American Murder: The Family Next Door

Netflix

Ze had een droomleven. Knappe echtgenoot, twee bloedjes van kinderen en een baby’tje op komst. Trots deelde de Amerikaanse dertiger Shanann Watts alle wederwaardigheden van haar persoonlijk leven op de sociale media. Van elke kleine gebeurtenis werd een foto of vlog gemaakt. De hele kennissenkring werd zo op de hoogte gehouden van haar ideale bestaan.

Toen Shanann en haar peuterdochters Bella en Celeste op 13 augustus 2018 plotseling uit hun kast van een huis in Frederick, Colorado verdwenen, kwamen daar beelden van ‘cop cams’, beveiligingscamera’s, verhoren en een rechtszitting bij. Net als chats, voicemails en appverkeer met familie en vriendinnen. Zo kwam een geheel andere Shanann in beeld. En een totaal andere Chris.

Al dat materiaal heeft nu zijn weg gevonden naar de unheimische true crime-documentaire American Murder: The Family Next Door (84 min.), die vrijwel volledig bestaat uit ‘found footage’ uit het leven van de familie Watts. Regisseur Jenny Popplewell heeft alleen zeer effectieve muziek toegevoegd en de chronologie gemanipuleerd, zodat er een heel spannende vertelling is ontstaan.

Als kijker voel je je wel een beetje een voyeur bij zoveel bijeengebracht pseudo-geluk en de doffe ellende die daarachter vandaan komt. Zeker als je bedenkt dat de zaak rond de verdwijning van Shanann en haar twee meiden ook weer tot het nodige (sociale) media-gekrakeel heeft geleid. Daarmee is dit in- en intrieste verhaal tevens een naargeestige weerspiegeling van onze exhibitionistische tijd.

Boys State

Apple TV

Zet duizend zeventienjarige jongens een week bij elkaar in hun eigen Boys State (109 min.), verdeel ze volstrekt willekeurig over twee politieke partijen en verzin vervolgens een aantal functies waarvoor ze zich verkiesbaar kunnen stellen. Binnen de kortste keren zijn ze verwikkeld in een soort carbonkopie van de hedendaagse Amerikaanse politiek, waarin iedereen een rol krijgt toebedeeld: lijsttrekker, partijbons, spin doctor, persmuskiet of gewoon klapvee.

Sinds 1935 nodigt de American Legion, een veteranenorganisatie die burgerschap wil bevorderen, jaarlijks een groep geselecteerde jongeren uit om hen een stoomcursus democratie te geven. De documentairemakers Jesse Moss en Amanda McBaine sloten aan bij de editie van 2018 in Texas en volgden enkele jongens die in de voetsporen traden van vroegere Boys Nation-deelnemers als Bill Clinton, Samuel Alito, Dick Cheney, Cory Booker en Rush Limbaugh.

Of ze zo echt leren wat democratie inhoudt? Mwah, tot een diepgaande uitwisseling van ideeën en besluitvorming daarover komt het nauwelijks. Ook in deze onstuimige laboratoriumsetting draait het vooral om politiek met kleine p. Kandidaten presenteren geen coherente set ideeën, maar zijn vooral bezig met iedereen naar de mond praten, bedelen om steun en uiteindelijk de prijs binnenhalen: een politieke functie die er écht alleen voor de eer is.

Tussendoor wordt er heel wat gewheeld en gedeald, ontstaan er ongemakkelijke coalities en wordt de tegenpartij ongegeneerd zwartgemaakt. ‘Het is nu eenmaal politiek’, zegt Ben Feinstein, de partijvoorzitter van The Federalists die zich zonder scrupules bedient van slinkse trucs. ‘Je speelt om te winnen.’ Zijn tegenpool, René Otero van The Nationalists, vindt Feinstein een fantastische politicus. ‘Maar het lijkt me geen compliment om een fantastische politicus te worden genoemd.’

Wat natuurlijk eveneens een slimme manier is om de opponent te framen, als een doortrapte machtspoliticus van nog geen achttien. Ook Otero weet immers hoe het werkt als je iets wilt bereiken in die veel bewierookte democratie. Moss en McBaine leggen intussen feilloos vast hoe Amerika’s future leaders – jongens nog, aangejaagd door nét te veel testosteron en bewijsdrang – in dat kader zonder enige terughoudendheid worden bevestigd in hun ‘winners takes all’-mentaliteit.

Kritische vragen stellen de filmmakers niet. Het is overigens ook maar de vraag of veel Amerikanen überhaupt kanttekeningen plaatsen bij het competitieve karakter van deze introductie in de democratie. Boys State is opgebouwd als een typische wedstrijdfilm, die toewerkt naar het moment waarop bekend wordt gemaakt wie de belangrijkste politieke positie (governor) heeft bemachtigd. Daarna mogen alle strebertjes van deze fijne jeukdocu weer huiswaarts. Gepokt en gemazeld, maar vooralsnog als gewone ambteloze zeventienjarigen.

Killer Inside: The Mind Of Aaron Hernandez

Netflix

De parallellen met de geruchtmakende zaak rond O.J. Simpson zijn onmiskenbaar: bekende footballer komt in beeld als verdachte van moord en wordt zo het middelpunt van een enorme mediahype. Aaron Hernandez neemt zelfs nog even de benen in een witte SUV – als een bijna onwerkelijk eerbetoon aan OJ’s legendarische vlucht in een al even witte Ford Bronco, die destijds door nieuwshelikopters werd gevolgd en als BREAKING NEWS live op televisie was te zien.

Van het kaliber O.J.: Made In America, de Oscar-winnende serie over de gevallen footballster Simpson, is Killer Inside: The Mind Of Aaron Hernandez (201 min.) echter niet. De driedelige serie van Geno McDermott reikt minder ver en diep. Dit is geen exposé over het moderne Amerika. Toch wordt de zaak tegen de quarterback van The New England Patriots, die zijn zwager in spé Odin Lloyd zou hebben vermoord, wel degelijk in een breder kader geplaatst: van een door testosteron gedreven subcultuur, waarin bepaalde verhalen onbespreekbaar zijn.

McDermott neemt alleen nogal de tijd om de achtergrond van de American footballer, diens carrière en zijn huidige levenswandel uit de doeken te doen met mensen uit zijn directe omgeving, gezagsdragers en (sport)journalisten. De protagonist zelf hult zich intussen, vanwege overigens héél begrijpelijke redenen, in stilzwijgen. Hij is alleen te zien in de rechtszaal en te horen in telefoongesprekken met zijn vriendin, moeder, manager, personal assistant en maten.

Zij verhalen daarnaast over een man met twee gezichten, die nog wel eens meer onoorbare zaken op zijn geweten zou kunnen hebben. Een man ook met een geheim, zo beweren althans mensen die het zouden kunnen weten, dat hem tot een outcast in zijn eigen wereld zou kunnen maken – en een wandelende tijdbom in de onze. Én een man met een gebrek, waarvan hij zelf geen idee heeft – en de rest van zijn wereld niets wil weten.

Met deze elementen werkt deze degelijke miniserie, die tamelijk traag op gang komt, toch nog toe naar een ferme apotheose.

American: The Bill Hicks Story

Hij is de comedian’s comedian. De man die door collega’s als misschien wel de allerbeste uit het vak wordt gezien. Bill Hicks, in 1994 op slechts 32-jarige leeftijd overleden. Met zijn ontregelende humor was hij de standaard stand-up comedy routine allang ontstegen. Hicks deed aan niets minder dan ‘truthin’: ongemakkelijke waarheden, vervat in bikkelharde grappen.

25 Jaar na zijn dood duiken er nog altijd regelmatig Hicks-quotes op in het publieke domein. Over oorlogsvoering, abortus, marketing én geestverruimende middelen. Want dat was bepaald geen onbekend terrein voor de man die zich regelmatig verloor in paddo’s en zo nu en dan ook met een kwaaie dronk op het podium stond. Hij was de gemakkelijke grap allang voorbij. Hicks wilde écht iets zeggen over de wereld waarin hij leefde.

Zo vroeg hij zich bijvoorbeeld af waarom verhalen in de media over drugs altijd negatief waren. ‘Always that same LSD story, you’ve all seen it. ‘Young man on acid, thought he could fly, jumped out of a building. What a tragedy.’ What a dick! Fuck him, he’s an idiot. If he thought he could fly, why didn’t he take off on the ground first? ‘

Dat kon ook anders, meende Hicks: ‘Today a young man on acid realized that all matter is merely energy condensed to a slow vibration, that we are all one consciousness experiencing itself subjectively, there is no such thing as death, life is only a dream, and we are the imagination of ourselves….’ Waarna hij een korte, perfect getimede stilte liet vallen. ‘Here’s Tom with the Weather.’

American: The Bill Hicks Story (101 min.), een tamelijk conventionele film van Matt Harlock en Paul Thomas uit 2009 over een allesbehalve conventionele comedian, zet de geboren dwarsligger weer eens in de spotlights met een uitputtende collectie archiefmateriaal, die soepel wordt verbonden met (off screen) quotes van directe familie, vrienden en collega’s. Zij verhalen over een man die op dubbele snelheid dacht, sprak en leefde en die als geen ander de spijker op z’n kop kon slaan.

‘The best kind of comedy to me is when you make people laugh at things they’ve never laughed at, and also take a light into the darkened corners of people’s minds, exposing them to the light.’ (brainyquote)

American Factory

Netflix

In de donkere dagen van de economische crisis van 2008 besluit General Motors zijn fabriek in Dayton te sluiten. Zo’n 10.000 mensen in Ohio raken hun baan kwijt. Twee jaar later beginnen Chinese bedrijven te investeren in de regio. In de oude GM-fabriek wordt een Amerikaanse vestiging van Fuyao Glass geopend, waar een combinatie van oud-autowerkers en ingevlogen Chinezen aan de slag gaat. De cultuurshock, die in American Factory (110 min.) door Steven Bognar en Julia Reichert (in opdracht van het productiebedrijf van Barack en Michelle Obama) treffend en genuanceerd is gedocumenteerd, laat zich voorspellen.

De nieuwe kansen voor Amerikaanse arbeiders, die enkele jaren eerder keihard zijn geraakt door de crisis, gaan bijvoorbeeld ook gepaard met aanmerkelijk lagere lonen. En op medewerkers die daar iets tegen willen doen en zich aansluiten bij een vakbond zit het nieuwe management bepaald niet te wachten. ‘Een vakbond beïnvloedt efficiëntie en schaadt ons bedrijf’, aldus Fuyaos gestaalde CEO Cao Dewang. ‘Dan lijden we verliezen. Als er een vakbond komt, dan sluit ik de fabriek.’ Amerikaanse werknemers zijn voor zijn begrip sowieso al niet productief. En dan hebben ze ook nog veel te veel zelfvertrouwen, constateert Dewangs Chinese directeur van de Amerikaanse vestiging. Je moet ze paaien. ‘Ezels worden graag geaaid met de haarrichting mee’, zegt hij. ‘Anders schoppen ze.’

Tijdens een werkbezoek in China zien de Amerikanen met eigen ogen hoe hun dociele Chinese collega’s op welhaast militaire wijze worden gedrild. Vrije dagen en vakantie hebben ze vrijwel niet. En van Arbo-wetgeving heeft nog nooit iemand gehoord. Het helpt dat de Fuyao-vakbond ook niet echt een gevaar vormt. De voorzitter is tevens secretaris van de Communistische Partij en, oh ja, een zwager van de directeur van de fabriek. De Amerikanen kijken hun ogen uit, zeker tijdens de speciale Fuyao-show op oudejaarsavond, waarin bedrijf en management zowat heilig worden verklaard. Het is een prachtige scène, waarbij de Amerikaanse werkemannen zich eerst verbazen, daarna enthousiast worden en uiteindelijk ontroerd raken. En aan het eind mogen ze zelf het podium op voor een kolderieke versie van de Village People-hit YMCA.

Bognar en Reichert hebben jaren de tijd genomen om alle verwikkelingen bij Fuyao te registreren. Die ausdauer betaalt zich uit: het proces van aantrekken en afstoten is minutieus vastgelegd, met oog voor het menselijke verhaal en gevoel voor humor. Ook de toegang tot zowel de nieuwe directie als Chinese en (ontevreden) Amerikaanse medewerkers, is opmerkelijk. De filmmakers hebben blijkbaar behoorlijk vrij hun gang kunnen gaan. Zo hebben ze mooi wederzijdse vooroordelen, ook op managementniveau, kunnen vangen. Want hoeveel goede wil alle betrokkenen ook ten toon spreiden, samenwerken blijft geven en nemen – of, zoals sommige betrokkenen dat ervaren: je eigen idealen prijsgeven.

Het is onvermijdelijk dat het bedrijf en een deel van de arbeiders uiteindelijk tegenover elkaar komen te staan. Die confrontatie wordt in het boeiende American Factory van binnenuit weergegeven, zonder dat de makers al te duidelijk een kant of standpunt kiezen. Ontwikkelingen binnen de wereldeconomie worden zo teruggebracht naar de werkvloer, waar gewone mensen in hun inkomen proberen te voorzien.

Roll Red Roll

De soundtrack voor de langste nacht van haar leven kwam van Nirvana: Rape Me. De jongens, footballers van een plaatselijke middelbare school, voegden meteen de daad bij het woord. En ‘Jane Doe’ was het slachtoffer. Gewillig of niet? Want dat is na afloop van het ‘feest’ de sleutelvraag: was het anonieme zestienjarige meisje een bereidwillige participant, een sletje dat zich dronken liet voeren? Of toch slachtoffer van een groepsverkrachting, die naderhand door de daders en hun verlekkerd meekijkende vrienden via sociale media enthousiast werd uitgevent?

Plaats van handeling is Steubenville, een arbeidersstadje in Ohio, dat trots is op het American footballteam van de Big Red High School (strijdkreet: Roll Red Roll). En juist twee spelers van die ploeg, Trent Mays en Ma’lik Richmond, raken in augustus 2012 in opspraak vanwege een al te uitbundige zaterdagavond. Het slachtoffer zelf herinnert zich niets, maar de talloze SMS’jes, foto’s en social media-berichtjes van de footballers spreken boekdelen over wat er heeft plaatsgevonden op het gezellige feestje van het stel.

In de lokale gemeenschap is nochtans lang niet iedereen overtuigd van de slechte intenties van ‘hun’ jongens, getuige Roll Red Roll (80 min.). Het gaat volgens sommige Ohioans om een typisch ‘she said, he said’-verhaal. Ze zal er, zo wordt er dan zo treffend bijgezegd, zelf wel om gevraagd hebben. Dat lijkt op zijn beurt een typisch geval van ‘victim blaming’. Hoewel het slachtoffer, om heel begrijpelijke redenen, verstek laat gaan in deze film, weet regisseur Nancy Schwartzman met beelden van getuigenverklaringen en verhoren de zaak toch helder over het voetlicht te brengen.

Ze accentueert die in deze gedegen documentaire zo nu en dan met agressieve metalmuziek en kadert de gebeurtenissen in met de misdaadblogger die de zaak aan het rollen bracht, enkele activisten (#OccupySteubenville) die er een landelijk nieuwsverhaal van maakten en de rechercheur, aanklager en advocaten van dienst. Gezamenlijk schetsen ze een zorgwekkend portret van Average America, waar tienerjongens in de 21e eeuw er (blijkbaar) nog altijd geen been zien in het gebruiken van een (laveloos) meisje voor eigen gerief en de volwassenen om hen heen dat vergoelijken of zelfs in de doofpot proberen te stoppen.

American Dream / American Knightmare

‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.

American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.

Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.

American Dharma

Enigszins oneerbiedig zou je American Dharma (98 min.) een Doomsday-variant op Zomergasten kunnen noemen. Steve Bannon is de gast en heeft de fragmenten uitgezocht. Interviewer Errol Morris probeert het achterliggende verhaal te vinden. En wij, de argeloze kijkers, vergapen ons aan het zinderende steekspel dat zich intussen ontvouwt tussen de mastodonten. Met die vergelijking wordt dit tweegesprek, dat op glorieuze wijze is aangekleed, echter schromelijk tekort gedaan.

Nadat hij eerder de architecten van de Vietnam-oorlog (Robert McNamara in The Fog Of War) en de Irak-oorlog (Donald Rumsfeld in The Unknown Known) portretteerde, neemt Morris nu de ontwerper van de oorlog om de ziel van het hedendaagse Amerika onder vuur. De man die als geen ander het Trumpisme en de (fatale) filosofieën daarachter kan verwoorden. Bannon put daarvoor ongegeneerd uit klassieke Amerikaanse heldenverhalen en plaatst zichzelf en passant ook in die traditie.

American Dharma is gelardeerd met fragmenten uit zijn favoriete speelfilms, zoals Twelve O’Clock High, The Searchers en Bridge On The River Kwai. Over rechtschapen mannen, die vanuit puur plichtsgevoel en zonder al te veel woorden recht proberen te doen. Dharma, volgens Bannon. De oud-hoofdredacteur van Breitbart, het Amerikaanse voorbeeld van GeenStijl, en voormalige topadviseur/ideoloog van Donald Trump spiegelt zich aan ‘all American heroes’ als John Wayne en Gregory Peck. Al lijkt zijn eigen ambitie, de totale destructie van het huidige maatschappijmodel, haaks te staan op de nobele doeleinden van deze iconen.

Morris geeft Bannon de ruimte om zijn ideeën uit de doeken doen – een platform, volgens critici – en zet hem slechts een enkele keer de duimschroeven aan. Als de filmmaker bekent dat hijzelf op Hillary Clinton heeft gestemd bijvoorbeeld, om te voorkomen dat gekken zoals Bannon aan de macht komen. Of als hij Trump provocerend de ‘fuck you’-president noemt. In de trant van: jij wilde gezondheidszorg? Fuck you. Je wilde schoon drinkwater? Fuck you. Bannon lacht de beschuldigingen minzaam weg – en lijkt ook daarmee weg te komen. Je zou bijna gaan denken dat er inderdaad, zoals Morris stelt in de film, een ‘good Bannon’ achter de inmiddels welbekende ‘bad Bannon’ zit.

Zoals inmiddels gebruikelijk heeft Errol Morris het gesprek lekker tegendraads gekadreerd en gemonteerd, waardoor het nooit voelt als een normaal huis-, tuin- en keukeninterview. Ook de dramatische setting ervan, een duistere vliegtuigloods die rechtstreeks uit Bannons favoriete oorlogsfilm Twelve O’Clock High afkomstig lijkt te zijn, en de lekker bombastische muziek dragen bij aan de unheimische sfeer van deze urgente film. Die culmineert uiteindelijk in een apocalyptische eindscène, waarmee de politiek van de verschroeide aarde die Bannon propageert overweldigend wordt verbeeld.

In de observerende documentaire The Brink volgt Alison Klayman Steve Bannon naar achterafkamertjes in de Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen. Ze reist ook mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen.

American Jail


‘Hier noemde iemand me voor het eerst nikker’, herinnert Roger Ross Williams zich als hij zijn geboortestad Easton in Pennsylvania binnenrijdt. ‘Zijn moeder zei nog: “doe dat niet, anders branden die mensen ons huis plat”.’

Williams, die onlangs voor een Oscar werd genomineerd met het prachtige Life, Animated, onderzoekt in zijn nieuwe film American Jail (95 min.) het Amerikaanse justitiesysteem. Hij start daarvoor in zijn eigen jeugd. Terwijl hij zelf journalistiek ging studeren en zich ontwikkelde tot een gelauwerde documentairemaker, werden enkele van zijn jeugdvrienden vaste klant van de Amerikaanse gevangenisindustrie.

Hij reconstrueert bijvoorbeeld het verhaal van Tommy. Een goeie gast, aldus Williams. Na een onschuldig vergrijp belandde hij echter achter slot en grendel. De ene straf leidde vervolgens tot de andere. Al snel ging Tommy zich ook gedragen als een bajesklant. Door het systeem gereduceerd tot een soort ‘dead man walking’: een zwarte draaideurcrimineel die zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Een verpletterde familie achterlatend.

American Jail is niet minder dan een pamflet. Tegen een inhumaan gevangenissysteem, volgens Williams gewoon een moderne variant op slavernij, dat zwarten ontmenselijkt en goedkope arbeidskrachten, slaven dus, van hen maakt. Onderdeel van een industrie, die zich inmiddels binnen en buiten de gevangenismuren heeft vertakt en overal tot wantoestanden leidt. Neem de man die vanwege een elektronische enkelband niet in aanmerking komt voor een baan, maar pas van die enkelband af mag als hij een baan heeft. Je zou van minder hoorndol worden – of gewoon in de cel belanden.

Het systeem moet rehabiliteren in plaats van criminaliseren. Zoals ze dat zo geweldig doen in Nederland, constateert Williams wat ongemakkelijk tijdens een bezoek aan ons land – zeker als je bedenkt dat deze, met fraaie animaties geïllustreerde film deels met een Nederlands team is gemaakt. Dat uitstapje naar ons land voelt een beetje als een fremdkörper in dit verder glasheldere betoog voor een humaner en kleurenblind Amerika.

Over de Amerikaanse war on drugs, gevangenis en opsluiting van een groot deel van de zwarte bevolking maakte Eugene Jarecki in 2012 al de indrukwekkende documentaire The House I Live In, die in zijn geheel op YouTube is te bekijken. Michelle Alexander schreef over dezelfde thema’s het indrukwekkende boek The New Jim Crow: Mass Incarceration In The Age Of Colorblindness.