Welcome To The Family: The Murder Of Dan Markel

Disney+

Hij was naar verluidt een zeer strenge rechtendocent, maakte met zijn blog Prawlsblawg bepaald niet alleen vrienden en stond een New Yorkse rabbi bij in de geruchtmakende Prodfather-zaak. Als Daniel Markel op de ochtend van 18 juni 2014 koel wordt geliquideerd op de oprit van zijn eigen huis in een nette wijk van Tallahassee, een zaak die half Amerika in z’n greep krijgt, weet de politie van Noord-Florida nog niet in welke hoek ze de dader of diens opdrachtgever moet vinden.

Twaalf jaar later maakt de titel van deze vierdelige true crime-serie op voorhand al duidelijk waar volgens regisseur Sebastian Smith het echte verhaal zit: Welcome To The Family: The Murder Of Dan Markel (169 min.). Bij Markels schoonfamilie om precies te zijn, de Adelsons, een gefortuneerde familie uit Miami in Zuid-Florida. Ten tijde van zijn dood was Markel verwikkeld in een vechtscheiding met zijn ex-vrouw Wendi Adelson, die hun twee zoontjes wilde meenemen naar het zuiden van de staat.

Die strijd om de voogdij lijkt een aannemelijk motief en is mogelijk ook de aanzet geweest voor het opzetten van een huurmoord. Daarmee zou zo’n 15.000 dollar gemoeid zijn, volgens Wendi’s nieuwe (en al snel ook alweer ex-)vriend Jeff Lacasse. Die stelt ook: de Adelson-familie is ‘ongezond verstrengeld’. Wendi’s vader Harvey, moeder Donna en broer Charlie zouden een al even ongezonde diepgewortelde ‘Dan-haat’ hebben. Alleen oudste broer Robert, het zwarte schaap van de Adelsons, blijft daarbuiten.

Smith pluist alle intriges rond de moord op die gehate zwager/schoonzoon uit met de betrokken rechercheurs, getuigen, vrienden, kennissen en, jawel, een true crime-podcaster. Bij dat complot zouden zoveel verschillende personen betrokken zijn geraakt dat hij de onderlinge verhoudingen bovendien in beeld brengt met wassen poppetjes, zonder gezichtsuitdrukking, die samen een tamelijk verknipte familie-opstelling vormen en de rechtbankverklaringen, verhoorbeelden en telefoonopnames aanvullen.

Met een even ingenieuze als twijfelachtige undercoveroperatie proberen de FBI en de politie de moordzaak, die dan al jaren aansleept, uiteindelijk vlot te trekken. Uitgangspunt daarbij is dat niet alleen degenen die de trekker overhaalden hun straf moeten uitzitten. Ook hun vermoedelijke opdrachtgevers, Dan Markels ‘monsters-in-law’, mogen de dans niet ontspringen. Vooralsnog wanen die zich echter onaantastbaar en laten ze zich ook zeker niet zomaar in de val lokken of inrekenen.

De Adelsons vormen zo, ook voor de nét iets te gretig meelevende Amerikaanse true crime-gemeenschap en kijkers van deze adequate miniserie, een prettig doelwit. Net als bijvoorbeeld de Dursts en Murdaughs, steenrijke families die eveneens betrokken raakten bij spraakmakende misdrijven, representeren zij een kaste die overal mee lijkt weg te komen en nu maar eens hardhandig tot de orde moet worden geroepen.

Jimmy & The Demons

Magnet Film / VPRO

Op een gegeven moment begint Jimmy Grashow zelf een beetje te lijken op de Christusfiguur, met een heuse kathedraal op zijn rug, waaraan hij nu al drie jaar vol overgave werkt. De Amerikaanse kunstenaar, illustrator en beeldhouwer mag de tachtig dan al zijn gepasseerd, maar hij legt nog steeds ziel en zaligheid in zijn werk. En net als zijn uit hout gesneden Christus wordt hij daarbij omringd door zijn eigen duivels en demonen. In zekere zin is een kunstwerk nu eenmaal een zelfportret.

In de liefdevolle documentaire Jimmy & The Demons (94 min.) volgt Cindy Meehl de ontwapenende kunstenaar en zijn vrouw Guzzy, met wie hij al ruim een halve eeuw getrouwd is, tijdens het werken aan het groots opgezette houtsnijkunstwerk dat hij zelf beschouwt als zijn ‘grande finale’. Grashow is een warme en begeesterde man, met wie het gemakkelijk meeleven is – ook omdat hij op geen enkele manier blasé lijkt. Hij gáát ervoor, met alles wat ie heeft, en pleegt zo meteen roofbouw op zichzelf.

Zijn echtgenote ziet het soms met lede ogen aan. Op ‘Guzzy’s worry ladder’ geeft ze haar voornaamste zorgen van dat moment een plek. ‘Health’ staat nu op één, met ‘Jimmy’ daar net achter. Via het onafscheidelijke duo dringt Meehl door tot het wezen van het kunstenaarschap – zonder dat haar film al te serieus of zwaar wordt. Want voor Jimmy mag zijn werk dan een toevluchtsoord zijn, in een wereld vol chaos en ellende, hij houdt oog voor zijn omgeving en blijft dankbaar voor al wat die hem te bieden heeft.

Terwijl de voltooiing van zijn werk in zicht komt en Grashow nog te maken krijgt met de verplichte crisis die elke grote prestatie lijkt te vergezellen, vertelt deze fijne film ook het verhaal van zijn leven en werk. Hoe een onzeker Joods jongetje ontdekt dat hij een talent heeft en daarmee begint te ‘spelen’, een gevoel dat hij zijn leven lang vast weet te houden. Daarmee kan Jimmy ook zijn altijd weer opspelende angst voor de dood, de realisatie dat wij allen maar al te sterfelijk zijn, hanteerbaar houden.

Zo stevent hij ook zelf af op de grande finale. Dankbaar voor het leven dat hij heeft geleid, als kunstenaar en als familieman. En overmand door melancholie dat het einde nu echt in zicht is. Deze film toont hem als een man om van te houden, met ook werk waarvan het hart moeiteloos open bloeit.

Speechless

Good Soup Productions

‘De antiracisten, de antifascisten, de antiseksisten, de anti-imperialisten en, natuurlijk, de antikapitalisten’, besluit professor Russell Rickford van Cornell University in New York zijn vlammende speech. ‘Ze blijven ons inspireren. Dus blijf je organiseren en blijf herrie trappen.’ Rickford heeft slechts acht dagen na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 – en ruim vóór Israëls verwoestende respons in Gaza – flink van zich doen spreken. De aanval van Hamas is volgens hem ‘exhilarating’ en ‘energizing’.

Op dat moment, in het tweede deel van haar lijvige documentaire Speechless (176 min.), krijgt de zoektocht van Ric Esther Bienstock naar de aanhoudende frictie rond de vrijheid van meningsuiting op Amerikaanse universiteiten een persoonlijk karakter. De filmmaakster is zelf Joods en voelt zich aangesproken door Rickfords agressieve retoriek, nadat gewone Israëlische burgers het slachtoffer zijn geworden van een bloedige aanval. Enkele maanden later steekt de Amerikaanse veteraan Aaron Bushnell zichzelf in brand, om te protesteren tegen Israëls verpletterende optreden in Gaza.

Bienstocks zoektocht is al in 2017 begonnen op het Evergreen State College in Olympia, in de Amerikaanse staat Washington, waar de jaarlijkse ‘Day Of Absence’ voor witte medewerkers een verplichtend karakter heeft gekregen. Docent evolutionaire biologie Bret Weinstein laat zich echter niet zomaar wegsturen van de campus en zet zo een snel ontsporend debat in gang. Op pijnlijke beelden is te zien hoe militante studenten het schoolhoofd George Bridges ongenadig uitkafferen, fascist noemen en beschuldigen van ‘microagressie’ – omdat de man te veel met zijn handen zou praten.

Studenten van het York College in Pennsylvania gaan deze casus vervolgens bestuderen. Met hun docent Erec Smith constateren ze dat het conflict een typisch voorbeeld is van de botsing tussen klassiek links gedachtegoed en ‘Critical Social Justice’, een manier van kijken naar de wereld die ook wel ‘woke’ wordt genoemd. Onderwerpen worden door aanhangers daarvan benaderd vanuit het uitgangspunt van ‘onderdrukker versus onderdrukte’. Niet veel later wordt Smith een ‘white supremacist’ genoemd. Door een witte persoon. Om het helemaal ingewikkeld te maken: Erec Smith is zelf zwart.

Ric Esther Bienstock onderzoekt of de academische vrijheid door zulke ontwikkelingen in gevaar komt. Op diverse plekken verdiept ze zich in hoog oplopende discussies over de onderdrukkende of juist bevrijdende werking van taal, radicale vormen van antiracisme en cancelcultuur, alvorens ze in deel twee het terrein van (vermeende) transfobie betreedt. Ze spreekt met de wetenschappers Carole Hooven, evolutionair bioloog op Harvard, en Kathleen Stock, een filosofe verbonden aan Oxford, die ernstig onder vuur kwamen te liggen en nauwelijks steun van hun collega’s of werkgever ervoeren.

Het open klimaat op universiteiten wordt daarnaast ook onder vuur genomen, laat de filmmaakster zien, door conservatieve activisten zoals Christopher Rufo, Hij verzet zich demonstratief tegen het uitgangspunt van Diversity, Equity en Inclusion (DEI) en krijgt van Florida’s gouverneur Ron DeSantis de kans om de linkse universiteit New College te hervormen. De DEI-directeur wordt direct ontslagen, het genderstudie-programma afgesloten en genderneutrale toiletten verwijderd. Rufo maakt van zijn hart bovendien geen moordkuil, ook niet in deze film, en blijft bijvoorbeeld rustig ‘misgenderen’.

En dat is een terugkerend beeld in deze urgente film, die de ontsporing van het publieke debat pregnant in beeld brengt: aan de frontlinie van de cultuuroorlog is geen enkele ruimte meer voor begrip of nuance. ‘Suck my tranny dick’, schreeuwt de activistische student Libby Harrity bijvoorbeeld tegen Rufo. Waarop die dat provocerend ‘anatomisch incorrect’ noemt en meteen een zaak start tegen Libby, die bij het spugen op de grond zijn tenen zou hebben geraakt. Het schikkingsvoorstel dat uiteindelijk op tafel komt – leave and never come back – is voor de protesterende student een bijzonder bittere pil.

Enige koudwatervrees is in zo’n giftig klimaat best te begrijpen. Voor elke persoon die Ric Esther Bienstock bereid heeft gevonden om voor haar camera plaats te nemen, zijn er dus ook talloze anderen die deze gifbeker liever aan zich voorbij lieten gaan. Zelfcensuur is nu eenmaal een onvermijdelijk bijproduct van een zich vernauwend publiek debat.

Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth

Whyaduck Productions

Zijn scheiding van Hot Honey Harlow maakte Lenny Bruce van Lenny Bruce, stelt zijn moeder Sally. Van tevoren zocht de Amerikaanse stand-upcomedian (1925-1966) ook al de grenzen van het betamelijke op, zowel op het podium als in zijn privéleven, maar daarna was de beer pas écht los.

Honey Bruce, hun dochter Kitty en Lenny’s moeder Sally Marr schetsen in Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth (97 min.) een levendig beeld van de branieschopper uit New York. Hij maakte van zijn hart nooit een moordkuil, maar moest zijn mond vervolgens wel talloze malen spoelen. Als een aanstootgevend woord maar vaak genoeg wordt gebruikt, zo leek echter Bruces stellige overtuiging, wordt het onschadelijk gemaakt.

Hij verdient ‘De Bad Taste Award’ schreef een krant toen Lenny Bruce in de jaren vijftig een vaste gast werd op de Amerikaanse televisie. Toen moesten zijn problemen met de wet nog beginnen. Regisseur Robert B. Weide toont in dit postume portret uit 1998 hoe de controversiële comedian zichzelf langzaam in een hoek van de kamer schilderde en daarbij een fiks handje werd geholpen door de Amerikaanse autoriteiten.

Zij begonnen Bruce te vervolgen voor obsceen gedrag en -taalgebruik tijdens optredens en arresteerden hem ook vanwege het bezit van drugs. Al snel durfden clubeigenaren hun vingers niet meer te branden aan de komiek en dreigde zijn carrière uit te doven. Intussen ging de man, die de lusten van het leven nauwelijks kon weerstaan en ervan overtuigd was dat hij geen eerlijk proces had gekregen, naar de gallemiezen.

Hij liet een half afgemaakte zin achter op zijn typemachine, aldus verteller Robert de Niro in deze boeiende film, die met een jazzy soundtrack lekker op temperatuur is gebracht: ‘Conspiracy to interfere with the Fourth Amendment const…’ Het woord ‘constitutes’ zou hij nooit afmaken. Lenny Bruce ging ten onder aan datgene waarvoor hij had gestreden, het vrije woord, in combinatie met het gebruik van harddrugs.

Na hem zou er nooit meer een optredende artiest voor de rechter worden gedaagd vanwege obsceniteiten, constateert Weide tot besluit, alvorens hij voor de aftiteling de kraker I Fought The Law van de befaamde punkband The Clash instart. De boodschap daarvan, vervat in een zin van slechts vier woorden, is onontkoombaar: ‘And the law won.’

Torn: The Israel-Palestine Poster War On NYC Streets

Metallux Studio

Na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023, waarbij ook een groot aantal Israëlische burgers is ontvoerd, beginnen Amerikaanse familieleden van hen heel New York vol te hangen met felrode ‘Kidnapped’-posters, om aandacht te vragen voor de situatie van de gegijzelden en het onbeschrijflijke leed dat zo wordt veroorzaakt.

Als de situatie in Gaza ondertussen volledig escaleert, slaat de strijd ook over naar de Amerikaanse stad. Tegenstanders van Israëls meedogenloze militaire campagne beginnen diezelfde posters te verwijderen. Ze beschouwen die als niet meer dan propaganda, om de genocide op weerloze Palestijnse burgers te legitimeren.

Genuanceerd brengt Nimrod Shapira in Torn: The Israel-Palestine Poster War On NYC Streets (75 min.), aan de hand van de gebeurtenissen in Israël en Gaza in de laatste maanden van 2023, de ideologische strijd die ontbrandt op de New Yorkse straten in beeld. Over wie de echte slachtoffers zijn en welke slachtoffers aandacht krijgen.

Shapira bevraagt daarbij ook enkele posterplakkers. De verwijderaars wilden hem niet aan het woord staan. Hun standpunten en zorgen verwerkt hij via televisie-interviews en social media-uitingen alsnog in zijn film. Hij legt die ook voor aan de mensen achter de posters, die er serieus op ingaan. Zo komt het zowaar toch tot een soort conversatie.

Hoe anders gaat het er op straat, online en in de buitenwereld meestal aan toe. ‘The person who tore this poster supports the MURDER, RAPE and MUTILATION of Jews’, schrijft een boze Joodse Amerikaan bijvoorbeeld. Zo ontspoort het debat steeds verder en leidt dit ook tot het namen & shamen, cancelen en doxen van de opponent.

De Joodse schrijfster Nina Mogilnik, die zelf een kind met een autismespectrumstoornis heeft en die daardoor extra werd geraakt door de ontvoering van het twaalfjarige autistische jongetje Noya Dan, besluit uiteindelijk te stoppen met posteren. Ze gaat op zoek naar een manier om de woede en morele verontwaardiging achter zich te laten.

Met een stift schrijft ze ‘you are loved’ op de resten van weggerukte posters. Het is een klein menselijk gebaar, in een volledig gepolariseerd debat, dat allang niet meer alleen in New York op hoge toon wordt gevoerd. Die scherpte zorgt ervoor dat gewone mensen zich aangevallen en onveilig voelen en ervoor kiezen om voortaan hun mond te houden.

Torn maakt dit fundamentele ongemak, aan de hand van een concrete casus, pijnlijk voel- en zichtbaar.

33 Zdjęcia Z Getta

HBO Max

De bewoners van het Joodse getto van Warschau hebben helemaal niets meer te verliezen als ze op 19 april 1943 in opstand komen tegen de nazi’s. Behalve hun leven.

De Duitsers slaan de opstand met brute kracht neer en branden het getto helemaal plat. Dit wordt stiekem gefotografeerd door de 23-jarige Poolse brandweerman Leszek Grzywaczewski. ‘Het vuur drijft de Joden naar het verzamelpunt, de zogenaamde Umschlagplatz’, schrijft hij in zijn dagboek over deze inktzwarte periode. ‘Gewonden en zieken worden ter plekke geëxecuteerd. Reddingen zijn verboden. Dan worden de Joden naar een spoor gebracht en naar een onbekende bestemming gedeporteerd.’

Het leeuwendeel van de 33 foto’s van Leszek Grzywaczewski, die ruim dertig jaar geleden overleed, is pas onlangs ontdekt door zijn zoon Maciej. Tot dan toe waren alleen de twaalf foto’s bekend die begin jaren negentig in het Holocaust Memorial Museum zijn terechtgekomen. Deze nieuwe vondst – en de akelige geschiedenis die daarmee wordt blootgelegd – vormt het fundament onder de documentaire 33 Zdjęcia Z Getta (33 Photos From The Ghetto, 78 min.), een stemmige film van Jan Czarlewski.

Eerst schetst de Poolse filmmaker – met behulp van een getuigenis uit 1996 van Romana Laks, die als kind zat ondergedoken bij de familie Grzywaczewski, voor de Shoah Visual History Foundation – de benarde positie van de Joden in het getto van Warschau en de historische context van de opstand. Daarna ontleedt Czarlewski met deskundigen nauwgezet hoe en waar de onlangs aangetroffen fotonegatieven zijn gemaakt en wat er precies is te zien op de beelden, die met gevaar voor eigen lijf en leden zijn gemaakt.

De nazi’s hebben de opstand destijds zelf ook vastgelegd, om te kunnen gebruiken voor propaganda. Grzywaczewski zette daar zijn eigen beelden tegenover. Als bewijs voor de misdaden tegen de menselijkheid die in zijn aanwezigheid werden begaan, toen hij als brandweerman met de armen over elkaar moest toezien hoe een brand het getto verwoestte. Hij hield de foto’s altijd bij zich. Zodat ze naar buiten konden worden gebracht als de wereld dreigde te vergeten wat er destijds in het getto van Warschau was gebeurd.

A Still Small Voice

Abramorama

Zo gejaagd als zijn vorige documentaire Midnight Family (2019) – waarin hij in de commerciële ambulance stapt van de Mexicaanse familie Ochoa, die op zoek naar klussen door nachtelijk Mexico-Stad raast – zo kalm lijkt deze nieuwe observerende film van Luke Lorentzen over Margaret Engel, een startende geestelijk verzorger die tijdens de Coronacris werkt in het New Yorkse ziekenhuis Mount Sinai.

Schijn bedriegt echter in de documentaire A Still Small Voice (93 min.). Onderhuids broeit er van alles tijdens haar ontmoetingen met patiënten, besprekingen met collega’s en de supervisiegesprekken met haar eigen begeleider. Kapelaan Margaret, kortweg Mati, heeft moeite om grenzen aan te geven en zich daar vervolgens ook aan te houden, met als gevolg dat ze er soms bijna aan onderdoor gaat.

Haar werk is ook ontzettend veeleisend. Ga maar eens in gesprek met twee zeventienjarige ouders, waarvan de elf maanden oude baby een operatie niet heeft overleefd. Hoe troost je een vrouw die als enige in haar familie longkanker heeft gekregen, terwijl juist zij al dertig jaar is gestopt? En welke woorden passen bij het dopen van een baby, waarvan zojuist het tweelingzusje is gestorven?

Mati legt haar ervaringen voor aan haar vaste begeleider David Fleenor, de pastor die het programma waarbinnen zij actief is al enkele jaren coördineert. Hun interactie blijft te allen tijde beleefd en begripvol. Te midden van alle (zelf)reflectie ontstaat er echter ook, zorgvuldig geformuleerd onbegrip en frictie. Zozeer zelfs dat David geen zin meer heeft om supervisie te verlenen, vertelt hij weer aan zijn eigen coach.

Allebei zijn ze op hun eigen manier op zoek naar zingeving en proberen ze te luisteren naar de innerlijke stem die vertelt wat je moet doen – ook al botst dat met wat het werk of de ander vraagt. Lorentzen kijkt aandachtig mee, vangt veelbetekenende stiltes, blikken en bewegingen en laat die voor wat ze zijn: signalen om de ander iets duidelijk te maken, die hen ook iets vertellen over hun eigen gemoedstoestand.

A Still Small Voice wordt daarmee geen gemakkelijke hap-slik-weg film, maar een psychologisch portret van begeleiders die, niet in het minst door wat er tijdens een maatschappelijke crisis op hen afkomt, zelf ook om zorg verlegen zitten. Voor datgene wat in hen schreeuwt, dienen ze alleen professionele woorden te vinden. Zodat ze de relatie met elkaar, hun patiënten en zichzelf kunnen behouden.

De Verdwenen Buurt

EO

De vader van Louis de Leeuwe wilde uiting geven aan zijn ‘onbenoembare verdriet’. Bij zijn pensionering in 1989 kreeg Jacques de Leeuwe van zijn kinderen het boek De Verdwenen Buurt (58 min.) van ingenieur Ies van Creveld, die zich had opgeworpen als geschiedschrijver van Joods Den Haag. Na het lezen nam De Leeuwe direct contact op met de schrijver. ‘Ik ben er kapot van.’

Een missie voor de rest van zijn leven was geboren. Jacques de Leeuwe, die zelf zijn ouders verloor in de Tweede Wereldoorlog en daar nauwelijks over sprak, besloot om een maquette van ‘de Jodenbuurt’ te gaan maken. De op een na grootste Joodse gemeenschap van Nederland was door de nazi’s vrijwel volledig uitgeroeid. Van de 17.000 Joodse Hagenaars overleefden er slechts tweeduizend de oorlog.

In samenspraak met bewoners probeerde De Leeuwe de huizen van deze verdwenen buurt zo nauwkeurig mogelijk na te maken. Hij wilde volgens zijn zoon Louis niets aan het toeval overlaten en zou uiteindelijk zo’n zeven jaar werken aan deze historische reconstructie, die in 1996 een plek kreeg in het Haagse gemeentehuis. En Louis zorgt ervoor dat het bijbehorende verhaal twintig jaar later nog altijd wordt verteld.

Hij krijgt in deze degelijke documentaire van Danny Akker, waarvoor Job Cohen als verteller fungeert, gezelschap van rabbijn Mendel Katzman, de achterkleinzoon van Izak van Gelder en zijn vrouw Lea. Ook rabbijn Van Gelder ontkwam niet aan deportatie. Samen met zijn vrouw werd hij in 1943 meegenomen naar het Nederlandse kamp Westerbork. Van daaruit volgde hun laatste reis naar het vernietigingskamp Sobibor.

Hoewel zulke verhalen al telkenmale zijn verteld, blijven ze onwerkelijk. En elke ooggetuige of herinnering is er één, nu de oorlog steeds langer geleden is en nieuwe verhalen uit de eerste hand alsmaar spaarzamer worden.

Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann

mk2 Films / Arte

Twaalf jaar heeft Claude Lanzmann gewerkt aan Shoah (1985), zijn epische documentaire van negen en een half uur over de Holocaust. Het tweeluik is inmiddels opgenomen in het UNESCO Memory Of The World Register.

Tegenwoordig is nauwelijks meer voor te stellen dat Shoah er voor hetzelfde geld helemaal niet was gekomen. De Franse schrijver en filmmaker Claude Lanzmann (1925-2018) werd begin jaren zeventig benaderd, was eigenlijk helemaal niet zo happig op het maken van een film over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en wilde er, door allerlei strubbelingen en tegenslagen, ook meerdere malen de brui aan geven.

In Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann (internationale titel: All I Had Was Nothingness, 95 min.) neemt hij de wording van dit monument nog eens nauwgezet door. Althans, dat doet de Franse documentairemaker Guillaume Ribot, die de beschikking kreeg over 220 (!) uur ruw materiaal en vervolgens een voice-over van Lanzmann samenstelde, die is gebaseerd op zijn memoires en persoonlijke geschriften.

Een documentaire over het maken van een documentaire dus. En dat is in het geval van Shoah niet vreemd. Sterker: het is ook niet de eerste documentaire over het maken van de belangrijkste Holocaust-documentaire aller tijden. Claude Lanzmann: Spectres Of The Shoah (2015) van Adam Benzine richt zich op de betekenis van de film en de al even kolossale man daarachter, die daarover zelf ook uitgebreid aan het woord komt.

Deze nieuwe film, veertig jaar na de oorspronkelijke release van Shoah uitgebracht, richt zich nog nadrukkelijker op het maakproces van deze ‘race tegen de dood’ en volgt dit echt vanuit het perspectief van Lanzmann en zijn Duitse assistente Corinna Coulmas. ‘We konden niet filmen wat er was gebeurd’, vertelt hij erbij, omdat het bewijsmateriaal nu eenmaal grotendeels was vernietigd. ‘Daarom moesten we het opnieuw oproepen.’

Claude Lanzmann schuwt daarbij ogenschijnlijk geen enkel middel: hij zet Abraham Bomba, een Joodse man die vrouwen knipte voordat ze naar de gaskamers gingen, aan het werk in een kapperszaak. Voor Henryk Gawkowski, conducteur op de doodstreinen naar Treblinka, regelt hij een locomotief. En Lanzmann vraagt Simon Srebnik, één van de twee overlevenden van het vernietigingskamp Chelmno, om een oud Pools liedje te zingen.

En bij daders gaan de handschoenen echt uit: hij ritselt een vals paspoort, presenteert zich als historicus van een fictief onderzoeksinstituut en maakt gebruik van een verborgen camera, de zogeheten Paluche. Zo filmt hij bijvoorbeeld stiekem het interview met de nazi Franz Suchomel, terwijl die alleen heeft ingestemd met een geluidsopname. En als Suchomels vrouw het bedrog ontdekt, liegt Lanzmann dat het gedrukt staat.

Het doel heiligt voor hem duidelijk alle middelen. Tegelijkertijd is deze tocht naar de donkerste kamers van de hel de Franse intellectueel natuurlijk ook niet in de koude kleren gaan zitten. Ribot besluit zijn geslaagde film niet voor niets met een intieme scène, als Claude Lanzmann na een geladen gesprek met Yitzhak ‘Antek’ Zuckermann, één van de leiders van de opstand in het ghetto van Warschau, even steun zoekt bij hem.

Alleen samen zijn ze bestand tegen wat zich opnieuw, wéér, voor hun ogen ontrolt.

Steal This Story, Please!

Elsewhere Films

Als onverschrokken journalist is Amy Goodman zonder enige twijfel een product van haar familie. Thuis, in huize Goodman te New York, hadden ze vroeger bijvoorbeeld een familiekrant, Dave’s Press. Die was opgericht door haar achtjarige broer Dave. En kleine Amy zorgde ervoor dat alle familieleden netjes hun penny abonnementsgeld betaalden. Op een dag schreef Dave in de krant dat zijn moeder hem een tik had gegeven. Dit was ma Goodman toch te gortig. En dat vond Dave dan weer censuur.

Via ingezonden brieven bestookten de Goodmans elkaar met meningen over actuele thema’s, zoals de oorlog in Vietnam. ‘Dat hoorde ook bij mijn Joodse opvoeding’, vertelt Amy Goodman, inmiddels al zo’n dertig jaar het boegbeeld van het onafhankelijke Amerikaanse platform Democracy Now!. ‘Je stelt vragen en neemt niets voor vanzelfsprekend aan. Je benadert de wereld vanuit een intense nieuwsgierigheid en bent nooit bang om voor je principes te gaan staan.’ Die attitude heeft ze, kunnen we zo’n zestig jaar later wel vaststellen, sindsdien met verve in de praktijk gebracht.

Steal This Story, Please! (100 min.) is zowel een eerbetoon aan Amy Goodmans journalistieke loopbaan als aan onafhankelijke journalistiek in het algemeen. Want of ‘t nu in Nigeria, Irak of Gaza is, Goodman gaat met haar poten in de modder staan en stelt de vragen die gesteld moeten worden. Zij wil tevens een podium bieden aan mensen die anders niet aan het woord komen. Ook die attitude heeft ze van thuis meegekregen. Haar grootouders konden in Oost-Europa ternauwernood aan de Jodenvervolging ontkomen. Zij gaven het belang van het vrije woord door aan volgende generaties van de familie.

De journalist in Amy Goodman beleefde haar vuurdoop in Oost-Timor. Daar was ze er in 1991 getuige van hoe het Indonesische leger een bloedbad aanrichtte onder demonstranten. Sindsdien laat ze niet meer los. In dat opzicht zet de openingsscène van deze urgente documentaire van Carl Deal en Tia Lessin meteen de toon: nadat de Amerikaanse president Donald Trump in 2018 heeft verklaard dat klimaatverandering niets meer is dan een hoax, zet Goodman op de navolgende klimaattop in Katowice de achtervolging in op zijn vertegenwoordiger. De man rent voor zijn politieke leven.

Goodmans vasthoudendheid pakt in Steal This Story, Please! – een oproep aan andere media om er vooral ook met haar verhalen vandoor te gaan – wel vaker grappig uit. Als de Amerikaanse president Bill Clinton op de dag van de verkiezingen van 2000 bijvoorbeeld even inbelt om burgers op te roepen om vooral te gaan stemmen, onderwerpt ze hem aan een waar vragenvuur. Een half uur later is Clinton kribbig en krijgt Amy Goodman een ferme reprimande van zijn persvoorlichter. Daarover haalt ze haar schouders op: hij is de leider van de vrije wereld, die kan toch gewoon de hoorn erop gooien?

Hoewel haar achtergrond in dit bewonderende portret regelmatig wordt verbonden aan haar werk, blijft Goodmans privéleven volledig buiten beeld. Behalve d at haar hondje Zazu heet – nee, niet vernoemd naar het gelijknamige personage uit de Disney-klassieker The Lion King, maar naar een antifascistische jeugdbeweging in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog – worden we over de vrouw achter de journalist nauwelijks iets wijzer. Zelfs niet of het haar soms zwaar te moede is, met een man zoals Donald Trump, die zijn achterwerk afveegt aan de persvrijheid, aan de macht.

Duidelijk is dan al wel: Amy Goodman laat zich niet de mond snoeren. Nooit.

Connected

SkyShowtime

Als de Russische oppositieleider Aleksej Navalny begin 2021 wordt gearresteerd, kiest de man die hem al jaren openlijk steunt, Dmitry Borisovitsj Zimin, de vlucht naar voren. Hij verlaat zijn geboorteland en zal er ook nooit meer terugkeren. Binnen een jaar is ‘Dim’ er zelfs helemaal niet meer. De bijna negentigjarige oprichter van de telecomgigant VimpelCom, het eerste Russische bedrijf op de beurs van New York, heeft voor een zachte dood gekozen, op zijn eigen voorwaarden.

In de interessante documentaire Connected (105 min.) van Vera Krichevskaya vertelt zijn veel jongere vriend en compagnon Augie Fabela hun verhaal. Samen gingen ze halverwege de jaren negentig, toen de Sovjet-Unie uiteen was gevallen en de aartsvijanden van de Koude Oorlog toenadering zochten tot elkaar, met hun startup naar de beurs. De Rus Zimin en de Amerikaan Fabela, een kind van Mexicaanse en Colombiaanse immigranten, werden vrienden voor het leven.

Later kregen ze met hun bedrijf te maken met nietsontziende Russische criminelen, die uit waren op hun geld, en werden ze geconfronteerd met een nieuwe autocratische leider, Vladimir Poetin, en de corrupte clan die zich daaromheen verzamelde. Rusland begon, op een totaal andere manier, net zo’n totalitaire staat te worden als de Sovjet-Unie. Zimin trok er zijn conclusies uit. Hij verliet de business en besloot zijn aanzienlijke fortuin beschikbaar te stellen voor goede doelen.

Met deze terugblik op zijn opmerkelijke leven belicht Krichevskaya tevens de geschiedenis van de Sovjet-Unie en Rusland. In 1935 werd Zimins vader gearresteerd. Hij zou sterven in een strafkamp. Na de dood van de destijds almachtige leider Jozef Stalin in 1953, ontving zijn familie zowaar een rehabilitatieformulier. Dims moeder kreeg ook nog enkele maanden salaris van haar echtgenoot overgemaakt. ‘Ik weet niet of het tragisch was, of een farce’, herinnerde hun zoon zich later.

Het lot van zijn vader zou een enorme vastberadenheid losmaken in Dmitry Zimin. ‘We zullen nooit ergens komen’, hield de man, die ooit werd opgeleid als ingenieur en jarenlang werkzaam was in het militair-industriële complex, zijn gehoor voor tijdens een speech in 2011, ‘als we geen respect ontwikkelen voor afwijkende meningen.’ En daaraan zal hij ook het finale deel van zijn leven wijden, bezegeld met een allerlaatste reis met zijn vrouw Maya op hun zeiljacht.

En daar komt Augie, die op latere leeftijd zowaar politieagent is geworden, hem natuurlijk opzoeken. Ook bij hem kruipt het bloed waar ’t niet gaan. Als Rusland Oekraïne binnenvalt, kort na Dims dood, komt Fabela in actie – vast ook om zijn hartsvriend te eren.

Holding Liat

MetFilm / EO

Vol spanning neemt Yehuda Beinin de telefoon op. Zijn vrouw Chaya luistert al even gespannen mee als hun contactpersoon bij het Israëlische leger direct van wal steekt. ‘We hebben net de lijst gekregen’, zegt die gelaten. ‘En helaas staat Liat ook vandaag niet op de lijst. Hopelijk heb ik morgen beter nieuws.’

Als ook de dag erop geen goed nieuws brengt, is Yehuda er even helemaal klaar mee. ‘Mijn hoofd staat eerlijk gezegd niet naar dit soort spelletjes’, zegt de Amerikaanse Israëliër, een ferme criticaster van de Israëlische regering. ‘Waar wachten ze op? Kom op, dit lijkt wel een stom spelletje op het schoolplein tussen de twee grootste bullebakken, om te kijken wie er het sterkste is.’

Zijn 49-jarige dochter Liat Beinin Aztili, docent geschiedenis en maatschappijleer in de kibboets Nir Oz, is bij de aanslagen van 7 oktober 2023 door Hamas ontvoerd. Ook haar echtgenoot Aviv is vermist geraakt. Slechts twee weken later sluiten regisseur Brandon Kramer en zijn team al aan bij hun familie en volgen daarna van binnenuit hoe zij zich staande houden in deze onmogelijke periode.

Terwijl zijn echtgenote Chaya in hun eigen kibboets Shomrat wacht op nieuws over hun ontvoerde dochter, die in Gaza zou worden vastgehouden, trekt Yehuda naar de Verenigde Staten om te lobbyen bij Amerikaanse politici. Tegelijkertijd wil hij zich beslist niet lenen voor Israël-propaganda of voor het karretje worden gespannen van Bibi Netanyahu, een leider die hij ten diepste verafschuwt.

Holding Liat (93 min.) is de aangrijpende weerslag van hun balanceeract tussen hoop en vrees, waarbij Yehuda en Chaya Beinin ook samen niet altijd op hetzelfde spoor zitten. Zeker Yehuda raakt soms overmand door woede. Hij kan zich bijvoorbeeld woest maken over religieuze fanatici die de situaties van de gegijzelden misbruiken voor hun eigen politieke doeleinden. ‘Of ze nu Joods of moslim zijn.’

Deze film toont tegelijkertijd hoe lastig ’t is om vast te houden aan idealen wanneer het dierbaarste bezit van een mens, z’n kinderen, op het spel komt te staan. Het is allemaal vervat in dat ene indringende beeld: op sommige schoolkluisjes, bij het klaslokaal waar Liat lesgeeft, zijn stickers geplakt. Ze vertellen, samen en los van elkaar, hun eigen verhaal: ontvoerd, vrijgelaten of vermoord.

Janis Ian: Breaking Silence

NTR

Janis Ian is er nog nauwelijks van bekomen dat ze halverwege de jaren zeventig ongevraagd is ge-out als biseksueel in een artikel in het tijdschrift The Village Voice of de Amerikaanse singer-songwriter krijgt de volgende klap te verwerken: haar geliefde Claire is verliefd geworden op iemand in haar band, drummer/percussionist Barry Lazarowitz. En zij is zo’n beetje de allerlaatste die dat in de gaten krijgt.

Claire en Barry zullen later trouwen en kinderen krijgen. En Janis blijft alleen achter. Met haar gitaar, dat wel. Ze schrijft een heel droevig liedje over de breuk, vertelt ze in de documentaire Janis Ian: Breaking Silence (84 min.). Een paar weken later wordt de zangeres gebeld door haar uitgever. ‘Prachtig, dat jazznummer’, schijnt hij gezegd te hebben. ‘We zijn er dolblij mee. Jij ook?’ De schrijfster ervan moet even slikken. ‘M’n hart is gebroken, maar ik voel me al iets beter.’

Het is een treffende passage – de geboren artiest die haar tranen plengt in en droogt met haar werk – op ongeveer tweederde van deze film van Varda Bar-Kar, die netjes Ians leven en loopbaan doorloopt. Die beginnen allebei in een Joodse familie in New Jersey, waar dochter Janis al op dertienjarige leeftijd doorbreekt. Het meisje met gitaar zingt Society’s Child, een lied over een interraciale relatie dat halverwege de jaren zestig heel wat commotie veroorzaakt.

En daarmee start ze een carrière op, die haar in de navolgende zestig jaar over hoge toppen en door diepe dalen zal leiden. Langs Grammy Awards, een faillissement en (verloren) liefdes, bijvoorbeeld. En altijd, soms met tussenpozen, blijven de liedjes komen, waaronder klassiekers zoals At SeventeenStars en Fly Too High. Samen met getrouwen, collega’s en bekende fans loopt Janis Ian – behalve in het intro en outro van de film: volledig buiten beeld – de hele santenkraam langs.

Bar-Kar brengt de andere sprekers overigens wél in beeld en toont dan ook meteen de setting van het interview – alsof ze de kijker eraan wil herinneren dat er achter hen een hele wereld schuilgaat, een beetje zoals bij de liedjes van haar hoofdpersoon. Behalve met oude concertbeelden en archiefinterviews omkleedt de filmmaakster Janis Ians herinneringen ook met gedramatiseerde scènes, die soms wat kluchtig aandoen, en geanimeerde clips bij enkele van haar signatuursongs.

Breaking Silence ontwikkelt zich zo tot een gedegen portret van een singer-songwriter, die op latere leeftijd definitief uit de kast komt en zich dan opwerpt als een icoon van de LHBTIQ+-beweging. En daar wijdt ze natuurlijk ook weer liedjes aan. ‘Love has no colours’, zingt ze in Married In London bijvoorbeeld van zich af. ‘And hearts have no sex. So love where you can. And fuck all the rest.’

Billy Joel: And So It Goes

HBO Max

Aan het einde van deel 1 van het lijvige tweeluik Billy Joel: And So It Goes (290 min.) is de hoofdpersoon, de Amerikaanse zanger, pianist en componist Billy Joel, populairder dan ooit. Tegelijk komt zijn echtgenote Elizabeth Weber, die tevens z’n management doet, tot de conclusie dat zij samen op een doodlopend spoor terecht zijn gekomen. Joel drinkt als een tempelier en spot soms met zijn gezondheid, getuige bijvoorbeeld een ernstig motorongeluk. Elizabeth maakt plaats voor een nieuwe manager, haar eigen broer Frank. Intussen loopt ook hun huwelijk spaak.

Tot dat moment is ze Billy Joels steun en toeverlaat geweest. Zijn muze ook. Toen de twee elkaar leerden kennen was Elizabeth nog de vrouw van zijn beste vriend Jon Small, met wie hij eind jaren zestig in de rockbands The Hassles en Attila speelde. Hun liefde mocht er in eerste instantie niet zijn, waardoor Joel door hele diepe dalen ging. ‘Zelfs dit kun je niet’, concludeerde hij zelfs na een mislukte poging om zijn leven te beëindigen. En toen keerde Elizabeth terug in zijn leven en nam als z’n strijdbare pleitbezorger meteen zijn muzikale carrière stevig bij de teugels.

‘Bill haalt de essentie uit iets wat er is gebeurd en creëert daarmee een universeel verhaal’, stelt zijn ex-vrouw in deze documentaire van Susan Lacy en Jessica Levin. ‘Zo bereikt hij het DNA van de menselijke ervaring.’ Vakbroeders zoals Bruce Springsteen, Paul McCartney, John Mellencamp, Jackson Browne en Nas strooien soortgelijke superlatieven uit over de zwaarmoedige bard uit Long Island, die zijn populariteit verder uitbouwt in de jaren tachtig – en deel 2 van deze docu – en een erg publieke relatie krijgt met een nieuwe muze: het supermodel Christie Brinkley.

Dit portret loopt chronologisch zijn leven en loopbaan door, met zo nu en dan een uitstapje naar het heden of verleden, bijvoorbeeld naar het ongelukkige huwelijk van zijn Joodse ouders, een uit Duitsland gevluchte klassieke pianist en een labiele jonge vrouw uit Brooklyn. Nadat zij uit elkaar gaan, als Billy nog maar een joch van zeven is, dreigt zijn moeder ten onder te gaan aan drankzucht en verdwijnt zijn vader vrijwel volledig uit beeld. De zanger zal een leven lang blijven verlangen naar wezenlijk contact met de man die hem ooit liet kennismaken met muziek.

Joel, gezeten op z’n praatstoel aan de piano, laat de hele flikkerse boel nog eens de revue passeren: al die bekende liedjes en succesalbums, de bijbehorende tours én het gedonder eromheen. Zowel met zijn muzikanten, de producers en die ene manager (die hem zowat bankroet zou hebben gemaakt) als in zijn persoonlijk leven, waar vrouwen komen en gaan (nieuwe muze: de ruim dertig jaar jongere televisiekok Katie Lee Biegel), de alcohol rijkelijk blijft vloeien en Billy, die klassieke outsider uit New York, in gevecht raakt met alles en iedereen, zichzelf in het bijzonder.

En aan het eind van de tunnel – de tocht heeft bijna vijf uur geduurd en was over het algemeen best onderhoudend – gloort er natuurlijk licht in het leven van de performer op leeftijd: een nieuwe muze (tot nader orde de laatste), die hij met zijn stem en piano het hart op hol heeft gespeeld, Alexis Joel, en ogenschijnlijk zowaar ook iets van gemoedsrust (eveneens tot nader order).

The Invisible Ones

c: Pim Hawinkels / Amstelfilm

‘Ik ben veel dank verschuldigd aan de vele superhelden en hun scheppers die mij vanaf mijn jeugd hebben geïnspireerd om ook een superheldenfilm te maken’, begint Martijn Blekendaal aan de aftiteling van zijn, ja, superheldenfilm The Invisible Ones (Nederlandse titel: De Onzichtbaren, 77 min.). ‘In het bijzonder de filmmakers die met hun prachtige films licht in mijn duisternis toverden.’ Hij noemt meteen enkele titels van comics en superheldenfilms, waarvan hij in de voorgaande vijf kwartier toch maar mooi tekeningen, shots en fragmenten heeft mogen verwerken: Superman, Batman, Wonder Woman, Captain America en The Hulk.

Blekendaal vervolgt zijn mission statement in de aftiteling van deze sprankelende jeugddocu met een ode aan films over onzichtbare helden, waarbij er een bijzondere vermelding is voor Paul Verhoevens Hollow Man. ‘Deze prachtige films met een onzichtbaar karakter inspireerden mij om voorbij het zichtbare te denken en zelf op zoek te gaan naar een speelse vorm die de verbeelding alle ruimte geeft.’ En dat is ook precies waarin The Invisible Ones met verve slaagt: de verbeelding aan de macht. Met vallende sterren als superheldenmobielen, een laboratorium waar het uitvindersduo Keez en Ruud z’n eigen superheld gaat ontwerpen én onzichtbaar gemaakte hoofdpersonen.

Het gaat om mensen die als kind al onzichtbaar konden worden. Meestal niet uit vrije wil overigens. Eerder door omstandigheden gedwongen. Zoals hijzelf ooit was, een bang tienjarig jongetje, dat van een ander joch kreeg te horen: ‘Jij hoort hier niet, je bent zwart.’ En misschien had die nog wel gelijk ook. Want: ‘Niemand die op mij lijkt.’ De kleine Martijn wilde daarom graag – aap uit de mouw! – onzichtbaar zijn. Andere voorbeelden? De blinde skateboarder Nathan die met zijn tong klikgeluiden maakt, een oude vleermuizentechniek, om te navigeren. Of de negentienjarige dakloze jongen Samir, die zich thuis altijd onzichtbaar moest maken en nog altijd onder de radar wil blijven.

En, natuurlijk, het Joodse ‘Broertje’, dat in 1944 meermaals moest verdwijnen om uit de handen van de Duitsers te blijven. Inmiddels is hij een oudere man, genaamd meneer Eljon, met een wel heel bijzonder huis. Verder een Palestijnse jongeling, die vanwege zijn geaardheid vanuit Gaza naar België is gevlucht. En een oudere mevrouw, Walvisch genaamd, die veel krachtiger is dan ze in eerste instantie lijkt. Daarvoor moet je dan wel héél goed naar haar kijken. En in dat geval kun je, als je het slingerachtige pad langs allerlei ontmoetingen, activiteiten en beeldgrappen dat Martijn Blekendaal hier met overduidelijk plezier uitstippelt, ook nog wat van haar en de andere superhelden leren.

Blekendaal blijft zelf ook onzichtbaar in deze film. Als in: hij laat zich niet zien. Of ’t moet zijn in een greenscreen-groen superheldenpak. Zijn stem is intussen, letterlijk, uit duizenden herkenbaar. Of tenminste uit de jeugdfilm De Man Die Achter De Horizon Keek (2019), een hartveroverend portret van de avonturier Bas Jan Ader die in 1975 in een piepklein bootje de Oceaan wilde oversteken en sindsdien nooit meer is gezien. Niet alleen qua dictie en timbre trouwens, ook hoe hij als verteller speels verbanden legt, onmogelijke bochten neemt en soms hoog boven ons allen uittorent. Zo formuleert hij een speels en inventief pleidooi voor empathie. Om, simpel gezegd, het goede te doen.

Intussen spat de makerslol er vanaf in deze lijvige jeugddocu. En daarover zegt hij dan weer in de aftiteling. ‘Deze film is gemaakt vanuit een diepe en persoonlijke fascinatie voor het superheldenfenomeen in de populaire cultuur en liefde voor de filmgeschiedenis.’  Waarvan akte.

De Barbie Tapes

Karl Wolff (l) en Klaus Barbie (r) / WNL

In het Sheraton Hotel in de Boliviaanse hoofdstad La Paz ontmoeten twee oude kameraden elkaar. Het is augustus 1979, een kleine 35 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. SS-generaal Karl Wolff is op bezoek bij oorlogsmisdadiger Klaus Barbie. De twee spreken over de goeie ouwe tijd, toen ze allebei een vooraanstaande rol speelden in het nazi-regime. Spijt hebben ze niet.

Barbie laat zijn gast foto’s zien. ‘Hier zie je Mengele’, zegt hij op één van de negen cassettebandjes die bewaard zijn gebleven van hun ontmoeting. ‘Hier staat: de Beul van Lyon. Dat is mijn bijnaam. Twee keer ter dood veroordeeld.’ De Barbie Tapes (52 min.) zijn afkomstig van de Duitse journalist Gerd Heidemann van het weekblad Der Stern. Hij arrangeerde het samenzijn van de twee nazi-pensionado’s en nam de opnamen, die verder nooit werden gepubliceerd, op in zijn privécollectie in Hamburg, het grootste particuliere nazi-archief ter wereld in Hamburg.

Regisseur Foeke de Koe gebruikt de audiocassettes nu als onderlegger voor zijn portret van de beul Klaus Barbie, een man die aan het begin van de oorlog ook in Nederland huishield. Hij liet bijvoorbeeld Ernst Cahn, de Joodse eigenaar van een ijssalon in Amsterdam, in 1941 fusilleren. Daarna zou Barbie in Frankrijk verder werken aan zijn bedenkelijke reputatie. In Lyon verhoorde hij bijvoorbeeld de bekende verzetsheld Jean Moulin tot de dood erop volgde. En in Izieu liet hij een Joods weeshuis ontruimen: ruim veertig kinderen verdwenen naar Auschwitz.

De Koe fungeert zelf als gids door Barbies inktzwarte verleden, belicht diens tamelijk onbekommerde bestaan als pensioengerechtigde oorlogsmisdadiger in een Zuid-Amerikaanse dictatuur en zoomt ook uit naar hoe het nazi-kopstukken überhaupt verging na de ineenstorting van het Derde Rijk. Een behoorlijke tijd konden misdadigers zoals Barbie onder de radar blijven. Gaandeweg kwamen een aantal van hen echter toch in het vizier van nazi-jagers, zoals het echtpaar Beate en Serge Klarsfeld dat zich vastbeet in z’n prooien en hen, liefst publiekelijk, aanklaagde.

Met de Klarsfelds, enkele historici en een Amerikaanse journalist die jaren heeft gejaagd op Barbie probeert Foeke de Koe nu vat te krijgen op een man die nooit wroeging lijkt te hebben gekregen over wat hij in die oorlogsjaren heeft aangericht. Pas toen het Boliviaanse militaire regime moest wijken, werd hij gedwongen om verantwoording af te leggen voor zijn daden.

Trailer De Barbie Tapes

Het Zwijgen Van Loe de Jong

Selfmade Films

In eigen kring zweeg Loe de Jong (1914-2005) doorgaans categorisch over de oorlog, waarvan hij zijn levenswerk had gemaakt. Als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie groeide hij uit tot dé Nederlandse WOII-autoriteit. De Jong was het gezicht van het televisieprogramma De Bezetting (1960-1965) en schreeg de gezaghebbende boekenreeks Het Koninkrijk Der Nederlanden In De Tweede Wereldoorlog (1996-1994).

Als Abel en Daan, de zoons van zijn door de nazi’s vermoorde tweelingbroer Sally, vragen hadden over wat er was gebeurd met hun vader, wimpelde hij die echter resoluut af. ‘Jongen, je moet in het heden leven’, zei Loe dan. Hij zou zelfs eens hebben gezegd dat geschiedenis helemaal geen zin heeft. ‘Je moet je niet met het verleden bezighouden’. Toch is dat precies wat de broers, die de oorlog overleefden op een onderduikadres, gaan doen. En Loe’s kleindochter Simonka de Jong documenteert dat proces.

Na het overlijden van de toonaangevende historicus zijn er namelijk brieven gevonden van Sally de Jong, die zijn eeneiige tweelingbroer altijd achter had gehouden voor diens zoons. In Het Zwijgen Van Loe de Jong (55 min.) uit 2011 gaan zijn neven, die geen bewuste herinneringen hebben aan hun ouders, op zoek naar de reden. Die queeste begint in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, waar in een kluis nog altijd Loe’s kenmerkende brillen, pacemaker en pijptabak worden bewaard.

Loe de Jong, kind van een Joods gezin in Amsterdam, vluchtte aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Engeland. Het was de bedoeling geweest dat ook zijn ouders en jongere zusje zouden meegaan. Onderweg waren ze elkaar echter kwijtgeraakt. Sally was toen al gemobiliseerd als arts en niet meer bereikbaar. De eeneiige tweeling zou nooit herenigd worden. Toen Loe, nadat hij tijdens de oorlog voor Radio Oranje had gewerkt, terugkeerde in Nederland, was zijn gehele familie verdwenen.

Daan de Jong grijpt elke strohalm aan om meer te weten te komen over dat verleden en te ontdekken waarom Loe zo weinig over zijn broer wilde vertellen. Tegelijk ontstaat er verwijdering met zijn eigen broer Abel en onmin over het feit dat hij doorgaat met deze film over zo’n gevoelige familiekwestie. Die stelt echter niemand in een kwaad daglicht – al komt Loe de Jong er niet uit naar voren als een bijzonder invoelend mens – en laat vooral zien hoe het verleden ook Joodse families nog altijd verscheurt.

En Loe’s kleindochter Simonka leert tijdens een andere kant kennen van haar beroemde opa: de soms beste kleine man achter het levensgrote icoon.

The Baby Daddy

Yes Docu

Op een feestje waar een aantal moeders en kinderen zich hebben verzameld – als één grote ‘happy family’ – maakt Ari Nagel van de nood maar een deugd. Er is ook een nieuw vrouwenkoppel met een kinderwens aanwezig. Daarin kan hij misschien wel meteen voorzien. Op het toilet legt hij dus de hand aan zichzelf, zodat het stel het resultaat daarvan in een nabijgelegen slaapkamer kan inbrengen.

Zo heeft de Joodse wiskundeleraar uit New York inmiddels 22 kinderen op de wereld gezet. Nee: 26. Ik bedoel: 29. Weet ik veel. Véél. Steeds meer zelfs. Véél meer. Want Ari, bijgenaamd ‘The Sperminator’, weet van geen ophouden. Sterker: The Baby Daddy (78 min.) laat er geen misverstand over bestaan: hij kán helemaal niet ophouden. En voor veel van die kinderen wil hij ook best een soort vaderrol vervullen – en voor andere wordt hij gedwongen om alimentatie te betalen. Hij houdt ’t allemaal netjes bij op een speciaal daarvoor aangemaakt Excel-spreadsheet.

Nagel, die ook al één van de hoofdrollen had in Lance Oppenheims unheimische Spermworld, gunt Adi Rabinovici en Yair Cymerman in dit portret een ogenschijnlijk ongefilterd kijkje in zijn leven: van de problematische relatie met zijn orthodoxe ouders, die afstand nemen van de manier waarop hij zijn leven invult, tot de omgang met zijn oudste kind, de achttienjarige Tyler, in wie Ari zowaar een soort opvolger ziet. Hij neemt de jongen dus gewoon mee op zijn omzwervingen door binnen- en buitenland, waarop hij zijn kinderschare gestaag blijft uitbreiden.

Rabinovici en Cymerman lijken nauwelijks geïnteresseerd in Nagels beweegredenen. Ze gaan in elk geval niet heel erg op zoek naar de belangrijkste vraag die hun hoofdpersoon oproept: waarom? Wat beweegt een Amerikaanse man van halverwege veertig om overal – toiletten in de Target, op het vliegveld of in een winkelcentrum lijken favoriet – vrouwen aan een kind te ‘helpen’? Ook die andere voor de hand liggende vraag komt overigens slechts beperkt aan bod: wat vinden de moeders ervan dat hij vrolijk doorgaat met het verwekken van halfbroertjes en -zusjes van hun eigen kinderen?

The Baby Daddy volgt simpelweg de bal(len): naar overal waar Ari nu weer met een leeg bekertje een klein hokje opzoekt. Tussen al die momentjes van klein geluk door – gratis, maar niet belangeloos – vangt de film ook de frictie die er soms ontstaat tussen Arie en zijn zoon Tyler, die zich toch wel een beetje schaamt voor die overactieve vader, en de ongemakkelijke ontmoetingen met Nagels tamelijk laconieke vader Heshy en zijn vinnige vrouw Shirley, zorgvuldig buiten beeld gehouden, die haar zoon op niet mis te verstane manier laat weten dat ze zijn leefwijze verafschuwt.

Het geheel – het bizarre leven van de ‘Target-donor’ Ari Nagel – vormt een even onwerkelijk als onweerstaanbaar schouwspel.

Nazaten

KRO-NCRV

Geluk is juist niet met de dommen. Dat kun je zelf afdwingen. Het zit in de blik waarmee je naar de wereld kijkt. Naar die nieuwe postbode. Het boekenkastje dat jij naast je brievenbus hebt gehangen en dat hij regelmatig leeghaalt. Het gesprek dat je daarover met hem aanknoopt. En dat je direct aanslaat als hij te midden van zijn verhaal over ‘gratis kennis’ verzamelen voor mensen in de Surinaamse jungle, hoort dat de naam Bromet daar, in die voormalige Nederlandse kolonie, verrassend vaak voorkomt.

Some guys have all the luck, maar Frans Bromet had ‘t daar natuurlijk bij kunnen laten. Het lampje in het hoofd van de geboren verhalenverteller had niet hoeven te gaan branden. Hij had het bijbehorende pling-geluidje kunnen negeren. Dan was er dus geen film gekomen. Althans, niet deze film. Vast wel weer een andere. Want Bromet, uit Ilpendam, filmt nog altijd per strekkende meter. De camera stopt pas met draaien als Frans de record-knop niet meer weet te vinden. Tot die tijd blijft hij op zoek naar verhalen om op te diepen, samen te stellen of eruit te persen. Ook in zijn eigen leven: bij zijn Joodse afkomstGroenLinkse dochter of gezondheidsproblemen.

Op naar Suriname dus, naar naamgenoten – en een shotje van de Brometstraat. Al snel wijst één van z’n nieuwe ‘familieleden’ hem op ene Hermanus Bromet (1725-1813), de man die hun gezamenlijke naam naar Suriname bracht. Eenmaal thuis duikt nazaat Frans direct in het levensverhaal van deze illustere voorouder: de ras-Amsterdammer streed voor gelijke rechten voor Joden in Nederland, werd het eerste Joodse Tweede Kamerlid én woonde ook een jaar of twintig in Suriname, waar hij volgens hoogleraar Joodse Studies Bart Wallet ‘handelde in Afrikaanse tot slaaf gemaakten’. Dat is even slikken voor Bromet, Frans welteverstaan. ‘Ik ben dus familie van een slavenhandelaar.’

En dan is de stap snel gezet – tenminste, volgens zijn postbode Brian Saaki, een afstammeling van de Marrons waarop Hermanus in de Surinaamse jungle zou hebben gejaagd – naar herstelbetalingen. Maar moet iemand die zelf niets heeft misdaan daarvoor dan betalen en vergeving vragen? werpt Bromet tegen, namens al die witte Nederlanders die ter verantwoording worden geroepen voor dat beladen verleden. Brian is echter onverbiddelijk over wat hij ‘de zwarte Holocaust’ noemt. ‘Ik heb ‘t niet meegemaakt, maar toch heb ik er moeite mee’, zegt hij, om vervolgens tegenover Bromet te concluderen: ‘Je kunt de verantwoordelijkheid niet uit de weg gaan.‘

Via zijn omstreden voorvader en diens Nazaten (51 min.), waarvan een belangrijk deel ook een donkere huidskleur heeft, is de Nederlandse filmmaker ondertussen dus aanbeland bij één van de meest gevoelige thema’s van onze tijd: Neerlands koloniale geschiedenis en hoe dat nog altijd opspeelt. En het begon dus met een eenvoudig boekenkastje en een nieuwe postbode – en het spiedende oog van Frans Bromet. Dat ‘geluk’ afdwingt – of een handje helpt.

Nesjomme

Cinedeli

Via een inventieve combinatie van een fictief personage en non-fictie beelden wordt een verdwenen wereld toegankelijk gemaakt. Sandra Beerends deed het eerder in Ze Noemen Me Baboe (2019), waarin ze een kindermeisje, gebaseerd op getuigenissen van kinderen die in Nederlands Indië zo’n Baboe hadden, opvoert dat zich richt tot haar jong overleden moeder. Zo wordt met behulp van beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven een stuk koloniale geschiedenis in kaart gebracht.

In Nesjomme (Engelse titel: Neshoma, 87 min.) gaat Beerends op een vergelijkbare wijze te werk. Ditmaal is de plaats van handeling de Joodse buurt van Amsterdam, in de periode van grofweg het einde van de Eerste Wereldoorlog tot en met de Tweede Wereldoorlog. Als verteller fungeert het zeventienjarige meisje Rusha, dat is gebaseerd op getuigenissen over het leven in de Joodse gemeenschap. Zij schrijft daarover brieven, in de Nederlandse versie van de film ingesproken door de actrice Rifka Lodeizen, aan haar oudere broer Max. Hij is zijn geluk gaan beproeven in Indië.

Die persoonlijke, speciaal voor deze productie geschreven verhaallijn is knap aan de beelden gepaard (of andersom) en zorgt ook voor verbinding, maar de meerwaarde van deze collagefilm zit toch echt in het rijke beeldmateriaal, slim voorzien van geluid en muziek, waarmee een wereld kan worden getoond die allang is verdwenen. Impressies van het gewone (Joodse) leven worden daarbij gepaard aan registraties van grote gebeurtenissen zoals de wereldtitel schaken van Max Euwe, de opening van de bioscoop Tuschinski en de beladen voetbalwedstrijd Nederland – (nazi-)Duitsland.

Slechts twee jaar later vallen Duitse troepen Nederland binnen. Het land dat tijdens de vorige oorlog neutraal heeft kunnen blijven en het Interbellum zonder al te grote kleerscheuren is doorgekomen, raakt nu in de ban van de Tweede Wereldoorlog. De tijd dat één op de tien Amsterdammers, net als Rusha, Joods is behoort dan al snel tot het verleden.