Hondros

Netflix

Het is gemakkelijk om oorlogsfotografen te reduceren tot een eenvoudige stereotype: de ‘thrill seekende lone wolf’. Een man van weinig woorden, die zich met zijn camera staande weet te houden in een machowereld waarin veel gelegenheid is voor bravado en – wellicht uit puur zelfbehoud – heel weinig ruimte voor introspectie.

‘Het probleem van oorlogsfotografie is dat je het nu eenmaal niet vanaf een afstandje kunt doen’, zegt Chris Hondros droog in deze aan hem gewijde film van zijn vriend en collega Greg Campbell. Hondros (92 min.) kwam uiteindelijk toch te dichtbij: hij overleed tijdens een mortieraanval in Libië in 2011.

In de voorafgaande decennia struinde de Amerikaanse fotograaf alle mogelijke oorlogsgebieden af. Hij maakte in die periode zeker twee klassieke foto’s: een uitzinnige Liberiaanse kindsoldaat (2003), die zojuist een raket heeft afgevuurd, en een huilend meisje in Irak (2005) waarvan de ouders even daarvoor een bevel om met hun auto te stoppen hebben genegeerd en vervolgens door het Amerikaanse leger zijn doodgeschoten.

Campbell exploreert in deze film niet alleen het leven en werk van zijn dierbare vriend, die volgens zijn eigen moeder in 41 jaar meer meemaakte dan menigeen in dubbel zoveel jaren, maar gaat ook op zoek naar de hoofdrolspelers van zijn klassieke foto’s en kijkt met hen wat er daarna gebeurde. Dat geeft dit postume eerbetoon aan de gelauwerde oorlogsfotograaf echt meerwaarde.

Tijdens de aanval die Chris Hondros het leven kostte stierf ook de Britse fotograaf Tim Hetherington, die de Oscar-winnende documentaire Restrepo maakte. Over hem werd eveneens een documentaire gemaakt: Which Way Is The Frontline From Here?: The Life And Time Of Tim Hetherington.

Het turbulente leven van oorlogsfotografen leent zich sowieso goed voor een documentaire. Zo zijn er al films gewijd aan ‘war photographer’ James Nachtwey, Kevin Carter (lid van de beruchte Bang Bang Club) en James Foley, de fotojournalist die werd onthoofd door IS.

Ook interessant (en bovendien online te bekijken): de documentaire Underfire: The Untold Story Of Pfc. Tony Vaccaro, een Amerikaanse soldaat die de Tweede Wereldoorlog van binnenuit vastlegde.

What We Started


Vooroordeel: de playlist is vooraf al helemaal klaar. Tijdens het optreden zelf hebben de meeste deejays eigenlijk niet al te veel te doen. Ze kijken héél ingewikkeld, drukken zo nu en dan met gefronste wenkbrauwen een koptelefoon tegen hun hoofd en zwaaien vooral superenthousiast die handen door de lucht, om de dansende meute nóg verder op te peppen.

Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Vóór die uitzinnige show moet er immers muziek worden gemaakt – of op zijn minst gecombineerd. En het vak van deejay vereist zowel muzieksmaak en -kennis als technische vaardigheden, zoveel wordt ook duidelijk uit de documentaire What We Started (94 min.).

Deze gelikte film van Bert Marcus en Cyrus Saidi portretteert twee tegenpolen van de hedendaagse electronic dance music (EDM): de Nederlandse tiener Martin Garrix en de Britse oudgediende Carl Cox, resident dj van Space Ibiza. De één belichaamt het wereldwijde succes van dance bij jongeren, de ander is het toonbeeld van een leven lang EDM in alle soorten en maten.

Met deze uitersten, die toch ook weer veel gemeen blijken te hebben, als startpunt schetst What We Started de moderne dancescene en de historie daarvan. Grofweg: van disco via de klassieke house uit Chicago en Detroit en Britse acid house naar moderne techno, waarbij er natuurlijk ook aandacht is voor illegale raves, de Love Parade in Berlijn en drugsgebruik.

Aan aansprekende bronnen geen gebrek: met Paul Oakenfold, Pete Tong, Louie Vega, Afrojack, Moby, Tiësto, Ed Sheeran, David Guetta en Usher bewandelt de documentaire zorgvuldig de middenweg tussen underground en mainstream. Erg diep gaat het allemaal niet, maar informatief en vermakelijk is What We Started zeker.

Morisot – Moed, Storm En Liefde

Zeppers

Is het een zelfportret van Berthe Morisot, dat de Nederlandse filmmaker Klaas Bense onlangs op de kop heeft getikt? Met het schilderij onder de arm gaat hij op zoek naar de Franse kunstenares (1841-1895), die mede aan de wieg stond van het impressionisme. Als moeder van deze invloedrijke kunststroming is ze allang in de vergetelheid geraakt, terwijl de vele vaders ervan – illustere namen als Monet, Dégas en Renoir – wereldberoemd werden.

Met behulp van dagboekfragmenten, duiding door Morisots biografe Dominique Bona en enkele kunstkenners en natuurlijk haar beeldige werk reconstrueert Bense in Morisot – Moed, Storm En Liefde (54 min.) het leven van een getalenteerde en strijdbare vrouw die gevangen zat in de sociale regels van haar tijd. Hij doorsnijdt Morisots levensverhaal, dat na 54 jaar abrupt tot stilstand kwam, met de ervaringen van hedendaagse vrouwen zoals de rapper Cayene en model/kunstenares Perienne Christian en beelden van begaafde vrouwelijke skaters, fietsers en voetballers in Parijs.

Zij representeren ogenschijnlijk een vrijheid en blijheid die voor Morisot nooit was weggelegd, maar hebben bij nadere beschouwing met min of meer dezelfde rolpatronen te maken als de vrouw die hen nog altijd inspireert. Met deze verzorgde film houdt Bense zo een pleidooi voor gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. En hij komt, via een achterkleinzoon van Berthe Morisot, ondertussen natuurlijk ook meer te weten over zijn eigen aankoop.

The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years


Wat hebben Whoopi Goldberg, Elvis Costello en Eddie Izzard met elkaar gemeen? En regisseur Richard Curtis, schrijver Jon Savage en acteur Sigourney Weaver? Welnu, ze zijn fan van The Beatles en mogen daarover vertellen in The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years (105 min.). Grootste troef van de documentaire zijn echter nieuwe interviews met Paul en Ringo. Achternaam overbodig.

Beatles-fan Ron Howard, een regisseur die je toch vooral associeert met Hollywood-blockbusters, concentreert zich op de eerste jaren van de groep (1963-1966), toen Beatlemania de wereld stormenderhand in zijn greep kreeg. De periode ook dat er nog een liveband was, genaamd The Beatles. Dat is een andere troef van deze eikenhouten muziekfilm: (obscure) concertbeelden van de band in optima forma, inclusief bloempotkapsels en uitzinnige tieners.

Daarnaast bevat Eight Days A Week backstagebeelden, b-roll materiaal van de wegwerpfilms van de groep en jolige interviews. Netjes ingekaderd en van anekdotes voorzien door de nog levende Beatles Paul en Ringo, enkele direct betrokkenen en dus ook de verplichte celebrities. Met een enkel aardig nieuwtje, zoals bijvoorbeeld het feit dat de band in Amerika nooit in gesegregeerde zalen wilde optreden. Het eindresultaat is precies wat je verwacht: een popdocu die de zegeningen telt van de beroemdste popgroep aller tijden.

Op Netflix is nog altijd How The Beatles Changed The World te bekijken, een film die ik hier beschreef. Deze documentaire bestrijkt de complete carrière van de Britse supergroep, maar moet het zonder Paul en Ringo doen.

Liberation Day


Deze week moet de met veel bombarie aangekondigde top tussen de Amerikaanse president Trump en de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un plaatsvinden. Een mooie gelegenheid om deze vermakelijke documentaire over het bezoek van Laibach, een belangrijke inspiratiebron voor de spraakmakende tanzmetalband Rammmstein, als eerste westerse rockband aan Noord-Korea te vertonen, dacht de VPRO. Ook al kan die top alsnog met veel bombarie worden afgeblazen – zoals al eerder gebeurde. Met King Don en King Kim weet je het nooit.

De tournee van de doorgewinterde provocateurs uit Slovenië door de verknipte communistische heilstaat kon enkele jaren geleden in elk geval gewoon doorgaan. Blijkbaar hadden beide partijen daarbij genoeg te winnen. De keuze van Kim Jong-un om juist Laibach, een band die veelvuldig gebruik maakt van militaristische symboliek en nooit vies is van controverse, toegang te verlenen is opmerkelijk. Wilde Kim zichzelf nog eens ongegeneerd bewonderen in de spiegel? Of hield de band hem (ongemerkt) gewoon een lachspiegel voor?

‘All art is subject to political manipulation except that which speaks the language of the same manipulation’, stelt Laibach zelf in het leidmotief voor Liberation Day (58 min.). Regisseur Morten Traavik organiseerde al eerder culturele projecten in Noord-Korea, had tijdens de toer de leiding over de Laibach-delegatie en speelt nu de hoofdrol in zijn eigen film. Met straffe hand probeert hij de afstand tussen band en land te overbruggen; de culturele misverstanden, continu opspelende technische perikelen en op de achtergrond altijd aanwezige censuur.

Bij Laibachs met veel bravoure geëtaleerde wansmaak (of is het gewoon kunst?) krijgt ook een op de vrijheid van meningsuiting gestelde Nederlander soms de neiging om de culturele politie te laten uitrukken, maar als het dan daadwerkelijk gebeurt is het toch even schrikken. De band zelf lijkt zich er van tevoren al mee te hebben verzoend dat er water bij de wijn moet worden gedaan. Dit proces, waarbij de film zowel bij land als band achter de facade komt, is alleraardigst om te zien. Het levert Laibach, net als in Noord-Korea, beschaafd applaus op.

Instant Dreams


‘De dood van een vriend’, noemt Christopher Bonanos, de schrijver van het boek Instant: The Story Of Polaroid, ‘t met gevoel voor drama. Dat fatale moment in 2008 waarop Polaroid besloot om te stoppen met de productie van direct klaar-films. Tien jaar later, in een tijdsgewricht waarin letterlijk iedereen aan de lopende band digitale foto’s maakt, zijn er nog steeds romantici die zweren bij analoge fotografie.

De instant film moet opnieuw worden uitgevonden, vinden zij. Zoals bepaalde muziekliefhebbers een terugkeer naar vinyl of cassettebandjes bepleiten. Terug naar imperfectie, de menselijke maat. Het gecompliceerde chemische proces waarmee een Polaroid-foto zichzelf binnen enkele minuten realiseert is alleen bepaald niet gemakkelijk te reproduceren, stelt de gepensioneerde chemicus Stephen Herschen die ooit werkte met de grote man van Polaroid, Edwin Land.

In Instant Dreams, waarvan donderdag de televisieversie (53 min.) wordt uitgezonden, belicht regisseur Willem Baptist een kleine parallelle wereld waarin de Polaroid wordt geïdealiseerd. Dat is beslist een socialere wereld, betoogt pleitbezorger Bonanos. Terwijl je wacht op hoe de foto die je zojuist hebt geschoten zich ontwikkelt, ontstaan er als vanzelf gesprekken. En niet veel later worden de verschillende Polaroids natuurlijk met elkaar vergeleken. Nu gunnen we elkaar niet meer zoveel tijd en aandacht, wil hij maar zeggen.

Baptist laat zijn personages, waaronder ook de Duitse fotografe Stefanie Schneider die de laatste Polaroids uit een speciale koelkast wegwerkt tijdens fotosessies in de Californische woestijn, uitgebreid filosoferen over de hedendaagse tijd en plaatst hun gedachtespinsels in een zinnenprikkelende trip van beeld, geluid en muziek. Instant Dreams bevat geen lineair verteld verhaal en roept meer vragen op dan worden beantwoord, maar overtuigt als volledig gesatureerde snapshot van een verloren tijd, waarin je als kijker even helemaal kunt verdwijnen.

Eric Clapton: Life In 12 Bars


Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?

The End Of Fear


‘Het is een onvervangbaar werk wat vermoord is’, aldus Wim Beeren, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het is 21 maart 1986. Een ‘verwarde’ 31-jarige man heeft met een stanleymes Who’s Afraid Of Red, Yellow And Blue III toegetakeld. Het omstreden schilderij van Barnett Newman, in 1969 aangekocht voor een kleine 300.000 gulden en inmiddels ettelijke miljoenen waard, heeft maar liefst vijftien messteken te verwerken gekregen.

Newmans abstracte werk riep wel vaker agressie op. Vier jaar eerder werd in de Nationalgalerie van Berlijn ook al een ander schilderij van de Amerikaanse kunstenaar aangevallen. Barbara Visser onderzoekt in The End of Fear (69 min.) de achtergronden van deze ingrijpende acties, die een felle discussie binnen de kunstwereld weerspiegelden, en het bijzonder moeizame, door schandalen omgeven restauratieproces van Newmans enorme doek.

De ‘moordverdachte’, een onbekende realistische kunstenaar die abstractie in de kunst als ‘een plaag’ zag en die vanuit de achtergrond ook een rol speelt in deze documentaire, had wel een bijdrage willen leveren aan de restauratie van het grotendeels rode doek, zo verklaart zijn advocaat tijdens de rechtszaak. ‘Juist dit werk zou zich prima lenen voor een goedkope replica.’ Hij wilde er nog net geen plaatselijk schildersbedrijf voor inhuren. Het is overigens nog maar de vraag of de ingehuurde Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer het er veel beter vanaf heeft gebracht.

Intussen heeft Barbara Vissser de jonge kunstenares Renske van Enckevort gevraagd om voor deze zorgvuldig gestileerde film, waarin primaire kleuren een prominente plek hebben gekregen, een eigen versie te maken van Who’s Afraid Of Red, Yellow And Blue III. Aan de hand daarvan stelt The End Of Fear elementaire vragen over kunst en dringt zich ook de vraag op wie in dit geval de kunstenaar is: degene die verantwoordelijk is voor het concept of degene die dat vervolgens, op geheel eigen wijze, heeft uitgewerkt?

Lost In La Mancha


Afgelopen weekend kwam er een voorlopig eind aan het drama dat zich al decennialang voltrekt in het leven van regisseur Terry Gilliam. Er moest een rechtszaak aan te pas komen, die hem ook nog in het ziekenhuis deed belanden met een lichte hartaanval, maar na een positieve uitspraak kon zijn speelfilm The Man Who Killed Don Quixote eindelijk in première gaan tijdens het festival van Cannes. Zo kwam er toch nog een happy end aan een filmproject waarvoor Gilliam, voorzichtig uitgedrukt, een ijzeren wil, olifantenhuid en de ausdauer van een schildpad nodig had.

De wet van Murphy heeft films over Don Quichot vaker geplaagd. Ook Orson Welles (Citizen Kane) beet zich al eens stuk op het maar al te symbolische verhaal over een man die de strijd aanbindt met molenwieken. Terry Gilliam, ooit het enige Amerikaanse lid van de absurde Britse comedyclub Monty Python, wil zijn geheel eigen interpretatie van de klassieker van Cervantes al zo’n beetje zijn hele leven verfilmen, maar vond steeds andere problemen op zijn pad. Zo moest Hollywood bijvoorbeeld niets hebben van de film, nadat een eerdere Gilliam-productie, The Adventures Of Baron Munchhausen, op een echec was uitgelopen. In dat opzicht blijft de geschiedenis zich overigens herhalen: de Amerikaanse distributeur van Quixote heeft zich onlangs alsnog teruggetrokken.

Uiteindelijk vond Gilliam eind jaren negentig in Europa geld voor zijn droomproject en konden de opnames voor The Man Who Killed Don Quixote, een film die toen al tien jaar in ontwikkeling was, rond de eeuwwisseling eindelijk beginnen. Met de Franse acteur Jean Rochefort als de tragische hoofdpersoon Don Quichot, Johnny Depp in de rol van Toby Grisoni (een hedendaagse stand-in voor Sancho Panza) en diens toenmalige vrouw Vanessa Paradis als zijn potentiële geliefde. Het zou een gigantisch fiasco worden, dat werd gedocumenteerd in een geweldige documentaire uit 2002: Lost In La Mancha (89 min.), een tragikomische film van Keith Fulton en Louis Pepe die oorspronkelijk was bedoeld als making of.

Terwijl werkelijk álles tegenzit – fysieke malheur bij Rochefort, een volledig weggespoelde filmset en steeds weer opspelende financiële problemen, om maar eens wat te noemen – begint Terry Gilliam meer en meer te lijken op, juist, Don Quichot. En Fulton en Pepe hebben overal toegang – omdat ze nu eenmaal een promofilm maken, die Gilliam bovendien altijd kan gebruiken om zijn eigen verhaal over het productieproces te onderbouwen. Ook als de onderlinge verhoudingen verzuren en het hele project spaak loopt blijft het duo als een vlieg op de muur filmen. Het resultaat, bijeengehouden door de onderkoelde voice-over van acteur Jeff Bridges, werkt ongetwijfeld op de lachspieren en zorgt tegelijkertijd voor compassie met de grote dromer Terry Gilliam.

Daarmee is niet gezegd dat The Man Who Killed Don Quixote een slechte film zou zijn geworden (of nu, bijna twintig jaar later, met een nieuw productieteam en Jonathan Pryce en Adam Driver in de hoofdrollen ís geworden). De documentaire Lost In La Mancha bevat enkele voorlopige filmscènes die tot de verbeelding spreken. En als je Gilliam zelf bezig ziet, bijvoorbeeld als hij hoogstpersoonlijk enkele rollen inspreekt bij gestoryboarde scènes, dan wordt eens te meer duidelijk dat hier een originele stem klinkt die gehoord moet worden. Een bezoek aan de bioscoop voor The Man Who Killed Don Quixote kan daarnaast zo langzamerhand worden beschouwd als een daad van pure medemenselijkheid.

Op deze Wikipedia-pagina is het complete verhaal van het productieproces van deze ‘development hell’ te lezen. In de geschiedenis van The Man Who Killed Don Quixote zijn ook nog bijrollen weggelegd voor Robert Duvall, John Hurt, Michael Palin en Ewan McGregor, acteurs die stuk voor stuk niet in de uiteindelijke film zijn beland.

Wellicht hebben ze wél een plek bemachtigd in He Dreams Of Giants, een zojuist aangekondigde nieuwe documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe over de Don Quichot-avonturen van Terry Gilliam. Volgens dit Variety-artikelconcentreren ze zich in deze opvolger van Lost In La Mancha vooral op wat er omgaat in het hoofd van de veelgeplaagde regisseur.

O, O, Harrie

21mei_Harrie_Jekkers_nu

 

Je kunt de man wel uit de arbeid halen, maar de arbeider niet uit de man. Misschien verklaart dat de aantrekkingskracht die Harrie Jekkers heeft op ‘gewone’ mensen. Zeker als hij lacht, oogt de zanger/kleinkunstenaar nog steeds als een rasechte volksjongen. En dan heb je hem nog niet eens horen praten…

Een doodgewone Hagenees was hij natuurlijk nooit. Al weet Jekkers, getuige bijvoorbeeld het onofficiële volkslied van zijn stad O, O, Den Haag of z’n portret van Koos Werkeloos, nog altijd moeiteloos de weg te vinden naar zijn arbeidersroots. Met de puntgave Nederlandstalige liedjes van het Klein Orkest voegde hij daar een linkse signatuur aan toe.

Jekkers legt nog altijd moeiteloos een connectie met gewone mensen: de man die zijn broer verloor en troost vond in Over 100 Jaar, een vrouw die na het horen van Ik Hou Van Mij besloot te gaan scheiden en de man die zijn carrière een nieuwe boost gaf, met Man In De Wolken in zijn achterhoofd. Via hen laat Karin Junger in O, O, Harrie (55 min.) zien welke impact Jekkers heeft gehad op zijn publiek.

Dat blijkt een tweesnijdend zwaard. Zelf koestert hij de vele brieven die hij door de jaren heeft ontvangen van zijn fans. Jekkers heeft ze altijd bewaard. Als hij erin terugleest, zo blijkt tijdens een sleutelscène van de film, kan hij nog altijd geëmotioneerd raken. Zijn fans vormen een soort verkapte familie, in een bestaan dat uiteindelijk, volgens hemzelf door bindingsangst, relatie- en kinderloos is gebleven.

In deze boeiende televisiedocumentaire slaagt Karin Junger erin om de man achter de gezellige drinkebroer vandaan te halen: een einzelgänger, die zich heeft verschanst in zijn eigen huis op Ibiza, tevreden lijkt met wat hij heeft opgebouwd en geen grootse plannen meer koestert voor de toekomst. Of het moet (nog) een reünietournee met het Klein Orkest zijn…

Bij het zoeken naar weblinks voor dit stuk stuitte ik overigens op dit verhaal over O, O Den Haag, de hit die onder de naam Harry Klorkestein – de achternaam is een anagram van Klein Orkest – werd uitgebracht en overal door de playbackende geluidstechnicus van de groep, Henny de Jong, aan de man is gebracht.

Kurt Cobain: Montage Of Heck


‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.

11 Friese Fonteinen


Wat zouden ze van ‘ons’ vinden, de internationale kunstenaars die in het kader van het 11 Friese Fonteinen-project zijn ingevlogen? Zouden ze verrast zijn door de scepsis van de plaatselijke bevolking? En zouden ze soms stiekem een beetje moeten gniffelen om ‘het visioen’ van Anna Tilroe, de begeesterde curator van het prestigeproject van Leeuwarden als Culturele Hoofdstad van Europa 2018? Het zijn vragen die de eerste twee afleveringen van de driedelige documentaireserie 11 Friese Fonteinen (41 min.) onwillekeurig oproept. Filmmaker Roel van Dalen belicht daarin het wederzijdse onbegrip dat kunst in de openbare ruimte kan oproepen.

Elf fonteinen moeten er komen, in de elf steden van Friesland die tezamen ook die illustere schaatstocht vormen. Maar kunstenaars van eigen bodem worden er niet bij betrokken. Dat zint niet iedereen. De misprijzende blikken tijdens een van de vele inspraakavonden zijn niet van de lucht als het Amerikaanse kunstenaarsduo Jennifer Allora en Guillermo Calzadilla, dat Harlingen van een fontein moet gaan voorzien, ouder werk laat zien. Een militaire tank met een Olympische atleet op een loopband erop, dat motten we hier niet. Je ziet het sommige Harlingers denken. ‘Zij maken hele pompeuze kunstwerken’, constateerde een plaatselijke bewoner eerder al aan de rand van de stad, bij de buitenhaven. ‘Dus dan moet je hier wezen. Niet in de stad.’

In Stavoren krijgt het verzet een tastbare vorm. De lokale visboer meent dat het ontwerp voor de fontein van de Amerikaanse kunstenaar Mark Dion, een kabeljauw met een wijd opengesperde bek, is gebaseerd op een van de vissen die hij heeft uitgestald in zijn zaak. Hij is sowieso niet enthousiast: ‘Dat ding had beter in de Efteling kunnen staan.’ Curator Tilroe, die eveneens van ‘buiten’ komt, heeft van haar kant soms al even weinig op met de wensen van de lokale bevolking. Lopend door Workum constateert de Britse kunstenares Cornelia Parker dat een bepaalde plek haar niet aanstaat omdat er auto’s zijn geparkeerd. Mensen willen nu eenmaal dicht bij huis parkeren, probeert één van de leden van de speciaal ingestelde Fontein-commissie te verduidelijken. ‘Maar ja, dat is wel egoïstisch, hè?’, reageert Tilroe direct. ‘Het gaat om het beeld van de stad.’

Één man staat intussen boven de partijen: de van oorsprong Friese cabaretier Jan Jaap van der Wal. De koddige misverstanden en confrontaties, die steeds weer oplaaien en zich maar moeilijk definitief laten uitdoven, worden door hem van commentaar voorzien in een speciaal voor deze serie geschreven voorstelling. Van der Wal loopt zo nu en dan ook opzichtig door het beeld en beziet vanaf een afstandje het gekrakeel. Die toevoeging voelt een beetje als een kunstgreep; een Bekende Nederlander waarmee een documentaireserie die op primetime wordt uitgezonden blijkbaar nóg toegankelijker moet worden gemaakt.

Van der Wal is ook niet nodig. Veel scherper commentaar op de hele kwestie komt van de plaatselijke kunstenaar Henk de Boer, die als protest een alternatieve fontein heeft gemaakt: de zogenaamde Pauperfontein, een openbaar toilet in de vorm van een verzameling piemels die water beginnen te spuiten zodra er iemand naar de wc gaat. De Belgische kunstenaar Johan Creten, die een fontein in de vorm van vleermuis heeft ontworpen voor Bolsward, is de hele discussie rond kunstprojecten soms helemaal beu, bekent hij moedeloos. ‘Ik vind dat je in kunst vooral niet alles moet uitleggen.’ Maar zo werkt het niet in de Friese polder.

Intussen verliest 11 Friese Fonteinen zo nu en dan wat stoom. Bij elke ontmoeting tussen curator, kunstenaars en bevolking – constructief, ontmoedigend of met een hoog Jiskefet-gehalte – komen min of meer dezelfde thema’s bovendrijven. De serie wil wel heel veel verschillende fonteinen behandelen, met elk hun eigen kunstenaar, ontwerp en problematiek. Alsof de ontstaansgeschiedenis van wat ooit wellicht zal worden beschouwd als belangrijk Fries erfgoed – en dan vast ook door de nazaten van de hedendaagse criticasters – zo compleet mogelijk moest worden gedocumenteerd. Die overdaad schaadt de serie uiteindelijk weinig; 11 Friese Fonteinen is even vermakelijk als herkenbaar.

Het ambitieuze 11Fountains-project wordt komende vrijdag officieel geopend. Een feestelijke gelegenheid, die een plek krijgt in het afsluitende deel van deze serie (dat ik vanzelfsprekend nog niet heb kunnen zien).

Raghu Rai, An Unframed Portrait

KRO-NCRV

Hoeveel kans heeft een kind dat in de voetsporen van een beroemde ouder treedt om daadwerkelijk uit zijn/haar schaduw te stappen? Avani Rai maakt op een zeer verdienstelijk niveau foto’s, maar of ze daarmee ooit ook maar in de buurt kan komen van haar befaamde vader Raghu valt te betwijfelen.

Tijdens het maken van deze persoonlijke film over de Indiase fotograaf, die meer dan vijftig boeken publiceerde en danig van zich deed spreken met zijn werk over Moeder Teresa, het Bhopal-gifschandaal en de Dalai Lama, is die verhouding tussen vader en dochter in alles voelbaar. Hoewel hij eigenlijk het subject is van de film, geeft Pa Rai Avani regelmatig aanwijzingen en corrigeert hij haar ook als hij dat nodig acht.

Raghu Rai is een dwingende, eigenzinnige man, zo toont Avani’s egodocumentaire Raghu Rai: An Unframed Portrait (54 min.) feilloos aan. Een karaktereigenschap die, gepaard aan ’s mans opvallende sensitiviteit, ongetwijfeld ook debet is geweest aan zijn wereldwijde succes. Zijn dochter probeert haar veeleisende vader, diens indringende werk en hun relatie intussen met filosofisch getinte voice-overs in te kaderen.

De documentaire hinkt daardoor wel een beetje op twee gedachten; Avani wil enerzijds de schurende vader-dochter relatie in beeld brengen (wat niet helemaal uit de verf komt), maar ook een overzicht geven van zowel zijn imposante fotografie als de personen en ontwikkelingen die hij daarin heeft vereeuwigd. Dat is wat veel gevraagd. Uiteindelijk zijn het vooral die fraaie en diep menselijke foto’s, die een plek in je hart veroveren.

Amy


Ja, ook zij werd slechts 27 jaar! Amy Winehouse, de Britse popdiva die de strijd verloor met haar demonen. Met haar vroegtijdige dood trad ze toe tot de zogenaamde 27 Club, een illuster rijtje popgrootheden dat op 27-.jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde: Kurt Cobain (Nirvana), Janis Joplin, James Morrison (The Doors) en Jimi Hendrix zijn (helaas) ook lid. De komende vrijdagen herhaalt de NPO documentaires over deze getroebleerde helden, die veel te jong stierven en zo (?) een heldenstatus verwierven. Te beginnen dus met Amy.

‘They tried to make me go to rehab’, zingt ze met die karakteristieke diepe stem in haar grootste hit Rehab. ‘But I said no, no, no.’ Het bleken profetische woorden. Afkicken van drank en drugs zou er uiteindelijk niet inzitten voor Amy Winehouse. Ze liet zich met huid en haar verslinden, in de ban van een soort onontkoombare zelfdestructie. En dat zie je ruim twee uur aankomen in Asif Kapadia’s meeslepende portret van de Britse zangeres, dat hem in 2016 een Oscar voor beste documentaire opleverde.

Waarom? Daarnaar kunnen we alleen gissen. Was het die dodelijke onzekerheid en verlegenheid, die zo contrasteerde met het sterrendom? Haar moeizame verhouding met vader Mitch, die zijn dochter rücksichtslos zou hebben geëxploiteerd (en naderhand woest was op de maker van deze film)? Of toch die foute ex-man Blake Fielder-Civil, die haar steeds weer meetrok in het drijfzand van verslaving? Een eenduidig antwoord geeft Amy niet. En dat is frustrerend. Alsof de eindbestemming, een roemloos (?) einde in fatale dronkenschap, allang vaststond en alleen de precieze weg ernaartoe nog moest worden uitgestippeld.

Met een weldaad aan archiefmateriaal maakt Kapadia Winehouses onvermijdelijke afdaling naar de hel voelbaar. Hij ondersteunt de opgediepte jeugdfilmpjes, radio-optredens, interviews, concerten en paparazzi-beelden met quotes van enkele zorgvuldig uit haar directe omgeving geselecteerde bronnen, zoals haar vader en echtgenoot. De geïnterviewden blijven letterlijk buiten beeld. Alle aandacht is gericht op de tragische figuur Amy, die net als Kurt, Janis en Jimi uitgroeide tot een popicoon, waarbij een achternaam overbodig is geworden.

Dit is iemand die wilde verdwijnen, zegt rapper Mos Def nochtans, met gevoel voor drama, in deze upppercut van een film. Of, zoals Winehouse het zelf treffend zingt in haar andere grote hit, Back To Black, waarin je sinds haar dood in 2011 allerlei betekenissen kunt terugvinden: ‘I’ll go back to black.’

Elvis Presley: The Searcher

HBO

In 1968 leek zijn carrière over. Elvis Presley was verleden tijd. Ook volgens zichzelf. Afgegleden naar plat entertainment en voorbij gestreefd door The Beatles, Stones en al die andere sixtiesbands. Hij ging het niettemin nog eenmaal proberen. Tegen beter weten in. Omdat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Tot het uiterste geladen overtrof ‘s werelds beroemdste rock & roller nog eenmaal alle verwachtingen en gaf zijn zieltogende loopbaan met de zogenaamde ‘68 Comeback Special een allerlaatste klap.

Dat is het startpunt van het epische portret Elvis Presley: The Searcher (205 min) van Thom Zimny. Zimny, de huisfilmer van Bruce Springsteen, voert een imposante collectie sprekers op – mensen die je in de film overigens alleen hoort en niet ziet. Van Presleys vrouw Priscilla, oude vrienden en zijn bandleden, songschrijvers en producers tot (pop)historici, biografen en zwaar door Elvis beïnvloede artiesten als Tom Petty, Emmylou Harris, Robbie Robertson (The Band) en – natuurlijk – Springsteen.

Tezamen gaan ze terug naar Presleys armoedige jeugd in Tupelo, Mississippi en schilderen van daaruit zijn enerverende leven, glorieuze carrière (die ook uitwaaierde naar, veelal aalgladde, speelfilms) en de tragische afloop daarvan in 1977; als extra large Vegas-versie van zichzelf, gedeprimeerd en verslaafd aan allerlei chemicaliën in zijn eigen potsierlijke paleis Graceland te Memphis, nog altijd een bedevaartsoord voor Elvis-adepten. Ruim veertig jaar na zijn dood geldt de man met de soepele stem, overrompelende good looks en losse heupen niettemin nog steeds als de onbetwiste ‘king of rock & roll’. Dit uitputtende documentaire-tweeluik bewijst hem op een bevredigende manier alle eer.

Michel – Acteur Verliest De Woorden


Hoe is het als je lippen de woorden niet meer kunnen vinden, die je zo verdomd hard nodig hebt? De Vlaamse acteur Michel van Dousselaere ervaart het aan den lijve als in 2014 bij hem een zeldzame vorm van progressieve afasie wordt ontdekt. Zijn vrouw Irma Wijsman maakte er, samen met Patrick Minks, een film over: Michel – Acteur Verliest De Woorden (84 min.).

Intussen wil Van Dousselaere gewoon nog een rol spelen in de theatervoorstelling Borgen. Met een souffleur zou het moeten lukken. De ervaren acteur kan de ingefluisterde woorden debiteren alsof ze uit zijn binnenste komen. Zo weet hij zich staande te houden. Maar dan roept het normale leven weer – en die oprukkende ziekte en steeds kleiner wordende uitdrukkingsvaardigheid.

De woorden ontbreken hem vaak om te zeggen wat hij voelt of denkt. Of voelt en denkt hij ook minder? Niemand die het zeker weet. Van Dousselaere wordt daarmee steeds afhankelijker van zijn vrouw. Irma Wijsman moet verwoorden wat er in hem omgaat en fungeert daarmee automatisch ook als verteller van deze documentaire. Zij zegt wat hij niet meer kan zeggen en legt tevens het onbespreekbare op tafel; hoe en wanneer eindigt dit?

Met oud-collega’s reconstrueert ze daarnaast de respectabele carrière van haar echtgenoot. Stuk voor stuk steken ze de loftrompet over de karakteracteur. Soms, tot hun eigen schrik, al in de verleden tijd. De man zelf doet ondertussen waar hij nog altijd goed in blijkt te zijn en speelt een monoloog van Erik-Ward Geerlings, die speciaal voor deze gelegenheid werd geschreven.

Met een krachtige performance laat de imposante podiumpersoonlijkheid zo (voor de laatste keer?) zien wat hij in zijn mars heeft. Tegelijkertijd toont Michel: Acteur Verliest De Woorden hoe hij zich, in eendrachtige samenwerking met zijn vrouw, staande probeert te houden in het normale leven. Het feit dat ze een camera toelaten op de kwetsbaarste momenten van Van Dousselaere getuigt zonder meer van moed en behoort tot de uitgesproken troeven van deze treffende film.

Over de zanger Glen Campbell werd enkele jaren geleden een vergelijkbare documentaire gemaakt. Nadat hij was gediagnosticeerd met alzheimer wilde de Rhinestone Cowboy nog eenmaal op tournee, ondersteund door zijn eveneens musicerende kinderen. De film Glen Campbell: I’ll Be Me is de ontroerende weerslag daarvan.

André Hazes: Zij Gelooft In Mij

Bijna vijftien jaar na zijn dood kunnen we de balans opmaken van wat André Hazes heeft nagelaten. Zijn kinderen Dré en Roxanne (in deze documentaire te zien als de kinderversie van zichzelf) zijn op eigen kracht beroemdheden geworden, laatste vrouw Rachel werd een vaste gast in ‘de bladen’ en hij geldt nog altijd, onbetwist, als Neerlands grootste levensliedzanger.

De documentaire André Hazes: Zij Gelooft In Mij (91 min.) van John Appel heeft daarin een niet te onderschatten rol gespeeld. Tot die tijd hadden we Hazes nog kunnen verslijten voor een René Froger of een Lee Towers, inwisselbare Nederlandse varianten op internationale sterren als Frank Sinatra en Engelbert Humperdinck. Misschien is het zo simpel als André het zelf altijd formuleerde: hij had écht de blues (al klinkt die in zijn geval dan als een smartlap).

Die muziek kegelt alles en iedereen omver in deze film uit 1999, de eerste Nederlandse documentaire in lange tijd die het echt goed deed in de bioscoop. Omdat het soms lijkt alsof Hazes echt alleen voor jou zingt, terwijl je weet dat hij het in werkelijkheid tegen Rachel, of zijn overleden moeder, heeft. ‘Dan zeggen ze: alles wat ie zingt komt recht uit zijn hart’, zei Theo Maassen daarover gekscherend in zijn voorstelling Bepaalde Dingen. ‘Dan zeg ik: er snel uithalen, dat ding!’

Zij Gelooft In Mij legt overtuigend het verband tussen de muziek en het leven van Hazes, een man die misschien groots en meeslepend wilde leven, maar in het dagelijks bestaan vooral met zijn ziel onder zijn arm rondliep (of beter: zat, met altijd een sigaret en blik bier bij de hand). Die Hazes, die gewoon domweg gelukkig wil zijn, maar al twee huwelijken naar de Filistijnen heeft geholpen en druk doende is met nummer drie, domineert deze film die de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan.

Met de jaren is bovendien de knipoog verdwenen waarmee Ons Soort Mensen het fenomeen Hazes, en zijn glorieus bebrilde schoonmoeder, altijd bezag en resteert slechts een aangrijpend portret van een man die op het podium boven zichzelf uitstijgt. Als het doek is gevallen, blijkt hij echter gewoon weer dat jongetje uit een slecht huwelijk (waarvan vader zich gedurig een stuk in de kraag zoop), dat even op het slechte pad belandde (zoals is vervat in het boek De Jongens Van De Corridor) en vervolgens Zijn Stem vond (zoals bijvoorbeeld is te horen in het titelnummer van deze film, dat naderhand een echte evergreen werd).

In de documentaire Magie Van De Montage onderzoekt John Appel het werk van Nederlandse editors als Menno Boerema, Ot Louw en Gys Zevenbergen. Samen met hen praat hij over de do’s en don’t van montage en bekijken ze scènes uit succesvolle Nederlandse documentaires als Het Nieuwe Rijksmuseum, Ne Me Quitte Pas en Janine.

Ook enkele omstreden scènes uit de Hazes-docu komen daarbij aan bod, zoals de camera die blijft lopen nadat de geëmotioneerde zanger expliciet heeft gevraagd om daarmee te stoppen en de nagespeelde aankoop van een nieuwe auto voor Rachel, waarmee een echtelijke ruzie lijkt te worden bijgelegd. 

Visages Villages


Je kunt allerlei grote woorden verbinden aan deze film en het bijbehorende kunstproject: lofzang op de gewone man, een eerste stap in diens empowerment en het vergroten van sociale cohesie in het algemeen. Je kunt ook gewoon een hopeloos romantische viering van het leven zien in Visages Villages (93 min.), een kostelijke roadmovie van de bijna negentigjarige nouvelle vague-filmster Agnès Varda en de ruim een halve eeuw jongere fotograffiti-kunstenaar JR.

Het idee is even simpel als effectief: Varda en JR reizen samen in een mobiele fotostudio door het platteland van Frankrijk. Ze ontmoeten plaatselijke bewoners, fotograferen hen en maken van die foto’s grote prints die ze op treffende plekken in de directe omgeving plakken. Gewone mensen worden zo letterlijk metershoge helden. De laatste bewoonster van een rij mijnwerkerswoningen, die op de nominatie staan om te worden gesloopt, wordt bijvoorbeeld vereeuwigd op de muur. Net als enkele mannen die er jarenlang naar het diepste der aarde afdaalden.

Het is geen kunst voor de eeuwigheid; regen, wind of gewoon overijverige ambtenaren kunnen wat vandaag nog fier of olijk op een muur prijkt morgen zomaar hebben weggewerkt. Dat is ook niet erg. Het speelse duo is dan alweer op een volgende plek. Bij boeren die de hoorns van geiten wegbranden en anderen die daartegen ageren. Bij een sympathieke postbode die heel aardig blijkt te kunnen schilderen. Of bij dokwerkers in de haven van Le Havre, waar ze nu eens de vrouwen in het zonnetje zetten – of beter: op een enorme stapel containers.

Gaandeweg verdiept ook de band tussen de twee reisgenoten zich en krijgt deze documentaire een wat introspectiever karakter – al blijft er altijd meer dan genoeg lucht om het hart. Hij stelt haar voor aan zijn grootmoeder, zij neemt hem mee naar plekken waar nog onvoltooid verleden ligt. Tijd om daarmee aan de slag te gaan! Want alleen nostalgie is aan de hoogbejaarde filmmaakster nog altijd niet besteed. Ze barst van de levenslust en wil nieuwe beelden creëren zolang haar ogen, die zienderogen slechter worden, het toelaten. En hij is oprecht geïnteresseerd in alles en iedereen.

Samen maken ze van Visages Villages, ook wel bekend onder de Engelse titel Faces Places, een aanstekelijke ode aan het bestaan, waarin het gewone algauw heel bijzonder wordt.

Living On Soul


De helden van het Daptone-label beginnen ons zo langzamerhand te ontvallen. Waar de soulwervelwind Sharon Jones in het najaar van 2016 bezweek aan kanker, was het een jaar later Charles Bradley, bijgenaamd The Screaming Eagle Of Soul, die het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. In Living On Soul (60 min.) voeren ze nog gewoon het hoogste woord, in de registratie van drie uitbundige avonden in het New Yorkse Apollo Theatre (waar James Brown ooit een legendarische liveplaat opnam)

Achter die soulkanonnen gaat gewoon een stelletje jongelui schuil, waaronder enkele onvervalste bleekscheten. Met funky lef, een ongegeneerde voorliefde voor gospel en emmersvol soul, dat wel. Zij startten in 2001 Daptone Records, een platenlabel dat werd gemodelleerd naar legendarische soulbastions als Motown en Stax. En omdat ze daar zo’n lol in hadden, vormden ze zelf ook meteen de begeleidingsband voor al die vocale kanonnen, The Dap-Kings, die tevens als onvolprezen huisband fungeert in deze dampende concertregistratie.

Behalve als hommage aan wijlen Jones en Bradley heeft deze documentaire van Jeff Broadway en Cory Baily, die afgelopen jaar nochtans op het IDFA werd vertoond, weinig om het lijf: ogenschijnlijk lukraak gemaakte backstagebeelden en wat losse interviewfragmenten over Daptones historie. Het is de muziek die ‘t moet doen En die doet dat ook. Moeiteloos. Voor namen als Naomi Shelton & The Gospel Queens en  The Como Mamas lopen misschien geen voetbalstadions vol, maar ze strelen met speels gemak de ziel, beroeren het hart en laten dat ook nog eens sneller kloppen. Voor minder gaat hier de vlag uit.

Over zowel Charles Bradley als Sharon Jones werden al volwaardige documentaires gemaakt. In Charles Bradley: Soul Of America is vastgelegd hoe de (soms dakloze) James Brown-impersonator op 62-jarige leeftijd toch nog de weg naar het succes vindt, terwijl Miss Sharon Jones! het aangrijpende gevecht van de zangeres met haar ziekte documenteert.

The Zen Diaries Of Garry Shandling

HBO

‘Zorg dat je nooit verliefd wordt op een hoertje’, houdt voormalig talkshow-host Jay Leno jonge comedians voor, die willen overleven in de showbusiness. ‘Want dan wordt je hart gebroken.’ Aan het lijdend voorwerp van deze documentaire, de Amerikaanse komiek Garry Shandling, was dat goedbedoelde advies niet besteed: ’Op dit moment vraag ik me af: ben ik grappig?’, klinkt het bloedserieus in deze uitputtende biografie. ‘Ben ik net zo grappig als ik ooit was? Word ik ooit weer grappig?’

Zijn voormalige protégé Judd Apatow, die zelf inmiddels zijn sporen verdiende als executive producer van films als The 40 Year Old Virgin en Knocked Up en de series Girls en Love, maakte een liefdevol eerbetoon aan de invloedrijke stand up-comedian en maker van de baanbrekende televisieprogramma’s It’s Garry Shandling’s Show (1986-1990) en The Larry Sanders Show (1992-1998). Een man die zijn publiek niet alleen wilde behagen, maar ook probeerde uit te dagen.

Garry Shandling, die in 2016 op 66-jarige leeftijd overleed, was een typische clown: in het openbaar had hij altijd de lach aan zijn kont, maar achter de schermen bleef hij gedurig twijfelen, tieren en somberen. Illustratief is een anekdote van vriend, collega-comedian en vader in de gesuikerde serie Full House Bob Saget: na zijn doorbraak-performance in The Tonight Show van Johnny Carson kon Shandling nauwelijks stoppen met huilen. Zijn grote droom was uitgekomen. Wat viel er nu nog te bereiken in het leven?

Die tobberige natuur werkt als een tweesnijdend zwaard in de tweedelige documentaire The Zen Diaries Of Garry Shandling (256 min.); het geeft een verklaring voor het succes van de comedian, die in zijn werk op z’n Koot en Bies zichzelf zocht en vervolgens rücksichtslos zijn eigen neuroses uitventte, en werpt tevens een licht op waarom dat succes tegelijkertijd nooit tot echt levensgeluk leidde. Een rechtszaak tegen zijn eigen manager ontregelde bijvoorbeeld ook de vriendschap met Saget. Die kan zijn verdriet daarover nog altijd nauwelijks weggeslikt krijgen.

Met mensen uit Shandlings directe omgeving (waaronder comedians en acteurs als Jim Carrey, Conan O’Brien, Jeffrey Tambor, Sacha Baron Cohen, Sarah Silverman, Jerry Seinfeld en David Duchovny) reconstrueert Apatow op meeslepende wijze het leven van zijn voormalige mentor, een man die hen stuk voor stuk heeft gemaakt én geraakt. Na afloop van deze hagiografie – want dat is het uiteindelijk, met al zijn mitsen en maren – overheerst in eerste instantie vooral mededogen met de toch wat tragische figuur Garry Shandling. Totdat zijn glorieuze oeuvre zich weer opdringt…