F For Fake

Janus Films

Deze film wordt opgeleverd met een disclaimer: ‘Everything in this film is strictly based on the available facts’. En daarvan is geen woord gelogen – of elk woord. In deze klassieke hybride van docu en drama uit 1973 exploreert Orson Welles de schijn van het zijn. Of het zijn van de schijn, dat kan ook. Fakery, zoals de filmlegende ’t zelf noemt. Een hoax. Alles in deze film is spel. Fake. Ofwel: F For Fake (88 min.)

Centraal in deze film staat de Hongaarse meestervervalser Elmyr de Hory. Een schilder die zo goed anderen kan kopiëren dat zelfs de schilders zelf beginnen te twijfelen. Het leidde, volgens Orson Welles, tot een geinige situatie met de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen. ‘Van Dongen bestudeerde het schilderij nauwkeurig,’ aldus Welles. ‘En bezwoer toen dat hij ’t zelf had geschilderd.’

‘Als je ze in een museum hangt, in een collectie met andere geweldige schilderijen, en ze hangen er maar lang genoeg, dan worden ze vanzelf echt’, stelt De Hory. Volgens zijn biograaf Clifford Irving kan de man zelf desondanks feilloos zijn eigen schilderijen onderscheiden van de echte kunstwerken – als er al zoiets als een verschil bestaat. Alleen kun je Irving niet op zijn woord geloven. Tenminste, volgens Welles.

Trots laat Irving in een catalogus een verkochte Modigliani zien. Gemaakt door De Hory, natuurlijk. Die reageert met een omtrekkende beweging. ‘Hij werkte vrij weinig, hij stierf op jonge leeftijd’, zegt hij over de Italiaanse schilder. ‘Dus als er een paar schilderijen of tekeningen worden toegevoegd, verknalt dat zijn oeuvre heus niet.’ En, voegt er dan aan toe: ‘Ik vind ’t niet vervelend voor Modigliani, het is vooral fijn voor mij.’

En als Elmyr de Hory daarmee wegkomt, wie houdt dan eigenlijk wie voor de gek? De vervalser of de kunstkenner die zich in de luren laat leggen? Zo speelt deze film voortdurend met wat waar/niet waar is en speelt Orson Welles intussen met, welja, Orson Welles. Met veel bombast, theater en tongue-in-cheek humor laat de geboren verhalenverteller eenieder via een lachspiegel naar de (kunst)wereld kijken.

Dit was trouwens ook in 1973 al geen nieuwe documentaire over De Hory en zijn – had ik dat al verteld? – gevallen biograaf. Toen Clifford Irving vanwege een gefingeerde biografie van de verknipte biljonair Howard Hughes in opspraak raakte, nam Welles het beeldmateriaal van de kunstenaar en zijn biograaf, dat hij eerder samen met François Reichenbach had gemaakt, nog eens grondig onder handen voor deze docu.

Binnen zo’n vertelling – noem het gerust een filmessay – passen ook Welles’ eigen omzwervingen rond de waarheid. Hoe hij zichzelf de kunst- en filmwereld inloog, bijvoorbeeld. En ook het hoorspel The War Of The Worlds, waarmee hij Amerika de stuipen op het lijf jaagde, en de speelfilmklassieker Citizen Kane – over een gefictionaliseerde versie van, jawel, Howard Hughes – dealen natuurlijk met bedrog.

En dan brengt Welles met een verborgen camera ook de ‘buitensport meisjekijken’ nog in beeld en schudt hij en passant tevens een smakelijk verhaal over Pablo Picasso uit zijn mouw in deze joyeuze, virtuoos gemonteerde verhandeling die langs tegenstellingen als nep en echt, kunst en kopie en de waarheid en een leugen slalomt.

En, jawel mensen, toeschouwers (o)verbluft achterlaat.

In The Court Of The Crimson King

Pink Moon

‘De samenvatting van mijn persoonlijke betrokkenheid bij King Crimson is dat die ongelooflijk ongelukkig is geweest’, zegt bandleider Robert Fripp met een stalen gezicht in de documentaire In The Court Of The Crimson King (85 min.). ‘In één woord ellendig, laat ik zeggen van 1969 tot 2013.’ Dat is zo’n negentig procent van de halve eeuw die de Britse progrockgroep er dan al op heeft zitten.

In King Crimson is het ’verboten’ om een fout te maken, stelt een oud-bandlid in dit banddocument van Toby Amies. Alles moet precies zoals Fripp ‘t wil. En daarvoor heeft hij een hele stoet – stronteigenwijze – groepsleden moeten ontslaan. ‘Natuurlijk ben je onvervangbaar’, zeggen ze volgens leadzanger en tweede gitarist Jacko Jakszyk tegen elkaar. ‘Net als de vorige kerel.’

Jakszyk heeft eerder ook gespeeld in The 21st Century Schizoid Band, een groep met enkele voormalige King Crimson-leden. Het was volgens hem de ellendigste periode van zijn leven als muzikant. ‘Wat mensen niet volledig beseffen, is dat de originele bezetting van King Crimson een stel eikels bevatte’, zegt hij in een entre nous met Toby Amies. ‘En de grootste eikel was…’

Precies op dat moment snijdt Amies weg, de naam blijft achter op de montagetafel. Het tekent de filmmaker, die in gesprek gaat met Fripp, al zijn (ex-)leden, hun technici en enkele fans. Hij prikt hier en daar, vraagt flink door en permitteert zich dus ook wel eens een grapje. ’s Mans humor sluit aan bij de zelfspot die hij bij veel bandleden vindt en contrasteert met Fripps dodelijke ernst/ironie (*)

King Crimsons boegbeeld filosofeert graag over de betekenis van muziek en bakkeleit misschien nog wel liever over hun (gebrekkige) wisselwerking of over wat er tijdens concerten allemaal valt te winnen en verliezen. Wat zijn de gevolgen als het niet lukt om van een optreden een gebeurtenis te maken? vraagt Amies. ‘Hartzeer’, antwoordt Robert Fripp bloedserieus. ‘Alsof mijn moeder is overleden.’

De documentaire gaat ook persoonlijke onderwerpen niet uit de weg. ‘Ik ga je vragen naar jouw unieke omstandigheden’, zegt Amies bijvoorbeeld tegen drummer Bill Rieflin. ‘Je hoeft niet te antwoorden. Je mag me ook vertellen hoe ik het zou kunnen gebruiken en je kunt me ook zeggen om op te rotten, hoe je ’t ook wilt.’ Waarna een indringend gesprek over Rieflins penibele gezondheid volgt.

In The Court Of The Crimson King heeft de gemiddelde bandjesdocu, die schaamteloos de succesnummers van een act op een rij zet en daardoor vooral interessant is voor de achterban, dan allang achter zich gelaten. Dit is een dwarse, openhartige en grappige film over het leven in/met/voor een onmogelijke man en zijn al even onmogelijke band, waarvan alleen niet duidelijk is of ie nog bestaat.

‘Verandering is waar deze band om draait’, stelde oud-drummer Bill Bruford niet voor niets. ‘Verandering is essentieel. Anders verander je in The Moody Blues.’

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Stranger In My Own Skin

Federation Studios

Grofweg zijn er twee varianten: documentairemakers die afstand houden en zo het complete terrein rond hun onderwerp proberen te overzien. En filmers die er juist zo dicht mogelijk op kruipen, om ‘t als het ware van binnenuit te kunnen laten zien. Katia deVidas behoort, in elk geval bij deze documentaire, overduidelijk tot de tweede categorie. Ze kan ook niet anders: Katia is de echtgenote van hoofdpersoon Pete Doherty.

Dit is dus niet de film waarin chronologisch en met een zekere distantie wordt gevolgd hoe Doherty eind jaren negentig, als één van de twee frontmannen van The Libertines, wordt binnengehaald als een nieuwe held van de Britse popmuziek, waarna hij zich al snel helemaal verliest in een destructieve drugsverslaving en uitgroeit tot de Keith Richards/Sid Vicious/Shane McGowan van zijn generatie. Dit is sowieso geen muziekdocumentaire – ook al bevat deze rauwrommelige film natuurlijk genoeg songschrijfpogingen, repetitiemomentjes en concertfragmenten van Doherty, The Libertines en zijn latere outfit Babyshambles.

Dit is een film over Peter Doherty: Stranger In My Own Skin (93 min.), een eeuwige jongen die volledig verslingerd is geraakt aan dope – of het nu heroïne, crack of meth is – en die daar nodig vanaf wil. Of, althans: die zégt dat hij daar vanaf wil. DeVidas filmt en bevraagt de Engelse zanger en gitarist gedurende tien jaar van zeer dichtbij terwijl hij, zoals Connie Palmen dit zo treffend heeft uitgedrukt, een vriendschap zonder vriend heeft. En ze geeft hem, een vurige adept van schrijvers als Fjodor Dostojevski, Oscar Wilde en James Joyce, tevens de ruimte om zijn diepste zielenroerselen of literaire uitspattingen te delen.

Zo vangt DeVidas talloze treffende brokstukken uit het leven van haar beschadigde man. Een concert in Frankrijk bijvoorbeeld, dat vanwege vertraging met de trein (!), steeds wordt uitgesteld en vervolgens wordt afgelast. Waarna Doherty alsnog optreedt in een naburige pub. Hoe haar echtgenoot voor de reünieconcerten van The Libertines in 2010, waar hij blijkbaar enorm tegenop ziet, letterlijk voor de camera een terugval heeft. En dat magische moment waarop Pete Doherty’s vader, een beroepsmilitair met wie hij een lastige relatie heeft, op het podium stapt bij zijn band Babyshambles en zijn song What A Waster woord voor woord blijkt te kunnen meezingen.

Het ontbreekt Stranger In My Own Skin alleen regelmatig aan structuur of context. DeVidas heeft er een vergaarbak van sferen en stijlen van gemaakt. Tegelijkertijd is dat waarschijnlijk ook een aardige afspiegeling van hoe haar ‘Peter’ zijn leven leidt: in een soort waas of roes, waardoor hij zo nu en dan een hoogte- of dieptepunt beleeft, plotseling crasht en zich dan weer lui in gang zet of juist voortvarend doordendert. ‘Het talent hoort bij de man en de artiest en komt niet van de drugs’, vindt Doherty zelf. ‘En dat is ook nooit gekomen van de drugs. Een deel van de lol en de uitdaging zit zelfs in het creëren óndanks de omstandigheden. Of ik nu verslaafd ben of clean, ik zal creëren.’

The Kyiv Files

VPRO/ Zeppers / Amstelfilm

‘Mijn mooiste herinnering aan Bogdan?’ Regine Chivrac moet er in de woonkamer van haar woning in Bretagne heel even over nadenken. ‘Waarschijnlijk de nacht die we samen doorbrachten in het appartement van een vriend.’ De Française met Oekraïense wortels en de knappe plaatselijke jongen ontmoetten elkaar in de jaren zestig bij toeval in de stad Lviv en werden daar verliefd op elkaar. Althans, zo heeft zij dat toentertijd beleefd.

Even later krijgt de oudere vrouw een KGB-dossier overhandigd. Háár dossier. Nummer 5075, codenaam: Courtisane. ‘Betekent dit dat er een dossier over mij was?’ reageert ze verrast. ‘Heeft Bogdan misschien informatie doorgegeven?’ In de map vindt ze foto’s van hen samen, innig verstrengeld in bed. In het appartement van die vriend, inderdaad. ‘Hij moet dit toch hebben geweten?’ vraagt ze tegen beter weten in. ‘Of werd hij er zelf ingeluisd?’

Het antwoord staat in The Kyiv Files (78 min.): ‘Om te ontdekken wat de echte redenen waren voor Courtisanes bezoeken aan ons land wordt agent Shikula ‘Bogdan’ Nikolayevich ingezet in 1967’, leest een vrouwenstem voor uit het dossier van de geheime dienst van de Sovjets. ‘Hij studeert aan de universiteit van Lviv en spreekt Frans.’ In het dossier zitten ook Bogdans rapporten. ‘Na de gemeenschap gaf ze me haar adres’, schrijft hij bijvoorbeeld. ‘Dat lag al klaar op tafel.’

Sinds Oekraïne in 2017 de KGB-archieven heeft geopend, kunnen geïnteresseerden hun persoonlijke dossier inzien. ‘Lisovaja Vira Pavlovna, bijgenaamd De Stille, kwam in het zicht bij de KGB in 1974’, staat er bijvoorbeeld in het dossier van een kritische Oekraïense docente. De dienst heeft de hand weten te leggen op ‘diverse bewijsstukken waaruit blijkt dat het subject nationalistische overtuigingen heeft en anti-Sovjet documenten bezit en verspreidt.’

Samen met Lisovaja zelf en haar dochter neemt filmmaker Walter Stokman het dossier en de gevolgen daarvan door. Pavlovna’s echtgenoot was in 1972 al tot zeven jaar veroordeeld vanwege ‘nationalistische’ activiteiten. Het gezin kwam uiteindelijk in Siberië terecht en zou zich nooit meer helemaal van de KGB kunnen bevrijden. Want zo ging – en gaat – dat: wie eenmaal in de klauwen van een geheime dienst zit, kan zich daarvan vaak nooit meer helemaal losmaken.

Deze film maakt tastbaar wat ‘t met mensen doet om overgeleverd te zijn aan een autoritair regime en de bijbehoren surveillancestaat. En dat strekt zich in dit geval ook uit tot Nederland. Ineens staat Stokman in Friesland bij een caravan, die volgens een buurman letterlijk ‘groen van ellende ziet’. De bewoner ervan zou de hoogbejaarde Louw de Jager zijn. Zestig jaar geleden belandde hij in een Sovjet-gevangenis, veroordeeld vanwege spionage.

‘Op 15 juli 1961 zijn twee Nederlanders, Evert Reydon en Louw de Jager, in De Jagers auto vanuit Amsterdam via de DDR en Tsjechoslowakije naar de Sovjet-Unie vertrokken’, leest de Russische vrouw weer voor uit het KGB-dossier. ‘Bij de grenscontrole werd ontdekt dat ze dertig filmrollen, vier camera’s, een fotolens, een flitsapparaat, twee verrekijkers, een kompas en een radio bij zich hadden.’ De twee Nederlandse amateurspionnen zijn gezien.

‘Hoe minder je weet, hoe beter je slaapt’, slaat een voormalige KGB-functionaris elders in deze unheimische film, die zich afspeelt tegen de achtergrond van de Russische aanval op Oekraïne en steeds meer onder de huid kruipt, de spijker op z’n kop. Het is alleen de vraag of iedereen die luxe heeft. En wat als je ’t eenmaal weet? Hoe slaap je dan? Slaap je überhaupt nog? The Kyiv Files maakt zulke vragen onontkoombaar – en de antwoorden erg pijnlijk.

Get Gotti

Netflix

Een mediagenieke maffiabaas. Dat is weer eens wat anders dan een bruut in een trainingspak of een stokoude capo die elke vorm van publiciteit mijdt. John Gotti, een gesoigneerde kerel in een strak pak, spreekt tot de verbeelding van pers en publiek en geniet zelf duidelijk ook van de aandacht.

‘The Real Godfather’ komt pas goed in beeld als zijn voorganger als baas der bazen van de New Yorkse Gambino-familie, ‘Big Paul’ Castellano, op 16 december 1985 samen met zijn onderbaas Thomas Bilotti dood wordt aangetroffen bij een steakrestaurant in Manhattan. Koelbloedig geliquideerd, met meer kogels dan absoluut noodzakelijk waren. De opdrachtgever ligt voor de hand: diezelfde John Gotti. De twee hebben namelijk een zakelijk meningsverschil. Castellano is mordicus tegen drugshandel, zijn opvolger ziet er wel brood in. Het geschil wordt opgelost zoals ‘made men’ dat nu eenmaal doen: met enkele professionele huurmoordenaars.

Voor politie en justitie in New York is het duidelijk wat hen te doen staat: Get Gotti (151 min.). Gemakkelijk gaat dat niet. De verschillende politiediensten concurreren soms liever met elkaar dan dat ze samenwerken. En getuigen tegen zo’n prominente maffioso willen nog wel eens, op het allerlaatste moment, van mening veranderen of problemen krijgen met hun geheugen. ‘I Forgotti’ kopt een New Yorkse tabloid bijvoorbeeld als de ooggetuige van een eerdere geweldsuitbarsting van John Gotti zich ineens niets meer kan herinneren van wat hij toch een hele tijd lang zelf heeft beweerd. Iedereen weet wat er is gebeurd, maar probeer dat maar eens te bewijzen.

En daarmee is deze driedelige serie van regisseur Sebastian Smith en de rest van het team dat eerder de miniserie Fear City: New York Vs. The Mafia (2020) afleverde, precies waar ie wil zijn: in de al zo vaak geromantiseerde wereld van de maffia. Waar The Godfather, Goodfellas en The Sopranos elkaar virtueel ontmoeten. Volgens de sterke verhalen van deze gangsters vinden sterren zoals Andy Warhol, David Bowie en Brooke Shields ’t ook maar wat leuk om bij hen rond te hangen. Intussen stellen rechtschapen politiemensen, FBI-medewerkers en leden van de speciale Organized Crime Taskforce (OCTF) alles in het werk om ‘De Deftige Don’ achter de tralies te krijgen.

Zij observeren wat de leden van de Gambino-familie uitvreten, zetten ratten (ofwel: informanten) in en luisteren Gotti en zijn zware jongens stiekem af, waardoor die onbedoeld belastend bewijs tegen zichzelf aanleveren. Dit kat- en muisspel wordt door insiders vanuit de georganiseerde misdaad en de wetshandhavers die op hen jagen met zichtbaar plezier nog eens opgehaald. Smith laat hen aan het woord vanuit halletjes, archiefruimtes, wegrestaurants, fabriekshallen en – natuurlijk – luxe auto’s. Zolang ‘t er maar schemerig is. Het blijft tenslotte true crime.

Deze gesmeerd lopende serie is verder afgewerkt met tamelijk schreeuwerige vormgeving en een smakelijke eightiessoundtrack en werkt gestaag toe naar het moment waarop  ‘De Teflon Don’ – nee, aan bijnamen geen gebrek in deze productie, waarin het gangsterleven weer eens ouderwets wordt verheerlijkt – toch voor de bijl lijkt te gaan. En dat is best aardig kijkvoer, voor de liefhebbers van maffiafilms, waarin de ‘good guys’ heel veel moeite moeten doen om de ‘bad guys’ te laten brommen voor hun daden.

Godvergeten

Rik Devillé / VRT

‘De eerste doos’, zegt de Belgische priester en auteur Rik Devillé terwijl hij ‘een dossierke’ uit zijn persoonlijke archief opent. ‘Nog één die misbruikt is, nog één zijn leven verwoest.’ Intussen nemen die ‘dossierkes’ plaats voor de camera: gewone Vlamingen die Devillé in vertrouwen namen over hoe ze seksueel waren misbruikt door een pater of priester. Die vergrijpen, stelselmatig toegedekt door de katholieke kerk, zijn veelal officieel verjaard, maar voor de slachtoffers blijven ze akelig actueel.

Neem het bijzonder schrijnende geval van Piet. Als tiener werd hij eind jaren vijftig op de Abdijschool in Dendermonde misbruikt door de monnik Dom Robert. Piet kon er niet mee leven, Robert wel. ‘Dat je het lef hebt om naar de begrafenis van je slachtoffer te komen.’ Piets oudere zus Dianne, die nog veel meer klappen te verwerken zou krijgen als gevolg van het misbruik, kan er nog altijd niet bij. ‘Dat is eigenlijk arrogant tot-en-met’, zegt de bejaarde Vlaamse vrouw tegen Béatrice, de zus van Damien.

En Damien werd precies twintig jaar later, nadat zijn moeder was overleden bij een verkeersongeluk, op de Abdijschool in Dendermonde eveneens slachtoffer van dezelfde geestelijke. En ook Damien wilde of kon uiteindelijk niet meer leven met de herinneringen daaraan. ‘Dom Robert is naar de begrafenis gekomen’, vertelt Béatrice. ‘Die is daarna nog naar de koffietafel gekomen. Die heeft zitten praten met mijn familie en die heeft zitten praten met mijn papa. Ongelooflijk, hè?’

De vierdelige serie Godvergeten (191 min.) is een opeenstapeling van zulke aangrijpende ervaringsverhalen. Van grondig gesloopte mensen, die een half leven lang hebben gezwegen. Intussen bleef de katholieke kerk de zaken afdekken. De in opspraak geraakte geestelijke werd meestal direct overgeplaatst (waar hij dan vaak gewoon weer zijn gang kon gaan). En zijn slachtoffers en hun familie, als die al was ingelicht, werden onder druk gezet om vooral hun mond te houden.

Het zijn, helaas, bekende verhalen. Vanuit kerkgemeenschappen in de hele wereld zijn ze de afgelopen jaren losgekomen. Intern waren ze natuurlijk allang bekend. Er werd alleen welbewust over gezwegen. Stilte als wapen. Voor menigeen is kardinaal Danneels de verpersoonlijking daarvan. Toen hij zich publiekelijk uitliet over De Zaak Dutroux en daarbij zowaar sprak over het toedekken van pedofilie en misbruik – niet binnen de katholieke kerk, natuurlijk – kwam er eindelijk wat los.

Zeker toen bleek dat Roger Vangheluwe, de bisschop van Brugge, hoogstpersoonlijk betrokken was bij de pedofiele praktijken. Hij had jarenlang zijn eigen neefje misbruikt. En die had weer geluidsopnames gemaakt waarop zijn oom bekende. Behalve stug blijven zwijgen had de kerk echter nog veel meer wapens: ontkennen, bagatelliseren, krokodillentranen plengen, traineren en afkopen. Totdat de talloze slachtoffers zich niet alleen gebruikt maar ook murw gebeukt voelden.

Zo liefdeloos kan een kerkgemeenschap toch niet met zijn kinderen omgaan? Elke keer als deze ontluisterende miniserie van Ibbe Daniëls en Ingrid Schildermans de bodem wel lijkt te hebben bereikt, volgt er echter nóg een persoonlijke getuigenis – nét even anders, maar steeds weer verrassend plastisch en zeker zo pijnlijk – waarmee het schandaal nog eens wordt verdiept en verbreed. Totdat de gifbeker he-le-maal leeg is. Alleen blijkt ook dat weer ijdele hoop…

Trailer Godvergeten

The Enfield Poltergeist

Apple TV+

Het is duidelijk wie de hoofdrolspelers zijn, in dat behekste huis in de Londense deelgemeente Enfield: Janet Hodgson, een meisje van elf met heel veel verbeeldingskracht. En haar moeder Margaret ‘Peggy’ Hodgson, een gescheiden Britse vrouw van 47 met vier kinderen. Omdat een klopgeest regelmatig hun huis bezoekt, worden zij vanaf 1977 twee jaar lang intensief geobserveerd door zakenman en uitvinder Maurice Grosse, die paranormale zaken ‘op een wetenschappelijke manier’ wil onderzoeken, en zijn assistent, geestenexpert Guy Playfair. De twee maken uiteindelijk meer dan tweehonderd uur audio-opnamen in ‘the haunted house’ aan 284 Green Street.

En die vormen nu het fundament onder The Enfield Poltergeist (234 Min.). Want op basis van die tapes heeft regisseur Jerry Rothwell, die enkele jaren geleden de immersieve autismefilm The Reason I Jump maakte, belangrijke gebeurtenissen gereconstrueerd. Acteurs spelen in een ingenieus decor lip sync mee met het oorspronkelijke geluid. Deze vierdelige serie bestaat dus voor een belangrijk deel uit gedramatiseerde scènes, het audio daarbij is echter authentiek en rechtstreeks afkomstig van de geluidsbanden van Grosse en Playfair. Dat is even wennen – in de Nederlandse documentaire Moeders deed Nirit Peled ’t overigens ook al – maar werkt wonderwel.

Rothwell spreekt daarnaast met (directe familie van) de Hodgsons, de woordvoerder van de zogenaamde Society For Psychical Research, medewerkers van The Daily Mirror, de BBC-verslaggever die er destijds op af werd gestuurd en diverse psychologen en (neuro)wetenschappers, die een kijkje gingen nemen bij de Hodgsons of met de wijsheid van nu naar de bizarre gebeurtenissen aldaar kijken. Ook Maurice Grosse’s aanvankelijk erg sceptische zoon Richard komt uitgebreid aan het woord. Hij liet zich gaandeweg verleiden om toch een bezoek te brengen aan het huis. Richard sprak daar toen – hij kan zich er nog altijd nauwelijks toe zetten om het te zeggen – met een geest.

Dat is maar één van de vele vreemde zaken in Enfield: er klinken allerlei sinistere geluiden, objecten vallen om of belandden op een andere plek en er wordt, natuurlijk, volop geklopt. En alles speelt zich af in, om of door de tiener Janet, die als medium lijkt te fungeren voor iets wat zich tussen hemel en aarde beweegt, een overledene wellicht die verleden heeft in dat vervloekte huis. Vanzelfsprekend ontmoet Maurice Grosse ook scepsis als hij verhaalt over zijn bevindingen. De psychologe Anita Gregory komt bijvoorbeeld eens kijken in Enfield en zet daarna in het rapport Problems In Investigating Psychokinesis grote vraagtekens bij de authenticiteit van wat zich daar afspeelt.

En die Enfield Poltergeist is, vanaf enige afstand bekeken, natuurlijk ook ‘too bad to be true’. Soms lijkt ie te citeren uit The Exorcist, een horrorfilm die halverwege de jaren zeventig immens populair is. Op andere momenten is het dan weer alsof de dan wereldberoemde ‘lepeltjesbuiger’ Uri Geller als z’n inspiratiebron heeft gefungeerd. De gebeurtenissen in de Londense deelgemeente trekken in elk geval zoveel aandacht dat zelfs de beruchte Amerikaanse spokenjagers Ed en Lorraine Warren, onlangs nog te zien in de documentaire The Devil on Trial, even poolshoogte komen nemen. En er is ook een Nederlandse connectie: het medium Dono Gmelig-Meyling meldt zich. 

Rothwell neemt dit spraakmakende verhaal krachtig bij de hand en blijft zoveel mogelijk uit de buurt van effectbejag, maar speelt alle ontwikkelingen wel bijzonder slim uit, waarbij hij bijvoorbeeld zeer gedoseerd informatie deelt. Zo valt zijn publiek eerst van de ene verrassing in de andere en wordt daarna ook nog geraakt door personages zoals Janet, Margaret en Maurice, die elk hun eigen issues meebrengen naar dat veelbesproken huis in Enfield. Het resultaat is een absolute tour de force, een bijzonder inventieve, enerverende en toch ook heel menselijke serie die het midden houdt tussen een documentaire- en een ‘based on a true story’-productie en die na bijna vier uur speeltijd nog een flinke tijd nazindert.

AKA Mr. Chow

HBO Max

‘In het westen stond China helemaal onderaan de ladder’, vertelt Mr. Chow. ‘Je kunt geen schilder worden, zeiden ze. Je kunt niks. Alleen in een restaurant of wasserij werken.’ Zhou Yinghua alias Michael Chow zegt dat laatste, of varianten op hetzelfde thema, zo vaak in het portret AKA Mr. Chow (87 min.) dat ’t bijna een gimmick wordt. Het gevoel zit blijkbaar heel diep en sijpelt steeds weer door in zijn levensverhaal, dat op het eerste oog toch bijna op een Hollywood-film lijkt.

Nadat de twaalfjarige Chow, zoon van de beroemde Chinese operaster Zhou Xinfang, in 1952 door zijn moeder naar het westen is gestuurd, stapelen de successen zich al snel op: hij bemachtigt enkele filmrollen (waaronder een bijrolletje in een James Bond-film), start een wereldwijde restaurantketen, begint tot de kunstkliek rond Andy Warhol te behoren, trouwt enkele begeerlijke vrouwen en beleeft in zijn derde jeugd, dik in de tachtig inmiddels, als ‘M’ alsnog een carrière als succesvolle kunstenaar.

Daarachter zit dus nog een andere wereld, toont deze film van Nick Hooker, waarin Chow zelf overigens het leeuwendeel van de tijd aan het woord is. De wereld van een man die zich altijd bewust blijft van wie hij werkelijk is. Simpel gesteld: ‘Als je mijn bril, mijn gulle fooien en m’n Rolls Royce wegneemt, dan ben ik niet goed genoeg.’ En van een man die altijd de zoon is gebleven van een levende legende, die hij beslist niet mag teleurstellen. ‘Vanaf jonge leeftijd wist ik dat ik geweldig moest worden.’

Behalve familie, vrienden en kenners laat Hooker ook de nodige celebs aan het woord, die stuk voor een stuk een aspect van Michael Chows leven en loopbaan weerspiegelen: schrijfster Fran Leibowitz, filmproducent Brian Grazer, rapper LL Cool J., kunstenaar Julian Schnabel, acteur Steve Coogan en model Grace Coddington, tevens Chows eerste vrouw. Tezamen schilderen zij een levenskunstenaar die nooit lang bij de pakken neer gaat zitten – ook al is daartoe soms wel degelijk aanleiding geweest.

Want als de man die je als geen ander bewondert één van de eerste slachtoffers wordt van Mao’s Culturele Revolutie en de hele familie daardoor wordt ontwricht, vreet dit zich natuurlijk naar binnen. Bij mannen zoals Zhou Yinghua lijkt zulke malheur echter direct te worden omgezet in daadkracht. Zodat elke tegenslag zijn eigen succes oplevert. Zo is het hem zelfs gelukt om eindelijk zijn ambities als kunstenaar te verwezenlijken. Met kleurrijke collagekunst, gemaakt met ‘veel kungfu’.

Een beetje zoals de man zelf, zou je op basis van deze even vlotte als vluchtige film kunnen constateren.

Brandmeester

Human

Gerrie Koning is op en top brandweerman. Op de Brandweerkazerne Dirk in Amsterdam slaapt de bevelvoerder – type ruwe bolster, blanke pit – zelfs onder een brandweermannensprei. Het zit hem als gegoten. En hij lijkt zo, van bovenaf gefilmd, altijd paraat en in uniform.

Gerrie is van de oude stempel: iedereen is welkom bij de brandweer, maar uiteindelijk telt voor hem maar één ding: of iemand op zijn taak is berekend of niet. Met het diversiteitsbeleid van de brandweer Amsterdam-Amstelland, waarmee ze meer vrouwen en Nederlanders met een andere culturele achtergrond hopen te trekken en ook het ziekteverzuim willen terugdringen, heeft hij weinig op. Gerrie wil simpelweg een team waarop hij blindelings kan vertrouwen.

Toch vinden het gemeentebestuur en de korpsleiding dat er alle reden is om te veranderen: het imago van de hoofdstedelijke brandweer is niet best. Racisme en seksisme zouden er welig tieren. Ook Gerries ploeg oogt weinig inclusief. Het zijn stuk voor stuk witte mannen, die letterlijk voor elkaar door het, ja, vuur gaan. Joyce, de enige vrouw in het team en een echte ‘vakman’, heeft intussen de ambitie om op termijn zelf bevelvoerder te worden.

Ze zijn te homogeen, somt één van Gerries mannen de kritiek op in de documentaire Brandmeester (Engelse titel: Burning Out, 83 min.) van Saskia Gubbels. Ze hebben een wij-tegen-zij mentaliteit. En ze houden er een motorbende-cultuur op na. Dat moet worden doorbroken, vinden ze op ‘kantoor’. De vrijstaat Dirk moet sowieso van locatie verkassen. Dat lijkt de ideale gelegenheid om een cultuuromslag te maken en van het team een behoorlijke afspiegeling van de stad te maken.

Gubbels laat zien hoe Gerrie Koning heen en weer wordt geslingerd tussen zijn onvoorwaardelijke liefde voor het brandweervak – de kameraadschap, het uitrukken en de dienstbaarheid ervan – en zijn twijfels over de nieuwe wind die er door de kazerne waait. Mogen ze nu echt niet meer samen douchen? Wat is daar nou op tegen? En een geintje op zijn tijd – over een douche voor grote en kleine piemels bijvoorbeeld – moet toch gewoon kunnen?

‘Het is een kutbedrijf, vat Gerrie het kernachtig samen. ‘Maar het werk is leuk.’ De Amsterdamse bevelvoerder, die nog twee jaar heeft tot zijn pensionering, verpersoonlijkt daarmee het ongemak dat wel vaker opspeelt bij, al dan niet afgedwongen, maatschappelijke veranderingen. Het oude vertrouwde moet worden losgelaten, ten faveure van een ongewisse toekomst. En daarbij komt ook nog eens dat een ander – of zelfs: dé ander – eerste viool gaat spelen.

Brandmeester speelt zich volledig af in de kazerne en tijdens hulpacties. Een ander leven hebben Gerrie en zijn mannen niet in deze film. Zij fungeren als een familie, een gestaalde clan. En wanneer ze uitrukken, opereren ze als een hechte eenheid die aan een enkel woord genoeg heeft. Tegelijk maakt Saskia Gubbels invoelbaar hoe diezelfde sfeer van mannen onder elkaar ook beklemmend kan werken, zomaar tot uitsluiting zou kunnen leiden en dus moet veranderen.

Gerrie Koning is de belichaming daarvan en groeit tegelijkertijd uit tot een personage om van te houden. Die dualiteit maakt deze geladen film tot een enerverende kijkervaring.

Genderpoli

Tangerine Tree

‘Ik werk hier dus net twee maanden’, vertelt Tabothsie als ze aan de beurt komt tijdens het voorstelrondje. ‘Ik val gewoon op mannen, ik heb twee kinderen en voel me daar heel fijn bij. Ik weet niet of ik dat in deze termen moet zeggen, maar ja, dat dus.’ Bianca, die zich identificeert als agender en non-binair, lacht er enigszins ongemakkelijk bij en legt vervolgens uit: ‘Gewoon is heel normatief, in welke context je ‘t ook zegt. Daarmee zeg je ook iets over de ander.’

Het team van de Genderpoli (Engelse titel: They And Them, 78 min.) in Zaandam is zeer divers samengesteld. Samen geven ze psychologische begeleiding aan jongeren die vragen hebben over hun genderidentiteit. Voor de lichamelijke transitie verwijzen ze dan door naar het ziekenhuis. Het is de enige polikliniek in Nederland, waar een deel van de hulpverleners zelf ervaringsdeskundige is. Het team wordt wel geleid door een ‘normale’ cisgender-man, psycholoog Sander de Wit. 

‘We brengen mensen veel aan het twijfelen’, vertelt hij over het intensieve traject dat ze met jongeren doorlopen. ‘Omdat we vinden dat twijfel helpt bij groei.’ Collega en ervaringsdeskundige Bianca verwoordt ‘t nét even anders: ‘Ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk het is om mensen tegenover je te hebben die jou niet continu bevragen, maar die als uitgangspunt nemen dat wat jij laat zien en wat jij vertelt over jezelf authentiek is.’

Terwijl ze kwetsbare jongeren begeleiden door een cruciale fase van hun leven, de eigen financiering op orde proberen te krijgen en de wachtlijsten willen terugdringen, moeten de hulpverleners van de Genderpoli in deze film van documentairemaker (en psycholoog) Ingrid Kamerling (Rusteloze Zielen: Scènes Uit De TBS, Blue Monday en Echo – Theater In De TBS) de rijen gesloten houden. Want inclusie komt ook voor hen niet altijd vanzelf.

‘Ik denk dat we op de goede weg zitten als cisgender-personen zich ongemakkelijk voelen’, meent Bianca, terwijl ze, net als de andere geïnterviewden, recht in de camera kijkt. ‘Want dan denk ik: ik heb dat eigenlijk iedere dag.’ Teamleider Sander, de trotse bezitter van een nieuwe Harley Davidson, heeft ’t er soms moeilijk mee. Krijgt hij de ruimte om zo nodig een afwijkende positie in te nemen? Mag hij er bijvoorbeeld voor kiezen om niet hij/hem onder zijn e-mails te zetten?

Kamerling legt de onderlinge meningsverschillen binnen het team, die lang niet altijd worden uitgesproken worden en toch permanent voelbaar zijn, knap bloot. Tegelijkertijd laat ze ook zien welke dilemma’s hun delicate werk oproept. Hoe kun je een jong iemand bijvoorbeeld begeleiden bij keuzes die de rest van zijn/haar/diens/hun leven beïnvloeden? En mag je vertrouwen op de genderdysforie van een dertienjarige met een verstandelijke beperking?

Zo knarst en schuurt ’t regelmatig in Genderpoli, dat bijzonder actuele thematiek behandelt en op microniveau de verschillende soorten ongemak blootlegt die daardoor, zelfs binnen een groep die in wezen dezelfde idealen en uitgangspunten heeft, kunnen worden opgeroepen.

Youth (Spring)

Cinema Delicatessen

In klassieke direct cinema-traditie laat Wang Bing in deze documentaire de werkelijkheid gewoon zien zoals ie is, zonder enige vorm van opsmuk. Toch bepaalt de Chinese filmmaker met hoe hij, als de spreekwoordelijke vlieg op de muur, het leven van medewerkers van de textielindustrie in de Chinese stad Zhili vastlegt in lange observerende beelden, welke scènes hij daarvan monteert (als hij dat al doet; Bing laat een shot graag staan) en de volgorde waarin hij hun miniverhaaltjes vervolgens plaatst natuurlijk wel degelijk welk idee wij, als zijn publiek, daaraan moeten overhouden.

Youth (Spring) (215 min.), een film waarvoor hij tussen 2014 en 2019 heeft gefilmd in enkele van de in totaal 18.000 naaiateliers in Zhili, toont veelal jonge textielarbeiders uit de provincie die de (inter)nationale behoefte aan ‘fast fashion’ moeten zien te bevredigen met een constante aanvoer van goedkope (kinder)kleding. Bing volgt simpelweg hoe ’t hen daar in die bedompte en rommelige werkruimtes – en op de plekken waar ze even pauzeren, in de huizen waar ze samen wonen en bij de gelegenheden waar ze in hun schaarse vrije tijd proberen te ontspannen – dag in dag uit vergaat.

Zijn film verplaatst zich steeds van het ene atelier naar het andere. Personages die net zijn geïntroduceerd en verhalen die pas lijken te zijn opgezet – een jong koppel dat een abortus overweegt, gesteggel over (stuk)loon met een barse chef of het gesjans tussen een jongen en een meisje dat hem niet zegt te zien zitten – worden weer verlaten voor nieuwe werkers en hun dagelijkse beslommeringen. Op een andere plek, die verdacht veel lijkt op de vorige. En het duurt ook verdacht lang voordat hij bij vertrouwde personages in een al bekende situatie terugkeert.

Het is duidelijk: het gaat Wang Bing niet zozeer om de individuen, maar om het systeem, de ogenschijnlijk tamelijk desolate wereld, waarvan zij deel uitmaken. Het repetitieve karakter van de werkzaamheden in al die verschillende sweatshops wordt weerspiegeld in de documentaire zelf. Te midden van de ook al overuren makende naaimachines houden werknemers zich onledig met steeds min of meer dezelfde activiteiten: kletsen, roddelen, flirten, klieren en ruziën (vechten zelfs). Zonder daadwerkelijk uitzicht op het betere leven, waarvan ze openlijk of in stilte lijken te dromen.

De boodschap is na een klein uur wel helder, maar dan heeft deze observerende film, opgezadeld met een tamelijk intimiderende speelduur van drie en een half uur, nog ruim twee derde te gaan. Youth (Spring) is bovendien slechts het eerste deel van wat een trilogie moet worden.

La Memoria Infinita

Periscoop Film

‘Laten we het samen doen’, zegt Augusto lachend tegen zijn vrouw, tijdens een lunch in een restaurant. ‘Want als ik ‘t alleen ga proberen met mijn Alzheimer, maak ik er een rotzooi van. Ik herinner me helemaal niets meer en zet mezelf voor schut.’ Pauli kijkt hem liefdevol aan. ‘We zijn drie jaar geleden getrouwd, maar het mooie is dat we elkaar al 23 jaar kennen. Dus we zijn pas getrouwd toen we elkaar al twintig jaar kenden.’

Ontspannen proberen ze vervolgens samen hun allereerste date te reconstrueren. Gaandeweg ontwaakt daarbij Augusto’s geheugen en kan hij meteen verwoorden wat zij voor hem betekent. Pauli krijgt zo wat ze wil. Zij is in deze hartverwarmende film van regisseur Maite Alberdi voortdurend in de weer om Augusto’s brein, verleden en hun late liefde levend te houden.

En dat gebeurt in La Memoria Infinita (Engelse titel: The Eternal Memory, 85 min.) in een ontspannen setting die doet denken aan Alberdi’s eerdere films The Grown-Ups (2016) en The Mole Agent (2020). Het leven zoals de Chileense filmmaakster ‘t presenteert in haar films is zeker niet vrij van pijn of verdriet, maar behoudt wel te allen tijde een optimistische grondtoon.

In zijn vorige leven, dat koste wat het kost behouden moet blijven, was Augusto Gongóra televisiejournalist. Hij maakte ’t tot zijn persoonlijke missie om de misdaden tegen de menselijkheid van het regime van dictator Augusto Pinochet te documenteren, zodat die in het collectieve geheugen konden worden opgeslagen. Pauli Urrutia was ooit minister van cultuur in Chili en is nog altijd actrice.

Terwijl ze zorgt voor haar man – en dat zeer intiem vastlegt met een camera – speelt Pauli ook nog gewoon in voorstellingen. In een fraaie scène laat Alberdi zien hoe ze met haar gezelschap een groots opgezette dansscène repeteert. Augusto doet gewoon lekker mee. Zo gemakkelijk, idyllisch bijna, laat de dementie zich echter niet vangen. Die krijgt haar echtgenoot steeds meer in z’n greep.

‘Het is belangrijk dat je me niet vergeet’, houdt Pauli hem, op een wanhopig ogenblik later in de film, huilend voor. ‘Want ik ben altijd bij je.’ En met al wie hij nog is probeert haar echtgenoot, die soms nauwelijks meer weet wie die vrouw in zijn huis is, haar te troosten. Hij voert ook hele gesprekken met zijn beste vriend: de oudere heer die hem vanuit de spiegel bekijkt.

Met impressies van zijn werk als journalist en televisiemaker en familievideo’s van hun gezamenlijke verleden roept Maite Alberdi tevens de man op die hij ooit was en het stel dat ze nog steeds proberen te zijn. Dat is pijnlijk, maar werkt ook vertroostend. Hoewel hij tegenwoordig een schim is van de charmante en onverschrokken journalist in beeld, heeft hun liefde ogenschijnlijk weinig aan kracht ingeboet.

Dat is tenminste de boodschap van deze ontroerende, met lekker weemoedige muziek aangeklede film, die zowel qua toon als inhoud aansluit bij persoonlijke dementiefilms zoals Liefsteling, Dick Johnson Is Dead en Wei. Intussen houdt Maite Alberdi de totale ontluistering nadrukkelijk buiten de deur.

Het Wonder Van Oirsbeek

EO

Terwijl ze begin 2022 de ontwikkelingen in Oekraïne op de voet volgen via hun tv-scherm, haalt het oudere Limburgse stel Leon en Suzannah Meessen steun uit hun enorme collectie heiligenbeelden en religieuze prenten. Die huilen volgens hen om de ellende in de wereld. Bloedtranen van Maria, welteverstaan.

‘Dit kleine prentje van Onze Lieve Vrouw van Fatima heeft afgelopen zondag de dertiende gebloed’, vertelt Leon, die met zijn zalvende stem, geestdrift en lange witte baard zo uit een mythisch rijk afkomstig zou kunnen zijn. ‘En rond die tijd was er in de politiek veel spanning tussen Rusland en Oekraïne, een voormalig Oostblokland. Misschien dat dat op de achtergrond meespeelt in dit bloeden.’

Leon en Suzannah zijn ervan overtuigd dat er zich bij hen iets bijzonders voltrekt. De hele wereld zou ‘t moeten aanschouwen: Het Wonder Van Oirsbeek (30 min.). Daarvan hebben ze in de afgelopen dertig jaar al talloze voorbeelden gezien. Na de terroristische aanslag in de Bataclan in Parijs of bij een scheepsramp met vluchtelingen bij het Italiaanse eiland Lampedusa werd er bijvoorbeeld ook uitbundig geweend bij het christelijke stel.

Het is een kwestie van tijd, denken ze zelf, voordat hun knusse huurhuisje een bedevaartsoord wordt. Het zal nog niet direct stormlopen, stelt Leon. Uiteindelijk zullen er naar zijn stellige overtuiging echter miljoenen bezoekers komen. ‘Op jaarbasis.’ Om zijn bewering kracht bij te zetten laat hij de filmmakers zien hoe Onze Lieve Vrouwe van Guadeloupe bloedt – al is ze nét begonnen voordat de camera draait.

Jaap van Heusden en Kees-Jan Mulder laten het echtpaar, dat een veelbewogen leven heeft gehad, in z’n waarde, maar tonen tevens dat de twee zich wel degelijk bewust zijn van het beeld dat ze willen uitdragen. ‘Net doen of de camera er niet bij is!’ fluistert Leon bijvoorbeeld als ze buiten de was, niet al te witte onderbroeken, gaan ophangen. ‘Nee, nee, die is er niet’, reageert zij samenzweerderig. ‘De mannen zijn er niet.’

De betrokkenheid van het echtpaar Meessen bij de wereld, tevens vervat in tamelijk overbodige beelden van de rampen die hun harten en allerlei religieuze artefacten deden bloeden, draagt bij aan de sympathie die het tweetal oproept – al is het wel de vraag of de documentairemakers niet wat meer in die bloedtranen hadden moeten prikken. Want wat nu als die onverhoopt tóch geen Goddelijk wonder blijken te zijn…

Navajo Police Class 57

HBO Max

De opzet van deze miniserie voelt direct vertrouwd: klas 57 van de Navajo Politieacademie begint met 28 rekruten aan de basisopleiding van 28 weken. Met z’n hoevelen bereiken ze straks de eindstreep? Gemiddeld valt zo’n vijftig procent af. Aan de instructeurs zal het, natuurlijk, niet liggen. Zij beulen de nieuwelingen af, schelden hen uit en voeren de druk steeds verder op. Zo bereiden ze hun nieuwe collega’s, althans in hun eigen beleving, optimaal voor op het zware politiewerk dat op hen wacht in het grootste indianenreservaat van de Verenigde Staten.

Als enige stam leiden de Navajo’s hun eigen agenten op. De komende vijf jaar zijn er vijfhonderd nieuwe krachten nodig. Voorlopig liggen ze alleen flink achter op schema. Alle hoop is nu dus gevestigd op Navajo Police Class 57 (166 min.). Da’s ook wel zo fijn, als uitgangspunt voor deze driedelige docuserie van Kahlil Hudson, Alex Jablonski en David Nordstrom. Daarin worden enkele gestaalde instructeurs en hun pupillen, zowel op de academie zelf als in hun thuissituatie, gevolgd tijdens een opleidingstraject waarin ze tot het uiterste worden uitgedaagd.

De klok begint direct te tikken als de serie start. Nog 28 weken te gaan. En nog 28 rekruten. Beide metertjes lopen gestaag terug. Na het openingsweekend zijn er al vier aspirant-agenten vertrokken. Nog 24 over dus. Om straks het zwaar overvraagde politiekorps te versterken. Met nog geen tweehonderd medewerkers moet dat op dit moment de orde handhaven in Navajo Nation, een gebied dat in totaal 70.000 vierkante kilometer beslaat. En de reservaten van ‘Native Americans’ worden al sinds jaar en dag overwoekerd door werkloosheid, alcoholisme en huiselijk geweld.

Ter voorbereiding op hun entree als wetshandhaver in een omgeving, waar de criminaliteit soms welig tiert, worden de rekruten flink afgeknepen en moeten ze met scherp leren schieten, omgaan met traangas en hoe te handelen in stresssituaties. Dat levert de voor dit soort opleidingsfilms verplichte hachelijke momenten, psychologie van de koude grond en onbetaalbare levenslessen op en resulteert tevens in het vertrek van enkele hoofdpersonen van de serie, die vrijwillig dan wel gedwongen hun opleiding staken. Ook zulk drama is in dit type docu verplicht.

Navajo Police Class 57 bewandelt in dat opzicht dus gebaande paden, maar is wel aardig gemaakt en bovendien gesitueerd in een interessante omgeving, bij de inheemse bevolking van de Verenigde Staten en de geheel eigen cultuur die daar wordt gekoesterd. En dan lijkt het alleen nog de vraag hoeveel rekruten bij de diploma-uitreiking hun penning krijgen. Alleen is dat dus niet de afsluiting van deze miniserie, want die laat daarna ook nog zien hoe de nieuwe agenten van de Navajo Nation Police zich staande houden in hun veeleisende job – en óf dat eigenlijk wel lukt.

To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb

MSNBC

De tragiek van de man en zijn grootste verdienste is al vaak benadrukt. J. Robert Oppenheimer wilde de westerse beschaving redden en ontwierp vervolgens een wapen waarmee elke vorm van beschaving kon worden vernietigd. En de Amerikaanse wetenschapper, over wie regisseur Christopher Nolan onlangs de groots opgezette speelfilm Oppenheimer maakte, besefte dat zelf als geen ander. To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb (87 min.) vormt het tastbare bewijs. ‘Nu ben ik de Dood geworden’, zegt hij daarin mistroostig. ‘De vernietiger van werelden.’

Door zijn reputatie als outsider en relatie met een overtuigde communiste, ex-vriendin Jean Tatlock, leek de natuurkundige Oppenheimer niet de meest voor de hand liggende kandidaat  om het nucleaire programma van de Verenigde Staten, The Manhattan Project, te gaan leiden en zo het gevaar van nazi-Duitsland te bezweren. ‘Hij had geen grote verdiensten op zijn naam staan’, stelt Gregg Herken, auteur van het boek Brotherhood Of The Bomb. ‘Een wetenschapper die Oppenheimer kende zei zelfs: hij kan niet eens een hotdogkraam runnen.’

En die man moest er dus voor zorgen dat de race tegen het Duitse bomproject, geleid door zijn concullega Werner Heisenberg, werd gewonnen. Vanuit Los Alamos, in de woestijn van New Mexico, zette Oppenheimer met zijn team alles op alles om Hitler voor te blijven. En toen de Duitsers begin 1945 geen bedreiging meer vormden voor de VS – zo betogen enkele historici in deze breed ingestoken, goed gedocumenteerde en subtiel met animaties aangeklede film van Christopher Cassel – werd er een andere vijand gezocht. Want De Bom moest uitgeprobeerd worden!

‘Hoe kon de wereld anders de kracht ervan ontdekken?’ stelt historicus Richard Rhodes (The Making Of The Atomic Bomb). Met dit afschrikwekkende nieuwe wapen hoopten ze bovendien het aantal Amerikaanse slachtoffers in de rest van de oorlog te kunnen beperken. ‘Mijn vader en moeder zijn veteranen uit de Tweede Wereldoorlog’, zegt tv-wetenschapper Bill Nye daarover. ‘Na vier jaar oorlog was er volgens mijn moeder echt niemand die zich afvroeg of het wel ethisch verantwoord was om een nucleair wapen te gebruiken.’ Alles was geoorloofd om de oorlog te verkorten.

‘We hebben meer dan twee miljard dollar geïnvesteerd in de grootste wetenschappelijke gok in de geschiedenis’, declameerde de Amerikaanse president Harry Truman triomfantelijk, nadat een Amerikaans vliegtuig op 6 augustus 1945 een atoombom had gedropt op de Japanse havenstad Hiroshima. ‘En we hebben gewonnen!’ ’t Was een gotspe! ‘Ik herinner me elke seconde,’ vertelt overlevende Hideko Tamura, die zelf de bom overleefde, maar haar halve familie verloor. ‘Ik heb me nog nooit zo hulpeloos gevoeld.’ Drie dagen later zou ook Nagasaki nog worden geslachtofferd.

Robert Oppenheimer werd het gezicht bij die beruchte paddenstoelenwolk. Een wereldwijde bekendheid, die werd gekweld door schuldgevoelens. ‘Hij had geen spijt van zijn rol en werk tijdens de oorlog’, vertelt zijn kleinzoon Charles Oppenheimer. ‘Maar vrijwel direct daarna begon hij al zijn aandacht te richten op het beheersen van de gevolgen ervan.’ En daarmee werd ‘de vader van de atoombom’, in de hoogtijdagen van het McCarthisme, zowaar het slachtoffer van een heksenjacht. De briljante wetenschapper eindigde zijn carrière als een tragische figuur.

The Pigeon Tunnel

Apple TV+

Als filmmaker deinst Errol Morris er nooit voor terug om sterke en gecompliceerde persoonlijkheden te portretteren. Of ‘t nu gaat om de omstreden Amerikaanse oorlogsministers Robert McNamara en Donald Rumsfeld, een extreemrechtse stokebrand zoals Steve Bannon of Fred A. Leuchter, de man die beroepsmatig executieapparatuur ontwerpt en in een ‘rapport’ ook de Holocaust nog even ontkent. Het resulteert steeds weer in messcherpe, gelaagde documentaires.

De hoofdpersoon van het intrigerende portret The Pigeon Tunnel (92 min.) – de Brit David Cornwell, alias spionage- en thrillerauteur John le Carré (1931-2020) – is er dus eens goed voor gaan zitten en heeft zichzelf op scherp gezet. Voor een gesprek op niveau tussen twee heren – een ingenieus schaakspel, een enkele keer zelfs een genadeloos steekspel – dat wordt vereeuwigd met talloze camera’s. Zodat Morris ‘t op onnavolgbare wijze kan framen. Letterlijk en figuurlijk.

Hij kleurt de conversatie bovendien in met een dwingende soundtrack en lardeert die met een slimme combinatie van gedramatiseerde gebeurtenissen uit Le Carré’s leven en fragmenten uit verfilmingen van bestsellers zoals The Spy Who Came In From The Cold, Tinker Tailor Soldier Spy en Smiley’s People. Totdat er een geheel eigen wereld is ontstaan, vol verraderlijke valkuilen, dubbele bodems en gelogen waarheden, waarin het weer heerlijk verdwalen is. Ook voor de interviewer.

‘Misschien is dit wel degelijk een verhoor, misschien houd ik mezelf voor de gek’, zegt Errol Morris onderweg (quasi-)vertwijfeld tegen de meester van de spionageroman, die hij, met diens instemming, een ‘verfijnde poëet van zelfhaat’ noemt en een vorm van de waarheid probeert te ontfutselen. De gedistingeerde oudere heer voor zijn camera riposteert echter in stijl: ‘Ik kan me niet voorstellen dat je bij een verhoor of interview voor een deel ook niet op zoek bent naar jezelf.’

En door… verder The Pigeon Tunnel in, een titel die is ontleend aan John le Carré’s autobiografie en meteen als metafoor fungeert voor het leven als een eindeloze gang naar die fractie van een seconde waarop je kop eraf gaat. Naar het moment nu, om precies te zijn, waarop de auteur privédetectives inhuurde om zijn eigen vader, de beroepsoplichter Ronnie Cornwell, te laten onderzoeken. De man die hem als jongetje, voorgoed, binnenleidde in een wereld van dubbelspel, dekmantels en ‘dupes’.

Met zijn kenmerkende humor, scherpzinnigheid en bravoure bouwt Morris zo een getrapte vertelling op over de schrijver die, net als de geheimagenten die hij tijdens zijn jaren bij de Britse inlichtingendiensten MI5 en MI6 leerde kennen, verslaafd is geraakt aan verraad. Cornwell/Le Carré durft Morris desondanks recht in de ogen aan te kijken als hij uiteindelijk, ook aan zichzelf, lijkt te bekennen dat hij leeft door te schrijven. Ik ben een kunstenaar, klinkt ’t bijna verontschuldigend.

Wanneer Waan Werkelijkheid Wordt

BNNVARA

‘Mijn hersens knetterden letterlijk uit mijn kop’, vertelt Jöran Moerkens. ‘Alles wat ik ooit in mijn leven had geleerd kwam in één keer ter plekke binnen.’ Pure chaos volgt. Over elkaar heen buitelende beelden, begeleid door een kakafonie aan geluid en flarden van zinnen. Gekmakend. Zo ongeveer moet het er toen in zijn hoofd aan toe zijn gegaan. De unheimische beeldsequentie komt tot een climax met een iconisch tafereel: Jöran staat met zijn armen gespreid, badend in een hemels licht. Alsof hij Jezus is. En misschien heeft hij dat, heel even, ook wel gedacht.

Samen met oud-huisgenoot Vincent kijkt de dertiger vervolgens terug op de periode waarin hij in een manie verstrikt raakt. Wanneer Waan Werkelijkheid Wordt (52 min.) dus. ‘Ik heb me nog nooit zo klein gevoeld’, herinnert Jöran zich. ‘Dat je het gevoel hebt dat je zit te praten en probeert te communiceren met mensen, maar dat niemand je meer hoort. Dat je als het ware tegen lucht aan het praten bent.’ Zijn zus Verona herinnert zich dat moment ook nog goed. ‘Vincent belde: je moet ‘m komen halen. Hij is gek geworden.’ Jöran is een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving.

Die jongen wordt zichtbaar in door hemzelf en zijn directe omgeving geschoten videobeelden: extatisch zingend, zijn haar afscherend of orerend dat hij de zin van het leven heeft ontdekt. Zo kruipt zijn psychose deze film van Mark Lindenberg en Joris Sluiter binnen. Een schrikbeeld dat nog wordt versterkt door vervreemdende animaties. Jöran voelt zich soms zo goed, dat er niets goeds meer aan is. Hij komt los te staan van alles en iedereen. Zij weten niet meer wat ze met hem aan moeten, hij voelt zich volledig onbegrepen. En daarna kan hij zomaar een diepe donkerte intuimelen.

Het leven met een bipolaire stoornis is een opgave. Voor de persoon zelf, maar ook voor zijn directe omgeving. Die moet zowel de manische als depressieve episodes zien te verduren. Jörans zus en vrienden getuigen daarvan in deze film en kunnen zich er nog altijd over verbazen wat er soms allemaal in zijn hoofd omgaat en hoe weinig hij dan meekrijgt van hun zorgen over hem. De filmmakers gebruiken een tol voor Jörans geestestoestand. Die komt langzaam op snelheid, raakt daarna helemaal over z’n toeren en komt tenslotte plotseling, soms met enige dwang, tot stilstand. 

Zelf beleeft Jöran vooralsnog weinig plezier aan dat met pillen afgevlakte leven. Hij verlangt, tot afgrijzen van zijn zus Verona, nog wel eens terug naar het zuivere geluk van de manie. Daar zit ook het ongemak van zijn indringende ervaringsverhaal: hoezeer zijn verstand hem ook vertelt dat hij er weg moet blijven, de gekte heeft zijn aantrekkingskracht nog niet volledig verloren. Gewoon is ook maar zo gewoon, lijkt iets in hem te zeggen. Zo kleurloos. De vonk lonkt, ook al weet Jöran dat er een kans is dat hij dan wordt verslonden door het vuur.

Lokaal 205

Witfilm / NTR

Tegelijkertijd zingen en acteren is, volgens de introtekst van Paul Cohens observerende film Lokaal 205 (54 min.), ‘als voetballend een wiskundesom oplossen’. Het zijn twee totaal verschillende vaardigheden die door musicalacteurs desondanks feilloos moeten worden gecombineerd. Bij de Fontys Hogeschool voor de Kunsten in Tilburg leert regisseur en oud-acteur Marc Krone studenten de fijne kneepjes van het veeleisende musicalvak. Hij is begonnen aan zijn laatste jaar als docent.

Cohen kijkt mee als Krone zijn pupillen ten overstaan van medestudenten laat zingen. Daar staan ze dan, teruggeworpen op zichzelf. Op dat veelal lege podium, slechts in de rug gedekt door een zwart gordijn. En hij kijkt, breekt in en corrigeert – ook fysiek – zodat ze het personage en liefst ook zichzelf écht leren kennen. Met het loswoelen van wat er in hen verscholen zit, stoomt Marc Krone de jonge mensen klaar voor wat het vak van hen vraagt, maar maakt hij ze, in het hier en nu, ook broos en bevattelijk.

Lokaal 205, ook wel de Marc Kronezaal gedubd, is voor menigeen al het voorportaal naar een internationale musical-carrière gebleken. Op die plek speelt tachtig procent van deze documentaire zich dan ook af. Dat is wel wat veel van het goede. Hoewel de aanstormende talenten zich op hun kwetsbaarst tonen en hun docent duidelijk in zijn element is, beginnen al die intensieve coachsessies, vervat in lange, observerende scènes, voor een buitenstaander toch al snel op elkaar te lijken.

Tussendoor blikt Krone terug op zijn eigen opleiding als acteur bij de Amerikaanse theatergoeroe Stella Adler en krijgt Floortje van den Akker, een leerling die hij voor de camera echt diep in haar eigen ziel laat kijken, de gelegenheid om te reflecteren op wat hij bij haar losmaakt en hoe haar dat als musicalster in spe verder helpt. Voor studenten zoals Floortje belichaamt Krone waarschijnlijk de ideale docent: een strenge leermeester, vakidioot, inspirator, komiek en, jawel, ouderfiguur.

Na bijna een uur performen, waarin de docent vanwege de aanhoudende #metoo-discussie in de buitenwereld ook zijn eigen positie nog eens bespreekbaar heeft gemaakt in de groep, werpen ze samen een blik op de namen van hun voorgangers, die in de Marc Kronezaal op het juiste spoor zijn geholpen en nu in de halve wereld op het toneel staan. Dat zou ook hun voorland kunnen zijn. Waar ze, ieder op z’n eigen manier, een balletje gaan trappen en intussen ook nog een wiskundesom oplossen.

Simpele Dromen

Human

Terwijl hij haar zijn levensverhaal vertelt, zet zij al haar vaardigheden in om hem te helpen. Dat is de deal. Zij is Pitou Schütz, een Nederlandse maker van special effects voor films en maker van deze korte documentaire. En hij is Jamal, een man die is gevlucht uit Soedan en het onderste deel van zijn rechterbeen mist.

Jamal is afgekomen op een oproep die Pitou deed voor wat uiteindelijk Simpele Dromen (33 min.) is geworden. Zij gaat nu een nieuwe prothese voor hem maken. De oude, die in 2005 in een ziekenhuis te Khartoum is vervaardigd, blijkt volledig versleten. Scènes waarin zij werkt aan het nieuwe onderbeen, soms ook met behulp van Jamal zelf, worden afgewisseld met het verhaal dat hij haar vertelt over zijn verleden.

Als kind werd Jamal uit zijn geliefde dorp ontvoerd, waarna hij jarenlang in een bloedige burgeroorlog is ingezet. In Darfur raakte hij in het heetst van de strijd een stuk been kwijt. Jamal zou later ook nog uit de gratie raken bij de Soedanese machthebbers en maandenlang worden gemarteld in een gevangenis. Hij zag zich uiteindelijk genoodzaakt om te vluchten en de helletocht naar Europa te maken. 

De levensgeschiedenis van de Soedanese man, die hij eerder tegen de camera dan tegen de prothesemaakster vertelt, is uitbundig geanimeerd. Zo worden zijn traumatische ervaringen van kleur, diepte en een zekere poëzie voorzien. De drie centrale elementen van deze film – ervaringsverhaal, animatie en het maken van de beenprothese – vormen stilistisch alleen niet altijd een logische eenheid.

Simpele Dromen oogt daardoor wat fragmentarisch – al blijft het proces van het weer heel (proberen te) maken van een beschadigd mens altijd tot de verbeelding spreken.

The Look Of Silence

Final Cut For Real

Nadat de Indonesische regering in 1965 werd afgezet door het leger, volgde een genadeloze klopjacht op iedereen die werd verdacht van communistische sympathieën. Binnen een jaar bracht het militaire regime ruim een miljoen burgers om het leven. Genocide, zonder twijfel. De daders van deze zuiveringen zijn echter nooit berecht.

Een kleine halve eeuw later geeft regisseur Joshua Oppenheimer deze massamoordenaars de hoofdrol in de overdadig aangeklede documentaire The Act Of Killing (2012). De bejaarde mannen kruipen nog eenmaal in de rol van hun leven, spelen enthousiast hun eigen ‘heldendaden’ na en maken daarvan een in alle opzichten weerzinwekkend schouwspel. Trots delen ze ook enkele fijne kneepjes van het vak, over het zo effectief mogelijk martelen en afslachten van ‘communisten’.

Tegelijkertijd werkt Oppenheimer aan The Look Of Silence (96 min.), een film over dezelfde kwestie, uitgebracht in 2014, met een totaal andere toonzetting. Wat doet het met een samenleving als zulke plegers van misdaden tegen de menselijkheid nooit verantwoording afleggen voor hun daden? En wat betekent dit voor hun slachtoffers en de familieleden en nabestaanden daarvan? Zij worden in hun dagelijks leven en de media nog regelmatig geconfronteerd met deze beulen en hun ideeën.

Op school krijgen Indonesische kinderen bijvoorbeeld gewoon onderwezen dat die communisten ’t helemaal aan zichzelf te danken hadden. Ze waren wreed, geloofden niet in God en maakten zich schuldig aan allerlei gruwelijkheden. ‘Daarom moest de regering ze wel onderdrukken,’ vertelt de onderwijzer. Vind je het gek, wil de man maar zeggen, dat zij en hun kinderen en kleinkinderen nog altijd niet bij de overheid mogen werken of welkom zijn bij het leger of de politie? 

Joshua Oppenheimer volgt in deze bijzonder indringende film de rondreizende optometrist Adi Rukun. Twee jaar nadat zijn broer Ramli in 1966 werd afgeslacht, kwam hijzelf als een soort troostkind ter wereld. Adi spreekt landgenoten die nog altijd dagelijks gebukt gaan onder wat hen ooit is aangedaan of waaraan ze ternauwernood, althans fysiek, zijn ontsnapt. Hij kijkt verder naar Oppenheimers beelden van de beulen en confronteert hen vervolgens met hun inktzwarte verleden.

Dit resulteert in messcherpe confrontaties. Met de 72-jarige Inong bijvoorbeeld, leider van een plaatselijk doodseskader. Hij vindt nog altijd dat je slechte mensen in stukken mag hakken en zweert bij het drinken van het bloed van zijn slachtoffers. Of met M.Y. Basrun van Komando Aksi, de eenheid die Adi’s broer vermoordde. Als Adi dit aan hem voorhoudt, reageert Basrun met een niet mis te verstane vraag: ‘Willen de families van de slachtoffers dat er weer mensen worden vermoord?’

Zodra oudjes zoals hij kritisch worden bevraagd, verliezen ze hun onschuld en wordt de oude slang, krokodil of wezel in hen zichtbaar. En een man als M.Y. Basrun is nog altijd zeer gevaarlijk. Hij bezet lokaal al een kleine halve eeuw een belangrijke politieke functie. Adi’s queeste om de waarheid boven tafel te krijgen is dus niet zonder risico. ‘Neem een vlindermes mee’, spoort zijn moeder hem aan. ‘Of een knuppel, verstopt in een krant. Als iemand je aanvalt, sla hem dan op z’n achterhoofd.’

Het is exemplarisch voor een maatschappij waarin daders niet hoeven te boeten voor hun daden. Hun slachtoffers – of beter: eenieder die waarde hecht aan zijn bestaan en/of de waarheid – stappen noodgedwongen op kousenvoeten door het leven. Want zij weten, zoals Adi ’t treffend formuleert, echt wel wie de moordenaars zijn. The Look Of Silence is daarmee onlosmakelijk verbonden met The Act Of Killing en zeurt ook op een soortgelijke manier na, als een ongenadige stomp in de maag.

Samen vormen de films – waarop Joshua Oppenheimer vooralsnog geen andere films heeft laten volgen, al is er al enige tijd sprake van een musical – een essentieel tweeluik over hoe een grimmig verleden blijft voortwoekeren, zolang het niet afdoende wordt afgesloten.