They Call Me Magic

Apple TV+

Het is in 1979 letterlijk een kwestie van kop of munt: krijgen The Chicago Bulls of The Los Angeles Lakers de kans om het toptalent Earvin ‘Magic’ Johnson in te lijven? Het wordt uiteindelijk Californië voor de topper in spé uit Lansing, Michigan. Naast een bewezen crack als Kareem Abdul-Jabbar kan de mediagenieke Afro-Amerikaan met de kamerbrede glimlach er uitgroeien tot één van de succesvolste Amerikaanse basketballers aller tijden en zo een remonte van de zwalkende National Basketball Association (NBA) inluiden.

Dat is het startpunt voor de gelikte vierdelige docuserie They Call Me Magic (240 min.), waarin Johnsons carrière netjes wordt doorgelopen, gebruikmakend van een mixture van wedstrijdbeelden, nieuwsreportages en interviews. Magic zelf komt natuurlijk aan het woord. Familie, vrienden en kennissen. Collega’s zoals Michael Jordan, Isiah Thomas en Larry Bird. De onvermijdelijke sportjournalisten, basketbalofficials en deskundigen. En ook het verplichte blik Bekende Amerikanen wordt opengetrokken. Daarin blijken ditmaal Barack Obama, Snoop Dogg, Bill Clinton, Samuel L. Jackson, Spike Lee, Rob Lowe, Paula Abdul, LL Cool J, Jimmy Kimmel en Arsenio Hall te zitten.

Met al die verschillende sprekers maakt regisseur Rick Famuyiwa er een typisch Amerikaanse sportdocumentaire van: een vertelling die continu van drama via cliffhanger naar overwinning snelt – en weer terug. Van Johnsons komeetachtige opkomst via de (opgeklopte) zwart-wit rivaliteit met de blanke held Larry Bird van de grote concurrent The Boston Celtics en de entree van de nieuwe superster Michael Jordan tot zijn schokkende mededeling dat hij besmet is geraakt met het HIV-virus. Een vet aangezette basketbalsaga, die natuurlijk is gelardeerd met onnoemelijk veel superlatieven, dramatiek en clichés. Dichtgesmeerd bovendien met een vlotte collectie soul-, pop- en discohits.

Al dat spektakel kan echter niet verhullen dat They Call Me Magic slechts zelden écht de diepte ingaat. Zoals het ook slechts zelden écht lijkt te schuren in het leven van de goedlachse Magic. Zelfs het feit dat hij de relatie met zijn echtgenote Cookie tot driemaal toe heeft afgebroken voordat het kwam tot een huwelijk heeft achteraf bezien ook wel zijn charme. Pas als Johnson krijgt te horen dat hij HIV heeft en vervolgens een spreekbuis wordt voor besmette Amerikanen krijgt de serie werkelijk scherpte en diepgang. Dan gaan de toch wat gladde praatjes aan de kant en toont de man achter Magic, Earvin Johnson, alsnog publiekelijk zijn ziel.

In de laatste aflevering van de serie roept alleen de plicht weer (deelname met het zogenaamde Dream Team aan de Olympische Spelen, terugkeer in de NBA, de start van een eigen zakenimperium en ondertussen ook nog het bij elkaar houden van zijn gezin) en verdwijnt de urgentie net zo snel als ie is gekomen, ten faveure van wat toch wel héél dicht bij een hagiografie komt.

Everything – The Real Thing Story

Een platform was er niet voor bands zoals zij. Groot-Brittannië kende in de jaren zeventig helemaal geen succesvolle zwarte muziekgroepen. En hoewel een voorloper van The Real Thing, genaamd The Chants, een flink duwtje in de rug had gekregen van stadgenoot The Beatles en de vocal harmony-groep zelf ook veel aandacht had getrokken tijdens tournees met de toentertijd populaire zanger en acteur David Essex, was er een wit songschrijversduo nodig om de ban te breken. Ken Gold en Michael Denne leverden You To Me Are Everything, de hitsingle die in 1976 van het kwartet uit Liverpool de eerste zwarte Britse band met een nummer 1-hit maakte.

Het zoetsappige schuifelnummer zou uitgroeien tot een evergreen op bruiloften en partijen en zorgde er meteen voor dat die vier zwarte binken een enorme schare tienerfans kregen. Witte meisjes, ook dat nog. Die het risico liepen om uitgemaakt te worden voor ‘niggerlover’. Met de bandleden, medewerkers, mensen uit hun directe omgeving en bekende fans als Kim Wilde, Gwen Dickey (Rose Royce) en Billy Ocean tekent Simon Sheridan in Everything – The Real Thing Story (94 min.) zonder fratsen de geschiedenis op van de Britse popgroep en het tijdsgewricht waarin die opkwam en ook weer afging, een periode waarin tevens punk de wereld veroverde en extreemrechtse skinheads zich deden gelden in het Verenigd Koninkrijk.

Met het album 4 From 8 en de signatuursong Children Of The Ghetto wist The Real Thing ook nog iets te vertellen over die wereld, over het leven van zwarte jongeren in Britse achterstandswijken in het bijzonder. Zo snel en onstuimig als het succes kwam ebde het getuige deze degelijke popdocu, waarin verteller Jacob Anderson chronologisch de bandgeschiedenis afwerkt, vervolgens ook weer weg. De kern van The Real Thing staat echter nog steeds op het podium, al meer dan 45 jaar. En de meisjes – van middelbare leeftijd inmiddels – zwijmelen nog altijd ongegeneerd weg bij het suikerzoete You To Me Are Everything.

The Meaning Of Hitler

Uwaga Film LLC / VPRO

Over de man, het kwaad dat hij belichaamde en de grenzeloze ellende die hij veroorzaakte is nagenoeg alles bekend. En toch dreigen de lessen die we hadden moeten leren van Adolf Hitler opnieuw verloren te gaan. In deze essayistische documentaire buigen Petra Epperlein en Michael Tucker zich aan de hand van Sebastian Haffners boek The Meaning Of Hitler (88 min.) over de betekenis en het erfgoed van de man die het afschrikwekkendste regime uit de moderne historie aanvoerde.

Ze akkeren daarvoor Hitlers levensloop door, brengen een bezoek aan de plekken die hem vormden en proberen vat te krijgen op de angstaanjagende leider met vooraanstaande schrijvers en historici. Het wordt een fascinerende trip, waarbij ze bijvoorbeeld ook het belang schetsen van een nieuwe microfoon (de zogenaamde Neumann-fles) voor Hitlers overtuigingskracht als redenaar, een kunstkenner ‘s mans schilderijen laten beoordelen en parallellen trekken tussen zijn populariteit en die van The Beatles.

‘Het probleem is dat de nazi’s niet onmenselijk waren, maar menselijk’, stelt de eminente Holocaust-onderzoeker historicus Yehuda Bauer niet voor niets. ‘Dat is in wezen het probleem. Met onszelf, niet met de nazi’s.’ De bekende nazi-jagers Serge en Beate Klarsfeld, die ooit de beruchte Duitse oorlogsmisdadiger Klaus Barbie opspoorden, denken dan ook dat ‘het’ zo weer kan gebeuren. ‘Je hebt Polen, Hongarije, Nederland… Gevaarlijk. De opkomst van rechtse partijen. Kort geleden nog ondenkbaar.’

De Methode Hitler duikt op allerlei plekken op en is meestal relatief eenvoudig te herkennen. Al wagen de meeste deskundigen zich niet aan soms toch behoorlijk voor de hand liggende vergelijkingen met hedendaagse politici. Alleen de voormalige Amerikaanse president Trump, die eerder op een soortgelijke wijze is doorgelicht in Unfit: The Psychology Of Donald Trump, wordt niet gespaard. De Britse romanschrijver Martin Amis ziet bijvoorbeeld duidelijke parallellen met Hitler: ‘Smetvrees is er een van. En liegen natuurlijk.’

De beruchte Holocaust-ontkenner David Irving, die in Polen ‘ware geschiedenis’-excursies langs belangrijke Hitler-locaties verzorgt, bevindt zich intussen maar wat graag in het gezelschap van ‘Der Führer’. Ooit zong hij voor het dochtertje van een prominente journalist: ‘Ik ben Ariër, geen Jood of sektariër. Ik wil niet trouwen met een aap of rastafari.’ Irving moet er nog altijd om gniffelen. ‘Het was een heel goed versje. Ik noteerde het in mijn dagboek’, zegt hij doodgemoedereerd. ‘Ze brachten het naar voren als bewijs dat ik een racist zou zijn.’

Was alle Hitler-verering maar zo stupide! De meeste erfgenamen opereren alleen veel subtieler. ’s Mans ideeën worden ‘onderzocht’. Of er worden ‘gewoon’ kritische vragen gesteld. De spreker kan dan niet zomaar worden betrapt. En de goede verstaander weet toch genoeg. Deze denkfilm, die na een luchtig begin steeds serieuzer van toon wordt, toont hoe Hitlers gedachtegoed zich zo kan verspreiden: in een wereld waarin ieder zijn eigen platform kan krijgen en bij een generatie die zelf nooit oorlog heeft gekend. 

De voorbeelden zijn schokkend: Amerikaanse jongeren met toortsen die tijdens een demonstratie in Charlottesville luidkeels ‘Jews Will Not Replace Us’ scanderen. De jonge gamestreamer die zonder gêne laat zien hoe ze naar een remix van een welbekende hit en een speech van Hitler luistert. En de rechts-extremist die vol trots zijn aanslag op een synagoge in het Duitse Halle gaat filmen. Het is duidelijk: The Meaning Of Hitler mag dan met één been in het bruine verleden staan, de docu is zeker géén louter historische exercitie.

In deze film helpt het verleden vooral om vat te krijgen op het heden en – God verhoede ‘t – de toekomst.

Downfall: The Case Against Boeing

Netflix

Al snel kwam ‘the blame game’ op gang. De 189 slachtoffers van de vliegramp met de Indonesische vlucht 610 op 29 oktober 2018 waren nog niet geborgen of het zwartepieten begon. Het zou wel aan luchtvaartmaatschappij Lion Air liggen, een Indonesische prijsvechter. Aan de luchthaven, Soekarno-Hatta in Jakarta. Of anders aan de gezagvoerder, de Indiase piloot Bhavye Suneja. Over één ding waren deskundigen het in elk geval eens: het kon niet liggen aan de Amerikaanse fabrikant van de gloednieuwe Boeing 737 Max. En toen, negentien weken later, viel er op 10 maart 2019 ineens nóg zo’n kist, vlucht 302 van Ethiopian Arlines, uit de lucht in Addis Abeba. Ruim honderdvijftig inzittenden lieten het leven.

En daarmee kwam Boeing, een bedrijf waar Amerika trots op was, een onderneming die zichzelf in de mark zette met de slogan ‘If it ain’t Boeing, I ain’t going’, ineens tóch serieus onder vuur te liggen. Rory Kennedy ontleedt in Downfall: The Case Against Boeing (90 min.) nauwgezet hoe de luchtvaartgigant zichzelf in de voorgaande jaren uiterst effectief in de nesten had gewerkt. Ze herleidt alle problemen tot één specifiek moment: Boeings fusie met McDonnell Douglas in 1997. Daarna was het gedaan met de aandacht voor kwaliteit bij de betrouwbare vliegtuigfabrikant, werd winst maken het enige parool en bezuinigen de voornaamste bedrijfsstrategie. Intussen verhuisde het hoofdkantoor naar Chicago, weg van de vaste thuisbasis Seattle.

De nieuwe focus op snel en goedkoop moest wel tot problemen leiden, stellen oud-medewerkers onomwonden in deze film. En als ze daarover hun zorg probeerden uit te spreken, werden ze direct de mond gesnoerd en linea recta naar de uitgang gedirigeerd. Zoals het echte klokkenluiders betaamt. Een gegeven dat Boeing na de ongelukken in Jakarta en Addis Abeba, toen het bedrijf druk doende was om de schuld op anderen af te schuiven, natuurlijk bepaald niet meer goed uitkwam. De Amerikaanse vliegtuigbouwer nam dus zijn toevlucht tot wat multinationals nu eenmaal doen in dit soort kwesties (en wat ook al in talloze documentaires aan de kaak is gesteld): ze huren de ‘allerbeste’ juristen in. Die mogen hun positie gaan beschermen, waarbij veel, zo niet gewoon alles, is geoorloofd.

En de rekening komt dan bij het gewone publiek te liggen. In dit specifieke geval: bij de crew van de twee gecrashte Boeings, hun passagiers én de nabestaanden daarvan. Zij brengen de grote, soms ook technische verwikkelingen in deze oerdegelijke documentaire terug tot menselijke proporties. ‘Boeings totale onvermogen om alles op alles te zetten om het tweede ongeluk te voorkomen heeft ons leven compleet verpest’, zegt Michael Stumo, die zijn dochter Samya verloor bij de crash in Ethiopië. ‘En dat geldt niet alleen voor ons gezin. Dat geldt voor iedereen die stierf met deze vliegtuigen.’

Dream Team: Birth Of The Modern Athlete

Paramount

Ze kwamen, zagen en overwonnen. Daar zit dus niet het verhaal van Dream Team: Birth Of The Modern Athlete (205 min.), een vijfdelige serie over de Amerikaanse basketbalploeg die in 1992 een gouden medaille won op de Olympische Spelen van Barcelona. Die eerste plaats stond op voorhand al min of meer vast.

Voor de eerste keer vaardigden de Verenigde Staten de grote sterren van de NBA af. Het zou een kleine schande zijn geweest als Michael Jordan, Earvin ‘Magic’ Johnson, Larry Bird en de negen andere helden van het Amerikaanse basketbal níet hadden gewonnen. Deze productie van de broers Emmett en Brendan Malloy richt zich dan ook vooral op de dynamiek binnen het team: de rivaliteit bijvoorbeeld tussen de oude heerser van de NBA, Magic Johnson, en de nieuwe troonpretendent, Michael ‘Air’ Jordan. Als twee metershoge alfamannetjes bekampen ze elkaar en stuwen zo het team naar eenzame hoogte 

De Malloys baseren hun vertelling op het boek Dream Team van Jack McCallum. Hij bewaarde bovendien audio-opnamen van zijn gesprekken met de leden van de droomploeg, die nu voor het eerst zijn te horen. Deze quotes worden aangevuld met wedstrijdbeelden, achter de schermen-materiaal en actuele interviews met de dreamteamers Magic Johnson, Patrick Ewing, David Robinson en Chris Mullin, aangevuld door enkele insiders. Zij geven heel aardige inkijkjes bij de wonderploeg. Zo besluit Jordan bijvoorbeeld de nacht voor de Olympische finale door te halen voor een spelletje kaart. En de dag van de gouden wedstrijd brengt de sterspeler freewheelend door in het Olympisch stadion en op de golfbaan.

Als ook de laatste tegenstander in Barcelona moeiteloos is verslagen – aan het eind van aflevering 3 al – wacht de prijsuitreiking, waarbij diezelfde Jordan voor een controverse zal zorgen die de totale vercommercialisering van de sport illustreert. Van slachtoffers van (latent) racisme zijn de grote sterren van de NBA in de voorgaande jaren uitgegroeid tot eigen merken, die in de hele wereld weerklank vinden en te gelde kunnen worden gemaakt. Met deze insteek kiest Dream Team slim positie tussen Shut Up And Dribble, de politiek geladen docuserie over de Afro-Amerikaanse basketbalhistorie, en The Last Dance, een meeslepende reeks over het ultieme winnaarstype Michael Jordan en zijn team The Chicago Bulls.

Alleen de laatste episode, over de erfenis van het Dream Team voor het internationale basketbal, voelt wel heel nadrukkelijk als een langgerekte epiloog. De broers Malloy drijven dan erg ver af van hun hoofdrolspelers en het vuur dat hun sport drijft. Als geheel schetst deze serie, over een selecte groep goudhaantjes die alle na-ijver moeten laten varen om samen de wereld te veroveren, echter een treffend beeld van een scharnierpunt in het moderne basketbal.

Janet Jackson.

Videoland / Lifetime

De vraag blijft ruim anderhalf uur boven de markt hangen: gaat ze nog iets zeggen over de beschuldigingen tegen Michael?

Want Janet Jackson mag dan op eigen kracht een popster zijn geworden en haar privéleven tot dusver bovendien zorgvuldig hebben afgeschermd, maar ook deze film over haar kan natuurlijk niet om haar oudere broer ‘Mike’ heen, ofwel ‘The King Of Pop’ Michael Jackson (1958-2009). Zeker sinds die, in de spraakmakende documentaire Leaving Neverland (2019), opnieuw publiekelijk is beschuldigd van seksueel misbruik van kinderen.

In de vierdelige serie – let op de demonstratieve punt: – Janet Jackson. (167 min.), zet Janet met haar moeder Katherine, zus Rebbie en broers Tito en Gary haar verhaal goed in de verf. Regisseur Benjamin Hirsch start daarvoor bij de opkomst van The Jackson 5/The Jacksons, de immens succesvolle popgroep rond haar oudere broers, en schetst vervolgens Janets solocarrière die daar logisch uit voortvloeit en in eerste instantie maar moeilijk op gang komt. Alle Jackson-kinderen zitten dan nog volledig onder de knoet bij vader Joe, een man met een ijzeren wil en losse handjes.

Om zich van die overheersende ouder bevrijden stapt ze een toxische relatie in met zanger James DeBarge, die angstvallig zijn drugsprobleem verborgen probeert te houden voor haar. Als ze zich ook van hem heeft losgemaakt, vindt Janet eindelijk haar eigen stem. Halverwege de jaren tachtig wordt ook zij een absolute wereldster. Toch blijft er voortdurend die vergelijking met Michael, de oudere broer met wie ze vroeger zo close was. Ten tijde van zijn killeralbum Thriller (1982), nog altijd de best verkochte plaat aller tijden, lijkt ze hem echter helemaal te zijn kwijtgeraakt.

Daar zit ook het verhaal van dit geautoriseerde portret. Niet bij Jacksons artistieke volwassenwording (geschetst met haar producers, choreografen en medespelers in films en series) enkele hardnekkige geruchten die nodig moeten worden ontzenuwd (zoals het kind dat ze in stilte zou hebben afgestaan of dat Nipplegate een ordinaire publiciteitsstunt was) en de obligate quotejes van medebekendheden (Mariah Carey, Questlove?, Whoopi Goldberg, Norman Lear, Missy Elliott en Samuel L. Jackson). Daar zou Janet Jackson, met die punt er dus achter, ook wel zonder kunnen.

De meerwaarde van deze serie, gefilmd over een periode van vijf jaar, zit in de persoonlijke insteek: de inkijkjes bij de Jackson-familie, haar moeizame relatieleven en – vooral – de verhouding tot ‘Mike’, haar iconische broer die alsmaar vreemder gedrag begint te vertonen en steeds nadrukkelijker in verband wordt gebracht met pedofilie. Net als haar broers en zussen heeft de zangeres daar een duidelijke mening over, die ze uiteindelijk dus ook deelt met de buitenwereld.

Al te diep gaat Janet Jackson. uiteindelijk niet in op die bijzonder pijnlijke kwestie, waardoor de meeste vragen onbeantwoord blijven. Al snel roept de plicht weer: het vieren van de muziek en betekenis van de heldin zelf die – logisch en in dit specifieke geval toch frustrerend – op haar eigen merites beoordeeld wil worden.

Children Of The Enemy

‘Te bedenken dat mijn dochter lid is geworden van die terroristische groepering is verschrikkelijk.’ Patricio Galvez, een Chileense muzikant die woonachtig is in Göteborg, kan er met zijn hoofd nog altijd niet bij dat juist Amanda op achttienjarige leeftijd koos voor de Jihad. Hij is haar nu definitief kwijt. Amanda Gonzalez werd op 3 januari 2019 gedood bij een luchtaanval.

‘Ik kon haar niet helpen’, zegt Patricio. ‘Maar ik kan wél iets doen voor de kinderen.’ Zeven heeft zij er achtergelaten, in leeftijd variërend van één tot acht jaar oud. Zonder ouders – want ook vader Michael Skråmo, de beruchte Noorse IS-propagandist, is gesneuveld – verblijven ze in het Syrische opvangkamp al-Hol. Net als talloze andere nakomelingen van geradicaliseerde westerlingen, die zich in de afgelopen jaren hebben aangesloten bij Islamitische Staat.

Van de Zweedse regering heeft Patricio waarschijnlijk niets te verwachten. Veel politici zijn deze kinderen van het Kalifaat – ook al hebben er slechts tachtig de Zweedse nationaliteit en kan hun onschuld nauwelijks worden betwist – liever kwijt dan rijk. Ze blijven tenslotte Children Of The Enemy (96 min.). Er rest grootvader niets anders dan zelf afreizen naar voormalig IS-gebied, om te bekijken of hij van daaruit zijn ondervoede en ziekelijke kleinkinderen naar huis kan krijgen.

Vanuit een ander perspectief belicht deze schrijnende documentaire dezelfde thematiek als The Return: Life After ISIS, een recente film over IS-bruiden, die na de val van het Kalifaat vastzitten in kamp al-Hol omdat hun geboortelanden hen niet terug willen. Het verschil is ook duidelijk: terwijl deze vrouwen zich daadwerkelijk hebben verbonden aan de extremistische ideologie van Islamitische Staat, beschikken Patricio’s kleinkinderen écht over een zuiver geweten.

Galvez wordt op z’n tocht vergezeld door zijn landgenoot Gorki Glaser-Müller. Hij zal steeds directer betrokken raken bij ‘s mans helletocht langs politiek, bureaucratie en journalistiek. Die wordt nog eens bemoeilijkt als ook Patricio’s ex-vrouw zich bij hem meldt. Samen met Amanda bekeerde zij zich enkele jaren geleden tot de Islam. Ze woonde ook enkele jaren in Syrië. Vormt zij nu een veiligheidsrisico voor de kinderen? En moeten die eigenlijk worden beschouwd als moslim?

Voor Patricio Galvez staat bij zulke lastige vragen één ding voorop: de toekomst van zijn kleinkinderen. En Glaser-Müller zit in deze urgente film op de eerste rang bij de emotionele achtbaan waarin hij vervolgens noodgedwongen rondjes maakt. Totdat de hele machinerie tot stilstand komt en duidelijk wordt of Patricio deze nieuwe generatie van zijn familie (voorlopig) kan redden van het Kalifaat.

137 Shots

Netflix

‘Als ik dit opnieuw zou moeten doen, zou ik niets veranderen’ zegt Cynthia Moore, de politieagente die de leiding had over de grootscheepse actie, zonder te verblikken of verblozen tijdens haar verhoor. ‘Het enige wat ik zou veranderen is dat zij hadden moeten stoppen.’

Met ‘zij’ bedoelt Moore het zwarte stel Timothy Russell en Malissa Williams dat in Cleveland, Ohio, is opgejaagd door maar liefst 62 politieauto’s. Ze zouden een paar andere agenten hebben beschoten. Bij die beschuldiging doet zich alleen één klein probleem voor: in hun auto worden uiteindelijk helemaal geen wapens aangetroffen. In de oude Chevrolet zitten, behalve twee overleden mensen, wel 137 kogelgaten. De auto heeft ook een rotte uitlaat. Die wil nog wel eens héél hard knallen.

Het is een wonder dat het op die tragische 29e november 2012 bij twee doden blijft. Ondanks die 137 Shots (105 min.). Voor hetzelfde geld hadden de agenten, die in het wilde weg op de auto schoten, ook elkaar gedood. Openbaar aanklager Tim McGinty kent geen twijfel: dit is FUBAR, Fucked Up Beyond All Recognition, en moet tot vervolging leiden. De politievakbond denkt daar alleen heel anders over. Gezien de omstandigheden is het politieoptreden prima te rechtvaardigen. 

De dodelijke schoten zouden zijn gelost door agent Michael Brelo, staand op de motorkap van de auto van Russell en Williams. Hij doet eveneens zijn verhaal in deze documentaire van Michael Milano. Brelo’s lezing van de gebeurtenissen verschilt alleen wezenlijk van wat er volgens de familieleden van de slachtoffers gebeurd moet zijn. Tot hun grote frustratie stuiten zij in de rechtszaal echter op de zogenaamde ‘Blue Wall’. Alle betrokken agenten dekken elkaar.

Intussen vindt er opnieuw een dodelijke schietpartij plaats in Cleveland. De twaalfjarige zwarte jongen Tamir Rice zou dreigend met een luchtdrukpistool hebben lopen zwaaien in een park. Het filmpje van wat er vervolgens gebeurt als de politie ter plaatse arriveert is ronduit onthutsend. Rice lijkt simpelweg te worden geliquideerd. Als de eerste de beste vuurgevaarlijke crimineel. Herstel: als de eerste de beste zwárte vuurgevaarlijke crimineel.

Het nieuwe incident zet de sowieso al gespannen verhoudingen tussen het politiekorps en de zwarte gemeenschap verder onder druk. Milano plaatst die binnen hun historische context, met bevlogen speeches van Bobby Kennedy en Martin Luther King in Cleveland, en verbindt ze natuurlijk ook met de hedendaagse Black Lives Matter-protesten. 137 Shots wordt daarmee een treffende film over het hedendaagse Amerika, waar zwart en wit nog altijd regelmatig lijnrecht tegenover staan.

Kijk hier de trailer van 137 Shots.

Freddie Mercury: The Final Act

NTR

‘Er gaat het gerucht dat we uit elkaar gaan’, roept Freddie Mercury tijdens een concert van Queen in het Wembley-stadion in 1986. ‘Wat denken jullie?’ Hij wijst demonstratief naar zijn achterste. ‘Ze praten vanuit híer!’ Mercury neemt nog even de tijd om zijn punt te maken: ‘Vergeet al die geruchten: wij blijven bij elkaar tot onze dood!’ Het zullen, helaas, profetische woorden blijken te zijn.

Op dat moment had de Britse zanger al aangegeven bij zijn medebandleden dat hij niet meer wilde toeren. Het HIV-virus zat hem op de hielen. Zonder dat zij het wisten overigens. Officieel dan. Mercury was een ‘dead man walking’, maar over dat onderwerp werd niet gesproken. Hij wilde dat ook niet. De zanger zou uiteindelijk op 24 november 1991 overlijden, op slechts 45-jarige leeftijd.

Via het tragische einde van de Queen-frontman belicht documentairemaker James Rogan in Freddie Mercury: The Final Act (90 min.) de AIDS-epidemie, die de sfeer van onverdraagzaamheid die er in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher sowieso al was ten opzichte van homoseksuelen nog eens versterkte. Was dit misschien de straf die zij kregen – van God natuurlijk – voor hun tegennatuurlijke gedrag?

Do I look like i’m dying of AIDS? fumes Freddie, kopte de Britse tabloid The Sun in die jaren bijvoorbeeld uiterst speculatief. ‘Dat zorgde destijds voor een enorme haat bij mij voor de journalistieke benadering van de Murdoch-kranten’, vertelt Queen-drummer Roger Taylor, die samen met gitarist Brian May uitgebreid terugblikt op dit dramatische hoofdstuk uit de bandhistorie.

Verder komen in deze boeiende documentaire ook Mercury’s zus Kashmira Bulsara, vriendin Anita Dobson en z’n personal assistant Peter Freestone, die zijn ziekteproces van dichtbij meemaakte, aan het woord. Hun herinneringen worden gepaard aan de getuigenissen van enkele homoseksuele mannen die tijdens de AIDS-crisis opgroeiden en zagen wat die aanrichtte.

Intussen is er altijd de muziek van Queen, die binnen deze context helemaal tot zijn recht komt en extra diepte krijgt. Alsof ineens duidelijk wordt wat Freddie Mercury eigenlijk probeerde te zeggen. En in die muziek ligt natuurlijk ook de sleutel naar de verwerking van het verdriet na zijn overlijden en de afronding van deze film: het befaamde Freddie Mercury Tribute Concert For AIDS Awareness.

Op 20 april 1992 verzamelden zich talloze popgrootheden, in Wembley natuurlijk, om eer te bewijzen aan de man en zijn songs. Dan dreigt deze film even een standaard-popdocu te worden, waarin collega’s als Roger Daltrey, Lisa Stansfield en Paul Young ruimte krijgen om uit te spreken hoe bijzonder Freddie Mercury wel niet was. Ook de derde akte levert echter bijzondere verhalen op.

Over het duet bijvoorbeeld dat Elton John, zelf homoseksueel en bovendien een intieme vriend van de Queen-zanger, moest zingen met Guns N’ Roses-zanger Axl Rose, die destijds werd beschuldigd van homofobie. Uiteindelijk reikten ze elkaar tijdens Bohemian Rhapsody letterlijk de hand. En dan is er nog het drama rond George Michael die niet voor niets boven zichzelf uitsteeg in Somebody To Love.

Zulke indringende episodes tillen deze film uit boven het individuele verhaal van Freddie Mercury. Hoewel dat op zichzelf natuurlijk ook al meer dan genoeg tot de verbeelding spreekt.

The Beatles: Get Back

Disney+

‘Zonder de docu gezien te hebben: nee’, tweette Kirsten Verdel deze week. De opiniemaakster reageerde op een Twitter-vraag van het radio 1-programma De Nieuws BV. ‘De Beatles-documentaireserie Get Back is vanaf vandaag te zien. Regisseur Peter Jackson dook in de archieven en maakte er een film van 8 uur van. Is dat niet te lang?’

Dat is eigenlijk de attitude waarmee elke nieuwe release van/rond The Beatles – of Bob Dylan of David Bowie of (zelfs) Queen – wordt ontvangen. Daar kan geen serieuze beschouwing tegenop. Als elke scheet van John, Paul, George en Ringo interessant is – en daar lijkt het op, ik heb me daar hier al eens over uitgelaten – dan doet het er niet meer toe hoe die feitelijk ruikt.

Ik waag toch een poging. Even vooraf: ik ben geen Beatles-fan (en was dit, om dat onderwerp ook maar meteen te tackelen, ooit wél van The Stones), maar heb zowel de rode als de blauwe verzamelaar in huis staan en wil op geen enkele manier het belang van The Beatles voor de popgeschiedenis ondermijnen. Ik wil alleen wel frank en vrij over deze serie oordelen.

De voorgaande alinea’s schreef ik zonder dat ik ook maar een seconde van Get Back (468 min.) had gezien. En daarna ben ik gaan kijken, gewoon zoals ik altijd doe: het bestand openen, linksonder op dat driehoekje klikken en dan maar zien wat er gebeurt. Als het goed is, schuif ik ongemerkt naar het puntje van mijn stoel. En anders zak ik langzaam maar zeker onderuit.

Terzake: Peter Jackson start met een disclaimer. Hij wil ‘een accuraat portret van de gebeurtenissen en personen’ schetsen. Het lijkt een verwijzing naar de tv-special Let It Be die regisseur Michael Lindsay-Hogg in 1970 maakte van de live-opnamen voor de laatste Beatles-elpee. De band was daarover zo ontevreden dat het materiaal voor een halve eeuw in een kluis verdween.

Het beeld dat met die zestig uur beeldmateriaal en honderdvijftig uur audio-opnamen was gecreëerd – van een band die tijdens zijn allerlaatste verrichtingen al volop in ontbinding is, met Paul McCartney als verlichte despoot en John Lennons geliefde Yoko Ono als een soort vleesgeworden splijtzwam – zou zich echter vastzetten in het collectieve geheugen.

Aan Beatles-fan Jackson, een filmmaker die zowel de gigantische speelfilmtrilogie The Lord Of The Rings als de indrukwekkende WOI-docu They Shall Not Grow Old op zijn naam heeft staan, valt nu de eer ten deel om dat beeld te corrigeren. Hij neemt eerst in vogelvlucht de bandcarrière door en stoomt daarna door naar de sessies in de Londense Twickenham Studio’s.

Zijn die interessant? Tis maar hoe je het bekijkt: als je vindt dat elk woord dat de vier met elkaar wisselen, elke riedel die ze samen spelen en elke fase van hun songschrijfproces het documenteren, bewaren en aanzien waard is, dan zeker. Dan is Get Back niets minder dan essentiële geschiedschrijving. Klinkt goed, ziet er geweldig uit en laat ook nog de mensen achter de iconen zien.

Neem bijvoorbeeld het moment waarop George Harrison, met de gemompelde zin ‘I’m leaving the band’, bijna ongemerkt uit The Beatles vertrekt. ‘Als hij dinsdag nog niet terug is, regelen we Clapton’, zegt John Lennon, wanneer ze de dag erop zonder hem repeteren. De navolgende verzoeningspoging, die diverse dagen in beslag neemt, is al even fascinerend.

Ook fraai: de komst van keyboardspeler Billy Preston, als de band inmiddels is verkast naar hun knussere kantoor in Londen. Hij geeft het haperende creatieve proces nieuw elan. De serie bevat alleen ook véél ruis: kleine gesprekjes, groepsoverleg en veel grappen en grollen. Op zich aardig als sfeertekening, maar Jackson had hier echt scherper moeten selecteren.

Zonder het ontzag waarmee ook het koningshuis vaak wordt benaderd – en zijn The Beatles niet gewoon de koninklijke familie van de popmuziek? – is de conclusie zelfs onvermijdelijk: interessante inkijkjes in de groepsdynamiek, geniale muzikale oprispingen en scharnierpunten uit de bandhistorie, maar echt véél te lang. Verteltijd en vertelde tijd lijken bijna één op één te lopen.

Get Back wordt een beetje de docu-variant op wat in de popwereld gemeengoed is geworden. Van belangwekkende artistieke prestaties wordt ook het restmateriaal aan de wereld toevertrouwd: B-kantjes, covers en gesneuvelde tracks. Waarbij de oorspronkelijke magie, afhankelijk van je gezichtspunt, wordt gesmoord in overdaad of juist in context gezet.

Tijdens het bekijken van dit epische werk bekroop mij gaandeweg het gevoel dat ik, in de woorden van muziekjournalist Atze de Vrieze op Twitter, ‘in een boomerfuik gezwommen ben’. Waarin anderen dus het liefst hun halve leven zouden ronddrijven. Zelf zak ik echter langzaam maar zeker onderuit in mijn stoel, terwijl de verwikkelingen rond The Beatles behang dreigen te worden…

En dan gaat het viertal dat dak op voor wat een legendarisch laatste concert zal worden, dat hier voor het eerst integraal, met veel gebruik van split screen (zodat er veel is te kijken) en reacties van omstanders (die het optreden over het algemeen wel kunnen waarderen, al krijgt de politie ook klachten over geluidsoverlast) wordt vertoond.

Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel

SNG Film

Niets zo erg voor een ambachtsman als wanneer zijn instrumentarium hem in de steek dreigt te laten. Een fotograaf heeft behalve een werkend toestel bijvoorbeeld ook twee goed functionerende ogen nodig. Het ene om scherp te stellen, het andere om de situatie in zich op te nemen. Zoals kunstenaar Paul Klee het verwoordt in de opening van dit portret van fotograaf Koos Breukel: ‘Het ene oog ziet, het andere voelt.’

In 1992 raakte Breukel, op weg naar een fotoshoot met zakenvrouw Sylvia Tóth, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Sindsdien heeft hij in zijn rechteroog ‘mouches volantes’, stippen in zijn gezichtsveld. Er moest een staaroperatie aan te pas komen om hem weer scherp te kunnen laten zien, vertelt de fotograaf in Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel (52 min.).

Zijn werk zou er persoonlijker door worden. Hij portretteerde bijvoorbeeld slachtoffers van de vliegramp bij Faro, die kort na zijn eigen ongeluk plaatsvond. De Amerikaanse performer Michael Matthews die overleed aan AIDS. En zijn eigen zoon Casper, aan wie inmiddels een complete expositie is gewijd. Via zijn fotografie, anekdotes daarover en scènes van de vakman in actie probeert regisseur Lex Reitsma vat te krijgen op Breukel.

Het Oog Dat Voelt concentreert zich volledig op het werk van de portretfotograaf. Over hoe hij een stoel gebruikt om de essentie van de mensen voor zijn lens te vangen, zijn grote inspiratiebronnen, de zielsverwantschap met z’n Belgische collega Stephan Vanfleteren en ‘s mans enige concept: dat alles eigenlijk per ongeluk gebeurt.

In deze verstilde en fraai ogende film gebeurt verder verrassend weinig. Via zijn protagonist kijkt Reitsma zorgvuldig, zonder dat dit verder heel enerverend wordt, naar de wereld en laat zien wat Koos Breukels ogen zien en voelen.

The Conservation Game

In zijn aaibare jonge jaren was het luipaard te gast in zowel The Fran Drescher Show als de late night talkshow van Jimmy Kimmel, waar het roofdier nog even in de armen van niemand minder dan Paris Hilton mocht vertoeven. ‘Dit dier is wat ze een onderwijsdier noemen’, vertelde dierentrainer David Salmoni, vaste gast in allerlei televisieprogramma’s met uiteenlopende wilde dieren, er destijds bij. ‘Dus hij gaat straks het land rond om mensen te leren over natuurbehoud en dierenbeheer.’ In werkelijkheid leeft het luipaard nu alweer jaren onder erbarmelijke omstandigheden in een veel te benauwd hok op de Critter Country Animal Farm in Smithton, Pennsylvania.

Het luipaard is bepaald geen uitzondering, volgens Tim Harrison, een voormalige politieagent en wilde dierentrainer uit Ohio. Hij maakt zich boos over hoe er door vakbroeders als Jack HannaJarod Miller en Grant Kemmerer wordt omgesprongen met deze zogenaamde ‘ambassador animals’. Eerst worden ze meegetroond naar televisieprogramma’s, sportwedstrijden en zelfs verjaardagsfeestjes. Zodra de dieren hun schattige fase zijn ontgroeid, worden ze echter rücksichtslos gedumpt. Niet in een nette dierentuin of een speciale opvang, maar op smoezelige achterafboerderijen. Óf ze worden stiekem verhandeld op één van de vele illegale markten, waar zowat elk wild dier te koop is: leeuwen, krokodillen en gifslangen. En die kunnen zomaar in een normale woonwijk belanden.

Waar de levensgevaarlijke dieren uiteindelijk terechtkomen, wordt in elk geval nergens fatsoenlijk geregistreerd, constateert Harrison verontwaardigd. Een gemiddelde poes is aan strengere regels gebonden dan een tijger. De dierenactivist gaat daarom in The Conservation Game (110 min.) op onderzoek uit, gevolgd door een (verborgen) camera. Het wordt een ontluisterende queeste in de schimmige wereld die tevens het decor vormde voor de publiekshit Tiger King: Murder, Mayhem And Madness (waarvan binnenkort overigens een tweede seizoen wordt uitgebracht). Sterker: Carole Baskin van de organisatie Big Cat Rescue, de grote Nemesis van de karikaturale tijgerkoning Joe Exotic, speelt met haar echtgenoot Howard zelfs een bescheiden rol in deze enerverende documentaire van Michael Webber.

De toonzetting is echter aanmerkelijk serieuzer. Geen kolderieke true crime-verwikkelingen in een white trash-setting, maar oprechte woede over en serieus onderzoek naar de dieronwaardige omstandigheden in de wereld van de grote katten. De film belandt zo in het vaarwater van andere documentairepamfletten zoals The Cove, Blackfish en The Walrus And The Whistleblower en werkt uiteindelijk toe naar de verplichte undercoveractie en een politieke vertaling van Harrisons stellingname: de Big Cat Public Safety Act.

Curse Of The Chippendales

Was het simpelweg het idee (een groep mannelijke strippers), de chique uitvoering ervan (een soort tegenhanger van Hugh Hefners playmates) of toch de tijdgeest die er nu eenmaal rijp voor was (de eighties, waarin de gevaren van seks en drugs nog nauwelijks werden onderkend)? Feit is dat The Chippendales begin jaren tachtig overal voor uitzinnige ‘ladies only’-avonden begonnen te zorgen.

‘Take it off’ riepen ze vanuit het publiek, totdat de mannen in kwestie alleen nog een minuscule string droegen. Eerst in thuisbasis Los Angeles, daarna in ‘the place to be’ New York en tenslotte op wereldtournee. Waar de blitse binken ook kwamen – in een nachtclub, gemeenschapshuis of plattelandsdisco – ze werden begroet door dolenthousiaste vrouwen van alle leeftijden en gezindten. Moeder de vrouw kon zich dan ineens gedragen als de eerste de beste lellebel.

‘De hele tent werd op zijn kop gezet’, vertelt Michael Rapp, ooit een gewoon onzeker joch, in Curse Of The Chippendales (193 min.) over zijn allereerste optreden als Chippendale. ‘Voor mij!’ De boomlange adonis zou al snel alle schroom van zich afwerpen en een immens populaire Perfect Man-routine ontwikkelen. Die bracht hem tevens in contact met een lieftallige fan, het blonde fotomodel Nancy Dineen. Tezamen vormden ze een droomkoppel.

Het huwelijkse leven laat zich alleen lastig verenigen met het bestaan van een Chippendale. Zoals het runnen van een stripshow ook moeilijk is te combineren met een normale bedrijfsvoering, zo toont deze smeuïge terugblik van Jesse Vile aan. Zodra het Chippendale-businessmodel goed geld begint op te leveren, begint eigenaar Steve Banerjee bijvoorbeeld uitbundig te clashen met enkele (oud)medewerkers. Dat loopt al snel helemaal uit de hand, met moord en doodslag tot gevolg.

Daardoor krijgt met name het slot van deze vierdelige serie een onmiskenbaar true crime-karakter. De drie zwierige delen daarvoor, waarin de nadruk vooral ligt op het ontstaan en uitventen van het Chippendales-concept, zijn echter zeker zo leuk, niet in het minst door het heerlijke beeldmateriaal van übercoole kerels die er alles (behalve hun string) voor over hebben om hun publiek te plezieren en een zeer gemêleerde groep vrouwen die daarvan ongegeneerd geniet. Het blijft een onweerstaanbaar tafereel, dat een kleine veertig jaar later nog altijd tot de verbeelding spreekt.

Justin Bieber: Our World

Prime Video

‘Ik ben aan het vloggen voor de docu, ik ben aan het vloggen voor de docu’, grapt Justin Bieber in z’n telefooncamera, terwijl hij zijn echtgenote Hailey filmt die achter hem staat. ‘Je bent net een echte influencer, schatje’, reageert zij spottend. Het is oudjaarsnacht 2020. Na drie jaar zonder concerten is de Canadese popster klaar om weer te gaan optreden. Vanwege de coronacrisis besluit Bieber om zelf achter de schermen-materiaal te gaan maken. Volgens een officiële tekst aan het begin van de docu: ‘to give fans the complete story behind this show’.

En daarna gaan alle alarmbellen af. Hier in huis welteverstaan. Niet op het scherm of in de wereld van Justin Bieber. Yours truly – ik dus – vraagt zich af wat hij krijgt voorgeschoteld: een echte documentaire of een als documentaire vermomde promofilm? Enigszins voorbarig wil ik meteen opschrijven: de vraag stellen is hem… Dat is alleen wat al te kort de bocht. Laat ik die docu gewoon kijken en het (voor)oordeel opschorten. Terwijl Justin vlogt voor die docu, ga ik gewoon meetikken. Kijken wat het me – en u, beste lezer – oplevert.

Nog één ding vooraf dan: Bieber speelde eerder dit jaar een fijne bijrol in een film over een andere popster, Billie Eilish: The World’s A Little Blurry. Die documentaire – zonder twijfel (mee) in de steigers gezet door Team Billie en tóch een interessant en diepgravend portret – biedt meteen een prima referentiekader voor deze Bieber-productie van huisfilmer Michael D. Ratner (tevens verantwoordelijk voor Demi Lovato: Dancing With The Devil). Die gaat – wat u, beste lezer, en ik, niet al te beste bespreker, daar ook van vinden – hoe dan ook een miljoenenpubliek bereiken. 

Oké, start. Noteren maar: Justin in slow motion op weg naar het podium. En naar de titel van zijn docu: Justin Bieber: Our World (95 min.). Groots opgezette show, in de buitenlucht. Relatief klein liedje, in eerste instantie. Dansers, lichtshow. Opmerkelijke setting wel: een soort flatgebouw. Met een paar honderd fans. Echt niet meer. Volledig Coronaproof. Oh, tis het Beverly Hilton Hotel. Met Justins podium op het dak. Via de stream kijken dus zo’n 150 landen mee. Vertelt een tekst in beeld.

Effe wat b-roll beelden van de voorbereidingen. Alweer een liedje. Nog één. En dan zijn we ineens weer 28 dagen vóór dat concert. Wat een geweldige groep mensen is dit toch om mee te werken! Ze gaan al zo lang mee. Archiefbeelden. Justin zelf is ook top. Heel loyaal. Komt weer een liedje. Justins docu is nu dik twintig minuten onderweg. Tijd voor een liedje. Blijkbaar. En nog één. Crewlid tijdens voorbereidingen unieke show: Justin is een ‘incredible leader’. Leuke vader ook. Geeft Haley, vloggend, een kusje in de nek. Hij krijgt wel een lamme arm van al dat gevlog. Tijd voor een selfiestick, vindt zijn vrouw.

Liedje. Oefenen van groepsdans voor de show. Hard snijden naar die show. Liedje met dans. Lichtshow erbij. Eerlijk is eerlijk: best spectaculair. Terug in de tijd: een crewlid test positief op COVID-19. Hij mag twee weken niet repeteren. Nog 21 dagen tot de show, waarvan ik nu al zeker een half uur heb gezien. Over de helft van de docu inmiddels, dat wel. Voorbereidingen concert. Nog 8 dagen. Positieve crewlid meldt zich weer. Liedje zoveel.

Pfoeh, nóg drie kwartier docu te gaan. Moed in de schoenen, eerlijk gezegd. Leg de iPad aan de kant. De recensent – ik dus – typt met hoofdletters SCHLUSS! En zet Justins docu op pauze. Definitief, dat wel. Zie hem toch een stuk liever als een soort grote broer in die Billie-film.

Het is me inmiddels glashelder: de vraag stellen was hem inderdaad beantwoorden. Voor de fans vast heel tof, noemde het Jeugdjournaal deze ‘documentaire’ vorige week. Dat kan ondergetekende – ik dus – niet beter onder woorden brengen. Ik ga het niet eens proberen.

Schumacher

Netflix

Nee, ramptoeristen die willen weten – en zien! – hoe het nu met Michael gaat, hebben bij Schumacher (112 min.) niets te zoeken. Deze documentaire van Hanns-Bruno Kammertöns, Vanessa Nöcker en Michael Wech richt zich volledig op ’s mans imposante carrière binnen de Formule 1, waarin hij uiteindelijk zeven wereldtitels en talloze records verzamelde. Schumachers huidige leven – in nevelen gehuld, sinds hij eind 2013 bij een skiongeluk ernstig hersenletsel opliep – blijft volledig buiten beeld.

De film start begin jaren negentig als de voormalige karter Michael Schumacher zich als jonge jongen, ogenschijnlijk vanuit het niets, meldt tussen de grote mannen van het métier, zoals Alain Prost, Nigel Mansell en regerend kampioen Ayrton Senna. Vanaf het begin vormt de Duitse nieuwkomer een bedreiging voor de hegemonie van de Braziliaanse superster. De rivaliteit tussen de twee geboren winnaars zal naar ongekende hoogte oplopen.

Totdat Senna met een dodelijk ongeluk – vanzelfsprekend ook een belangrijk plotpoint in deze documentaire – letterlijk de weg vrijmaakt voor de man die ooit nog posters van hem op zijn jongenskamer had hangen. Het is een wrang voorbeeld van het aloude adagio: De koning is dood, lang leve de koning. Dit blijkt overigens wel een bijzondere vorst. Als tweevoudig wereldkampioen maakt hij enkele jaren later bijvoorbeeld de overstap naar een team dat al sinds 1979 geen winnaar meer heeft afgeleverd, het Italiaanse Ferrari.

Schumacher had last van ‘paranoïde perfectiedrang’ volgens zijn collega Mark Webber, één van de vele Formule 1-insiders in dit psychologische portret van de toonaangevende racer van zijn tijd. Hij reed vooral tegen zichzelf. ‘Heb ik vandaag genoeg gedaan? Wil ik meer doen? Hoe schakel ik tegenstanders uit? Wat moet ik doen om de belangrijkste coureur te blijven?’ Schumacher wilde altijd controle hebben en kon het volgens F1-baas Bernie Ecclestone dan ook nauwelijks accepteren als hij iets fout had gedaan.

Het beeld van een man die soms nét – of gewoon: veel – te ver ging voor een overwinning wordt in deze enerverende sportfilm op op talloze manieren geïllustreerd door teamgenoten en concurrenten zoals Mika Häkkinen, Damon Hill, Eddie Irvine en David Coulthard. Zijn vader Rolf, broer Ralf, vrouw Corinna en kinderen Gina en Mick belichten dan weer vooral de zachte kant van ‘Schumi’: een familiemens met oog voor alles en iedereen om hem heen, een ongegeneerd feestbeest en een man die zich desondanks niet gemakkelijk echt openstelde voor anderen.

Het is onvermijdelijk dat sommige sprekers in de verleden tijd spreken over Michael Schumacher. Simpelweg omdat ze hem al een aanzienlijke periode niet meer hebben gezien. Of omdat de Michael Schumacher waarover zij spreken niet meer bestaat. ‘Het is nooit bij me opgekomen dat Michael iets kon overkomen’, vertelt Corinna. Nadat hij zijn raceautosleutels definitief had ingeleverd, leek er ook geen reden meer te zijn voor zorgen over de mogelijke gevaren van zijn levensstijl. En toen was er dat ongeluk op die skipiste in het Franse Méribel.

De man die nog niet zo lang geleden de Formule 1 beheerste leeft nu een klein leven, te midden van de mensen die hem lief hebben. ‘Michael heeft ons altijd beschermd’, zegt zijn echtgenote daarover ferm. ‘En nu beschermen wij hem.’

The Truffle Hunters

Of Aurelio Conterno de geheime plekken wil prijsgeven waar hij ze vindt? De 84-jarige truffeljager peinst er niet over. ‘Maar wat nu als er morgen iets met jou gebeurt?’ werpt zijn gesprekspartner tegen. ‘Dan gaat al jouw kennis verloren.’ Die neemt Aurelio echter met liefde en plezier mee het graf in.

Grote vraag is alleen wat er dan met zijn grote liefde Birba moet gebeuren. De hoogbejaarde jager uit het Italiaanse Piedmont is nooit getrouwd en heeft ook geen kinderen. Bij wie kan hij zijn dierbare hond kwijt? Het moet in elk geval iemand zijn die een ervaren truffelspeurder op waarde weet te schatten. Ze wijden er in The Truffle Hunters (84 min.) menig gesprek aan, de sensitieve hond en zijn trouwe tweevoeter.

Uiterst liefdevol portretteren Michael Dweck en Gregory Kershaw intussen een stilaan verdwijnende gemeenschap, waarbinnen truffels als eetbare diamanten worden gezocht, verhandeld en gegeten. Behoudens enkele scènes vanuit het perspectief van één van de honden beweegt de camera daarbij nauwelijks. De documentairemakers vangen de cultuur, mores en bedreigingen (strychnine!) in sfeervolle en bloemrijke tableaus.

Zo is er bijvoorbeeld de glorieuze scène van een connaisseur die in een restaurant een truffelgerecht krijgt opgediend, uitgebreid besnuffeld en daarna verlekkerd verorberd. In één enkel tafereel wordt de essentie van de man en zijn passie blootgelegd. Of de woede van een truffelveteraan die er nu echt mee wil stoppen, maar een haperende typemachine op zijn weg vindt. Hoe kun je niet van zulke paradijsvogels gaan houden?

Uiteindelijk is dit ook eerst en vooral een film van hartveroverende personages. Zoals ook de 88-jarige Carlo Gonella en zijn hond Titina. Het duo wordt in de kerk toegesproken door meneer pastoor. Volgens hem kunnen ze in het hiernamaals gewoon op truffels blijven jagen. Carlo’s vrouw Maria Cicciù heeft alleen liever niet dat hij dit in het hier en nu in het donker doet. Te gevaarlijk. Hij zou zich kunnen bezeren!

The Truffle Hunters, in de loop van drie jaar gefilmd en opgefleurd met een heerlijk melancholieke soundtrack van Ed Côrtes, schetst even kalm als trefzeker een intrigerend, droogkomisch en teder portret van een herfstige wereld die zijn langste tijd leek te hebben gehad – en nu toch is vereeuwigd.

Trial In The Outback: The Lindy Chamberlain Story

‘The dingo’s got my baby!’ Die ene zin zou de geschiedenis ingaan en meteen het lot van Lindy Chamberlain-Creighton bezegelen. De Australische vrouw was in 1980 met haar man Michael en hun kinderen aan het kamperen in het rotsachtige Uluru-gebied. En toen zou er dus een verwilderde hond zijn gekomen, die haar jongste dochtertje Azaria meenam. Het kind, negen weken oud, werd nooit meer gezien. In de tent bleef wel bloed achter. Even verderop werd een jumpsuit aangetroffen.

De tragische gebeurtenis, onder de noemer A Cry In The Dark verfilmd met Meryl Streep en Sam Neill (die tevens de voice-over voor deze docu verzorgt) veroorzaakte een enorme mediahype en zou uitmonden in een eindeloze stroom complottheorieën. Die smolten uiteindelijk samen tot één enkel uitgangspunt: Lindy, inmiddels de meest gehate vrouw van haar land, had haar eigen kind vermoord. Uitroepteken. Een jaar later werd ze officieel aangeklaagd. De veroordeling volgde snel: Azaria’s moeder, inmiddels alweer zwanger van een dochtertje, verdween levenslang achter slot en grendel.

Iedereen had kunnen bedenken dat dit een gerechtelijke dwaling moest zijn, zo betoogt Trial In The Outback: The Lindy Chamberlain Story (148 min.), waarin de hoofdpersoon, haar kinderen en talloze betrokkenen veertig jaar na dato hun verhaal doen. Ontlastende verklaringen en bewijzen waren er volop, waaronder berichten over aanvallen van zeer agressieve dingo’s in dezelfde omgeving. Maar Barbertje, lid van een sowieso al gewantrouwde kerkgemeenschap, moest hangen. Enne… ‘the dingo was framed’.

Hoewel dit drama zich begin jaren tachtig afspeelde, voelt deze tweedelige documentaire opvallend actueel. Nuchter legt regisseur Mark Joffe allerlei mechanismen bloot, die we wellicht eerder associëren met het huidige tijdsgewricht, van nepnieuws, wappies en trial by social media. De zaak Azaria Chamberlain, die ook onmiskenbaar gelijkenissen vertoont met de dramatische verdwijning van de Britse peuter Madeleine McCann, toont evenwel aan dat een blind volksgericht van alle tijden is en echt geen algoritmen nodig heeft.

Memories Of A Murderer: The Nilsen Tapes

Netflix

‘Normaal gesproken heb je bij een moord een slachtoffer en ga je op zoek naar de moordenaar’, stelt rechercheur Steve McCusker. ‘In dit geval hadden we een moordenaar, maar hij wist niet wie de slachtoffers waren.’

In de flat en voormalige woning van Dennis Nilsen in Londen had de politie in 1983 de lijken van diverse jonge mannen aangetroffen. Het waren er in totaal vijftien of zestien volgens de man des huizes, werkzaam als leidinggevende bij het plaatselijke arbeidsbureau. Een schrikbarend aantal, dat op een naargeestige manier deed denken aan de bijna dertig dode jongens die waren gevonden in de kruipruimte onder de woning van de beruchte Amerikaanse seriemoordenaar John Wayne Gacy.

Nilsen wilde best over zijn daden vertellen, hoor, maar kon zich de details écht niet meer voor de geest halen. Herinneringen had de voormalige politieman niettemin genoeg, zo bleek later. In zijn gevangeniscel vertrouwde hij die met liefde en plezier toe aan een serie cassettebandjes. Ze hebben nu hun weg gevonden naar Memories Of A Murderer: The Nilsen Tapes (85 min.). ‘Ik ben een man’, zegt Dennis Nilsen daarop. ‘Geen monster. Raar, hè?’

Was de man knettergek of oerslecht? Regisseur Michael Harte probeert er de vinger achter te krijgen via interviews met politieagenten, nabestaanden, collega’s en zijn advocaat en benadrukt verder het duistere karakter van diens verhaal met onthullend archiefmateriaal, unheimische gestileerde beelden en onheilszwangere muziek. Het resultaat is stemmig, onrustbarend en niet al te cheap en behoort tot de betere exemplaren die de lopende band van seriemoordenaarsdocu’s in de afgelopen jaren heeft afgeleverd.

Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story

Op de schouders van de gigant David Bowie, als directe reactie op de eerste punkgolf en snakkend naar een eigen signatuur vond een nieuwe generatie Britse jongeren eind jaren zeventig een thuisbasis in de Londense club The Blitz. Daar ontstond een Europese evenknie van het Amerikaanse Studio 54, waar zich een frisse incrowd van kunstenaars, modeontwerpers en muzikanten vormde. De zogenaamde ‘new romantics’. Ze waren arrogant, extravagant en genderfluïde.

Onder deze Blitz Kids – type kijken en bekeken worden – bevonden zich toekomstige pophelden als Boy George (Culture Club), Gary Kemp (Spandau Ballet) en Midge Ure (Ultravox) en de messcherpe modeontwerpers Michele Clapton, Fiona Dealey en Stephen Jones. Die willen in deze joyeuze documentaire van Bruce Ashley en Michael Donald natuurlijk maar al te graag vertellen over de tijd dat zij tot ‘the happy few’ behoorden en een geheel eigen stijl – op het snijpunt van pop, mode en kunst – begonnen uit te dragen. Ze realiseerden zich vrijwel direct: ‘Dit is mijn stam.’

Gezamenlijk hebben zij, constateren ze nu in het sjiek uitgevoerde Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story (90 min.), ook het pad geëffend voor mannen en vrouwen die zich buiten de voor hun gender en geslacht gebaande paden wilden wagen. Van outcast kon je wel degelijk incrowd worden. En tussendoor kwam – om de cirkel helemaal rond te maken – zowaar hun grote inspirator Bowie nog op bezoek in de glamoureuze club van het illustere duo Rusty Egan en Steve Strange. Hij vroeg enkele sleutelfiguren uit de scene bovendien om de videoclip voor zijn hitsingle Ashes To Ashes op te fleuren.

Dat is een mooi verhaal uit de oude doos, waaruit ook de ‘new romantics’ tegenwoordig met liefde en plezier putten. Ze zijn natuurlijk allang ‘old romantics’ geworden. Bevangen door de nostalgie over hun jeugd die ons allemaal ooit overvalt.

Boogie Man: The Lee Atwater Story

Zijn naam blijft voor altijd verbonden aan die van Willie Horton. De zwarte Amerikaan heette in werkelijkheid William Horton, maar Willie klonk nu eenmaal gevaarlijker. Zoals het beleid om weekendverlof te geven aan gedetineerden ook niet afkomstig was van de Democratische gouverneur van Massachusetts Michael Dukakis, maar van één van diens voorgangers, Francis Sargent, een Republikein nota bene.

Voor Lee Atwater (1951-1991), de spin doctor van de Republikein George H. Bush, was dat in 1988 echter helemaal geen beletsel: presidentskandidaat Dukakis werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de roofoverval, gewelddaden en verkrachting die de archetypische boze zwarte man ‘Willie’ pleegde tijdens zijn verlof. ‘Tegen de tijd dat wij klaar zijn’, pochte Atwater toentertijd zonder enige vorm van schaamte, ‘denken mensen dat Willie Horton de running mate van Dukakis is.’

De beruchte racistische campagnespot zou een sleutelrol spelen in de verkiezing van zijn baas tot president van de Verenigde Staten. Hoewel Lee Atwater ook een rol(letje) zou spelen bij andere Republikeinse presidenten zoals Nixon, Reagan en Bush Jr., stellen vrienden, collega’s en opponenten in Boogie Man: The Lee Atwater Story (88 min.) dat hij eigenlijk helemaal geen zwaar doortimmerd conservatief gedachtengoed had. De politieke profi uit South Carolina had maar één ideaal: winnen. Ten koste van alles en iedereen, waaronder hijzelf.

In dat verband bevond de man met ‘the eyes of a killer’ zich voortdurend in goed gezelschap, kerels die nog altijd met liefde en plezier over Atwater vertellen: Ed Rollins (een belangrijke politieke adviseur van het Republikeinse icoon Reagan en tevens de leermeester van Atwater, die hem een mes in zijn rug zou steken), Karl Rove (Atwaters voormalige rechterhand en de mannetjesmaker van George W. Bush) en Roger Stone (Donald Trumps dirty trickster). Om de huidige Republikeinse partij te kunnen begrijpen, is kennis van de persoon, tacticus en straatvechter Lee Atwater eigenlijk onontbeerlijk.

Dit traditioneel opgebouwde portret van Stefan Forbes uit 2008 belicht weliswaar ’s mans getraumatiseerde jeugd, zijn affiliatie met de opper-segregationist Strom Thurmond en die opmerkelijke voorliefde voor de bluesgitaar, maar concentreert zich natuurlijk vooral op het centrale verhaal van Atwaters carrière: de presidentscampagne van ‘88. En daarbij komen zowaar ook Bush’ grote tegenstrever Michael Dukakis en zijn echtgenote Kitty aan het woord. Zij werden voor het leven getekend door de vuile trucs van ‘de Amerikaanse Machiavelli’.

Uiteindelijk zouden de malicieuze aantijgingen ook Lee Atwater zelf inhalen. Een typisch geval van boontje komt om zijn loontje. Toen de spin doctor par excellence als dertiger terminaal ziek werd en toch nog wroeging leek te krijgen, bleek hij zich niet meer los te kunnen maken van zijn eigen creatie: Willie Horton was een toonbeeld geworden van racisme in de Amerikaanse politiek en Atwater ging de herinnering in als de gewetenloze instigator daarvan.