Nu Verandert Er Langzaam Iets

Het duurt toch nog dik twintig minuten voordat er iemand in zijn kracht moet gaan staan. Met een paard bovendien. Voor een documentaire over zingeving en ontplooiing is dat verrassend lang. Nu Verandert Er Langzaam Iets (106 min.), op het IDFA bekroond met de Dutch Documentary Award, zit nochtans vol met coachingstaal. Intrinsieke motivatie. Trechteren. In je hoofd zitten. Rood gedrag. Ergens energie van krijgen. Je boosheid pakken. Vertaalslag. Gehoord worden. Rugzak. Competenties. Even parkeren.

Het is een wereld waarin mensen aandacht hebben voor elkaar. Professionele aandacht, welteverstaan. Halverwege deze documentaire van Menna Laura Meijer zegt een spreker over burn out, ook al zo’n hedendaags thema, zonder omhaal van woorden tegen zijn volle zaal: ‘Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu verwacht dat we in 2030 ruim zeven miljoen chronisch zieken hebben in Nederland. En dat is aan de ene kant slecht nieuws, maar voor iedereen die coach wil worden…’

De zaal begint te lachen. Hij vervolgt met hoorbaar plezier, alsof hij de kern van zijn betoog (en misschien ook wel van deze film) bereikt: ‘Er worden tien kerken per week gesloten in Nederland en mensen zitten met heel veel zingevingsvragen die niet meer beantwoord worden. En ik denk dat dat één van de redenen is dat er zo’n grote vraag is naar coaching. Sinds dat de biecht werd afgeschaft, zeg ik wel eens, ben je op zoek naar een betaalde vriend of vriendin.’

Deze intrigerende documentaire brengt de bijbehorende ‘aandachtsindustrie’ haarfijn in beeld. Meijer zet de camera op een vast standpunt en kijkt van een afstandje mee bij allerlei soorten sessies: trainingen, presentaties, coaching, therapieën, TEDtalks, rollenspelen en – natuurlijk – workshops. Er worden families opgesteld, kaarten uitgezocht, pionnen neergezet, varkens gemasseerd en dronkenlappen gearresteerd. En gepraat. Eindeloos veel gepraat.

Omdat de mens maakbaar is – of denkt te zijn – en móet groeien. Nu Verandert Er Langzaam Iets brengt al die persoonlijke processen sereen in beeld: zonder duidelijke hoofdpersonen, interviews, muziek, montagetrucs of overduidelijk oordeel. ‘New observationalism’, aldus het IDFA-juryrapport. ‘Een onthullende “auto-etnography” die misschien niet de meest flatterende kant van de Nederlandse cultuur blootlegt, maar wel degelijk iets belangrijks heeft te zeggen.’ Een collage van deze tijd bovendien, boordevol zingevingsdrang (of -dwang), die wellicht pas later, met enige afstand, helemaal op waarde kan worden geschat.

Svyato

 

Je kunt best ethische vragen stellen bij deze persoonlijke documentaire van IDFA-held Victor Kossakovsky: in hoeverre rechtvaardigt een film een toch wel behoorlijke ingreep in de ontwikkeling van je eigen kind?

Aan Kossakovskys korte documentaire Svyato (33 min.) uit 2005 ging een heuse levenskeuze vooraf: de Russische filmmaker besloot zijn zoon vanaf diens geboorte uit de buurt te houden van spiegels. Toen Svyatoslav op tweejarige leeftijd eindelijk werd geconfronteerd met spiegels in huis en dus voor het eerst zichzelf zag, legde zijn vader dat met drie camera’s vast. Hoe zou zijn inmiddels puberende zoon daar nu op terugkijken?

De film opent met een citaat uit een oude legende: alles veranderde toen de mens voor het eerst zijn reflectie zag. En dat zie je letterlijk voor je ogen gebeuren. Het vrolijk rond dribbelende peutertje waant zich onbespied en onderneemt een adembenemende ontdekkingstocht via de spiegel. Op zoek naar niets minder dan – hij heeft daar zelf natuurlijk nog geen idee van – zichzelf. En in en via de spiegel slaan wij hem gade.

Hoe leuk is het om met een veger op die spiegel te slaan? Wat zie en hoor je dan? Ben jij het echt die dat kan en mag doen? Al snel raakt Svyatoslav verveeld en keert hij terug naar zijn vaste speeltjes. Het tweejarige jongetje lijkt die hele spiegel alweer vergeten. Totdat hij hem toch weer opzoekt en geheel nieuwe mogelijkheden ontdekt in de wereld achter dat ding aan de muur, waarvan hij zelf stilaan deel is gaan uitmaken. Gaandeweg ontwikkelt hij zoiets als zelfbewustzijn.

’Dat ben ik’, zegt hij aan het eind van de film trots tegen zijn vader en geeft zijn eigen spiegelbeeld een kusje.

The Distant Barking Of Dogs

 

Samen met zijn oma loopt de tienjarige Oleg Afanasyev aan het begin van The Distant Barking Of Dogs (56 min.) door de sneeuw in Hnutove, een dorpje in de Donetsk-regio van Oost-Oekraïne. Sinds 2014 wordt er in deze omgeving gevochten tussen regeringstroepen en pro-Russische separatisten. Op de achtergrond klinken vrijwel permanent explosies en geweervuur. De kleine Oleg kijkt er niet meer van op.

‘Het lijkt alsof onze levens bevroren zijn’, zegt zijn oma in één van de regelmatig terugkerende bespiegelende voice-overs, die als structurerend element fungeren voor deze observerende film. ‘We schuilen als dieren voor de winter en wachten tot de kou voorbij is.’ Het tweetal arriveert bij het kleine kerkhofje, waar Olegs moeder Natasja begraven ligt. Oma huilt, Oleg niet. Het jongetje was zo klein toen ze stierf dat hij er volgens zijn grootmoeder nooit om heeft gehuild.

Regisseur Simon Lereng Wilmont volgt Oleg gedurende een jaar, een periode waarin hij uitleg krijgt over de verschillende soorten mijnen, meedoet aan een oefening in een schuilkelder en een kikker leert doodschieten met een pistool. Surrealistische scènes voor iedereen die niet in oorlogsgebied opgroeit. Zoals ook de gespreksstof van de kinderen soms vreemd aandoet. ’Weet je nog dat ze gisteren schoten?’, vraagt Oleg bijvoorbeeld aan zijn jongere neefje Yarik als ze samen het veld intrekken ‘Hier is die bom gevallen.’ Yarik antwoordt direct: ‘En die heeft mensen gedood.’ Nee, meent Oleg. ‘Geen mensen. Soldaten.’

Zou Olegs vader ook zijn omgekomen in de oorlog? Of is hij allang niet meer in beeld of nooit in beeld geweest? Daarop geeft deze asgrauwe film, die op het IDFA 2017 werd beloond met de Award voor Best First Appearance, geen antwoord. Ook zijn opa is in geen velden of wegen te bekennen. Het is oma die de jonge Oleg in haar eentje probeert te behoeden voor de valkuilen van de oorlog en ondertussen iets van zijn kindzijn moet zien te bewaren.

The Other Side Of Everything

 

Bij de volkstelling van 1991 werd het universitair docent Srbijanka Turajlic ineens duidelijk: haar land was ten dode opgeschreven. Waar ze haar hele leven had gedacht dat Joegoslavië altijd onder communistisch bewind zou blijven en leider Tito nooit kon sterven, daagde het haar ineens toen ze haar nationaliteit op een formulier moest invullen. De optie ‘Joegoslavisch’ was verwijderd. De natie waarin ze altijd had geleefd, en daarmee ook het idee waarin ze altijd had geloofd, leek dood.

Via een portret van haar ‘Servische’ moeder, een politiek activiste die zich vanaf het allereerste begin openlijk heeft uitgesproken tegen de onvermijdelijkheid van de Joegoslavische burgeroorlog, schetst regisseur Mila Turajlic de recente geschiedenis van haar land, dat ruim 25 jaar na de oorlog, die toch onvermijdelijk bleek, nog altijd haar wonden likt. De egodocu The Other Side Of Everything (103 min.) maakt de balans op vanuit haar moeders appartement in Belgrado, dat al sinds mensenheugenis in de familie is, maar dat vanaf 1947 op last van het regime verplicht moet worden gedeeld met een communistisch gezin.

De meningen zijn zeventig jaar later nog altijd hopeloos verdeeld, de onderlinge verbanden uiterst broos. Als Srbijanka opnieuw haar nationaliteit en religie moet doorgeven bij een volkstelling, zorgt dat bijvoorbeeld nog steeds voor ongemak. ‘De Kroaten vormen een eenheid’, stelt één van de gasten tijdens het traditionele eier-tikken op Srbijanka’s paasfeest. ‘De Sloven vormen een eenheid. En de Albanezen vormen een eenheid. Maar per twee Serviërs heb je drie meningen.’ Intussen steekt ook het onversneden Servische nationalisme, waarmee Slobodan Milosevic het voormalig Joegoslavië begin jaren negentig uiteen scheurde, weer zijn lelijke kop op.

In hoeverre wil en kan een dappere oudere vrouw zoals Srbijanka Turajlic nog eenmaal de handschoen oppakken? Of is die taak weggelegd voor de volgende generatie, in de persoon van dochter Mila? Deze indringende film, die zich voor een groot deel afspeelt in het verdeelde appartement, werd tijdens het IDFA van 2017 uitgeroepen tot Best Feature Length Documentary en demonstreert welke krachten er vrij komen als de nationalistische geest eenmaal uit de fles is. En die laat zich niet zomaar met woorden en ideeën bezweren. Dat kun je met een gerust hart een waarschuwing noemen. Aan het adres van iedereen die bijvoorbeeld denkt dat westerse democratieën onverwoestbaar zijn.

De teloorgang van Joegoslavië werd in 2000 al prachtig in beeld gebracht door Vuk Janic. In zijn film Het Laatste Joegoslavische Elftal portretteert hij de zogenaamde gouden generatie voetballers die door de burgeroorlog in verschillende landenteams terecht is gekomen. Spelers als Boban, Suker, Savicevic, Mihajlovic en Prosinecki zagen zo hun droom vervliegen om samen wereldkampioen te worden.

But Now Is Perfect


In Riace kun je betalen met Charlie Chaplin-biljetten, Che Guevara-geld of Martin Luther King-flappen. Tenminste als je een immigrant bent en al een tijd zit te wachten op geld van de Italiaanse overheid. Het is een idee van burgemeester Domenico Lucano, die ervoor zorgde dat de nieuwkomers in zijn dorp in elk geval in hun eerste levensbehoeften konden voorzien. Zonder de gastvrijheid van Lucano, eerder al te zien in de documentaire It Will Be Chaos en een aflevering van Tegenlicht, hadden we nog nooit gehoord van het dorp in de Zuid-Italiaanse regio Calabrië.

Riace is tevens het toneel van But Now Is Perfect (55 min.), de nieuwe film van Carin Goeijers die op het IDFA in première gaat en in competitie is voor de prijs voor beste middellange Nederlandse documentaire. Het Italiaanse dorp, dat een reputatie verwierf als veilige thuishaven voor vluchtelingen en zo de vergrijzing en krimp van het eigen dorp een halt toeriep, ligt alweer enige tijd onder vuur. Net als de burgervader zelf, die ervan wordt beschuldigd dat hij niet zorgvuldig is omgegaan met overheidsgeld. De Italiaanse regering probeert ondertussen Lucano’s droomproject te ontmantelen.

Deze documentaire tekent de menselijke gevolgen daarvan op in de kleine dorpsgemeenschap, waarbinnen oude en nieuwe Italianen samen proberen te leven. Goeijers richt haar aandacht in het bijzonder op de Nigeriaanse vrouw Becky Moses. Ze woont al enkele jaren in Riace en lijkt behoorlijk ingeburgerd, maar moet verplicht vertrekken naar een opvangkamp, elders in de regio. Daar loopt het niet goed met haar af, een dramatische gebeurtenis die de filmmaakster inleidt met een symbolische zwarte kat die door de straten van het dorp zwerft.

Moses laat een flinke schoenencollectie en nog wat andere spullen achter. In de openingsscène van deze documentaire, die wat mij betreft soms wat dichter bij het tragische levensverhaal van de hoofdpersoon had mogen blijven, toont een bevriende dorpsgenoot ze mismoedig aan de camera. Het zijn de restanten van een in de knop gebroken leven – en daarmee ook van een idealistisch experiment, dat rigoureus de nek dreigt te worden omgedraaid.

O Amor É Único

 

’De dokter zegt dat ik niet de rest van mijn leven alleen moet blijven’, zegt Dona Alva stellig. ’Ben je niet te oud voor een nieuwe liefde, mam?’ wil haar zoon weten. Maar zijn hoogbejaarde moeder wil van geen wijken weten. ‘Jij weet niets van mijn leven! Niemand weet mijn leeftijd. Alleen God.’ Volgens de ‘machovrouw’ Alva, woonachtig op een Braziliaanse heuvel, is ze pas 76. Toen ze op haar veertiende moest trouwen, heeft haar vader noodgedwongen een verkeerde leeftijd doorgegeven.

Dat is uiteindelijk geen héél gelukkig huwelijk geworden, zo wordt al snel duidelijk in O Amor É Único (50 min.), een aandoenlijke documentaire van Marina Meijer. Dona Alva’s echtgenoot Laerte is enkele maanden eerder overleden. Tijd dus voor een tweede leven, in het dorpje onderaan de heuvel en liefst ook met een nieuwe liefde. Die als het even kan net zo overrompelend is als de enige keer dat ze echt verliefd is geweest. Als elfjarig meisje viel Alva ooit als een blok voor een jongen die naar het leger vertrok. Hij kwam nooit meer terug.

Al snel weet Dona Alva het zeker: dat is hem, de nijvere klusjesman Marquinhos. Hij is alleen zeker veertig jaar jonger. Hoe gaat de oudere vrouw, die zienderogen het meisje in zichzelf herontdekt, zo’n jonge vent verleiden? Of verzoent ze zich met het gegeven dat haar beste jaren waarschijnlijk achter haar liggen? O Amor É Único (vrij vertaald: elke liefde is uniek) volgt de rijpe femme fatale bij haar terugkeer op het liefdespad. Elke scène is doordrenkt van melancholie over wat het leven was, is en had kunnen zijn, waardoor de film aanvoelt als één van de bitterzoete ballades, die Alva’s muzikale dorpsgenoot Zé bij elke feestelijke gelegenheid ten gehore brengt.

Minding The Gap

Als zijn vrienden gingen skaten, was hij erbij met zijn camera en legde hun duizelingwekkende capriolen of knullige valpartijen vast. Intussen groeide in het hoofd van Bing Liu een documentaire: Minding The Gap (93 min). Over zijn vrienden Zack en Deire. En over zichzelf, de man achter de camera, die zo nu en dan toch in beeld komt.

Gedurende twaalf jaar bleef Liu filmen. Het leverde talloze fraaie skatebeelden op en een portret van drie opgroeiende jongens uit de zogenaamde Rust Belt. Rockford, Illinois, om precies te zijn. Van de goedlachse witte jongen Zack, altijd een biertje of jointje in de hand. Hij krijgt al op jonge leeftijd een kind met zijn vriendin Nina. Dat is natuurlijk vragen om problemen.

Zack is helemaal niet klaar voor het vaderschap. Als de ruzies met de moeder van zijn kind steeds verder escaleren, verdwijnt langzaam maar die onweerstaanbare tandpastaglimlach van zijn gezicht. Intussen wil zijn zwarte vriend Deire, die bij zijn alleenstaande moeder inwoont, eindelijk eens op eigen benen staan. Tussen allerlei klotebaantjes door probeert hij tevens in het reine te komen met zijn vader. Wat skaten en zijn pa gemeen hebben? Ze hebben hem allebei pijn gedaan, zegt hij, maar hij houdt toch van ze.

Via Zack en Deire, die hij zo nu en dan kritisch bevraagt op hun gedrag, vertelt de Aziatische Amerikaan Bing Liu ook het verhaal van zijn eigen jeugd, die wordt overschaduwd door problemen thuis. Minding The Gap, meeslepend gemonteerd en op smaak gebracht met fijne indiemuziek, wordt zo een typisch coming of age-verhaal, waarin op de onvermijdelijke weg naar volwassenheid de nodige obstakels moeten worden genomen.

Crazy

 

De troostende en helende werking van muziek. Zelden zal ie zo tastbaar zijn gemaakt als in de documentaire Crazy (99 min.), waarmee Heddy Honigmann zowel de publieksprijs van het IDFA als een Gouden Kalf won. Zodra de camera zich vastzet op het gezicht van een Nederlandse militair die zijn oorlogservaringen herbeleeft tijdens het beluisteren (nee: ondergaan) van zijn lijflied uit die tijd, verdwijnt elke mogelijke weerstand en krijgen zelfs overbekende hits van Elvis, U2 en – God betere ’t – Paul de Leeuw een geheel nieuwe lading.

Via die muziek dringt Honigmann in deze film uit 1999 door tot de kern van de soldaten tegenover haar. Veteranen van vergeten VN-missies in Cambodja, Libanon, Rwanda en Joegoslavië. Ze delen tevens hun verhalen, herinneringen en persoonlijke brieven en foto’s met haar, maar houden hun kaarten soms ook tegen hun borst. Want: een man mag niet huilen, zoals een getormenteerde Brabantse soldaat het uitdrukt. Zeker een militair niet. Zodra het intro van hun favoriete nummer klinkt – in zijn geval Knockin’ On Heaven’s Door van Guns N’ Roses – is er echter geen houden meer aan. Die muziek maakt weerloos.

Soms moet de filmmaakster verdomd hard werken om tot haar hoofdpersonen door te dringen. Rwanda-veteraan Niels Verheul wuift tijdens het gesprek bijvoorbeeld consequent elke vorm van emotie weg. ‘Ik zie mezelf niet in een hoekje gaan zitten huilen hoor’, vertelt hij nadat Honigmann diverse malen heeft doorgevraagd. Voor de zekerheid vraagt ze het nóg een keer: ‘Heb je dat nooit gedaan?’ ‘Nee’, bezweert hij. Zijn vrouw vult aan: ‘Daar niet, denk ik.’ Even later zit het stel samen op de bank zachtjes mee te zingen met De Figuranten van Stef Bos.

Ik ben in een gehaktmolen gegaan, zegt Peter Jan Dullaert over zijn uitzending naar Bosnië. ‘Daaruit is weer een ander mens gekneed. En ben ik wie ik nu ben.’ Hij specificeert: ‘bier drinken, roken en elke seconde leven. Niet elke dag, maar van seconde op seconde leven.’ Hij oogt als een gespannen veer, die op knappen staat. PTSS, denk je dan als leek, maar daar was toentertijd nog niet zoveel aandacht voor bij de Nederlandse krijgsmacht. In de afgelopen twintig jaar is er op dat gebied veel veranderd. En wellicht heeft de klassieke Nederlandse documentaire Crazy daarin nog een bescheiden rol gespeeld.

Muhi – Generally Temporary

 

Al zolang hij leeft, zit de dood Muhammad, liefkozend Muhi genoemd, op de hielen. Het vierjarige jongetje heeft een auto-immuunziekte die hem zomaar fataal zou kunnen worden. Deze aandoening heeft Muhi al zijn handen en voeten gekost. Om zijn prille leven te redden moesten die worden geamputeerd.

Het leven heeft Muhi nóg een beroerde kaart gegeven; hij is Palestijns en verblijft in een Israëlisch ziekenhuis. Vanwege veiligheidsoverwegingen mag hij het gebouw niet verlaten. Hij heeft zijn moeder, die is achtergebleven in Gaza, dus al enkele jaren niet gezien. Alleen zijn grootvader Abu Naim, een familieman met een groot hart, bivakkeert al vier jaar aan zijn zijde.

Als Muhi’s moeder voor 48 uur een visum krijgt om de vijfde verjaardag van haar zoon bij te wonen, is ze verrast dat hij haar überhaupt nog herkent. Ze ziet ook voor het eerst hoe hij tóch heeft leren lopen. Tegelijkertijd ontdekt ze dat Muhi langzaam maar zeker vervreemd raakt van zijn roots. Hij telt nog steeds in het Arabisch, maar zingt Joodse liedjes.

De observerende documentaire Muhi – Generally Temporary (87 min.) van Rina Castelnuevo-Hollander en Tamir Elterman laat zien hoe het schattige jongetje gedijt in zijn eigen kleine wereldje waarin tegenstellingen verdampen, terwijl zijn opa en de rest van de familie steeds weer worden opgeslokt door het Palestijns-Israëlische conflict en de praktische complicaties die dat met zich meebrengt. Zeker als het noodlot weer ongenadig toeslaat…

A Year Of Hope

 

Kun je ergens achter die wezenloze blik of in dat geharde lijf het kind terugvinden dat op straat verloren is gegaan? Enkele verweesde jongens uit een sloppenwijk van de Filipijnse hoofdstad Manilla worden uitgenodigd om een jaar lang in een rehabilitatiecentrum buiten de stad te verblijven, met als doel om daar een ánder leven op te bouwen. De documentaire A Year Of Hope (57 min) van Mikala Krogh observeert hoe ze zich los proberen te maken van hun bestaan aan de zelfkant.

Slapen op een stuk karton, stelen om te overleven en lijm snuiven teneinde de altijd aanwezige honger te verdrijven. Het was misschien een desolaat leven, maar kun je er ooit helemaal van loskomen? Zeker als je lijf en geest nog de sporen dragen van volledig ontspoorde seksualiteit. Victor, een gefingeerde naam, wordt er in het centrum bijvoorbeeld op aangesproken dat hij een andere jongen onzedelijk heeft betast. Als hij zijn excuses aanbiedt, mag hij onderdeel blijven van de groep. Kan Victor die stap zetten?

Die nieuwe, liefdevolle omgeving in het Stairway Centrum, waarbij er ineens ruimte is voor sport, spel en een bezoek aan het strand, brengt de tieners uit hun evenwicht. Met wisselend resultaat. Terwijl de één na lange tijd zijn glimlach hervindt, komt een ander juist klem te zitten in de wereld die zich voor hem opent. Zijn geest lijkt alleen gewend aan gesloten deuren. In de gevoelige film A Year Of Hope bereiden ze zich voor op hun terugkeer naar de grote boze buitenwereld, fier door de voordeur of stilletjes via de achteruitgang. Waarbij alle hoop die nu opflakkert een moment later zomaar de bodem kan worden ingeslagen.

Living On Soul


De helden van het Daptone-label beginnen ons zo langzamerhand te ontvallen. Waar de soulwervelwind Sharon Jones in het najaar van 2016 bezweek aan kanker, was het een jaar later Charles Bradley, bijgenaamd The Screaming Eagle Of Soul, die het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. In Living On Soul (60 min.) voeren ze nog gewoon het hoogste woord, in de registratie van drie uitbundige avonden in het New Yorkse Apollo Theatre (waar James Brown ooit een legendarische liveplaat opnam)

Achter die soulkanonnen gaat gewoon een stelletje jongelui schuil, waaronder enkele onvervalste bleekscheten. Met funky lef, een ongegeneerde voorliefde voor gospel en emmersvol soul, dat wel. Zij startten in 2001 Daptone Records, een platenlabel dat werd gemodelleerd naar legendarische soulbastions als Motown en Stax. En omdat ze daar zo’n lol in hadden, vormde ze zelf ook meteen de begeleidingsband voor al die vocale kanonnen, The Dap-Kings, die tevens als onvolprezen huisband fungeert in deze dampende concertregistratie.

Behalve als hommage aan wijlen Jones en Bradley heeft deze documentaire van Jeff Broadway en Cory Baily, die afgelopen jaar nochtans op het IDFA werd vertoond, weinig om het lijf: ogenschijnlijk lukraak gemaakte backstagebeelden en wat losse interviewfragmenten over Daptones historie. Het is de muziek die ‘t moet doen En die doet dat ook. Moeiteloos. Voor namen als Naomi Shelton & The Gospel Queens en  The Como Mamas lopen misschien geen voetbalstadions vol, maar ze strelen met speels gemak de ziel, beroeren het hart en laten dat ook nog eens sneller kloppen. Voor minder gaat hier de vlag uit.

Over zowel Charles Bradley als Sharon Jones werden al volwaardige documentaires gemaakt. In Charles Bradley: Soul Of America is vastgelegd hoe de (soms dakloze) James Brown-impersonator op 62-jarige leeftijd toch nog de weg naar het succes vindt, terwijl Miss Sharon Jones! het aangrijpende gevecht van de zangeres met haar ziekte documenteert.

A Stranger Came To Town

 

Elk verhaal bestaat uit dezelfde drie elementen, zegt de verteller van A Stranger Came To Town (54 min.). ‘Er is een held met een missie. Vijandige krachten. En een vreemdeling die naar de stad komt.’ Intussen zien we desolate beelden van een ogenschijnlijk vrijwel verlaten stad, in onwerkelijke blauw- en roodtinten. ‘Dit is je houvast’, zegt de verteller nog. ‘Maar staar je er niet blind op.’

De openingsscène van deze fascinerende documentaire van Thomas Vroege voert de kijker met vaste hand naar het hart van Aleppo, de Syrische stad die voor het oog van de wereld, en de camera’s van die wereld, is kapot geschoten tijdens de oorlog die dictator Bashar al-Assad nu al een jaar of zeven uitvecht met zijn eigen bevolking. Vroege, die zijn filmplan ontwikkelde tijdens de IDFA-Mediafonds workshop, introduceert vier inwoners van Aleppo, die de stad bijna allemaal zijn ontvlucht. Ooit woonden ze op een steenworp afstand van elkaar.

Hun indringende getuigenissen, vaak recht in de camera uitgesproken, worden gepaard aan clipachtige sequenties, met de klaagzang van zangeres Jawa Manla en Karim Aouadi als fraaie soundtrack, en burgerbeelden vanuit de stad die tussen méér dan twee vuren zit. Dat levert hachelijke taferelen op. Zo legt een man bijvoorbeeld de paniek op straat vast als een demonstratie met geweervuur wordt beantwoord. Eerst roept hij nog dat ze zich moeten bekommeren om de voor hun ogen gevallen martelaren, later beperkt hij zich tot een steeds wanhopiger ‘Allahu Akbar’.

Halverwege meldt de aangekondigde vreemdeling van dit tragische verhaal zich. In een lange rij witte bussen stoomt de Tawhid-brigade op door het weidse landschap. ‘Aleppo moest bevrijd worden’,  constateert één van de hoofdpersonen, de aandoenlijke adolescent Nahel, enthousiast. Hij organiseerde de eerste ondergrondse protesten tegen Assad. De nieuwe troepen, lid van het Vrije Syrische Leger, worden als helden onthaald. Niet veel later wappert de vlag van hun revolutie in de stad.

Het duurt niet lang voordat ‘Allahu Akbar’ opnieuw door de straten van Aleppo schalt, ditmaal als strijdkreet van ‘de helden van het Vrije Syrische Leger’. De leus wordt uiteindelijk zelfs als een soort voetbalhymne gezongen, de ongemakkelijke opmaat naar het derde bedrijf van deze prachtfilm, waarin diezelfde revolutie zijn ware gezicht laat zien.

Het verhaal dat zich in de tussentijd heeft ontvouwd is misschien niet nieuw, maar slaat nog altijd het wit uit je ogen. Het moet worden verteld, zoveel is duidelijk. Steeds weer. Totdat we de vreemdelingen leren herkennen voor wie ze zijn. En als het verhaal zo virtuoos wordt verteld als in A Stranger Came To Town, voelt het weer nieuw en onontkoombaar.

The Poetess

 

‘Als een vogel opgroeit in een kooi’, stelt de Saudische dichteres Hissa Helal Remia. ‘Dan past hij zich aan de kooi aan.’ De hoofdpersoon van The Poetess (57 min.) toont nochtans aan dat zo’n vogeltje gewoon blijft zingen (of beter: declameren) zoals het gebekt is. Op tamelijk luchtige wijze belichten Stephanie Brockhaus en Andreas Wolff in deze fijne documentaire de (benarde) positie van vrouwen in de Arabische wereld en hoe die in de afgelopen eeuw is ontstaan.

Een vrouw op een podium is voor bepaalde mannen nog altijd vergelijkbaar met een zedendelict, meent Hissa Helal. In een volledig geblindeerde zwarte nikab doet ze in Abu Dhabi mee aan Million’s Poet, een soort Arabia’s Got Talent waarin poëten uit landen als Jordanië, Oman en Koeweit een miljoenenpubliek proberen te veroveren. Vrijwel alle deelnemers zijn mannelijk, want vrouwen kunnen natuurlijk niet dichten.

Met haar eloquente tirades tegen de misstanden in haar wereld oogst Hissa zowel bewondering als kritiek. ‘Je bent duidelijk opstandig’, zegt de plaatselijke Gordon tijdens zijn beoordelingspraatje, maar hij laat haar wel naar de volgende aflevering gaan. Bij ronde 3 slaat de vlam in de pan als ze zich ongeremd uitspreekt tegen oproepen tot geweld van prominente geestelijken, de zogenaamde fatwa’s.

‘Als ik de waarheid onthul’, doceert Hissa Helal Remia op gedragen toon in het gedicht dat haar voor even wereldnieuws zal maken, ‘komt er een monster tevoorschijn met barbaarse denkwijzen en handelingen.’

Recruiting For Jihad

 

In Recruiting For Jihad (80 min.) vertelt Adel Khan Farooq het verhaal van Ubaydullah Hussain. Beide mannen zijn ongeveer even oud, hebben hun roots allebei in Pakistan liggen en groeiden op in Noorwegen. Toch staan ze mijlenver van elkaar: Farooq werd journalist, Hussain islamist. De één koestert de westerse democratie, de ander wil die juist omver werpen.

Via zijn contact met Hussain krijgt Farooq, die wordt ondersteund door de Noorse filmmaker Ulrik Imtiaz Rolfsen, begin 2014 toegang tot de verborgen wereld van radicale moslims in Europa, die in de dan net opgerichte Islamitische Staat een soort ideale samenleving zien. Jonge ‘gelovigen’, die daadwerkelijk bereid zijn om de wapens op te nemen in Irak of Syrië. Ze duiken op in IS-video’s, als martelaar of beul.

Intussen trekt Ubaydullah Hussain steeds meer de aandacht met extreme uitspraken na de aanslagen op Charlie Hebdo en bij de marathon van Boston en begint de Noorse politie interesse te krijgen in het ruwe beeldmateriaal dat Farooq heeft gemaakt van de goedgebekte jihad-werver en de door hem geronselde strijders, die in deze interessante volgdocu worden klaargestoomd voor de heilige strijd.

Golden Dawn Girls

Volgens eigen zeggen zijn ze gewoon nationalistisch. Beslist geen neo-nazi’s. Ze zijn toch niet Duits? De Grieken hebben juist gevochten tegen Hitler!

Het is alsof ze de vragen van filmmaker Havard Bustnes niet (willen) begrijpen, de vrouwen van de extreem-rechtse partij Gouden Dageraad. Ze werpen elke vergelijking met het Derde Rijk ver van zich. Ze zijn sociaal-nationalist. Geen nationaal-socialist. Ook al heeft een van de partijprominenten toevallig een ‘Sieg Heil’-tatoeage laten zetten. Die vond hij gewoon mooi en heeft verder helemaal niets met Hitler te maken.

Waarom de vrouwen wilden meewerken aan de documentaire Golden Dawn Girls (92 min.)? Om te laten zien dat ze gewone, normale mensen zijn. Die hun kinderen de universele waarde van liefde leren én die hen, letterlijk, wapenen tegen invloeden van buitenaf, mensen met een ander ras of andere huidskleur bijvoorbeeld. Dat dan weer wel.

Via de vrouwen – waaronder Ourania, de dochter van partijleider Nikos Michaloliakos – probeert Bustnes door te dringen tot het zwarte hart van Gouden Dageraad, dat zichzelf beschouwt als ‘het verzet’ in een vuile oorlog tegen oprukkende buitenlanders. En als hun mannen achter slot en grendel (dreigen te) verdwijnen, treden zij zelf op de voorgrond, strevend naar een klinkende verkiezingsoverwinning.

Golden Dawn Girls had soms wat meer vaart kunnen gebruiken. Tegelijkertijd slaagt de film er glansrijk in om van binnenuit een even omstreden als relevante politieke beweging te portretteren, die doorgaans uit de buurt blijft van (kritische) media. Want inmiddels heeft zo’n beetje elk zichzelf respecterend Europees land zijn eigen Gouden Dageraad.

Fatum (Room 216)

Zou regisseur Ramón Gieling zich tekort gedaan voelen als we zijn documentaire Fatum (Room 216), die in première ging op het IDFA en waarvan dinsdag de ingekorte televisieversie (54 min.) wordt uitgezonden op NPO2, scharen onder de noemer ‘true crime’? Gieling stelt namelijk heel wat in het werk om van Fatum, het Romeinse woord voor noodlot, geen routineuze thriller te maken.

Dat begint al met het motto van de film: ‘Some reflections on the notion of love and death’. Verder zijn er de regelmatig terugkerende citaten uit Het Hooglied, waarmee het dramatische verhaal dat zich op beeld ontvouwt psychologisch wordt geduid, en de verstilde beelden van zogenaamde ’schuldige omgevingen’, die dat verhaal op naargeestige wijze illustreren.  En dan is er nog het geladen muziekstuk Fatum van componist Paul M. van Brugge, die door twee musici, in beeld bovendien, wordt ingespeeld.

Die extra elementen, waarvan je wenkbrauwen wellicht spontaan de lucht ingaan, zijn echter niet meer dan de – enigszins pretentieuze – omlijsting van de kern van deze spannende documentaire: een verhoor van de militaire commandant Russell Williams uit Canada, die in 2010 in verband werd gebracht met de verdwijning van maar liefst vier vrouwen. ‘Zeg maar Russ’ oogt als een vriendelijke en nette burgerman, die vanzelfsprekend graag wil meewerken aan het onderzoek.

In kamer 216 wordt Williams opgewacht door de voorkomende rechercheur Jim Smyth en drie camera’s, die het gehele gesprek vanuit verschillende hoeken van de verhoorkamer vastleggen. Smyth gaat uiterst behoedzaam te werk, legt zijn gesprekspartner tijdens het gesprek van bijna tien uur beleefd allerlei vragen en hypothesen voor en draait hem intussen vakkundig de duimschroeven aan. Dat spannende psychologische spel, waarbij kat en muis elkaar op zo onopvallend mogelijke wijze achterna zitten, drijft deze film, die moeiteloos aansluiting vindt bij het populairste documentairegenre van dit moment (true crime) en er een mooie aanvulling op is.

Cold Blooded: The Clutter Family Murders

 

Als er al zoiets als een startpunt kan worden vastgesteld voor het true crime-genre, dan ligt dat in 1966 bij het legendarische non-fictieboek In Cold Blood, waarin Truman Capote de huiveringwekkende moord op de Clutter-familie in 1959 minutieus reconstrueert en de moordenaars Dick Hickock en Perry Smith volgt totdat ze enkel jaren later ter dood worden gebracht. Intussen probeert hij, de flamboyante intellectueel uit het mondaine New York, hén, een diabolisch tweetal uit het Amerikaanse heartland, te doorgronden.

Hoewel het boek een internationale bestseller werd, ging Capote er helemaal aan kapot – aan zijn haat/liefde voor Smith in het bijzonder. Hij zou nooit meer een fatsoenlijk boek publiceren. Dat gegeven, van de gevierde schrijver die volledig ten onder gaat aan zijn (gruwelijke) werk, vormde de basis voor twee speelfilms binnen een jaar: Capote (een topzware film, met een Oscar-winnende Philip Seymour Hoffman) en Infamous (de betere speelfilm van de twee, waarin Daniel Craig een ijzingwekkende Perry Smith vertolkt).

In Cold Blood zelf werd natuurlijk ook meermaals verfilmd. Dan is het de vraag of het Clutter-terrein inmiddels niet zo grondig is afgegraasd dat ook nog een uitputtende documentaire een beetje te veel van het goede wordt. Cold Blooded: The Clutter Family Murders (168 min.), waarvan Canvas vanavond het eerste deel uitzendt, slaagt er evenwel in om onontgonnen terrein aan te boren met nieuwe getuigen, een overdaad aan bewijsmateriaal én interviews met familieleden van de Clutters, die nooit eerder voor de camera verschenen.

Regisseur Joe Berlinger leverde met de grandioze Paradise Lost-trilogie, waarin hij samen met Bruce Sinofsky gedurende vijftien jaar de satanische (?) moord op drie jongetjes onderzocht, al een onvervalste true crime-evergreen af en pluist nu nauwgezet de ‘klassieke moorden’ in Kansas uit. Dat levert geen verrassende nieuwe inzichten op – wie die daders zijn, is immers al een halve eeuw bekend – maar zorgt wel degelijk voor duiding. Van de moorden zelf en het gebrek aan een logische verklaring daarvoor, maar ook van de emotionele impact ervan. Die werd niet eerder zo indringend in kaart gebracht.

Ghost Hunting

 

In de openingsscène wordt direct voelbaar wat de Palestijnse filmmaker Raed Andoni zijn hoofdpersonen gaat aandoen in dit sociale experiment, dat slim is vermomd als documentaire. Hij leidt een geboeide en geblinddoekte man een kale, duistere ruimte binnen, trekt de kap van diens hoofd en opent vervolgens zijn handboeien. Samen kijken ze om zich heen: wat moet waar komen, zodat de hal straks zoveel mogelijk gaat lijken op de gevangenis waar de man ooit vastzat?

In Ghost Hunting (90 min) begeeft Andoni zich op het terrein van ongemakkelijke documentaires als The Act Of Killing, waarin Indonesische massamoordenaars met zichtbaar plezier hun vroegere wandaden naspeelden, en Stranger In Paradise, een film waarvoor de Nederlandse regisseur Guido Hendrikx acteur Valentijn Dhaenens opdracht gaf om als beurtelings barse en empathische leraar vluchtelingen de mores van Europa bij te brengen. Ook de associatie met het geruchtmakende Stanford Prison Experiment is natuurlijk onontkoombaar.

Samen met Palestijnen die ooit, vaak voor langere tijd, in een Israëlische gevangenis hebben gezeten bouwt Raed Andoni, die zelf als achttienjarige ook een jaar in een cel doorbracht, een nauwgezette replica van een cellencomplex. Intussen bepaalt hij wie voor welke rollen in aanmerking komt. Ook daarbij gaat hij tegendraads te werk. Een acteur die tijdens zijn auditie net een angstaanjagende ondervrager heeft neergezet, wordt doodleuk gecast als gevangene. Alsof de regisseur wil zeggen dat het in wezen ook niet uitmaakt welke rol je krijgt toebedeeld in deze horrorfilm: ondervrager of ondervraagde.

‘Wij moeten allemaal pionnen zijn in jouw schaakspel’, voegt één van de medewerkers aan de film hem fijntjes glimlachend toe, als ze inmiddels druk aan het improviseren zijn en niemand meer weet waar het experiment zal eindigen. ‘Denk je dat?’, wil Andoni weten. ‘Ja, jij bent een controlfreak.’ Even later vraagt een acteur waarom hij deze film überhaupt wil maken. Andoni, die met Ghost Hunting de massale Palestijnse gevangenschap zegt te willen aankaarten, heeft duidelijk ook een persoonlijk motief: ‘Jij verslaat je demonen of zij verslaan jou.’

De scènes die zich onder Andoni’s hoede ontvouwen kunnen elk moment ontsporen en doen dat soms ook. Soms moeten ze zelfs worden stopgezet omdat de emoties te hoog oplaaien. Als kijker blijf je intussen gissen naar wat gescript is en wat niet (en of dat ertoe doet). Duidelijk is dat de deelnemers, indachtig ook het beruchte experiment in de Stanford Prison-gevangenis (dat hier overigens wordt betwist), geen enkele moeite hebben om zich in hun ‘rol’ in te leven. Ghost Hunting, dat is aangekleed met stemmige animaties, reikt intussen geen hapklare emoties aan, maar brengt zowel de participanten op de buis als de observanten thuis systematisch uit het evenwicht.

Alicia

 

Ze gaat haar hondje van de hand doen via Marktplaats, vertelt Alicia’s moeder. Het is een keilief beestje hoor, maar het heeft een slechte start gemaakt en daar heeft zij het geduld niet voor. Alicia, na haar geboorte uit huis geplaatst, staat erbij. Het negenjarige meisje is een dagje thuis om haar verjaardag te vieren en gaat later weer gewoon terug naar het kindertehuis.

In de aangrijpende fly on the wall-documentaire Alicia (90 min.) volgt Maasja Ooms gedurende drie jaar het verweesde negenjarige kind dat op haar vijfde, na de dood van haar pleegvader bij wie ze enkele jaren heeft gewoond, in een kindertehuis is beland. In de Maashorst in het Brabantse Reek lijkt ze wel op haar plek. ‘Niemand vindt mij lief’, staat er niettemin te lezen in de rapportage van het tehuis. ‘Ik kan er net zo goed niet zijn.’

Gaandeweg gaat het steeds minder goed met de stevig puberende Alicia, die niet meer blijkt te handhaven in Reek en daarna een rondgang door de Nederlandse jeugdzorg moet maken. Intussen probeert ze de relatie met haar moeder, die ook weer haar eigen verhaal blijkt te hebben, in stand te houden. Als kijker zie je het met een kolossale steen in je maag aan. Zijn kwetsbare meisjes zoals Alicia dan nergens op hun plek?

Alicia is zo’n film die je heimelijk blijft achtervolgen en op onverwachte momenten plotseling toeslaat. Als je willekeurige tienermeisjes ziet, als je leest over het belang van hechting in de jongste jeugdjaren of als je, gewoon, heel gewoon, even naar je eigen kinderen kijkt.

Independent Boy

 

Hij had gewoon een schop onder zijn hol nodig. Metin Fennema, de hoofdpersoon van de documentaire Independent Boy (56 min.) die zijn vriend Vincent Boy Kars over hem maakte. Metin, een wat schlemielige jongen met snor, bloempotkapsel en een petje – een typetje bijna – moet nodig het huis uit en zou eindelijk ook eens wat met zijn muziek moeten doen.

Zijn moeder heeft daar weinig vertrouwen in, zo laat ze hem bij aanvang van de film weten. En dus neemt Kars voor een maand de regie over in het leven van zijn vriend. Morgen staat er een busje voor de deur, meldt hij de verbouwereerde Metin en zijn moeder. Hij gaat op zichzelf wonen. Wat de rest van het experiment gaat brengen, weet dan nog niemand.

In hoeverre is het leven maakbaar, vragen Kars en Fennema zich intussen af. En zou je dat eigenlijk moeten willen? Het zijn serieuze vragen die tijdens deze lekker wringende film, waarbij je je voortdurend afvraagt wat er spontaan is vastgelegd en wat er speciaal voor de camera is geënsceneerd, gaandeweg van een plausibel antwoord worden voorzien.

Het experiment is dan allang zijn spannende beginfase voorbij, waardoor ook filmmaker Vincent Boy Kars zelf – hoe kan het ook anders? – met de billen bloot moet.