Heysel 1985: Dans L’Enfer De La Foule

RTBF

Van de beoogde hoofrolspelers worden Liverpool-icoon Kenny Dalglish en Juventus-ster Michel Platini gedegradeerd tot onbeduidende figuranten. Wat een zinderende finale van de Europa Cup I, de voorloper van de Champions League, had moeten worden, wordt op 29 mei 1985 een ongekende veldslag in het Heizelstadion te Brussel.

En dan niet tussen de elftallen van de twee voetbalgrootmachten, maar tussen hun supporters. Het zogenaamde Heizeldrama. Ruim voor aanvang van de wedstrijd vallen Engelse hooligans hun Italiaanse opponenten aan. Zij richten een bloedbad aan in het verouderde stadion: 39 doden, vooral Italianen, en dan nog ruim zeshonderd gewonden.

In Heysel 1985: Dans L’Enfer De La Foule (84 min.) reconstrueren Christophe Hermans en Boris Tilquin (Merckx) deze zwarte bladzijde uit de voetbalgeschiedenis met een aantal direct betrokkenen: Juve-supporter Giovanni Costacurta, de (veroordeelde) Liverpool-fan Terry Wilson, Belgische politieagenten en enkele journalisten.

Hun verhalen worden gestut met beelden van de immense chaos op deze tragische dag. Terwijl er massale rellen uitbreken, supporters op de vlucht slaan en de politie te paard toesnelt om de wapenstok ter hand te nemen, meldt een mededelingenbord doodleuk: ‘UEFA and the Belgian F.A. wish you a hearty welcome in the Heizelstadium.’

Veertig jaar na dato doen de beelden van het Heizeldrama, dat zich voor het oog van de camera opnieuw ontvouwt, denken aan taferelen die we kennen uit oorlogsgebied: angstige of gewonde mensen vluchten in blinde paniek weg. Hulpverleners proberen te redden wat er te redden valt. Intussen worden er levenloze lichamen afgevoerd.

En daarna wordt er, om verdere ellende te voorkomen, gewoon afgetrapt. De Franse ster Platini zal de wedstrijd alsnog in het voordeel van Juventus beslissen. Over die Cup-winst blijft echter altijd een grauwsluier hangen. Van een bezoedelde overwinning in een wedstrijd die nooit meer gespeeld had mogen worden – ook al is voetbal dan oorlog.

De Duitse televisie weigert in elk geval om de finale uit te zenden, tonen Hermans en Tilquin. Dat geeft geen pas. En daarna laten ze zien hoe Juventus-tifosi desondanks ongegeneerd de overwinning vieren. Het gênante tafereel wordt gevolgd door uitsluiting van Britse teams aan Europese toernooien én de zoektocht naar de verantwoordelijken.

‘Gedurende het ganse proces had ik de vraag: ben ik nu schuldig of ben ik alleen maar verantwoordelijk?’ zegt Rijkswachtkapitein Johan Mahieu, die belast was met de beveiliging. Hij krijgt een voorwaardelijke straf opgelegd voor zijn aandeel in het Heizeldrama. ‘Ik heb mij nooit schuldig gevoeld, ik heb mij wel verantwoordelijk gevoeld.’

Als deze donkere dag voor het Europese voetbal helemaal is afgewikkeld, volgt nog geen vier jaar later een nieuw dieptepunt in de Liverpool-historie: Hillsborough.

Trailer Heysel 1985: Dans L’Enfer De La Foule

Chaplin: Spirit Of The Tramp

Periscoop Film

Na de dood van hun moeder vindt Victoria Chaplin in een afgesloten lade van een kast in hun Zwitserse huis Manoir de Ban een brief die haar vader Charlie heeft ontvangen na het publiceren van zijn autobiografie in 1964. Ze geeft hem aan haar broer Michael, die er helemaal van ondersteboven is. De brief is afkomstig van ene Jack Hill. Hij noemt hun vader een leugenaar. ‘Hallo Charlie, je schrijft over je geboortehuis’, schrijft Hill. ‘Je liegt alleen dat je barst. Je kunt helemaal niet weten waar je bent geboren of wie je eigenlijk bent. Als je ‘t zo nodig wilt weten: je bent geboren in een caravan.’

De wereldberoemde Britse komiek en acteur Charlie Chaplin (1889-1979) – die vader dus – kwam ter wereld op de zogenaamde Black Patch in Smethwick, nabij de Britse industriestad Birmingham. In een Roma-caravan, naar verluidt zelfs van de Gypsy Queen van de gemeenschap, Jack Hills tante. Chaplin had dus ‘zigeunerbloed’ door zijn aderen vloeien en zou zijn jonge jaren in erbarmelijke omstandigheden en diepe armoede doorbrengen. In Chaplin: Spirit Of The Tramp (90 min.) onderzoeken twee kleindochters van Chaplin, de zussen Carmen (regie) en Dolores (productie), hoe die wortels zijn te traceren in ‘s mans leven en werk.

Chaplins oudste zoon, de schrijver Michael J. Chaplin, fungeert daarbij als verteller. Hij wordt terzijde gestaan door zijn broer Christopher (musicus) en zussen Geraldine (actrice), Victoria (circusartiest) en Jane (schrijfster) en gaat verder in gesprek met bekende vertegenwoordigers van de Roma-gemeenschap zoals regisseur Tony Gatlif, schrijver Damian Lebas, regisseur Emir Kusturica en muzikant Stochelo Rosenberg. Stuk voor stuk vinden zij talloze aanknopingspunten in Chaplins oeuvre. Te beginnen natuurlijk bij zijn voornaamste creatie, The Tramp. Een zwerver die zomaar voor een zigeuner kan worden versleten.

Het feit dat Charlie Chaplin in producties als de stomme film-klassieker The Gold Rush (1925) en de genadeloze Hitler-pastiche The Great Dictator (1940) gebruik maakte van composities van Johannes Brahms, die sterk was beïnvloed door Romani-muziek, is minder voor de hand liggend. Of dat de manier waarop hij, in de woorden van Emir Kusturica (de maker van de ultieme gypsy-komedie Black Cat, White Cat), vecht met de zwaartekracht (zoals naderhand treffend wordt geïllustreerd met een slapstick koorddansscène uit The Circus, waarvoor Chaplin in 1928 een Oscar won) ook kan worden verbonden met zijn Roma-roots.

Hoewel de verhaallijn in deze ‘familiefilm’ van The Chaplins, waarin ook Charlies biograaf David Robinson en acteur Johnny Depp nog even kort hun zegje mogen doen, soms wat scherper had gekund en de docu ook stilistisch een beetje een ratjetoe wordt (met interviews, ontmoetingen, archiefbeelden, filmfragmenten en uitzinnige Roma-sequenties) voegt Chaplin: Spirit Of The Tramp wel degelijk een waardevol perspectief toe aan The Real Charlie Chaplin (2021), de documentaire die enkele jaren geleden het definitieve portret leek van de baanbrekende entertainer.

The Trouble With Mr Doodle

Acme Films

Als het aan Sam Cox ligt, is de hele wereld niet meer dan een canvas voor zijn ‘doodles’, de lijntekeningen die de meeste mensen vooral maken om hun gedachten te verzetten. Als kind wilde de jonge Brit al obsessief tekenen, liefst vijftien uur per dag. Gedachteloos de stift ter hand nemen en dan letterlijk elk papier vullen waar je de hand op kunt leggen. Zo blijft de echte wereld ook op afstand. En dat is wel zo prettig, want Sam is nu niet direct een sociale jongen.

Hij ontwikkelt een alter ego: Mr Doodle, een slapstickachtige figuur met een doodlepak aan, die alles voltekent wat hij op zijn pad treft en die via foto’s en filmpjes op social media al snel een populair personage en een gewaardeerde kunstenaar wordt. Sams grote doom is een volledig wit geschilderd huis, dat hij vervolgens, van binnen en van buiten, he-le-maal kan voltekenen met zijn kenmerkende naïeve figuurtjes, voorwerpen en vormen. Tegen die tijd hebben zijn enthousiast ontvangen ‘droedels’ alleen al een behoorlijk ongezond trekje gekregen.

The Trouble With Mr Doodle (88 min.) is een aangrijpend portret van een jonge getalenteerde tekenaar die stilaan volledig doordraait. Totdat Sam Cox zichzelf dood verklaart en daadwerkelijk verder wil als Mr Doodle, een tragische figuur die z’n levensdagen slijt in het nachtmerrieachtige Doodleland. ‘Ik dacht dat ik bevriend was geraakt met Banksy en heel close was met Kanye West’, vertelt hij daarover. ‘Donald Trump vroeg me om te doodelen op de muur tussen de Verenigde Staten en Mexico. Wij gingen samen de hele wereld doodelen!’

Deze film van Jamie D’Cruz, Ed Perkins en Alex Nott maakt alvast een ferme start met die wereld en is volkomen volgedoodeld. Zodat het intimiderende karakter van dat tekenen in Sams leven bijna fysiek voelbaar wordt. De documentaire begon ooit bij het witte huis – wat een project om te documenteren! – maar ontwikkelde zich gaandeweg tot een portret van de wankele man daarachter. De doodles spatten daarin zowat van het scherm af en overweldigen elke plek waarin ze terecht zijn gekomen. Cox zit gevangen in zijn eigen kunst en het manisch vervaardigen daarvan.

The Trouble With Mr Doodle maakt zichtbaar hoe dun en fragiel de lijn kan worden tussen genie en gekte. Het kunstenaarschap wordt voor Sam Cox, zonder dat hij daar zelf vat op krijgt of ’t zelfs maar door heeft, een juk om onder te bezwijken. Sams mentale staat baart natuurlijk ook zijn ouders Andrea en Neill en Oekraïense vriendin Alena ernstige zorgen. Maar hoe red je iemand van zijn zelfverkozen levensmissie?

One To One: John & Yoko

Magnolia Pictures

Eind 1971 verhuizen John Lennon en Yoko Ono van Londen naar New York, waar ze anderhalf jaar lang in een klein appartement in Greenwich Valley wonen, kunstenaars en politieke activisten ontvangen en héél véél televisie kijken. Ze zijn zelf overigens ook vaak op de buis, getuige de documentaire One To One: John & Yoko (100 min.) van Kevin Macdonald en Sam Rice-Edwards, in één van de vele Amerikaanse nieuws-, entertainment- of praatprogramma’s.

Want dat kennen ze dan nog niet buiten de Verenigde Staten: de hele dag door televisie, een permanent venster op de wereld, gewoon in je eigen huiskamer. Waarop bijvoorbeeld is te zien hoe een lid van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis de Amerikaanse president Richard Nixon de mantel uitveegt over de Vietnamoorlog, leden van de tegencultuur zoals Jerry Rubin ongegeneerd hun kans grijpen in talkshows en een opstand in de Attica-gevangenis met brute kracht wordt neergeslagen.

John en Yoko’s Greenwich-periode culmineert in One To One, het énige volledige optreden dat Lennon heeft gegeven ná het einde van The Beatles. Macdonald en Rice-Edwards matchen fragmenten van dit benefietconcert voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, op 30 augustus 1972 in Madison Square Garden, met andere activiteiten van de Britse zanger/gitarist en de Japanse kunstenares, die elkaar hebben gevonden in zowel de liefde als een alomvattend activisme.

Deze archieffilm bevat ook talloze telefoongesprekken van het tweetal. Met vrienden, managers, journalisten en allerlei andere lieden die iets van hen willen. Lennons echtgenote moet zich bijvoorbeeld de vele Yoko-haters van het lijf houden, die haar het einde van Johns eerste huwelijk en van The Beatles verwijten, en probeert zelf, ook via de televisie overigens, de relatie met Kyoko, de dochter uit haar relatie met kunstpromotor Anthony Cox, te herstellen. Haar ex is spoorloos verdwenen met het meisje.

Terwijl de camera zwerft over een replica van het voormalige appartement van Lennon en Ono, komt via de beeldbuis de rest van de wereld binnen. Zowel het segregatie-boegbeeld George Wallace als zijn absolute tegenpool, de zwarte vrouw Shirley Chisholm, stellen zich bijvoorbeeld namens de Democratische Partij kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het Watergateschandaal rond de Republikeinse president Nixon komt op gang. En intussen zijn er tv-reclames in alle soorten en maten.

Via het iconische duo John en Yoko – en hun optredens, opgenomen belletjes en televisietoestel – brengen Macdonald en Rice-Edwards haarscherp een getroebleerde natie in beeld. Een land dat aan het begin van de jaren zeventig wordt verscheurd door Vietnam, raciale spanningen en maatschappelijke tegenstellingen. Waar Richard Nixon in 1972 een gigantische verkiezingsoverwinning kan boeken, om nog geen twee jaar later, als gevolg van Watergate, roemloos af te druipen als niets meer dan een ‘crook’.

John Lennon en Yoko Ono zijn dan al enige tijd weg uit Greenwich Valley en hebben elders in New York een appartement betrokken.

Keith Richards: Under The Influence

Netflix

Hij klinkt nog altijd alsof hij flink in de olie of onwaarschijnlijk high is. En dan die lach: alsof er tegelijkertijd slijm en valse lucht uit lang vervlogen tijden mee naar buiten willen. Het is daarom wellicht verleidelijk om Rolling Stones-gitarist Keith Richards niet al te serieus te nemen. Als een oude vos die nu eenmaal zijn streken niet verleert.

Toch is ‘Keef’ allang niet meer de onbetwiste nummer één op rock & rolls te verwachten dodenlijst – al zou dat tegenwoordig, nu hij zowaar al even in de tachtig is, allang niet meer zo vreemd zijn als in pak ‘m beet de eerste vijftig jaar van zijn turbulente bestaan. Toen hij alles deed wat God verboden had. ‘Je bent pas volwassen op de dag dat ze je begraven’, zegt hij er zelf over, ook alweer tien jaar geleden overigens, in Morgan Neville’s documentaire Keith Richards: Under The Influence (82 min.) uit 2015.

Omdat The Rolling Stones weer even in de pauzestand staan, blaast hij dan met z’n vaste kompanen Waddy Wachtel (gitaar) en Steve Jordan (drummer/producer) zijn solocarrière nieuw leven in. De gitarist zingt en speelt enkele nieuwe songs, ontvangt muzikale gasten voor z’n derde album Crosseyed Heart en demonstreert en passant dat ie ook een lekker moppie piano kan spelen (iets wat hij volgens eigen zeggen leerde van Ian Stewart, de pianist die nooit echt tot The Rolling Stones mocht behoren).

Richards blikt verder terug op zijn jeugd in het Engelse Dartford, vertelt hoe de blues van Robert Johnson, Muddy Waters en Howlin’ Wolf zijn leven veranderde en zoomt dan in op de band die van daaruit ontstond – waarvan hij nu al dik zestig jaar het muzikale geweten is, terwijl Mick Jagger als blikvanger fungeert. Dit portret concentreert zich volledig op zijn onbegrensde liefde voor muziek. Seks en drugs, vaste bestanddelen van andere Stones-docu’s, geven ditmaal voorrang aan rock & roll. De muziek dus.

Achteraf bezien is ‘t een gotspe dat er een Brits bandje aan te pas moest komen om al die Amerikaanse blueshelden aan de vergetelheid te ontrukken. Het zorgde wel voor onvergetelijke momenten, die hij duidelijk koestert. En toen Richards’ relatie met Jagger, die in deze film nooit meer dan een onbeduidende figurant wordt, halverwege de jaren tachtig in de ‘Derde Wereldoorlog’ was beland, ontdekte hij via de docu Chuck Berry: Hail! Hail! Rock ‘N’ Roll (1987) dat er een muzikaal leven bestond buiten The Stones.

Want het podium en de studio beschouwt hij als zijn thuis. Verder bezoekt Keith Richards in dit sympathieke portret het Grand Ole Opry in countrymekka Nashville, zingt hij op tegen de dwarse crooner Tom Waits en speelt in Chicago, de bakermat van de elektrische blues, een partijtje biljart met Buddy Guy. Het is, kortom, de liefhebber in Keith Richards die alle aandacht krijgt in Under The Influence. De man ook, de zoon en de grootvader. Zij hebben in werkelijkheid allang de notoire veelgebruiker vervangen. 

‘Een imago dat ik niet kan afschudden’, zegt hij daarover berustend. ‘Het is geen schaduw want het is er de klok rond. Het verdwijnt niet als de zon ondergaat.’

I Am Martin Parr

Dogwoof

Gniffelen mag. Om de openingssequentie van I Am Martin Parr (52 min.), met iconische beelden van de Britse fotograaf. Om het friet etende gezin op een rood bankje, bij een vuilnisbak die niet op z’n taak is berekend. Om het oudere echtpaar dat elkaar nauwelijks een blik waardig gunt in een sfeerloos restaurant. Om de helblonde hanenkam voor een typisch Britse telefooncel. Om de groep nette heren met een zwarte bolhoed, die ogen als overjarige Daltons. En om de baby die er nog nét bij past in de helemaal volgestouwde winkelwagen.

Typisch Martin Parr. Door regisseur Lee Shulman bovendien opgediend met een snuifje punk: White Riot van The Clash. ‘Hij heeft gedaan wat Charlie Chaplin in de stomme film deed’, stelt Parrs collega Mimi Mollica. ‘Komedie en tragedie ineen. Dat bestond nog niet in de fotografie.’ Martin Parr ziet zichzelf echter niet als een humoristische fotograaf. ‘Het leven is gewoon vreemd en grappig.’ En dus zit zijn werk vol met zowel de schoonheid als de lulligheid van het bestaan. Het duurde alleen even voordat dit op waarde werd geschat: anderen verdachten de fotograaf ervan dat hij gewone mensen te kijk zette.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen hij in de jaren negentig lid wilde worden van Magnum Photos, het toonaangevende fotografencollectief. De helft van de leden zou ermee stoppen als Martin Parr werd toegelaten, de andere helft als er géén plek voor hem zou zijn. ‘Cultuur heeft iets tegen humor, terwijl humor de cultuur juist tempert’, schampert kunstenaar Grayson Perry daarover. ‘Dat wordt zo onderschat. Er zit zoveel performatieve ernst in de kunst. Mensen denken dat ellende belangrijker is in de kunst dan humor. Humor houdt gewichtigdoenerij en fanatisme binnen de perken.’

Terwijl zijn echtgenote Susie Parr, kunstkenners en collega’s zoals Bruce Gilden, Kavi Pujara en Harry Gruyaert hun licht over hem laten schijnen, toont Shulman hoe Parr, die ernstig ziek is geweest en zich geregeld voortbeweegt met een rollator, onvermoeibaar aan het werk blijft. Hij lijkt overal in de publieke ruimte wel wat van zijn gading te kunnen vinden: in restaurants, op de dansvloer, aan het strand, in een speelhal, achter het stuur of op de markt. ‘Niet lachen, normaal kijken’, zegt hij dan tegen de mensen voor zijn camera en legt hen vervolgens op hun paasbest, allergewoonst of ongemakkelijkst vast.

Volgens eigen zeggen wil Parr ‘de vrijetijdsbesteding van diverse klassen in de westerse wereld vereeuwigen’. Zo heeft hij meteen de wegkwijnende arbeidersklasse in Thatchers Engeland te pakken gekregen en later ook de consumptiemaatschappij en het internationale toerisme van onvergetelijke beelden voorzien. Op die manier heeft de onverzadigbare fotograaf, in de woorden van bassist Mark Bedford van de Britse skaband Madness (die natuurlijk niet ontbreekt in de lekker rafelige soundtrack van I Am Martin Parr), de wereld vastgelegd zoals die was. ‘En niet zoals hij ‘m wilde hebben.’

De bonte kermis aan beelden in dit joyeuze portret zorgt er zelfs voor dat het gewone leven, zoals eenieder van ons dat elke dag aantreft als ie z’n huis verlaat, verdacht veel op een Martin Parr-foto begint te lijken.

Mamy Rock

Spoa Films

Ze houdt zielsveel van haar kleinkinderen, gaat zo nu en dan eens een blokkie om én treedt in de hele wereld op als deejay. ‘She’s gonna kick some ass’. declameert zo’n typische bombastische radiostem in de openingsscène van deze docu bij clipachtige beelden van de bejaarde superster. ‘And you’re gonna love her back.’ En dat roept dan meteen de vraag op of Mamy Rock (52 min.) – ondertitel: the amazing story of a very young old person – méér is dan een geinige gimmick.

Nadat de Britse tachtiger Ruth Flowers, van origine zangeres, in de openingsscène van deze nogal gladde film telefonisch boekingen in allerlei uithoeken van de wereld heeft doorgekregen, pakt ze lekker de breipennen erbij. Het is een treffende scène, waarin haar hele verhaal zit vervat. Dezelfde vrouw zal later, met zorgvuldig gecoiffeerd haar en een grote zonnebril op, overal de dansvloer vullen met haar eigen mixture van hits en beats. Vrienden en familieleden kunnen ’t nog altijd nauwelijks geloven. ‘Het is in elk geval geen André Rieu’, constateren bevriende leeftijdsgenoten lachend.

Mamy Rocks verhaal lijkt te beginnen op het moment dat Ruth in 2003 de Parijse producer Orel Simon ontmoet. Samen met enkele bevriende insiders introduceert hij haar in de deejaywereld en zorgt met een styliste en visagiste bovendien voor een kek imago. Simon wil best vertellen over dat avontuur in deze door hemzelf geregisseerde film. Hetzelfde geldt voor de andere profi’s die bij Mamy Rock betrokken waren, zoals de archetypische oudere popjournalist Philippe Manoeuvre, compleet met verplichte zonnebril en een hip jack, die nog wel wat smeuïge oneliners over heeft.

Ruth Flowers wordt al snel een fenomeen. Ze maakt in 2010 haar debuut op een feest tijdens het filmfestival van Cannes en mag twee jaar en vele optredens later zelfs aantreden op het Britse festival Glastonbury. Net als bij veel andere optredende deejays kun je je dan afvragen: wat komt er van een tape en wat doet ze nu werkelijk zelf? Voor haar publiek lijkt het idee van een deejayende oma echter al méér dan genoeg. Ze gaan helemaal los op die übercoole granny. Zoals haar kleinzoon Franklyn ’t treffend uitdrukt: ze laat ons allemaal zien dat het leven niet ophoudt na je vijftigste. Waarvan akte.

Tegelijkertijd is het de vraag of Mamy Rock, behalve een gimmick, niet vooral ook een geslaagd marketingexperiment was, waarvan deze docu integraal onderdeel lijkt. Het idee van een bejaarde plaatjesmixer garandeert op voorhand immers al bijna een mediahype, die dan alleen nog op de juiste manier moet worden aangezwengeld. De film doet in elk geval geen serieuze poging om voorbij de mythe en bij de persoon daarachter te komen. Sommige verhalen moet je ook niet dood checken, zeggen ze dan. Die moet je vooral zo goed mogelijk uitstallen – en wellicht zelfs een héél klein beetje aandikken.

Hoewel Ruth Flowers (1931-2014) een kleine tachtig jaar heeft geleefd vóórdat ze Mamy Rock werd, is daarvan in dit postume portret dus weinig te merken. Dat dient vooral om haar op een voetstuk te plaatsen als de hipste bejaarde die de 21e eeuw tot dusver heeft gekend.

Becoming Led Zeppelin

Piece Of Magic

Na bijna veertig minuten is het eindelijk zover: de vier mannen die eind jaren zestig onder de noemer Led Zeppelin een wereldberoemde rockband zullen gaan vormen, zijn voor het eerst samen in een oefenruimte beland.

De Britse stergitarist Jimmy Page, die z’n sporen heeft verdiend als studiomuzikant en al in The Yardbirds zat, is wel toe aan een eigen band. Sessiemuzikant en arrangeur John Paul Jones wil ‘t wel eens op bas proberen in die groep. En zanger Robert Plant, platzak en dakloos, kan inmiddels wel een project met enige potentie gebruiken. Alleen drummer John Bonham moet worden overgehaald. Die verdient toch al gauw veertig pond per week bij de begeleidingsband van de Amerikaanse zanger Tim Rose en moet dus nodig met zijn vrouw Pat overleggen.

‘Toen we uiteindelijk stopten, was ik ervan overtuigd dat iedereen wist dat onze levens voorgoed zouden veranderen’, herinnert Jimmy Page zich die eerste repetitie. Niet veel later staat ook Becoming Led Zeppelin (122 min.) in vuur en vlam, als dat viertal voor het eerst optreedt. Dat heeft de film van Bernard MacMahon ook wel nodig. Het eerste half uur van deze rockdoc is tamelijk routineus. Met archiefmateriaal, gecombineerd met zitinterviews met de drie nog levende bandleden en een geluidsopname van een gesprek met John Bonham (1948-1980), dat hier voor het eerst is te horen.

MacMahon ruimt vervolgens opmerkelijk veel tijd in voor Led Zeppelins opwindende live-performances, die dik een halve eeuw na dato nog niets aan kracht hebben ingeboet, en verbindt die via nieuwsbeelden weer met de gebeurtenissen van die tijd. Tussendoor blikken de drie bandleden en hun overleden maatje – andere sprekers kent deze docu niet – los van elkaar terug op de formatieve jaren van hun geesteskind. Zo nu en dan kijken Jimmy, Robert en John Paul ook naar een concertfragment van hun band of luisteren wat wijlen Bonham in dat overgeleverde interview had te melden.

En dan, na ruim twee uur speelduur, zijn de baanbrekende albums Led Zeppelin I en II, allebei uitgebracht in 1969, aan de wereld toevertrouwd, heeft de signatuursong Whole Lotta Love het levenslicht gezien en mag de band voor het eerst aantreden in de Londense Royal Albert Hall. Led Zeppelins beginperiode zit er dan op, evenals deze film – die dus ruimte laat voor mogelijke vervolgfilms (Being Led Zeppelin? Leaving Led Zeppelin?). De Led Zep-liefhebber zal geen buil vallen aan deze klassieke bandjesfilm, maar of de Britse rockgroep er ook nieuwe fans aan zal overhouden?

Daarvoor blijft Becoming Led Zeppelin toch te veel een ‘en toen en toen en toen’-docu, die bovendien wel erg netjes binnen de lijntjes kleurt.

Black Widow

SkyShowtime

‘Dena, wat heb je nu weer gedaan?’ vraagt haar moeder, als ze ziet wat haar volwassen dochter in haar eigen huis heeft aangericht met een honkbalknuppel. De vader van Dena Holmes brengt het ernstig gewonde slachtoffer naar het ziekenhuis, terwijl moeder direct begint met het schoonmaken van de woning. Even later zijn alle bloedsporen weggepoetst. En het slachtoffer, Dena’s eigen echtgenoot, wil bij nader inzien toch geen klacht tegen haar indienen bij de Britse politie.

Het is een bizar tafereel, aan het einde van de tweede aflevering van Black Widow (135 min.), een driedelige docuserie van Paula Wittig over een Britse vrouw die daadwerkelijk een zwarte weduwe mag worden genoemd. Dena windt mannen moeiteloos om haar vinger en brengt ze vervolgens, als een rasmanipulator, in de meest onmogelijke posities. Alsof ze daadwerkelijk hun leven vergiftigt. Het zijn verhalen die door allerlei getuigen moeten worden bevestigd. Anders waren ze nauwelijks te geloven.

Het begint in deze serie met Julian Webb, een 31-jarige Brit die in juni 1994 ineens blijkt te zijn overleden. Zijn moeder Rosemary kan niet geloven dat hij zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt – ook al houdt zijn echtgenote staande dat Julian een overdosis medicijnen heeft ingenomen. Deze Dena heeft tot dusver geen geluk gehad in de liefde. Haar vorige echtgenoot Lee Wyatt heeft haar meermaals mishandeld en is nu al enige tijd spoorloos. Welke rol speelt hij in dit ongelooflijke drama?

Met Dena’s slachtoffers schetst Wittig een op het eerste oog tamelijk onopvallende femme fatale. Bij Dena lijkt liefde – of wat daarvoor moet doorgaan – altijd uit te monden in ‘coercive control’, een vorm van psychologische oorlogsvoering waarmee haar geliefde wordt gereduceerd tot een zielig hoopje mens. Dood of levend. En Dena haalt alles uit de kast om haar doel, to-ta-le onderwerping, te verwezenlijken. Van de Ierse maffia tot emigreren naar Florida en een terminale vorm van kanker.

Black Widow, slinks opgebouwd, inventief vormgegeven en voorzien van gelikte reconstructiescènes, tekent de onwaarschijnlijke geschiedenis van deze parasietachtige vrouw, die zichzelf helemaal verliest in ‘dwingende controle’ adequaat op, maar heeft als psychologisch portret zo z’n beperkingen. Want waarom zuigt Dena eigenlijk al die mannen leeg? Wat beoogt ze daarmee? En waarom heeft ze steeds nieuwe slachtoffers nodig? Daarnaar blijft ’t toch enigszins gissen.

Als er voor zulke vragen al bevredigende antwoorden bestaan…

The Battle For Laikipia

MetFilm Sales

‘Als onze koeien gezond zijn, hebben wij overvloed in ons leven’, luidt een oud gezegde van de Samburu-stam. Dat is tegenwoordig alleen bepaald niet meer vanzelfsprekend. Het Laikipia Plateau in Kenia, waar het nomadische volk van oudsher rondtrekt met z’n vee, kampt met aanhoudende droogte. Op zoek naar weiden om te grazen komen Afrikaanse veehouders, zoals de bedachtzame herder Simeon en zijn gezin, dus al snel terecht op de uitgestrekte ranches van witte Kenianen. En dat is vragen om problemen. Want ook zij hebben moeite om het hoofd boven water te houden.

The Battle For Laikipia (93 min.), die ook de idyllische natuurreservaten met bedreigde diersoorten heeft bereikt, zet Kenia’s oorspronkelijke bevolking tegenover de afstammelingen van Britse kolonisten, die het Afrikaanse land allang als thuis beschouwen. De Kifuku Ranch is bijvoorbeeld al meer dan honderd jaar en vier generaties in het bezit van de familie van de witte boerin Maria. Ook zij kennen geen ander leven of thuis en verdedigen dit dus met hand en tand. Confrontaties, aangejaagd dus door klimaatverandering, zijn onvermijdelijk.

Op het Loisaba Conservancy lijkt het nog altijd vredig. Leeuwen, giraffes, olifanten, zebra’s en gazelles kunnen er gewoon hun natuurlijke leven leiden, hooguit bekeken door westerse toeristen. In het landschap is ‘geen enkele menselijk litteken’ te zien, aldus Tom, die al ruim dertig jaar op het natuurreservaat leeft. Ook hij is echter in een bittere strijd verwikkeld geraakt met nomadische veehouders die zijn gras gebruiken om hun dieren te voeden. Matthew Lempurkel, kandidaat bij de parlementsverkiezingen, moedigt hen zelfs aan om zich de boerderijen toe te eigenen.

Nomadisch pastoralisme staat op het punt om uit te sterven, concluderen witte boeren dan weer eensgezind bij een bijeenkomst. ‘De vraag is alleen hoe langzaam en hoe gewelddadig gaat het sterven?’ Want de traditionele speer is bij de Samburu allang vervangen door een AK-47. Zo belicht deze genuanceerde en toch scherpe film van Daphne Matziaraki en Peter Murimi de verschillende kanten van een belangentegenstelling die wel moet ontsporen – óók omdat sommige betrokkenen daarbij een belang lijken te hebben en dus gedurig olie op het vuur gooien.

In wezen kaart The Battle For Laikipia daarmee een vergelijkbare kwestie aan als de klassieke documentaire Mugabe And The White African (2009), waarin indringend werd gedocumenteerd hoe Zimbabwe’s toenmalige president Robert Mugabe doelbewust de verhoudingen tussen zwart en wit op scherp zette en zo een halve burgeroorlog in zijn land ontketende. Ook in Kenia komt ’t tot schermutselingen, waarbij witte boeren zich ernstig bedreigd voelen en hun zwaarbewapende beveiligers koelbloedig het vee van Samburu-herders neermaaien.

De bittere erfenissen van het kolonialisme en klimaatverandering gaan daarbij hand in hand en leiden in deze oogstrelende film, die op temperatuur is gebracht met fraaie muziek, tot een verscheurd land, waarin ogenschijnlijk redelijke mensen zomaar recht tegenover elkaar komen te staan.

Undercover: Exposing The Far Right

Tigerlily Productions

Harry Shukman wordt Chris. Hij infiltreert, voorzien van een verborgen camera en geluidsapparatuur, in een internationaal opererend extreemrechts netwerk. Daarbij richt hij zich nu eens niet op de bullebakken, de kaalkoppen die racistische leuzen scanderend en amok makend de straat op gaan, maar op de intelligentsia, de denkers van een radicale beweging die inmiddels op diverse plekken in de wereld toegang tot de macht lijkt te krijgen.

Harry is onderdeel van de Britse organisatie Hope Not Hate, die zich ten doel heeft gesteld om te openbaren wat er in die extreemrechtse kamers werkelijk over tafel gaat, de wereld achter de omfloerste woorden. Voor de documentaire Undercover: Exposing The Far Right (90 min.) heeft Havana Marking toegang gekregen tot zo’n operatie, waarvan ‘Chris’ het uithangbord is en Patrik Hermansson dienst doet als zijn ingenieuze secondant. Samen begeven ze zich in kringen waar fatsoenlijke mensen doorgaans liever weg blijven – en waar ’t ook niet ongevaarlijk is als ze ontdekken wie je écht bent.

De officiële verklaringen van de lieden die in deze verborgen camera-docu figureren, bij wijze van wederhoor opgenomen in de aftiteling, schetsen een aardig beeld van in welke beerput de twee hun neus hebben gestoken: de extreemrechtse partij Britain First, het voormalige English Defence League-boegbeeld Tommy Robinson, een kopstuk van Alternative für Deutschland, de aanjagers van de rechts-extremistische rellen in Groot-Brittannië in de zomer van 2024 én de mysterieuze investeerder die een ondergronds onderzoek naar intelligentieverschillen tussen rassen financieel ondersteunt.

Marking volgt de medewerkers van Hope Not Hate naar (stiekem gefilmde) activiteiten, bijeenkomsten en besprekingen met dubieuze figuren in Estland, Polen en Griekenland, maar belicht ook de impact van het werk op het persoonlijk leven van de gezichten van de ideële organisatie. Want zulke activiteiten gaan gepaard met gerichte intimidatie en de dreiging van geweld vanuit extreemrechtse hoek. Oprichter en CEO Nick Lowles krijgt bijvoorbeeld te horen dat een negentienjarige extremist zijn afgeschermde adres en telefoonnummer heeft achterhaald én een vuurwapen heeft gekocht op het internet.

Als Hope Not Hate in oktober 2024 de resultaten van z’n onderzoek naar buiten brengt, kan Chris weer Harry Shukman worden. Hij vervolgt zijn werk. Niet meer – nooit meer! – undercover, maar vanuit een safehouse.

Grand Theft Hamlet

Altitude Film

‘Please don’t kill me again’, vraagt Sam Crane aan één van de personages die hij ontmoet in Grand Theft Auto Online. Samen met zijn vriend Mark Oosterveen is hij op een missie in de online game. Hun privéprojectje mag dus niet ontregeld worden door moordlustige types. De twee Britse acteurs, die in januari 2021 werkeloos thuiszitten vanwege de derde Corona-lockdown, hebben zich voorgenomen om binnen Grand Theft Auto Shakespeare’s Hamlet te gaan uitvoeren.

Speciaal voor Grand Theft Hamlet (90 min.) heeft ook Sams echtgenote Pinny Grylls zich in diens online-wereld gevoegd. Samen hebben ze voor deze documentaire, die zich volledig in de virtuele wereld van Grand Theft Auto afspeelt, het volledige proces van de Shakespare-uitvoering vastgelegd: van de audities met bizarre, schietgrage en ontwapenende personages tot de licht chaotische repetities, met als kroon op het werk natuurlijk de live-stream première van het ‘videogametheaterstuk’.

Die film is al even inventief als het idee om een klassiek toneelstuk van William Shakespeare te vertalen naar een gewelddadige game. Grylls en Crane slagen erin om van veelal tamelijk groteske digitale creaturen echte mensen van vleesch en bloed te maken, die in de online gecreëerde wereld net zo normaal lijken te functioneren als ‘in real life’ – ook al ontleent GTA z’n bestaansrecht natuurlijk aan een vlucht uit de werkelijke wereld, die op dat moment volledig is ontregeld door de globale pandemie.

Met veel creativiteit, doorzettingsvermogen en humor en zelfspot banen Sam en Mark zich een weg door hun parallelle biotoop, waarbij het bepaald geen vanzelfsprekendheid is dat ze ook in leven blijven. Voor je ’t weet dendert de één of andere bloeddorstige onverlaat het decor binnen, te voet of in een blits voer- of vliegtuig, en verstoort dan bijvoorbeeld een gedragen monoloog over de verrotte staat van Hamlets Denemarken. En er kan ook zomaar een hoofd- of bijrolspeler ‘wasted’ op de grond achterblijven.

Tegelijkertijd laat Grand Theft Hamlet zien wat schietgames en andere online werelden óók kunnen zijn: een toevluchthaven voor eenieder die zich in ‘de echte wereld’ eenzaam of onthecht voelt, simpelweg gelijkgestemden zoekt of – het klinkt gekker dan het blijkt te zijn – een al dan niet stiekeme liefde voor Engelse literatuur koestert. Aan iemands avatar is alleen nauwelijks af te lezen wie je voor je hebt: iemand die een Shakespeare-personage wil citeren of een ander die erop uit is om je kop eraf te blazen?

Het is dus niet meer dan logisch dat Sam en Mark elkaar na zo’n ontmoeting even een checkvraagje stellen: ‘he’s not gonna kill us, is he?’

Fly

National Geographic

‘Als jij er niet meer bent wanneer deze film uitkomt’, vraagt documentairemaker Shaul Schwarz bij de start van Fly (110 min.) aan Scotty Bob Morgan, ‘wat wil je dan dat mensen ervan opsteken?’ Als de vraag, die later in de film nog extra lading zal krijgen, wordt gesteld, begint de Amerikaanse basejumper te lachen. ‘Daar geef ik geen antwoord op, want ik zal er nog zijn.’

Al een jaar of negen springt de Irak-veteraan Morgan vrijwel wekelijks in z’n wingsuit van duizelingwekkende hoogten. Als een menselijke vleermuis scheert hij dan zo dicht mogelijk over de boomtoppen of vliegt hij verdacht laag bij de grond. Het is therapeutisch, zegt hij. En levensgevaarlijk, dat ook. Zijn moeder krijgt regelmatig de vraag waarom ze eigenlijk geen bezwaar maakt. ‘Ik zeg dan: Scott zou niet gelukkig zijn als hij niet kon vliegen.’

Dat lijkt eveneens op te gaan voor de andere hoofdpersonen van deze duizelingwekkende film, waarvoor Schwarz samen met coregisseur Christina Clusiau zeven jaar lang in het gezelschap van enkele doorgewinterde basejumpers verkeerde, terwijl die hun leven, bijna routineus, in de waagschaal stelden. Zeker Marta Empinotti kent de mogelijke gevolgen: haar vriend Steve kwam in 1987 om het leven. Na een korte pauze begon ze echter toch weer te jumpen.

Inmiddels springt Marta met haar huidige partner Jimmy Pouchert weer alsof haar leven ervan afhangt. Ze organiseren ook groepsreizen, waarbij nieuwelingen die enerverende combinatie van vrijheid en gevaar kunnen leren kennen. Marta vergelijkt basejumpen met een religieuze ervaring. Haar vriend is er al even verknocht aan. Hij ervaart na die eerste afzet een gevoel van absolute gelukzaligheid en verlegt daarom steeds zijn eigen grenzen. Op het roekeloze af.

De bekende Noorse basejumper Espen Fadnes ging als kind voor het eerst de bergen in met zijn vader, een gedreven klimmer. Van hem leerde hij dat je best risico mag nemen voor je plezier. Zijn Britse vriendin Amber Forte heeft eigenlijk een hekel aan de angst en het gevaar, maar zij houdt dan weer van de vrijheid van het basejumpen. Samen met Espen stort ze zich regelmatig de diepte in. De twee excelleren in synchroon skydiven en doen ook mee aan wedstrijden.

Fly toont deze waaghalzen op hun allerbest: als ze daadwerkelijk een ultieme droom van de menselijke soort lijken waar te maken en even kunnen vliegen. Met behulp van geavanceerde camera’s, drones en GoPro’s leggen Clusiau en Schwarz hun vervaarlijke vluchten op een werkelijk adembenemende manier vast. Tegelijkertijd zijn er de zegeningen van hun persoonlijke levens: relationeel geluk, vriendschap en het gezinsleven. Ook dan lijken ze af en toe te zweven.

Daartegenover staat de redenen waarom ze soms de vlucht naar voren kiezen en de pijn en het verdriet als het dan tóch een keer misgaat. Fly herbergt bijvoorbeeld net zoveel spanning als de documentaires Free Solo en Skywalkers: A Love Story – waarin de hoofdpersonen, een klimmer die bergwanden opgaat zonder zekering en een koppel dat illegaal de hoogste toppen van de wereld beklimt, eveneens opzichtig het lot tarten – maar belicht daarnaast ook het bijbehorende drama.

De gedachte dat ze er zelf om hebben gevraagd als het misgaat, volstaat dan niet. Wie eenmaal mee is gegaan in hun spannende avonturen, heeft gezien wie de mensen achter die aerodynamische vleermuispakken zijn en een idee denkt te hebben gekregen over waarom ze doen wat ze doen, leeft onvermijdelijk ook hartstochtelijk mee als het onvermijdelijke dan tóch gebeurt in deze bijzonder enerverende en aangrijpende film.

Where Dragons Live

Cinema Delicatessen

In dit huis zijn ze altijd kind gebleven. Cumnor Place, nabij Oxford. Het landhuis van Jane en Oliver Impey. Hun ouders. Nu hun moeder in 2021 op 82-jarige leeftijd is overleden, nadat vaderlief vijftien jaar daarvoor al is weggevallen, staan de volwassen kinderen Impey voor de taak om dat huis leeg te ruimen. Daarmee sluiten ze hun bevoorrechte jeugd in een idyllische omgeving af en kunnen ze tevens in het reine komen met het verleden en hun eigenzinnige ouders.

Cumnor Place is volgens hen een plek waar draken wonen. Dat begon al direct met de aankoop ervan in 1966. Olivers moeder had Saint George and the Dragon verkocht, een veertiende eeuws schilderij van Rogier van der Weijden. Over Joris en de draak, juist. Die het onderspit delft, dat ook. Het kunstwerk bracht 220.000 pond op en behoort tegenwoordig tot de collectie van The National Gallery of Art in Washington. Met het verkoopbedrag kon destijds dit huis worden gekocht. Het was een bouwval, die helemaal moest worden opgeknapt door de Impeys. Zodat ze er ruim een halve eeuw konden wonen.

In Where Dragons Live (82 min.) beginnen hun zoons Edward, Lawrence en Matthew en enige dochter Harriet aan de ontmanteling van datzelfde leven. Een huishouden dat zonder twijfel werd bestierd door hun moeder Jane. Zij kon soms ongenadig vuur spuwen als iets haar niet zinde. Overal hangen nog ge- en verboden van de vrouw des huizes, een vooraanstaande wetenschapper. ‘Beware of…’ Of: ‘Do not…’ Gevolgd door een verbod. Via deze boodschappen is ze nog altijd prominent aanwezig in het huis dat nu klaar wordt gemaakt voor de verkoop.

Wat mag er weg en wat moet er blijven? Hier of elders. Het zijn bekende dilemma’s voor iedereen die ooit, overmand door gevoelens en herinneringen, een ouderlijk huis heeft moeten ontruimen. Het decor is in dit geval echter onvergetelijk – en wordt door regisseur Suzanne Raes en cameraman Victor Horstink ook ten volle uitgenut. Een sprookjesachtig, typisch Brits landhuis, net buiten het dorp en omgeven door een enorme tuin met allerlei vergeten hoekjes en een zwembad. Een plek om bij weg te dromen. Om doodsbang van te worden. Of wilde avonturen bij te verzinnen.

Met draken bijvoorbeeld. Vader Oliver, zoöloog en kunsthistoricus, zag ze overal. Hij verzon er zelfs Latijnse namen voor en praatte er volgens zijn kinderen over alsof ze echt bestonden. Het huis staat nog altijd vol met draken-parafernalia. En ze spelen natuurlijk de hoofdrol in verhalen. Ook in deze zinnenprikkelende film, via literaire fragmenten uit onder andere Beowulf, Harry Potter en Dragons World. De mythische dieren representeren voor Raes angsten, die onschadelijk moeten worden gemaakt of heroïsch kunnen worden gedood. Met de kracht van de rede of onze verbeelding.

Via herinneringen van de vier Impey-kinderen, en de avonturen van hun kroost in het bijzonder fotogenieke Cumnor Place en directe omgeving, pakt de Nederlandse filmmaakster kalm en methodisch, met behulp van fraaie familiefilmpjes, tevens de geschiedenis van deze upper class familie uit. Waarbij tussen de regels door kleine en grotere pijntjes aan de orde worden gesteld. Een vader die de ene zoon beduidend interessanter vond dan de andere bijvoorbeeld. Of de realisatie van sommige kinderen dat ze zich meer thuis voelden bij het kindermeisje dan bij hun eigen moeder.

In wezen gebeurt er verder weinig op het Britse landgoed, maar Raes zet de kleine gebeurtenissen in deze sfeervolle film vaardig naar haar hand. Van kleinkinderen die spelen in het zwembad – waarbij Orlando tot ‘waterdraak’ wordt gebombardeerd – maakt ze met beeld en tekst bijvoorbeeld een tot de verbeelding sprekend drakengevecht. En als de kinderen over het gras rennen, tekent er zich, hoog boven hen, zowaar even een schaduw af in de lucht. Zou ’t dan toch?

Sweet Bobby: My Catfish Nightmare

Netflix

Toegegeven: het woord ‘catfish’ zet de meeste kijkers al behoorlijk op het spoor. En met de wijsheid achteraf is het natuurlijk gemakkelijk oordelen. Kiran Assi, een marketeer van Keniaanse komaf uit West-Londen, stapt alleen wel héél naïef in haar relatie met Bobby Jandu, een man die eveneens afkomstig is uit de lokale sikh-gemeenschap en die ze dan al enkele jaren niet heeft gezien. Na een heftig schietincident in Kenia is hij, zwaargewond, opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma te New York. Ze kan hem dus niet ontmoeten. Hun enige contact verloopt via een net aangemaakt Facebook-account, waarbij ze hem, vanwege veiligheidsmaatregelen natuurlijk, ook nooit mag zien. Trouwplannen laten desondanks niet lang op zich wachten.

Dit klassieke good-woman-loves-bad-man verhaal – een verhaal is ‘t, overduidelijk; een gepolijste versie wat er zich waarschijnlijk echt, min of meer dan, heeft afgespeeld – heeft z’n geloofwaardigheid dan al een heel eind verloren. Het is overigens ook al eens eerder uitgeserveerd door Kiran, tevens radiomaakster, in de podcast Sweet Bobby, waarop deze docu-light van Lyttanya Shannon dan weer is gebaseerd. De liefdesgeschiedenis die zo idyllisch is begonnen – natuurlijk, zegt diezelfde sceptische stem, de hoofdpersonen van dit soort producties beleven altijd gróte liefdes en belanden nooit in suffe relaties – krijgt gaandeweg een naargeestig karakter. Bobby blijkt – verrassing! – een onvervalste creep en natuurlijk niet de man die hij zei te zijn.

Sweet Bobby: My Catfish Nightmare (82 min.) heeft zich dan al lang en breed gepositioneerd tussen Catfish-achtige hap-slik-weg producties zoals The Tinder SwindlerBad Vegan en The Puppet Master. Een gecompliceerde en tegelijk vederlichte vertelling over een jonge vrouw die zich op onnavolgbare wijze – en eerlijk gezegd toch vrij voorspelbaar – door een rasmanipulator in de luren laat leggen. Een beetje oplettende kijker ziet de ontknoping eigenlijk al wel een tijdje aankomen. Na afloop weet die desondanks nauwelijks wie of wat ie werkelijk heeft gezien. Want sommige personen in de docu zijn vanwege privacyoverwegingen vervangen door acteurs. Maar om wie ’t precies gaat en wat dit dan betekent voor het verhaal dat ons is voorgeschoteld?

Kiran Assi wordt als hoofdrolspeelster intussen ook nadrukkelijk opgezet als een personage: de sikh-vrouw van dik in de dertig – aantrekkelijk en tot spijt van haar familie toch nog altijd ongehuwd – die nu eindelijk eens aan de man wil en die zich vervolgens negen jaar lang aan het lijntje laat houden door een kerel die ze nooit te zien krijgt. Het lijkt soms bijna alsof ze zichzelf acteert in het gelikte Catfish-verhaal dat hier van haar leven wordt gemaakt – en dat ze, daarvoor hoef je ziener te zien, nog héél vaak zal vertellen.

Yorkshire Ripper: The Secret Murders

ITV

De Britse truckchauffeur Peter Sutcliffe (1946-2020) is in 1981 tot levenslang veroordeeld voor dertien moorden, voornamelijk op prostituees. Hij zou daarnaast ook zeven andere vrouwen hebben belaagd. De tweedelige true crime-docu Yorkshire Ripper: The Secret Murders (92 min.) betoogt echter dat hij nog veel meer huiveringwekkende daden op zijn geweten heeft.

Ruim twintig andere, nog altijd onopgeloste moorden, eveneens in de periode 1968-1981, lijken perfect in Sutcliffes modus operandi te passen. De slachtoffers zijn echter nooit als zodanig erkend, tot groot verdriet van hun nabestaanden. En de beruchte seriemoordenaar kan hen niet meer uit de nachtmerrie helpen. Peter Sutcliffe overleed in het najaar van 2020 aan de gevolgen van het Coronavirus en nam al z’n geheimen mee het graf in.

Als filmmaker Adam Luria met direct betrokkenen, deskundigen en enkele journalisten die zich in de casussen hebben verdiept, alle feiten op een rijtje zet in deze documentaire, is het nauwelijks voor te stellen dat de Britse politie The Ripper niet eerder in de kraag heeft gegrepen – en dat het verband met die andere openstaande moordzaken nooit is gelegd. Los van het feit dat daarvoor ook volstrekt onschuldige Britten jarenlang hebben vastgezeten.

De Britse politie werd in die tijd vrijwel volledig bevolkt door mannen. Een deel daarvan leek ook van mening dat vrouwen die actief waren als sekswerker ’t er zelf naar hadden gemaakt. De verschillende politiekorpsen werkten in die tijd bovendien volledig langs elkaar heen. Ze beschikten niet over adequate middelen om theorieën, dossiers of bewijsmateriaal uit te wisselen. En dus kon een gestoorde killer jarenlang ongestoord zijn gang gaan.

In het DNA-tijdperk zou een veelpleger zoals Peter Sutcliffe ongetwijfeld snel tegen de lamp zijn gelopen. Hij liet op diverse plaatsen delict sporen achter, die scherpe speurders direct naar hem hadden kunnen leiden. Net als zijn beruchte Amerikaanse ‘vakbroeders’ die in dezelfde periode actief waren en ook konden blijven. Hoewel de kranten volstonden over zijn wandaden, slaagde The Yorkse Ripper er dus in om onder de radar te opereren.

Deze docu zet deze tragische geschiedenis, met een eindeloze rij verminkte vrouwen, stemmig en duister weg, maar blikt verder tamelijk nuchter en ingetogen terug op ’s mans inktzwarte moordlust. Geen galmende voice-over of overspannen horrormuziek dus, maar een grondige ontleding van de feiten en oog voor de verpletterende gevolgen daarvan voor allerlei betrokkenen: overlevenden, nabestaanden en vals beschuldigden.

De schade die – zo laat het zich toch echt aanzien – door één enkele gestoorde man is veroorzaakt, blijkt enkele decennia later nog altijd nauwelijks te overzien.

Blur: To The End

Altitude / Piece Of Magic

Halverwege de jaren negentig, in de hoogtijdagen van Britpop, worden Engelse muziekliefhebbers voor een eenvoudige keuze gesteld: Blur of Oasis? Het is een even opzichtige als succesvolle poging om de rivaliteit tussen The Beatles en The Stones, die dertig jaar eerder ook al zo werd opgeklopt, te laten herleven. En net als in de sixties lijkt de tweestrijd een duidelijke winnaar te krijgen: in navolging van de ‘fab four’ beslist nu Oasis het pleit in z’n voordeel.

Net als The Rolling Stones blijkt Blur echter over een lange adem te beschikken. Damon Albarn (zang), Graham Coxon (gitaar), Alex James (bas) en Dave Rowntree (drums) zijn inmiddels toch echt op middelbare leeftijd aanbeland, maar maken zich opnieuw op voor een nieuw album, het eerste in acht jaar. The Ballad Of Darren wordt opgenomen bij de frontman thuis, op het Britse platteland waar ze inmiddels alle vier zijn neergestreken. Albarn woont tegenwoordig overigens alleen, bekent hij terloops. Een man zonder kader, op zoek naar een nieuwe missie, zo lijkt het.

En dus gaat de frontman, voor wie (zelf)spot een tweede natuur lijkt, ook weer touren met z’n ouwe maatjes. Met als climax een show in het Wembley-stadion, die tevens dienst doet als eindstation voor de documentaire Blur: To The End (104 min.). Want deze magische plek in Londen ontbrak nog op de Blur-erelijst. Eerder waren ze simpelweg niet populair genoeg, bekent drummer Dave Rowntree grinnikend. ‘Hoe minder we doen, hoe groter we worden.’ Net als enkele van zijn kameraden krijgt hij onderweg naar Londen met lichamelijke ongemakken te maken.

Documentairemaker Toby L. sluit aan als de jeugdvrienden de plaatsen en steden van hun beginperiode aandoen, onderweg oude vrienden ontmoeten en dan – natuurlijk – bekende hits zoals Popscene, Song 2 en Parklife spelen. Het resulteert in enkele aardige scènes, bijvoorbeeld als de uitgesproken zanger/songschrijver Damon Albarn en zijn vaste partner in crime, de nerdy gitarist Graham Coxon, de plek bezoeken waar het ooit begon voor hen: The Stanway School in Colchester. Tegenwoordig is daar een heus Albarn & Coxon-lokaal ingericht.

Intussen blikken de vier bandleden terug op hun carrière en zoomen ze in op de onderlinge verhoudingen en hoe die onder druk kwamen te staan door overmatig drank- en drugsgebruik. Want, zo weten ze inmiddels: ‘Succes bezorgt je veel meer problemen dan mislukking.’ In een band zitten en vrienden blijven is in elk geval bepaald geen sinecure – al lijkt hen dat tegenwoordig beter af te gaan dan vroeger. Dat verleden wordt verder niet uitgebreid behandeld, maar meldt zich zo nu en dan via vluchtige flashbacks, al dan niet opgeroepen door een gebeurtenis in het heden.

To The End, documentaire 4 over Blur, is daarmee geen definitief carrièreoverzicht geworden, maar een in het hier en nu gesitueerde trip nostalgia – soms intiem en grappig, dan weer tamelijk gratuit en landerig – voor zowel de band zelf als hun fanschare. Waarin de naam Oasis overigens geen enkele keer valt.

Inmiddels heeft de band van de ruziënde broers Gallagher trouwens ook een reünietournee aangekondigd.

Death In Gaza

BBC

‘Israëlische burgers zijn in de afgelopen tijd het slachtoffer geweest van dodelijke terreuraanslagen door militante Palestijnen’, meldt een tekst aan het begin van de documentaire Death In Gaza (80 min.). Die vervolgt: ‘Israëlische kiezers hebben een leider gekozen die heeft beloofd dat hij verdachte militanten in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever zal opjagen en doden.’ Alleen het jaartal (2000) en de naam van die leider (Ariel Sharon) zijn niet meer accuraat, maar verder is die tekst bijna 25 jaar na dato nog altijd volstrekt actueel.

Begin 2003 zijn de 34-jarige Britse cameraman James Miller en verslaggever Saira Shah naar de Gazastrook vertrokken voor een documentaire over hoe ‘t is om op te groeien in een conflictgebied. Slechts enkele maanden later, op 2 mei, zal Miller met zijn eigen leven betalen voor die missie. Samen met Shah heeft hij dan al enkele Palestijnse kinderen geportretteerd, aan hun Israëlische tegenhangers zijn ze nooit toegekomen. Deze schrijnende film uit 2004, bekroond met enkele BAFTA- en Emmy Awards, vormt de indringende nalatenschap van de gesneuvelde cameraman.

Een documentaire met ontwapenende Palestijnse kinderen en hun tragische verhalen. ‘Hij is zo aardig voor mij’, zegt de twaalfjarige Mohammed bijvoorbeeld over zijn boezemvriend Ahmed. ‘Ik wil ook aardig zijn voor de hele wereld. Behalve voor onze vijanden, de Joden.’ Niet veel later krijgt Ahmed door gemaskerde paramilitairen een raketwerper in de hand gedrukt. Zodat hij er alvast aan kan wennen. De elfjarige Abdul Sattar kan ook bijna niet wachten tot hij zijn speelgoedgeweer, waarmee hij met zijn vriendjes gedurig het spelletje ‘Joden en Arabieren’ speelt, mag inruilen voor een werkend exemplaar.

‘Het leven is een en al wanhoop’, constateert het zestienjarige meisje Najla ondertussen somber. ‘Ik heb al acht jonge familieleden verloren.’ En in deze film zal er opnieuw een martelaar bijkomen. De kinderen en hun directe omgeving lijken intussen volledig vertrouwd met het oorlogsjargon, dat nog altijd wordt gebezigd in het conflict tussen de Israëli’s en Palestijnen. Termen als: Intifadah, bulldozergeweld, stenen gooien, nederzettingen, zelfmoordaanslag, de bezetter, Jihad en, ja, martelaren. Hun namen zijn op de muren gekalkt, zodat zij niet tot de naamloze slachtoffers van dit eindeloze conflict gaan behoren.

En dan bereiken Miller, Shah en hun medewerkers in deze grimmige documentaire – waarin hun werkoverleg, dat normaal gesproken wordt weggeknipt, laat horen hoe ze te werk gaan en een opzwepende soundtrack de dramatiek van alle gebeurtenissen nog eens extra aanzet – de laatste dag van hun bezoek aan de Gazastrook: vrijdag 2 mei 2003. De dag waarop zowel de film zelf als het leven van de maker ervan zal eindigen. De contouren van Millers tragische dood, waarbij een witte vlag en alle afgegeven signalen dat ze journalisten zijn toch niet mogen baten, worden vereeuwigd door een lokale filmcrew.

Van maker is James Miller dan definitief onderwerp geworden van deze film: dood in Gaza.

The Beatles: Let It Be

Disney+

Hij is zijn eigen film, Let It Be (84 min.), gaan beschouwen als de vader van Get Back, de driedelige docuserie van in totaal acht uur die Peter Jackson in 2021 op basis van zijn ruwe materiaal heeft gemaakt, zegt regisseur Michael Lindsay-Hogg in een gesprek met Jackson. De conversatie tussen de twee filmmakers, uit april 2023, gaat vooraf aan Lindsay Hoggs eigen documentaire over The Beatles, die na een ‘bumpy ride’ van ruim vijftig jaar opnieuw wordt uitgebracht.

Het zou eigenlijk een concertfilm worden, vertelt hij nog. ‘Ik had een idee: het concert start om vijf uur ’s ochtends en eindigt om middernacht met tweeduizend mensen in een amfitheater.’ De band had in 1969 immers al enkele jaren niet meer opgetreden. ‘Dit zou het evenement zijn dat je echt wilde, het nieuwe Beatles-concert.’ Alleen dreigde George Harrison ermee te kappen tijdens de opnames en werden vervolgens ook die plannen voor een optreden in de ijskast gezet.

Michael Lindsay-Hogg kon in januari 1969 hooguit vermoeden wat de gebeurtenissen voor zijn camera – en de klassieke liedjes voor het laatste Beatles-album Let It Be die daar en plein public werden geboren – zouden gaan betekenen. ‘Één reden dat ik blij ben dat de film weer uitkomt – en ik ben niet iemand die overloopt van zelfmedelijden – is dat de film de eerste keer gewoon geen eerlijke kans heeft gehad’, zegt hij tegen Jackson, die hem met alle egards benadert.

Want toen die film uitkwam waren The Beatles al uit elkaar. Een zuur einde waarmee Lindsay Hoggs docu direct werd geassocieerd. En dan begint de gerestaureerde versie van die film, oorspronkelijk uit 1970, waarvoor de Britse filmer en zijn crew als een vlieg op de muur meekeken bij het inspelen, jammen en repeteren van The Beatles in de Londense Twickenham Studio’s en Apple Studio, het onderlinge ongemak vastlegde en daarna met de band het dak opgingen voor een legendarisch laatste performance.

Voor Beatles-kenners is dit gesneden koek. Dat Let It Be nu officieel toegankelijk wordt gemaakt voor het grote publiek – los van de illegale versies die al jaren rondslingerden in de parkeergarages van het internet – dient dan ook vooral een opvoedkundig belang. Een nieuwe generatie potentiële Beatles-fans, die nog niet de ausdauer heeft om de acht uur van Get Back vol te maken, kan nu kennismaken met de laatste dagen van de bekendste popgroep die de wereld ooit heeft gekend.

Once Upon A Time In Northern Ireland

BBC

Ruim 25 jaar geleden, op 10 april 1998, werd het Goedevrijdag-akkoord gesloten. Daarmee kwam er een eind aan ‘The Troubles’, die Noord-Ierland sinds eind jaren zestig in vuur en vlam hadden gezet. Katholieken en protestanten stonden in die dertig jaar recht tegenover elkaar. Republikeinen, die zich los wilden maken van Groot-Brittannië, tegenover loyalisten, die zich daar juist tegen verzetten. Het resultaat was een aaneenschakeling van conflicten, schietpartijen en bomaanslagen.

In de ijzersterke vijfdelige docuserie Once Upon A Time In Northern Ireland (275 min.) brengt James Bluemel de menselijke tol van deze bloedige burgeroorlog in kaart met gewone Noord-Ieren. Van leden van het ondergrondse Republikeinse leger, de IRA, en hun aartsvijanden van de privémilitie Ulster Defence Association (UDA) – fanatiekelingen die de strijd doelbewust hadden opgezocht – tot burgers die ongewild betrokken raakten bij Bloody Sunday, de geruchtmakende hongerstakingen of de zoveelste dodelijke actie.

Zeker de verhalen van willekeurige mensen die plotsklaps werden getroffen door het noodlot, maken diepe indruk. Michael McConville en zijn familie verkeerden bijvoorbeeld dertig jaar in onzekerheid over wat er met zijn moeder Jean was gebeurd. De alleenstaande moeder van tien kinderen werd in 1972 ontvoerd door de IRA. Of het verhaal van June, de vrouw van politieman John Proctor van The Royal Ulster Constabulary. Hij werd in 1981 geliquideerd toen hij in het ziekenhuis naar zijn pasgeboren kind kwam kijken.

En dan zijn er nog de voetsoldaten die veelal met gemengde gevoelens terugkijken op hun eigen betrokkenheid bij The Troubles – en hun partners en kinderen die daar maar mee hadden te leven. Ricky O’Rawe werd bijvoorbeeld gearresteerd tijdens een bankoverval voor de IRA toen zijn vrouw hoogzwanger was. Of Bernadette McDonnell, de tienjarige dochter van de overtuigde Republikein Joe McDonnell. Als kind voelde zij zich verplicht om zijn zaak te bepleiten. Totdat hij na 61 dagen hongerstaking bezweek en een IRA-icoon werd.

‘Als je er nu naar kijkt, is het gestoord’, constateert de ‘vredelievende loyalist’ John Chambers. ‘Maar niet als je geboren bent in een stammenstrijd en je leven wordt bepaald door The Troubles.’ Katholieken zagen er niet uit, stonken en waren voor hem dus de natuurlijke vijand. Chambers liep alleen met een geheim rond: zijn eigen moeder was katholiek. Zo’n detail kon iemand ten tijde van de onlusten in Ulster zomaar fataal worden – al waren er wel degelijk ook Noord-Ieren voor wie religie of politieke voorkeur er niet toe deed.

En toen de Noord-Ierse bevolking zich steeds massaler begon te verzetten tegen het alomtegenwoordige sektarisch geweld – van een aanval op een uitvaart tot een moordaanslag op de gehate Britse premier Margaret Thatcher in een hotel te Brighton – ontstond er zelfs bij de meest geharnaste strijders draagvlak voor een wapenstilstand. In de slotaflevering van deze aangrijpende miniserie reconstrueert Bluemel hoe de verschillende partijen uiteindelijk stapvoets, met zo nu en dan ook een flinke stap achterwaarts, af koersten op vrede.

Die houdt nu al ruim 25 jaar, met veel pijn en moeite, stand.