De Villamoord – Seizoen 2

KRO-NCRV

Niet minder dan 44 afleveringen van zijn misdaadprogramma wijdde Peter R. de Vries ooit aan de zogenaamde Puttense moordzaak. Totdat de geruchtmakende moord op Christel Ambrosius echt he-le-maal was uitgeplozen en de naam van de onterecht veroordeelde zwagers Herman du Bois en Wilco Viets definitief gezuiverd.

Met het wederom drie afleveringen tellende tweede seizoen van de true crime-serie De Villamoord (143 min.) is Joost van Wijk inmiddels zes afleveringen onderweg met het onder de aandacht brengen van een andere zaak: de gewelddadige dood van een 63-jarige villabewoonster uit Arnhem in 1998. Dat zou ook zomaar een gerechtelijke dwaling kunnen zijn – al wil de Hoge Raad daar (voorlopig) nog niet aan.

Waar de documentairemaker zich in het eerste seizoen van De Villamoord vooral concentreerde op de intimiderende politieverhoren, een valse bekentenis die daaruit voortkwam en het schrale fysieke bewijs op basis waarvan hoofdverdachte Nefzat Altay en acht andere mannen uiteindelijk werden veroordeeld, zoomt hij in dit vervolg nadrukkelijk uit naar het criminele circuit van Arnhem.

In het beruchte Spijkerkwartier hielden de veelal Turkse mannen zich bezig met de handel in heroïne en is waarschijnlijk ook het antwoord te vinden op de vraag waarom juist zij als daders van de moord zijn aangemerkt. In het bijzonder bij ‘straatagent’ Henk Evers en het zogenaamde Dotterteam, dat destijds de welig tierende drugscriminaliteit te lijf ging.

Hoewel de nieuwe afleveringen dezelfde strafzaak behandelen – en de sfeer en toonzetting vergelijkbaar zijn, de muziekkeuze vertrouwd smaakvol is en verteller Stefan Stasse de bevindingen weer met net zoveel bravoure uitserveert – worden die geen herhaling van zetten. Ze bevatten bijvoorbeeld een keur aan nieuwe bronnen: enkele nog niet eerder geïntroduceerde verdachten, (anonieme) getuigen en opvallend kritische rechercheurs die toentertijd betrokken waren bij het politieonderzoek.

Aan Eline, een kennis van het slachtoffer die de fatale avond in de villa op wonderbaarlijke wijze overleefde, wordt ditmaal zelfs helemaal geen aandacht besteed. Van Wijk concentreert zich op het ontrafelen – en daarmee onderuit halen – van de strafzaak tegen de negen veroordeelde mannen. Met als onderliggende vraag: leed het team van de omstreden onderzoeksleider Ad Baars, die zelf niet aan de serie wil meewerken, aan tunnelvisie? Of was er meer aan de hand?

Dat betoog legt (wederom) allerlei zwakke plekken (of zelfs ernstige misstanden) in het politieonderzoek bloot, maar wordt tijdens het secuur uitpluizen van het onderzoek soms ook wat praterig en stroperig. Joost van Wijk waagt zich verder niet aan wat er dan wél kan zijn gebeurd als de veroordeelden inderdaad onschuldig zouden blijken te zijn. Na twee seizoenen heeft de serie daardoor nog altijd meer vragen opgeworpen dan beantwoord. Wordt dus ongetwijfeld weer vervolgd.

Hoeveel afleveringen van De Villamoord er nog moeten komen? Peter R. zou het wel weten: totdat onomstotelijk vaststaat wat er is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk is. En geen seconde eerder.

Doe Maar: Dit Is Alles

‘Bij de platenmaatschappij die Doe Maar onder contract had, stond de telefoon vandaag urenlang roodgloeiend’, meldde nieuwslezer Harmen Siezen in 1984 in het NOS Journaal. ‘Wenende meisjes lieten ‘t weten dat ze niet konden geloven dat Doe Maar niet meer bestaat.’

De rage die Doe Maar begin jaren tachtig veroorzaakte kent zijn gelijke niet in de Nederlandse popgeschiedenis. Nooit eerder was een groep zo populair als de band rond blikvangers Hennie Vrienten (zang/bas) en Ernst Jansz (zang/toetsen). En er is sindsdien geen band geweest die ook maar in de buurt is gekomen van de gigantische populariteit van deze ‘Nederlandse Beatles’.

In  Doe Maar: Dit Is Alles (83 min.) wordt de ongekende hype, die zal eindigen met twee emotionele afscheidsconcerten in De Maaspoort in Den Bosch, nog eens helemaal uit de doeken gedaan. Van de begindagen als lekker los nederpopbandje, dat na de entree van Hennie Vrienten ineens hits begint te schrijven, tot de bijna onleefbare populariteit aan het eind, als tieneridolen tegen wil en dank.

Vrienten, Jansz en gitarist Jan Hendriks krijgen in deze smakelijke muziekfilm van Patrick Lodiers en Martijn Nijboer uit 2013 alle ruimte om de tropenjaren nog eens opnieuw te beleven, waarbij ook het voortijdige vertrek van drummer Carel Copier, die het latere succes vanaf de zijlijn gade moest slaan, en de ontwrichtende heroïneverslaving van diens opvolger René van Collem aan de orde komen.

Ten tijde van het maken van deze film maakte Doe Maar zo nu en dan weer een rondgang langs de vaderlandse podia. De wonden die in hun glorieperiode bleken te zijn geslagen – met name tussen het rivaliserende front- en songschrijversduo Vrienten en Jansz – waren toen alweer een heel eind geheeld. In Doe Maar: Dit Is Alles overheersen dan ook wederzijds respect en pure trots. 

En dat is gezien de erfenis van de band helemaal niet vreemd: een imposante hoeveelheid popklassiekers – met ook een essentiële bijdrage van vijfde bandlid Joost Belinfante, de klassieker Nederwiet – die de tijdgeest perfect weerspiegelden en toch volstrekt tijdloos zijn gebleken.

Hans van Manen: Van Oud Naar Jong

NTR

Het Coronavirus is zich stilaan ook in documentaires aan het nestelen. Vanaf het najaar van 2020 beginnen er al films binnen te druppelen waarin COVID-19 een bijrol speelt – of zelfs de hoofdrol opeist. Totdat we dat net zo spuugzat zijn als in het echte leven.

Over een tijd, als die pandemie (hopelijk) tot de voltooid verleden tijd behoort, zullen we ons wellicht opnieuw verbazen over de alomtegenwoordige mondkapjes, de verplichte isolatie en het gesteggel over van overheidswege opgelegde maatregelen. Tot dat moment moeten we accepteren dat al die ongemakken ook in kunstvormen als documentaire en dans de kop opsteken. Want in deze situatie hebben makers maar één keuze: van de nood een deugd maken.

Ook de leden van het Nationale Ballet moeten alle zeilen bijzetten om gemotiveerd, fysiek in vorm en in goede mentale conditie te blijven. Ze verkennen de mogelijkheden van Zoom-trainingen, repeteren in kleine groepjes en experimenteren met online-voorstellingen. De honger naar échte uitvoeringen voor een volle zaal is alleen nauwelijks te stillen. Op zulke momenten is het een zegen dat er een invloedrijke choreograaf binnen handbereik is.

In Hans van Manen: Van Oud Naar Jong (49 min.) kijkt regisseur Joost van Krieken mee hoe het Nationale Ballet zich het oeuvre van de oude meester eigen probeert te maken. In veertig jaar maakte hij meer dan honderd choreografieën. ‘Als je kijkt naar zijn balletten, zie je een enorme rijkdom en toch een stilistische eenheid’ stelt directeur Ted Brandsen. ‘Een soort heldere visie over wat dans kan uitdrukken en wat het kan betekenen voor mensen.’

Begeleid door een zoals altijd bevlogen Van Manen, inmiddels bijna negentig, maken de dansers Floor Eimers en Edo Wijnen zich uiteindelijk op voor een online reprise van zijn klassieke werk Déja Vù. Ze weten daarbij ook Rachel Beaujean, de adjunct-artistiek directeur van het Nationale Ballet, aan hun zijde. Zij was jarenlang de muze van Hans van Manen en danste in 1981 met Clint Farha zelf het stuk, dat de laatste twaalf minuten van deze verzorgde dansdocu bestrijkt.

De Villamoord

KRO-NCRV

Zaten Nevzat Altay en de acht andere verdachten van De Villamoord (131 min.) in 1998 jarenlang onschuldig vast? Dan zou het volgens rechtspsycholoog Peter van Koppen gaan om de grootste gerechtelijke dwaling in de recente Nederlandse geschiedenis. Bovendien zou de echte dader dan nog op vrije voeten zijn en wellicht ook een bedreiging kunnen vormen voor de vrouw die de schietpartij in Arnhem overleefde, waarbij haar tante Geke om het leven kwam.

In deze driedelige documentaire van Joost van Wijk wordt de zaak nog eens helemaal doorgelicht. Met de hoofdverdachte, diens advocaat, een ooggetuige, betrokken politiemannen, een familielid, enkele deskundigen én de verdachte, op basis van wiens getuigenverklaring alle anderen zijn veroordeeld. Een bekentenis die hij nu als vals betitelt. Afgelegd onder aanzienlijke druk. Fysiek bewijs voor betrokkenheid van de mannen is er verder niet – een constatering waarbij, sinds geruchtmakende justitiële dwalingen als de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak, eigenlijk alle alarmbellen zouden moeten afgaan.

De aanpak van Van Wijk doet bijna Amerikaans aan, met een slimme en dwingende voice-over van Stefan Stasse, fraaie beelden en visualisaties van de plaats delict en ronduit chique muziek. Zo maakt hij, in de traditie van true crime-klassiekers als The Thin Blue Line, de Paradise Lost-trilogie en Making A Murderer, gehakt van het politieonderzoek, waarbij tunnelvisie de waarheidsvinding in de weg zou hebben gestaan. Beeldmateriaal van de politieverhoren maakt dat tastbaar: de verdachten worden op alle mogelijke manieren onder druk gezet om te bekennen en krijgen intussen tevens de benodigde daderkennis gevoerd. Met dramatische gevolgen, niet alleen voor de zaak zelf.

Daarna richt de krachtige miniserie zich op wat er dan wél kan zijn gebeurd in die Arnhemse villa, met nieuw (technisch) onderzoek en actuele verklaringen. Zo komt een ongemakkelijke alternatieve hypothese bovendrijven, die verder overigens niet in beton wordt gegoten. Dat is, als de zaak wordt heropend, aan politie en justitie. De Villamoord oogt intussen als een soort deluxe-aflevering van het fameuze televisieprogramma Peter R. de Vries Misdaadverslaggever. Zónder koene presentator en verplichte confrontatie voor de (verborgen) camera, maar mét journalistiek graafwerk en opmerkelijke bevindingen die de geruchtmakende strafzaak wel eens een beslissende draai zouden kunnen geven.

Wordt ongetwijfeld vervolgd. In de rechtszaal. Of op de beeldbuis. In seizoen 2 bijvoorbeeld.

De Villamoord is hier te bekijken.

Sideline

Thomas Dhanens

‘Zwarte Martha’, wordt er na de wedstrijd enthousiast gezongen in de kleedkamer van de Belgische vierdeklasser SV Nielse (shirtsponsor: Bierhandel De Troetsel Niel) terwijl er een kratje bier wordt opengetrokken. Het voetbalelftal zet nog eens in: ‘Dikke zwarte Martha. Zwarte Martha, ik ben verliefd op jou.’ ‘Ze heeft een dubbele kin’, schreeuwt één van de begeleiders. ‘Een scheve neus. Een glazen oog. En mooi blond haar.’ Waarna het hele elftal nog eenmaal het Zwarte Martha-refrein door de kleedkamer laat schallen. Gevolgd door: ‘En ze heeft een rotte foef.’

Nee, het is geen San Siro, Old Trafford of Camp Nou geworden voor Lateef Mudashira, een 24-jarige Nigeriaan die zeker weet dat hij, als God het hem gunt, ooit voor FC Barcelona zal spelen. Hij heeft zijn vriendin en pasgeboren dochtertje zeven jaar geleden thuis achtergelaten voor een voetbalcarrière in Europa. Nu hij die nieuw leven probeert in te blazen is Lateef letterlijk veroordeeld tot de blubber van het Belgische betaald voetbal. En in de wedstrijd tegen het altijd gevaarlijke FC Blaasveld moet hij zelfs op de reservebank plaatsnemen.

De aanvallende middenvelder is één van de Afrikaanse spelers die regelmatig samenkomt op het Antwerpse trapveldje Luchtbal, waar ze gezamenlijk in conditie proberen te blijven voor als er (toch nog) een Europese profclub interesse toont. Ook Moses Adams staat regelmatig langs de Sideline (79 min.). De voormalige Nigeriaanse international, die in de pijnlijke openingsscène van deze serene, gestileerde documentaire te horen heeft gekregen dat zijn rotte knieën geen betaald voetbal meer toelaten, is aan een nieuw leven begonnen als voetbalmakelaar.

Via Adams en enkele spelers die hij aan de man probeert te brengen, schetsen de filmmakers Joost Wynant, Louis Pons en Maarten Goffin op subtiele wijze een schrijnend beeld van de internationale handel in Afrikaanse voetballers, waarbij achter de succesverhalen van sterren als Drogba, Mané en Onana een wereld vol irreële verwachtingen, vage beloftes en enorme teleurstellingen schuilgaat. Voetbal blijkt opnieuw een doodgewone business te zijn, waarin de speler niet meer is dan handelswaar en dromen over de Oude Dame zomaar naar Zwarte Martha kunnen leiden.

The Witchdoctor Hunters

EO

‘Mijn kind lag op de grond. Zijn linkerhand lag op zijn buik’, zegt de vader van de zesjarige Issa in de openingsscène van The Witchdoctor Hunters (56 min.). ‘De man pakte zijn kapmes en hakte het hoofd van mijn zoon eraf.’ Vader wordt ondervraagd door de Oegandese politie: ‘Dus hij deed dat en het bloed spatte alle kanten uit?’ ‘Nee’, corrigeert Issa’s vader. ‘Hij ving het bloed op in plastic zakken en stopte die in een tas. Het was een rugzak en daar deed hij het hoofd in.’ De agent vraagt door: ‘Waarom liet u hem uw kind offeren?’ Vader: ‘Ik kreeg één miljard shilling.’

Met kinderoffers valt in Oeganda een flinke smak geld te verdienen. Want als je kinderledematen in de fundering van een gebouw verwerkt, schijnt dat macht en voorspoed te brengen. Dat is een relatief nieuw idee, blijkbaar. En waar een vraag is, ontstaat meestal al snel ook een aanbod. Je moet alleen bereid zijn om een (of: je) kind te laten afslachten, in stukken te hakken en de verschillende lichaamsdelen in de juiste handen te laten belanden. Plaatselijke medicijnmannen – Oeganda schijnt er miljoenen te hebben – spelen daarin vaak een sleutelrol.

Peter Sewakiryanga, de hoofdpersoon van deze journalistieke documentaire van Mags Gavan en Joost van der Valk, bindt met zijn organisatie Kyampisi Childcare Ministries actief de strijd aan met deze ‘witchdoctors’. Hij krijgt ook de medicijnman die Issa zou hebben geslachtofferd te pakken. ‘Ik behandel mensen die last hebben van demonen’, zegt deze. ‘En ik geef kinderen aan onvruchtbare vrouwen.’ Of hij ook ooit offers heeft gebracht, wil Sewakiryanga weten. ‘Ik heb nog nooit iets geofferd’, zegt de medicijnman met een stalen gezicht.

In The Witchdoctor Hunters openen Gavan en Van der Valk opnieuw een even gruwelijke als onbegrijpelijke wereld. Zoals het Brits-Nederlandse filmduo eerder deed in de met een BAFTA en Emmy Award bekroonde documentaire Saving Africa’s Witch Children (2008), over kinderen die bezeten zouden zijn door de duivel en daarom rücksichtslos uit de weg moeten worden geruimd, en Donordrama (2018), een schrijnende film over de internationale handel in menselijke organen uit India en Bangladesh.

Het resultaat is wederom schokkend: afgetapt bloed, handel in kinderschedels en afgehakte handen. In het kielzog van Peter Sewakiryanga nemen de filmmakers de schade op bij de slachtoffers en hun familieleden, maar maken ze ook jacht op de daders, die via een undercoveractie met verborgen camera in de val moeten worden gelokt. Zo wordt een angstaanjagende wereld blootgelegd, waarin bijgeloof en winstbejag hand in hand gaan en het leven van een kind soms niet meer waard lijkt dan dat van een willekeurig dier.

Bruce Lee & The Outlaw

EO

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Drømmeland

Amstel Film

Als het maar geen Into The Wild wordt, verzucht Mijn Medekijker als de begintitels van Drømmeland in beeld verschijnen. En inderdaad, de keuze van de zestigjarige Noor Nils Leidal doet in de verte denken aan de tragisch geëindigde terugtocht in de natuur van Christopher McCandless, zoals die werd verfilmd door Sean Penn en van een soundtrack voorzien door Pearl Jam-zanger Eddie Vedder.

Drømmeland (72 min.) van Joost van der Wiel is echter geen treurig stemmende film over een loner die lijdzaam zijn einde tegemoet gaat. Nils is een strijdbare man, die bij aanvang van deze observerende documentaire officieel afstand doet van zijn Noorse staatsburgerschap, demonstratief zijn paspoort verbrandt en de samenleving vervolgens officieel de rug toe keert, om in z’n eentje zijn heil te zoeken in een houten hut in het Hardangervidda-gebergte.

Mijn Medekijker moet zelfs grinniken als Nils door het een of ander dier wordt gestoord terwijl hij net poedelnaakt van de zon ligt te genieten. Half aangekleed en gewapend met zijn buks gaat hij erachteraan. Niet veel later heeft hij een eland geschoten en wordt die voor de camera gevild en leeg getrokken. Nou smakelijk!, vindt Medekijker. Na afloop neemt Nils er voldaan een drankje op. Hij heeft voorlopig weer te eten.

Toch zondert de overtuigde autonoom zich niet volledig af van de wereld zoals wij die kennen. Behalve de gesprekken met zijn trouwe paard Lettir houdt de man via zijn iPhone ook voortdurend voeling met de wereld die hij heeft achtergelaten. De solitaire Nils, die natuurlijk ook al regelmatig wordt gevolgd door een cameraploeg, blijkt toch meer behoefte te hebben aan menselijk contact, een publiek zelfs, dan hij zelf had gedacht.

Van der Wiel laat die drang om te communiceren, om ondanks alles mens onder de mensen te zijn, steeds duidelijker naar de oppervlakte komen in deze sfeervolle film, waarbij de soundtrack van componist Tobias Borkert echt een wezenlijk onderdeel van het verhaal vertelt. Drømmeland roept zo de vraag op of moderne mensen nog in staat zijn om de wereld links (of in het geval van Nils Leidal: rechts) te laten liggen. De zelfverkozen kluizenaar Nils Leidal is, volgens Mijn Medekijker, in elk geval ‘gewoon’ een sociaal dier.

Satudarah – One Blood

De president van het El Gitano-chapter gebaart dat Jack naar voren moet komen. Hij gaat – nietsvermoedend? – voor de groep staan, de getatoeëerde handen netjes over elkaar. Zijn clubgenoten, allemaal in een leren bodywarmer met rang, functie en verdiensten erop, staan met hun armen over elkaar om hem heen. Als een privéleger, dat elk moment kan toeslaan. ‘Een president is een president. Da’s geen koekwous, of wel?’ sneert de leider naar Jack. ‘Wat betekent ‘no contact’? ‘Geen contact’, antwoordt het lid in opspraak bedremmeld, duidelijk op zijn hoede. De president is inmiddels woedend: ‘En wat doe jij?’

Jack heeft nog niet ‘met wie?’ geantwoord of hij krijgt, op aanwijzing van de ‘pres’, enkele ferme klappen toebedeeld. Hij probeert de pijn te verbijten. De boodschap is helder: deze president van motorclub Satudarah laat niet met zich spotten. En wie niet horen wil, moet maar voelen. Jack kan bovendien zijn jack inleveren. ‘Wegwezen!’, voegt El Gitano’s verontwaardigde leider hem nog toe. Het parool ‘Satudarah tetap, tetap Satudarah’ (ofwel: ‘Satudarah voor altijd, voor altijd Satudarah’) geldt totdat de club zelf anders beslist en je in ‘bad standing’ wordt weggestuurd.

Die eerste klappen zijn direct een daalder waard in de openingsscène van de overweldigende documentaire Satudarah: One Blood (83 in.) uit 2015. Joost van der Valk en Mags Gavan, die eerder bij de Nederlandse Crips-gang filmden, portretteren de Molukse motorclub van binnenuit. Ze leggen met gevoel voor drama de welhaast militaristische rituelen vast, tekenen de onderlinge omgang en codes op en zijn erbij als Satudarah met de nodige bravoure zijn werkterrein uitbreidt naar Duitsland, waar de club meteen in botsing komt met de al even beruchte Bandidos. Intussen volgen ze de leiders naar hun geboortegrond in het huidige Indonesië, waar ze nog altijd hopen op een eigen Molukse staat en Satudarah is geworteld.

De filmmakers concentreren zich op enkele hoofdpersonen die gezamenlijk de gehele motorclub representeren, zoals de voormalige bajesklant die zich direct weer wil manifesteren, een brekebeen van twaalf ‘ambachten’ en dertien ‘ongelukken’ en de potentiële nieuwe leider Olla, een kind van een KNIL-militair die zijn eigen bikkelharde opvoeding in de praktijk brengt bij de club. Satudarah vormt een geheel eigen wereld waarbinnen alleen echte mannen zich staande kunnen houden. Vrouwen laten zich in deze testosteronfilm nauwelijks zien en zijn relatief eenvoudig in te delen binnen twee clichématige categorieën: lustobject of moederfiguur.

Satudarah: One Blood is geen documentaire die een oordeel velt – dat zou je op de film tegen kunnen hebben. Van der Valk en Gavan stellen ook geen kritische vragen, maar gaan mee in de belevingswereld van hun subjecten. Alleen nieuwsberichten uit radiobulletins, tijdens de montage toegevoegd, plaatsen de handelingen van de motorclub in zijn maatschappelijke – en strafrechtelijke – context. Verder mag de kijker zelf oordelen: criminele bende, potsierlijke machokliek of gewoon een gezellige vereniging voor motorvrinden? Één conclusie staat op voorhand vast: dit is een ijzersterke film, die de deur openwrikt naar een verboden wereld, aan het spreekwoordelijke eind van de straat. Één keer flink gas geven en je bent er – als je dat zou willen.

De complete documentaire Satudarah – One Blood is hier te bekijken.

Donordrama

donordrama

 

Er is blijkbaar behoefte aan en wie zijn wij dan om daar niet aan te voldoen? In zijn voorstelling Ruwe Pit (2001) vat cabaretier Theo Maassen op geheel eigen wijze de kapitalistische basisgedachte samen. Vanuit dat uitgangspunt is het niet zo vreemd dat er zoiets als een levendige handel in menselijke organen is ontstaan.

Joost van der Valk en Mags Gavan, het filmende stel dat ook al met verve doordrong tot de wereld van de Haagse Crips-gang en de beruchte Molukse motorclub Satudarah, begeeft zich in de internationale orgaanhandel. Als potentiële afnemers van een ‘gedoneerde’ nier. Met een eigen Facebook-pagina, flink gevulde portemonnee én meerdere verborgen camera’s.

Van der Valk fungeert als verteller in Donordrama (47 min.), Gavan doet zich voor als de vrouw die een nier nodig heeft – voor haar zus, zo stellen ze het verhaal al snel bij. Hun zoektocht brengt hen in schimmige kringen in India en Bangladesh. Letterlijk schimmig overigens, want het leeuwendeel van handelaren, doktoren en advocaten waarmee ze op weg naar een transplantatie moeten dealen is onherkenbaar gemaakt.

Gaandeweg dringt het duo ook door tot enkele donoren, voor wie het verkopen van een orgaan bittere noodzaak was om het hoofd boven water te houden en die sinds de operatie nog dagelijks kampen met de gevolgen daarvan, lichamelijke klachten en sociale uitsluiting. Als tegenhanger portretteren Van der Valk en Gavan de Friese man Lammert die, vanwege het tekort aan donornieren in Nederland, al heel lang wacht op een transplantatie en zienderogen aftakelt.

Gewone mensen die, gedwongen door de omstandigheden, producent en consument worden van een product dat je eigenlijk niet wilt verhandelen. Ze worden bijeen gebracht door handige handelslieden, die vakkundig vraag en aanbod op elkaar afstemmen – en ook best een centje willen bijverdienen. Want er is, blijkt maar weer eens uit deze schrijnende documentaire, blijkbaar behoefte aan…