Bros: After The Screaming Stops

‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.

De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op. 

De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.

Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?

Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.

My Dead Dad’s Porno Tapes

‘Was my father’s leftover stuff the key to who he really was?’, vraagt Charlie Tyrell zich af in de overrompelende korte egodocumentaire My Dead Dad’s Porno Tapes (14 min.). Wat vertellen die nauwelijks verborgen pornovideobanden over de man met wie ik als jongen maar niet overweg kon?

De vragen die de jonge filmmaker zichzelf stelt zijn niet meer dan een startpunt voor dit virtuoos vertelde familieverhaal, waarin de zoon des huizes met privéfilmpjes, telefonische interviews met andere gezinsleden en veelvuldig gebruik van animatie en stop-motion het systeem van zijn eigen familie blootlegt.

Is zijn vader een logisch product van z’n achtergrond? En in hoeverre geldt dat voor Charlie zelf? Het zijn vragen die we onszelf allemaal wel eens stellen en die hier op een slimme, speelse en hartveroverende manier aan de orde worden gesteld. ‘Directed by Charlie Tyrell’ bovendien, vergeet dat niet.

Mijn Broer En Ik

Hij gaat op vrijdag naar de moskee, zij naar de club. Hij is getrouwd en heeft al drie kinderen, zij heeft gewoon verkering. Hij drinkt thee, zij alcohol. Hoe kan het toch dat wij zo verschillend zijn? vraagt Xena zich af in de korte egodocumentaire Mijn Broer En Ik (25 min.). Ze komen toch allebei uit hetzelfde nest?

En thuis moesten ze helemaal niets hebben van welke vorm van religie dan ook. Excuus: he-le-maal niets. De ouders van Falco en filmmaakster Xena Maria Evers ogen nog steeds allesbehalve traditioneel. Terwijl Xena hen interviewt, doet pa de afwas en werkt moeder juist in de tuin. Hun verhaal lijkt een variant op de bekende televisieserie Family Ties, over twee doorgewinterde hippies die een oerconservatieve zoon op de wereld hebben gezet.

Hun zoon, die eerst ‘gewoon’ van surfen en blowen hield, heeft zich bekeerd tot de Islam. ’Je moet elkaar helpen. De materie neem je niet mee het graf in’, zegt Falco over het moment dat hij zijn lotsbestemming vond. ‘Dus zorg dat andere mensen ook gewoon mooi kunnen leven. Dat vond ik toen destijds supermooi.’ Hij wrijft in zijn ogen. Geëmotioneerd. ‘Dat was de trigger om moslim te worden.’

Falco neemt Xena voor een dag mee zijn wereld in. Tijdens het eten mag ze echter niet bij de mannen zitten. Is er afstand tussen hen ontstaan? Hij heeft dat gevoel niet. Zij wel: Falco heeft in haar ogen afstand genomen van normen en waarden die ze deelden. Het zorgt voor de nodige frictie in deze speels vormgegeven film, die nochtans is gericht op contact en verbinding. Falco en Xena blijven tenslotte, ondanks alles, gewoon broer en zus.

The Sentence

Ooit, in de tijd van een louche, drugs dealende vriend, ging ze flink in de fout. Inmiddels heeft Cindy Shank haar leven echter helemaal op orde: een fijne echtgenoot en drie kleine dochters. Niets lijkt een bevredigend bestaan als huismoeder in de weg te staan. Totdat ineens de politie voor de deur staat…

Vanwege die jeugdzonde moet Cindy alsnog de gevangenis in.Voor vijftien jaar maar liefst, de verplichte minimumstraf in de Verenigde Staten voor een drugsvergrijp, waar geen geweld aan te pas is gekomen. Haar broer Rudy Valdez registreert met zijn cameraatje wat The Sentence (86 min.) aanricht bij Cindy en haar gezin.

Hij wil voor zijn zus vastleggen hoe haar dochters opgroeien, maar vangt intussen ook hoe het familieleven van Cindy, die noodgedwongen van de ene naar de andere gevangenis verhuist, volledig wordt ontwricht. De kleine meiden die ze verplicht achterliet, groeien in de tussentijd uit tot ontluikende pubers.

Deze aangrijpende documentaire bestrijkt meer dan tien jaar, een periode waarin Cindy zich vastklampt aan haar moederrol en toch onvermijdelijk op afstand raakt. Valdez heeft dat pijnlijke proces ruw gefilmd en gemonteerd. Authentiek en ‘in your face’ (al ligt de emotionele ontknoping er misschien nét iets te dik bovenop).

Waardoor The Sentence – zeker voor iedereen die zelf kinderen heeft – aanvoelt als een venijnige oorvijg, die nog wel even nagloeit.

Three Identical Strangers

Hij voelde zich de populairste nieuwe leerling ooit. Op de allereerste schooldag op het Sullivan Country Community College werd Bobby Shafran onthaald als een oude bekende. ‘Hee, hoe is het met jou? Hoe was je zomer?’ Andere studenten gaven hem een high five of sloegen hem enthousiast op de schouder. Er waren zelfs meisjes die hem begroetten met een gepassioneerde zoen. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent.’ Wel vreemd: iedereen noemde hem Eddy.

Bobby kon er niet over uit. Er moest sprake zijn van een persoonsverwisseling. Zijn nieuwe kamergenoot dacht er het zijne van. Toen hij vaststelde dat die okselfrisse leerling écht geen Eddy heette, had hij maar één vraag: ‘ben jij misschien geadopteerd?’ Nadat Bobby bevestigend had geantwoord en hij bovendien bleek te zijn geboren op 12 juli 1961, was er maar één conclusie mogelijk: de krullenbol had een tweelingbroer. De nieuwbakken kamergenoten snelden naar een telefooncel en besloten om de echte Eddy maar eens te bellen.

Het verhaal van de 19-jarige tweelingbroers Bobby en Eddy sprak natuurlijk tot de verbeelding. Plaatselijke media smulden ervan. Dat verhaal zou echter nóg mooier worden. Want via een artikel in The New York Post belandde het bij een derde geadopteerde 19-jarige jongen, ene David Kellman. Ook hij was geboren op 12 juli. Niet veel later was de mediagenieke drieling het snoepje van de week in de Amerikaanse media. Geen talkshow of spelprogramma, of Bobby, Eddy en David waren er te gast. Elkaars zinnen aanvullend. En in dezelfde kleding, natuurlijk.

De wonderlijke ontmoeting tussen de drie ogenschijnlijk identieke jongens in 1981 vormt het startpunt van deze gewéldige film van Tim Wardle. Want meer dan een startpunt is het ook niet, het moment waarop drie afzonderlijke levens ogenschijnlijk toevallig samenkomen. Deze documentaire is echt wat ze een ‘gift that keeps on giving’ noemen. Steeds als de film uitzoomt, wordt er een nieuwe verhaallaag zichtbaar. Alsof je via een valluik steeds dieper in de geschiedenis van Bobby, David, Eddy en hun lotgenoten dondert.

Three Identical Strangers (96 min.) is geconstrueerd als een ingenieuze real life-thriller, waarbij Wardle als een rechtgeaarde erfgenaam van Hitchcock zeer gewiekst spanning opbouwt en steeds hints geeft over wat er nog gaat komen, die na verloop van tijd allemaal op hun plek vallen. Intussen stelt hij ook wezenlijke levensvragen. Over wie we zijn en waarom we zijn wie we zijn. Het resultaat is een documentaire die je voortdurend op het puntje van je stoel houdt en intussen ook doet nadenken over het bestaan. En, als je het mij vraagt, één van de absolute hoogtepunten van het filmjaar 2018.

Protocol Van Mijn Vader

 

Een man jogt alleen door de Nederlandse polder. Hij sleept een beetje met een been, maar zijn ademhaling klinkt regelmatig en hij houdt behoorlijk tempo. Intussen horen we een telefoontje naar 112. Een vrouw zegt: ‘Mijn man wordt net wakker en hij praat heel onduidelijk. Ik kan hem niet verstaan.’ De medewerker van 112 besluit om met spoed een ambulance te sturen. Intussen gaat de joggende man steeds langzamer lopen. In slow-motion. De camera zoomt op hem in, op zijn hoofd in het bijzonder.

De openingsscène van Protocol Van Mijn Vader (53 min.) is spannend en filmisch. Daarna volgt een wat overcomplete voice-over van maakster Melliena Beckmann, die erg veel van het navolgende verhaal prijsgeeft. De hardlopende man is haar vader, die enkele jaren geleden een zogenaamde ‘wake-up stroke’, een herseninfarct tijdens zijn slaap, heeft gehad. Vader Beckman was eigenlijk ten dode opgeschreven, maar werd voor de poorten van de hel weggesleept door dokter Bonte, de dienstdoende neuroloog van het ziekenhuis.

Jan Bonte is een karakteristiek heerschap. Als Beckmann hem anderhalf jaar later volgt tijdens een dagje als freelancer in het ziekenhuis, draagt hij onder zijn openhangende witte jas een T-shirt met de tekst ‘I’m pretty confident my last words will be “well shit, that didn’t work”’ erop. Een arts kortom, die de gebaande paden durft te verlaten en zo nodig zijn eigen plan trekt. ‘No guts, no glory’, zoals hij dat zelf noemt, Maar als hij de protocollen doorbreekt, zoals in het geval van Beckmanns vader, kan hij natuurlijk ook tegenover zijn directe collega’s komen te staan.

Samen met haar familie en de rebelse arts (ander shirt: ’skilled enough to become a doctor, crazy enough to love it’) reconstrueert Melliena Beckmann de gebeurtenissen na het herseninfarct van haar vader en de gevolgen daarvan. Lukt het hem om zijn leven weer op te pakken? En hoe is dat voor zijn echtgenote? Beckmann, die haar ouders netjes met u aanspreekt, brengt het herstelproces met een combinatie van privéfilmpjes en documentairemateriaal treffend in beeld. Het eindresultaat is wel wat onevenwichtig: een ‘kleine’ egodocu, die tevens wat halfslachtig een ‘grote’ ethische kwestie probeert aan te snijden.

The Bastard

 

‘Ik moet eerlijk zijn: dat was niet zo netjes.’ Joop Hoek maakt er halfhartige aanhalingstekens bij in de lucht. Goedgeluimd vertelt hij over zijn vertrek uit Ethiopië. Na enkele jaren werken bij een suikerfabriek van HVA besloot hij om thuis in Nederland te gaan studeren. Maar, zo beloofde hij zijn plaatselijke geliefde tegen beter weten in: ik kom terug. Hij liet haar achter met hun driejarige kind.

Enkele decennia later krijgt Joops zoon Michiel in het Friese dorp Oudemirdum een telefoontje van het Rode Kruis. Of hij ooit van een halfbroer in Ethiopië heeft gehoord? De man, ene Daniel, zit in de gevangenis van Addis Abeba en wil in contact komen met zijn Nederlandse familie. Michiel reist af naar Ethiopië en heeft daar een emotionele eerste ontmoeting met zijn halfbroer. Daniel Hoek heeft nog wel een verrassing voor hem in petto: hij zit in de cel vanwege moord.

Met de kennismaking tussen de twee bloedbroeders als startpunt construeert regisseur Floris-Jan van Luyn een virtuoze vertelling over familiesystemen en hoe meerdere generaties daarin de weg kwijt kunnen raken. Daniel is ergens onderweg verdwaald tussen twee werelden, de armoedige aardse van zijn moeder, waarin hij volledig ontspoorde, en de imaginaire van zijn Europese vader, waarover hij fabuleuze fantasieën koesterde. Met papa Hoek is het alleen niet al te veel beter gesteld.

Het blijft in The Bastard (84 min.) knarsen en schuren tussen het miskende kind, dat in Afrika helemaal op drift is geraakt, en zijn achteloze vader, die zwarte mensen eigenlijk sowieso wantrouwt en vindt dat Nederlanders hun DNA moeten behouden en niet zomaar moeten ‘opmengen’. Gaandeweg, in hun parallel vertelde levensgeschiedenissen, blijken de twee totaal verschillende mannen echter meer gemeen te hebben dan wie dan ook had kunnen bedenken.

Van Luyn speelt intussen ingenieus met het op- en uitbouwen van de voornaamste karakters en de sympathie van de kijker, die steeds op het verkeerde been wordt gezet. The Bastard, winnaar van een Gouden Vlinder op het Movies That Matter-festival en genomineerd voor een Gouden Kalf, is daardoor een ronduit fascinerende film die afwisselend streelt, schuurt en ontroert en de kijker na bijna anderhalf uur, in de woorden van de broer van de bastaard, helemaal ‘flabbergasted’ achterlaat.

Zonder twijfel: één van de beste documentaires van dit jaar. Zo niet de allerbeste…

The Bastard vindt zijn oorsprong in twee journalistieke verhalen van Dick Wittenberg in NRC, Bloedbroeders uit 2007 en Een Echte Nederlander uit 2008.

Daniël Hoek schreef zelf bovendien een boek over zijn leven, De Vergeten Nederlanders.

Toen Ma Naar Mars Vertrok

Ze hebben allebei hun geboorteland achter zich gelaten, maar verder hebben moeder en dochter El-Fassi weinig met elkaar gemeen. Moeder Noha kwam ooit vanuit Marokko naar Nederland om zich bij haar man Ali te voegen. In Zeeland werd ze huisvrouw en moeder. Haar dochter Zoulikha is voor haar werk naar Hongkong vertrokken en voelt zich daar nu, zonder man of kinderen, vrijer dan ooit.

Als vader El-Fassi zijn dochter gaat opzoeken, blijft moeder gewoon thuis in Oost-Souburg. Voor hun zoon Abdelkarim is dat een prima gelegenheid om het huwelijk van zijn ouders door te lichten. In Hongkong gaan zijn vader en zus met elkaar in gesprek. Intussen bevraagt Abdelkarim zelf zijn moeder, die zich nooit helemaal thuis heeft gevoeld in Nederland. Intussen wil ze er echter niet meer weg.

Toen Ma Naar Mars Vertrok (47 min.) is de tweede egodocumentaire van Abdelkarim El-Fassi. Eerder reisde hij al met zijn vader naar het Marokkaanse Rifgebergte voor de documentaire Mijn Vader, De Expat. Papa El-Fassi is nu opnieuw veel in beeld. De camera van zijn zoon houdt van hem, zogezegd. Moeder daarentegen blijft vrijwel de gehele film anoniem. Zoals ze vast haar leven ook leidt; dienend, in de schaduw van haar man en gezin.

De vormkeuze om moeder nooit echt herkenbaar in beeld te brengen pakt goed uit. Verder voelt deze documentaire echter enigszins gekunsteld. Het camerawerk (met veel droneshots van bovenaf) is fraai, de muziek treffend en de montage gelikt, maar de gesprekjes tussen ouder en kind ogen wat opgeprikt. Je ziet aan alles dat er zorg is besteed aan de setting en cameravoering. En zodra het rode lampje van de camera’s gaat branden, doen de gesprekspartners inderdaad hun kunstje.

Van spontaniteit is slechts beperkt sprake. Daarbij wreekt zich ook een beetje dat het verhaal van Ali en Noha El-Fassi weinig echt drama bevat. Sommige gesprekjes ontstijgen het keukentafelniveau niet. Maar wellicht was dat precies de bedoeling en staan de beide echtelieden simpelweg model voor een generatie Marokkaanse stellen, die zich binnen een geheel andere cultuur opnieuw hebben moeten wortelen.

Niet Meer Zonder Jou

nietmeerzonderjouhumanhome

 

Eerst was er de theatervoorstelling Niet Meer Zonder Jou, die de Turks-Nederlandse actrice en schrijfster Nazmiye Oral en haar traditionele, diepgelovige moeder Havva samen in heel Nederland en ver daarbuiten speelden. Nu is er als bijsluiter en afsluiting deze korte documentaire van Mijke de Jong.

‘We hebben in buurthuizen gestaan en theaters, van Amsterdam tot aan New York’, vertelt Nazmiye Oral bij aanvang. ‘Mijn streng gelovige moeder stond weliswaar op het podium, maar wilde niet dat haar familie zou weten waar ze allemaal mee bezig was.’ Overal wilde ma Oral spelen, behalve in haar woonplaats Hengelo.

En dat is natuurlijk het decor van deze film: Hengelo. De flat waar het allemaal begon en waar de hele familie zich nu heeft verzameld, om precies te zijn. Moeder Oral had maar één voorwaarde: Nazmiyes broer Mehmet, die in Turkije woont, moest toestemming geven. Uiteindelijk heeft ook hij plaatsgenomen in het ouderlijk huis voor wat een verhitte voorstelling zal worden.

Niet Meer Zonder Jou (38 min.) is een soort hybride van docu en theater geworden, waarbij regisseur De Jong het (gedramatiseerde) tweegesprek tussen Nazmiye en haar moeder in de flat en een registratie van de reguliere theatervoorstelling afwisselt met de reacties die deze oproept bij de familieleden van de twee vrouwen.

 

 

Grey Gardens

 

Zeker drie keer eerder ben ik aan deze film begonnen. In lijstjes met de beste documentaires aller tijden neemt Grey Gardens (94 min.) uit 1975 meestal een prominente plek in, maar eerlijk gezegd was het mij nog nooit gelukt om hem uit te kijken. Na zo’n drie kwartier haakte ik steevast af. Verveeld, geïrriteerd en he-le-maal suf geluld.

Want kletsen konden de hoogbejaarde Edith Bouvier Beale en haar licht hysterische, inmiddels 56-jarige inwonende dochter Little Edie, zo constateerde ik opnieuw tijdens mijn meest recente kijkpoging. Rebbelen, roddelen en kibbelen. Ze raakten nooit uitgepraat. En tussen de regels door vertelden ze heel veel over zichzelf, elkaar, de high society die hen had voortgebracht en alles waar ze verder toevallig aan moesten denken.

Hoewel de vrouwen vrijwel onafgebroken praatten (of zongen, dansten en performden), ligt het verteltempo van deze documentaire van de legendarische gebroeders Albert en David Maysles (en Ellen Hovde en Muffie Meyer) erg laag. Zoals ze in de jaren zeventig sowieso in slow motion leken te leven. Aan de meeste scènes, waarvan je je afvraagt waarom ze überhaupt in de film moesten, lijkt werkelijk geen einde te komen. Ik heb ditmaal zelfs even overwogen om hem op dubbele snelheid te bekijken via YouTube. Maar zo ga je natuurlijk niet om met belangwekkende kunst.

Even wat achtergrondinformatie dan maar: moeder en dochter waren familie van de fameuze Jackie Kennedy en konden het ooit breed laten hangen, maar die dagen lagen ten tijde van de filmopnames allang achter hen. Net als het huwelijk van amateurzangeres Edith met de vader van Little Edie. Tijdens het filmen, dat een bezoeking moeten zijn geweest voor de Maysles (die steeds in allerlei gesprekken werden betrokken door de twee dames), woonden de twee Edies met een hele roedel katten in het vervallen en vervuilde landhuis Grey Gardens in North Hampton, waar ze ieder moment konden worden uitgezet.

In deze film kun je dus zowel katten als aapjes kijken, concludeerde ik met de nodige zelfvoldoening terwijl ik nogmaals een greep deed in de zak met borrelnootjes. Deze paradijsvogels mochten in elk geval uitbundig met hun veren pronken. Zoals televisieprogramma’s als Showroom, Jambers en Man Bijt Hond later met veel succes een podium zouden bieden aan alle buitenbeentjes, betweters en dorpsgekken die van zich wilden doen spreken. En dus vroeg ik me af: biedt deze klassieke (het volgende woord spreek ik met gefronste wenkbrauwen uit:) ‘documentaire’ werkelijk meer dan zulke veletisieportretjes?

Ik moet het antwoord na de zoveelste kijkbeurt – zo voelde dat soms wéér – opnieuw schuldig blijven. Ik heb de film wel uitgekeken. Uitroepteken. Of beter: uitgezeten. En inmiddels zie ik in Grey Gardens óók een intrigerende karakterstudie van een excentrieke moeder en dochter, een tragikomische ode aan levens in verval en een vergeeld portret van een verloren wereld. Maar om nu te zeggen dat ik deze keer anderhalf uur aan YouTube, waarop na de oorspronkelijke documentaire zelf voor de liefhebber ook nog allerlei extra scènes zijn te zien, gekluisterd heb gezeten…

De speelfilmversie van Grey Gardens uit 2009, met in de hoofdrollen Jessica Lange en Drew Barrymore als respectievelijk Big en Little Edie heb ik tot dusver dus schielijk gemeden. En daarin zal voorlopig ook geen verandering komen. Een mens heeft zo zijn grenzen. Maar tot mijn schrik hoorde ik onlangs dat er met ‘lost footage’ nóg een documentaire over het illustere duo Beale is gemaakt, de prequel That Summer (met cameo’s van niemand minder dan Mick Jagger, Truman Capote en Andy Warhol). Dat was even schrikken. Ga ik er straks weer aan beginnen? Moet dat? Kan ik dat eigenlijk wel?

Doof Kind

 

‘Ik heb de horende wereld niet nodig’, zegt Tobias de Ronde en voegt er, half grappend, aan toe: ‘Deaf Power!’ Via zijn broer Joachim en vader Alex, die de documentaire Doof Kind (71 min.) over hem maakte, is en blijft Tobias natuurlijk wel degelijk verbonden met de wereld van de horenden. Maar of hij er ook (nog) thuis hoort? Twintiger Tobias voelt zich inmiddels helemaal op zijn plek te midden van louter doven, bijvoorbeeld op de enige dovenuniversiteit van de wereld in Washington. ‘Het is mijn cultuur, mijn identiteit.’

Die zogenaamde dovenidentiteit is een terugkerend aspect in deze persoonlijke film van Alex de Ronde, waarmee hij zowel op het IDFA in Amsterdam als op het Belgische festival Docville de publieksprijs won. In hoeverre wordt die identiteit bedreigd door de komst van implantaten? Kinderen die nu met een gebrekkig gehoor worden geboren, krijgen direct een Cochleair Implantaat (CI). Als gevolg daarvan zou de gebarentaal, waarin Tobias floreert en die hem ook is gaan definiëren, wel eens helemaal verloren kunnen gaan. Dat gaat hem zichtbaar aan het hart.

En dan te bedenken dat het voor diezelfde Tobias en zijn familie ooit een onmogelijke keuze leek: een ‘normale’ middelbare school in Amsterdam of toch die speciale dovenschool in het verre Groningen? Hij koos uiteindelijk voor het hoge Noorden en bewees daar, ook aan zichzelf, dat doofheid niet per definitie een handicap hoeft te zijn. Soms heb je er zelfs uitgesproken voordeel van, vertelt hij op de hem kenmerkende lichtvoetige wijze. Bijvoorbeeld als je geen zin hebt om de tram te betalen. Je reist als dove overigens sowieso met korting.

Die nuchtere toon is kenmerkend voor de geboren verhalenverteller Tobias en deze ontroerende film over zijn leven. Terwijl er in de familie De Ronde toch ook voldoende drama is geweest: beestjes in mama’s borst bijvoorbeeld, ooit nog ongewild onderwerp van gesprek in de talkshow van Catherine Keyl. Vader en debuterend filmmaker Alex, in het dagelijks leven directeur van het Amsterdamse filmtheater Het Ketelhuis, kiest er echter voor om deze familietragedie niet te benadrukken en simpelweg zijn onvermijdelijke plek te geven in het leven van zijn opgroeiende zoon.

In Doof Kind versnijdt hij activiteiten van en interviews (in gebarentaal) met de inmiddels volwassen Tobias, zoals een nieuwe liefde en de daarmee gepaard gaande toekomstplannen, met oude familiefilmpjes, waarmee de weg naar zijn huidige, ogenschijnlijk tamelijk zorgenvrije bestaan in beeld wordt gebracht. Intussen komen actuele dilemma’s voor Tobias aan bod. Of hij bijvoorbeeld zelf een doof of horend kind wil? Het officiële antwoord is dat het niet uitmaakt, stelt hij onomwonden. Maar: ‘een olifant wil toch ook niet liever een tijgerwelpje?’

Stories We Tell

 

‘Elke familie heeft een verhaal’, stelt de ondertitel van deze overrompelende egodocumentaire van Sarah Polley uit 2012, die donderdag wordt herhaald op NPO2. Je zou die zin ook kunnen parafraseren: elke familie wórdt een verhaal – en zou dus het decor kunnen vormen voor een zeer persoonlijke film zoals Stories We Tell (108 min.).

Die verhalen kunnen de waarheid natuurlijk ook in de weg zitten. Want corresponderen de verhalen die we over onszelf vertellen werkelijk met het leven zoals we dat leven of hebben geleefd? Of overwoekert onze behoefte om de protagonist te worden in onze eigen vertelling, met een kop en (liefst een bevredigende) staart, de ware gebeurtenissen? En in hoeverre worden we eigenlijk voor de gek gehouden door ons geheugen?

In de aangrijpende speelfilm My Life Without Me vertolkte Sarah Polley ooit de rol van een zieke moeder die in het geheim scenario’s voor haar man en kinderen schrijft, voor een toekomst waarvan ze zelf geen deel meer zal uitmaken. In Stories We Tell gaat ze op zoek naar haar eigen moeder. Diane Polley overleed toen dochter Sarah elf was en liet haar gezin vooral achter met mogelijke scenario’s voor het verleden: wie was bijvoorbeeld Sarahs biologische vader? En (hoe) kun je vooruit als die vraag nog niet is beantwoord?

De regisseuse laat daarbij ostentatief zien hoe ze haar eigen verhaal stuurt. Ze instrueert de man die ze jarenlang als haar vader beschouwde, acteur Michael Polley, bij het inspreken van voice-overs, demonstreert hoe ook interviews uiteindelijk geënsceneerde situaties zijn waarover alleen zij als maakster controle heeft en fabriceert zelfs authentiek ogende familiefilmpjes die ze versnijdt met originele video’s van het gezin Polley. Stories We Tell is haar verhaal, wil ze maar zeggen. Haar waarheid.

En een verhaal vertellen kan ze, deze Canadese filmmaakster. Ze lardeert haar persoonlijke zoektocht met kleine valkuilen, milde humor en verraderlijke cliffhangers en werkt uiteindelijk toe naar een bijzonder bevredigend einde. Stories We Tell is, kortom, het werk van een geboren verhalenverteller, die ook nog eens verdacht dicht bij de – nee, laten we zeggen: een – waarheid lijkt te komen.

Dear Zachary: A Letter To A Son About His Father


Een klein monumentje moest het worden, deze film. Voor een overleden vriend. Vermoord, om precies te zijn. In een park in Pennsylvania. Dokter in opleiding Andrew Bagby. 6 November 2001. Vijf kogels en een klap op het achterhoofd. Verdachte: zijn veel oudere ex-vriendin Shirley. Een ‘psychotic bitch’, volgens diverse betrokkenen.

Andrews vriend Kurt Kuenne was net bezig met filmen en interviewen. Had zijn ouders Kate en David al gesproken. Andrews voormalige verloofde. En een enorme stoet familieleden, vrienden, kennissen en studiegenoten. Toen bleek Shirley (tweemaal gescheiden, drie kinderen) enkele maanden zwanger. Van dezelfde Andrew, die ze met voorbedachte rade zou hebben vermoord.

Toen Kuenne dat hoorde, had hij geen keuze meer: zijn film voor familie en vrienden zou worden opgedragen aan Andrews kind. Zachary Andrew Turner, geboren op 18 juli 2002. Zeven maanden na de dood van zijn vader. Ook rond het kleine jongetje zou zich een groot drama afspelen. De persoonlijke tributevideo veranderde in een intrigerende documentaire: Dear Zachary: A Letter To A Son About His Father (91 min.).

Een film als een trits omvallende dominostenen. Geen idee waar het stopt of heengaat. Ruw gefilmd, snel gemonteerd. En zo gewiekst opgebouwd dat het bijna onkies wordt. Waarbij het persoonlijke perspectief van de maker, de voice-overs aan het adres van Andrews zoon Zachary, zorgt voor een enorme zeggingskracht. En een aangrijpende film die de kring van Andrew Bagby inderdaad volledig ontstijgt en na het ondergaan nog wel even nazindert.

De reportage The Legacy Of Dear Zachary: A Journey To Change Law (15 min.) kan worden beschouwd als een nabrander voor Dear Zachary. Een making of, die ook de nasleep van de film in beeld brengt. Na de documentaire zelf te bekijken dus.

Lief En Leed Op Parc Beaugarde

 

De liefde heeft Hans Pool ooit naar Culemborg gebracht. Als zijn huwelijk vijftien jaar later stuk loopt, besluit de filmmaker, die even zonder woning zit, een zomer door te brengen op een recreatiepark in de directe omgeving. Daar treft hij diverse andere mannen en vrouwen aan, die na een echtscheiding de draad weer proberen op te pakken.

Die zomer heeft geresulteerd in de televisiedocumentaire Lief En Leed Op Parc Beaugarde (55 min.), waarin Pool, die zijn eigen beslommeringen verder achterwege laat, rustig en genuanceerd vijf (tijdelijke) bewoners van het recreatiepark portretteert. Camping Tranendal, noemt een van de betrokkenen het fraai gelegen park, waar ook gewone vakantiegangers en Oost-Europese gastarbeiders verblijven. Gekscherend, maar beslist ook met een kern van waarheid.

Stratenmaker Arie, nog niet zo lang geleden door zijn vrouw aan de kant gezet voor een nieuwe liefde, arriveerde bijvoorbeeld met zo’n beetje alleen een televisie in Parc Beaugarde en heeft nog altijd geen cent te makken. In korte tijd heeft hij wel een soort pseudo-familie gevonden op het park. Jan woont daarentegen al zo’n dertien jaar alleen in een van de chalets. Sinds zijn huwelijk op de klippen is gelopen, houdt hij ’t bij zijn hond en vishengel. Hij blijft in elk geval, zo zegt hij ferm, uit de buurt van vrouwen.

Parc Beaugarde is een soort eiland voor afgewezenen, constateert de Oekraïense vrouw Olga, die met haar man en drie kinderen ook op het park bivakkeert en daar – hoe symbolisch – bruidsjurken naait. Zij beziet de, veelal mannelijke, populatie van de chalets van enige afstand en voorziet hun lief en leed van nuchter commentaar. Olga ziet ook hoe Peter, een oudere bewoner die na twee gestrande huwelijken in het recreatiepark terecht is gekomen, via een datingsite een nieuwe liefde heeft gevonden.

En dan is er nog de arts Saskia, die na een ingrijpende gebeurtenis besloot dat het helemaal anders moest met haar leven. Ze heeft onlangs een chalet betrokken, dat ze voorlopig met haar toekomstige ex-man gaat delen. Allebei zorgen ze daarnaast enkele dagen per week thuis voor de kinderen. Is dit werkelijk de stap die zij nu wil zetten? En wat betekent dat dan voor hem?

Met compassie belicht Hans Pool in Lief En Leed in Parc Beagarde een wereld, waarin de aloude belofte ‘tot de dood ons scheidt’ zijn oorspronkelijke waarde heeft verloren en mensen, vaak zonder dat ze het wilden of zagen aankomen, halverwege hun leven ineens de koers moeten verleggen. Ieder gaat die uitdaging op zijn eigen manier aan.

André Hazes: Zij Gelooft In Mij

 

Bijna vijftien jaar na zijn dood kunnen we de balans opmaken van wat André Hazes heeft nagelaten. Zijn kinderen Dré en Roxanne (in deze documentaire te zien als de kinderversie van zichzelf) zijn op eigen kracht beroemdheden geworden, laatste vrouw Rachel werd een vaste gast in ‘de bladen’ en hij geldt nog altijd, onbetwist, als Neerlands grootste levensliedzanger.

De documentaire André Hazes: Zij Gelooft In Mij (91 min.) van John Appel heeft daarin een niet te onderschatten rol gespeeld. Tot die tijd hadden we Hazes nog kunnen verslijten voor een René Froger of een Lee Towers, inwisselbare Nederlandse varianten op internationale sterren als Frank Sinatra en Engelbert Humperdinck. Misschien is het zo simpel als André het zelf altijd formuleerde: hij had écht de blues (al klinkt die in zijn geval dan als een smartlap).

Die muziek kegelt alles en iedereen omver in deze film uit 1999, de eerste Nederlandse documentaire in lange tijd die het echt goed deed in de bioscoop. Omdat het soms lijkt alsof Hazes echt alleen voor jou zingt, terwijl je weet dat hij het in werkelijkheid tegen Rachel, of zijn overleden moeder, heeft. ‘Dan zeggen ze: alles wat ie zingt komt recht uit zijn hart’, zei Theo Maassen daarover gekscherend in zijn voorstelling Bepaalde Dingen. ‘Dan zeg ik: er snel uithalen, dat ding!’

Zij Gelooft In Mij legt overtuigend het verband tussen de muziek en het leven van Hazes, een man die misschien groots en meeslepend wilde leven, maar in het dagelijks bestaan vooral met zijn ziel onder zijn arm rondliep (of beter: zat, met altijd een sigaret en blik bier bij de hand). Die Hazes, die gewoon domweg gelukkig wil zijn, maar al twee huwelijken naar de Filistijnen heeft geholpen en druk doende is met nummer drie, domineert deze film die de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan.

Met de jaren is bovendien de knipoog verdwenen waarmee Ons Soort Mensen het fenomeen Hazes, en zijn glorieus bebrilde schoonmoeder, altijd bezag en resteert slechts een aangrijpend portret van een man die op het podium boven zichzelf uitstijgt. Als het doek is gevallen, blijkt hij echter gewoon weer dat jongetje uit een slecht huwelijk (waarvan vader zich gedurig een stuk in de kraag zoop), dat even op het slechte pad belandde (zoals is vervat in het boek De Jongens Van De Corridor) en vervolgens Zijn Stem vond (zoals bijvoorbeeld is te horen in het titelnummer van deze film, dat naderhand een echte evergreen werd).

In de documentaire Magie Van De Montage onderzoekt John Appel het werk van Nederlandse editors als Menno Boerema, Ot Louw en Gys Zevenbergen. Samen met hen praat hij over de do’s en don’t van montage en bekijken ze scènes uit succesvolle Nederlandse documentaires als Het Nieuwe Rijksmuseum, Ne Me Quitte Pas en Janine.

Ook enkele omstreden scènes uit de Hazes-docu komen daarbij aan bod, zoals de camera die blijft lopen nadat de geëmotioneerde zanger expliciet heeft gevraagd om daarmee te stoppen en de nagespeelde aankoop van een nieuwe auto voor Rachel, waarmee een echtelijke ruzie lijkt te worden bijgelegd. 

Jolene

 

‘Alles wat je kan bedenken heb ie kapot geslagen’, zegt Jolene Niedick in de openingsscène van deze documentaire over haar leven. Ze staat bij haar auto die he-le-maal in elkaar is getrimd door haar ex-vriend. Hij heeft in de afgelopen drie maanden ook haar voordeur, wasmachine en eetkamertafel onder handen genomen. ‘Voor de rest gaat het wel prima’, constateert ze niettemin monter in plat-Amsterdams. Waarna een lekker accordeonmuziekje inzet en die film kan beginnen.

Ze oogt als een vrouwelijke hooligan: uitdagende kop, trainingspak en opzichtige tatoeages. En dat beeld klopt ook: samen met die agressieve ex maakt ze deel uit van de harde kern van Ajax, de F-side. Daarnaast is Jolene (55 min.) barvrouw in een stripclub en als dertiger ook al moeder van twee tieners. Toen ze zelf werd geboren, was haar eigen moeder net afgekickt. Papa heeft ze nooit gekend. Ze had ooit wel een stiefvader: de voormalige junk, ervaringsdeskundige en gevallen tv-coach Keith Bakker.

Maar ook hij heeft haar in de steek gelaten. Zegt ze. Natúúrlijk. Voor Jolene is het leven één groot gevecht. Met de grote boze buitenwereld, destructieve mannen én zichzelf. Want in de mateloze stuiterbal met die kom-maar-op! blik in de ogen en een uitdagende skelettattoo op haar rechterhand zit – natuurlijk – een kwetsbare vrouw verstopt. Die het bovendien in haar hoofd heeft gehaald om te starten met een studie Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool Amsterdam.

Gedurende drie jaar volgt fotografe Elza Jo van Reenen Jolene voor wat haar allereerste documentaire zal worden. Van Reenens camerawerk blijft ruw, zit kort op de bal en is kordaat gemonteerd, maar dat past precies bij het rauwe karakter van haar bijzonder streetwise hoofdpersonage. Gaandeweg breekt ze bovendien door het schild van de vrouwelijke mannetjesputter en vindt ze het meisje dat de krijger Jolene al die jaren verborgen heeft gehouden. Tegen die tijd is ook de kijker allang ontwapend door deze messcherpe en uiteindelijk ook ontroerende film.

Ook Maria, als baby geadopteerd vanuit Brazilië, leeft snel en op het scherpst van de snede. Met drugs, foute vriendjes en alle bijbehorende bonje. Intussen blijft ze naarstig op zoek naar de liefde. Fotograaf Martijn van de Griendtvolgde de onstuimige druktemaker met de Brabantse tongval jarenlang met zijn camera. Het meeslepende resultaat, Maria, I Need Your Lovin’, werd vorig jaar uitgezonden door de NPO en kan worden beschouwd als een soort zusterdocumentaire van Jolene.

A Family Quartet

 

Het is een doodgewoon familietafereel, de scène waarmee de documentaire A Family Quartet (71 min.) opent. Een kleuter is op de stoel bij de piano geklommen en speelt kinderliedjes. Drie Kleine Kleutertjes natuurlijk. Gevolgd door Jan Huigen In De Ton. Niets wijst erop dat dit kleine meisje zal uitgroeien tot Neerlands meest getalenteerde violiste.

Datzelfde meisje, een ontluikende tiener inmiddels, staat er even later, op het podium van een concertzaal in Oostenrijk, wat verweesd bij als de volwassen orkestleden om haar heen in een vreemde taal met elkaar overleggen. Totdat Noa Wildschut haar viool ter hand neemt, in een fractie van een seconde helemaal één wordt met het instrument en de absolute hoofdrol claimt.

‘Uw dochter is twaalf jaar oud en een beroemd violiste. Denkt u dat ze een wonderkind is?’ wil een interviewster vervolgens weten van moeder en vioolpedagoge Liora Ish-Hurwitz. ‘Dat weet ik niet. Wat is een wonderkind?’, houdt de vrouw, die haar dochters prille loopbaan samen met Noas vader Arjan Wildschut (altviolist) stevig bij de hand neemt, de boot een beetje af. ‘Ze oefent ook heel veel. Als ze dat niet doet, komt het wonder niet.’

Toch is dat maar een deel van de waarheid. Want er was nóg een meisje dat veel oefende om haar droom waar te maken: Noa’s oudere zus Avigal. Onder de bezielende leiding van hun moeder leken de zusjes Wildschut, zo is te zien in talloze familiefilmpjes van het tweetal, op weg naar een glansrijke carrière als musicus. Avigal heeft onderweg echter een andere afslag genomen.

Hoe dat precies ging en waarom dat zo is kun je als kijker wel bedenken, maar blijft in deze direct cinema-film, zonder voice-over of interviews, onbenoemd. Regisseur Simonka de Jong laat sowieso veel onuitgesproken. Ze geeft Avigals activiteiten thuis wel opmerkelijk veel ruimte in een documentaire die over Noa lijkt te gaan. Terwijl haar jongere zusje, in haar eentje, de wereld verovert op viool, leeft Avigal het leven van een normale puber.

Of ze afgunstig is op Noa of soms gewoon moe van alle aandacht die haar gelauwerde zus, ook binnen het gezin Wildschut, ten deel valt? De Jong geeft haar kijkers geen pasklare antwoorden, maar nodigt hen wel uit om tussen de regels door te lezen. Gedurende enkele jaren volgt ze het bevlogen ‘familiekwartet’ en documenteert zo wat er gebeurt met de familie van een ‘wonderkind’.

De Vijfde Bruid

de vijfde

 

In een ander leven had ze misschien barones in ‘Het Land Van Ooit’ kunnen worden. In dit leven werd Petra Timmermans vrouw nummer vijf van kunstenaar Anton Heyboer (1924-2005). Ze oogt als een volledig losgeslagen freule, die niet had misstaan in het inmiddels opgedoekte attractiepark: overdadig aangebrachte make-up, ravissante kleding in de felste kleuren en een enorme hoeveelheid opzichtige sieraden.

Rogier Timmermans heeft zijn tante vijftien jaar niet gezien als hij haar in 2001 opzoekt. Ze woont in een huisje tegenover de woning waar kluizenaar Heyboer met zijn vier andere vrouwen leeft en houdt zich daar onledig met de verkoop van zijn kunst. Ze weet nog precies wanneer het begon, vertelt ze trots tegen haar neef: 3 juni 1982. De dag waarop Petra haar lotsbestemming vond: ene Anton Heyboer.

Die ontboezeming vormt het startpunt van De Vijfde Bruid (68 min.), een fascinerende film uit 2007 waarin Timmermans, aan de hand van het levensverhaal van z’n tante, de geschiedenis van zijn eigen getroebleerde familie ontrafelt. Zijn oma speelt daarin een sleutelrol. Haar dochter Petra blijkt uiteindelijk niet meer dan ‘een inruilwagen’ voor Heyboer, die haar leven op geheel eigen wijze structuur heeft gegeven. Zíjn structuur.

De almachtige man die met strakke hand de lijnen uitzet (en intussen alom wordt aanbeden door zijn eigen harem). Waar hebben we die vaker gezien? Binnen zijn eigen kleine context beschikt Anton Heyboer, die in deze slim opgebouwde documentaire soms overkomt als een raaskallende ouwe zonderling, blijkbaar over een enorme aantrekkingskracht. Hij maakt het leven, in elk geval dat van Petra, klein en overzichtelijk en geeft het tegelijkertijd op een tamelijk verwrongen manier ook weer zin.

The Other F Word

 

Met dat ene F-woord hadden ze nooit al te veel moeite. Fuck the world. The Police. Of gewoon: You! Arrogante smoel opzetten, middelvinger erbij en klaar was kees. Dat andere F-woord kost de ouder wordende punkers in deze kostelijke documentaire aanmerkelijk meer kruim: father.

The Other F Word (99 min.) uit 2011 is een film die de groeipijnen in beeld brengt van eeuwige pubers, die ondanks zichzelf hebben gekozen voor het vaderschap. ‘You can do any fucked up thing you want to and say “I’m punk”’, zegt Fat Mike, de zanger van de Amerikaanse pretpunkband NOFX, over zijn jonge jaren. Nu maakt hij ‘s ochtends – in een badjas met zebraprint, dat wel – een ontbijt voor zijn dochtertje. Hij moet haar nog wel een keer uitleggen wat die twee SM-meesteressen op zijn linkerbovenarm betekenen.

Hoe zijn we van rebelleren tegen onze eigen ouders in Godsnaam zelf in de ouderrol terecht gekomen? vraagt Pennywise-zanger Jim Lindberg, de hoofdpersoon van deze film van Andrea Blaugrund Nevins, zich in een contemplatieve bui af. Na twintig jaar trouwe dienst overweegt hij om de band, en het bijbehorende bestaan ‘on the road’, te verlaten ten faveure van zijn gezin en een reguliere baan. Daarmee moet hij tevens afstand nemen van de gemeenschap waarin hij als misfit opgroeide en zijn oude strijdmakkers in de steek laten. Met een eventueel vertrek draait Lindberg ook hun punkrockdroom de nek om, zo realiseert hij zich.

Binnen de punkscene is het lastig volwassen worden, ook omdat een groot deel van de mensen om je heen dat ten enenmale weigert én omdat dit natuurlijk ook niet past bij het imago van een obstinate punker. Treffend is in dat verband een scène met Red Hot Chili Peppers-bassist Flea en zijn tienerdochter. Nadat ze samen een stukje op de piano hebben gespeeld, is het vader die zijn middelvinger meent te moeten opsteken naar de camera. Zijn dochter staat er, licht gegeneerd, bij te lachen. Hoe kun je je tegen zo’n ouder afzetten?

Als de relatie ouder-kind, en de rolverwarring die daarmee gepaard kan gaan bij deze mannen, ter sprake wordt gebracht, komt The Other F Word tot de kern: veel van de geportretteerde punkers onderhouden nog altijd een bijzondere moeizame relatie met hun eigen ouders. De boosheid daarover moest – en kwam – eruit via furieuze muziek. Als ze nu worden bevraagd over hun getroebleerde jeugd blijken onverwoestbare iconen als Flea, Rancid-brulboei Lars Frederiksen en Art Alexakis (Everclear) ineens heel kwetsbare jongetjes. Met felkleurd haar, ‘fuck authority’ T-shirts en een overdaad aan tatoeages, dat wel.

Over dat andere F-woord, Fuck, werd in 2005 trouwens ook al een documentaire gemaakt. Op het web is echter nauwelijks meer iets te vinden over het (als ik ’t me goed herinner) vermakelijke F*ck.

Capturing The Friedmans

 

De man die altijd gewoon je vader was – en als scheikundeleraar bovendien een gewaardeerd lid van de lokale gemeenschap – blijkt ineens een pedoseksueel te zijn. Tijdens bijlessen thuis heeft hij zich bovendien vergrepen aan buurtkinderen. En, als klap op de vuurpijl, zou je broer Jesse hem daarbij terzijde hebben gestaan. Nee, het leven lacht David Friedman en zijn familie bepaald niet toe.

Regisseur Andrew Jarecki kwam het ongemakkelijke verhaal van Capturing The Friedmans (107 min.) op het spoor toen hij een portret wilde maken van de clown Silly Billy (alias David). Achter de clown bleek – heel clichématig, zou je bijna zeggen – een tragische figuur schuil te gaan, die gebukt ging onder een schokkende familiegeschiedenis met zijn vader en broer (waarin ook moeder Elaine een prominente rol speelt).

Deze openingsfilm van het IDFA in 2003 is geen documentaire met gemakkelijke antwoorden. Jarecki laat de meningen, visies en herinneringen van familieleden, vrienden, slachtoffers, politieagenten en deskundigen over wat er nu precies is gebeurd met elkaar botsen. Hoewel hij zijn eigen standpunt duidelijk laat doorschemeren – de regisseur participeerde later in pogingen om de zaak heropend te krijgen – blijft er tegelijkertijd voldoende ruimte voor twijfel.

Zoals de verhalen over seksueel misbruik, zo blijkt opnieuw in de huidige #MeToo-kwesties, vrijwel altijd worden omgeven met vragen. De feitelijke basis onder eventuele aanklachten is vaak flinterdun. En dan komt het neer op getuigenverklaringen en herinneringen. Waarbij niets zo onbetrouwbaar blijkt als onze waarneming, wat enkele jaren later in Nederland nog eens werd bevestigd bij de geruchtmakende Eper incestzaak. En in hoeverre laten die familiefilmpjes van vader Arnold eigenlijk de werkelijkheid zien?

Capturing The Friedmans keert een ingewikkelde zedenzaak helemaal binnenstebuiten en belandt daarbij in de donkerste hoekjes van een getroebleerd gezin, waarvan de kinderen opmerkelijk genoeg nog altijd meer sympathie lijken te hebben voor hun vader dan voor hun emotioneel afwezige moeder. Zo wordt pijnlijk duidelijk dat geen enkel familielid, onschuldig of niet, ongeschonden uit de strijd komt in deze klassieke documentaire.