Torso

‘Dan mag je een heel klein beetje zo je billen naar achter doen’, zegt de vrouw met de spuitfles met lichaamsbruiner in de openingsscène van deze korte documentaire. Axel Paulina staat met zijn rug naar de camera. In een soort minitent, poedelnaakt. Zijn brede schouders en rug, bekleed met een imposante tatoeage, worden van een dun laagje bruin voorzien. De titel verschijnt in beeld: Torso (24 min.). Van Olivier S. Garcia.

In de volgende scène showt Paulina zijn spierballen. Eerst licht onzeker, daarna met zelfvertrouwen. Opgepompt, in een strakke slip. Zijn tienerzoons Caine en Montell (die in 2017 overigens Holland’s Next Top Model won) kijken vol bewondering naar de man die bij een bodybuild-toernooi zijn comeback maakt. Hun inmiddels 48-jarige vader, die jarenlang buiten beeld was, is terug én in vorm.

Nog niet zo lang geleden had hij een buikje. En papperige bovenbenen. Die zijn binnen korte tijd met een personal trainer weggewerkt. Axel wilde een nieuwe man worden. Een ouder voor zijn twee jongens. ‘Je oogst wat je zaait’, zegt hij over zijn vroegere bestaan als vechtsporter, drugsdealer en afperser, dat z’n sporen heeft achtergelaten op zijn lijf. ‘Ik zaai ellende en ik krijg ook ellende terug.’

‘Was je toen heel anders?’ wil de documentairemaker weten. ’Toen had je me niet willen leren kennen’, antwoordt de held van zijn film met een ontwapende glimlach. ’Ik was een heel andere persoon.’ Die ‘bad boy’ laat zich niettemin nog wel eens zien voor Garcia’s camera. Als hij bij het begin van het toernooi bijvoorbeeld zijn zoons probeert op te trommelen. ‘Waar ben je?’ klinkt het nét iets te dwingend.

Hij oogt op zulke momenten als de man die hij ooit geweest moet zijn. Die gewend is om zijn zin te krijgen – of zijn zin, met alles wat hij in zich heeft, af te dwingen. Zo moeten zijn zoons nú naar hem komen kijken. Vaders wil is wet. Axel hengelt ondertussen ook naar hun goedkeuring en respect. Zodat hij dat ook voor zichzelf kan opbrengen, vermoedelijk.

In sfeervol zwart-wit brengt deze krachtige film haarfijn in beeld hoe Axel als vader zijn kinderen probeert terug te verdienen. Terwijl die jongens al die tijd, zeggen ze zelf, gewoon ‘een superheld’ in hem zijn blijven zien.

No One Saw A Thing

In het centrum van Skidmore staat tegenover de plaatselijke taverne, dwars op straat, een beige-bruine pickup-truck geparkeerd. Achter het stuur zit (nee: ligt) een bebloede man. Op klaarlichte dag neergeschoten. Naast hem zit een blonde, veel jongere vrouw. Zijn echtgenote Trena. Z’n vijfde. Volgens de overlevering keken zo’n vijftig inwoners van het gehucht in Missouri toe hoe Ken Rex McElroy rücksichtslos werd geliquideerd. Maar niemand heeft iets gezien.

De met kogels doorzeefde truck fungeert als het macabere centrale decorstuk voor de zesdelige documentaireserie No One Saw A Thing (258 min.), waarin de geruchtmakende moord op McElroy op 10 juli 1981 opnieuw wordt belicht. Het zou gaan om een typisch geval van eigenrichting: de dorpsploerd die al jaren heel Skidmore (437 inwoners) terroriseerde werd publiekelijk kaltgestellt. En veel inwoners van het district Nodaway County zien daarin, bijna veertig jaar later, nog altijd weinig kwaad. ‘Het kon niet anders’, zeggen ze. Of: ‘zijn verdiende loon.’

De langharige Vietnam-veteraan en muzikant Britt Small heeft de trekker in elk geval niet overgehaald, stelt hij in deze hele aardige true crime-serie van Avi Belkin. Al zou hij echt niet hebben geaarzeld om die McElroy ‘een gaatje in zijn hoofd’ te schieten. De zonderlinge Small voedde zijn zoon, die de mensheid in deze serie voor het gemak onderverdeelt in wolven en schapen, volgens eigen zeggen op met drie leefregels: ‘Ken je vijand, laat een vijand nooit levend achter en de kerel met de meeste kogels wint.’ Hij laat een moment stilte vallen. ‘Mijn zoon is alleen een echte messpecialist geworden’, zegt Britt trots. ‘Lang voordat hij leerde schieten wist hij al hoe hij iemand met een mes moest doden.’

In zijn zoektocht naar wie de trekker heeft/hebben overgehaald vangt Belkin zo eveneens iets van de volksaard van een gemeenschap die gewend is om zijn eigen boontjes te doppen. En de ooggetuigen, hier verbeeld met Sergio Leone-achtige extreme close-ups van ogen van Zij Die Het Zagen En Lieten Gebeuren, weten dat ze hun lippen stijf op elkaar moeten houden. McElroys weduwe Trena zegt nochtans te weten wie haar man heeft afgeknald, maar met haar verklaring krijgt ze niemand veroordeeld. En van die verhalen dat er een soort dorpsvergadering is geweest, waarbij het slachtoffer vooraf zou zijn gevonnist, wil ook niemand ook niets weten. En wie kan bewijzen dat zelfs de plaatselijke sheriff bij die bijeenkomst zijn goedkeuring heeft gegeven?

Met fraai archiefmateriaal uit reportages die toentertijd zijn gemaakt (waaronder gesprekken met McElroys vrouw Trena, haar advocaat, dorpelingen en de officier van justitie) en actuele interviews met het leeuwendeel van de belangrijkste personages en enkele, inmiddels volwassen kinderen van het slachtoffer keert filmmaker Belkin de zaak binnenstebuiten. No One Saw A Thing wil echter meer zijn dan een simpele whodunnit, de serie probeert ook de gevolgen van het vigilante-incident voor Skidmore in kaart te brengen. Met het bewaren van dat veelbesproken geheim lijkt het dorp een heuse vloek over zichzelf te hebben afgeroepen.

Het resultaat oogt als een psychologisch portret van een gemeenschap. Van small town America. En van Ons Kent Ons en Ons Dekt Ons. Een wereld die in de decennia na de McElroy-moord het toneel zal worden van de verdwijning van een tiener, handel in crystal meth en een bizarre moord. En dat eerder, ook niet te vergeten, het decor vormde voor barbaarse lynchpartijen van zwarte Amerikanen. Of er werkelijk een rechtstreeks verband is tussen al die verschillende kwesties, valt te betwijfelen. Avi Belkin maakt echter aannemelijk dat de zwijgcultuur rond de executie van Ken Rex McElroy in Skidmore wel degelijk heeft bijgedragen aan een algehele sfeer van medeplichtigheid, die ook jaren na dato nog slachtoffers maakt.

Afrikaanse Bruid

Gilbert en Maxy / filmfestival.nl

‘Wat ik hier doe, dat kan ik in Europa niet doen’, zegt de Belgische pensionado Gilbert Heijndels, terwijl hij in een zwembad in zijn tweede thuisland Kenia een zoen ontvangt van de donkere schone Helen. ‘Mooie zwarte meisjes, zachte huid. En ik ga je uitleggen: ik heb nooit willen neuken met zwarten. Ik ben vele keren in Afrika geweest en ik wou daar niet aan beginnen. Ik was er vies van. Die stinken. Dat was een idee wat in mijn hoofd zat. Toen heb ik het toch een keer gedaan. En ik was gebeten door de microbe, hè?’. Hij vat samen: ‘Eenmaal zwart, altijd zwart.’

De hoofdpersoon van Afrikaanse Bruid (87 min.), de nieuwe documentaire van Roy Dames en Jos Driessen, laat het zich goed smaken in het zonnige Afrika. Alleen die Helen begint steeds meer een pijn in de bips te worden. Ze is net als al die anderen, foetert de voormalige militair: eerst laten ze zich bezwangeren door een plaatselijke vent en dan mag ik voor hen en voor het kind zorgen. Gilbert is echter niet overdreven kieskeurig als het zwarte vrouwen betreft: geen handvol, maar een landvol.

Die donkere dames weten zelf overigens ook wel van wanten. ‘Zie je die witte vent daar?’ zegt een Afrikaans meisje in een strandtent tegen haar vriendin. ‘Hij heeft een eng gezicht’, constateert die. ‘Waarom kijk je naar zijn gezicht? Je moet naar zijn portemonnee kijken.’ Ze geven elkaar lachend een high five. Hoewel ook Gilbert best doorheeft dat ze echt niet alleen vallen voor zijn vriendelijke karakter, laat hij zich uiteindelijk met liefde en plezier in de luren leggen. Niets in regenachtig België kan op tegen de geneugten van vrouwelijk Afrika, dat zich bovendien spontaan online aanbiedt.

Dames en Driessen volgen de overjarige schuinsmarcheerder in de laatste drie jaar van zijn leven, zonder commentaar of kritische vragen. De ‘Kenya Kimbo’ wordt wel van zéér dichtbij geobserveerd. ‘Die gaan we neuken, hè’, zegt hij bijvoorbeeld thuis tegen een oudere Belgische vrouw, die met hem op internet alweer een nieuwe vlam zoekt. Hij kiest voor Beatrice uit Oeganda, met die ‘mooie kont’. In Afrika laat Gilbert er geen gras over groeien. Hij stelt vast dat haar ‘kuma’ nat is. En dat zijn ‘mboro’ op haar wacht. Zonder condoom, kondigt hij aan tijdens de ontmoeting met Beatrice. Hij is tenslotte geen machine. Gewoon van tevoren een HIV-test doen. En dan… ‘diggi-diggi’.

Alle grootspraak ten spijt lijkt Gilbert helemaal niet gelukkig. Hij steekt de ene sigaret met de andere aan, drinkt als een Tempelier en mijmert over een zwarte schone genaamd Maxy, waaraan hij ooit écht zijn hart verloor. De Belg voelt zich bedrogen door al die veel te dure liefjes. ‘Die zuigen een blanke leeg’, moppert hij. ‘Het zijn net beesten.’ En als hij buiten gehoorsafstand is, laten zij zich (natuurlijk) ook niet al te flatteus uit over hem. Die openheid, op het gênante af, behoort tot de pluspunten van deze lekker ongemakkelijke film, die aan het eind, als Gilberts krachten beginnen weg te vloeien, alleen wat rommelig wordt afgewikkeld.

Afrikaanse Bruid laat echter op indringende wijze zien dat Westerse uitbuiting van vrouwen uit een arm land en het slim leegtrekken van een Europese oudere man heel goed samen kunnen gaan. En niemand wordt er echt gelukkig van. Ook Gilbert niet. Of, in elk geval nooit véél langer dan een seconde of tien.

Het Hut Syndicaat

Cobos Films

‘Go ahead, make my day’, lijkt de man met de buks te denken, als er een haas op hem afrent. Ze zijn lekker een dagje aan het jagen, de leden van Het Hut Syndicaat (85 min.). Een groep drijvers met honden heeft de dieren over het perceel gejaagd. Aan de andere kant van het veld staan hun kameraden te wachten, met het geweer in de aanslag.

Het zijn gezelligheidsdieren, deze mannen van middelbare leeftijd. In hun even verderop gelegen hut laten ze zich de drankjes en hapjes goed smaken. En als ze erin slagen om iets te schieten, dan delen ze dat vol trots met elkaar. ‘Djiezus’, bewondert de één het hazenkadaver van de ander. ‘Mooi afschot’, constateert deze trots. ‘Hee’, roept Ronald Timmermans een andere jachtvrind goedkeurend toe. ‘Moordenaar!’

Gastronoom Timmermans fungeert al een paar jaar als jagermeester voor een groep mannen (en een enkele vrouw) die elke herfst op klein wild gaat jagen in de Wieringermeerpolder en werpt zich tevens op als gastheer voor Diego Gutiérrrez, een in Nederland woonachtige Mexicaanse documentairemaker die enkele jaren geleden een Gouden Kalf won met zijn film Parts Of A Family.

‘Diego, je moet wel opschieten met die film te maken’, zegt één van de syndicaatsleden gekscherend tegen de filmmaker. ‘Gezien de leeftijd van de jagers hier.’ Hij slaat de spijker op zijn kop. Behalve over jagen, het buitenleven en de omgang met ons vlees – het villen, slachten en bereiden ervan zijn tot in detail te zien – portretteert deze documentaire ook een verdwijnende wereld en de mannen die daarbij horen.

Gutiérrez onthoudt zich zoveel mogelijk van commentaar, legt simpelweg vast wat er voor zijn camera gebeurt en spreekt met de betrokken jagers. Over de jacht, de verwording van de Nederlandse natuur en ouder worden. Via de radio komt intussen de rest van Nederland binnen, waar natuurproblemen en dierenleed aan de orde van de dag lijken. Het Hut Syndicaat laat zich er niet door ontmoedigen.

De Onbegrijpelijke Dood Van Mitchel

BNNVARA

Suicide by cop? Of toch een Nederlandse Black Lives Matters-kwestie? Dat vraagt Wytzia Soetenhorst zich al jaren af bij de zaak van de 21-jarige Mitchel Winters, die zich in 2016 doelbewust door een agent zou hebben laten doden. ‘Is het omdat een agent een zwarte jongen heeft doodgeschoten?’ zegt ze in een inleidende voice-over. ‘Is het omdat hij even oud is als mijn eigen zoon? Of is het omdat hij na één dag van de voorpagina’s verdwijnt en ik wél wil weten wat daar gebeurd is?’

Soetenhorst is werkzaam als researcher voor documentaires. In haar debuutfilm De Onbegrijpelijke Dood Van Mitchel (51 min.) gebruikt ze haar speurwerk als uitgangspunt. De documentaire is opgebouwd als een weerslag van haar zoektocht door Mitchels leven, in de hoop zo ook vat te kunnen krijgen op het einde daarvan. Ze loopt daarbij soms tegen een muur op: zo wil de politie bijvoorbeeld niet meewerken en is Mitchels moeder op zich niet tegen de film, maar wil ze ook niet in beeld. Zijn jeugdvrienden en voetbalmaatjes zijn wel bereid om haar te woord te staan.

Soetenhorsts grootste troef is stiefvader Marco, de man waarbij Mitchel opgroeide en waarvan hij pas op zijn elfde ontdekte dat hij niet zijn biologische vader was. Marco wil graag zijn kant van het verhaal kwijt en vertelt nog altijd liefdevol over de jongen, die ooit een toekomst als profvoetballer bij Feyenoord tegemoet leek te gaan. Totdat zijn nét iets te korte lontje weer opspeelde en de bloedfanatieke verdediger de kop kostte. Niet voor het laatst.

De analogie van een verdediger, die zich gaandeweg begint te realiseren dat hij zijn grip op het spel is verloren, wordt door de filmmaakster gretig omarmd. Alsof die een soort psychologische verklaring geeft voor Mitchels tragische dood. Er zijn echter genoeg andere elementen in zijn leven te ontdekken, die daarin een rol kunnen hebben gespeeld: het lot van Mitchels biologische vader bijvoorbeeld, de vechtscheiding van zijn moeder en stiefvader of de jeugddetentie die hij kreeg opgelegd.

Naar de ware toedracht van wat er toen op die fatale mei-avond in dat Schiedamse park heeft plaatsgevonden en of Mitchel, en zo ja waarom, zelf voor een slotakkoord met zeven kogels heeft gekozen, blijft het bovendien ook voor Soetenhorst en haar bronnen gissen. Gezamenlijk schilderen ze wel een schrijnend portret, aangekleed met stemmige omgevingsbeelden van zijn leefwereld, van Mitchels korte, turbulente en uiteindelijk tragische leven.

Our Godfather

Netflix

Wat zou het breekpunt zijn geweest voor Tommaso Buscetta? Toen zijn twee zoons in opdracht van maffiabaas Toto Riina werden doodgemarteld en opgelost in zuur? Toen vervolgens de man van zijn zus Felicia werd gedood bij een overval op zijn pizzeria? Of toen ook zijn oudere broer Vincenzo en diens zoon nog op brute wijze werden afgemaakt?

Feit is dat Tommaso ‘Don Masino’ Buscetta halverwege de jaren tachtig een ondenkbaar geachte stap zette. Hij besloot de omertá, de zwijgplicht van La Cosa Nostra, te doorbreken en in het openbaar te getuigen over de wandaden van de Siciliaanse maffia, waarvan hij enkele decennia onderdeel had uitgemaakt. Hij werd daarmee de allereerste spijtoptant en bracht ‘de mannen van eer’ zowel in binnen- als buitenland een gevoelige slag toe. Die cruciale beslissing en de gevolgen daarvan komen in Our Godfather (92 min.) vanzelfsprekend uitgebreid aan de orde.

Na zijn getuigenis doken Buscetta en wat er nog restte van zijn familie onder in de Verenigde Staten. Daar moesten ze, onder een valse naam en voortdurend omgeven door bodyguards, een nieuw bestaan opbouwen. Intussen betaalden de Italiaanse onderzoeksrechters aan wie hij zijn verhaal deed de tol voor zijn ‘verraad’. Giovanni Falcone en Paulo Borsselino werden met veel aplomb opgeblazen door handlangers van Toto ‘Het Beest’ Riina, die het natuurlijk ook op ‘Il Primo Pentito’ had gemunt.

In deze boeiende documentaire van Mark Franchetti en Andrew Meier verbreken Buscetta’s nazaten eindelijk het stilzwijgen. Ruim dertig jaar hielden z’n (derde) vrouw Cristina en hun zoon Roberto en dochter Lisa zich op in de schaduw. Verhuizend van het ene naar het andere Amerikaanse ‘safe house’, altijd beducht op verrassingsaanvallen vanuit Sicilië. Ze vertellen hoe het was om te leven in geleende tijd, met een man die zichzelf niet meer kon zijn. Een doorgewinterde maffioso, vermomd als brave huisvader.

Hun herinneringen aan ‘de pratende peetvader’, die in het openbaar altijd met zijn rug tegen een muur wilde zitten, worden rijkelijk geïllustreerd met familiefilmpjes en vormen echt een meerwaarde. Het verhaal van de bloederige maffiaoorlog, en Tommaso Buscetta’s sleutelrol daarbinnen, is al eerder verteld, maar niet eerder werden de gevolgen daarvan voor de directe verwanten van de klokkenluider, die zich altijd een ‘man van eer’ bleef voelen, zo pregnant in beeld gebracht.

Marten & Oopjen: Portret Van Een Huwelijk

NTR

Met de veel gelauwerde documentaireserie Het Nieuwe Rijksmuseum bracht Oeke Hoogendijk in 2014 de perikelen rond de renovatie van het Amsterdamse museum op prachtige wijze in beeld. In Marten & Oopjen – Portret Van Een Huwelijk (55 min.), een film over de mogelijke aankoop van twee schilderijen van Rembrandt, valt ze terug op twee vertrouwde gezichten uit die serie: voormalig directeur Wim Pijbes (2008-2016) en huidig directeur Taco Dibbits (2016-heden). De spanning tussen hen is soms voelbaar.

De twee krijgen in deze film gezelschap van de aandoenlijke Franse baron Eric de Rotschildt, een telg van de puissant rijke familie die de twee schilderijen in privébezit heeft, en Sébastien Allard, de directeur schilderijen van het concurrerende Franse museum het Louvre, die de kunstwerken ook maar wat graag aan de collectie wil toevoegen. 160 miljoen moeten ze opbrengen. Kunnen de musea Marten en Oopjen misschien samen aanschaffen? Dat lijkt een goed idee. Totdat het Rijksmuseum het bedrag ook in zijn eentje denkt te kunnen ophoesten…

Op een gegeven moment dreigt zelfs een diplomatieke rel tussen Nederland en Frankrijk. Met bravoure, zo nu en dan wat venijn en het nodige gevoel voor humor ontrafelt Hoogendijk het roerige aankoopproces, dat door meerdere crises gaat. Wie daarvoor verantwoordelijk is, daarover verschillen de meningen. Over één ding zijn de direct betrokkenen het echter allemaal eens: het is van eminent belang dat deze twee essentiële Rembrandts in Europa toegankelijk worden gemaakt voor publiek.

En uiteindelijk, na de fraai in beeld gebrachte restauratie, is het dan zover en kunnen Marten en Oopjen aan de wereld worden getoond, een vanzelfsprekende apotheose voor deze chique film, die kleiner van opzet en minder gelaagd is dan Het Nieuwe Rijksmuseum, maar een uitstekende nabrander vormt voor Hoogendijks pièce de résistance.

Videocracy

Zentropa / SVT

Het presidentschap van Donald Trump lijkt een typisch Amerikaans aangelegenheid: het onvermijdelijke resultaat van decennialange debilisering op de Amerikaanse (kabel)televisie en het internet. Als het maar beweegt, lawaai maakt en consternatie veroorzaakt, krijgt het ook oeverloos aandacht. Enter: The Donald, de man die zijn eigen mediapersonage is geworden en het leiderschap van zijn land heeft gereduceerd tot een soort real life equivalent van een echte reality show.

Trump staat echter bepaald niet op zichzelf en is zonder twijfel schatplichtig aan Silvio Berlusconi, de vastgoedmagnaat, mediatycoon, voorzitter van de voetbalclub AC Milan en voormalige president van Italië. In deze documentaire uit 2009 verbindt de Zweeds-Italiaanse filmmaker Erik Gandini de opkomst van Berlusconi met het ontstaan van commerciële televisie en de celebritycultuur die daarmee is verbonden. Waarin alles om uiterlijk vertoon draait, dat bovendien met alle mogelijke middelen, inclusief plastische chirurgie, in stand moet worden gehouden.

Videocracy (81 min.) is geen traditioneel portret van de populist, topondernemer en overjarige playboy Berlusconi, maar een exposé over de wereld die hem heeft voortgebracht en die hij zelf mede heeft gecreëerd. Gandini vindt daarin onvergetelijke personages. Talentmanager Lele Mora bijvoorbeeld, een goedlachse kerel in smetteloos wit met een onbeschaamde voorliefde voor de fascistische leider Mussolini. Of een geboren loser genaamd Riccardo Canevali. Hij wil kost wat het kost beroemd worden. En de louche paparazzi-fotograaf Fabrizio Corona, die er wel een héél opmerkelijk verdienmodel op nahoudt en daarmee zelf een B-ster wordt.

Gezamenlijk portretteren zij Berlusconi’s videocratie tevens als een absolute mannenwereld. Vrouwen (liever: meisjes) zijn er vooral om de heren te behagen. Ze moeten lange benen hebben, bereid zijn om hun kleren uit te trekken en – belangrijk! – altijd blijven lachen. Daarbij past een bepaald soort leider. Voor wie schaamte niet bestaat. Zo kon bijvoorbeeld ‘grab ‘em by the pussy’ voor Donald worden wat ‘bunga bunga’ ooit was voor Silvio: op het eerste oog een serieuze bedreiging voor zijn carrière, maar uiteindelijk vooral een bevestiging van ‘s mans onomstreden succesverhaal. Behalve geld, macht en status hebben mannen als Trump en Berlusconi nu eenmaal een soort onvervreemdbaar recht verworven op jonge, aantrekkelijke meisjes.

Met zijn tandpastasmile, grondig gerenoveerde hoofd en opzichtige haarimplantaten oogt Silvio, net als zijn zelfs nóg larger than life- evenknie Trump, in eerste instantie als een echte clown. Waarbij het lachen je gaandeweg, als de maatschappelijke schade duidelijk wordt, wel vergaat. Al is het tegelijkertijd vrijwel onmogelijk om niet te grinniken bij het potsierlijke campagnelied van Berlusconi’s partij Il Popolo Della Libertà, Meno Male Che Silvio C’è, dat Gandini als belangrijk plotpoint halverwege de film heeft geparkeerd: ‘Dank God, Silvio, dat je bestaat.’ Met zulke leiders en volgers dreigen echte komieken werkeloos en de wereld een levensechte parodie te worden.

Begin 2026 heeft Fabrizio Corona zijn eigen miniserie gekregen op Netflix: Fabrizio Corona: Io Sono Notizia.

Leve De Organen

Esmee Feenstra / filmfestival.nl

Het is relatief eenvoudig om te formuleren wat hersendood inhoudt, stelt professor Van Dijk van het Leids Universitair Medisch Centrum: de hersenen doen niets meer en zullen ook nooit meer iets gaan doen.

Tot zover de theorie, de praktijk is een stuk minder eenduidig. In de interviewdocumentaire Leve De Organen (55 min.) introduceert Frans Bromet meteen de jonge vrouw Esmee Feenstra, die na een zwaar ongeval in coma raakte, hersendood werd verklaard en de situatie tóch overleefde. Ze staat hem nu ogenschijnlijk kerngezond te woord. Het had weinig gescheeld of Feenstra’s organen waren verwijderd om te worden gedoneerd. De artsen stonden op het punt om het zogenaamde hersendoodprotocol op te starten toen haar zus constateerde dat ze nog reageerde op prikkels.

Het verhaal van Esmee Feenstra vormt het startpunt voor een serie gesprekken die Bromet, naar aanleiding van de komst van de nieuwe Wet op de Orgaandonatie in 2020, voert met direct betrokkenen: neurologen, oud-cardioloog/schrijver Pim van Lommel, een wetenschapsfilosoof, nabestaanden, een verpleegkundige, mensen met een bijna-dood ervaring en de ontvanger van een gedoneerd orgaan. Want wat betekent het als we straks allemaal automatisch donor zijn? Lopen we het risico dat de dood vooral een medische aangelegenheid wordt, waarbij de te overlijden persoon dreigt te verworden tot een soort leverancier van organen?

Bromet monteert zijn gesprekken puur op inhoud (met de nodige jump cuts), doorsnijdt die met ogenschijnlijk tamelijk willekeurige klassieke kunstwerken met medische taferelen en voegt zo nu en dan wat stemmige pianomuziek toe. Het is een sobere aanpak, die ervoor zorgt dat er, behalve allerlei pratende hoofden, weinig valt te zien en die kijkers dwingt om vooral aandachtig te luisteren naar de filosofische, praktische en ethische dilemma’s en overwegingen van de verschillende sprekers.

De Wereld Aan Je Voeten

Mitchell / VPRO

‘Wat ligt er op jonge leeftijd toch al veel vast, hè?’ verzucht Mijn Medekijker als De Wereld Aan Je Voeten (80 min.) een kwartiertje onderweg is. In deze documentaire volgt Michiel van Erp enkele Utrechtse jongeren van hun tiende tot hun achttiende jaar. En, inderdaad, op tienjarige leeftijd is vaak al precies uit te tekenen hoe (het leven van) de achttienjarige versie van het desbetreffende kind eruit zal zien. Is het nature of toch nurture wat we menen te zien?

‘Give me a child until he is seven and I will give you the man’, luidt niet voor niets het parool van de klassieke documentaireserie waaraan deze Nederlandse film, die voortborduurt op Van Erps televisieserie Tijd Van Je Leven (2011-2015), schatplichtig is: Michael Apteds wereldberoemde Up-serie, waarvoor een groep zevenjarige Britse kinderen sinds 1964 elke zeven jaar is opgezocht. Ze zijn inmiddels 63 en zo langzamerhand in de winter van hun leven aanbeland.

Van Erps documentaire is natuurlijk over een veel kortere periode opgenomen, met hoofdpersonen die bovendien op een leeftijd zijn dat ze écht niet alles willen of kunnen delen. Toch komen ze regelmatig raak uit de hoek. Zo moet Medekijker bijvoorbeeld flink lachen om de reactie van stratenmaker Mitchell op de vraag of de relatie van zijn ouders een voorbeeld is voor wat hij met zijn nieuwe vriendinnetje wil. De jongen laat er geen misverstand over bestaan: ‘Nou nee.’

Ook zijn ouders op de achtergrond kunnen er smakelijk om lachen. Later krijgt het verhaal echter nog een staartje. Liefdes- en relatieperikelen zijn er sowieso volop in De Wereld Aan Je Voeten. In de gezinnen van de hoofdpersonen, maar ook bij henzelf. ‘Ach gos’, reageert Medekijker bijvoorbeeld medelevend als het schattige tienermeisje Luka moet huilen omdat haar vriendje het na drie maanden heeft uitgemaakt. Enige tijd later heeft ze serieuze plannen met een andere jongen.

Van Erp monteert zijn hoofdpersonen door elkaar heen, waardoor de film echt als één geheel voelt. Erg diep reiken de portretjes niet, maar gezamenlijk schetsen ze een heel aardig beeld van een nieuwe generatie Nederlanders die nu over de drempel van volwassenheid stapt. ‘Wel leuk, wel vermakelijk’, constateert Mijn Medekijker na afloop. ‘Het geeft je wel te denken over wat ons nog te wachten staat.’

Celibaat

Ze zullen elkaar vast heel anders leren kennen door de film, zegt Edgard bij het begin van deze documentaire. Hij is één van de Kruisheren van Sint Agatha die in Celibaat (70 min.) worden geportretteerd. En daarvan mag de kloosterorde in het land van Cuijk er dan maar een handvol hebben. Dat wil niet zeggen dat ze alles met elkaar delen. Een goede confrater is immers nog geen goede vriend.

Net als in zijn vorige film Boer Peer, over een bijna honderdjarige Brabantse keuterboer die zijn hele leven halverwege de twintigste eeuw is blijven steken, begeeft filmmaker Daan Jongbloed zich in een stilaan verdwijnende wereld. Met zijn camera zwerft hij, in stemmig zwart-wit, door een omgeving, waarin de tijd stil lijkt te hebben gestaan – al blijft de klok hoorbaar doortikken. Ook omdat Jongbloed tijdens de montage de stilte heeft verkozen boven het toevoegen van muziek.

Hij spreekt vier van de Kruisheren en bevraagt hen los van elkaar over thema’s als eenzaamheid, verliefd zijn en – de titel van deze film verraadt het al – seksuele onthouding. Het zijn gesprekken waarin hij letterlijk dichtbij komt. ‘Ik zie in de kerk waartoe ik behoor eigenlijk een huiver voor seksualiteit en een zeker wantrouwen of argwaan daartegen’, stelt de bedachtzaam formulerende Joe bijvoorbeeld. Hij kwam op zijn zeventiende in het klooster en voelde zich er direct meer thuis dan in het huis van zijn ouders, maar is tegelijkertijd wel ‘heel nieuwsgierig’ hoe dat is, ‘gewoon een ander aan te raken, met respect en tederheid’.

Kruisheer Edgard heeft nog nooit gemeenschap gehad met een vrouw, bekent hij zonder omhaal van woorden. ‘Maar ik kan niet missen wat ik niet ken.’ Hij ervaart het kloosterleven op middelbare leeftijd nog altijd als een soort schoolkamp. Het mag dan soms aanvoelen als een kleine kloteorde, zegt hij ferm, het is wel zíjn kleine kloteorde. Jongbloed heeft een zomerlang onderdeel uitgemaakt van het selecte gezelschap Kruisheren. Hij kreeg zelfs zijn eigen kamertje in het oudste bewoonde klooster van Nederland. Die investering betaalt zich dubbel en dwars uit.

Geen thema blijft onbesproken. De broeders laten zich echt in hun ziel kijken en antwoorden ook als Jongbloed bijzonder impertinente vragen stelt. Hij doorsnijdt hun getuigenissen met de gewone dagelijkse dingen die het leven in een mannenhuishouden nu eenmaal met zich meebrengt. Zo ontstaat een afwisselend aandoenlijk, beklemmend en ontroerend beeld van een kleine gemeenschap, waarin iedereen op zijn eigen manier een relatie met God onderhoudt (‘de jus op het eten’, aldus Edgard) en met zichzelf in het reine probeert te blijven.

Snelweg NL

SNG Film

Een ode aan de liefde. De vrijheid. Of… de snelweg. Het Nederlandse wegennet, om precies te zijn. Ben van Lieshout doorkruist in een oude camper het gehele land en observeert ondertussen het bestaan op, achter, onder, voor, langs en boven de weg. Snelweg NL (90 min.) is een filmisch portret van een wereld die voortdurend in beweging is. Auto’s, bussen en vrachtwagens, natuurlijk. Maar ook: vorkheftrucks, ganzen en wasstraten.

De filmmaker, die zelf volledig buiten beeld blijft, maakt slechts spaarzaam gebruik van gesproken woord, in de vorm van enkele korte en ogenschijnlijk tamelijk willekeurige interviews met verschillende soorten ‘wegwerkers’:  De camera beweegt nauwelijks en observeert slechts. Vrachtwagenchauffeurs die langs de weg met een gasbrander hun prakkie warm maken. Een fabriek waar secuur nieuwe verkeersborden worden gemaakt. Of het afval van een fastfoodrestaurant dat zienderogen verwaait.

De snelweg wordt in handen van Van Lieshout zowat een personage, waarop auto’s voort denderen, elkaar opjagen of juist ellenlang in de file staan, dat in controleruimtes minutieus wordt geobserveerd om verdere ongelukken te voorkomen en waar mensen van allerlei slag dagelijks hun plicht, juk of roeping vinden. Waarbij de weg in dit geval dus inderdaad belangrijker is dan de bestemming.

Het is een wereld waarin menigeen zich dagelijks beweegt, maar die door de gekozen insteek en kadrering toch weer als nieuw aanvoelt. Met oog voor detail schetst Snelweg NL, net als contemporaine films zoals John Appels Sprekend Nederland en Nu Verandert Er Langzaam Iets van Menna Laura Meijer, zo indirect een portret van het hedendaagse Nederland en wat ons, in dit geval letterlijk, verbindt.

Ring Of Dreams

‘Realiteit is gewoon een kwestie van perspectief’, zegt Tengkwa, de gemaskerde verteller van deze documentaire over Nederlandse showworstelaars. ‘Als je dat snapt, is alles mogelijk.’ Regisseur Willem Baptist begint Ring Of Dreams (70 min.) niet voor niets met deze constatering van de worsteltrainer met het skeletmasker. Die kan tevens dienst doen als leidmotief voor deze surreële film.

Binnen enkele minuten is duidelijk dat dit geen doorsnee observerend portret wordt van een subcultuur met geheel eigen mores. Waarbij doodgewone burgermannen in de ring transformeren tot gemankeerde superhelden, die gezamenlijk een choreografie van spectaculaire gevechtsroutines uitvoeren – al komt dat aspect natuurlijk ook aan de orde in Baptists eigenzinnige kijk op het vaderlandse showworstelwereldje.

De filmmaker benadert de worstelaars van Pro Wrestling Holland eerder als een ensemblecast voor een absurde komedie. Hij alterneert daarbij tussen gestileerde scènes, waarin de eeuwige jongens een soort lullige Hollandse variant op het welbekende Amerikaanse wrestlemania ten tonele voeren, en backstagebeelden van trainingen, kleedkamers en thuis, die echter al even geënsceneerd ogen. De grens tussen realiteit en fictie vervaagt zienderogen.

‘Pro-worstelen is voor het ongetrainde oog een Amerikaans spektakel’, doceert de selfkicker Emil Sitoci, als professioneel worstelaar actief in binnen- en buitenland, tijdens een soort beginnersles voor aspirant-leden. ‘Gespierde, beetje viezige, bezwete mannen, die mekaar in een veel te strak broekje te lijf gaan. Maar dat is voor het ongetrainde oog.’ Sitoci wijst naar zijn flipover. Griekse tragedie, staat erop. Pro-wrestling is volgens hem kunst. ‘Weten jullie überhaupt iets van kunst?’

Hij oogt als een doelbewust gecreëerde karikatuur, de patser die zich onoverwinnelijk waant. Totdat zijn hoogmoed, onvermijdelijk, wordt afgestraft. Het gevaar lijkt in elk geval niet te komen van het nieuwe lid Christian Ace, een slungelige jongen die er nou niet direct uitziet als een absolute prijsvechter. Of van oudgediende UFO Joe, die overweegt om zijn alienbril en blauwe cape definitief op te bergen. ‘Als je moet kiezen tussen schreeuwende fans en je kind dat om je aandacht vraagt’, zegt deze. ‘Dat is lastig.’ Alleen de Dominicaanse beul El Chico lijkt echt een bedreiging. Hij heeft maar één zwakke plek: zijn moeder.

Baptist is er duidelijk niet op uit om van zijn personages mensen van vlees en bloed te maken. Ze blijven ogen alsof ze met een vette knipoog zichzelf acteren. In die zin sluiten vorm en inhoud van Ring Of Dreams, dichtgesmeerd met een plastic synthesizersoundtrack, uitstekend op elkaar aan. Dat maakt het alleen niet direct ook tot een prettige kijkervaring. Of een boeiende vertelling. Uiteindelijk ontworstelt de film zich, net als z’n protagonisten, nooit aan het predicaat ‘aardige gimmick’.

Al kan dat natuurlijk ook aan het ongetrainde oog van deze kijker liggen.

De Schuldmachine

Willem Los / BNNVARA

‘Ik had eerst 4.000 en waarschijnlijk nu zelfs minder’, zegt het ene meisje tegen het andere. Die bekent: ‘Ik zit wel op 13.000 euro of zo.’ Zomaar een gesprek in Amsterdam-Zuidoost tussen twee jongeren met een uitstaande schuld. Één op de vijf Nederlandse jongeren zou inmiddels met problematische schulden kampen. In De Schuldmachine (58 min.) volgt Camiel Zwart enkele van hen. Zij worden begeleid door een vrijwilligersinitiatief dat kiest voor een heel persoonlijke aanpak, onder de noemer ONSbank.

Cliënt Mirelva belt in aanwezigheid van financieel adviseur Willem Los, die in het dagelijks leven werkt bij Delta Lloyd, bijvoorbeeld de belastingdienst om zicht te krijgen op de schuld die ze daar heeft opgebouwd. De jonge vrouw, werkzaam in de kinderopvang, kijkt alsof ze elk moment door een bliksemschicht kan worden getroffen als de man aan de andere kant van de lijn de schade opmaakt. Die valt niet mee: 37.648 euro, inclusief eventuele dwangbevelen. Samen met Los en de ONSbank moet Mirelva een weg uit haar benarde situatie zien te vinden.

Willem Los en zijn medestanders krijgen van doen met bijzonder complexe problematiek die niet met eenvoudige interventies is te verhelpen. Waarbij de schuld van deze jongeren meestal bepaald niet op zichzelf staat en de Nederlandse schuldenindustrie, die bovenop de nominale schuld vaak (exorbitante) kosten en rente zet, de situatie alleen maar lijkt te verergeren. De jongeren zelf, met wie je soms echt krijgt te doen, zien door de bomen allang het bos niet meer.

En dan is er nog dat woud van regels. Mag je een kind, als ze meerderjarig wordt, bijvoorbeeld opzadelen met rekeningen die haar ouders nooit hebben betaald? Of een moeder ervoor verantwoordelijk stellen dat de kinderopvang waar haar kinderen werden opgevangen failliet is gegaan? Het zijn zulke vragen die de bevlogen medewerkers van ONSbank in dit boeiende inkijkje in de schuldhulpverlening moeten zien te tackelen. Teneinde hun cliënten de broodnodige ‘schuldrust‘ te bezorgen.

Jetske’s Race – Op Weg Naar De Alzheimerpil?

KRO-NCRV

’Alsof er met een enorme guillotine dertig jaar van mijn leven werd afgehakt.’ Zo ervoer de 38-jarige Jetske van der Schaar de mededeling van haar arts dat ze het gen voor erfelijke Alzheimer heeft. Net als haar moeder, oom, opa en diverse andere familieleden. Het lijkt een soort doodvonnis. Jetske zal op jonge leeftijd, waarschijnlijk als ze begin vijftig is, gaan dementeren. Het is ook verpletterend nieuws voor haar broer en zus, die de DNA-test nog niet hebben gedaan.

Nadat ze samen met hoogleraar neurologie Philip Scheltens te gast is geweest in de talkshow Pauw ontwikkelt Jetske zich tot een soort poster girl voor mensen die op jonge leeftijd dementie (gaan) krijgen. In Jetske’s Race – Op Weg Naar De Alzheimerpil? (45 min.) wordt haar persoonlijke relaas verbonden met de pogingen van Scheltens en vakgenoten om een omvangrijk wetenschappelijk onderzoek op te zetten, op zoek naar een medicijn dat (de kwaliteit van) het leven van Jetske en haar lotgenoten kan verlengen.

Deze televisiedocumentaire van regisseur Gisèla Mallant en Frénk van der Linden toont hoe beleidsmakers daarbij steeds weer nieuwe drempels opwerpen. Om eventuele risico’s voor arts en patiënt op voorhand uit te sluiten, zeggen Scheltens en andere pleitbezorgers. Voor Jetske is het getalm van de bureaucraten, die zelf overigens niet aan het woord komen, volstrekt onverteerbaar. Terwijl al die commissies – en uiteindelijk ook minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Hugo de Jonge – zich over hun plannen buigen, treft die ziekte in haar lijf alle voorbereidingen voor z’n lafhartige aanval.

Father Figure

’Op een gegeven moment merkte ik wel gewoon van: oké, ik heb geen gevoelens naar vrouwen’, vertelt Guilliano Pinas, de hoofdpersoon van Father Figure (24 min.). ‘En toen, uiteindelijk, bestempelde ik mezelf ook gewoon als homo.’ Hij kijkt erbij alsof-ie zich er nog steeds een beetje voor schaamt. Regisseur Bibi Fadlalla laat het shot nét iets te lang staan, waardoor het ongemak goed binnenkomt: zelfs dit prominente lid van de vaderlandse ballroom-scene, een gekende thuishaven voor de LGBT-gemeenschap, worstelt soms nog altijd met zijn geaardheid.

Guilliano’s bestiert als zijn alter ego Typhoon de Rotterdamse dansgroep Kiki House Of Angels die zich bezighoudt met Voguing, de ravissante stijlvorm die ooit door Madonna naar de mainstream werd gebracht. De bijbehorende ballroom-scene bestaat voor een groot deel uit jonge zwarte homoseksuelen. Het is een beschermde omgeving waarbinnen ze zich even helemaal kunnen uitleven. Dat is ook nodig. ‘Being black and gay’, constateert Guilliano, ‘zijn eigenlijk al twee streepjes waar je dan mee achterligt.’

De extravagante ballroom-scene werd eerder geportretteerd in de klassieker Paris Is Burning uit 1990 en Mother’s Balls, een recente film van de Nederlandse maakster Catherine van Campen. Father Figure borduurt thematisch voort op die films en behandelt, enigszins vluchtig, ervaringen van Guilliano en andere dansers met homofobie en racisme. Wat dat betreft biedt de korte documentaire geen nieuwe inzichten. Regisseur Fadlalla heeft het geheel wel voorzien van een visuele flair, die uitstekend aansluit bij de flamboyante scene waarbinnen deze film zich grotendeels afspeelt.

Street Fight

PBS

Als Democratische presidentskandidaat lijkt Cory Booker het in de voorverkiezingen van 2020 te gaan afleggen tegen Joe Biden, Elizabeth Warren of Bernie Sanders. De documentaire Street Fight (81 min.) uit 2005 laat echter zien dat de Afro-Amerikaanse outsider nooit helemaal kan worden uitgevlakt.

In deze voor een Oscar genomineerde campagnedocu van Marshall Curry bindt gemeenteraadslid Booker de strijd om het burgemeesterschap van de Amerikaanse stad Newark in New Jersey aan met de gedoodverfde favoriet Sharpe James. Deze eveneens zwarte bulldog is al zestien jaar burgervader, heeft nog nooit een verkiezing verloren en haalt werkelijk alles uit de kast om bij zijn opponent een stok tussen de spaken te steken. Samen strijden ze om de zegen van de verpauperde stad.

De sympathie van de kijker, en maker Curry, ligt automatisch bij de uitdager Booker, die vanaf het begin van de campagne, als nauwelijks iemand in zijn kansen gelooft, wordt gevolgd met de camera. ‘Volgens een oude grap in Newark kan een ‘incumbent’ slechts op twee manieren zijn ambt verlaten: dood of veroordeeld’, stelt Curry die tevens als verteller van deze ‘fly on the wall’-documentaire fungeert. ‘Maar Cory denkt dat hij een andere manier heeft gevonden.’

De filmmaker wordt zelf al snel een personage in zijn eigen film. Team James beschouwt hem als onderdeel van ‘de vijand’ en begint hem ook als zodanig te behandelen. Hij is ‘de Cory Booker-man’. Als Curry niet stopt met filmen, dan nemen ze hem zijn camera af. Desnoods met geweld. Sharpe James’ eigen communicatieadviseur, stiekem gefilmd, kan er niet over uit. De man zal het nog druk krijgen: bij James liggen er nog de nodige lijken in de kast.

Street Fight wordt zo precies het gevecht waar liefhebbers van campagnefilms op hopen: een vuile tweekamp tussen een verfijnde jonge uitdager, op elitescholen klaargestoomd voor een publieke functie, en de gevreesde zwaargewicht, die eraan gewend is geraakt dat hij elke tegenstander kan slopen. Pas als de gong heeft geklonken wordt duidelijk wie de burgemeesterswoning mag betrekken. En wie er liggend op de grond, versuft en bloedend, achterblijft.

Het campagnegevecht tussen Booker en James uit 2002 kan tevens worden gezien als een microversie van de strijd om het hart van zwart Amerika (waarin ene Barack Obama zich dan nog moet gaan mengen). Of een doodgewoon, maar erg vermakelijk moddergevecht, waaruit ook de okselfrisse Cory Booker niet brandschoon lijkt te kunnen komen.

Kabul, City In The Wind

Ooit, nog niet eens zo lang geleden, moet de Afghaanse hoofdstad Kabul een bruisend en vooruitstrevend oord zijn geweest. Een plek waar alleen vliegers met elkaar vochten, zo beschreef Khaled Hosseini de stad waar hij opgroeide in zijn bestseller De Vliegeraar (2003). Totdat halverwege de jaren zeventig een eindeloos gevecht begon, dat tot op de dag vandaag voortduurt.

De tiener Afshin Amiri en zijn kleine broertje Benjamin groeien op in dezelfde stad, een slordige halve eeuw later. Het is een totaal andere plek geworden. Kabul, een stoffige stad die leeft onder de schaduw van oorlog. De vader van de jongens, een voormalige militair, neemt hen mee naar een gedenkplaats voor slachtoffers van een vernietigende bomaanslag. Niet veel later vertrekt hij voor werk naar het buitenland en krijgt zijn zoon Afshin ineens de rol van gezinshoofd toebedeeld.

‘Waar ik bang voor ben?’, vraagt hij tijdens één van de indringende interviews, waarmee de lotgevallen van de achtergebleven broers zo nu en dan worden doorsneden. Hij kijkt recht in de camera van de Nederlands-Afghaanse filmmaker Aboozar Amini, die hem in de gesprekken zeer dicht op de huid zit, en laat een ongemakkelijk lange stilte vallen. ‘Zelfmoordaanslagen. Want mijn vader is erbij gewond geraakt en z’n vriend Reza is omgekomen.’

Hoewel Amini ervoor past om zulk geweld expliciet in beeld te brengen, is de dreiging ervan permanent op de achtergrond aanwezig in Kabul, City In The Wind (89 min.). Als zijn derde hoofdpersoon, de sjacherende buschauffeur Abbas Tanay die voortdurend malheur heeft met zijn gammele voertuig, bijvoorbeeld gezellig met zijn vrienden in het theehuis zit te kletsen, komt net het nieuws binnen dat er weer een bomaanslag is gepleegd. De Taliban is nog niet verslagen, constateren de mannen gezamenlijk, of IS steekt alweer zijn lelijke kop op.

‘Ze zeggen dat het morgen gaat sneeuwen’, vervolgt een goedlachse man met baard het gesprek. Alsof die bom alweer is vergeten. ‘President Ashraf Ghani zegt dat we moeten bidden om regen’, reageert een ander. ‘En wat doen we voor bomaanslagen?’ Ook naar de moskee, constateert de eerste man glunderend. ‘Dan stuur ik de zelfmoordterrorist, die jullie allemaal afmaakt.’

De mannen gieren het uit van het lachen en houden de ellende om hen heen zo even op afstand. Galgenhumor als overlevingsstrategie. Net als de hasjpijp. Een larmoyant lied. Of gewoon doen wat papa van je verwacht. Deze subtiele film toont hoe gewone mensen ondanks alles hun leven vervolgen. Zelfs in een Kabul, vereeuwigd met fraaie panoramashots, dat nog maar een schim lijkt van de plek waar ooit vooral vliegers met elkaar vochten.

Living The Light – Robby Müller

acteur Dennis Hopper (l) & Robby Müller (r) / NTR

Zijn beelden spraken altijd al voor hem. Later moesten ze dat letterlijk doen. Door ziekte kon cameraman Robby Müller (1940-2018) toen niet meer zelf praten. Claire Pijman kreeg intussen de beschikking over zijn privé-archief. Ze laat z’n hoogst persoonlijke Hi8-video’s, polaroids en foto’s in het liefdevolle portret Living The Light – Robby Müller (85 min.) samenvloeien met scènes uit de films die hij als ‘director of photography’ maakte met gerenommeerde regisseurs zoals Wim Wenders, Jim Jarmusch en Lars von Trier.

Als een moderne Hollandse meester speelt hij daarin met het licht. Een fascinatie die geen einde leek te kennen. Ook buiten de filmset was er altijd wel een camera voorhanden en een tafereel dat moest worden vastgelegd. Op hotelkamers, in een onbekende stad of gewoon thuis, in familiekring. ‘Alles werd gefilmd’, zegt zijn dochter Camilla MacGillavry-Müller. ‘Elke situatie. Tot vervelens toe. Hij deed het gewoon. Dat hoorde bij hem.’

Illustratief zijn opnames die Müller maakte van een wandeling van zijn ouders. Als het oudere echtpaar poseert op een bruggetje bij een meertje, vindt hij met zijn camera hun handen die worden weerspiegeld in het water en verliest zichzelf vervolgens helemaal in het spiegelende water. Even later spreekt hij vanuit een hotelkamer, tijdens de opnames van een film met een regisseur die een beetje ‘slapjes’ is, zijn zieke moeder toe. Op de achtergrond weerklinkt Reflections In The Water van Debussy.

Zo laat Pijman, zelf cameravrouw, beelden en verhalen vrijelijk rijmen in deze filmische ode aan Neerlands invloedrijkste cameraman, waarvoor Jim Jarmusch met zijn band Sqürl een speciale soundtrack componeerde. De beelden zijn daarbij leidend. De interviews (met regisseurs als Wim Wenders, Steve McQueen en Lars von Trier en directe collega’s van Müller) moeten volgen, in plaats van andersom. Achter elk afzonderlijk shot zit de man verscholen, die misschien ‘geen Hollywood-oog’ had, maar wel een geheel visie op de wereld creëerde.

Zoals één van de sprekers het formuleert: het is heel ingewikkeld om iets er heel eenvoudig uit te laten zien. Dat was een kunst die Robby Müller, getuige ook deze film die hem alle eer aandoet en beloond werd met een Gouden Kalf voor beste lange documentaire, volledig meester was.

Your Mum And Dad

‘They fuck you up, your mum and dad’, stelt Philip Larkin in zijn gedicht This Be The Verse, dat als leidmotief fungeert voor deze egodocu van Klaartje Quirijns. ‘They may not mean to, but they do. They fill you with all the faults they had. And add some extra, just for you.’ Het is geen opwekkend beeld van het ouderschap dat Quirijns, via Larkin, aan het begin van Your Mum And Dad (76 min.) oproept: kinderen worden op jonge leeftijd voorgoed verminkt door hun vader en moeder.

Tegelijkertijd kunnen die ouders zelf er ook niets aan doen. ‘They were fucked up in their turn by fools in old-style hats and coats who half the time were soppy-stern and half at one another’s throats.’ Over vicieuze cirkels gesproken. Of, treffender: familiesystemen. En die probeert de Nederlandse filmmaakster te onderzoeken in deze film: haar eigen familie en die van een Amerikaanse vriend, die eveneens grip probeert te krijgen op zijn jeugd en gezin.

Deze Michael Moskowitz, zelf psycholoog, is door haar jarenlang gefilmd als hij in New York letterlijk op de sofa plaatsneemt bij psychoanalyticus Kirkland Vaughans die hem, nog net niet pijprokend, uitvraagt en terugkoppeling geeft. Deze sessies verbindt Klaartje Quirijns met gesprekken met haar eigen moeder, haar twee dochters en haar vader Kees, die ze de laatste jaren uit het oog was verloren. Waarbij het de vraag blijft of de film een middel is om het contact met hem te herstellen of dat contact een middel om deze film te kunnen maken.

De twee familiegeschiedenissen komen in elk geval zonder al te grote kunstgrepen bij elkaar en vertellen zo daadwerkelijk een groter verhaal. De Engelstalige voice-over van Quirijns zelf, die jarenlang in Amerika woonde, vormt daarbij een belangrijke verbindende factor. Die voelt echter wat onnatuurlijk. Is het de tekst zelf, waarmee ze haar betoog een diepere laag wil geven, of toch vooral de manier waarop die is ingesproken? Feit is dat ze als verteller, ondanks de zeer persoonlijke thematiek van deze film, wat op afstand blijft.

Met de bijbehorende beelden, een spannende collage van super 8-home movies van de twee families en archiefbeelden van willekeurige mensen in voor iedereen herkenbare situaties, geeft Quirijns samen met editor Boris Gerrets de film een universeel karakter. Dit is, zoveel wordt duidelijk, een verhaal dat ieder van ons aangaat en raakt. Over het doorgeven, of juist proberen te vermijden, van wat je zelf (onbedoeld) geleerd hebt. Van mensen die zelf ook weer hebben doorgegeven of vermeden.

Een alternatief is er niet. Of je moet het advies van Larkin willen opvolgen: ‘Get out as early as you can and don’t have kids yourself.’