
They’ll Love Me When I’m Dead






Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.
Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.
Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.
Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.
Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.

Zouden ze Nederlandse deejays als Tiësto, Armin van Buuren en Martin Garrix ook ooit gaan beschouwen als onderdeel van de zogenaamde ‘Hollandse school’? Die benaming werd eerder gebruikt voor de schilders Rembrandt, Frans Hals en Vermeer, documentairemakers zoals Bert Haanstra, Joris Ivens en Herman van der Horst en de voetbalgeneratie van Cruijff & co. De wegbereiders van de Nederlandse dancemuziek verdienen een soortgelijke status.
Wat nu één van Neerlands voornaamste exportproducten lijkt, begon ooit klein en werd toen door weinigen begrepen. DJ Eddy de Clercq had de Amsterdamse club Roxy, de plek waar de Nederlandse dance echt zou ontstaan, in de tweede helft van de jaren tachtig bijna helemaal leeg gedraaid. De eigenaren vaardigden een ultimatum uit: De Clercq kreeg nog twee maanden de tijd om zijn deejay-avonden aan de praat te krijgen. Anders was het over en uit.
En toen barstte ineens de bom, zo vertellen de wegbereiders van het muziekgenre in het eerste deel Pionieren (46 min.) van het drieluik 30 Jaar Dutch Dance. Niet veel later waren de Roxy en een extravagante club die enige tijd later zijn deuren zou openen, de veelbesproken It, ‘the talk of town’. De verafschuwde nieuwe muziekstroming house was plotseling de lijfmuziek van een nieuwe generatie jongeren geworden.
De beginjaren van de dance worden door regisseur Sacha Vermeulen vlot en aanstekelijk gereconstrueerd. Vrijwel alle kopstukken uit die tijd verschijnen voor de camera. Alleen voor een interview, dat wel. Waardoor deze driedelige televisiedocumentaire, naast een dominante voice-over, ook veel pratende hoofden bevat. Dit wordt gecompenseerd met een hoog verteltempo en een overdaad aan heerlijk archiefmateriaal.
In deel 2 Harder, Harder, Harder (45 min.) worden de opkomst van de grote Thunderdome-, Mysteryland- en Dancevalley-feesten, het wereldwijde succes van 2Unlimited en de ontwikkeling van techno en hardcore uit de doeken gedaan, waarna 30 Jaar Dutch Dance onvermijdelijk aanbelandt bij het roemruchte subgenre gabber. Met verve wordt de wereld geopend van strakke koppen in Aussie-trainingspakken, die zich op een ongenadig aantal beats per minute als bezetenen door de nacht heen hakken.
Uiteindelijk groeide gabber uit tot het enige Nederlandse muziekgenre ooit, dat echt in de hele wereld is gekopieerd. Waar een klein land óók groot in kan zijn – behalve schilderkunst, documentaires en voetbal – zou je nu met de nodige wijsheid achteraf kunnen zeggen.
In het afsluitende deel van het drieluik, De Wijde Wereld, staan de Nederlandse deejays centraal, die in de afgelopen jaren de aardbol hebben veroverd.
Rond het thema 30 Jaar Dutch Dance is overigens ook een interactieve website opgetuigd, waarop je urenlang ongegeneerd kunt grasduinen. Een aanrader.
Aan de Nederlandse gabbercultuur wijdde filmmaker Wim van der Aar bovendien enkele jaren geleden al eens de documentaire Gabbers, die nog steeds online is te bekijken.

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’
Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.
Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.
Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.
‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.
Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

Je kunt hem punker noemen. Performancekunstenaar. Of gewoon: volledig gestoord. De openingstekst van deze geruchtmakende documentaire uit 1993 over het gewezen punkicoon laat er echter geen misverstand over bestaan. ’GG Allin is een entertainer met een boodschap voor een zieke samenleving. Hij laat ons daarnaar kijken, zodat we kunnen zien wie we zelf zijn.’
De schrijver concludeert: ‘Vergis je niet, achter wat hij doet zit beslist een brein.’ Was getekend niet minder dan John Wayne Gacy, succesvol aannemer, de ideale clown voor uw kinderfeestje en, o ja, berucht seriemoordenaar. Welkom in de verknipte wereld van GG Allin, de ideale representant van punk die nog oprecht gevaarlijk kon en wilde zijn.
Todd Philips, die later Hollywood-comedy’s als The Hangover zou regisseren, probeert het fenomeen te vatten in de ronduit onsmakelijke film Hated: GG Allin And The Murder Junkies (52 min.). Hij gaat met de ‘zanger’ en zijn band op tour door Amerika en spreekt met mensen uit zijn heden en verleden. GG zelf heeft hem verder weinig te melden. Het is met name zijn broer Merle, getooid met een uit de hand gelopen Hitlersnor, die voor duiding van deze geboren provocateur moet zorgen.
GG doet vooral van zich spreken met zijn spraakmakende performances. Wat een optreden van de held zoal inhoudt? GG schreeuwt. Slikt van alles. Spuugt. Draagt een nazihelm. Scheldt. Vecht. Dreigt met zelfmoord. Kotst. Verwondt zichzelf. Schijt. En eet dat weer op. Intussen probeert hij uit de cel te blijven. Een gemiddeld optreden beëindigt Allin helemaal buiten zinnen, zwaar bebloed en piemelnaakt. Een trouwe schare devote fans achterlatend.
Een ideale vent kortom, om te laten opdraven in de schreeuwerige talkshows waar de Amerikaanse televisie al decennia het patent op heeft. En laat het maar aan, een bijkans kwijlende, presentator Geraldo Rivera over om Allin vervolgens vakkundig ten toon stellen voor zijn kijkerspubliek van ‘average Americans’. Waarmee de punkscene reden te meer heeft om GG Allin, die later aan de verplichte heroïne-overdosis zou bezwijken, op het schild te hijsen als een vleesgeworden middelvinger.
En dat is precies wat deze film doet.
In de korte documentaire Live Fast Die: The GG Allin Story uit 2008 probeert Jay McBeth met GG’s moeder, broer en liefhebbers ene Kevin Michael Allin te vinden, de man achter deze punkvariant op een bezopen circusact.


‘Dat verklaar ik en beloof ik’, verklaren de nieuwe Nederlanders aan het begin van John Appels nieuwe film Sprekend Nederland (82 min.). Tijdens de naturalisatieceremonie wordt natuurlijk ook het Wilhelmus gezongen. Na afloop wil menigeen bovendien op de foto met de Nederlandse vlag. In al hun verscheidenheid zijn die mensen bij ons gaan horen. Of wij dat nu willen of niet. Maar wie zijn wij eigenlijk?
Deze veelkleurige film, die is opgebouwd rond openbare toespraken, geeft daarop geen eenduidig antwoord. Zijn we de boze mannen van Pegida die ‘we zijn niet bang voor de Islam’ zingen en één van hen hebben uitgedost als Mohammed, die rond paradeert met een afgehakt hoofd in zijn hand? Of juist het Amsterdamse moslimmeisje dat op een manifestatie voor diversiteit alle grote mensen voorhoudt om voortaan vooral te denken met hun hart?
John Appel zelf omschrijft Sprekend Nederland als een soort hedendaagse variant op Alleman, de legendarische film waarmee Bert Haanstra in 1963 het toenmalige Nederland portretteerde. Een wit land, dat de jaren vijftig nog definitief van zich af moest zien te schudden. Het land dat Appel ruim een halve eeuw later heeft aangetroffen heeft duidelijk meer kleur op de wangen gekregen. Van opwinding, boosheid of gewoon omdat de roots van de bijbehorende mensen buiten Nederland liggen.
De Amsterdamse filmer vindt ‘de Nederlander’ in alle soorten en maten. Bij allerlei verschillende openbare gelegenheden: de publieke doop van nieuwe christenen, het eerste kampioenschap van Feyenoord in bijna twintig jaar of een feestje voor succesvolle beleggers, waar saxofonist Hans Dulfer lustig staat te toeteren en een soort van rapper de legendarische straathit The Message (‘don’t push me, cause I’m close to the edge’) vernachelt. Iedereen koestert zijn eigen biotoop en gebruikt zijn eigen taal.
Echte hoofdpersonen heeft Sprekend Nederland niet – of het moet de honderdjarige vrouw zijn, die op dezelfde dag is geboren als koning Willem-Alexander en net als een selecte groep andere 27 aprillers wordt uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Je zou kunnen zeggen dat wij allen, gewone en toch bijzondere Nederlanders, centraal staan. Met deze film laat John Appel ons met andere ogen kijken naar het land, dat we al van binnen en van buiten dachten te kennen.
Het caleidoscopische karakter van Sprekend Nederland deed me denken aan de korte docu De Spelende Mens van Sanne Rovers, een ‘speel’-film over hobbyend Nederland, en Michiel van Erps meest recente documentaire Leve de Vrijwilliger!, waarin hij ons land portretteert aan de hand van de vele vrijwilligers en waarin onze koning zich ook al van zijn beste kant laat zien.

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.
In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’
Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.
Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.





| ‘Any girl can look glamorous, all she has to do is stand still and look stupid.’ Was getekend: Hedy Lamarr, de Hollywood-ster die naar verluidt model stond voor Disneys Sneeuwwitje en Catwoman. ‘Ze had één van de herkenbaarste gezichten van haar tijd’, zegt schrijver Richard Rhodes in deze schrijnende documentaire van Alexandra Dean. ‘En toch zei ze dat ze nooit werd gezien zoals ze werkelijk was.’ Achter die prachtige facade, in latere jaren bijeen gehouden door een overdaad aan plastische chirurgie, zat een geëngageerde vrouw, feministe avant la lettre én begenadigde uitvindster verscholen. De traditioneel opgezette biografie Bombshell: The Hedy Lamarr Story(89 min.) is opgebouwd rond een onlangs ontdekt audio-interview met de gewezen wereldster. Samen met haar eigen (klein)kinderen en een bonte verzameling vrienden, filmmakers, acteurs, wetenschappers en historici schetst ze een veelbewogen leven dat in 1914 begon in een bevoorrecht Joods gezin te Oostenrijk en ruim 75 jaar later tamelijk troosteloos eindigde als gefrustreerde eenzaat in Florida. Als tiener maakte ze in eigen land een film die haar de rest van haar leven zou blijven achtervolgen: Ecstacy (1933). Ze was daarin niet alleen naakt te zien, maar speelde zelfs een expliciete masturbatie-scène. De film werd echter verboden door Adolf Hitler omdat de hoofdrolspeelster Joods was. Uiteindelijk vluchtte Lamarr naar het land van de onbegrensde dromen – en úit haar eerste huwelijk met een veertien jaar oudere industrieel, die munitie leverde aan de nazi’s. Haar vertrek naar Amerika vormde het startschot voor een duizelingwekkende filmcarrière, zeven mislukte huwelijken als ‘trophy wife’ en een alles ontregelende verslaving aan allerlei stimulerende middelen. Intussen zag de vrouw, die niet alleen om haar uiterlijk beoordeeld wilde worden, hoe de uitvinding die ze aan het begin van de Tweede Wereldoorlog patenteerde, een geheim communicatiesysteem, stelselmatig werd genegeerd. Dit postume portret ontrukt de wetenschapper Lamarr, die met haar vondst wifi, bluetooth en navigatiesystemen mogelijk maakte, alsnog aan de vergetelheid en doet haar eindelijk recht. |




Not If You Were The Last Junkie On Earth, de eerste hit van The Dandy Warhols uit 1997, werd direct vilein gecounterd door The Brian Jonestown Massacre met Not If You Were The Last Dandy On Earth. Het was natuurlijk ook de wereld op zijn kop: Anton Newcombe’s band had de ‘next big thing’ moeten worden, maar de groep van zijn vriend/rivaal Courtney Taylor-Taylor ging er met de eer vandoor.
Ruim twintig jaar dato maakte Ondi Timoner een update van Dig!: Dig! XX, met extra beelden en interviews.