Beelden Van Piet Hein

NTR

Denkbeelden zijn veranderlijk, stelt Tim van den Hoff in zijn documentaire Beelden Van Piet Hein (69 min.). Standbeelden niet. Van de heldenstatus van Piet Hein (1577-1629) lijkt bijna vierhonderd jaar na zijn dood in elk geval weinig over. Op diverse plekken in Nederland zijn eerbetonen aan de Hollandse zeeheld te vinden, die zo langzamerhand nodig gerestaureerd moeten worden – als ze al niet beklad zijn door activisten. Want moeten zulke negatieve symbolen van het kolonialisme niet gewoon subiet worden verwijderd?

Behalve in Nederland, waar Van Den Hoff ‘vier eeuwen van heldenverering, propaganda en verzamelwoede, van nationale trots en zwarte bladzijdes’ aantreft, is Piet Hein tevens een bekende figuur in Cuba. Bij de baai van Matanzas zou hij in 1628 immers de veelbezongen zilvervloot, kostbaarheden van de Spaanse koloniën in Amerika, hebben buitgemaakt op Spanje. En daarmee verkreeg die Nederlandse admiraal ook een mythische status op het Caribische eiland, waar een plaatselijke kunstenaar nu de opdracht krijgt om zijn standbeeld een opfrisbeurt te geven.

Intussen ligt de zeevaarder in eigen land dus onder vuur. Hij is de belichaming geworden van een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis, een man die direct wordt geassocieerd met het slavernijverleden van ons land. Als de gemeente een ‘emotienetwerksessie’ organiseert bij zijn standbeeld in het Rotterdamse Delfshaven, komt er bijvoorbeeld nogal wat opgekropte woede boven. Deze kerel van stavast – de rechterhand op zijn bevelhebbersstaf, de linker om het gevest van zijn degen – wordt door sommige aanwezigen beschouwd als de archetypische ‘grote boze witte man’.

De tegenstrijdige gevoelens die Piet Hein tegenwoordig oproept hebben ook hun weerslag op de restauratie van zijn grafmonument in Delft. Moet die worden uitgelegd als heldenvereniging, van een man die met hedendaagse ogen bekeken toch bepaald niet van onbesproken gedrag is? En als we er dan tóch mee aan de slag gaan, vraagt directeur Nyncke Graafland van de Oude en Nieuwe Kerk Delft zich af, is het dan niet logisch om ook dat botje en haar van Piet Hein, die nu tot de collectie van het Rijksmuseum behoren, daarna met hem te begraven? Hoe denken ze daar bij het museum over?

Trefzeker en zeker ook niet zonder humor schetst Tim van den Hoff de actuele status van een nationale held, die met de jaren in een ander daglicht is komen te staan – en die, wie ’t weet mag ‘t zeggen, over een tijdje mogelijk nóg weer anders wordt bekeken. Hoe ga je om met zo’n omstreden icoon, rekenend houdend met zowel de historie als de hedendaagse gevoeligheden? Van den Hoff dient alle verwikkelingen op met een lekker losse voice-over en een weelderige soundtrack van componist Ernst Reijseger en belicht zo op luchtige wijze een gevoelig maatschappelijk thema.

Samen Vreemdgaan?

BNNVARA

‘Relatie-oriëntatie…’, leest Veronique voor vanaf haar laptop. ‘Je kan maar één ding aanklikken’, zegt ze tegen haar partner Juan. ‘Open minded, swinger, polyamoreus of monogaam.’ Samen zijn ze op zoek naar een man-vrouw. Hij heeft alvast een tekstje bedacht voor een contactadvertentie. ‘Leuk en ondeugend stel is op zoek naar een ander leuk en ondeugend stel – of een single vrouw.’

Veronique, die als enige niet herkenbaar in beeld wordt gebracht in deze documentaire van Jesse Bleekemolen, heeft al dertien jaar een relatie met de zestiger Juan. Bij eerdere relaties heeft ze gemerkt dat ze na een jaar of twaalf steeds behoefte kreeg aan een ander. Veronique zou daarom nu wel eens ‘een fijne ontmoeting met alles wat op dat moment respectvol is’ willen uitproberen.

Waar Veronique en Juan op latere leeftijd nog aan het begin van hun swingersbestaan staan, hebben de twee andere stellen uit Samen Vreemdgaan? (62 min.) al beduidend meer ervaring. De twintigers Jolieke en Casper, die al zeven jaar een relatie hebben, maken zich op voor een SpicyMatch-vakantie op Sicilië. En Mendy en Jelle zijn inmiddels zelf feesten voor swingers van onder de veertig gaan organiseren.

Bleekemolen bespreekt met hen allerlei aanverwante thema’s. Van de schaamte, jaloezie en onzekerheid die kunnen opspelen bij bezoeken aan parenclubs of swingersdates tot afspraken, grenzen en biseksualiteit. Geen onderwerp lijkt taboe, zonder dat het ongemakkelijk of juist té gemakkelijk wordt. Voor de stellen is swingen simpelweg de relatievorm die hun voorkeur heeft.

Mendy vergelijkt swingen met een vakantiewoning. ‘In je eigen huis kan je harstikke leuk wonen’, zegt ze nuchter. ‘Maar soms wil je effe gewoon in een andere omgeving zitten.’ Swingen is voor Jelle en haar niets minder dan een ‘way of life’ geworden. Doordat ze nu feesten organiseren, zijn ze zelf alleen minder in de gelegenheid om te swingen. Want dat die je nu eenmaal niet op je eigen party.

Samen Vreemdgaan? volgt hoe de twee zo’n feest voorbereiden, maar reist ook mee naar het swingende Sicilië en volgt Juan en Veronique bij hun eerste bezoek aan een parenclub. Dat is niet direct een succes. Hij ziet ’t wel zitten, maar zij is duidelijk nog niet zover. Als ze vervolgens thuis een ander stel uitnodigen, waarschuwt Veronique hem meteen: het wordt zeker niet meteen ‘een honkiebonkie doen’.

Met sfeerimpressies van swingers in actie – niet braaf gefilmd en gemonteerd, maar zeker ook niet ranzig – en intense danssequenties brengt Jesse Bleekemolen de documentaire op temperatuur. Waarna hij tot slot nog bij zijn hoofdpersonen aftast wat dat swingen voor hen betekent. Het gaat niet louter om seks, maar ook om escapisme en (zelf)vertrouwen.

The Missing Piece: Mona Lisa, Her Thief, The True Story

First Hand Films

Als meisje werd Celestina Peruggia ‘kleine Mona Lisa’ genoemd. Ze had geen idee waarom. Pas later hoorde de Italiaanse vrouw dat haar vader Vicenzo de Mona Lisa op maandag 11 augustus 1911 had gestolen uit het Franse museum Het Louvre. Het wereldberoemde schilderij was daarna bijna tweeënhalf jaar van de aardbodem verdwenen. Totdat Vicenzo Peruggia Leonardo da Vinci’s meesterwerk, dat door de diefstal alleen maar aan bekendheid had gewonnen, doodleuk weer inleverde in Florence.

Waarom stal een eenvoudige werkeman, één van de vele en overigens ook weinig geliefde Italiaanse arbeidsmigranten in het toenmalige Frankrijk, Da Vinci’s fameuze kunstwerk? Het is een vraag die de Amerikaanse schrijver en documentairemaker Joe Medeiros in 2012 al een jaar of dertig bezighoudt. Eerst wilde hij erover schrijven. Het lukte hem alleen niet om tot een fatsoenlijk scenario te komen. Daarom heeft Medeiros de camera maar ter hand genomen. En daarmee is hij, na het nodige speurwerk, zowaar in het Noord-Italiaanse plaatsje Dumenza beland, waar de inmiddels 84-jarige Celestina op hem wacht met een knuffel en cake.

Zij moet de Amerikaanse documentairemaker verder helpen bij zijn queeste naar wat er zo’n honderd jaar geleden is gebeurd met dat veelbesproken schilderij. Medeiros gaat zowel grondig, met serieuze research en een hele zwik deskundigen, als ook heel speels te werk. Hij laat bijvoorbeeld een bevriende pizzeria-eigenaar het officiële psychiatrische rapport over Peruggia vertalen, vraagt zijn eigen dochter Julie om te testen of je de Mona Lisa onder je kleding kunt verbergen en keert met Vicenzo’s kleinzoon Silvio, zoals een dader volgens de volkswijsheid altijd pleegt te doen, terug naar de plaats delict, waar de hoofdverdachte een tijd werkte als schilder.

Tijdens zijn onderzoek voor de kostelijke documentaire The Missing Piece: Mona Lisa, Her Thief, The True Story (86 min.) stuit Joe Medeiros beurtelings op interessante nieuwe sporen, broodje aapverhalen en onbezonnen complottheorieën. Vicenzo Peruggio zou bijvoorbeeld een patriot zijn geweest die vond dat de Mona Lisa in Italië hoorde, een wraaklustige gastarbeider die er genoeg van had om ‘Dirty Macaroni’ te worden genoemd en een doorgewinterde crimineel, wiens brein was beneveld door een tijdens het verven opgelopen loodvergiftiging. En, ook nog een optie: misschien heeft hij ’t wel helemaal niet gedaan. Uitroepteken.

Waren ’t dan misschien ‘De Duitsers’? Die stonden op dat moment immers ook op het punt om de Eerste Wereldoorlog te starten met de Fransen. Op het rijtje verdachten van de Franse politie prijkten verder: de Amerikaanse bankier JP Morgan, kunstenaar Pablo Picasso en de illustere markies van Valfierno. Kortom: spannende onderzoekspistes, verhalen en kleurrijke personages genoeg. En Medeiros kneedt die, met een luchtige voice-over en ondersteund door vlotte klassieke muziek, tot een zeer amusante vertelling, die stiekem ook nog wel ergens over gaat. Zijn bezoek aan Vincenzo Peruggia’s dochter dreigt alleen op een gigantische mislukking uit te lopen.

Want vrijwel direct nadat Celestina hem thuis heeft ontvangen, komt het hoge woord over haar vader eruit: ‘Ik heb nooit het genoegen gehad om hem te kennen.’

Killer Lies: Chasing A True Crime Con Man

National Geographic

In de loop van veertig jaar sprak hij volgens eigen zeggen met maar liefst 77 seriemoordenaars. En zeker in Frankrijk geldt Stéphane Bourgoin al enkele decennia als een absolute autoriteit op het gebied van deze ‘sexy’ moordenaars. Totdat er in het true crime-wereldje serieuze twijfel ontstaat over al zijn beweringen. Het online-burgercollectief The 4th Eye Corporation gaat op onderzoek uit en vindt al snel aanwijzingen dat de killerexpert, die ooit werd getraind door de legendarische FBI-profiler John Douglas (Mindhunter), uitgebreid sprak met Charles Manson en tientallen boeken schreef over seriemoordenaars, in werkelijkheid een doorgewinterde fantast is. Een ‘Serial Mytho’.

Misschien was zijn levensverhaal ook wel te ‘mooi’ om waar te kunnen zijn: in 1976 werd Stéphanes vriendin Eileen om het leven gebracht door een brute killer. Die tragische gebeurtenis zou hem op het spoor van seriemoordenaars hebben gezet. En dat bracht hem begin jaren negentig in de Verenigde Staten, waar hij voor een documentaire mocht spreken met tot de verbeelding sprekende killers zoals Gerard Schaefer, Ottis Toole en Ed Kemper. Volgens zijn toenmalige collega’s gedroeg Bourgoin zich daarbij als een kind in een snoepwinkel, een ‘fanboy’ die z’n lotsbestemming had ontdekt – en de kortste weg naar wereldwijde roem. Waarbij een beetje fabuleren geen bezwaar bleek.

Nu wordt Stéphane Bourgoin zelf kritisch doorgelicht in Killer Lies: Chasing A True Crime Con Man (129 min.), een driedelige serie die is gebaseerd op een artikel in The New Yorker van de Amerikaanse journalist Lauren Collins. Zij treedt ook op als getuige-deskundige in deze productie, die tevens een metablik wil werpen op het true crime-genre – in het verlengde van true crime²-producties zoals I’ll Be Gone In The Dark, Citizen Sleuth en Cybersleuths: The Idaho Murders – en de werking van de media in het algemeen. In een tijd waarin gewone burgers steeds vaker zelf het voortouw nemen, zoals bijvoorbeeld het Nederlandse ‘wisdom of the crowd’-initiatief Bureau Dupin.

Voor Bourgoin lijkt de werkelijkheid een homp klei die je naar eigen believen kan kneden en vervolgens mag verkopen, soms letterlijk, binnen je eigen verhaal. Dat klinkt onschuldiger dan het is. Zo spreekt hij bijvoorbeeld met Dahina Sy-Le Guennan, een getraumatiseerde jonge vrouw die een aanval van de beruchte Franse seriemoordenaar Michel Fourniret heeft overleefd. Daarna meldt Bourgoin doodleuk in een televisieprogramma: ‘Het interview is onderdeel van een drie uur durende DVD die ik deze week uitbreng.’ Enige tijd later figureert zij, zonder overleg, ook nog in een graphic novel over de Fourniret-zaak. Het is helder: volgens Bourgoin mag misdaad wel degelijk lonen.

Dan rest nog de vraag waarom Stéphane Bourgoin zich decennialang zo gigantisch heeft vergaloppeerd. ‘Veel schrijvers liegen nu eenmaal over hun eigen biografie’, probeert de man zelf de kwestie met een boutade af te doen, als hij in de slotaflevering van deze miniserie van Ben Selkow zowaar voor de camera verschijnt. Daarmee neemt de filmmaker geen genoegen. Samen met Lauren Collins gaat hij de confrontatie aan. Zo hopen ze Bourgoin eindelijk te kunnen ontsluiten, diens signatuurverhaal over ‘Eileen’ in het bijzonder, en te begrijpen waarom de man zo achteloos met de waarheid omgaat.

Jimmy Carter: Man From Plains

Sony Pictures Classics

‘I’m only trying to make it to vote for Kamala Harris.’ Vanuit het hospice waar hij sinds februari 2023 wordt verpleegd, komt begin augustus het bericht dat Jimmy Carter hoopt dat hij nog eenmaal mag stemmen. Daarna kan de voormalige Amerikaanse president (1977-1981), die op 1 oktober ook honderd jaar oud wordt, zich met een gerust hart voegen bij zijn vrouw Rosalynn, die in november 2023 op 96-jarige leeftijd is overleden.

‘s Mans buitengewone leven begint op een eenvoudige pindaboerderij in Georgia, de staat waarvan hij later gouverneur zal worden. Van daaruit zet hij de stap naar een presidentschap, dat zeker niet door iedereen als een succes wordt beschouwd. Dat geldt wél voor de dik veertig jaar erna, als de ‘elder statesman’ Carter overal in de wereld strijdende partijen bij elkaar probeert te brengen en essentiële vredesakkoorden weet te sluiten. Het levert hem in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede op.

Enkele jaren later, in het najaar van 2006, sluit regisseur Jonathan Demme (The Silence Of The Lambs, Philadelphia en Stop Making Sense) aan bij de politicus, inmiddels in de tachtig, voor Jimmy Carter: Man From Plains (125 min.). Carter heeft dan net een controversieel boek uitgebracht, Palestine: Peace Not Apartheid, waarover hij in gesprek gaat met Amerikaanse media. Die hebben in zijn optiek ‘abominabel’ bericht over de Palestijnse kwestie. Ze zijn veel te veel op de hand van Israël.

Daarvoor is, naast eigenzinnigheid, ook politieke moed nodig. Behalve woedende opiniestukken, kritische vragen van interviewers als Charlie Rose, Larry King en Wolf Blitzer en allerlei boze burgers krijgt Carter echter ook lof van gewone Amerikanen (en Palestijnen, die hem komen bedanken voor zijn bijdrage aan het debat). Over het algemeen houdt Carter zich tijdens zijn boektour zonder al te veel moeite staande, ook tijdens geladen interviews met de Israëlische televisie en Al Jazeera.

Tussendoor bezoekt hij zijn eigen Carter Center in Atlanta, een non-profit organisatie die de strijd aanbindt met wereldwijde thema’s als armoede, ziekte en onrecht, en steekt hij de handen uit de mouwen voor Habitat For Humanity, dat zich dan bezighoudt met het herbouwen van huizen in New Orleans, nadat de orkaan Katrina daar in 2005 ongenadig huis heeft gehouden. Intussen beijvert zijn echtgenote Rosalynn zich voor betere geestelijke gezondheidszorg voor Amerikaanse jongeren.

Zij is ‘t ook die herinneringen ophaalt aan hoe haar echtgenoot in 1978 het vredesakkoord tussen Israël en Egypte mogelijk maakte. Volgens Rosalynn trok Carter als president de besprekingen vlot door de kleinkinderen van de toenmalige Israëlische leider Begin erbij te betrekken. Op gezette moment snijdt Demme intussen door naar crisissituaties in Israël en de Palestijnse gebieden, om de noodzaak van een blijvende oplossing voor dit nog altijd door etterende conflict te benadrukken.

Deze observerende documentaire uit 2007 moet ’t verder niet hebben van dramatische ontwikkelingen of messcherpe confrontaties. Daarvoor is de hoofdpersoon ook een te vriendelijke en beheerste man. Illustratief is een scène van Jimmy op reis. Als hij een vliegtuig instapt – gewoon een reguliere vlucht, geen privétoestel – krijgt elke afzonderlijke passagier een hand. Waarbij het de vraag is, of hij inderdaad ‘heel gewoon’ is gebleven of toch ‘gewoon’ een doorgewinterde politicus is.

Jimmy Carter: Man From Plains toont in elk geval een man die dan al de huidige leeftijd van president Joe Biden heeft bereikt en die onvermoeibaar blijft pleiten voor de zaken die hem aan het hart gaan. En zeventien jaar later is hij er dus nog steeds: een heel eind uitgeleefd, maar klaar om een stem uit te brengen op de Democratische kandidaat die wellicht de eerste vrouwelijke president van de VS gaat worden.

In de fijne documentaire Jimmy Carter: Rock & Roll President (2020) wordt overigens belicht hoe de Democratische president in het Witte Huis een podium bood aan allerlei muzikanten zoals Bob Dylan, Bono, Nile Rodgers, Gregg Allman en Willie Nelson. Zij betonen hem in deze film alle eer.

Daughters

Netflix

Veel dochters moeten er waarschijnlijk helemaal niet aan denken: een Date With Dad. Dat wordt natuurlijk anders als ze hun vader alleen kennen in zo’n typisch oranje kloffie, omdat hij een groot deel van hun jeugd in de gevangenis heeft doorgebracht. Een aantal van zulke Daughters (108 min.) en hun gedetineerde vaders krijgen nu de kans, als afsluiting van een tienweeks coachingsprogramma, om samen naar een vader-dochterbal te gaan.

Het Date With Dad-programma werd een jaar of twaalf geleden in Richmond, Virginia, opgezet door de Afro-Amerikaanse activiste Angela Patton en is nu ook uitgebreid naar Washington DC. Het is ontwikkeld vanuit betrokkenheid bij alle zwarte meisjes die opgroeien met ‘de vaderwond’. Deze film, die Patton heeft gemaakt met Natalie Rae, volgt enkele vaders en dochters tijdens het proces dat ze doormaken tijdens die tien weken – en lang daarna.

Het wordt ‘een emotionele achtbaan’, waarschuwt ‘fatherhood life coach’ Chad Morris de gedetineerde mannen bij aanvang. En dat geldt evenzeer voor deze film, waarin zij en hun kinderen – in leeftijd uiteenlopend van vijf tot vijftien jaar – worden geobserveerd. Soms hebben ze elkaar al een behoorlijke tijd niet gezien. Van fysiek contact is sowieso vaak geen sprake geweest. In veel Amerikaanse gevangenissen zweren ze tegenwoordig bij ‘video-ontmoetingen’.

De eerste helft van deze geladen film richt zich op het introduceren van de meisjes en hun ouders en op het traject waarin de mannen, waarvan de delicten overigens nauwelijks aan de orde komen, worden klaargestoomd voor een ontmoeting met hun kind. Intussen spreken ze met elkaar over de relatie met hun eigen vader en het ouderschap in het algemeen. Sommige mannen vrezen dat hun eigen dochters wel eens doodsbang voor hen zouden kunnen zijn.

Ja’Ana kan zich het gezicht van haar vader Frank bijvoorbeeld nauwelijks herinneren. Het elfjarige meisje mocht hem van haar moeder Unita niet bezoeken in de gevangenis, ‘Hoezo wil jij een band met haar?’ had Unita hem een tijdje geleden gevraagd. ‘Terwijl je toen je vrij was, niets met haar te maken wilde hebben?’ Nu maken vader, dochter én moeder – via de zogenaamde ‘mother-daughter circle’ – zich op voor een hernieuwde kennismaking.

Als iedereen klaar is en de pakken, jurkjes en schoenen zijn gepast, kan het bal beginnen, gewoon in de gevangenis overigens. Er wordt gedanst, geknuffeld en gepraat. ‘Als ik braaf ben, ben ik over zeven jaar thuis’, zegt gedetineerde Keith bijvoorbeeld tegen zijn vijfjarige dochter Aubrey, als ze elkaar eindelijk weer in de armen mogen sluiten. ‘Als jij een tiener bent, zal papa weer thuis zijn.’ Het is bedoeld als een bemoedigende boodschap.

Niet alle ontmoetingen gaan vanzelf. Daarvoor is er soms te veel gebeurd – of juist niet. Het resulteert in elk geval in aangrijpende taferelen. Van mannen die voor enkele uren weer vader proberen te zijn en meisjes die daarvan optimaal genieten – of die vreemde man op zijn minst even tolereren. ‘Blijf toegewijd aan ze’, drukt vaderschapscoach Chad hen nog op het hart. ‘Je moet er voor hen zijn.’ Waarna hij een paar keer zijn mantra herhaalt. ‘Ze hebben je nodig.’

Patton en Rae blijven tijdens het gehele traject dicht bij hun hoofdpersonen en verbinden de verschillende fasen in het proces met poëtische beeldsequenties over het ouderschap. Daarna proberen ze het effect van de dates te vatten. Heeft het samenzijn van deze zwarte vaders en de kinderen van wie ze vervreemd zijn geraakt, een schrijnend bijeffect van de ‘mass incarceration’ van Afro-Amerikaanse mannen, iets wezenlijks teweeg gebracht?

Tegelijkertijd groeit Daughters uit tot een film die weinigen onberoerd zal laten.

James Ensor. De Man Achter Het Masker

VRT

‘s Mans leven en werk roepen driekwart eeuw na zijn dood nog altijd meer vragen op dan er antwoorden voorhanden zijn. De verschillende sprekers in James Ensor. De Man Achter Het Masker (55 min.) krijgen er hun vinger maar niet achter. Hij is ‘the first Belgian modern artist’ (kunsthistorica Susan Canning), ‘die schilder vanuit de Vlaanderenstraat’ (een buurtgenote die als kind doodsbang voor hem was) en vooral ‘een blijvend intrigerend geval’ (curator Herwig Todts).

Al op de Koninklijke Academie Voor Schone Kunsten in Brussel wilde James Ensor (1860-1949) volgens archivaris Patrick Florizoone de uitzondering zijn – ook al was hij er helemaal geen hoogvlieger. Ensor was ervan overtuigd dat hij uitzonderlijk was. Kunstacademies waren in zijn optiek voor kortzichtigen, voor lieden die het gebaande pad namen. Hij daarentegen wilde raken met zijn werk. ‘Hij cultiveert hoe hij miskend werd’, aldus Florizoone. James Ensors wapen wordt het licht. Compromisloos blijft hij de grenzen opzoeken en laat anderen dan ontzet of bewonderend achter.

De Intrede Van Christus In Brussel, het pièce de résistance van de tegendraadse kunstenaar uit Oostende uit 1889, hangt sinds 1987 in het J. Paul Getty Museum te Los Angeles. Ensor schilderde ‘t op z’n achtentwintigste – als statement en reactie op Dimanche d’Été à La Grande Jatte,het meesterwerk van zijn op dat moment toonaangevende collega Georges Seurat – maar liet het daarna veertig jaar lang hangen in z’n eigen atelier. In LA weten ze er nog altijd niet goed raad mee. Het schilderij is extra hoog opgehangen en omgeven door sculpturen, zodat het de rest niet in de weg zit.

Ensors werk is kleurrijk, agressief, filmisch, provocatief en luguber, toont deze krachtige film van Maarten Vandeursen en Pieter Verbiest, waarin ook Oostendenaar Sam Louwyck, schilder Fred Bervoets en kunstenaar Paul McCarthy hun licht laten schijnen over die enigmatische man met meer vijanden dan vrienden. Vreemd is dat overigens niet. Ook in zijn schilderijen trapt Ensor wild om zich heen. Naar notabelen – men neme bijvoorbeeld Doctrinaire Voeding waarin hij koning Leopold en co letterlijk in de bek van het gewone volk laat schijten – maar ook naar de kunstwereld zelf.

James Ensor wil de hypocrisie blootleggen. Ontmaskeren. Letterlijk: door het veelvuldig gebruik van maskers in zijn schilderijen. Zijn oeuvre heeft nog niets aan kracht ingeboet, betoogt deze documentaire, gezegend met een onheilszwangere soundtrack, die zijn kunst weer helemaal in het nu plaatst. Dat is knap: hoe een man en zijn werk, 75 jaar na zijn dood, weer tot leven worden gewekt. Zodat het mysterie Ensor wordt verlicht en toch blijft voortbestaan.

The Man With 1000 Kids

Netflix

‘This man has really fucked with the wrong women’, zegt de Amerikaanse ‘vruchtbaarheidsfraude-activiste’ Eve Wiley heel stellig, terwijl ze ferm in de camera kijkt. De jonge vrouw bedoelt het figuurlijk. Niet letterlijk. Althans, dat is doorgaans niet het uitgangspunt geweest.

De quote fungeert als uitroepteken achter het intro waarmee de driedelige docuserie The Man With 1000 Kids (124 min.) van Josh Allott wordt opgestart en de belangrijkste bevindingen van de komende twee uur alvast zijn aangekeild: de Nederlandse muzikant/vlogger Jonathan Jacob Meijer kon als spermadonor wel eens duizend kinderen op de wereld hebben gezet, zou zich ten doel hebben gesteld om de aardbewoner met de grootste kinderschare te worden en heeft ondertussen een spoor van verwarring en vernieling getrokken door de wereld van vrouwen met een onvervulde kinderwens en het nageslacht dat zij via/met hem hebben gecreëerd. Zit u klaar voor het on-ge-lóóf-lij-ke verhaal van deze – doorhalen wat niet van toepassing is – aartsleugenaar, geilneef en/of übernarcist?

Wensmoeders kunnen bij Jonathan terechtkomen via reguliere Nederlandse spermabanken, het wereldwijd opererende bedrijf Cryon International óf de toch wat verdachte website Verlangen Naar Een Kind. Ze leren hem kennen onder zijn eigen naam, als ‘Ruud’ of – vanwege zijn lange golvende haar – onder de noemer ‘Viking’. Hij houdt de vrouwen voor dat hij hooguit vijf kinderen wil verwekken. Als hij er concreet naar wordt gevraagd door een moederpaar dat nog wel een tweede kind van hem wil, noemt Jonathan schoorvoetend het aantal van 25. Hoewel ze daarvan schrikken happen de vrouwen tóch toe. Hij helpt hen vervolgens aan sperma in een openbaar toilet in een winkelcentrum te Leidschendam. Ze vinden het raar en walgelijk, maar insemineren het zaad wél.

De droom om een kind te krijgen begint voor veel moeders dan verdacht veel op de spreekwoordelijke nachtmerrie te lijken. En als de schaal van zijn levenswerk tot hen doordringt, is de ellende niet te overzien. Ze zijn woest over het bedrog (dat verder gaat dan wie dan ook zich kan voorstellen, inclusief mogelijk zoiets onsmakelijks als een ‘spermaroulette’), maken zich zorgen over hun kinderen (zijn die niet meer dan een nummer en hoe voorkomen zij later onbedoelde incest?) en hebben wezenlijke vragen over de maatschappelijke implicaties (hoeveel nakomelingen heeft Jonathan over honderd jaar en vormen die dan een bedreiging voor de biodiversiteit?). Deze miniserie werpt zulke vragen op, maar graaft verder niet al te diep naar de antwoorden. Die zouden het hap-slik-weg gehalte van de productie ook alleen maar bederven.

The Man With 1000 Kids concentreert zich liever op het relaas van een groep volstrekt onschuldige vrouwen die ernstig zijn geschaad door een onverbeterlijke veelpleger en verpakt dat wuft, met gelikte reconstructiebeelden en kekke muziekjes, als een typisch ‘good women love a bad man’-crimestory. Uit dezelfde Netflix-fabriek die eerder pak ‘m beet The Tinder Swindler en The Puppet Master afleverde. De bedrogen moeders – voor het overgrote deel afkomstig uit een Nederland dat nog vooral uit polderlandschap en molens lijkt te bestaan – vertellen hoe de ‘massadonor’ hen in de luren heeft gelegd en hoe boos ze nu op hem zijn. ‘I’m gonna hang you by your balls from the highest tree’, dreigt de één. ‘Don’t mess with a mom’, zegt een ander. In klassiek Steenkolenengels.

Een undercoveractie van de verzamelde moeders en bijbehorende rechtszaak, teneinde Jonathan te dwingen om zijn levenswerk af te breken, zijn dan al aanstaande. Tegelijkertijd stuiten ze op een ingenieus complot rond massadonoren, dat wordt gerund vanuit Kenia. Dit angstaanjagende idee wordt echter alleen aangestipt, maar verder niet nageplozen. Intussen blijft de hoofdpersoon, die natuurlijk niet wilde meewerken aan deze productie, een groot raadsel. Wat bezielt iemand om, ja, de hele wereld rond te reizen en overal, tussen het vloggen over cryptovaluta en de lessen des levens door, kinderen te verwekken? Zijn slachtoffers kunnen er alleen over speculeren. En in deze docuserie zit niemand die hem écht kent – als die al bestaat. Jonathan Jacob Meijer blijft een enigma.

The Man With 1000 Kids ontstijgt daardoor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het thematisch verwante Het Zaad Van Karbaat, nooit het niveau van een bizar verhaal, dat in chocoladeletters met de wereld wordt gedeeld.

Jonathan Meijer noemt de serie intussen tegenover de BBC ‘misleidend’.

Generatie Pa

Bind / NTR

Iemand die voor zijn kinderen zorgt, sommen de drie hoofdpersonen van deze film van Bibi Fadlalla aan het begin op. De beschermer van het gezin en een held voor z’n kinderen. Een vader, kortom. Logisch en toch niet vanzelfsprekend. In het leven van veel kinderen ontbreekt zo’n vaderfiguur. De man zelf laat verstek gaan of is er wel, maar blijft emotioneel afwezig.

In Generatie Pa (55 min.) laat Fadlalla drie zwarte vaders uit Rotterdam, recht in de camera kijkend, aan het woord over hun rol als ouder: jongerenwerker en muzikant Jay Janga, muzikant en organisator Ruwhel Emers en theatermaker en spoken word-artiest Mich Simon, alias Young Mich Poetry (Y.M.P.). Zij hebben stuk voor stuk natuurlijk ook herinneringen aan hun eigen vaders: aan die eerste niet geheel legale autorijles op hun zeventiende, de bezoeken aan drugshuizen of het tevergeefse wachten als hij weer niet kwam opdagen om iets met hen te gaan doen.

Ieder heeft zo z’n eigen beelden bij het vaderschap meegekregen – en dus ook hoe ’t niet moet. En nu proberen ze er zelf het beste van te maken: voorlezen, naar de kermis, een spelletje doen, corrigeren of een nieuw huisdier introduceren. Hun vrouwen blijven intussen vrijwel volledig buiten beeld in deze sfeervolle film. Ze omringen zich wel met vrienden en praten dan over van alles en nog wat. Over slechte rolmodellen zoals R. Kelly en Bill Cosby bijvoorbeeld. En, bij de kapper, of je niet eens moet nadenken voordat je wéér een kind verwekt bij een nieuwe vrouw.

Fadlalla omkleedt hun bespiegelingen, activiteiten en gesprekken met fraaie symbolische sequenties die de vaderrol en het vaderschap representeren, pept de boel op met een bloemrijke soundtrack en levert zo een film af die qua thematiek en opzet netjes aansluit bij twee andere recente Nederlandse documentaires over mannen van nu: Zonen Zonder Vaders (Tessa Louise Pope) en Lucky Boy (Roshan Nejal). Want die nieuwe generatie mannen is genoodzaakt om zich te verhouden tot de hedendaagse wereld en hun eigen rol daarbinnen.

Jim Henson: Idea Man

Disney+

‘Je hebt geen rijm of reden nodig voor een liedje’, playbackt de hand. Waarna die ‘tududududududuududuuu…’ nepneuriet. Vanuit een gebrandschilderd raam kijken Ernie en Bert toe hoe Jim Henson zijn hand laat zingen. Hij heeft hen zelf gecreëerd en met diezelfde hand talloze malen Ernie gespeeld. Samen met zijn maatje Frank Oz, die hier de loftrompet steekt over zijn collega. Hij nam dan Bert voor zijn rekening.

Het is een fraaie scène, bijna halverwege Jim Henson: Idea Man (107 min.) gepositioneerd: een meester aan het werk, met een hand die kan spreken en nu dus lijkt te zingen. Poppenspeler, animator en filmmaker Jim Henson (1936-1990) heeft dan al talloze (experimentele) films op zijn naam staan en begin jaren zeventig voor het eerst een eclatant succes geboekt met zijn poppen voor Sesamstraat. Hij bedacht onvergetelijke creaties zoals Kermit de kikker, Pino en het Koekiemonster voor het educatieve kinderprogramma.

Misschien is de tijd nu rijp voor een plan dat hij al enige tijd tevergeefs op televisie probeert te krijgen: The Muppet Show. In het tv-programma, dat al snel ontzettend populair zal worden, keert zijn alter ego Kermit terug, maar presenteert Henson ook gedenkwaardige nieuwe helden zoals Miss Piggy, Gonzo, de Zweedse kok, Fozzie Beer en Statler & Waldorf. En daarmee kan Ron Howard, de Hollywood-regisseur die zich steeds meer is gaan toeleggen op docu’s, dan weer lekker vooruit in deze biografie van de beeldbepalende kunstenaar.

Howards documentaire richt zich vooral op Hensons professionele carrière, waarin hij steeds nieuwe uitdagingen bleef aangaan. De creatieve duizendpoot noemde ‘t zelf een ‘iedere seconde van je leven-baan’. Daarvoor zouden hij en zijn directe omgeving ook de prijs betalen, maar ‘s mans naaste medewerkers en kinderen, die vrijwel allemaal in zijn voetsporen zijn getreden, oordelen in deze liefdevolle film heel mild over hem. Henson was een man met een nooit opdrogende stroom ideeën, die wel nagejaagd móesten worden.

In de slechts 53 jaar die hem werden vergund heeft Jim Henson de wereld zo een heel klein beetje beter gemaakt. En zijn creaties, die met een hedendaagse blik bezien uitgangspunten als diversiteit en inclusie uitdragen, leven onverminderd voort. Hele generaties zijn ermee opgevoed én voeden ermee op.

Dancing For The Devil: The 7M TikTok Cult

Netflix

Met de dansvideo’s op hun account ‘The Wilking Sisters’ hebben Miranda en haar jongere zus Melanie op TikTok een miljoenenpubliek opgebouwd. Als Miranda in 2021 naar Los Angeles vertrekt om een professionele danscarrière te starten en een nieuwe vriend ontmoet, danser James ‘BDash’ Derrick, raakt ze echter al snel volledig buiten beeld. Miranda heeft zich aangesloten bij 7M, het management van Robert Shinn. Die heeft talloze bekende dans-influencers onder contract, maar houdt er tevens zijn eigen religieuze beweging op na, de Shekinah-kerk.

De rest van de Wilking-familie begint te vermoeden dat Miranda in de greep is geraakt van een sekte en stelt alles in het werk, waaronder een dramatische oproep via social media, om de jonge vrouw weer in de armen te kunnen sluiten. Dat is het startpunt van de driedelige docuserie Dancing For The Devil: The 7M TikTok Cult (159 min.), waarin Derek Doneen vervolgens inzoomt op de achtergronden van de Shekinah-kerk en de enigmatische oprichter daarvan. Tussendoor volgt hij de pogingen van de Wilkings en andere ouders om contact te leggen met hun kind, dat lijkt te zijn gehersenspoeld door ‘de Man van God’, en de initiatieven van oud-sekteleden om hun recht te halen.

Want zoals dat gaat bij dit soort geestelijk leiders, gaandeweg eigenen ze zich alle macht, het geld en de vrouwen toe. Robert Shinn vormt daarop geen uitzondering. Hij is daarmee een beetje een dertien-in-een-dozijn sekteleider, die zich hooguit in een geheel up to date-omgeving ophoudt. Daardoor voelt ook Dancing For The Devil soms wel erg vertrouwd. Been there, done that, kissed the ring, zoiets – al is de serie lekker bijdetijds vormgegeven, met stuwende muziek ook, en bevat het slotdeel volop actie en emotie als voormalige Shekinah-volgelingen in het geweer komen tegen de beweging en verweesde familieleden zoals Dean, Kelly en Melanie Wilking zich bij hen aansluiten.

Intussen danst Miranda Derrick, die inmiddels in afwezigheid van haar familie in het huwelijksbootje is getreden, vrolijk (?) verder voor haar anderhalf miljoen volgers op TikTok.

Cocksucker Blues

Robert Frank

Het moest een soort All Access Areas-pas worden. Een ongefilterde blik achter de schermen bij de Amerikaanse tournee van The Rolling Stones in 1972, waarbij de Britse rockband z’n nieuwe dubbelalbum Exile On Main Street ging promoten. Het eindresultaat bleek echter zo 18+ dat Mick Jagger en consorten het toch maar niet met de wereld wilden delen.

En dat was weer tegen het zere been van Robert Frank, de maker van Cocksucker Blues (95 min.). De Zwitsers-Amerikaanse fotograaf, die eerder het artwork voor de veel geprezen dubbelaar had gemaakt, verzette zich met hand en tand. The Stones hadden hem zelf gevraagd. En hij had precies geleverd wat er was afgesproken: een ruige direct cinema-film over het leven ‘on the road’. Een soort ‘flies on the wall’-docu, afwisselend in zwartwit en kleur, waarvoor Mick en alleman een camera ter hand mocht nemen, om ‘slices of tour life’ te vangen.

Enkele jaren eerder waren The Stones ook al het onderwerp geweest van een observerende documentaire, Gimme Shelter (1970). Dat was de band uiteindelijk niet al te best bekomen. In deze klassieke popdocu van de gebroeders Maysles en Charlotte Zwerin was te zien hoe Hells Angels een concertganger om het leven brachten tijdens het Stones-concert op het Altamont-festival – en hoe Mick Jagger dat huiveringwekkende tafereel voor het eerst terugzag in de montageruimte. ‘Altamont’ werd een dramatisch uitroepteken achter de jaren zestig. 

Toch was dat voor de band blijkbaar geen beletsel om opnieuw een cameraploeg – behalve Frank was ook z’n protegé Daniel Seymour van de partij – toe te laten bij hun terugkeer naar de Verenigde Staten. Voor wat een typische tourfilm over ‘the greatest rock & roll band on earth, voor het eerst voorzien van dat overbekende tonglogo, zou worden. Live-uitvoeringen van Brown Sugar, Midnight Rambler, Street Fighting Man en een mash-up van Uptight en (I Can’t Get No) Satisfaction met Stevie Wonder, vermengd met alle mogelijke ongein.

Met hedendaagse ogen zie je dan – op z’n best – jochies, kwajongens, doerakken, die zich te buiten gaan aan alles wat God verboden heeft – en de Duivel hen blijkbaar heeft opgedragen. Een neukpartij in het tourvliegtuig. De televisie die gitarist Keith Richards met saxofonist Bobby Keys uit een hotelraam kiepert. Een jonge groupie die een heroïnespuit zet. De verplichte spelletjes biljart en kaart onderweg. Vluchtige ontmoetingen met kunstenaar Andy Warhol, schrijver Truman Capote en zangeres Tina Turner. En Jagger die een mespuntje coke snuift. 

Het is de leegte van het rock & roll-bestaan, in al z’n decadentie, lamlendigheid en hedonisme vereeuwigd voor het nageslacht. Rommelig, ranzig en op z’n eigen manier ook weer saai en routinematig. On the road to nowhere, zoiets. Door Robert Frank tamelijk chaotisch vastgelegd en voorzien van een collageachtige geluidstrack. Waarbij de focus net zo goed ligt op de entourage van The Rolling Stones als op de bandleden zelf, die alle actie meestal eerder bezien – of van een soundtrack voorzien – dan er voluit in participeren.

Mick Jagger en de zijnen zaten nochtans niet te wachten op zo’n ruige registratie van hun tournee en schakelden de rechter in. Na een rechtsgang van ruim vier jaar werd in 1977 bepaald dat Cocksucker Blues voortaan slechts enkele malen per jaar mocht worden vertoond, in het kader van een soort retrospectief van Robert Frank en liefst ook in zijn aanwezigheid. Intussen groeide de morsige documentaire in de beleving van veel rockfans uit tot een cultfilm, een ultieme uiting van – maakt uit duizenden herkenbaar handgebaar – rock & roll.

My Name Is Alfred Hitchcock

Dogwoof

’Oh, ik weet zelf ook wel dat ik al veertig jaar dood ben’, zegt Alfred Hitchcock (1899-1980) aan het begin van deze absolute tour de force van Mark Cousins. ‘En er is zoveel veranderd in die jaren. Toch? Zijn jullie met die 5G-telefoons werkelijk zoveel meer verfijnd dan de onschuldige mensen die gilden bij Janet Leighs onfortuinlijke ondergang, alleen in een klinische doucheruimte, in dat verschrikkelijke motel, in Psycho?’

Hoewel het verstand ‘nee’ zegt, is het toch verdomd lastig om niet mee te gaan met de premisse voor Cousins film My Name Is Alfred Hitchcock (120 min.): dat het daadwerkelijk de grote regisseur is die tot je spreekt en niet acteur Alistair McGowan die ‘the master of suspense’ griezelig goed nadoet. Dat de gedachten die door deze uit duizenden herkenbare stem (toch?) uit het grote brein van Hitchcock komen en niet uit het vast niet veel minder grote brein van Mark Cousins.

Laten we de basisgedachte maar accepteren. Weerstand is zinloos – en ook lang niet zo prikkelend, inspirerend en leuk. Op onnavolgbare wijze duikt ‘Hitch’ dus in zijn eigen oeuvre, dat meesterwerken zoals The BirdsNorth By NorthwestVertigoMarnie en Strangers On A Train omvat en van pak ‘m beet Cary Grant, James Stewart en Gregory Peck en de actrices Ingrid Bergman, Grace Kelly en Tippi Hedren onvergetelijke iconen van de twintigste eeuw heeft gemaakt.

Cinefiel Cousins, die al diverse films over film maakte en eerder ook al een andere legende binnenstebuiten keerde in The Eyes Of Orson Welles (2018), laat Hitchcock aan de hand van de thema’s ontsnapping, verlangen, eenzaamheid, tijd, vervulling en hoogte en talloze daaraan verbonden speelfilmfragmenten een psychologisch portret van ‘zichzelf’ schetsen. Intussen geeft hij een masterclass film, met elementaire lessen als: vertraag als je personage haast heeft.

Een speelduur van twee uur is voor 21e eeuwse ogen misschien wat erg overdadig, maar deze duivels knap gemaakte film over hoe Hitchcock de beeldtaal naar zijn hand heeft gezet, zichzelf daarmee kon verwerkelijken en ons allen aan het witte doek of televisiescherm gekluisterd heeft/houdt, zorgt zowel voor leering als vermaack. Waarbij de oude meester op typisch Britse en lekker pedante wijze scènes duidt, in een bredere context plaatst en verbindt met zijn eigen bestaan.

Alfred Hitchcock is na z’n overlijden ook zijn kenmerkende gevoel voor humor niet kwijtgeraakt. Als Tippi Hedren een sigaret opsteekt in The Birds neemt die film even een korte adempauze. ‘Dit noemen jullie tegenwoordig ‘mindfulness’, of niet?’

The Kid Stays In The Picture

USA Films

The Kid Stays In The Picture (94 min.), zou de legendarische filmproducent Darryl Zanuck hebben gezegd. Daarmee was de discussie over Robert Evans definitief beslecht. Eerder hadden schrijver Ernest Hemingway en de acteurs Tyrone Power, Ava Gardner en Eddie Albert nog een brief geschreven aan Zanuck: als Evans de rol van Pedro Romero speelt, wordt onze film The Sun Also Rises een gigantische flop. Alleen co-ster Errol Flynn had zich afzijdig gehouden. Die moest wel lachen om alle drukte.

Het joch blijft in de film, schreeuwde Zanuck dus door een megafoon, toen hij Robert Evans eenmaal aan het werk had gezien als de Spaanse stierenvechter. En iedereen die het daar niet mee eens is, voegde hij eraan toe, kan zelf vertrekken. Robert Evans wist het ondertussen zeker: dit wil ik ook. Vanaf dat moment was zijn acteercarrière ten dode opgeschreven. Een legendarische filmproducent werd daar, op die verdeelde filmset, geboren: Bob Evans (1930-2019), de man achter Hollywood-klassiekers als Rosemary’s Baby, Love Story, The Godfather, Chinatown en Serpico.

Althans, dat is de versie van zijn levensverhaal die Evans opdist in deze typische Hollywood-film van Brett Morgen en Nanette Burstein uit 2002, die weer is gebaseerd op zijn eigen gelijknamige autobiografie. Omdat een leven ook maar gewoon een leven is – en dus niet zomaar een verhaal wordt. Dat maakt de verteller er dus zelf van, met een oneliner van Darryl Zanuck – zou die daadwerkelijk ooit zo zijn uitgesproken? – als inciting incident. Waarna de gelikte vertelling die Evans van zijn eigen lotgevallen heeft gemaakt van start kan.

Via belangrijke plotpoints – ’s mans eerst contract bij Paramount Pictures, zijn Hollywood-huwelijk met Love Story-ster Ali McGraw (die hem uiteindelijk inruilde voor Steve McQueen), z’n partygedrag met elke keer een andere schone aan zijn arm, de onvermijdelijke megaflop (The Cotton Club) en het ontslag bij Paramount dat uiteindelijk het logische gevolg was – op weg naar een klassiek point of no return, geïllustreerd met klassieke scènes uit zijn eigen films, als hij in de jaren tachtig werkeloos, berooid en depressief zijn leven en loopbaan lijkt te moeten eindigen.

Hollywood zou echter Hollywood niet zijn – en Evans niet Evans – als er niet toch nog een happy end in het verschiet lag in dit vermakelijke, als een klassieke Hollywood-film opgebouwde en aangeklede portret van een man die als geen ander de gouden jaren van de Amerikaanse filmindustrie representeert.

Cameraperson

Janus Films

Ook wanneer je als Cameraperson (102 min.) opereert als de spreekwoordelijke ‘fly on the wall’ en de werkelijkheid alleen maar lijkt te registreren, ben jij degene die bepaalt wat de wereld krijgt te zien. Als cameraman, cinematograaf of pak ‘m beet ‘director of photography’ (DOP) kies je immers de plek, het frame, de achtergrond, het perspectief en de belichting van wat de beurtelings onthullende, meedogenloze of juist verliefde camera vastlegt.

Na 25 jaar ‘schouderen’ of staan achter een statief, waarin ze werkte voor klassieke documentaires zoals Citizenfour (Laura Poitras), Fahrenheit 9/11 (Michael Moore) en This Film Is Not Yet Rated (Kirby Dick), maakt Kirsten Johnson in deze persoonlijke film uit 2016 de balans op. Het zijn de memoires van een cameravrouw die veel van de wereld heeft gezien en laten zien: Nigeria, Jemen, Darfur, Oeganda, Afghanistan, Liberia én Bosnië, waarnaar ze in deze documentaire steeds weer terugkeert. Naar een oorlog, die van geen ophouden wil weten. Johnson laat ook zien hoe ze werkt. Het zoeken naar een shot. Het scherpstellen. En de opmerkingen vanachter de lens, de gesprekjes die daar soms worden gevoerd en de aanwijzingen richting de mensen voor de camera.

Samen met filmmakers, producers, fixers en tolken bezoekt ze plekken des onheils. Het motel waar Servische soldaten zich schuldig maakten aan massaverkrachting. De pickup truck van drie witte racisten, waarachter de zwarte Amerikaan James Byrd Jr. in 1998 met een ketting werd gehangen. Wounded Knee, waar in 1890 honderden Sioux-indianen werden afgeslacht en ook navolgende generaties ‘native Americans’ gewond raakten. Het Tahrir-plein in Cairo waar de Arabische Lente werd neergeslagen. En de Rwandese Nyamata-kerk waar Hutu’s tienduizend leden van de Tutsi-stam om zeep hielpen. En natuurlijk ontbreekt ook het World Trade Center in Johnsons eigen thuisbasis New York niet, het toneel van de terroristische aanslagen van 9/11.

Kirsten Johnson zet haar camera tevens op persoonlijke subjecten: haar kleine kinderen Viva en Felix bijvoorbeeld (terwijl die de dop weer op de lens proberen te krijgen). Haar moeder Catherine Joy Johnson, enkele jaren nadat zij is gediagnosticeerd met Alzheimer. En haar vader Dick, die ze in 2020 nog zal vereeuwigen in de geweldige documentaire Dick Johnson Is Dead. Cameraperson wordt zo tegelijkertijd een intieme terugblik op een enerverend (werk)leven en een boeiende bespiegeling op beeld: wat het is, hoe het wordt verkregen en wat het te weeg kan brengen. Waarbij de camera – dat mag echter geen verrassing heten – nooit liegt.

Lucky Boy

EO

‘Jeezus, je gaat toch niet zeggen: ik wil dit niet’, probeert Calvin het sentiment te verwoorden, waarmee hij regelmatig, al is het alleen in zijn eigen hoofd, krijgt te maken. ‘Je bent toch geen watje, je gaat toch neuken, man. Kom nou!’

In de ogen van de buitenwacht moeten mannen zoals Calvin en de vier andere geïnterviewden in deze korte docu van Roshan Nejal niet zeuren. Ze kunnen zomaar seks hebben met een vrouw. Dan ben je toch een Lucky Boy (27 min.)? Alleen hadden deze jonge mannen op dat moment helemaal behoefte aan geen seks. Dat wilden, konden of durfden ze echter niet te zeggen.

Via hun gesprekspartner Nejal spreken ze zich alsnog uit, recht in de camera. Hij vraagt onbevreesd, maar respectvol, door als zij moeite hebben om de juiste woorden te vinden of die over hun lippen te laten komen. Want als je geen seks wilt, ben je dan eigenlijk wel een echte man? En spreek je überhaupt wel eens, met andere mannen, oprecht en eerlijk over seks?

Het is duidelijk een delicaat onderwerp voor deze vijf mannen – en, ben ik zo vrij, alle andere Nederlandse mannen. Schaamte speelt zonder enige twijfel een rol. Ook dat het hen, als man, is overkomen. Zoiets gebeurt in wezen toch alleen met vrouwen? Tegelijkertijd kampen zij met soortgelijke gevoelens als het ‘zwakke’ geslacht: hebben ze ’t er zelf niet naar gemaakt?

En schuldgevoelens over erecties en orgasmes. De mannen lijken het sowieso lastig te vinden om zichzelf als slachtoffer te zien. ‘Dan denk ik gelijk dat een ander de dader moet zijn’, vertelt Marco, die ooit zijn testosterongehalte liet meten om te kijken of er toch niet iets mis was. ‘Ik zie degenen met wie ik seks heb gehad of seksuele handelingen heb uitgevoerd zeker niet als daders.’

Ze weigeren alle vijf om met een beschuldigende vinger te wijzen. Of het moet naar henzelf zijn: waarom heb jij, een jonge en gezonde kerel, die situatie niet gewoon voorkomen – of beter nog: ervan genoten? Daarmee wordt deze sensitieve en genuanceerde interviewfilm een soort zelfonderzoek van/door de moderne man, die van kwetsbaarheid zijn kracht maakt.

Al kunnen onverbeterlijke lucky boys er evengoed een identiteitscrisis in zien van diezelfde hedendaagse man, die als een gekortwiekte Samson door het leven moet.

Bobby Sands: 66 Days

Fine Point Films & Cyprus Avenue Films

Op 1 maart 1981, dag 1 van de hongerstaking, weegt hij 64 kilo. Zijn lichamelijke toestand wordt in de officiële rapportage omschreven als ‘satisfactory’. 65 Dagen later, op 5 mei 1981, sterft Bobby Sands, een toonaangevende figuur in het illegale Irish Republican Army (IRA) die behandeld wil worden als een politieke gevangene, in de Maze-gevangenis in Long Kesh. Hij heeft al enkele dagen zijn zicht verloren en is buiten bewustzijn geraakt.

Beelden zijn er nauwelijks van ‘s mans eenzame strijd tegen het leven, om de Republikeinse zaak, bevrijding van Noord-Ierland uit het Verenigd Koninkrijk, te dienen. De Britse autoriteiten hoopten zo wellicht – tevergeefs, natuurlijk – Sands’ status als IRA-martelaar in te dammen. Voor Bobby Sands: 66 Days (110 min.) heeft regisseur Brendan J. Byrne dus de cel laten nabouwen van zijn protagonist, die ondanks zijn gevangenschap enkele weken eerder is gekozen als parlementslid. Deze cel fungeert als decor voor de steeds terugkerende rapportages over zijn lichamelijke gesteldheid. En die worden weer vergezeld door persoonlijke geschriften van Sands, ingelezen door Martin McCann.

Dag 15 bijvoorbeeld, als de film bijna een half uur onderweg is. 15 maart 1981: Bobby Sands weegt dan 57,5 kilo, zijn fysieke toestand is desondanks nog steeds ‘satisfactory’. ‘Zo nu en dan voel ik de natuurlijke behoefte om te eten, maar het verlangen naar het einde van de opgave voor mijn kameraden en de bevrijding van mijn volk is zoveel groter’, schrijft de 27-jarige activist uit Rathcoole dan, te midden van verhalen over zijn eenzame strijd van voormalige celmaten en bewaarders in het zogenaamde H-Block van Long Kesh. ‘Ze zullen ons niet criminaliseren, beroven van onze werkelijke identiteit of depolitiseren. Nooit mogen ze onze vrijheidsstrijd delegitimeren!’

Deze film uit 2016, ingekleurd met animaties en een sferische soundtrack, wil echter meer zijn dan een aangrijpend portret van het gezicht van ‘The Troubles’ en plaatst Sands en de bloedige periode waarvan hij een symbool is geworden in hun historische en maatschappelijke context. Byrne neemt daarnaast de tijd om in te zoomen op thema’s als geweldloos verzet, de impact van martelaren en het belang van iconische beelden daarbij. Zo ontstaat een krachtige, gelaagde vertelling over hoe zelfopoffering een machtig wapen kan worden in een gevecht dat anders nauwelijks is te winnen. Er is alleen een man met een ijzeren wil nodig die bereid is om alles te offeren voor zijn ideaal.

‘Sands was een speler in een tragisch drama’, stelt de Ierse historicus Jack Foster. ‘Net als Hamlet probeerde hij de schrijver van zijn eigen verhaal te zijn, maar in werkelijkheid voerden Bobby Sands en de hongerstakers een script uit dat allang was geschreven.’ In 1981 zouden er overigens nóg negen IRA-strijders sterven in Long Kesh. Zij hebben echter nooit de mythische status gekregen van de allereerste: Bobby Sands.

Our Nixon

CNN Films

Hoezeer Richard M. Nixon ook beweerde dat ie geen ‘crook’ was, hij ging wel degelijk de geschiedenisboeken in als schurk. De eerste Amerikaanse president die dreigde te worden afgezet en er toen maar zelf de brui aan gaf. Met de staart tussen de benen en twee handen in de lucht, die een volledig misplaatst Victorieteken maakten, stapte hij op 9 augustus 1974 in een helikopter en verliet voorgoed Het Witte Huis. De grootste schandvlek uit de recente Amerikaanse politieke historie. Tenminste, tot de komst van Donald Trump, die zelfs ‘Tricky Dick’ Nixon in de schaduw plaatste.

Ruim veertig jaar lang had hij nauwelijks fans – al nam Trumps ‘dirty trickster’ Roger Stone nog wel een tatoeage van de Republikeinse president (1969-1974) die hij als jongeling diende. De naam Richard Nixon werd vereenzelvigd met een immorele politicus, die stiekem al zijn gesprekken begon op te nemen, tapes waarop hij overkwam als een rancuneuze en vuil gebekte manipulator, en zo zichzelf vernietigde voordat hij het land kon vernietigen. Toch zijn er ook medewerkers van zijn regering, die hem al die tijd door dik en dun zijn blijven steunen. 

Nixons stafchef H.R. ‘Bob’ Haldeman, Nixons rechterhand en ‘son of a bitch’, adviseur binnenlandse zaken John Ehrlichman en speciale assistent Dwight Chapin gingen bijvoorbeeld alle drie naar de gevangenis voor hun rol in het Watergate-schandaal dat ook hun baas de kop kostte. Dat is echter nooit ten koste gegaan van hun loyaliteit aan Richard Nixon. En ze hebben de beelden om dat te bewijzen: ruim 500 banden met zelfgemaakte Super 8-films, die eerst veertig jaar in een kluis lagen en nu het hart vormen van Our Nixon (85 min.).

Hun terugblik op de Nixon-jaren, waarvan regisseur Penny Lane in 2013 een tragedie heeft gemaakt, gunt de kijker zo’n veertig jaar later een blik achter de schermen bij één van de meest turbulente presidentschappen in de Amerikaanse geschiedenis. De documentaire, die tevens audio-opnamen en interviews met de drie Nixonites bevat, begint hoopvol tijdens de inauguratie van hun president in 1969, als de nieuwe Republikeinse regering een conservatieve comeback hoopt te bewerkstelligen en Nixon nog zonder enige twijfel de juiste man voor de job lijkt.

Richard Nixon mag vervolgens als president de eerste man op de maan begroeten, slaat zijn vleugels uit richting China en worstelt intussen met de grootste uitdaging van die jaren: de oorlog in Vietnam. Zelfs als hij de muziekgroep The Ray Conniff Singers in het Witte Huis ontvangt voor een optreden – lekker burgerlijk, aldus de man die graag Amerika’s ‘silent majority’ aansprak – wordt dat nog begeleid door protest. Nixon lijkt zich niettemin senang te voelen in zijn rol en wordt in 1973 dan ook moeiteloos herkozen voor een tweede ambtstermijn als president.

En dan, een half uur voor het eind van deze boeiende archieffilm, valt voor het eerst het woord Watergate en wordt de ondergang van Dick Nixon en de zijnen, in elk geval met een hedendaagse bril op bekeken, volstrekt onvermijdelijk. De leider van de vrije wereld raakt steeds meer in de verdrukking, begint achter elke boom een vijand te zien en ontdoet zich uiteindelijk, om zijn eigen hachje te redden, ook rücksichtslos van de mannen die hem als ‘onze Nixon’ zijn gaan beschouwen.

American Conspiracy: The Octopus Murders

Netflix

Filmmaker Zachary Treitz volgt in deze vierdelige documentaireserie zijn vriend Christian Hansen. En deze (foto)journalist heeft zich alweer een jaar of tien vastgebeten in onderzoeksjournalist Danny Casolaro. En die was ooit, voordat hij in 1991 zelfmoord pleegde / werd vermoord (*) in een ogenschijnlijk willekeurig hotel in West-Virginia, werkelijk bezeten van De Octopus. En dat was dan weer ‘een gigantische, verontrustende samenzwering’, waarbij hoge regeringsfunctionarissen, de CIA, FBI en National Security Agency betrokken zouden zijn geweest. En dit kwam aan het licht door Promis. En deze software, die zou zijn gestolen van het bedrijf Inslaw, moet worden beschouwd als ‘de geboorte van digitale surveillance’. En dat computerprogramma zou tevens bewijs hebben verzameld over de ‘October Surprise‘ van de Republikeinse presidentskandidaat Ronald Reagan tijdens de campagne van 1980. En die zou toen op slinkse wijze de pogingen hebben ondermijnd van zijn tegenstander, de zittende Democratische president Jimmy Carter, om tientallen Amerikanen die werden gegijzeld door Iran vrij te krijgen. En deze gegijzelden kwamen dus op verkiezingsdag, nét nadat Reagan had gewonnen, plotseling alsnog vrij. En dit werd dan weer door ene Michael ‘Danger Man’ Riconosciuto, een lichtelijk paranoïde voormalig wonderkind dat alles weet van Promis, verteld aan Danny Casolaro. En die ging ruim dertig jaar geleden dus dood en triggerde daarmee iets bij Christian Hansen, die toevallig een vriend met een camera heeft, Zachary Treitz. Zie daar: American Conspiracy: The Octopus Murders (221 min.). En dat is, vrij naar Winston Churchill, ‘a riddle wrapped in a mystery inside an enigma’. En daar zet Treitz met allerlei verhaalwendingen, schimmige bronnen, spannende reconstructiescènes en een dreigende soundtrack ook doelbewust op in. En dit werkt ook heel behoorlijk, als een soort eindeloos valluik waaruit ontsnappen onmogelijk is. En dat mag je gerust letterlijk nemen: wie eenmaal in deze fuik terecht is gekomen, zou wel eens reddeloos verloren kunnen zijn. En dit doet weer denken aan de complotdenkers die zich al hun hele leven wijden aan steeds gecompliceerder wordende theorieën over de moord op Kennedy. En die lijken dan bijna weer kinderspel bij de enorme samenzwering die in deze onnavolgbare true crime-serie wordt opgetuigd (en overigens ook voor een deel weer worden ontmanteld). En dan zou ik, de scribent met het inmiddels duizelende hoofd, de rol daarin van het reservaat van de Cabazon-indianen, de georganiseerde misdaad, illegale wapenleveranties, het beveiligingsbedrijf Wackenhut, handel in methamphetamine, ‘de engelen van leven en dood’, wereldwijde inlichtingennetwerken, geknoei met de Zapruder-film, het Cali-kartel en een aanzienlijk aantal onopgeloste moorden bijna nog vergeten…

(*) Doorhalen wat niet van toepassing is.

Who I Am Not

VPRO

‘Volgens de Bijbel maakt God geen fouten’, stelt Sharon-Rose Lehlohonolo Khumalo, een knappe verschijning die al eens tot de finale van Miss Zuid-Afrika doordrong, wandelend door een lege kerk. ‘Ik vraag me af of ik geen fout ben. Ik worstel met mannelijke chromosomen in een vrouwenlichaam.’

Terwijl Sharon-Rose plaatsneemt op een kerkbankje, klinkt de galmende stem van een prediker. Hij is begonnen aan dat overbekende verhaal. Over hoe God een man en een vrouw schiep. Dat is ook het uitgangspunt waarmee de wereld naar haar kijkt. Die moet niets hebben van ‘genetische afwijkingen’. Binnen zo’n onveilig klimaat is het vrijwel onmogelijk om er openlijk voor uit te komen dat je met beide geslachtskenmerken geboren bent en dus geen man en ook geen vrouw bent.

Sharon-Rose vindt in de documentaire Who I Am Not (99 min.) van Tünde Skovrán steun bij een andere intersekse-persoon. ‘Mijn ouders zijn vrienden en familie kwijtgeraakt’, vertelt activist Dimakatso Amanda Sebidi. ‘M’n hele bestaan was een probleem.’ Als kind werd Dimakatso, om aan alle onduidelijkheid een einde te maken, diverse malen geopereerd. Daarmee zijn er ingrijpende keuzes gemaakt voor de toekomst, waartoe Dimakatso zich als volwassene maar heeft te verhouden.

Intersekse personen zoals Dimakatso en Sharon-Rose leven nu eenmaal in een wereld die vrijwel volledig is ingericht op mannen en vrouwen. Dit dubbelportret, gemaakt in nauwe samenwerking met de hoofdpersonen, belicht de uitdagingen waarvoor zij worden gesteld. Dit resulteert in bijzonder ongemakkelijke scènes van onder andere een date, sollicitatiegesprek en babyshower, waarbij Sharon-Rose en Dimakatso, veelal onbedoeld en ongewild, in een hele pijnlijke positie worden gemanoeuvreerd.

Zij kunnen niet zijn wat de ander verwacht en mogen ook niet zijn zoals ze zich zelf voelen. Sharon-Rose wil bijvoorbeeld graag een volwaardige vrouw zijn, maar wordt er voortdurend mee geconfronteerd dat ze geen kinderen kan krijgen. Potentiële partners haken doorgaans direct af. En Dimakatso identificeert zich vooral als man, maar wordt in de gemeenschap nauwelijks als zodanig erkend. De twee gelden als een anomalie, een afwijking van de norm die in wezen niet mag bestaan.

Dat gevoel van vervreemding en afwijzing – dat zich niet alleen vanuit de buitenwereld aandient, maar zich ook diep in henzelf heeft genesteld – is door Skovrán vervat in poëtische sequenties, maar komt vooral tot uiting in intieme ontboezemingen van haar protagonisten, ontmoetingen met hun dierbaren en bezoeken aan een gespecialiseerde arts, die zowaar nog verrassingen voor hen in petto heeft. Het resultaat is een dappere en aangrijpende film over de zoektocht naar (zelf)acceptatie.