Jane

 

Jane Goodall is als onvermoeibare beschermvrouwe van ’s werelds chimpansees een soort merknaam geworden. Met haar eigen wereldwijde non-profit organisatie, waar je zelfs een aap kunt adopteren. Deze weldadige film gaat terug naar begin jaren zestig toen ze als 26-jarige zonder enige wetenschappelijke ervaring naar Tanzania werd gestuurd om daar een chimpansee-gemeenschap te observeren en zo iets te leren over (de voorvaderen van) de mens.

Haar latere geliefde, de vermaarde Nederlandse natuurfilmer en -fotograaf Hugo van Lawick, maakte prachtig beeldmateriaal van de bevallige Britse met haar onmetelijke liefde voor dieren en de natuur. Materiaal, zonder geluid overigens, dat verloren leek te zijn gegaan. Totdat het in 2014 werd teruggevonden. Honderd uur in totaal. Afgelopen week, 17 jaar na Van Lawicks overlijden, goed voor een Emmy Award. Me ape, you Jane. In alle soorten en maten. Waarbij de man achter de camera zichtbaar fantaseert over ‘me Hugo, you Jane’.

Regisseur Brett Morgen, die eerder ook al een overrompelend mooie biopic maakte over Nirvana-zanger Kurt Cobain, had op alle mogelijke manieren kunnen verdwalen in die overvloedige beeldenpracht, maar heeft er een kleine en intieme vertelling in gevonden, die tevens model staat voor een groter, universeel verhaal. Over hoe intelligente wezens, mensen en dieren, met elkaar samenleven, voor elkaar zorgen of – ja, dat ook! – oorlog voeren.

Jane (90 min.) is bovendien virtuoos gemonteerd. De verhaallijn wordt slim op- en uitgebouwd en op diverse niveaus voorzien van symboliek, waarbij de erg dwingende muziek van Philip Glass uiteindelijk ook helemaal op zijn plek valt. Met deze betoverende film, een fraaie demonstratie van het adagium 1 +1 = 3, opent Brett Morgen een wonderbaarlijke wereld, waarnaar je eigenlijk steeds zou willen terugkeren.

City Of Ghosts

 

Het zou me niet hebben verbaasd, zo schreef ik in mijn jaaroverzicht voor 2017, als Matthew Heineman de Oscar voor beste documentaire zou winnen met City Of Ghosts (92 min.), een onontkoombare film over Syrische burgerjournalisten die met gevaar voor eigen leven berichten over de gruwelen van IS. De prijs zou echter gaan naar Icarus, een fascinerende documentaire over het Russische dopingprogramma.

In 2016 was Heineman al eens dichtbij een Oscar met Cartel Land (nog steeds te zien op Netflix), een geweldige film over de drugsoorlog die op de grens van de Verenigde Staten en Mexico wordt uitgevochten (en die onlangs een krachtig vervolg kreeg met de miniserie The Trade). Zijn volgende film City Of Ghosts is opnieuw een mokerslag die je nog dagen op je bakkes voelt: actueel, urgent en superspannend. Niet eerder werd de nefaste ideologie van Islamitische Staat, dat alles wat het Kalifaat voor de voeten loopt letterlijk de kop probeert af te hakken, zo pregnant in beeld gebracht.

De Amerikaanse filmmaker volgt de burgerjournalisten van het collectief Raqqa Is Being Slaughtered Silently, die met gevaar voor eigen leven, en dat van hun dierbaren, proberen te berichten over de dagelijkse dreiging van het leven met/onder IS. Zelfs in het buitenland zijn deze onbekende helden, die de Duivel brutaal in de bek hebben gespuugd, niet meer veilig als IS-cellen worden ingezet om hen met grof geweld uit de weg te ruimen.

De angst die hen begeleidt bij elke stap die ze zetten, elk stuk dat ze schrijven en elke misstand die ze fotograferen of filmen – en de moed die ze ergens diep van binnen toch steeds weer vinden om hun missie te vervolgen – wekt evenveel bewondering als verbazing. Hoe blijf je mens in dit genadeloze kat- en muisspel? Gaandeweg dringt in deze doodenge docu echter het besef door dat ze helemaal geen keuze meer hebben: ‘Of we winnen of ze doden ons allemaal.’

Time Trial

 

In het Ronde van Vlaanderen-museum te Oudenaarde kun je virtueel De Oude Kwaremont beklimmen en je intussen meten met de groten der wieleraarde. Op zijn best lukt het om even, heel even, aan te klampen. Voordat de man met de hamer de definitieve genadeklap geeft. De overweldigende documentaire Time Trial (82 min.) biedt een gelijksoortige ervaring; als kijker word je onderdeel van het peloton.

Dit betekent overigens niet dat je per definitie ook tot de groten der wieleraarde behoort. Het gros van de beroepsrenners rijdt vooral als pelotonvulling mee en hoopt tegen beter weten in op meer. Dat geldt ook voor de Schot David Millar, die in de nadagen van zijn carrière is aanbeland. Ooit, voor zijn schorsing vanwege dopingsgebruik, reed hij de pannen van het dak. Maar die glorieuze dagen liggen al lang en breed achter hem.

Dat is de context voor deze zinnenprikkelende film van Finlay Pretsell. Millar levert een bijna wanhopige strijd tegen zichzelf, de rest van het peloton én de (biologische) klok, die zijn bestaan als wielrenner stelselmatig begint te ondermijnen. Met de Nederlander Thomas Dekker, ook een voormalige dopingzondaar, als ploeggenoot aan zijn zijde spreekt Millar al zijn reserves aan zodat hij nog eenmaal de Tour de France mag rijden.

Om de kijker in het getergde lijf van de hoofdpersoon te persen en vanuit diens perspectief de koers te laten beleven, trekt Pretsell filmisch alles uit de kast; van spectaculaire cameravoering, waaronder een kleine go pro-camera op Millars gezicht tijdens een tijdrit en adembenemende point of view-beelden van een bergbeklimming, tot een zorgvuldig samengesteld geluidspalet, waarin de dwarse soundtrack van de Amerikaanse deejay en producer Dan Deacon echt het ritme en tempo van de koers vindt.

Time Trial probeert niet zozeer een lineair verhaal te vertellen, maar dwingt je tot een emotionele ontdekkingsreis door de wielersport, waarin je van kopman vrijwel ongemerkt kunt verworden tot knecht – een woord dat buiten de wielrennerij niet voor niets behoorlijk in onbruik is geraakt – of zelfs drager van de Rode Lantaarn. Gelouterd, en helemaal leeg getrokken, bereik je in de slipstream van Millar de eindstreep. En dan begint het gewone leven weer…

Alicia

 

Ze gaat haar hondje van de hand doen via Marktplaats, vertelt Alicia’s moeder. Het is een keilief beestje hoor, maar het heeft een slechte start gemaakt en daar heeft zij het geduld niet voor. Alicia, na haar geboorte uit huis geplaatst, staat erbij. Het negenjarige meisje is een dagje thuis om haar verjaardag te vieren en gaat later weer gewoon terug naar het kindertehuis.

In de aangrijpende fly on the wall-documentaire Alicia (90 min.) volgt Maasja Ooms gedurende drie jaar het verweesde negenjarige kind dat op haar vijfde, na de dood van haar pleegvader bij wie ze enkele jaren heeft gewoond, in een kindertehuis is beland. In de Maashorst in het Brabantse Reek lijkt ze wel op haar plek. ‘Niemand vindt mij lief’, staat er niettemin te lezen in de rapportage van het tehuis. ‘Ik kan er net zo goed niet zijn.’

Gaandeweg gaat het steeds minder goed met de stevig puberende Alicia, die niet meer blijkt te handhaven in Reek en daarna een rondgang door de Nederlandse jeugdzorg moet maken. Intussen probeert ze de relatie met haar moeder, die ook weer haar eigen verhaal blijkt te hebben, in stand te houden. Als kijker zie je het met een kolossale steen in je maag aan. Zijn kwetsbare meisjes zoals Alicia dan nergens op hun plek?

Alicia is zo’n film die je heimelijk blijft achtervolgen en op onverwachte momenten plotseling toeslaat. Als je willekeurige tienermeisjes ziet, als je leest over het belang van hechting in de jongste jeugdjaren of als je, gewoon, heel gewoon, even naar je eigen kinderen kijkt.

Jim & Andy: The Great Beyond – Featuring A Very Special, Contractually Obligated Mention Of Tony Clifton

 

Met de speelfilm Man On The Moon uit 1999 presteerden enkele grootheden uit het metier op de top van hun kunnen. Had topregisseur Milos Forman zijn oude dag bijvoorbeeld beter kunnen beginnen dan met deze ontroerende film? Schreef de Amerikaanse band R.E.M. in zijn lange carrière een mooier liedje dan de melancholieke titeltrack? En was de Amerikaanse komiek Jim Carrey ooit beter op dreef als serieus acteur?

Carrey verloor zich tijdens de opnames volledig in zijn personage, de dwarse comedian Andy Kaufman en diens helemaal onmogelijke alter ego Tony Clifton. Ook als de camera’s niet draaiden bleef hij op de filmset volledig ‘in character’ alles en iedereen ontregelen. Waaronder zichzelf. Vóóral zichzelf, zou je kunnen zeggen.

‘Ging ik te ver?’, vraagt hij zich nu af voor de camera van Chris Smith. De ronduit fascinerende documentaire Jim & Andy: The Great Beyond – Featuring A Very Special, Contractually Obligated Mention Of Tony Clifton (93 min.) wordt volledig verteld vanuit het point of view van Jim Carrey. Via Andy Kaufman (her)ontdekt hij zichzelf.

Hij krijgt die kans letterlijk. Voor Man Of The Moon werd een zogenaamde Electronic Press Kit gemaakt, die nooit is uitgebracht. De filmmaatschappij wilde destijds niet dat mensen door het filmpje ‘Andy Lives’ zouden gaan denken dat Carrey ‘een asshole’ was – of dat ze, ook niet onlogisch, aan zijn geestelijke vermogens zouden gaan twijfelen.

Het is bijna eng om te zien hoe Jim in die achter de schermen-beelden Andy wordt. Leven en kunst zijn volledig met elkaar verknoopt geraakt. Hoe kom je daar weer gezond uit? De openhartige acteur zelf verwoordt het nu vrij simpel: hij had vakantie van Jim Carrey. Naderhand wachtte gewoon weer zijn eigen leven, met al z’n gebruikelijke tekortkomingen en frustraties.

Pilotenmasker

 

Owen blaast op zijn oranje fluit. Hij wil die tunnel niet in. En papa en mama vinden dat hij er wel in moet. Alleen even een foto maken. Ze beloven een kadootje. Owen gaat uiteindelijk overstag. Hij houdt zijn knuffel stevig vast. Op de achtergrond klinkt Kinderen Voor Kinderen. Raar Maar Waar.

De openingsscène van Simonka de Jongs aangrijpende film Pilotenmasker (94 min.) is een voorbode van wat de kijker nog te wachten staat: kleuters met ‘gemene celletjes’ in hun lichaam, die noodgedwongen worden blootgesteld aan ingrijpende medische onderzoeken en behandelingen. Normale kinderen die verzeild zijn geraakt in volstrekt abnormale situaties.

In de allerbeste ‘direct cinema’-traditie, zonder interviews en met een camera die intiem de (rauwe) werkelijkheid registreert, worden de gebeurtenissen op de afdeling kinderoncologie van het Prinses Máxima Centrum in Utrecht vereeuwigd. De focus ligt daarbij volledig op de kinderen. Ouders, verpleegkundigen en doktoren blijven vaak helemaal buiten beeld of figureren aan de rand van het frame.

Simonka de Jong, kleindochter van de bekende historicus Loe (over wie ze ook een film maakte), verplaatst zich af en toe ook letterlijk in het perspectief van de kinderen en geeft hen een camera in de hand, zodat ze hun eigen belevingswereld kunnen vastleggen. Onderwijl blijven de medici voor hen vechten met hun ziekte.

Laat Het Los, zingt een schattig meisje tegen het einde van Pilotenmasker hartstochtelijk mee met Elsa van de Disney-film Frozen, die ze voor zich ziet op een mobiele telefoon. ‘Laat het gahaaan!’ En haar directe omgeving heeft het even te kwaad.

Het is de opmaat naar de indrukwekkende slotscène van deze afwisselend pijnlijke, vertederende en hartverscheurende film, die terecht kans maakt om te worden uitgeroepen tot beste Nederlandse documentaire tijdens het IDFA.

One Of Us

 

‘Waarom stoot de gemeenschap mensen uit?’, heeft de ex-gelovige Luzer volgens eigen zeggen eens gevraagd aan een vriend die nog altijd deel uitmaakt van de Chassidische gemeenschap. ‘Zo houden we de gemeenschap in stand’, zou deze hebben geantwoord. ‘Dat kan alleen zo. In Duitsland konden ze de gemeenschap niet bij elkaar houden.’

De gruwelen van de Holocaust zijn nog steeds uiterst actueel voor de ultra-orthodoxe Joodse gemeenschap van Brooklyn. Ruim zeventig jaar na dato bewaken de Chassidische Joden in New York hun wereld met straffe hand. Ze hebben eigen scholen, ambulances en politiemensen. Bovendien houden ze, volgens critici, hun mensen bewust onwetend. Zodat die zich buiten de gemeenschap niet staande kunnen houden

One Of Us (95 min.) volgt Etty, Luzer en Ari tijdens hun wankele pogingen om de Chassidische gemeenschap waarin ze opgroeiden (en soms ook moesten trouwen) tóch achter zich te laten. Daarvoor betalen ze een stevige prijs. Ze zijn direct geëxcommuniceerd en worden bovendien geacht om alle banden met hun verleden door te snijden, ook als dat bijvoorbeeld hun eigen kinderen betreft.

Dancer

 

Als de openingsscène van een film over een balletdanser wordt begeleid door een klassieker van de metalband Black Sabbath, dan weet je dat het niet om zomaar een danser gaat. Dat klopt. Hij heet Sergei Polunin en lijkt daadwerkelijk de Iron Man van het internationale ballet.

De meeslepende documentaire Dancer (77 min.), die donderdag wordt uitgezonden door Het Uur Van De Wolf, wrikt de deur open bij de Oekraïense ‘bad boy of ballet’ en komt zo voorbij het dwarse gedrag, de opzichtige tatoeages en nonchalant geëtaleerd drugsgebruik.

Filmmaker Steven Cantor gaat op zoek naar de twintiger die zijn jeugd heeft geofferd voor zijn gave. Terwijl hij als jongetje naar een exclusieve balletschool in Kiev werd gestuurd, vertrokken zijn vader en oma naar respectievelijk Portugal en Griekenland om te werken, zodat die opleiding ook kon worden betaald. Niet veel later lag het hele gezin Polunin aan diggelen.

In Dancer stelt Sergei zich de vraag of ’t het allemaal waard was en wat dansen eigenlijk nog betekent in zijn leven. Leeft hij zijn eigen droom of die van een ander?

Tower

 

Over zogenaamde ‘school shootings’ zijn al talloze documentaires gemaakt. Van Michael Moores klassieker Bowling For Columbine tot Newtown over de verschrikkelijke schietpartij in het gelijknamige plaatsje, waarbij twintig basisschoolkinderen en enkele leerkrachten om het leven kwamen.

Tower (86 min.) gaat terug naar de allereerste Amerikaanse schoolschietpartij, in Austin in 1966. In de toren van de Universiteit van Texas heeft zich een schutter verschanst die volstrekt willekeurig tientallen slachtoffers maakt. Dat gruwelijke verhaal wordt ronduit superieur verteld. Stap voor stap onthult regisseur Keith Maitland de achtergronden en gevolgen van de slachting.

Gewone mensen proberen te overleven te midden van een zee van kogels. Hoe ’t met hen afloopt blijft tot het zinderende einde onduidelijk. Ook de vorm van de documentaire is ronduit overweldigend. Tower bestaat zeker voor tachtig procent uit animaties, die echter nooit afleiden van het verhaal.

De film is bovendien messcherp gemonteerd en op smaak gebracht met dampende muziek. Zo transporteert de absolute topdocumentaire Tower je vijftig jaar terug in de tijd, naar een helse universiteitscampus in Austin. Waar werkelijk niemand zijn leven zeker is.

0,03 Seconde

 

‘Iedereen kent de Olympisch kampioen’, stelt gouden medaille-winnaar Ferry Weertman in 0,03 Seconde (90 min.). ‘Maar hoeveel ken je er die tweede zijn geworden?’ Toch is het een ‘verliezer’ die je hart wint in deze documentaire over vijf zwemmers die vorig jaar deelnamen aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro.

Regisseur Suzanne Raes zet haar geld op de even kwets- als aaibare Femke Heemskerk. De andere helden van deze meeslepende film (titelfavoriet Ranomi Kromowidjojo en haar vriend Ferry, de ambitieuze Sebastiaan Verschuren en Heemskerks lange afstandsmaatje Sharon van Rouwendaal) zijn allemaal gepositioneerd rond de lotgevallen van de met haar vorm en gemoed worstelende Femke.

Heemskerks omgang met haar voormalige coach Marcel Wouda wordt geportretteerd als een liefdesaffaire die door omstandigheden niet kan worden geconsumeerd. Intussen zit ze opgescheept met de barse macho Philippe Lucas als trainer, een Franse variant op schaatscoach Peter Müller (die ooit z’n pupil Marianne Timmer verschalkte).

In een verlaten zwembad in het Franse Narbonne bezwijkt Femke bijna onder Lucas’ gestaalde regime, terwijl haar maatje Sharon er juist sterker en sterker van wordt. De beelden van topsporters die in afzondering gedwongen worden het uiterste uit zichzelf te halen behoren tot de grootste troeven van 0,03 Seconde.

Waarschijnlijk werd de sport zwemmen ook nooit eerder van zo dichtbij vastgelegd. Door het sublieme camerawerk, afgetopt met een weelderig geluidsdecor, is het bijna alsof je als kijker zelf onderdeel wordt van die voortdurende race tegen de klok, coach en concurrentie, die slechts een enkeling kan winnen.

De afloop van alle inspanningen (of wie welke medaille wint) mag dan bekend zijn, maar het hoe en waarom van de weg ernaartoe blijft fascinerend. Zeker omdat Suzanne Raes de opofferingen die de zwemmers en hun directe omgeving zich moeten getroosten voor Rio zo groots en tegelijk intiem in beeld brengt; kleine levens, in dienst van grote prestaties.

En Femke? Die schijnt weer terug te zijn bij Marcel.

Last Men In Aleppo

 

Dichter bij de oorlog in Syrië, en de mensen die door die oorlog dreigen te worden vermorzeld, dan in de verpletterende documentaire Last Men In Aleppo kun en zul je niet komen.

In deze direct cinema-film van Feras Fayyad, die de Grand Jury Prize voor Best World Cinema Documentary won op het Amerikaanse Sundance-festival, zit de camera voortdurend in de spreekwoordelijke nek van drie White Helmets, vrijwillige hulpverleners die na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin proberen te halen.

Khalid, Subhi en Mahmoud wagen daarbij geregeld hun leven. Tegelijkertijd zijn het ook drie gewone mannen die lekker dollen met elkaar, een normaal gezinsleven proberen te onderhouden en tussen de loodzware klussen door zelfs de gelegenheid vinden om een vijvertje te maken voor hun goudvissen. Intussen vragen ze zich af of het toch niet verstandiger zou zijn om hun eigen ‘kom’ te ontvluchten en naar het buitenland te vertrekken.

Die menselijke insteek, van gewone mannen die gedwongen door de omstandigheden uitgroeien tot helden, zorgt ervoor dat je je als kijker onvermijdelijk gaat identificeren met de hoofdpersonen van deze kaakslag van een film (104 min.). En dat komt je bij de hartverscheurende apotheose duur te staan.

Eerder dit jaar verscheen er overigens nog een andere film over de Syrische hulpverleners met de witte helmen. De ontroerende film The White Helmets, die nog altijd is te zien op Netflix, werd met een Oscar voor beste korte documentaire bekroond.

Casting JonBenet

 

Ja, ik ben er laat bij. Casting JonBenét (80 min.) staat al sinds eind april op Netflix, maar ik vind het zo’n bijzondere documentaire dat ik ’m toch onder de aandacht wil brengen in deze nieuwsbrief.

Regisseur Kitty Green richt zich in deze verbluffende film op één van Amerika’s bekendste cold cases, de geruchtmakende moord op de zesjarige beauty queen JonBenét Ramsey tijdens kerstmis 1996. Green kiest echter voor zo’n bijzondere vertelvorm dat Casting JonBenét bepaald geen standaard true crime-documentaire is geworden.

Daarvoor maakt ze gebruik van amateuracteurs uit de woonplaats van de familie Ramsey, die hun licht laten schijnen op de nog altijd onopgeloste moord en intussen ook heel wat van zichzelf prijsgeven. Die combinatie levert een heel bijzondere kijkervaring op, die over meer gaat dan alleen een spraakmakende kindermoordzaak.

Mommy Dead And Dearest


Over sommige films moet je vooraf eigenlijk niets lezen. Deze opzienbarende true crime-documentaire over een bizarre moeder-dochter relatie met dodelijke afloop is zo’n film.

Mommy Dead And Dearest (82 min.) van regisseur Erin Lee Carr vertelt een verhaal dat jij niet meer wilt verlaten en dat jou ook niet meer wil verlaten. Waarvoor meteen een aloud cliché voor de dag mag worden gehaald: truth is stranger than fiction.

En daarmee is wat mij betreft nu alles gezegd. Ik zou vooraf niet eens onderstaande trailer bekijken, maar direct doorschakelen naar de film zelf (die bijvoorbeeld is te zien via Ziggo).

Get Me Roger Stone

Sinds enkele dagen is op Netflix de documentaire Get Me Roger Stone (101 min.) te bekijken. Deze gloednieuwe film documenteert op uiterst soepele wijze de spraakmakende carrière van Trumps smoezelige rechterhand, Roger Stone. Stone knapt sinds jaar en dag smerige karweitjes op voor de huidige Amerikaanse president, zou hoogstpersoonlijk diens back channel naar Wikileaks zijn geweest en werd volgens eigen zeggen vorige week nog door de president geconsulteerd over het veelbesproken ontslag van FBI-directeur James Comey.

Om je een beeld te vormen: de flamboyante Roger Stone heeft op zijn rug een tattoo van ene Richard ‘Tricky Dick’ Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit heeft moeten aftreden. Op Comeys ontslag reageerde hij vorige week met een triomfantelijk ‘You’re fired!’-tweetje, een verwijzing naar de vaste oneliner van zijn baas in diens succesprogramma The Apprentice (‘should have won an Emmy’, aldus the Donald zelf).

In Get Me Roger Stone van regisseur Morgan Pehme debiteert de  consultant met veel aplomb de ene na de andere politieke straatwijsheid, zogenaamde Stone Rules. Van ‘Het is beter om berucht te zijn dan helemaal niet beroemd’ tot ‘Politiek is showbusiness voor lelijke mensen’. Of, zijn meest (zelf)onthullende oneliner: ‘Haat is een sterkere motivator dan liefde.’

De politieke professional Stone belichaamt zo de verwording van de Republikeinse partij; van de keurige president Eisenhower via de corrupte Nixon naar de ultieme narcist Trump. Dat levert een bruisende film op, die niet alleen erg entertainend en grappig is, maar ook context en achtergrond verschaft bij het fenomeen Trump en de enge politieke wereld die daarachter schuilgaat. Boeiende, maar ook belangrijke documentaire dus.