Ze ogen, denken en gedragen zich als typische jongens. Jongens met petjes, rapmuziek en schietgames. Jongens Zonder Thuis (66 min.), dat ook. Ze zijn tijdelijk ondergebracht bij het kleinschalige woonproject Wonen Met Kansen. Daar worden de Nederlandse tieners, die vaak al een lange weg door de instellingen achter de rug hebben en niet binnen de reguliere jeugdzorg passen, begeleid richting een zelfstandig bestaan.
Maria Mok en Meral Uslu observeren enkele jongeren tijdens hun dagelijkse bezigheden, kijken mee bij wekelijkse therapiesessies en zien hoe ze soms ook persoonlijke begeleiding krijgen. De filmmakers laten de jongens tevens uitgebreid aan het woord over enkele thema’s die hun jonge levens domineren: thuis, vriendschap, zelfbeeld, moeder, angst, (afwezige) vader, toekomst, eenzaamheid en suïcide.
Zo ontrafelen ze levens die vaak al vroeg zijn ontregeld. Bij ouders die niet voor hen konden of wilden zorgen – door psychische problemen, epilepsie of MS bijvoorbeeld. Waarna zij uit huis werden geplaatst. ‘Mijn moeder gaat vrijdag hemelen, die is er vrijdag niet meer’, vertelt Tygo bijvoorbeeld opmerkelijk nuchter. Zijn moeder, die al enige tijd kanker heeft, krijgt dan euthanasie. ‘Ja, ze wil dat ik die spuit erin douw.’
Hij zegt het met de nodige bravoure. ‘Geen vader, geen moeder. Dan is je leven een beetje aan het ophouden, hè? Iedereen gaat dood.’ Het is een tragische conclusie die voor geen mens is te bevatten – en al helemaal niet voor een ontwortelde tiener. De begeleiders proberen Tygo zo goed mogelijk te ondersteunen, want zijn huisgenoten geven nauwelijks sjoege. Die worden te zeer opgeslokt door hun eigen zaken.
Één van die jongens fantaseert zelf over euthanasie. Hij hoopt nog op een andere oplossing, zegt hij, ‘maar waarschijnlijk geen alternatief hebbende in deze ziekte moet ik, denk ik, voor mezelf concluderen dat ik wacht op de dood.’ Later, als hij wordt gevraagd naar het thema eenzaamheid, pakt hij er een liedje van Ramses Shaffy bij, dat hij kent via zijn oma. ‘Sammy, loop niet zo gebogen, denk je dat ze je niet mogen?…’
Ook in deze docu kiezen Mok en Uslu (Longstay, De Verdediging Van Robert M. en De Blauwe Familie) intussen weer voor een zeer basale vlieg op de muur-benadering, waarbij de verwikkelingen van hun protagonisten zonder opsmuk worden gepresenteerd. De jongens, hun (levens)verhalen en de dingen die zij ondernemen of meemaken moeten het doen. Zonder dat dit verder wordt ingekaderd of opgeleukt.
Als allerlei ‘Lifestylers’, Amerikaanse hippies zonder verslavingsproblematiek, zich in de loop van de jaren zestig aansluiten bij Synanon, groeit het afkickcentrum in Californië al snel uit zijn voegen en ontstaat een gemeenschap die toch wel verdacht veel op een sekte begint te lijken.
Toen Charles ‘Chuck’ Dederich eind jaren vijftig het intramurale programma voor verslaafden in Santa Monica creëerde, had niemand kunnen bevroeden dat hij daarbij zou uitgroeien tot de goeroe en dictator. Dederich was simpelweg een voormalige probleemdrinker die al twee huwelijken en een carrière als vertegenwoordiger kapot had gezopen en die nu andere verslaafden een plek wilde bieden om af te kicken. En dat werkte vaak wonderwel. De voormalige junks durfden alleen de wijde wereld niet meer in, bang dat ze opnieuw ten prooi zouden vallen aan alle verleidingen.
Zo is een hechte gemeenschap ontstaan, met Dederich, op het eerste gezicht bepaald geen charismatische leider, als voornaamste aanjager en geheel eigen codes en gebruiken. Binnen de groep zweren ze bijvoorbeeld bij The Synanon Game, gesprekssessies waarbij deelnemers elkaar ongezouten de waarheid zeggen. Voor buitenstaanders oogt dit, op de zwart-witte beelden die ervan bewaard zijn gebleven, simpelweg als ordinair bekvechten, maar voor de participanten schijnt het een heilzaam effect te hebben – en er gaat dus blijkbaar ook een aanzuigende werking van uit.
Met Dederichs dochter Jady en allerlei oud-leden waden Rory Kennedy en Mark Bailey in The Synanon Fix (237 min.) door de roerige geschiedenis van de beweging, die gaandeweg helemaal ontspoort. Chuck Dederich ontwikkelt zich tot een totaal onvoorspelbare leider die, heel voorspelbaar, steeds verder over ieders grenzen heen gaat. Wat begint met het relatief onschuldige bevel dat iedereen zich moet kaalscheren, mondt uit in verplichte vasectomie, afgedwongen abortussen en het collectief beëindigen van relaties. Waarna elk lid met een ander verder moet.
De oorspronkelijke uitgangspunten van Synanon – geen drank en drugs en geen geweld – zijn dan allang losgelaten. De zelfhulpgroep is verworden tot een typische sekte, met alle bijbehorende uitwassen. Dit is een erg herkenbaar, bijna voorspelbaar proces, al talloze malen eerder in beeld gebracht en soms ook meeslepender, dat ook weer het hart van deze vierdelige serie vormt. Die krijgt na een wat langdradig middenstuk in de laatste aflevering weer meer vaart en urgentie als Synanon zich ook naar buiten toe steeds vijandiger begint op te stellen en een gevaar voor de samenleving dreigt te worden.
Chuck Dederich oogt tijdens deze ontwikkeling, die met veel archiefbeelden en audio-opnamen levendig wordt opgeroepen, eerder als een tragische figuur, een raaskallende dronkenlap, dan als de klassieke kwaadaardige sekteleider. Hij, en de mensen aan zijn zijde, richten niettemin heel wat schade aan – al heeft menig oud-groepslid nog altijd heimwee naar de belofte die Synanon ooit in zich leek te bergen. ‘Synanon redde mijn leven’, vat Mike Gimbel, die met Dederichs hulp een heroïneverslaving overwon, dat gevoel aan het eind kernachtig samen. ‘Maar verneukte het tegelijkertijd ook.’
Eens in de zoveel tijd steekt het idee weer de kop op: de jeugd van tegenwoordig deugt nergens voor en moet dus collectief naar een heropvoedingskamp worden gestuurd.
Sommige ouders voegen de daad bij het woord. Nadine, volgens eigen zeggen het opstandige zwarte schaap van haar familie, was vijftien jaar oud toen ze in 1989 ’s ochtends vroeg van haar bed werd gelicht. ‘Als ik probeerde te vluchten’, herinnert de Amerikaanse vrouw zich, ‘zouden ze me in de boeien slaan.’ In het donker werd ze naar het vliegveld gebracht en met een privévliegtuig naar de woestijn van Utah vervoerd. Daar kreeg de tiener een briefje in haar handen gedrukt: ‘Beste Nadine, dit is voor je eigen bestwil. We houden van je. Papa & mama’.
Ze is terechtgekomen bij de Challenger Foundation, het geesteskind van Steve Cartisano, een voormalige sergeant bij de Amerikaanse luchtmacht. En dan kan iedereen wel bedenken hoe ’t er tijdens dat ‘wildernistherapiekamp’ aan toegaat: discipline, tucht en héél veel psychologie van de koude grond. Een beetje angst kan geen kwaad, meent voormalig field director Lance ‘Horsehair’ Jaggar in Hell Camp: Teen Nightmare (90 min.). Hij is absoluut tegen mishandeling, maar zegt ook: een goed pak slaag kan soms wonderen doen.
Deze documentaire van Liza Williams had een kritische reflectie kunnen worden op zulke heropvoedingskampen voor probleemjongeren, die met name in de Verenigde Staten nog altijd zeer populair zijn. Het is een industrie waarin behoorlijk wat geld omgaat. En het blijft natuurlijk de vraag wat het totaal afbreken van tieners, om ze vervolgens weer helemaal opnieuw op te bouwen, uiteindelijk doet met jongeren. Dat is echter niet de insteek van deze film, die liever het fenomeen Steve Cartisano en de misstanden bij zijn kampen belicht.
’s Mans carrière verloopt al net zo rommelig als deze weerslag daarvan. Als bij één van zijn kampen een zestienjarige deelneemster overlijdt, gaat het al snel bergafwaarts met Steve en zijn lucratieve onderneming. Hij zoekt zijn heil noodgedwongen in het buitenland. In exotische oorden probeert hij ontspoorde jongeren van gefortuneerde ouders weer op het juiste spoor te krijgen. In plaats daarvan belandt Steve Cartisano echter zelf steeds nadrukkelijker in de problemen. En hij trekt de aan hem toevertrouwde tieners met zich mee, inclusief twee van zijn eigen kinderen.
Hell Camp – de goedkope titel en het effectbejag in de openingsscène deden ’t al een beetje vermoeden – belandt ondertussen op steeds schimmiger terrein en verkiest consequent spanning en sensatie – met een pijnlijke beschuldiging aan het adres van Cartisano, als nauwelijks meer te verifiëren uitsmijter – boven het serieus doorlichten van heropvoedingskampen: wat is het effect op de lange termijn van zo’n kamp? En heeft de jeugd van tegenwoordig baat bij zo’n strikte, wat meer militair ingestoken aanpak of wordt er vooral schade aangericht?
Levi leidt zijn paard over een balk. ‘Gelukt’, zegt hij. ‘Wat maakt dat het lukte?’, vraagt een vrouwenstem buiten beeld. ‘Eh, dat de aanloop gewoon wat groter is’, antwoordt de jongen. ‘Dus dat helpt Astrid?’ kaatst zijn begeleider terug. ‘Waarbij?’ ‘Om eroverheen te komen.’ ‘En zijn er dan dingen waar jij overheen wil komen?’ stelt zij een vervolgvraag. ‘Eh, hoe bedoelt u?’ riposteert hij weer. ‘Nou, ik kan me voorstellen dat je over een poosje misschien wel weer naar school wilt.’ ‘Oh, ja.’ ‘En wat heb je daarvoor nodig, denk je?’ vraagt zij onverstoorbaar door. ‘Uitleg.’ ‘Uitleg?’ herhaalt ze. ‘Wat nog meer?’ ‘Geen idee.’
Het is alsof de twee, een jongere met zijn eigen issues en diens persoonlijke begeleider, verwikkeld zijn geraakt in een steekspel. Zij vuurt voortdurend vragen op hem af, hij ontwijkt ze of wimpelt ze simpelweg af. Intussen moet hij zich verhouden tot het paard aan zijn zijde, dat direct reageert op alles wat hij doet. ‘Hoe gaat het met jou van binnen?’ vraagt zij nog. ‘Goed’, antwoordt hij beleefd. ‘En met u?’
Met close gedraaide scènes probeert Eva Sjerps in deze korte observerende documentaire de directe interactie tussen mens en paard voelbaar te maken. Want voelen daar draait ’t om bij de speciale therapiesessies van de twee jongeren voor haar camera. Wat ze nu voelen. Welk gevoel iets oproept. En hoe ze daarmee moeten omgaan. Het paard moet ondertussen werken als Spiegel (25 min.) voor de ziel.
Die begeleider gaat wel erg kordaat te werk. ‘Wat heb je nodig?’ vraagt ze bijvoorbeeld als Levi zijn paard in bedwang probeert te houden. ‘Astrid, die niet wegrent’, antwoordt hij wederom gortdroog. Hun wisselwerking krijgt iets komisch. Als hij een rondje door de bak heeft gemaakt met het dier, wil die begeleider bijvoorbeeld weer weten of hij er iets van heeft geleerd. Hij geeft echter niet mee: ‘Nee.’
Sjerps observeert dit aantrekken en afstoten zonder commentaar of opsmuk. Hoe ‘t aansluit op de omgang met de paarden – of juist niet – en de pogingen om intussen, met of ondanks die ander, grote drempels te slechten en kleine overwinninkjes te behalen.
In de documentaire 'Spiegel' zien we de unieke band die ontstaat tussen jongeren en paarden wanneer deze elkaar ontmoeten tijdens zogeheten paardencoachingsessies.
Als iemand overtuigd moet worden van de effectiviteit van TBS, dan is ‘t Hans Faber – of zijn broer Wim en diens gezin. Wims dochter Anne wordt in 2017 op brute wijze vermoord door Michael P., die al eerder is veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten en die op dat moment het laatste deel van zijn straf uitzit op de Forensisch Psychiatrische Afdeling Roosenburg in Den Dolder. Tijdens de grootscheepse zoekactie naar Anne en de dramatische nasleep daarvan fungeert Hans Faber als woordvoerder van de geschokte familie.
Na het verschijnen van zijn boek Anne: Kroniek Van Een Familie (2019) wordt Hans gevraagd door regisseur Elena Lindemans of hij wil meewerken aan een documentaireserie over TBS. ‘Mijn journalistieke hart schreeuwt: ja’, zegt hij daarover in één van de voice-overs, waarmee de verschillende verhaalelementen in deze serie met elkaar worden verbonden. ‘Wat is er veranderd na het Anne-drama?’ Zijn broer Wim, Annes vader, is aanmerkelijk minder enthousiast. ‘Je wordt gebruikt voor positieve beeldvorming van de TBS.’
Hans Faber snapt de scepsis van zijn broer, maar besluit toch in te stemmen. Op 3 juni 2022 gaat hij voor het eerst op bezoek In De TBS (265 min.), voor wat een jaar bij de Van der Hoevenkliniek in Utrecht zal worden. Justitie heeft daarbij wel een harde eis gesteld: hij mag niet vragen waarom de patiënten, die hij op de leefgroepen ontmoet en ogenschijnlijk vrijelijk mag volgen en bevragen, hier precies zitten. Om hun slachtoffers te beschermen. ‘Je moet TBS-patiënten niet humaner maken dan ze zijn’, heeft zijn broer Wim hem nog meegegeven.’
Toch is dat wel de insteek waarmee Hans de, digitaal geanonimiseerde, TBS’ers tegemoet treedt: als mensen die de kans krijgen – en ook moeten krijgen – om hun leven grondig bij te sturen. De kliniek lijkt intussen soms bijna een ontspanningsoord. De patiënten genieten van allerlei sporten, zitten bij een koor of gaan lekker op wandel- of zeilvakantie. Tegelijkertijd is er wel degelijk controle. Via een drugshond bijvoorbeeld die geregeld de leefgroep afspeurt. Of een ‘herstelkamer’, ofwel separeerruimte, waar iemand tot rust mag (of gewoon moet) komen.
De buitenstaander Hans Faber beziet het ogenschijnlijk welwillend. Ook al weet hij als geen ander waartoe deze mensen in staat kunnen zijn. ‘Begin ik nu verschijnselen te vertonen van een embedded oorlogsjournalist?’ vraagt hij zich op een gegeven moment af. ‘Iemand die niet meer kritisch kan zijn over het leger waarmee hij optrekt?’ En soms zou je inderdaad willen dat hij, al is het alleen om de zaak een keer goed op scherp te zetten, even doorbijt. In de ‘pornotheek’ bijvoorbeeld, waar een patiënt doodleuk de film Dominate Me 2 kan lenen.
Dat is tegelijkertijd ook de kracht van deze vijfdelige serie, waarbij Faber soms ook even uit beeld verdwijnt. Het leven in de kliniek wordt nergens gesensationaliseerd, maar ook niet geromaniseerd. Nuchter en genuanceerd, met oog voor zowel de mens als z’n voetangels en klemmen, brengt Lindemans het dagelijks leven van enkele vaste hoofdpersonen in (en buiten) de kliniek in beeld. Van dichtbij is te zien hoe TBS’ers aan zichzelf werken, ontspannen, uitdagingen aangaan, (gedwongen) reflecteren of, achter slot en grendel, helemaal vastlopen.
Dit resulteert in fraaie, ongemakkelijke en indringende scènes. Een beschadigde vrouw, die soms ook een gevaar is voor zichzelf, gaat bijvoorbeeld voor het eerst in vier jaar met een begeleider de straat op. Een oudere man, die als vader vaak niet thuis heeft gegeven en op het punt staat om grootvader te worden, zingt bij muziekles een duidelijk diepgevoelde versie van Papa van Stef Bos. En een jonge joviale kerel is aan het daten en loopt na achttien jaar eindelijk warm voor transmuraal verlof, maar moet accepteren dat dit langer in beslag neemt dan hij wil.
Als de veiligheid niet kan worden gegarandeerd, krijgt Hans Faber onderweg te horen, gaan de deuren op slot. En daarmee wordt precies het dilemma van TBS weergegeven. Want wanneer is iemand veilig? Wanneer reageert de mens en wanneer diens sociaal wenselijke façade op een kritische vraag of interventie? En als ‘zero tolerance’ zelfs op een plek zonder internet een utopie is, zoals één van de begeleiders toegeeft, hoe kunnen patiënten dan daadwerkelijk uit de buurt worden gehouden van schadelijke elementen, zoals drank en drugs?
Want het leven buiten sijpelt onvermijdelijk naar binnen, voorbij de door patiënten zelf gemaakte tralies. Zoals de mensen binnen, die gemiddeld zo’n acht jaar in de kliniek verblijven, uiteindelijk toch naar buiten gaan – of op z’n minst de hoop daarop moeten houden. Uit de humane benadering van de Van der Hoevenkliniek, die op Hans Faber soms ook als ‘pamperen’ overkomt, spreekt onherroepelijk vertrouwen in de mens. Ook al is dat regelmatig beschaamd en bieden resultaten uit het verleden, positief of negatief, geen enkele garantie voor de toekomst.
‘De TBS als wasstraat waar iedereen weer schoon uitkomt’, concludeert Faber uiteindelijk nuchter maar niet onwelwillend, ‘is een utopie.’
Ze kunnen nooit zeggen dat hij ‘t hen niet heeft verteld. ‘Dit alles is niets meer dan een show, begrijpen jullie?’ zegt Kumaré (84 min.) tegen zijn allereerste volgelingen. ‘Dit, een kerel in een jurk. Niets dan show!’ De Indiase goeroe is in werkelijkheid Vikram Gandhi, een Indiase Amerikaan die zich zo ergert aan de New Age-beweging, waarin Oosterse wijsheden volgens hem schaamteloos worden misbruikt, dat hij een gewaagd experiment optuigt. Hij laat zijn haar en baard groeien, zoekt een spannend ogende staf uit, begint met het accent te spreken dat hij van zijn oma kent en verzint daar allerlei onzinnige rituelen omheen. Het duurt niet lang voordat hij wordt omringd door een groepje leerlingen.
Deze film uit 2011 – een soort combinatie van Borat en Die Welle, de film waarin een leraar in zijn middelbare schoolklas een pijnlijk realistische dictatuur creëert – is de weerslag van Gandhi’s gewaagde onderneming als geestelijk leider. Samen met zijn assistentes vestigt hij zich in een yogastudio te Phoenix, Arizona, en begint spirituele sessies te leiden. Zijn eerste leerlingen delen meteen hun diepste zielenroerselen met hem: Toby bijvoorbeeld, een advocate die ter dood veroordeelden bijstaat. De alleenstaande moeder Kimberly, die kampt met het lege nestsyndroom. Of Emily, een jonge vrouw die vastzit in haar huwelijk en direct met de orakelende ‘guruji’ begint te flirten.
Deze gewone Amerikanen, gefilmd op hun meest kwetsbare momenten voor wat een satire zou worden, blijken uiterst gevoelig voor de ‘Blue Light’-meditatie van hun nieuwe spirituele leider. Deze goeroe heeft louter goede bedoelingen met zijn volgelingen, aast niet op hun geld of lichaam en permitteert zich hooguit enkele gewaagde grappen. Hij doet verder aan ‘truthin’. Ik ben de grootste faker die ik ken, zegt Kumaré bijvoorbeeld. Ik fake zoveel dat ik soms vergeet wie ik ben. Of: Je hebt geen goeroe nodig om gelukkig te zijn. En als het tijd wordt voor – het blijft tenslotte een Amerikaanse film – de moraal van zijn verhaal: de goeroe die je zoekt zit in jezelf.
Voor Vikram Gandhi is Kumaré een spiegel waarin hij hen naar zichzelf laat kijken, zegt hij in de voice-over waarmee hij de film stuurt. Gaandeweg begint hij alleen zelf ook in de lessen van zijn personage te geloven en wordt het idee dat hij z’n bedrog moet onthullen steeds ongemakkelijker. De meester wijst zijn leerlingen daarom op elkaar, op hoe sterk ze samen zijn. ‘Want na morgen ben ik er niet meer.’ Intussen blijft hij het moment van De Onthulling voor zich uitschuiven. Zit er werkelijk twijfel? Of is die ook goed voor de film? Het uitstellen van de climax, die al in de openingsscène is aangekondigd, houdt de spanning er in elk geval in en is dus verduiveld effectief.
Uiteindelijk zal Gandhi hen onder ogen moeten komen. Niet meer als de alwetende goeroe, maar volledig als zichzelf: een gewone sterveling, net als zij. En een filmmaker, dat ook. Die weet wat een geslaagde vertelling nodig heeft: aansprekende personages, een spannende verhaallijn, enkele komische scènes en liefst ook een happy end. En dat laatste is bepaald niet vanzelfsprekend wanneer je mensen als een soort opperwezen, en voor een draaiende camera, in het ootje hebt genomen. Hoe ontvangen zij de boodschapper, als hij zijn haren en baard heeft gekortwiekt, dat gewaad heeft uitgedaan en zelfs zijn staf heeft weggelegd? En staan zij dan nog open voor wat hij heeft te zeggen?
‘Waarom heb je het uitgemaakt met mij?’ schrijft Gert van der Graaf in een nooit te verzenden brief aan zijn grote liefde. ‘Het ligt heel gevoelig, want het is nog niet over. Voor mij niet, tenminste.’ Ruim twintig jaar geleden is de vorkheftruckchauffeur uit Coevorden veroordeeld vanwege deze ‘liefde’, die door de rest van de wereld als ‘stalking’ wordt beschouwd. Dat is voor hem echter geen reden geweest om te stoppen met dat – voor buitenstaanders volledig verknipte – ‘houden van’, vertelt Van der Graaf aan psychiater Michiel Hengeveld bij wie hij in therapie is.
Gert van der Graaf spreekt vloeiend Zweeds. Anders had hij natuurlijk ook nooit kunnen communiceren met de vrouw die hij op zijn achtste voor het eerst zag tijdens het Eurovisie Songfestival van 1974. Hij kan een glimlach nog altijd nauwelijks onderdrukken als hij de beelden van Waterloo, voor de honderdduizendste keer, terugkijkt. ‘Na die avond was ik helemaal gek van ABBA.’ Toen het Zweedse kwartet in 1982 besloot om te stoppen, nadat eerder al de twee stelletjes binnen de groep uit elkaar waren gegaan, zag de Nederlandse fan zijn kans schoon: Agnetha Fältskog, de blonde van de twee zangeressen, zou de zijne worden.
‘Soms denk ik: als ik dit aan mensen vertel, denken ze waarschijnlijk dat ik lieg’, zegt hij in Take A Chance (86 min.). ‘Wij hielden van elkaar.’ In deze unheimische documentaire reconstrueert Maria Thulin met Gert van der Graaf zelf, oud-klasgenoten en zijn chef, alsmede een select gezelschap (pop)journalisten, gedragsdeskundigen en ABBA-kenners, waaronder de Nederlandse zangeres Tessa de Jong en ABBA-impersonator Geert Dekkers, vakkundig de ongelófelijke liefde tussen Agnetha en haar superfan. Die, als zij duidelijk aangeeft dat ze geen contact (meer) wil met hem, een hel wordt. Want geen liefde kan een verliefde man zoals hij nu eenmaal nooit accepteren.
Dat gevoel van een aanbeden beroemdheid als opgejaagd wild – of je nu Jodie Foster, Tiffany of Harry Sacksioni heet – is treffend vervat in deze film, die verder wél beelden maar helemaal géén muziek van ABBA bevat. Het roofdier in kwestie heeft ogenschijnlijk niet eens kwaad in de zin, maar leidt waarschijnlijk aan erotomanie, ofwel het Syndroom van Clérambault. De drie fasen die deze vermaarde Franse psychiater ooit beschreef zijn in elk geval duidelijk herkenbaar bij Van der Graaf: hoop, teleurstelling en rancune. Zolang hij zijn contactverbod niet schendt of anderszins de wet overtreedt, is daar alleen verdacht weinig tegen te doen.
Zodat fan zijn – en, zeker, fans hebben – een absolute bezoeking wordt.
Ruim vijf jaar na Pilotenmasker (2017) keert documentairemaakster Simonka de Jong terug naar het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie in Utrecht, een omgeving die de vorige keer een diep ontroerende film heeft opgeleverd. Destijds volgde De Jong enkele kinderen met kanker, kleuters met ‘gemene celletjes’ in hun lichaam die noodgedwongen werden blootgesteld aan ingrijpende medische onderzoeken en behandelingen.
Stil Water (55 min.) is een soort vervolg, waarbij de focus ditmaal ligt op de directe verwanten van zo’n ziek kind: de ouders, broers en zussen. Twee jaar lang is de documentairemaakster met haar crew aangesloten bij drie Nederlandse gezinnen, die een welhaast onmenselijke uitdaging moeten aangaan en haar ondertussen toegang geven tot hun meest intieme en kwetsbare momenten. Te midden van de pijn en het verdriet vindt ze ook veerkracht, lol en – vooral – verbondenheid.
‘Ik weet nog dat ik die eerste vrijdag, toen we het net wisten, vroeg: wordt ze dan nog wel zes jaar?’ vertelt Annemieke Goudswaard, de moeder van Fien. ‘En dat ze toen zeiden: dat weten we niet!’ Vader Gijs vertelt hoe hij zijn dochter bij een ziekenhuisopname in zijn armen de trap afdroeg. ‘Toen vroeg ze: Het komt toch wel goed, pap? Toen dacht ik: volgens mij weet jij ook dat het niet goed komt.’ Hun andere kinderen willen het verdriet van hun ouders intussen liever niet zien.
Steven Voerknecht vertelt dat hij in eerste instantie ‘helemaal niks’ voelde toen hij hoorde dat zijn jongere broer Matthijs ernstig ziek was. In een gesprek met zijn andere broer Reinier en hun ouders constateren ze dat Matthijs door zijn aandoening emotioneel achterloopt. Soms is ie gewoon strontvervelend. Hoe kunnen ze daar het beste mee omgaan? Het zijn vragen die je als buitenstaander niet direct bedenkt, maar die in deze getroffen gezinnen aan de orde van de dag zijn.
Bij de familie Van Eersel uit Weesp is het de jongste van drie kinderen, de driejarige Bente, die ernstig ziek is. Ook als het meisje voor behandelingen in het ziekenhuis ligt komt papa een verhaaltje voorlezen. Via de mobiele telefoon speelt ze verstoppertje met haar oudere broers Jens en Tim. En als de kleine Bente geniet van het geladen Frozen-liedje Laat Het Los, een rechtstreekse verwijzing naar één van de ontroerendste scènes van Pilotenmasker, kijken haar ouders geraakt toe.
Stil Water belicht hoe de familieleden hun eigen weg proberen te vinden met en rond de ziekte van één van hen. Van therapeutische gesprekken, familie-opstellingen en het geloof tot een kindercoach, speltherapie en Inca-rituelen. Simonka de Jong omlijst hun ervaringen en emoties met gestileerde onderwater-sequenties, ondersteund door gefühlvolle muziek, waarmee de gevoelstoestand van de verschillende hoofdpersonen op een aangrijpende manier tot uitdrukking wordt gebracht.
Deze film wordt daardoor net zo’n stoot in de maag als Pilotenmasker. Tezamen vormen de documentaires een tweeluik dat de kwetsbaarheid van het (samen) leven héél tastbaar maakt en tegelijkertijd laat zien hoeveel incasseringsvermogen, creativiteit en warmte tijden van opperste nood kunnen losmaken.
‘The Vow is overcompleet, eenzijdig en véél te lang’, schreef een scribent, ikzelf, die koude rillingen kreeg van het veelbesproken eerste seizoen van de docuserie over Keith Raniere’s NXIVM-sekte. ‘Met zijn ongelooflijke inkijk in de inwendige machinerie van NXIVM – vrijwel elke activiteit of training lijkt te zijn vastgelegd – is de serie op de één of andere verwrongen manier tóch een aanrader voor iedereen met oprechte interesse in de werking van sekte-achtige organisaties en/of de diepgevoelde behoefte om zich eens ongegeneerd te ergeren aan mensen die het staren in hun eigen navel tot kunst hebben verheven.’
Voor al die mensen, en die ene scribent, is er nu een zesdelig tweede seizoen, waarin de sekteleider voor de rechter moet verschijnen. Keith Raniere – die volgens eigen zeggen in de media is neergezet als een soort kruising tussen Jeffrey Epstein en Jim Jones – wordt beschuldigd van seksueel misbruik, mensenhandel, fraude, chantage en, o ja, georganiseerde misdaad. Vrijwel alle hoofdrolspelers uit het eerste seizoen zijn weer van de partij, met ditmaal een centrale positie voor Raniere’s afvallige secondant Nancy Salzman. Advocaat Marc Agnifilo, die optreedt als Raniere’s mediagenieke raadsman, maakt bovendien een overtuigende entree. En ook openbaar aanklager Moira Penza blijkt een zeer verdienstelijke nieuwkomer.
Iedereen pakt, kortom, zijn rol weer in The Vow Part II (372 min.), waarmee Jehane Nouhaim netjes voortborduurt op de eerste negen afleveringen en in wezen nauwelijks nieuwe elementen of onthullingen toevoegt aan het spraakmakende verhaal over de Amerikaanse ‘sex cult’. De basis wordt gevormd door de rechtszaak tegen Raniere, waarvan met animaties een reconstructie is gemaakt, en de rol die de verschillende getuigen daarin spelen. En Keith Raniere reageert daar dan zelf weer op, telefonisch vanuit de gevangenis. Als de malicieuze schurk die vanuit de schaduw nog altijd aan de touwtjes probeert te trekken.
Tegen die achtergrond zoomt Nouhaim ook nog maar eens in op De Methode Raniere, de modus operandi van een orakel/ziener/therapeut die door sommige vroegere volgelingen en enkele huidige aanhangers (verzameld in The NXIVM Five) nog altijd bijzondere krachten worden toegedicht. Hij heeft volgens hen een sleutel naar de psyche van de mens, waardoor van hardnekkige ‘problemen’ zoals het Gilles de la Tourette-syndroom – voor het oog van de camera, natuurlijk – simpelweg ‘uitdagingen’ kunnen worden gemaakt. In wezen betoogt de serie daarmee dat Keith Raniere zelf weliswaar is te vergelijken met een willekeurige maffiabaas, maar dat zijn behandelwijze ook nu nog altijd wonderen zou kunnen verrichten.
Daarbij zijn zonder twijfel kanttekeningen te plaatsen, die in deze serie echter achterwege blijven. Alle aangerichte schade overziend doemt toch vooral de vraag op: is het leven werkelijk zo maakbaar als deze aanhangers van de ‘persoonlijke groei’-religie veronderstellen? Tegelijkertijd blijft het ook verbazingwekkend hoe gemakkelijk sommige hoofdrolspelers van rol lijken te zijn gewisseld: van overtuigde Raniere-discipel naar al even overtuigde NXIVM-dissident, ogenschijnlijk zonder wezenlijke reflectie ertussenin. En altijd is er opnameapparatuur in de buurt. Dit roept onvermijdelijk de vraag op: doen ze wat ze doen terwíjl de camera loopt, of omdát de camera loopt?
Ook The Vow 2 is dus overcompleet, eenzijdig en véél te lang, concludeert de scribent, die nog altijd koude rillingen krijgt van deze docuserie over Keith Raniere’s NXIVM-sekte. Dit vervolg is bovendien net zo overbodig als pak ‘m beet de tweede seizoenen van Making A Murderer en Tiger King. En hoewel het verhaal nu echt, écht!, helemaal lijkt te zijn afgerond, is daarmee niet gezegd dat er ook geen derde seizoen komt. Er kunnen zich zomaar nog nieuwe performers melden die een rol claimen in dit bijzonder mediagenieke drama.
‘Eigenlijk wil ik hier helemaal niets mee te maken hebben’, zegt Tim den Besten halverwege Van De Andere Kant (55 min.) terwijl hij eens goed in de spiegel kijkt. ‘Dat je therapie kunt krijgen om een heteroleven te gaan leiden. En ik geloof ook helemaal niet dat dat kan. Ik ben al zo lang ik me kan herinneren hartstikke gay. Geen ex-gay of Hongaarse conservatief die daar iets aan gaat veranderen.’
Toch is hij wel degelijk geraakt door de wetenschappers, therapeuten en voormalige homo’s die hij op een conferentie over conversietherapie in Hongarije ontmoet. ‘Want ik sluit ook helemaal niet uit dat er iets in je jeugd kan zijn gebeurd dat van invloed is geweest.’ En dus zet hij in deze egodocu, geregisseerd door Katinka de Maar, een gewaagde stap: den Besten gaat de therapie uitproberen van Mike Davidson, voorzitter van The International Federation For Therapeutic And Counselling Choice. Niet veel later zijn ze in gesprek over de echtscheiding van zijn ouders.
Tim den Besten belandt daarmee bij de aloude nature-nurture discussie, die hij in deze film ook duidelijk niet uit de weg wil gaan. Is hij simpelweg wie hij nu eenmaal is of toch gevormd door gebeurtenissen in zijn leven? En als homoseksualiteit inderdaad ergens in je leven zou kunnen ontstaan, is dat dan misschien ook weer terug te draaien? In Oost-Europese landen zoals Hongarije en Polen doen zulke gedachten serieus opgeld. Homoseksualiteit wordt er ook beschouwd als een ideologie die kan worden verspreid. Die vormt dus een bedreiging voor het traditionele gezinsleven.
Op een school in Weert stuit de presentator dan weer op pubers voor wie seksuele fluïditeit de norm lijkt. De kracht van deze televisiedocumentaire, waarin Tim den Besten allerlei uiteenlopende meningen tot zich neemt, zit in zijn openheid. Hij gaat onbevangen het gesprek aan – ook met mensen die je volgens menigeen geen podium moet geven – en weerstaat daarbij de verleiding om gemakkelijke conflicten op te zoeken. Zo ontstaat een oprechte zoektocht naar zowel de voetangels en klemmen als de zegeningen van seksuele identiteit.
Terwijl voor veel jongeren seks en gender fluïde zijn, klinkt vanuit Oost-Europa het verwijt dat het Westen bezig is met regenboogpropaganda. Tim den Besten vraagt zich af of het waar is dat je iemands seksuele voorkeur kunt beïnvloeden. Kijk 'Van de andere kant' 31 maart NPO 3. pic.twitter.com/wxfRGuoQpR
Ze zitten vast, in elk geval in hun hoofd, in een wereld, waarin ze vaak niet meer waren dan een lichaam. Dat kon worden ingezet, gebruikt, misbruikt. Al vanaf (te) jonge leeftijd speelt seks een dominante rol in het leven van Dunya (18), Adil (16), Amy (15) en Delilah (15), met desastreuze gevolgen voor hoe ze kijken naar het leven, jongens/mannen én zichzelf. Hoe kunnen ze zich losmaken van die wereld, waardoor ze uiteindelijk zullen worden vermorzeld?
Deze vier jeugdige slachtoffers van seksueel geweld, onherkenbaar in beeld gebracht, doen in Wij Praten Niet (70 min.) onverbloemd hun verhaal tegenover een therapeut. De gezichten van de verschillende hulpverleners fungeren daarbij als spiegel voor de ontboezemingen van de tieners. Meestal reageren zij empathisch en professioneel, een enkele keer schemert er ook iets van hun eigen gedachten of gevoelens door in hun respons.
De ervaringen van hun geanonimiseerde cliënten vormen onmiskenbaar het hart van deze schurende film. Verhalen die zijn doortrokken van schaamte, spijt en stoerheid. Over seks voor een slaapplek, héél onveilige klanten en groepsverkrachting van gedrogeerde meisjes bijvoorbeeld. De jongeren maken daarbij van hun hart bepaald geen moordkuil. Intussen klinkt ook door hoe weinig waarde ze in dat verband aan zichzelf lijken te hechten.
Regisseur Marjolein Busstra omlijst deze gesprekken met symbolische sequenties, zoals een dans op straat waarin alle opgekropte emotie eruit komt, een vervaarlijk ogende hond als ultieme vertrouweling of een hand met een ijshoorntje dat geleidelijk aan helemaal wordt overvoerd met softijs. Zo verbeeldt ze de unheimische atmosfeer die oprijst uit de tienerverhalen, maar lijkt ze ook de copingstrategieën van de beschadigde tieners te willen veruiterlijken.
Uiteindelijk zit de essentie van Wij Praten Niet desondanks in de woorden. ‘Ik zou het wegduwen’, zegt Dunya bijvoorbeeld, heel treffend, over hoe het zou zijn als ze voor de verandering eens liefde, oprechte genegenheid, zou krijgen. ‘Ik zou het afstoten. Ik hou er niet van. Ik wil het niet in mijn leven. Oprotten!’
Hij was de ultieme Beach Boy, maar te verlegen om een meisje aan te spreken. Hij schreef allerlei wereldhits over surfen, maar stond zelf nooit op een plank. En hij werd door de hele wereld, zeker na de elpee Pet Sounds (1966), binnengehaald als een muzikaal genie, maar liep ondertussen helemaal vast in zichzelf.
De verhalen over Brian Wilson, de nucleus van The Beach Boys, zijn dan misschien overbekend, ze spreken nog altijd tot de verbeelding. Zeker als de man zelf, in gesprek met muziekjournalist/vriend Jason Fine, echt een kijkje in zijn binnenste geeft. Interviews geven vindt de getroebleerde muzikant, gediagnosticeerd met een schizoaffectieve stoornis, nog steeds spannend. Daarom gaat hij in Brian Wilson: Long Promised Road (93 min.), een titel die zowaar is ontleend aan een liedje dat werd geschreven door zijn broer Carl, regelmatig gewoon een stukje rijden met Fine.
Samen doen de twee de plekken van zijn verleden aan, luisteren naar muziek en eten een broodje. Tussendoor kletsen ze over zijn grillige carrière, de tijdloze muziek die hij heeft gemaakt en zijn persoonlijk leven, waarin hij door diepe, diepe dalen moest. Wilson vertelt bijvoorbeeld over zijn persoonlijke behandelaar Eugene Landy, die hem eerst tegelijkertijd liet afkicken van sigaretten, drank en cocaïne en vervolgens negen jaar in een therapeutische wurggreep hield. Op een gegeven moment moest Wilson volgens eigen zeggen zelfs van de vloer eten. Geen idee waarom.
De ontspannen setting met Fine als bestuurder/gespreksleider en Wilson als zijn passagier geeft deze film een intiem karakter. Documentairemaker Brent Wilson laat daarnaast Elton John, Bruce Springsteen en andere collega’s de gebruikelijke superlatieven over de begenadigde songschrijver en arrangeur verzorgen. Sterproducer Don Was (Bob Dylan, The Rolling Stones en John Mayer) kan zijn oren bijvoorbeeld nog altijd niet geloven als hij de verschillende geluidssporen van de klassieke song God Only Knows krijgt te horen. ‘Ik maak al veertig jaar platen’, zegt hij bewonderend. ‘En ik heb geen idee hoe je dit zou moeten doen.’
Zet Wilson achter zijn piano of in een studio en er hangt nog altijd magie in de lucht. Zeker als hij heel precies aangeeft bij zijn bandleden hoe hij een bepaald instrument wil horen. Het is alsof dan even zichtbaar wordt wat er in zijn hoofd omgaat. Alsof hij, waar wij in eerste instantie alleen het geheel horen, direct alle afzonderlijke elementen kan waarnemen. En als hij, als bijrijder van Fine, muziek luistert of praat over mensen die hem dierbaar zijn, zijn overleden broers Dennis en Carl bijvoorbeeld, is het alsof hij, via die trekkende mond en sprekende ogen, even recht in zijn ziel laat kijken.
En daar zit echt niet alleen een geniale gek, een droogsurfer of een would-be strandwacht. Als deze fijne film één element toevoegt aan de canon over Brian Wilson, dan is het ‘s mans overduidelijke affectie voor zijn naasten. In dat opzicht is ook de titel van de documentaire, Long Promised Road, een logische keuze. Die krijgt bovendien extra cachet met een fraaie slotscène, waarin Brian zijn broer Carl eer betoont.
Terwijl hij razendsnel een Rubiks Kubus oplost, kijkt Jason Bhugwandass op zijn laptop naar een tamelijk bloederige uitlegvideo over een mastectomie. Daarna belt hij met zijn behandelaar. ‘Ik heb je foto gezien die je ons had gestuurd, van hoe je borstkas er nu uitziet’, zegt zij. Op die borstkas komt een groot litteken.
‘Dat maakt mij niet zoveel uit’, stelt Jason resoluut. ‘Ik wil eigenlijk wel plat.’ De Amsterdamse jongen, begin twintig, lacht er beminnelijk en zenuwachtig bij. ‘Eigenlijk heb ik alles wat ik moet weten’, constateert zijn gesprekspartner even later. Jason zelf heeft nog wel een vraag, voor als hij zou komen te overlijden op de operatiekamer. ‘Mocht het gebeuren, maak je me dan wel eerst af?’
Jason (90 min.), de hoofdpersoon van deze nieuwe documentaire van Maasja Ooms is op een missie, maar die heeft slechts zijdelings met zijn transitie van meisje naar jongen te maken. Pas gaandeweg wordt duidelijk waar hij zich precies sterk voor – of beter: tégen – wil maken. Eerst moeten er, vergezeld door zijn vaste knuffel, enkele ‘bakken’ in zijn hoofd, vol met trauma’s uit zijn jeugd, worden geleegd.
In dat kader ondergaat hij EMDR-therapie, een terugkerend element in deze observerende film waarbij Ooms opnieuw haar uitgesproken kracht als maakster toont: ze slaagt erin om héél dichtbij te komen – ook emotioneel – en blijft ogenschijnlijk toch geheel afwezig. Ze neemt verder de tijd voor elke scène en geeft nauwelijks context, zodat de kijker het verhaal zelf bij elkaar moet puzzelen.
Daarbij spelen de ontwikkelingen in het stemmige Jason zich nóg meer onderhuids af dan in haar vorige twee documentaires: Alicia (2017), een aangrijpend portret van een meisje dat helemaal verdwaald raakt in de Nederlandse jeugdzorg, en Rotjochies (2019), over ontspoorde jongeren die tijdens een verblijf op het Franse platteland weer op het rechte spoor moeten worden gebracht.
Die films komen dan ook wat directer binnen dan dit broeierige portret, dat soms ook een heel klein beetje trekt. Samen vormen de documentaires evenwel een verplicht drieluik over knelpunten binnen de Nederlandse jeugdzorg. Want daarover heeft ervaringsdeskundige Jason, die een traumatische opname achter de rug heeft, dus een punt te maken: de gesloten jeugdzorg moet worden afgeschaft.
Terwijl hij de demonen van zijn verleden probeert te bezweren en zich inzet voor een doel dat hemzelf ontstijgt, probeert Jason soms ook heel geconcentreerd, met behulp van een mes en een vork, een Rubiks kubus in een vaas te wurmen. Is het een metafoor voor wie hij zelf is? Een puzzel die je pas kunt oplossen als hij is bevrijd? Of, zoals hij en zijn behandelaar constateren, dat simpelweg niets onmogelijk is?
Nadat ze zich eerst vol zelfspot heeft opgetut, even lekker met een plastic speelgoedhandje heeft zitten geinen en vervolgens behoedzaam op haar hoge hakken – en met een opvallende wandelstok – de trap is afgelopen, begint Selma Blair in een gemakkelijke rode fauteuil te vertellen over haar leven.
‘We hebben nog lang genoeg om dood te zijn’, zegt ze. ‘En ik ben zo lang bezig geweest met mezelf te doden, verdoven of dissociëren. Met uitzoeken hoe het leven werkt door halfdood te zijn. Nu wil ik anderen gewoon helpen om zich beter te voelen.’ En dan, als ze wil doorgaan met haar relaas, begint haar stem te trillen, verkrampen haar handen en komen er nauwelijks nog verstaanbare woorden uit haar mond.
Het is een indringende openingsscène: hier manifesteert zich de aandoening die Blair sinds enkele jaren definieert. In augustus 2018 kreeg ze na aanhoudende klachten de diagnose Multiple Sclerosis. De Amerikaanse actrice was op dat moment 46 jaar oud. Het leven zoals ze dat tot dan toe had gekend en dat haar had gebracht in Hollywood-hits als Cruel Intentions, Hellboy en Legally Blonde was voorbij.
Voor haar lag nu een onbestemde toekomst. Enkele maanden na de onheilstijding trad ze ermee naar buiten. ‘Ik ben gehandicapt’, schreef Selma Blair op Instagram. ‘Ik val soms. Ik laat dingen vallen. Mijn geheugen is wazig. Mijn linkerkant vraagt om richtingaanwijzingen van een kapot navigatiesysteem. Maar ik hoop dat ik wat hoop aan anderen kan geven. En zelfs aan mezelf.’
In de zomer van 2019 begint Blair aan het proces dat de basis vormt voor Introducing, Selma Blair (98 min.). Regisseur Rachel Fleit volgt haar terwijl ze zich onderwerpt aan een stamcelbehandeling. Die heeft tot doel om haar echt te genezen van de ziekte, die met medicijnen alleen kan worden vertraagd. Eerst krijgt de Amerikaanse bekendheid chemotherapie, daarna wordt bekeken of ze in aanmerking komt voor transplantatie.
Het hele proces, waarin de hoofdpersoon zich erg kwetsbaar toont, wordt vastgelegd, onder andere met een videodagboek. Tussen de behandelingen door blikt ze terug op een leven, dat haar nog weinig echt geluk lijkt te hebben gebracht. Eigenlijk is er maar één reden dat ze per se door wil: zoon Arthur, die vanwege haar behandeling tijdelijk bij zijn vader is ingetrokken.
Introducing, Selma Blair is de intieme weerslag van hoe zijn dappere moeder zich door diepe dalen moet worstelen, in de hoop nog eens bergtoppen te kunnen beklimmen. Of gewoon te overleven, als de vrouw die ze is geworden.
‘Wat betekent het als iemand dood is?’ vraagt één van de begeleiders van Good Grief aan een groepje kinderen. ‘Je ziet ze nooit meer terug’, antwoordt Peter. Het zesjarige jongetje is zowel zijn moeder als zijn vader kwijtgeraakt. ‘En nu zit ik vast bij oom C.J.’ Even later laten Peter en zijn oom twee ballonnen de lucht invliegen. ‘Forever in our hearts’, staat erop.
In Beautiful Something Left Behind (88 min.) volgt de Deense filmmaakster Katrine Philp gedurende een jaar hoe enkele Amerikaanse kinderen die een ouder hebben verloren vat proberen te krijgen op het concept dood. Tijdens wekelijkse bijeenkomsten in het hulpcentrum te Morristown, New Jersey kunnen ze hun verdriet laten zien, praten over gevoelens en alle emoties uitdrukken in spel, bijvoorbeeld door met een speelgoedautootje een ongeluk na te spelen, lekker boos te worden in de vulkaanruimte of een begraafplaats in te richten met Playmobil-poppetjes.
Philp maakt zich daarbij klein en blijft volledig op de achtergrond. Ze laat de gebeurtenissen voor zichzelf spreken en voegt hier en daar alleen wat muziek toe, die gelukkig nooit opdringerig wordt. Ze portretteert de kinderen daarnaast (in hun nieuwe) thuis, vangt hun rituelen om uiting te geven aan hun rouw en geeft hen de ruimte om te vertellen over de dierbaren die ze moeten missen. De één haalt er duidelijk bevrediging uit om dat onder woorden te brengen, een ander houdt z’n gevoelens het liefst bij zich en communiceert zijn verdriet of verwarring vooral non-verbaal.
In die zin beleven de kinderen een overlijden in hun directe omgeving niet anders dan volwassenen. En ze begrijpen er evenveel – of even weinig – van als ieder ander. De veerkracht van de jongens en meisjes om hun leven weer op te pakken – en de manier waarop ze daarbij worden geholpen door bijzonder empathische procesbegeleiders en familieleden – is bewonderenswaardig én aangrijpend. Bij vertrek laten de kinderen in Good Grief een soort herinneringsmuur achter, met daarop familiefoto’s van het gezin dat ze ooit vormden. In betere tijden, die de toekomst echter niet in de weg hoeven te staan.
Zo’n zorgvuldig rouwproces gun je elk kind – al gun je natuurlijk geen kind het overlijden van een ouder. Ook de kleine Peter stapt uiteindelijk bijna ongemerkt de rest van zijn leven binnen. In een ‘Uncles Are The Best’ T-shirt.
Homoseksualiteit bleek wel degelijk omkeerbaar. John Paulk en Anne Edward vormden eind jaren negentig het tastbare bewijs. Hij viel ooit op mannen, zij was een voormalige lesbienne. God had hen echter genezen. En nu waren ze te gast in de spraakmakende talkshow van Jerry Springer en stonden ze op het punt om samen in het huwelijksbootje te stappen. Eind goed, al goed.
In de stevige documentaire Pray Away (102 min.) kijken Paulk en andere prominente ex-gays met gemengde gevoelens terug op de periode dat ze onder invloed van de Heer een goed christelijk leven probeerden te leiden. Voormalige ex-gays, welteverstaan. Want de herstel- of conversietherapie die ze ondergingen, bleek uiteindelijk toch niet te beklijven. Hoezeer ze zich in het openbaar – en tot verdriet van andere christelijke homo’s – ook sterk bleven maken voor het afzweren van die tegennatuurlijke levenswijze.
Regisseur Kristine Stolakis zet hun ervaringen, die stuk voor stuk uitmonden in een persoonlijke catharsis (‘hoe kun je dat je eigen mensen aandoen?’ vraagt een propagandist van het discriminerende wetsvoorstel Proposition 8 zich af), af tegen de activiteiten van Jeffrey McCall. Nog niet zo lang geleden wilde deze bekeerling van geslacht veranderen, nu lijkt hij een alternatief te hebben gevonden in het geloof. McCall waarschuwt ouders dat ze hun kinderen niet naar een school moeten sturen, waar hun kinderen hormonen kunnen krijgen of hun lichaam chirurgisch mogen laten verminken.
De manier waarop Stolakis hem plaatst te midden van de getuigenissen van ex-ex gays en hun ervaringen met (verwoestende) bekeertherapieën laat er weinig misverstand over bestaan over hoe ze zijn rol ziet. Ook hij zal mettertijd waarschijnlijk oversteken naar wat ze in conservatief christelijke kringen ‘the dark side’ noemen. Het is alleen de vraag hoeveel kwaad hij, ongetwijfeld met de beste bedoelingen, in de tussentijd zal aanrichten. En of het überhaupt zover komt dat hij wederom uit de kast komt.
Amerikaans onderzoek heeft immers uitgewezen, zo valt te lezen in de aftiteling, dat deelnemers aan conversietherapie tweemaal zo vaak een einde aan hun leven maken als andere LGBTQ-jongeren.
‘Iedereen wil Cary Grant zijn’, grapte de befaamde Hollywood-acteur Cary Grant (1904-1986) regelmatig volgens een vroegere kennis. ‘Zelfs ikzelf zou wel Cary Grant willen zijn.’ Cary was dan ook niet meer dan een façade die de beschadigde persoon daarachter uit de wind hield. Die wilde hij uiteindelijk toch beter leren. Grant ging daarom eind jaren vijftig in therapie: een behandeling met LSD.
Becoming Cary Grant (85 min.) put uitgebreid uit een nooit verschenen autobiografie van de man, die in het midden van de twintigste eeuw één van de allergrootste sterren was. De Britse acteur Jonathan Pryce kruipt in de huid van Archie Leach, roept zo diens getroebleerde jeugd in Bristol op en beschrijft van binnenuit zijn opkomst als Cary Grant aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.
Behalve over fragmenten uit zijn omvangrijke oeuvre beschikt regisseur Mark Kidel daarbij tevens over beelden die de ondoorgrondelijke Grant zelf in zijn privéleven maakte en die zijn kijk op het leven weerspiegelen. En op het andere geslacht, waarmee hij een moeizame relatie onderhield. Die was rechtstreeks te herleiden tot de relatie met zijn moeder, die hem op jonge leeftijd achterliet bij een vader die snel hertrouwde.
Via therapeutische acid-sessies zou Cary Grant volgens dit verzorgde portret, waarin ook zijn laatste echtgenote en enige kind participeren, de weg terug naar haar en zichzelf weten te vinden. Elke vrouw die hij pijn had gedaan in zijn leven, realiseerde Grant zich, representeerde in zekere zin zijn afwezige moeder. Het voelde als een soort wedergeboorte, een hernieuwde kennismaking met het verweesde Britse jongetje Archie Leach.
’Als mensen dit zien, wordt het gezien als mijn enkeltje naar de hel’, zegt één van de deelnemers aan de paaldans-workshop. ‘En dat is mijn strijd nu.’
‘Snapt je man wat je aan het doen bent?’ vraagt haar coach.
’Een beetje wel, denk ik, maar ik weet niet hoe ik ‘t moet delen.’
’Doe je een lapdance bij hem?’
’Echt niet!’
Je weet op voorhand: ze gaan joelen, knuffelen en huilen. De vrouwen die bij S Factor, het geesteskind van voormalig actrice Sheila Kelley, een workshop van zes maanden gaan volgen komen misschien om te leren paaldansen. In werkelijkheid hebben ze natuurlijk iets te overwinnen in hun leven. Strip Down, Rise Up (113 min.), juist. Terwijl ze de paal ontdekken, vinden ze zichzelf.
Het taalgebruik van Kelley (de echtgenote van acteur Richard Schiff, bekend als Toby Ziegler uit de serie The West Wing, die ook nog even langskomt) is navenant. ‘Unlock the body.’ ‘Release the pain.’ ‘Fight through it.’ ‘Own your sexuality.’ ‘Feel comfortable in your own skin.’ ‘Bring yourself back into wholeness.’ ‘Create a sisterhood.’ ‘Fight Club for women.’ ‘This is not for sissies.’ ‘Embrace the deeper journey.’ ‘Reclaim yourself completely.’ ‘Get your mojo back.’ ‘You’re hot!’ ‘Fucking shine!’ En: ‘It’s okay to be happy.’
Voor de deelnemers is dat allemaal bepaald niet vanzelfsprekend. Sheila Kelley en haar coaches lijken echter geen twijfel te kennen. Wat de problematiek ook is – seksueel misbruik, rouw, anorexia, kanker, psychiatrische problematiek, obesitas of een schaamtevolle achtergrond – via het leren (er)kennen van hun eigen sensualiteit kunnen de vrouwen ermee dealen.
Psychologie van de koude grond, zonder enige twijfel. Erg Amerikaans ook. Roestvrijstalen waarheden, verpakt in pakkende slogans. Waarmee niet is gezegd dat ‘t niet werkt. In elk geval in het hier en nu. Het traject en het bijbehorende groepsproces maken in elk geval wel wat los, getuige deze lange en gelikte documentaire van Michèle Ohayon. De vrouwen vertellen (elkaar) hun soms aangrijpende levensverhaal en beginnen gaandeweg stuk voor stuk te shinen.
Gespannen zitten ze te wachten voor het computerscherm. Op een teken van leven. Als ze de koptelefoon hebben opgezet, ontstaat er direct contact. ‘Hee’, zegt een vrouw, met een gezicht dat ineens helemaal straalt. ‘Hee meis’, kan een man zijn ogen bijna niet geloven. ‘Dat is apart.’ Een andere vrouw blijft simpelweg gelukzalig grinniken: ‘Hallo!’
Tegenover hen heeft hun overleden partner plaatsgenomen. Ze kunnen er zelfs gewoon mee praten. En dat werkt zichtbaar als balsem op de ziel. De gesprekken zijn onderdeel van Deepfake Therapy (24 min.). Met behulp van moderne techniek, waarbij beelden van hun gestorven geliefde tot leven worden gewekt, ondergaan ze een experimentele vorm van rouwtherapie.
Het is een ongelooflijk intiem beeld: van mensen die, tegen beter weten in, opgaan in een gefingeerde ontmoeting met hun andere helft, waarin ze nog eenmaal alles kunnen zeggen. Deze personen op het scherm houdt regisseur Roshan Nejal, die met deze observerende docu afstudeerde aan de Filmacademie, overigens zorgvuldig uit beeld. Ze zijn ook niet te horen.
Voor kijkers zoals ik is dat een frustrerende keuze. Die willen, als een ware ramptoerist, met eigen ogen kunnen vaststellen hoe dat eruit ziet: een overledene die een extra leven krijgt. Tegelijkertijd is die keuze zeer goed verdedigbaar: het verhaal zit niet in de gimmick, maar in wat de deepfake-technologie teweegbrengt bij de nabestaanden die met dat beeldscherm communiceren.
‘Mensen zien wat ze willen zien en horen wat ze willen horen’, zegt rouwtherapeute Leoniek van der Maarel-Stordiau daarover tegen Ayesha de Groot. Die gaat de rol vertolken van Dalisay, de overleden dochter van Ron en Patricia de Boer. Leoniek spoort haar om tijdens het gesprek vooral veel te lachen. De reden is eenvoudig: ‘Wat gebeurt er als je jouw kind weer ziet lachen?’
En dat is een fascinerend tafereel. En een mindfuck tegelijkertijd. Niet alleen voor de deelnemers aan het gesprek. Als kijker vraag je je af: zou ik zelf ooit dat stemmetje in mijn hoofd, dat ‘nep’, ‘wishful thinking’ of zelfs ‘volksverlakkerij’ roept, kunnen negeren? Of kun je zulke dingen alleen denken als je zelf nog nooit met een dergelijk verlies bent geconfronteerd?
Dit experiment met Deepfake Therapy doet in elk geval vermoeden dat deze therapievorm heilzaam zou kunnen werken voor mensen die vastlopen in hun rouw. Zoals de moderne mens ook praatjes maakt met een zorgrobot, cyberseks heeft of opdrachten geeft aan een virtuele assistent. Al voelt dat voor buitenstaanders vaak soms nog wat onwennig.
Heb je haar weer met d’r dooie moeder, dacht ze soms over zichzelf. Het is inmiddels al vijf jaar geleden. En toch voelt het als de dag van gisteren. Eerst belandt Spuiten & Slikken-presentatrice Nellie Benner in Ik Rouw Van Jou (48 min.), de documentaire die ze samen met Leon Veenendaal maakte, bij een rouwtherapeut, bij wie ze een luisterend oor vindt. Daarna gaat de Nederlandse twintiger in gesprek met haar vader Gerrit-Jan. Zij vond zijn verdriet om het overlijden van haar moeder destijds bijna ondraaglijk, hij durfde intussen niet te vragen hoe het met haar ging.
Vader weet inmiddels wel beter: ‘Verdriet kun je niet ontvluchten.’ En zijn dochter besluit de daad bij het woord te voegen en het verdriet inderdaad op te gaan zoeken. Eerst bij andere jongeren, die eveneens een ouder verloren. Stuk voor stuk vonden ze een uitlaatklep voor hun rouw: schrijven, schilderen of dansen. En ook voetballen, fotograferen of zelfs kickboksen. Imad Hadar vertelt bijvoorbeeld dat hij een andere vechter is geworden door het overlijden van zijn moeder. Hij heeft er een ‘zachter hart’ van gekregen.
Daarnaast richt Nellie ook nadrukkelijk de blik naar binnen. Ze zoekt bijvoorbeeld haar toevlucht tot physical coach Markus Schnizer – ‘geen therapeut, psycholoog of healer’ – met wie ze door het verdriet heen wil gaan en brengt een bezoek aan een voormalige buurvrouw, die al meermaals contact zou hebben gehad met Benners overleden moeder. Het openen van een briefje met een persoonlijke boodschap van gene zijde resulteert vervolgens in een ietwat ongemakkelijke emotionele scène.
Op zulke momenten dreigt deze persoonlijke zoektocht, doorsneden met fraaie gestileerde sequenties en intieme gedachtestromen van de maakster over rouw en verlies, even naar de verkeerde kant over te hellen, naar nét iets te nadrukkelijk gezocht drama. In het algemeen houdt Nellie Benner in deze aansprekende film evenwel prima koers bij het bewandelen van het pad van rouw naar acceptatie en het opzoeken daarbij van haar eigen en andermans emotie.