Everybody’s Everything

Netflix

‘Lieve kleinzoon, mijn profeet, mijn getatoeëerde poëet, de lieverd’, schrijft Jack ‘Pack Ack’ Womack aan zijn kleinzoon Gustav Elijah Åhr, alias rapper Lil Peep. ‘De wonden die je vader je gaf, genas God niet, maar hij sloot ze, mogelijk als littekens, zodat je de kracht kreeg tegen hem op te komen voor jezelf. Om als een jongen je onafhankelijkheid te verklaren en om te zorgen dat je jezelf kon worden.’ De brieven van opa aan ‘Gus’ fungeren als structurerend element voor deze hartroerende film over het Amerikaanse megatalent, dat op 15 november 2017, twee weken na zijn 21e verjaardag, bezweek aan een overdosis.

Everybody’s Everything (115 min.) is een gelaagd portret van Lil Peep, met een uitgebreide sprekerslijst: van zijn moeder, grootouders en (ex-)vriendinnen tot samenwerkingspartners, collega’s en deskundigen. Iedereen, behalve zijn vader. Gezamenlijk proberen ze de vinger te leggen op het woelige bestaan van die expressieve jongen met de opvallende (gezichts)tatoeages (waaronder een net iets te groot uitgevallen ‘crybaby’ boven zijn rechteroog), die volgens zijn oma vooral waren bedoeld om een outsider van hem te maken. Uit een vreemd soort zelfbescherming. Om te voorkomen dat hij ooit voor een reguliere baan in aanmerking zou komen. Tegelijkertijd hield hij er ook nog opmerkelijke doelen op na als ‘het kapitalisme uit de muziekbusiness halen’.

Deze meeslepende film van Sebastian Jones en Ramez Silyan put uit een kortstondig, maar met kinderfilmpjes, backstage-video’s en vlogs uitbundig gedocumenteerd leven en is daarmee in zekere zin een logisch vervolg op de dramatische biopics van jeugdhelden van eerdere generaties, zoals Kurt Cobain, Amy Winehouse en Avicii: jonge, buitengewoon getalenteerde en zeer getroebleerde mensen die de uitersten van het bestaan blijven opzoeken en zichzelf zo onherroepelijk naar de gallemiezen helpen. Lil Peep lijkt iemand die zichzelf niet wilde zijn. Die zichzelf niet kón zijn. En die dus, en plein publique, helemaal kapot ging. Via zelfverdoving en zelfverminking naar – te langen leste – zelfdestructie.

Je zou tegen deze documentaire kunnen inbrengen dat de persoon Gus Åhr een beetje wordt geïdealiseerd en dat de film een erg lange aanloop neemt naar het drama dat zich uiteindelijk ontvouwt, maar die opzet zorgt er wel voor dat je echt iets krijgt met de jongen achter Lil Peep, zijn openhartige ‘emo-hiphop‘ en de bijbehorende subcultuur, gepersonifieerd door de onvermijdelijke entourage van (pseudo-)vrienden, uitzuigers én klaplopers. Jones en Silyan krijgen er weliswaar niet helemaal de vinger achter wat Gus precies dwarszat en de kop heeft gekost, maar blijven tegelijkertijd ook behoorlijk uit de buurt van de speculaties die openbare, turbulente en vroegtijdig in de knop gebroken levens zoals dat van Lil Peep nu eenmaal altijd omgeven.

Everybody’s Everything, over een jongen die in slechts 21 jaar meer pieken en dalen kende dan een gemiddelde honderdjarige en die daarna met donderend geraas definitief tot stilstand kwam, stemt niet per definitie vrolijk. ‘Ik denk dat het alleen zal helen op een manier dat de pijn nooit zal weggaan’, zegt opa tot besluit. De oorspronkelijke schok zwakt volgens hem af, maar ineens kan iets kleins ervoor zorgen dat hij kleine Gus weer springlevend voor zich ziet. Pack Ack zucht hardop en neemt een ogenblik adempauze. ‘Het grijpt je aan.’ En daarmee vat hij ook deze prachtfilm treffend samen.

Beware Of Mr. Baker

Zelden zal de spanning tussen de hoofdpersoon en maker van een documentaire zo treffend zijn uitgedrukt als in de openingsscène van Beware Of Mr. Baker (92 min.). Na een hoog opgelopen meningsverschil over wie er hun zegje over hem mogen doen in ‘zijn’ film mept meesterdrummer Ginger Baker Jay Bulger met zijn wandelstok tegen het hoofd. De documentairemaker blijft letterlijk bloedend achter. Hij had het kunnen weten: waar Ginger komt, komt ruzie.

Onder het voorwendsel dat hij een journalist van het tijdschrift Rolling Stone is, volgens hemzelf een totale leugen, trekt Bulger in 2009 tijdelijk in bij Baker in Zuid-Afrika en schrijft, inderdaad, een artikel voor Rolling Stone over De Doldrieste Drummer. En daarna, in 2012, volgt deze messcherpe, dolkomische en opwindende film over de man die furore maakte bij uiteenlopende acts als Cream, Blind Faith, Fela Kuti, Hawkwind, Public Image Ltd en Masters Of Reality en wordt beschouwd als één van de beste drummers van de twintigste eeuw. Of het nu gaat om rock, jazz of afrobeat.

Voor lieden als Baker is tegelijkertijd het begrip ‘enfant terrible’ uitgevonden. Als hij Bulger zijn levensverhaal vertelt, dreigt er dan ook voortdurend onenigheid. ‘En toen besloot Alexis om Graham bij de band te vragen’, vertelt de slagwerker bijvoorbeeld over het begin van zijn carrière in Alexis Korner’s Blues Incorporated. ‘Kun je iets meer context geven over wie je het dan hebt?, vraagt Jay Bulger. ‘Dat heb ik net gezegd, for fuck’s sake.’ Bulger laat zich de kaas echter niet van het brood eten: ‘Je zei alleen: Graham. Niemand weet wie Graham is.’ Baker, met zichtbare tegenzin: ‘Graham Bond was een vette kerel.’

Tussen de boude statements, middelvingers en cynische rokerslachjes door heeft de hork eerste klas natuurlijk wel degelijk een fascinerend verhaal te vertellen. Zijn zus, echtgenoten en kinderen, directe collega’s als Eric Clapton, Jack Bruce en Steve Winwood, en zijn vakbroeders Nick Mason (Pink Floyd), Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Tony Allen (Fela Kuti) en Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) kaderen dat verder in. En Bulger kleedt het aan met prachtig archiefmateriaal, treffende animaties en – natuurlijk! – dampende muziek, die de film een opwindend ritme geeft.

’Beschouw je jezelf als een tragische held?’ wil Jay Bulger op een gegeven moment weten van zijn volledig losgeslagen protagonist. ‘Ga door met het interview’, reageert die geïrriteerd. ‘Stop met je pogingen om een intellectuele eikel te zijn.’ Gaandeweg komt de filmmaker in deze kostelijke film echter toch vervaarlijk dicht in de buurt van de enige echte Ginger Baker: maniak, dopehead én absolute werelddrummer.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records

Toen Bob Marley, de man die het iconische gezicht van reggae zou worden, zich halverwege de jaren zeventig goed en wel internationaal begon te manifesteren, werd Trojan Records gedwongen om de tent de sluiten. De Britse platenmaatschappij had als bruggenhoofd gefungeerd voor de wereldwijde distributie van de muziekgenres reggae, ska en rocksteady en vroege helden als Derrick Morgan, Toots & The Maytals, Desmond Dekker, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff in de vaart der volkeren opgestuwd.

Rudeboy: The Story Of Trojan Records (85 min.) blaast het stof van die essentiële muzikale periode, waarvan het startpunt vrij eenvoudig is te traceren: de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962, waarna 100.000 inwoners verkassen naar de voormalige kolonisator Groot-Brittannië. Als bruidsschat nemen ze muziek mee naar hun nieuwe vaderland, die daar wordt omarmd door witte tegenhangers van de Jamaicaanse rudeboys. Deze skinheads, arbeidersjongens met gemillimeterde coupes, bretels en kistjes, maken van ska een multicultureel fenomeen. Later, als ook in het Verenigd Koninkrijk racisme welig begint te tieren, ontstaat echter ook een extreemrechtse variant. 

Regisseur Nicolas Jack Davies probeert die dampende Trojan-periode (1968-1975) daadwerkelijk te laten herleven met acteurs en een overdaad aan gefictionaliseerde scènes. Die zijn wellicht broodnodig – vanwege beperkt beeldmateriaal van enkele hoofdpersonages – maar leggen het qua authenticiteit af tegen het joyeuze archiefmateriaal. Want daarin gebeurt ‘t, met klassieke songs als Rudy, A Message To You, Monkey Man en Wonderful World, Beautiful People. En daaraan, aan loom of juist lustig swingende muziek die een halve eeuw na dato nog altijd uiterst vitaal klinkt en noopt tot ongegeneerd skanken, ontleent deze film zijn aantrekkingskracht.

Winnebago Man

Hij ging viral, voordat er zoiets als ‘viral gaan’ bestond. Via good old VHS-banden. De Winnebago Man (85 min.). Alias The RV Guy. Of gewoon: Jack Rebney. Misschien ken je hem wel: als verkoper vertolkte hij in 1989 de hoofdrol in een promofilm voor Winnebago-campers. Bij de opnames ging er echter van alles mis, waardoor Rebney met de regelmaat van de klok he-le-maal uit zijn plaat ging.

Outtakes van die profane woede-uitbarstingen werden stiekem verspreid en vonden gretig aftrek bij een wereldwijd publiek, dat zich en masse verkneukelde om ‘the angriest man in the world’. En zinsneden als ‘Will you do me a kindness?’, ‘I don’t want any more bullshit from anyone and that includes me!’ en ‘ My mind is just a piece of shit this morning’ kregen een cultstatus en gingen zelfs tot het Hollywood-lexicon behoren.

Bijna twintig jaar na dato besluit filmmaker Ben Steinbauer om Rebney te gaan zoeken en verhaal bij hem te halen. Welke man gaat er schuil achter die bullebak van een vent die zich in beeld van zijn lelijkste kant heeft laten zien? En zou een ontmoeting met het mens van vlees en bloed achter de Winnebago Man ‘de magie’ verstoren? Intussen vraagt Steinbauer zich ook af of Rebney misschien een slachtoffer is geworden van wat we nu cyberpesten zouden noemen.

Als de documentairemaker teleurgesteld zijn zoektocht wil staken omdat zelfs het inschakelen van een privédetective geen soelaas heeft geboden, vindt hij ineens die overbekende dwingende stem op zijn voicemail. Rebney kan zich nauwelijks voorstellen dat er iemand in hem is geïnteresseerd, maar wil Steinbauer best ontvangen. Die is de koning te rijk en reist af naar een afgelegen plek in de bossen, waar hij een uiterst aimabele man aantreft, die zich nauwelijks bewust lijkt van zijn online-populariteit en daarmee ook geen enkele moeite heeft.

Steinbauer verlaat de man enigszins teleurgesteld. Geen drama, geen film. Hij zal afscheid moeten nemen van het verhaal, dat in zijn hoofd een eigen leven is gaan leiden. Maar dan blijkt dat de oude vos hem bij de neus heeft genomen. Jack Rebney is bepaald geen zielloze ouwe man geworden en nog altijd een geschikte hoofdpersoon voor deze vermakelijke documentaire uit 2009, die het zoeklicht nog eenmaal op de vuilbekkende Winnebago Man zet en van de karikatuur weer een gewone sterveling maakt.

De volledige documentaire is hier te bekijken.

Active Measures

Als er inderdaad vuur is waar je rook ziet, dan móet er zoiets als Russiagate bestaan. Verdachte omstandigheden genoeg. Het rechtssysteem in een functionerende democratie vraagt echter om sluitend bewijs. Totdat dit wordt geleverd, moeten we ervan uitgaan dat Donald Trump en veelbesproken (ex-)medewerkers als Paul Manafort, Michael Flynn en Carter Page onschuldig zijn.

Ook de documentaire Active Measures (110 min.) krijgt de zaak (natuurlijk) niet sluitend. Die taak ligt bij speciaal aanklager Robert Mueller. Deze scherpe film levert echter wel een overvloed aan secundair bewijs en plaatst de affaire bovendien in zijn geopolitieke context. Van een Rusland dat een conventionele oorlog met de eeuwige rivaal Amerika nooit kan winnen. En dus voert Poetin een verhulde (informatie)oorlog.

Regisseur Jack Bryan zoomt in op de zogenaamde ‘active measures’ die Rusland inzet om de positie van het Westen te verzwakken. Desinformatie bijvoorbeeld, in de vorm van fake news op de sociale media. Of het ondersteunen van extreme politici, zoals Farage en Le Pen, om de plaatselijke democratie te ondermijnen. Enter Donald Trump. En verwante begrippen als Brexit, Kompromat en Cambridge Analytica.

Active Measures, aangekleed met kekke en spannende muziekjes, is een pamfletterige film. De documentaire wil duidelijk een punt maken. Dat blijkt ook uit de indrukwekkende bronnenlijst: behalve een hele trits deskundigen en journalisten komen ook Hillary Clinton en andere prominente Democratische politici aan het woord. Van de Republikeinen meldt zich alleen de onlangs overleden senator John McCain, een bekende tegenstander van Trump.

Is Trump een speelbal van de Russische georganiseerde misdaad? Of (zonder dat hij het zelf weet) zelfs een Russische agent? The proof of the pudding is in the eating, zou je zeggen. In die zin houdt een sequentie van Trump-statements over de Russische betrokkenheid bij MH17, het geboortebewijs van Barack Obama en de toekomst van de NAVO behoorlijk huis. Alles wat hij zegt is bijna letterlijk een verwoording van de officiële beleidslijn van Rusland. Vuur? Of toch alleen rook? Zeg het maar.

Onze Manier Van Leven

onzemanier

 

Had de documentaire Onze Manier Van Leven (90 min.), over de verkiezingscampagne van de omstreden politieke beweging DENK, niet wat kritische vragen kunnen gebruiken? vroeg ik me af tijdens het bekijken van de film, waarin maker Jack Janssen zich veelal beperkt tot de rol van vlieg op de muur. Had hij het onafscheidelijke DENK-duo Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk niet gewoon moeten belagen met vlijmscherpe vragen over de Armeense genocide, hun verhouding tot de Turkse president Erdogan en de manier waarop ze andere Turks-Nederlandse politici aan de schandpaal te nagelen?

Pas als Sylvana Simons, volgens Kuzu als ‘een dief in de nacht’, is vertrokken, meldt Janssen zich met zijn eerste en weinig kritische vragen en krijgt de DENK-leider vervolgens ook nog de kans om zijn eigen verhaal te doen en haar van ‘backstabbing’ te beschuldigen. Ook in het navolgende gesprek met diens kompaan Öztürk bijt de interviewer niet door, zodat DENKs frame dat Simons en haar campagneleider uit puur opportunisme zijn vertrokken de overhand blijft houden.

Het plotselinge vertrek van Simons zie je als kijker helemaal niet aankomen, alle interne strubbelingen zijn netjes buiten beeld gehouden. Net als in die andere Nederlandse campagnedocu Jessekrijgen de hoofdpersonen van Onze Manier Van Leven daarnaast wel erg veel ruimte voor window dressing en toneelstukjes voor de camera. Het is alsof ook Jack Janssen zelf dat tijdens het maken van de film door begon te krijgen. Gaandeweg, als de Tweede Kamer-verkiezingen in zicht komen, grijpt hij steeds vaker en scherper in en wint de film aan spanning.

Dat ook kritisch doorvragen (en door en door en door) niet zaligmakend hoeft te zijn, bewijst overigens één van de eerste scènes van deze onderhoudende documentaire als een net iets te scoringsbeluste Powned-journaliste Kuzu blijft achtervolgen met steeds weer dezelfde vraag. ‘Bent u het eens met de uitspraken van Erdogan dat Nederlanders fascisten en nazi’s zijn? Ja of nee?’ Waarna de DENK-leider zich comfortabel kan terugtrekken in zijn positie van onheus bejegende politicus, die hem en zijn partij later bij de verkiezingen geen windeieren zal leggen.

Toch zijn het juist zulke confrontaties waaraan deze film zijn meerwaarde ontleent. Janssen brengt het speelveld waarop DENK zich beweegt, van stekelige twistgesprekken met collega-politici en journalisten tot de verplichte bezoeken aan lokale afdelingen en buurthuizen, van heel dichtbij in kaart en dringt zo bezien wel degelijk door tot de kern van een nieuwe en omstreden politieke beweging en de multiculturele gemeenschap die daarachter schuilgaat.