Our Planet

Netflix

Probeer als ongelovige Thomas maar eens vol te houden dat er géén opperwezen bestaat als je de uitbundige natuurpracht in Our Planet (399 min.) beziet. Letterlijk de hele wereld lijkt met zowel een holistische blik als een enorm oog voor detail te zijn samengesteld en is in deze groots opgezette documentaireserie bovendien op majestueuze wijze vereeuwigd. Neem bijvoorbeeld de mannelijke zwaluwstaart-manakins, felblauwe vogels met een oranje kop. In het tropische woud voeren ze als groep een paringsdans op voor een te bevruchten vrouwtje. Voor één van hen pakt het ritueel goed uit. Hij mag kortstondig samenzijn met de lieftallige dame. De anderen kijken belangstellend toe.

Het is deze natuurserie ten voeten uit: Our Planet mag dan een project van ongeëvenaarde schaal zijn, waarvoor 2,5 jaar is gefilmd op alle continenten. Van de producenten die eerder Blue Planet, Planet Earth en Frozen Planet (Alastair Fothergill) en African Cats en North America (Keith Scholey) afleverden. Uiteindelijk is deze achtdelige reeks echter eerst en vooral een aaneenschakeling van kleine en grotere verhalen over individuele en groepen dieren: luipaarden die elkaar kortstondig het hof maken, een bekerplant waar de mieren als vanzelf inregenen en – natuurlijk – de natuur op zijn wreedst: een groep kariboes die net zo lang door een roedel hongerige wolven wordt opgejaagd, totdat één van hen het niet meer kan bijbenen.

Bioloog, programmamaker en verteller David Attenborough, inmiddels dik in de negentig, neemt de weerloze mens in elke aflevering mee naar een ander soort leefgebied: van de jungle en het poolgebied tot de woestijn en de wondere wereld onder de zeespiegel. Met gevoel voor drama en kien oog voor detail. Grootse, bijna bombastische beelden van grote groepen dieren en verpletterend natuurgeweld worden voortdurend afgewisseld met kleine, intieme vertellinkjes over individuele dieren die het moeilijk hebben of juist floreren. Attenboroughs boeiende observaties, in combinatie met afwisselend subtiele en zwaar aangezette muziek, smeden al die losse elementen aaneen.

Our Planet, gemaakt in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds, heeft zonder twijfel een alarmerende ondertoon: dit is de wereld zoals we hem nu kennen en waarvan we bepaalde delen nog altijd beter zouden moeten leren kennen, maar het is ook een wereld die aan het verdwijnen is. Door ingrijpen van de mens dreigen de biotopen van bepaalde diersoorten steeds kleiner te worden of zelfs te verdwijnen, zodat iconische schepsels als de ijsbeer, woestijnolifant en Siberische tijger (waarvan unieke beelden van het dier in zijn eigen territorium, de taiga, zijn te zien) serieus in hun voortbestaan worden bedreigd. Of, vroeg ik me even af, moeten we erop vertrouwen dat dat eventuele opperwezen het nooit zover zal laten komen met de wereld die hij in al zijn veelzijdigheid creëerde?

David Bowie: Finding Fame

BBC

The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third. Ooit hadden deze popbands stuk voor stuk de pretentie om de wereld te veranderen. Ze stierven echter een stille dood, als willekeurige hobbygroepjes die het lokale jeugdhonk nooit ontstegen. De enige reden dat we ze, ruim een halve eeuw na dato, überhaupt zouden kunnen kennen is omdat één bandlid later alsnog wereldberoemd zou worden.

David Jones, een bijzonder ambitieuze jongeman uit Brixton, versleet negen bands in elf jaar. Op achttienjarige leeftijd had hij zichzelf bovendien een andere achternaam gegeven: Bowie. En daarmee zou het in 1973 ein-de-lijk lukken: met Ziggy Stardust werd David Bowie een ster en kregen bandjes als The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third alsnog een plek in de pophistorie toebedeeld. Net als bijvoorbeeld – popquizzz!!! – The Golliwogs, On A Friday of The Quarrymen.

De televisiedocumentaire David Bowie: Finding Fame (90 min.), ook wel The First Five Years getiteld, graast het terrein af dat Five Years en The Last Five Years, de twee andere Bowie-films van filmmaker Francis Whately, braak hadden laten liggen: de jaren waarin de Britse zanger nog gewoon één van die would be-popsterren was, met véél meer ambitie dan succes. ‘Amateuristisch klinkende zanger die de verkeerde noten en vals zingt’, noteerde een jurylid van het BBC-programma Pick Of The Pops over één van zijn bandjes. Een andere criticaster: ‘Een tandeloos, nietszeggend ensemble dat een zanger zonder karakter begeleidt.’

Met voormalige bandleden, producers, managers, jeugdvrienden en familieleden schetst Whately, die ook de hoofdpersoon zelf veelvuldig aan het woord laat, vaardig de turbulente jonge jaren van de zoeker die er nog geen idee van heeft dat hij een fenomeen zal worden: het liefdeloze gezin dat hem voortbracht, de klotebaantjes, zijn (mislukte) experimenten met andere kunstvormen, al die naamloze bandjes en projectjes én zijn eerste grote liefdes. Zo werd met veel pijn en moeite de bedding gelegd, waar de veelkleurige rivier David Bowie in de navolgende dikke veertig jaar doorheen kon stromen.

De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer?

‘Als je denkt dat je kwantummechanica begrijpt, dan begrijp je helemaal niets van kwantummechanica.’ Met dit citaat van Richard Feynman, het eerste van een hele serie wijsheden over de onbegrijpelijke wetenschap, trapt David Kleijwegt zijn documentaire De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer? (78 min.) af. Is het een waarschuwing?

Kleijwegt volgt de Delftse Nano-wetenschapper Leo Kouwenhoven, een aspirant-Nobelprijswinnaar als we deze film mogen geloven, in zijn pogingen om een kwantumcomputer, die bijvoorbeeld simulaties van levende organismen en gepersonaliseerde geneeskunde mogelijk moet maken, te fabriceren. Zijn team heeft een voorsprong op de internationale concurrentie omdat het als eerste de zogenaamde Majoranadeeltjes heeft waargenomen – als ik het allemaal goed heb begrepen (en daar zou ik zelf geen geld op durven te zetten).

Dat is tevens de grootste uitdaging van deze documentaire: de finesses van de ontwikkeling van de kwantumcomputer zijn verdomd lastig tastbaar te maken én in beeld te brengen. En dus richt Kleijwegt zich tevens op de persoon Kouwenhoven, zijn team van ambitieuze promovendi en ’s mans pogingen om erkenning en financiering te vinden voor hun onderzoeksproject.

Bij de presentatie van zijn nieuwe onderzoekscentrum QuTech moet Kouwenhoven bijvoorbeeld ook de pers te woord staan. ‘Ik heb me nog een beetje verdiept in de kwantumcomputer’, begint een redacteur die een item voorbereidt over die dekselse wondercomputer. ‘En waar voor ons het grootste probleem zou zitten is: is het begrijpelijk voor de kijkers?’ De topwetenschapper maakt van zijn hart geen moordkuil. ‘Dat is het punt. Want wij begrijpen het zelf ook niet, hè?’

’Wat zeg je?’, klinkt het verward aan de andere kant van de telefoonlijn. Kouwenhoven legt het nog één keer uit: ‘Wij begrijpen het zelf ook niet. De principes van de kwantumcomputer zijn onbegrijpbaar, maar als je dat accepteert kun je daar de meest fantastische dingen mee doen.’ Het optimisme van de wetenschapper wordt gaandeweg de film echter flink getemperd. Waar de supercomputer een pronkstuk voor de nabije toekomst leek, blijft hij door tegenslag vooralsnog buiten handbereik.

Die menselijke insteek, van persoonlijke ambities die moeten worden bijgesteld of zelfs worden geknakt, vormt het interessantste element van deze film, waarin Kleijwegt de kijker naar mijn smaak wat meer had mogen gidsen. Nu heeft De Race een behoorlijk hoog instapniveau en zal de film waarschijnlijk vooral ingang vinden bij een publiek dat de ontwikkelingen in de wetenschap sowieso al op de voet volgt.

Bros: After The Screaming Stops

‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.

De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op. 

De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.

Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?

Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.

Trapped In The City Of A Thousand Mountains

Human

‘China is niet vrij’, roept een groepje opgeschoten jongeren stoer naar de camera. ‘Maar hiphop kan dat veranderen.’ Heel even denk je dat ze het zelf geloven. Als de Chinese rappers in de korte documentaire Trapped In The City Of A Thousand Mountains (23 min.) wat serieuzer worden bevraagd, schetsen ze echter een subtieler beeld: ’In China weet je nooit precies wat er verboden is. Dat is een hele slimme tactiek; het maakt iedereen nog voorzichtiger.’

De onlangs aangescherpte regels van de Chinese autoriteiten, die netjes in openbare gelegenheden worden omgeroepen, laten aan duidelijkheid evenwel niets te wensen over. Als je je hebt afgekeerd van de partij mag je niet meer in het openbaar spreken, klinkt het dreigend. Net als figuren met een dubieuze reputatie. Smakeloze of vulgaire optreden mogen ook niet meer. Improvisatie is niet toegestaan. En de subcultuur van hiphop en tatoeages wordt op geen enkele manier meer gepromoot.

Zo probeert de overheid een ontluikende jeugdcultuur de kop in te drukken. Met die Chinese hiphop moest het maar eens afgelopen zijn, hebben de partijbonzen binnenskamers, ongetwijfeld opvallend eensgezind, besloten. De betrokken jongeren, met inderdaad kekke tattoos, proberen intussen hun weg te vinden binnen het labyrint van do’s en don’t dat rondom hen wordt opgetrokken. Ze laten zich vooralsnog in elk geval niet de mond snoeren.

David Verbeek volgt hen in nachtelijk Chongqing dat in deze gestileerde film, die is genomineerd voor de IDFA Award voor beste korte documentaire, oogt als een futuristische metropool. Het zinnenprikkelende geluidsdecor dat de regisseur daaraan toevoegt versterkt de vervreemdende kijkervaring nog eens. Chongqing, gelegen aan de rivier de Yangtze, wordt een overweldigende stad, waarin staatstoezicht aan de orde van de dag is. Het ideale toneel voor een vitale muziekscene, die zich vanuit de underground naar boven probeert te worstelen.

Three Identical Strangers

Periscoop Film

Hij voelde zich de populairste nieuwe leerling ooit. Op de allereerste schooldag op het Sullivan Country Community College werd Bobby Shafran onthaald als een oude bekende. ‘Hee, hoe is het met jou? Hoe was je zomer?’ Andere studenten gaven hem een high five of sloegen hem enthousiast op de schouder. Er waren zelfs meisjes die hem begroetten met een gepassioneerde zoen. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent.’ Wel vreemd: iedereen noemde hem Eddy.

Bobby kon er niet over uit. Er moest sprake zijn van een persoonsverwisseling. Zijn nieuwe kamergenoot dacht er het zijne van. Toen hij vaststelde dat die okselfrisse leerling écht geen Eddy heette, had hij maar één vraag: ‘ben jij misschien geadopteerd?’ Nadat Bobby bevestigend had geantwoord en hij bovendien bleek te zijn geboren op 12 juli 1961, was er maar één conclusie mogelijk: de krullenbol had een tweelingbroer. De nieuwbakken kamergenoten snelden naar een telefooncel en besloten om de echte Eddy maar eens te bellen.

Het verhaal van de 19-jarige tweelingbroers Bobby en Eddy sprak natuurlijk tot de verbeelding. Plaatselijke media smulden ervan. Dat verhaal zou echter nóg mooier worden. Want via een artikel in The New York Post belandde het bij een derde geadopteerde 19-jarige jongen, ene David Kellman. Ook hij was geboren op 12 juli. Niet veel later was de mediagenieke drieling het snoepje van de week in de Amerikaanse media. Geen talkshow of spelprogramma, of Bobby, Eddy en David waren er te gast. Elkaars zinnen aanvullend. En in dezelfde kleding, natuurlijk.

De wonderlijke ontmoeting tussen de drie ogenschijnlijk identieke jongens in 1981 vormt het startpunt van deze gewéldige film van Tim Wardle. Want meer dan een startpunt is het ook niet, het moment waarop drie afzonderlijke levens ogenschijnlijk toevallig samenkomen. Deze documentaire is echt wat ze een ‘gift that keeps on giving’ noemen. Steeds als de film uitzoomt, wordt er een nieuwe verhaallaag zichtbaar. Alsof je via een valluik steeds dieper in de geschiedenis van Bobby, David, Eddy en hun lotgenoten dondert.

Three Identical Strangers (96 min.) is geconstrueerd als een ingenieuze real life-thriller, waarbij Wardle als een rechtgeaarde erfgenaam van Hitchcock zeer gewiekst spanning opbouwt en steeds hints geeft over wat er nog gaat komen, die na verloop van tijd allemaal op hun plek vallen. Intussen stelt hij ook wezenlijke levensvragen. Over wie we zijn en waarom we zijn wie we zijn. Het resultaat is een documentaire die je voortdurend op het puntje van je stoel houdt en intussen ook doet nadenken over het bestaan. En, als je het mij vraagt, één van de absolute hoogtepunten van het filmjaar 2018.

Three Identical Strangers leverde overigens een bescheiden vervolg op: Two Identical Strangers. En in 2024 verscheen er zelfs een Nederlandse variant: Peter En Erik.

Love & Hate Crime

‘Ik moet leren leven met het feit dat ik Mercedes heb vermoord’, zegt Josh Vallum bij de start van Double Lives, deel 1 van de zesdelige BBC-serie Love & Hate Crime (312 min.). Hij zit levenslang in een cel in de Amerikaanse staat Mississippi en heeft spijt als haren op zijn hoofd. Want Josh heeft vrede gesloten met God. ‘En zij zit nu in de hel.’

Na die intrigerende openingsscène ontwikkelt zich geen traditionele whoduunit, maar een televisiedocu die je een whydunnit zou kunnen noemen. Waarom is de schuldbewuste twintiger in godsnaam overgegaan tot zijn gruwelijke daad? Stapsgewijs wordt het diep tragische verhaal van zowel dader als slachtoffer onthuld, waarbij uiteindelijk niets is wat het lijkt.

Het tweede deel van deze broeierige true crime-miniserie van Ben Steele, Murder In Mississippi, behelst een wat traditionelere haatmisdaad in een typische redneck county bijgenaamd Jafrica, waar een groep blanke tieners de hoogtijdagen van de Ku Klux Klan doet herleven. Een willekeurige donkere man wordt als een hond overreden. Of ligt het toch nét iets genuanceerder?

Zo probeert deze serie steeds beide kanten van de medaille te laten zien. Is Onésimo Marcelino Lopez-Ramos, de Guatemalaanse jongen uit Trouble In Paradise, bijvoorbeeld werkelijk het slachtoffer van een racistische moord, van ‘Guat-jacht’? En was het inderdaad zelfverdediging toen de homoseksuele leerling Abel Cedeno uit Killing In The Classroom zijn klasgenoot Matthew McCree, naar verluidt een gevreesd bendelid, neerstak?

De Texaanse rechercheur moordzaken Fil Waters beweert in de aflevering Honour Killings dat hij ervoor heeft gezorgd dat negen mensen in de dodencel zijn beland. Vier van hen zijn ‘gerehabiliteerd’. Ofwel: geëxecuteerd. ‘Ze zijn nu kunstmest’, volgens Waters. En zo zou Ali Irsan ook nog van nut kunnen zijn. De Amerikaanse moslim, ’een afgezant van Satan’, wordt beschuldigd van dubbele moord. Eerwraak, om precies te zijn. Niet voor het eerst, trouwens.

Een andere aflevering van Love & Hate Crime, Killer With A Camera, duikt in de strafzaak tegen Adrian Loya. Hij heeft een vrouwelijke collega gedood en twee anderen ernstig verwond. De schietpartij is vastgelegd met een GoPro-cameraatje dat Loya speciaal voor die gelegenheid had meegebracht. De kogelregen vormde de zwartomrande apotheose van een ongenadige duik in zijn eigen duisternis.

Terwijl hij de aanval plande, legde de schutter twee jaar lang zijn gedachten vast in een geheim dagboek genaamd Loya Wars. In deze teksten, die in de beklemmende docu worden voorgelezen door een acteur, was een centrale plek weggelegd voor Loya’s obsessie voor één van zijn latere slachtoffers. Lisa bleek echter lesbisch en getrouwd – en tekende daarmee haar eigen doodvonnis.

‘Evil or… just kind of nuts?’, vraagt zijn eigen advocaat Drew Segadelli zich hardop af. En dat is tevens de centrale kwestie tijdens de rechtszaak tegen zijn cliënt, die een hoogtepunt vormt van deze sfeervolle en indringende misdaadserie.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

I Was A Yazidi Slave


Nadat het leeuwendeel van de mannen van de Koerdische Jezidi-gemeenschap in Noord-Irak in 2014 (letterlijk) een kopje kleiner is gemaakt, besluit de nieuwe bezetter van de stad Sinjar, Islamitische Staat, zijn politiek van de verschroeide aarde ook toe te passen op de vrouwen. Die dienen natuurlijk sowieso maar één doel: het behagen van de mannen.

In I Was A Jazidi Slave (59 min.) reconstrueren enkele vrouwen die in handen vielen van de bebaarde barbaren hun ervaringen als sexslavin. Dat doen ze, eenmaal opgevangen in Duitsland, in een therapeutische context. Zodat ze straks een nieuw leven kunnen opbouwen in Europa. Tegelijkertijd kunnen met hun gedetailleerde getuigenissen de verantwoordelijke IS’ers misschien worden aangeklaagd bij het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Deze journalistieke documentaire van David Evans laat behalve de vrouwen zelf ook diverse hulpverleners en mensenrechtenactivisten aan het woord. Zij geven ‘de zaak tegen IS’ gewicht en context, maar zorgen er tevens voor dat de docu, die ook nog is voorzien van een eikenhouten voice-over, erg praterig wordt en uiteindelijk meer aan het hoofd dan aan het hart appelleert. Terwijl Islamitische Staat toch echt onuitsprekelijke ellende heeft aangericht…

My Generation

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.

In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’

Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.

Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.

School Life


Hij lijkt een volledig verzuurde knorrepot, zij oogt als een wereldvreemde boekenwurm. Het echtpaar Leyden geeft al 46 jaar les op Headfort School, de enige Ierse kostschool voor kinderen van zeven tot en met twaalf jaar. Daarbij kun je je direct allerlei schrijnende taferelen voorstellen. Van kadaverdiscipline, volstrekte liefdeloosheid en rücksichtslose tucht. Om over het onvermijdelijke misbruik nog maar te zwijgen.

Niets van dat al! De amodieuze John mag dan voortdurend zogenaamde verwijten om zich heen strooien (‘dat waren alle goede noten, maar niet noodzakelijk in de juiste volgorde’) en Amanda kan volledig in vervoering raken van bepaalde poëzie, maar uit alles wat ze doen en zeggen spreekt oprechte betrokkenheid bij ‘hun’ pupillen. Om over de bijbehorende onderkoelde humor nog maar te zwijgen.

Het kettingrokende echtpaar Leyden maakt van de observerende documentaire School Life (97 min.), originele titel In Loco Parentis, een hartverwarmende film. De filmmakers Neasa Ní Chianáin en David Rane portretteren Headfort als een liefdevol tweede thuis, waar de Leydens zich als pedagogisch verantwoorde pseudo-ouders bekommeren om kinderen die vanuit alle windstreken naar het idyllische dorp Kells in County Meath zijn gekomen. Om van de extra aandacht die ze schenken aan enkele kids met uitdagingen nog maar te zwijgen.

Intussen nadert het afscheid voor John en Amanda Leyden, die in 1972 zijn getrouwd en sindsdien altijd hebben gewoond in de voormalige butlerwoning op het Headfort-terrein. Het moment waarop hun welverdiende ouwe dag begint komt zienderogen dichterbij. Om over het afscheid van al die opgroeiende jongens en meisjes nog maar te zwijgen.

Grey Gardens


Zeker drie keer eerder ben ik aan deze film begonnen. In lijstjes met de beste documentaires aller tijden neemt Grey Gardens (94 min.) uit 1975 meestal een prominente plek in, maar eerlijk gezegd was het mij nog nooit gelukt om hem uit te kijken. Na zo’n drie kwartier haakte ik steevast af. Verveeld, geïrriteerd en he-le-maal suf geluld.

Want kletsen konden de hoogbejaarde Edith Bouvier Beale en haar licht hysterische, inmiddels 56-jarige inwonende dochter Little Edie, zo constateerde ik opnieuw tijdens mijn meest recente kijkpoging. Rebbelen, roddelen en kibbelen. Ze raakten nooit uitgepraat. En tussen de regels door vertelden ze heel veel over zichzelf, elkaar, de high society die hen had voortgebracht en alles waar ze verder toevallig aan moesten denken.

Hoewel de vrouwen vrijwel onafgebroken praatten (of zongen, dansten en performden), ligt het verteltempo van deze documentaire van de legendarische gebroeders Albert en David Maysles (en Ellen Hovde en Muffie Meyer) erg laag. Zoals ze in de jaren zeventig sowieso in slow motion leken te leven. Aan de meeste scènes, waarvan je je afvraagt waarom ze überhaupt in de film moesten, lijkt werkelijk geen einde te komen. Ik heb ditmaal zelfs even overwogen om hem op dubbele snelheid te bekijken via YouTube. Maar zo ga je natuurlijk niet om met belangwekkende kunst.

Even wat achtergrondinformatie dan maar: moeder en dochter waren familie van de fameuze Jackie Kennedy en konden het ooit breed laten hangen, maar die dagen lagen ten tijde van de filmopnames allang achter hen. Net als het huwelijk van amateurzangeres Edith met de vader van Little Edie. Tijdens het filmen, dat een bezoeking moeten zijn geweest voor de Maysles (die steeds in allerlei gesprekken werden betrokken door de twee dames), woonden de twee Edies met een hele roedel katten in het vervallen en vervuilde landhuis Grey Gardens in North Hampton, waar ze ieder moment konden worden uitgezet.

In deze film kun je dus zowel katten als aapjes kijken, concludeerde ik met de nodige zelfvoldoening terwijl ik nogmaals een greep deed in de zak met borrelnootjes. Deze paradijsvogels mochten in elk geval uitbundig met hun veren pronken. Zoals televisieprogramma’s als Showroom, Jambers en Man Bijt Hond later met veel succes een podium zouden bieden aan alle buitenbeentjes, betweters en dorpsgekken die van zich wilden doen spreken. En dus vroeg ik me af: biedt deze klassieke (het volgende woord spreek ik met gefronste wenkbrauwen uit:) ‘documentaire’ werkelijk meer dan zulke veletisieportretjes?

Ik moet het antwoord na de zoveelste kijkbeurt – zo voelde dat soms wéér – opnieuw schuldig blijven. Ik heb de film wel uitgekeken. Uitroepteken. Of beter: uitgezeten. En inmiddels zie ik in Grey Gardens óók een intrigerende karakterstudie van een excentrieke moeder en dochter, een tragikomische ode aan levens in verval en een vergeeld portret van een verloren wereld. Maar om nu te zeggen dat ik deze keer anderhalf uur aan de beeldbuis gekluisterd heb gezeten…

De speelfilmversie van Grey Gardens uit 2009, met in de hoofdrollen Jessica Lange en Drew Barrymore als respectievelijk Big en Little Edie heb ik tot dusver dus schielijk gemeden. En daarin zal voorlopig ook geen verandering komen. Een mens heeft zo zijn grenzen. Maar tot mijn schrik hoorde ik onlangs dat er met ‘lost footage’ nóg een documentaire over het illustere duo Beale is gemaakt, de prequel That Summer (met cameo’s van niemand minder dan Mick Jagger, Truman Capote en Andy Warhol). Dat was even schrikken. Ga ik er straks weer aan beginnen? Moet dat? Kan ik dat eigenlijk wel?

What We Started


Vooroordeel: de playlist is vooraf al helemaal klaar. Tijdens het optreden zelf hebben de meeste deejays eigenlijk niet al te veel te doen. Ze kijken héél ingewikkeld, drukken zo nu en dan met gefronste wenkbrauwen een koptelefoon tegen hun hoofd en zwaaien vooral superenthousiast die handen door de lucht, om de dansende meute nóg verder op te peppen.

Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Vóór die uitzinnige show moet er immers muziek worden gemaakt – of op zijn minst gecombineerd. En het vak van deejay vereist zowel muzieksmaak en -kennis als technische vaardigheden, zoveel wordt ook duidelijk uit de documentaire What We Started (94 min.).

Deze gelikte film van Bert Marcus en Cyrus Saidi portretteert twee tegenpolen van de hedendaagse electronic dance music (EDM): de Nederlandse tiener Martin Garrix en de Britse oudgediende Carl Cox, resident dj van Space Ibiza. De één belichaamt het wereldwijde succes van dance bij jongeren, de ander is het toonbeeld van een leven lang EDM in alle soorten en maten.

Met deze uitersten, die toch ook weer veel gemeen blijken te hebben, als startpunt schetst What We Started de moderne dancescene en de historie daarvan. Grofweg: van disco via de klassieke house uit Chicago en Detroit en Britse acid house naar moderne techno, waarbij er natuurlijk ook aandacht is voor illegale raves, de Love Parade in Berlijn en drugsgebruik.

Aan aansprekende bronnen geen gebrek: met Paul Oakenfold, Pete Tong, Louie Vega, Afrojack, Moby, Tiësto, Ed Sheeran, David Guetta en Usher bewandelt de documentaire zorgvuldig de middenweg tussen underground en mainstream. Erg diep gaat het allemaal niet, maar informatief en vermakelijk is What We Started zeker.

Gimme Shelter


Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’

Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.

Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.

Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.

Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane van Brett Morgen.

A Gray State


De overheid is de vijand van het volk. Het is tijd voor verzet. Gewapend verzet, natuurlijk. Om de geheime politiestaat voor eens en altijd een halt toe te roepen. De Amerikaanse Irak-en Afghanistan-veteraan David Crowley loopt al een tijdje rond met het idee om in dat kader een activistische film te maken, Gray State.

Er ligt al een script. Met een crowdfunding-actie is zelfs genoeg geld opgehaald om een spraakmakende trailer te maken, die viral gaat in alt-right kringen. Zelfs Amerika’s bekendste complotdenker Alex Jones maakt zich sterk voor de film, waarvoor een productiemaatschappij een behoorlijk bedrag wil neertellen.

En dan wordt het stil rond de Libertarische filmmaker Crowley. Todat hij dood in zijn huis in Minnesota wordt aangetroffen. Op de muur is met het bloed van zijn vrouw Komel, die eveneens is vermoord, ‘Allahu akbar’ geschreven. Even verderop liggen een opengeslagen Koran en het lichaam van hun vijfjarige dochtertje Raniya.

Alle ingrediënten voor een paranoïde thrillerdocu zijn voorradig. Toch wordt A Gray State (93 min.) van Erik Nelson een andere film dan je op basis van dat uitgangspunt verwacht. Ook omdat de ontknoping van het Crowley-drama niet in kringen van moslimfundamentalisten moet worden gezocht – al is niet iedereen daarvan overtuigd.

Op weg naar de climax laat Nelson de teugels bovendien nog wel eens flink vieren, waardoor A Gray State eigenlijk nooit zo spannend wordt als zijn eigen premisse.

Time Trial

IDFA

In het Ronde van Vlaanderen-museum te Oudenaarde kun je virtueel De Oude Kwaremont beklimmen en je intussen meten met de groten der wieleraarde. Op zijn best lukt het om even, heel even, aan te klampen. Voordat de man met de hamer de definitieve genadeklap geeft. De overweldigende documentaire Time Trial (82 min.) biedt een gelijksoortige ervaring; als kijker word je onderdeel van het peloton.

Dit betekent overigens niet dat je per definitie ook tot de groten der wieleraarde behoort. Het gros van de beroepsrenners rijdt vooral als pelotonvulling mee en hoopt tegen beter weten in op meer. Dat geldt ook voor de Schot David Millar, die in de nadagen van zijn carrière is aanbeland. Ooit, voor zijn schorsing vanwege dopingsgebruik, reed hij de pannen van het dak. Maar die glorieuze dagen liggen al lang en breed achter hem.

Dat is de context voor deze zinnenprikkelende film van Finlay Pretsell. Millar levert een bijna wanhopige strijd tegen zichzelf, de rest van het peloton én de (biologische) klok, die zijn bestaan als wielrenner stelselmatig begint te ondermijnen. Met de Nederlander Thomas Dekker, ook een voormalige dopingzondaar, als ploeggenoot aan zijn zijde spreekt Millar al zijn reserves aan zodat hij nog eenmaal de Tour de France mag rijden.

Om de kijker in het getergde lijf van de hoofdpersoon te persen en vanuit diens perspectief de koers te laten beleven, trekt Pretsell filmisch alles uit de kast; van spectaculaire cameravoering, waaronder een kleine go pro-camera op Millars gezicht tijdens een tijdrit en adembenemende point of view-beelden van een bergbeklimming, tot een zorgvuldig samengesteld geluidspalet, waarin de dwarse soundtrack van de Amerikaanse deejay en producer Dan Deacon echt het ritme en tempo van de koers vindt.

Time Trial probeert niet zozeer een lineair verhaal te vertellen, maar dwingt je tot een emotionele ontdekkingsreis door de wielersport, waarin je van kopman vrijwel ongemerkt kunt verworden tot knecht – een woord dat buiten de wielrennerij niet voor niets behoorlijk in onbruik is geraakt – of zelfs drager van de Rode Lantaarn. Gelouterd, en helemaal leeg getrokken, bereik je in de slipstream van Millar de eindstreep. En dan begint het gewone leven weer…

Capturing The Friedmans

HBO

De man die altijd gewoon je vader was – en als scheikundeleraar bovendien een gewaardeerd lid van de lokale gemeenschap – blijkt ineens een pedoseksueel te zijn. Tijdens bijlessen thuis heeft hij zich bovendien vergrepen aan buurtkinderen. En, als klap op de vuurpijl, zou je broer Jesse hem daarbij terzijde hebben gestaan. Nee, het leven lacht David Friedman en zijn familie bepaald niet toe.

Regisseur Andrew Jarecki kwam het ongemakkelijke verhaal van Capturing The Friedmans (107 min.) op het spoor toen hij een portret wilde maken van de clown Silly Billy (alias David). Achter de clown bleek – heel clichématig, zou je bijna zeggen – een tragische figuur schuil te gaan, die gebukt ging onder een schokkende familiegeschiedenis met zijn vader en broer (waarin ook moeder Elaine een prominente rol speelt).

Deze openingsfilm van het IDFA in 2003 is geen documentaire met gemakkelijke antwoorden. Jarecki laat de meningen, visies en herinneringen van familieleden, vrienden, slachtoffers, politieagenten en deskundigen over wat er nu precies is gebeurd met elkaar botsen. Hoewel hij zijn eigen standpunt duidelijk laat doorschemeren – de regisseur participeerde later in pogingen om de zaak heropend te krijgen – blijft er tegelijkertijd voldoende ruimte voor twijfel.

Zoals de verhalen over seksueel misbruik, zo blijkt opnieuw in de huidige #MeToo-kwesties, vrijwel altijd worden omgeven met vragen. De feitelijke basis onder eventuele aanklachten is vaak flinterdun. En dan komt het neer op getuigenverklaringen en herinneringen. Waarbij niets zo onbetrouwbaar blijkt als onze waarneming, wat enkele jaren later in Nederland nog eens werd bevestigd bij de geruchtmakende Eper incestzaak. En in hoeverre laten die familiefilmpjes van vader Arnold eigenlijk de werkelijkheid zien?

Capturing The Friedmans keert een ingewikkelde zedenzaak helemaal binnenstebuiten en belandt daarbij in de donkerste hoekjes van een getroebleerd gezin, waarvan de kinderen opmerkelijk genoeg nog altijd meer sympathie lijken te hebben voor hun vader dan voor hun emotioneel afwezige moeder. Zo wordt pijnlijk duidelijk dat geen enkel familielid, onschuldig of niet, ongeschonden uit de strijd komt in deze klassieke documentaire.

Salesman

Maysles Films

‘Het enige wat ik kan zeggen tegen mensen die geen geld maken is dat het hun eigen schuld is’, stelt een bullebak van een baas op barse toon tegenover zijn luisterende verkopers. ‘Houd gewoon voor ogen dat het geld er is en zorg dat je het te pakken krijgt.’ En dus gaan ze op pad, de mannen in pak en stropdas die lijken te zijn weggelopen uit de televisieserie Mad Men, om ‘het best verkochte boek ter wereld’ aan de man (of nog beter: de vrouw) te brengen.

Ze opereren deur aan deur, deze gewiekste Bijbelverkopers. Dat doen ze natuurlijk allemaal voor de goede zaak, het verbreiden van de leer van de Heer. In hun achterhoofd echoën vast ook de laatste woorden na van hun baas: de eerste de beste die niet presteert schop ik hoogstpersoonlijk buiten. En daarmee is de toon gezet voor Salesman (90 min.), een klassieke documentaire van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin uit 1969.

Deze observerende film, zonder interviews of muziek, doet onvermijdelijk denken aan David Mamets toneel- en filmklassieker Glengarry Glen Ross, een vlijmscherp portret van de bikkelharde competitite tussen de verkopers van een makelaarskantoor, met een glansrol voor Alec Baldwin als de nietsontziende baas Blake die zijn medewerkers tot het uiterste drijft om hun verkoopcijfers op te krikken.

Ook in Salesman gaat het er soms stevig aan toe. ‘Why don’t you eat like you’re succesfull?’, grapt de real life-Blake bijvoorbeeld tegen één van zijn mannen tijdens een lunch onderweg. Hij kan er alleen zelf om lachen. De man eet snel zijn broodje op en snelt naar zijn volgende verkooppraatje. Hij heeft nog een halve film deur aan deur te gaan.

Deze ‘direct cinema’-klassieker, in fraai zwart-wit, blijkt bijna een halve eeuw na dato nog altijd heel goed kijkbaar, is verrassend actueel en wordt – bijvoorbeeld als een van de verkopers per ongeluk in een moslimwijk belandt – onverwacht grappig. Zelden werd de genadeloze ‘survival of the slickest’ treffender vastgelegd.

Baltimore Rising

HBO

Als ons collectieve geestesoog een beeld oproept van het slagveld dat de Amerikaanse ‘war on drugs’ heeft veroorzaakt, dan belandt het vast onwillekeurig in de verloederde wijken van Baltimore, Maryland. Met dank aan schrijver David Simon, die de gevaarlijke straathoeken en bijbehorende drugshandel vereeuwigde in twee genadeloze non-fictie boeken, Homicide en The Corner, en zijn magnum opus, de veelgeprezen televisieserie The Wire.

In de degelijke documentaire Baltimore Rising (93 min.) van Sonja Sohn, die de politieagente Shakima ‘Kima’ Greggs speelde in The Wire, blijkt Simons centrale thema, de stelselmatige vertrapping van de zwarte onderklasse, bijna vijftien jaar later nog altijd springlevend. Nadat de 25-jarige Freddie Gray in 2015 sterft door hardhandig politie-optreden wordt Baltimore, dat jaarlijks hoge ogen gooit bij de verkiezing van Amerika’s moordhoofdstad, het strijdtoneel voor protesten van de Black Lives Matter-beweging.

Tegen de achtergrond van de processen tegen de agenten die betrokken waren bij de fatale arrestatie van Gray, volgt Sohn enkele activisten, agenten, buurtwerkers en de nieuwe politiecommissaris van Baltimore. Zo maakt ze de verschillende strategieën – confrontatie of juist verzoening? – voor hoe de crisis in hun stad moet worden aangepakt inzichtelijk, zonder dat dit tot wezenlijk nieuwe vergezichten of een echt dramatische ontknoping leidt.

Belief: The Possession Of Janet Moses


In ons collectieve geheugen wordt het fenomeen ‘exorcisme’ waarschijnlijk verbonden met een stortvloed aan (goedkope) horrorbeelden. Van een dertienjarige Linda Blair, om precies te zijn. In de bioscoophit The Exorcist kreeg zij ooit, bezeten door de een of andere Duivel, een onvervalste grafstem en kon ze bovendien haar hoofd om zijn eigen as laten draaien. Bij echte duiveluitdrijvingen blijven dergelijke special effects achterwege. Het resultaat kan echter net zo ingrijpend zijn.

In Belief: The Possession Of Janet Moses (90 min.) maken we kennis met een getroebleerde alleenstaande moeder uit Wellington in Nieuw-Zeeland, de omgeving waar ooit de Lord Of The Rings-trilogie werd opgenomen. De familieleden van Janet Moses raken ervan overtuigd dat ze het slachtoffer is van een oude Maori-vloek, Makutu. Daar proberen ze eigenhandig een einde aan te maken, met alle gevolgen van dien.

Regisseur David Stubbs vertelt dit tragische verhaal met een combinatie van gedramatiseerde scènes, nagespeelde politieverhoren van direct betrokkenen en interviews met deskundigen. Deze reconstructie van de dramatische gebeurtenissen rond Janet Moses voelt daardoor meer als een speelfilm dan als een documentaire. Daarbij wreekt zich ook een beetje dat haar directe familieleden niet wilden meewerken.

Belief: The Possession Of Janet Moses maakt daardoor nét wat minder indruk dan je op basis van het onderwerp misschien zou verwachten.