verwachten’, houdt hij buurtbewoners voor. ‘Maar verwacht vooral verrassingen.’ Een kolossale tornado bijvoorbeeld, ontworpen door de Chinese architect Ma Yansong, op het dak van het museum. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde. Voor de metershoge zeemeeuw die Ma op het dak wil laten landen – de eerste vogel die je begroet als je een haven invaart en de laatste vogel die je weer uitzwaait – gaan de handen nu niet direct op elkaar in de Maasstad. Zoals Kremers en Pijbes wel meer flinke hobbels moeten nemen in de aanloop naar deze nieuwe Rotterdamse blikvanger.

Intussen moet ook de collectie worden samengesteld. Om inspiratie op te doen reizen Kremers en haar team af naar het Amerikaanse Ellis Island National Museum Of Immigration en het Canadian Museum of Immigration. Elders proberen ze interessante aankopen te doen. Zo tikt Pijbes op een onbewaakt ogenblik bijvoorbeeld een portret van de Rotterdamse wereldburger Erasmus op de kop. En in hun eigen ateliers zijn hedendaagse kunstenaars zoals Efrat Zehavi en Raquel van Haver aan het werk. Beya Gille Gacha fabriceert bijvoorbeeld een collectie handen. Want als we elkaars taal niet spreken, stelt zij, zijn we genoodzaakt om met onze handen te spreken.

Behalve kunstwerken en foto’s toont Bakker hoe ook gewone gebruiksvoorwerpen met een emotionele lading, zoals de stoelen die Molukkers bij hun komst kregen en koffers die de reis van en naar Nederland hebben gemaakt, een plek verwerven in het gelaagde verhaal over migratie dat Fenix wil delen. Zijn documentaire wordt daarmee een traditionele making of-film: hoe met vereende kracht, worstelend met tegenslag en weerwerk, een museum uit de grond wordt gestampt. Misschien niet met zoveel grandeur als bij Pijbes’ vorige project, Het Rijksmuseum, maar met evenveel bloed, zweet en tranen.

Mijn Broer

Serious Film / KRO-NCRV

Thuis in het Zeeuwse dorp ‘s-Heer Hendrikskinderen hebben zijn ouders nooit een groot probleem gemaakt van de homoseksualiteit van Bart Davidse. Voor hen blijft de oudere broer van filmmaker Koert Davidse gewoon Bart. Ze spreken alleen nooit over zijn geaardheid. Ook niet als hij, inmiddels als kunstenaar woonachtig in Amsterdam, besmet raakt met het HIV-virus.

In het dagboek van zijn vader leest Koert een kleine veertig jaar later dat die boodschap wel degelijk is overgekomen. ‘Bart belt om zeven uur dat hij weer ernstig ziek is’, schrijft pa begin 1986, het jaar waarin zijn zoon op slechts 28-jarige leeftijd zal overlijden, in het dagboek waarin hij het leven en werk in hun tuinderij documenteert. ‘Zware koorts. Dat is al de derde maal binnen één maand. Wij zijn erg bang dat hij AIDS heeft.’

Als familie weten zij zich geen raad met de situatie. ‘Ik weet nog heel goed dat ik met ma bij Bart zijn bed zat’, herinnert Koert zich. ‘Hij lag op de IC. Toen liep er een traan uit zijn oog.’ Als z’n moeder die wil wegvegen, houdt Koert haar tegen, bang voor besmetting. ‘We wisten dus echt niks van AIDS’, constateert hij nu, vol schaamte. ‘Echt verschrikkelijk!’ ‘Ja’, reageert zus Karin, terwijl ze strak voor zich uit kijkt. ‘Klopt.’

Samen met Karin, hun andere zus Wilma en vrienden uit Barts andere leven in Amsterdam reconstrueert Davidse het veel te korte bestaan van zijn grote broer. In de hoofdstad zal Bart zich vestigen als kunstenaar en kan hij zich uitleven in darkrooms, leerbars bezoeken en cruisen op straat. En daar, in dat Sodom en Gomorra, ligt volgens de veelal vrome mensen uit z’n geboortedorp ook de oorsprong van zijn ondergang.

In Mijn Broer (83 min.) onderzoekt Koert Davidse de enorme afstand tussen Barts levens, die na het overlijden van zijn broer ernstig opspeelt. De Zeeuwse begrafenisondernemer blijkt bijvoorbeeld niet bereid om zijn lichaam op te halen. En er is eigenlijk ook geen kerk die de uitvaart wil verzorgen. Behoedzaam waadt deze delicate film door dat ongemakkelijke verleden, met oog voor beide kanten van het verhaal.

Davidse ondersteunt zijn relaas met live geënsceneerde foto’s, die dierbare herinneringen aan het leven met zijn broer en belangrijke momenten uit zijn beladen ziekteproces en afscheid representeren. Tegelijkertijd maakt hij ook weer kennis met die broer via zijn kunst en bezittingen, die tezamen zijn opgenomen in de expositie Bart Davidse: Een Leven In Beelden, die zijn bewonderde broer weer tot leven wekken.

En met hem wordt ook die traumatische episode uit de wereldwijde queerhistorie, nog niet eens zo lang geleden, weer uitgelicht. Als een dodelijke ziekte ook in Nederland homo’s nog eens extra tot outcast verklaart.

What Will I Become?

Deep Dive Films / Taskovski Films

De cijfers liggen er niet om: iets meer dan vijftig procent van de Amerikaanse jongeren die in transitie gaan van meisje naar jongen proberen volgens onderzoek op enig moment een einde aan hun leven te maken. Lexie Bean en Logan Rozos overleefden zelf ooit zo’n poging tot zelfdoding en exploreren de achterliggende problematiek nu in de documentaire What Will I Become? (88 min.).

Daarvoor verdiepen ze zich in twee transmannen die hun leven wél beëindigden. Van Blake Brockington (1996-2015) is een interview uit 2013 bewaard gebleven. Daarin vertelt hij uitgebreid over zijn achtergrond en leven. Een jaar later zal Blake als eerste transpersoon worden gekozen tot Homecoming King op zijn middelbare school in North Carolina. Die uitverkiezing zorgt natuurlijk ook voor heel veel negatieve reacties. Zeker online krijgt de Afro-Amerikaanse tiener, die vervolgens muziekeducatie gaat studeren aan de universiteit van Charlotte, ’t zwaar te verduren.

In San Diego, Californië, spreken Bean en Rozos met de ouders van Kyler Prescott (2000-2015), een tiener die is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, last heeft van depressies en worstelt met genderdysforie. ‘Ik wist eerst niet of dat een idee was wat in Kylers hoofd was beland of dat het echt van binnenuit kwam’, vertelt zijn vader Carl. ‘Uiteindelijk ontdekten we echter dat het echt in hem zat en authentiek was. Vanaf dat moment stonden we honderd procent achter hem.’ Bij therapeuten en zorgmedewerkers vindt Kyler echter niet altijd zulke erkenning.

Dat blijkt een constante in de verhalen die de twee filmmakers tijdens hun reconstructie van de levens van Blake en Kyler bij familie, vrienden, lotgenoten en vertegenwoordigers van de LHBTIQ+-gemeenschap ophalen: het onbegrip en de vijandigheid waarmee zij in de buitenwereld worden geconfronteerd, kunnen een sowieso al héél ingewikkeld proces ernstig compliceren. Ze voelen zich lang niet altijd gesteund door de professionals waarbij ze hulp zoeken. Die komen overigens niet aan het woord in deze documentaire. Zij hadden vast inzicht kunnen geven in hun motieven.

Bean en Rozos maken van hun film liever een ‘safe space’ voor de LHBTIQ+-gemeenschap. Ze verbeelden het gevoelsleven van hun hoofdpersonen met fraaie animaties, laten een gedicht van Kyler vertolken door queerartiesten en vragen vrienden en transmuzikanten om Blake’s favoriete nummer You Are My Sunshine uit te voeren. Verder spreken ze met een kunstenaar die speciale ‘gender expansive life wearable art’ maakt, besteden ze aandacht aan de telefonische hulpdienst Trans Lifeline en sluiten ze aan bij een wandelclub voor oudere transmannen.

Dat laatste voorbeeld is duidelijk ook bedoeld als hart onder de riem: een transitie kan wel degelijk leiden tot een bevredigend leven als volwassene. Die boodschap helpt wellicht bij het lastige pad dat veel transjongens nog moeten bewandelen. Het blijft desondanks een schrale troost voor de directe omgeving van tieners die de weg uit het leven hebben gekozen. Hoeveel respect ze wellicht ook hebben voor hun keuze, die zorgt bij familie en vrienden onvermijdelijk voor schuldgevoelens. Hebben ze hun kind, vriend of familielid wel voldoende ondersteund?

Zo heeft het huwelijk van Kylers ouders Carl en Katharine hun rouwproces bijvoorbeeld niet overleefd. Wellicht geeft het kleine monumentje dat in What Will I Become? wordt opgericht voor hun kind en z’n lotgenoot Blake – en het pleidooi dat daarvan uitgaat om de vraag en zorgen van transjongeren vooral serieus te nemen – hen een héél klein beetje gemoedsrust.

Robert Rauschenberg: Everything Is Art

ZDF / AVROTROS / maandag 2 maart, om 22.45 uur, op NPO2

Hij koopt in de jaren vijftig een opgezette angorageit voor 30 dollar, beschildert die met felle kleuren en plaatst er vervolgens een autoband omheen, als een soort zwemband. Geplaatst op een zorgvuldig vormgegeven plateau vormt het dier de ‘combine’ Monogram, een huwelijk van schilderij en sculptuur. Het is een typisch werk voor Robert Rauschenberg (1925-2008), één van de toonaangevende kunstenaars van de twintigste eeuw die regelmatig ‘found objects’ integreerde in zijn werk en die in zijn lange loopbaan alle mogelijke kunstvormen en -stijlen aftastte.

Volgens zijn zoon Christopher was zo’n kunstwerk als Monogram niet bedoeld als kritiek op de consumptiemaatschappij, maar simpelweg zijn manier om de wereld verder te ontdekken. Gedreven door een nooit te bevredigen nieuwsgierigheid. Rauschenberg vertelde volgens zijn zoon ooit dat hij medelijden had met mensen die een oude sok lelijk vinden. Want met zulke spullen krijgen ze dagelijks te maken. ‘Als mensen zich afvragen waarom ik zoveel lelijke spullen in mijn kunst verwerk’, zei hij volgens Christopher wel eens, ‘zeggen ze in wezen dat ze de wereld waarin ze leven lelijk vinden.’

Zijn vader wordt in Robert Rauschenberg: Everything Is Art (52 min.) geportretteerd als een man die altijd in beweging is gebleven en daardoor zóveel heeft geproduceerd dat zijn werk soms bijna als weinig exclusief wordt gezien. Zelf kon Rauschenberg daar overigens wel om grinniken. Alles beter dan de dood in de pot. Hij wilde laten zien dat kunst leeft en verbonden is met sociale en technologische ontwikkelingen, stelt de verteller van dit kunstportret van Susanne Brand. Kunstenaars waren voor hem een katalysator voor sociale verandering, mensenrechten en de vrijheid van expressie.

Rauschenberg wilde, kort gezegd, het leven (terug)brengen in de kunst, hield daarmee ook zichzelf in leven en wordt een kleine twintig jaar na zijn dood, zo blijkt in dit vitale portret, nog altijd in leven gehouden door liefhebbers en kenners die zijn omvangrijke en zeer diverse oeuvre in kaart proberen te brengen.

Trailer Robert Rauschenberg: Everything Is Art

Nick Cave’s Veiled World

Sky

In zijn werk gaat Nick Cave onbevreesd de confrontatie aan met het onderbewuste. ‘Hij is op zoek naar de menselijke ziel’, stelt filmmaker Wim Wenders bij de start van Nick Cave’s Veiled World (65 min.). ‘Nick wil weten waarom hij op aarde is. Niet veel mensen willen dat weten.’ Schrijver Irvine Welsh vult aan: ‘We krijgen allemaal met pijn en verlies te maken, met vreugde en euforie. Deze elementen zijn voortdurend met ons in gevecht. En voor mij is dat de plek waar grootse dingen ontstaan.’

Het is helder: in dit associatieve portret probeert Mike Christie de Australische zanger, songschrijver, componist en auteur psychologisch te duiden. In plaats van een ‘en toen en toen en toen’-doorloop van zijn carrière neemt hij een kijkje achter de façade bij de man en kunstenaar, die in z’n oeuvre zo vaak de donkere kanten van het bestaan opzoekt. Hij vervat de ontwikkeling die Cave heeft doorgemaakt in vijf archetypen: de bandiet, de schaduw, de pelgrim, het goddelijke kind en de profeet. Nick Cave zelf komt daarover overigens slechts beperkt – en volledig buiten beeld – aan het woord.

Christie verlaat zich liever op intimi, zoals Warren Ellis, Thomas Wydler en Colin Greenwood (zijn band The Bad Seeds), producer Nick Launay (The Birthday Party), fotograaf Polly Borland, schrijver Seán O’Hagan (co-auteur van het boek Faith, Hope And Carnage), modeontwerper Bella Freud, aartsbisschop Rowan Williams en de filmmakers John Hillcoat, Isabella Eklöf en Pete Jackson (de tv-serie The Death Of Bunny Munro, gebaseerd op Caves gelijknamige roman), Andrew Dominik (One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True) en Iain Forsyth & Jane Pollard (20.000 Days On Earth).

Deze insiders worden stuk voor stuk geïnterviewd in een spaarzaam ingerichte ruimte, waarin één of meerdere meubelstukken zijn afgedekt – als de kanten van de menselijke psyche die verborgen (willen) blijven. In Caves songs krijgen die de kans om zich alsnog in al hun lelijke schoonheid te tonen. Terwijl ze z’n teksten lezen vanaf een typemachine laten Cave-fans zoals Florence + The Machine-voorvrouw Florence Welch (The Mercy Seat) en Red Hot Chili Peppers-bassist Flea (Bright Horses) en de bevriende kunstenaar Thomas Houseago (White Elephant) zijn woorden bovendien op zich inwerken.

Samen schetsen zij een kunstenaar, die al enige tijd boven elke kritiek verheven lijkt te zijn – niet zonder reden overigens. Vraag is wel: waar houdt de man op en begint de mythevorming? Daarop geeft deze boeiende exegese van de kunstenaar Nick Cave geen eenduidig antwoord. Duidelijk is dat hij een enorme ontwikkeling – met de dood van zijn vijftienjarige zoon Arthur in 2015 als scharnierpunt – heeft doorgemaakt: van een losgeslagen podiumbeest dat zijn publiek bijna vijandig tegemoet trad naar een ‘wilde God’ die van zijn concerten zowat een plek voor geloof, hoop en liefde heeft gemaakt.

Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.

David Bowie: The Final Act

Kevin Cummins / VPRO

‘We kunnen eerst eens beginnen met alles noemen wat er mis was met Bowie in de afgelopen tien jaar: zijn pakken, zijn teint, zijn schoenen, zijn shirts, zijn nep Cockney-accent’, begint Jon Wilde voor te lezen uit zijn eigen recensie van het tweede Tin Machine-album. ‘Dit is de man die zich zijn halve leven opnieuw wist uit te vinden en nu op z’n 44e onverwacht het wereldwijde lachertje is geworden’, schrijft hij in 1991 in het Britse muziekblad Melody Maker. Wilde moet zelf even naar adem happen en vervolgt daarna. ‘De dwaas maakt zichzelf wijs dat wij op deze veredelde pubrock zitten te wachten.’ Hij eindigt zijn bespreking met een keiharde boodschap aan de ‘Starman’ zelf: you’re a f***ing disgrace.

Ook voor David Bowie (1947-2016) is het duidelijk: hij zit nu toch echt in een midlifecrisis. Zijn poging om na jaren als een internationale ster, die steeds nieuwe ruimte heeft verkend, zomaar weer één van de jongens in een band te worden, is glorieus mislukt. (Hoe) kan hij, de artiest/kunstenaar die zijn tijd altijd ver vooruit leek, zichzelf nog eenmaal opnieuw uitvinden? Voordat deze documentaire van Jonathan Stiasny daadwerkelijk toekomt aan David Bowie: The Final Act (91 min.), die tot een climax wordt gebracht op zijn allerlaatste album Blackstar, worden eerst vaste Bowie-mijlpalen zoals Space Oddity, Changes, Ziggy Stardust, Life On Mars, Young Americans en Let’s Dance aangedaan.

En partners in crime als gitarist Earl Slick, producer Tony Visconti, zangeres Dana Gillespie, de pianisten Mike Garson en Rick Wakeman, touragent John Giddings, Tin Machine-gitarist Reeves Gabrels, deejay Goldie, schrijver Hanif Kureishi en het muzikale duizenddingendoekje Moby krijgen dan alle gelegenheid om hun indrukken en herinneringen te delen. Gezamenlijk schetsen zij ook de periode waarin David Bowie doorgaat voor irrelevant – niets ergers dan dat voor een pionier zoals hij. Na een periode van hit & miss, waarin ie behalve Tin Machine ook een Pepsi-commercial met Tina Turner uitbrengt en krampachtig aansluiting zoekt bij de nieuwste dance-stromingen, hervindt hij zichzelf op het Glastonbury-festival van 2000.

Een nieuw millennium is aangebroken. Bowie’s leven en loopbaan staan nog eenmaal op een keerpunt. ‘Rocks grootste kameleon’ omarmt het verleden dat hij zo lang links heeft laten liggen en richt zich vervolgens, omdat dit nu eenmaal in zijn aard zit, op de toekomst. Óók als duidelijk wordt, in elk geval bij hemzelf, dat die zelfs bij hem eindig is. Bij de mensen met wie hij aan zijn laatste meesterzet werkt wil dat in eerste instantie nog niet doordringen, vertellen ze in dit postume portret van de man die altijd een fascinatie had voor de ruimte. Met het treffend getitelde Blackstar, uitgebracht op zijn 69e verjaardag en slechts twee dagen voor zijn dood op 10 januari 2016, claimt David Bowie zijn eigen plek in de sterrenhemel.