Bros: After The Screaming Stops

‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.

De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op. 

De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.

Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?

Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.

Studio 54

Dogwoof

Zien en – vooral – worden gezien. Liza Minelli, Bianca Jagger en Andy Warhol. Farah Fawcett, Sylvester Stallone en Truman Capote. Rod Stewart, O.J. Simpson en Michael Jackson (met een gigantische afro). Als je halverwege de jaren zeventig dacht dat je iets voorstelde, dan zorgde je ervoor dat je op de gastenlijst van Studio 54 (99 min.) belandde en zette je vervolgens je allerbeste beentje voor op de dansvloer. En buiten stond het gewone volk in een eindeloze rij te wachten, op een goede bui van de portier.

Was het meer dan schaamteloos exhibitionisme? In deze documentaire, aangekleed met smakelijk archiefmateriaal en volvette discomuziek, houden voormalige betrokkenen vol dat de New Yorkse club, behalve een gecultiveerde celebrity-verering, ook een podium bood aan seksuele bevrijding, van homoseksuelen in het bijzonder. Sex was in the air, herinnert één van de betrokkenen zich met overduidelijk genoegen. Achteraf bezien was die dampende periode niet meer dan een wankele brug tussen een verleden in de kast en een bedompte toekomst, waarin het aidsvirus de swingende atmosfeer rigoureus de nek zou omdraaien.

Toen was Studio 54 echter allang ter ziele. Na slechts drie absolute tropenjaren. In die periode waren er de gebruikelijke problemen met vergunningen, drugs en justitie, waarbij de eigenaren van Studio 54 zich lieten vertegenwoordigen door de beruchte advocaat Roy Cohn, de voormalige rechterhand van de dubieuze communistenjager Joe McCarthy en mentor van een ambitieuze jonge vastgoedman, ene Donald Trump. Waren er connecties tussen de disco-eigenaren en de georganiseerde misdaad? Getuige deze onderhoudende film van Matt Tyrnauer werd er in elk geval flink belasting ontdoken. En dat zou de eigenaren duur komen te staan…

The Celluloid Closet

Sinds jaar en dag vormen Hollywood-films een nauwgezette afspiegeling van de Amerikaanse normen en waarden. Als er in de begindagen van de cinema, in de eerste helft van de twintigste eeuw, dus al een homoseksueel was te zien, dan ging het om de traditionele ‘sissy’, een even verwijfd als aseksueel type waaraan eigenlijk niemand zich een buil kon vallen. Zoals de homo in een televisiesoap als Goede Tijden Slechte Tijden jaren later bijvoorbeeld nog altijd viel te herkennen aan zijn roze trui.

In puriteins Amerika was in elk geval geen ruimte voor films over een ‘gay’ van vlees en bloed. Zeker nadat in de jaren dertig de zogenaamde Hays Code werd ingesteld, die zelfcensuur in Hollywood afdwong. Vanaf dat moment waren filmmakers genoodzaakt om homoseksualiteit zeer omzichtig te benaderen. Als er al een homoseksueel of lesbienne werd opgevoerd, dan ging het vrijwel altijd om een vampier of seriemoordenaar. Of de onverlaat stierf een tragische dood. Over de moraal van het verhaal mocht in elk geval geen misverstand ontstaan.

Sommige filmmakers gingen echter veel subtieler te werk. De documentaire The Celluloid Closet (101 min.) van Rob Epstein en Jeffrey Friedman uit 1995, gebaseerd op het gelijknamige boek van Vito Russo, bekijkt de Hollywood-historie met een ‘gaydar’: hoe werd homoseksualiteit in speelfilms geportretteerd? Welk effect had dat op mannen en vrouwen die (stiekem) homoseksueel waren en de samenleving in het algemeen? En, nog spannender, bevatten klassieke films misschien ook verhulde homoseksuele rollen en relaties tussen mannen of vrouwen?

Zo bezien heeft de vriendschap tussen James Dean en zijn beste vriend in de klassieker Rebel Without A Cause (1959) bijvoorbeeld beslist een homoseksueel karakter. Om over Ben-Hur uit 1959 nog maar te zwijgen. De vete tussen de hoofdpersoon en zijn voormalige boezemvriend Messala, die tot een climax komt tijdens de legendarische paardenwagen-scène, heeft onmiskenbaar een romantische oorsprong. Scenarioschrijver Gore Vidal kan er decennia later nog steeds om grinniken: hoofdrolspeler Charlton Heston, een onvervalste macho, had eens moeten weten.

Verteller Lili Tomlin leidt de kijker aan de hand van talloze filmfragmenten door de Amerikaanse cinema van de twintigste eeuw, waarin Hollywood soms opzichtig blijft worstelen met LBGT-rollen. Want als die er daadwerkelijk komen, leidt dit weer tot andere dilemma’s: koudwatervrees bij heteroseksuele acteurs die een homo moeten spelen, het veelvuldig gebruikte scheldwoord ‘faggot’ en de constatering dat vrijende vrouwen veel gemakkelijker worden geaccepteerd – erotisch gevonden, zelfs – dan liefhebbende mannen.

Toch is elke stap vooruit die Hollywood zet er één die telt voor een bevolkingsgroep die wil emanciperen. ’Elke minderheid kijkt hoopvol naar films’, concludeert scenarioschrijver Arthur Laurents in deze intrigerende documentaire. ‘Ze hopen dat ze te zien krijgen wat ze willen zien. Daarom ziet niemand echt dezelfde film.’

De documentaire Scotty And The Secret History Of Hollywood vormt een aardige aanvulling op The Celluloid Closet. Deze vermakelijke film vertelt het levensverhaal van een voormalige marinier, die na de Tweede Wereldoorlog een florerende escortservice opzette voor Hollywood-sterren die hun hele leven en carrière lang in de kast zouden blijven.

American Dream / American Knightmare

‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.

American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.

Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.

Porndemic

Zelf dachten ze dat hun stiel op het punt stond om de overstap naar de mainstream te maken. Eind jaren negentig leek porno zich definitief te hebben ontworsteld aan zijn schmutzige verleden. Het geld was goed. En de roem ook. Naast een carrière in de Amerikaanse seksindustrie lonkte voor menige performer zelfs een loopbaan als regulier acteur. En toen sloeg het noodlot toe in de miljardenbusiness. In de vorm van een seksueel overdraagbaar en dodelijk virus.

De eerste bekende performer die HIV-postief werd bevonden was de actrice Tricia Devereaux, die nog altijd woedend is over wat haar is overkomen. Niet veel later volgden nog een paar gekende namen. En daarna moesten er onmiddellijk schema’s worden getekend met dwarsverbanden tussen de verschillende acteurs en actrices: wie had met wie gewerkt binnen de kleine ‘pornofamilie’? Stuk voor stuk zouden ze worden getest, om de bron van alle besmettingen te traceren: Patient Zero.

Die taak kwam voor rekening van dokter Sharon Mitchell, zelf jarenlang actief als actrice en regisseur. In de documentaire Porndemic (93 min.) vertelt ze dat de business HIV in zekere zin over zichzelf heeft afgeroepen. Porno was in de jaren negentig, met de opkomst van video en internet, steeds extremer geworden; van anale seks tot gangbangs. De kans op aids, een ziekte die vreemd genoeg nog altijd werd geassocieerd met homoseksuelen en drugsgebruikers, was daardoor flink toegenomen.

En nu was het dus zover: een brandhaard in de porno-industrie. Wie o wie was Patient Zero? Nadat ze alle betrokken sekswerkers had getest, resteerde alleen een voormalige geliefde. Met een list verleidde Mitchell hem om zich te melden. Later maakte ze, zonder zijn toestemming, de resultaten van de bloedtest wereldkundig. ‘Daarvoor zou ze vervolgd moeten worden’, aldus Zero nu. ‘Het was kwaadaardig dat ze dat deed.’ Mitchell is zich nog steeds van geen kwaad bewust: ‘Wat moest ik anders?’

Patient Zero was de lul, constateert adult entertainment blogger Luke Ford in deze lekker slicke film van Brendan Spookie Daly, die is opgeleukt met allerlei kekke muziekjes. Intussen zien we beelden van Mitchell en Zero in betere tijden, hijgend en zwetend tijdens een gezamenlijke seksscène. In werkelijkheid probeerde de pornoster na de onheilstijding om het verhaal naar zijn hand te zetten, maar die missie had nauwelijks kans van slagen. Zeker toen er nog meer apen uit de mouw kwamen…

De langharige loverboy werd persona non grata binnen de wereld die altijd zoveel van hem had gehouden. Zero’s huisgenoot Tom Byron, zelf ook pornoster, wordt nog altijd emotioneel als hij eraan terugdenkt. Samen met insiders als acteur Herschel Savage, regisseur/publicist Bill Margold en de onvermijdelijke Ron Jeremy probeert hij in deze overtuigende documentaire, waarin slinks actiescènes en dialogen uit pornofilms zijn geïncorporeerd, de impact van de HIV-kwestie op de business te duiden.

Die werd, kort gezegd, danig verneukt.

Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb

NTR

Zijn eerste Haagse Harry-tekening publiceerde Marnix Rueb in 1991 in het tijdschrift Doen, bij een artikel van zijn jongere broer Robert-Jan over Haagse dichters. Ruebs volkse ‘poëet-proleet’ Harry staat achter de microfoon op een podium en draagt voor uit eigen werk: ‘Uit me laaste bundel ut plèn bè nach: ut erotiese ve’haal “Kânkâhoeâ!”.’

Harry was het duiveltje in Marnix, zegt Jean-Marc van Tol, tekenaar van de Fokke en Sukke-strip in de documentaire Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb (60 min.) van Bart Grimbergen en Roel Wijngaards-de Meij. De Hagenees met die mat in zijn nek en zijn eeuwige campingsmoking past perfect in de prachtige Haagse traditie van Jacobse en Van Es, Harrie ‘O, O, Den Haag’ Klorkestein enne… Henk Bres (al is dat geen typetje; niet bewust, tenminste).

De man achter Haagse Harry was echter bepaald geen Hagenees, maar een echte Hagenaar. Als zoon van een kinderrechter groeide hij op in een bevoorrecht milieu. Zonder moeder, dat wel. Zij overleed toen hij nog een kind was. En dan was er nog die persoonlijke tragiek die hem als persoon heeft gevormd. Misvormd, aldus zijn vriend Sjaak Bral (een typetje overigens van Marcel van der Heijden). Marnix Rueb, een echte binnenvetter, sprak er nooit over. Beter: bijna nooit.

Via gesprekken met Ruebs broers, weduwe, beste vriend en dochter vertelt dit vlotte portret het levensverhaal van de in 2014 overleden striptekenaar. Dat is ook meteen het nadeel van de film: veel pratende hoofden en erg anekdotisch. Filmisch blijft deze biografie een beetje achter, al werken de archiefbeelden van gewone mensen, Hagenezen en Hagenaars, die hardop voorlezen uit de strips erg aanstekelijk en is de scène waarin Rueb kort voor zijn dood meezingt bij een concert van zijn idool Bruce Springsteen zeer ontroerend.

Kap Nâh!! wordt nooit meer dan een typisch televisieportret, maar is daarom niet minder vermakelijk. ‘Vestaat u mèn?!’, zou Harry zelluf zeggen. Met opgestoken middelvinger, natuurlijk.

Generation Wealth

Amazon

‘Wat heb je gedaan in Dubai?’, vraagt regisseur Lauren Greenfield aan Kacey Jordan, het Amerikaanse pornosterretje dat een veelbesproken affaire had met acteur Charlie Sheen. Ze antwoordt laconiek: ‘de prins.’ Kacey is nu voor de elfde keer zwanger, bekent ze later op een kwetsbaar moment. Ze denkt er ditmaal serieus over om het kind te houden.

Kacey Jordan is één van de mensen die in de afgelopen jaren zijn geportretteerd door fotograaf Greenfield en waarmee ze nu in de documentaire Generation Wealth (106 min.), die wordt vergezeld door een expositie, de balans opmaakt. Tezamen vormen ze een bonte stoet larger than life-personages. De alleenstaande moeder die zich verliest in plastische chirurgie. Het zesjarige beauty queentje Eden dat maar één doel zegt te hebben: money, money en nog eens money. En Greenfields voormalige studiegenoot, die uitgroeide tot een louche geldgraaier.

De documentairemaakster vergelijkt de wereld waarin zij, en wij, leven met de cultuur van de Egyptenaren. Toen zij de piramides bouwden, stonden ze al aan de rand van de afgrond. Zonder dat ze dat zelf in de gaten hadden, overigens. Ook wij dansen volgens Greenfield met zijn allen op een vulkaan, die elk moment kan uitbarsten. De American dream is immers allang verworden tot een plastic zucht naar roem en rijkdom.

Greenfield belandde nog eens nadrukkelijk op dat spoor door haar vorige documentaire The Queen Of Versailles, een lekkere jeukfilm over een Amerikaans nouveau riche-stel dat zich heeft voorgenomen om een (vanzelfsprekend smakeloze) replica van het illustere Franse paleis te laten maken. De filmmaakster/fotografe ontdekte zo een thema dat eigenlijk haar complete oeuvre domineerde: rijkdom. Of de ultradecadentie, waartoe het westerse kapitalisme zijn onderdanen lijkt te dwingen.

In Generation Wealth richt ze haar camera niet alleen op excessen in de buitenwereld. Naarmate de documentaire vordert kijkt Greenfield ook steeds meer naar binnen, naar haar eigen verslaving aan werk. Ze filmt haar man en kinderen en gaat in gesprek met haar eigen ouders. Daarmee verliest de film ook een beetje richting. Want wil ze werkelijk zeggen dat het leven uiteindelijk toch om hele andere dingen gaat dan poen en status? Dat zou een wat al te gemakkelijke conclusie zijn voor deze bijzonder bijdetijdse docu, die pregnante vragen stelt over wie we zijn (geworden).

Who Killed Jam Master Jay?

Netflix

’Je heb de dader vast al geknuffeld’, zegt Curtis Scoon, die zelf wordt verdacht van de moord op Jam Master Jay, tijdens de begrafenis tegen diens zus Bonita. Over dat gegeven zijn ze het eens: de dader komt ongetwijfeld uit de directe omgeving van de vermaarde deejay van Run-DMC. Maar wie heeft de trekker overgehaald en bovendien het beveiligingssysteem in Jays studio uitgeschakeld?

Ruim vijftien jaar later is er nog altijd geen klaarheid gebracht in de zaak rond Jam Master Jay alias Jason Mizell. Volgens diverse betrokkenen kon het de politie ook geen zier schelen. Gewoon een nieuw (zwart) slachtoffer in de continue hiphop-oorlog, die eerder grootheden als Tupac Shakur en Biggie Smalls al het leven kostte. Zoals KRS-One ooit rapte: ‘You want to get away with murder? Kill a rapper.’

In Who Killed Jam Master Jay? (59 min.) blaast regisseur Brian Oakes samen met Mizells moeder, broer en zus, medebandlid Daryll ‘DMC’ McDaniels, diverse jeugdvrienden en Def Jam-platenbaas Russell Simons het stof van de mysterieuze dood van deze hiphop-wegbereider, die samen met zijn maatjes als eerste de cross-over met rockmuziek maakte in de wereldhit Walk This Way. Je ziet ze zo weer staan: met die zwarte gleufhoeden, gouden kettingen en witte Adidas-sneakers. Rap, toegankelijk gemaakt voor een wit publiek.

Hoewel Oakes in deze stevige televisiedocu diverse scenario’s ontvouwt over wat er op die fatale dertigste oktober in 2002 kan zijn gebeurd met Jam Master Jay, lijkt één ding als een paal boven water te staan: het antwoord is te vinden in de vriendengroep waarmee hij opgroeide in de New Yorkse wijk Hollis, Queens. Alle ‘brothers’ waren al die tijd – tussen de gevangenisstraffen door, zou ik bijna zeggen – in Jays periferie blijven hangen. Ook toen hij, nadat Run-DMC toch echt over zijn top leek, minder goed in de slappe was kwam te zitten.

Skip En De Rhythm Rangers

Witfilm

Skip danst. Dat is leuk. Erg leuk zelfs. Maar ook lastig. Want Skip is een jongen. En veertien. Hij wil stoer zijn. En toch dansen. Met zijn vrienden. De Rhythm Rangers. Geen mietjes hoor. Gewoon dansende jongens.

Nu moeten ze voguen. Vo-gu-en. Wie heeft dat nu weer bedacht? Ze zijn toch geen mietjes? Gewoon jongens hoor. Die toevallig willen dansen. En stoer zijn. En veertien. En Skip heten. Ja, rare naam, hè?

Gepest is-ie ermee. Skip. Wie verzint zoiets? Het maakt hem niks uit. Echt niet. Ze krijgen hem niet klein. Beslist niet. Voguen zal hij! Wat ze er ook van zeggen. Want dat zullen ze. Vast en zeker. Hij lijkt zo net een meisje.

In deze fijne jeugddocu. Van Olivier Garcia. Vlot en filmisch. En toch met inhoud. Veertien jaar in veertien minuten. Bijna vijftien. De belangrijke dingen. Over zelfvertrouwen. Pesten. En desondanks gewoon dansen. Stoer zijn. Een jongen. Skip.

Wognum

Nederlands Film Festival

Als je hem ziet staan hakken op dat hardcorefeest, te midden van al die strakke koppen, doet niets vermoeden dat Matthijs Wognum over een onvermoed muzikaal talent beschikt. Hij oogt als een archetypische gabber: kaalgeschoren kop met staartje, een flinke tribal-tattoo op de rechterschouder en gekleed in dat typische hardcore-uniform (een Australian-pet, Lonsdale-shirt en Thunderdome-jas).

In een muziekwinkel wordt de veertiger ineens een ander mens. Hij bespeelt de vacante vleugel alsof zijn leven ervan afhangt – en dat zou ook zomaar het geval kunnen zijn. Zijn jongere vriend René ziet alleen weinig in zo’n bakbeest in de kamer. En hij weet als geen ander hoe gefrustreerd Matthijs kan raken tijdens het piano spelen. ‘Max, hou je bek dicht!’, schreeuwt hij even later tegen zijn huisdier als het niet wil lukken. ‘Godverdomme, kuthond!’ Het komt uit de grond van zijn hart. Want de oudere jongere wil niet zomaar spelen. Hij jaagt zijn jeugddroom na.

In de observerende documentaire Wognum (54 min.) zit de 27-jarige Tim Bary de aspirant-pianist negen maanden lang héél dicht op de hielen. Als een zeer opmerkzame vlieg op de muur legt hij vast hoe Matthijs rücksichtslos voor zichzelf kiest. Eindelijk!, vindt hij zelf. ‘Iedereen kan even de touwtyfus genieten, om het heel egoïstisch te zeggen’, beweert de aspirant-pianist als hij heeft besloten om de vleugel tóch aan te schaffen. Terwijl hij ongeduldig staat te wachten totdat het ding wordt afgeleverd, komt René aangelopen. ’Ah, daar hebben we de directie’, klinkt het vijandig.

Matthijs laat zich deze tweede kans beslist niet afnemen – of hem dat nu zijn geliefde kost of niet. In deze fraaie, persoonlijke film, waarmee Bary afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, is te zien hoe hij zichzelf heruitvindt als concertpianist en alle schroom van zich afspeelt. Intussen worden de vooroordelen, die serieuze muziekliefhebbers wellicht hadden over de overjarige gabber die zonodig klassiek piano moet spelen, kneiterhard verpulverd, maar kan zijn relatie elk moment onder de druk bezwijken.

Arthur Miller – Writer

HBO

De oudere man die zij kende als haar zorgzame en grappige vader, kreeg nauwelijks meer erkenning voor zijn werk. In vroeger tijden was hij echter een belangrijk man geweest. Hij schreef het baanbrekende toneelstuk Death Of A Salesman, leverde dapper strijd met het McCarthyisme en trouwde met de meest begeerde vrouw van zijn tijd, Marilyn Monroe. En dus besloot Rebecca Miller een postuum portret te maken van Arthur Miller – Writer (100 min.).

Als dochter had de filmmaakster natuurlijk ongelimiteerd toegang tot de vermaarde (toneel)schrijver, die in 2005 op 89-jarige leeftijd is overleden. Gedurende de laatste jaren van zijn leven heeft Rebecca Miller haar vader uitgebreid geïnterviewd. Daarin bevraagt ze hem echter zoals een reguliere interviewer, die is geïnteresseerd in zijn opmerkelijke levenswandel en loopbaan. Pas later in de film volgt een meer persoonlijke insteek – de olifant in de kamer van de familie Miller bijvoorbeeld, waar ook deze film grotendeels omheen loopt. Een gemiste kans, letterlijk.

Het boeiendst wordt de film als Arthur Miller vertelt over zijn ervaring met The House Committee On Un-American Activities. Nadat zijn vriend, de befaamde filmregisseur Elia Kazan, ervoor kiest om onder druk namen te noemen van mensen die hij ontmoette bij de Communistische Partij, besluit Miller een toneelstuk te schrijven over de jacht op heksen In het zeventiende eeuwse Salem, The Crucible. De analogie ontgaat ook de ultieme communistenjager Joe McCarthy niet en Miller moet eveneens voor de commissie verschijnen om zijn (voormalige) vrienden te verraden.

Inmiddels is hij gehuwd met de getormenteerde Marilyn Monroe, die eigenlijk niet met zichzelf kan leven – laat staan met een ander – en daarom haar toevlucht zoekt tot allerlei verdovende middelen. ‘Zo iemand valt niet te begrijpen’, stelt Miller somber tegen zijn dochter. Hij valt even stil. ‘Verschrikkelijk!’ De met raadselen omgeven dood van de blonde femme fatale laat hem enkele decennia later nog altijd niet koud. Hij heeft haar niet kunnen redden. Wat hij ook heeft geprobeerd.

Gewond heeft hij zich daarna op een nieuw toneelstuk en een nieuwe relatie gestort, met de moeder van Rebecca. Zijn dochter uit dat huwelijk beschikt duidelijk niet over zo’n karakteristieke stem als Arthur Miller zelf. In deze tamelijk conventionele film houdt ze zich veelal op de vlakte en laat ze andere familieleden en Arthur zelf, via stukken uit zijn door hemzelf ingesproken autobiografie, het werk doen. Een persoonlijkere benadering, van dochter tot vader, had deze wat veilige documentaire beslist goed gedaan.

The Bill Murray Stories: Life Lessons Learned From A Mythical Man

Bill Murray heeft de afwas gedaan tijdens ons huisfeest. Bill Murray nam me mee naar een belangrijke honkbalwedstrijd. Bill Murray stond vanavond achter de bar in mijn stamkroeg. De Amerikaanse acteur, ster van klassieke Hollywood-comedy’s als Stripes, Ghostbusters en Groundhog Day, is onderwerp van tal van zogenaamde ‘urban legends’. Hij duikt overal op, in het leven van gewone Amerikanen, en steelt dan de show, zonder ook maar iemand tekort te doen.

Er zijn talloze filmpjes van aanstekelijke Murray-sightings. Die inspireerden regisseur Tommy Avallone tot The Bill Murray Stories: Life Lessons Learned From A Mythical Man (71 min.), een zoektocht naar de ziel van de dolkomische droogkloot, die met Lost In Translation aantoonde dat hij ook een geweldige acteur is. In contact komen met Murray is nog niet zo eenvoudig. Hij heeft naar verluidt geen management of een belangenvertegenwoordiger. De enige ingang die Avallone vindt is een voicemail, maar welke boodschap spreek je dan in?

De pogingen van de filmmaker om de juiste toon te vinden voor het benaderen van de enigmatische acteur/komiek vormen de rode draad van deze documentaire, die verder volledig bestaat uit gesprekken met ‘average Americans’ over hun ontmoeting met de aimabele beroemdheid. ‘Hij is als een kandelaar’, probeert een man, die erbij was toen de zo gewoon gebleven Bekende Amerikaan de tamboerijn ter hand nam tijdens het optreden van een lokaal bandje, het fenomeen Bill Murray te duiden. ‘Als je de kaars aansteekt, licht de hele ruimte op.’

En als Murray het toevallige toneel dat hij zojuist met pure levensvreugde heeft vervuld na verloop van tijd weer verlaat, schijnt hij de verblufte omstanders snaaks toe te vertrouwen: ‘No one will ever believe you.’ Écht wel, het bewijs staat binnen de kortste keren op YouTube. Wat de man zijn gevolg met al die gastoptredens wil meegeven, blijft evenwel ongewis. Zijn het inderdaad diepmenselijke pleidooien om ‘het moment’ te grijpen? Of blijken al die filmpjes – en wellicht ook deze documentaire – straks gewoon doorgestoken kaart? Ze zorgen in elk geval voor een heuse Bill Murray-cultus.

Het idee voor deze film over de man en de mythe Bill Murray is echter beter dan de uitwerking ervan. Want waar leiden al die gesprekken met Murray-omstanders nu werkelijk toe? Is het meer dan heldenverering of een vermakelijke uiting van de Amerikaanse celebrity-cultuur, waarbij elke toevallige ontmoeting met een bekendheid direct tot een Hosanna-stemming leidt en moet worden vastgelegd voor het nageslacht? Ik ben geneigd te zeggen: nee.

Daar komt bij dat Avallones pogingen om met de bewierookte acteur in contact te komen weinig geloofwaardig zijn en het geheel is overgoten met een typisch Amerikaans sausje. Want van The Bill Murray Stories: Life Lessons Learned From A Mythical Man moet natuurlijk ook – de titel zegt het al – een les worden geleerd. De moraal van dat verhaal? Vraag jezelf voortdurend af: wat zou Bill Murray doen in deze situatie?

De film vroegtijdig afzetten, vermoedelijk. En vervolgens direct op zoek gaan naar een nieuwe party om te crashen…



Filmworker

Hij behoort zonder twijfel tot de grootste filmmakers aller tijden. Voor cinefielen is Stanley Kubrick zowat een halve godheid. Hij gedroeg zich op de filmset en daarbuiten ook regelmatig als zodanig. De man kon een ongelofelijke charmeur zijn, maar boezemde tevens angst in en verlangde van zijn medewerkers, onderdanen bijna, totale overgave. Voor Kubrick telde elk detail. En dat zou zijn omgeving weten. Goedschiks dan wel kwaadschiks.

‘Het leek alsof hij erop wachtte totdat je iets verknalde’, vertelt actrice/regisseuse Lisa Leone. ‘Hoeveel je ook gaf, hij wilde altijd meer en meer en meer. En zo werd Leon uiteindelijk helemaal opgevreten.’ Leon is Leon Vitali, een verdienstelijke Britse acteur die halverwege de jaren zeventig een rol scoorde in Kubricks film Barry Lyndon en vervolgens als een soort rechterhand, manusje van alles en allround-voetveeg in diens entourage bleef hangen. Samen werkten ze aan filmklassiekers als The Shining,Full Metal Jacket en Eyes Wide Shut.

In de documentaire Filmworker (94 min.) stapt Vitali, die na zijn ontmoeting met Kubrick vreemd genoeg nog maar zelden acteerde, uit de schaduw van de al bijna twintig jaar geleden overleden regisseur. In zekere zin, tenminste. Want hoewel deze film van Tony Zierra officieel een portret is van ‘s mans favoriete waterdrager, de centrale figuur is en blijft Stanley Kubrick zelf. Vitali lijkt er vrede mee te hebben. Hij vindt het nog altijd een ongelofelijke eer dat hij heeft mogen werken voor ‘de meest briljante en fantastische filmmaker van de twintigste eeuw’.

Dat is ook een beetje de makke van deze anekdotische documentaire. Ondanks talloze verhalen van medewerkers aan Kubricks film over hoe de regisseur maniakaal aan zijn films werkte en Vitali zich ondertussen volledig wegcijferde, krijgt het hoofdpersonage nooit echt kleur op de wangen. Filmworker doet geen serieuze poging om te begrijpen waarom hij zijn eigen ambities aan de kant heeft geschoven ten faveure van zijn heer en meester, maar beperkt zich grotendeels tot alleraardigste inkijkjes bij de films die ze samen hebben gemaakt – en het werk dat dit vervolgens opleverde voor Vitali.

American Dharma

Enigszins oneerbiedig zou je American Dharma (98 min.) een Doomsday-variant op Zomergasten kunnen noemen. Steve Bannon is de gast en heeft de fragmenten uitgezocht. Interviewer Errol Morris probeert het achterliggende verhaal te vinden. En wij, de argeloze kijkers, vergapen ons aan het zinderende steekspel dat zich intussen ontvouwt tussen de mastodonten. Met die vergelijking wordt dit tweegesprek, dat op glorieuze wijze is aangekleed, echter schromelijk tekort gedaan.

Nadat hij eerder de architecten van de Vietnam-oorlog (Robert McNamara in The Fog Of War) en de Irak-oorlog (Donald Rumsfeld in The Unknown Known) portretteerde, neemt Morris nu de ontwerper van de oorlog om de ziel van het hedendaagse Amerika onder vuur. De man die als geen ander het Trumpisme en de (fatale) filosofieën daarachter kan verwoorden. Bannon put daarvoor ongegeneerd uit klassieke Amerikaanse heldenverhalen en plaatst zichzelf en passant ook in die traditie.

American Dharma is gelardeerd met fragmenten uit zijn favoriete speelfilms, zoals Twelve O’Clock High, The Searchers en Bridge On The River Kwai. Over rechtschapen mannen, die vanuit puur plichtsgevoel en zonder al te veel woorden recht proberen te doen. Dharma, volgens Bannon. De oud-hoofdredacteur van Breitbart, het Amerikaanse voorbeeld van GeenStijl, en voormalige topadviseur/ideoloog van Donald Trump spiegelt zich aan ‘all American heroes’ als John Wayne en Gregory Peck. Al lijkt zijn eigen ambitie, de totale destructie van het huidige maatschappijmodel, haaks te staan op de nobele doeleinden van deze iconen.

Morris geeft Bannon de ruimte om zijn ideeën uit de doeken doen – een platform, volgens critici – en zet hem slechts een enkele keer de duimschroeven aan. Als de filmmaker bekent dat hijzelf op Hillary Clinton heeft gestemd bijvoorbeeld, om te voorkomen dat gekken zoals Bannon aan de macht komen. Of als hij Trump provocerend de ‘fuck you’-president noemt. In de trant van: jij wilde gezondheidszorg? Fuck you. Je wilde schoon drinkwater? Fuck you. Bannon lacht de beschuldigingen minzaam weg – en lijkt ook daarmee weg te komen. Je zou bijna gaan denken dat er inderdaad, zoals Morris stelt in de film, een ‘good Bannon’ achter de inmiddels welbekende ‘bad Bannon’ zit.

Zoals inmiddels gebruikelijk heeft Errol Morris het gesprek lekker tegendraads gekadreerd en gemonteerd, waardoor het nooit voelt als een normaal huis-, tuin- en keukeninterview. Ook de dramatische setting ervan, een duistere vliegtuigloods die rechtstreeks uit Bannons favoriete oorlogsfilm Twelve O’Clock High afkomstig lijkt te zijn, en de lekker bombastische muziek dragen bij aan de unheimische sfeer van deze urgente film. Die culmineert uiteindelijk in een apocalyptische eindscène, waarmee de politiek van de verschroeide aarde die Bannon propageert overweldigend wordt verbeeld.

In de observerende documentaire The Brink volgt Alison Klayman Steve Bannon naar achterafkamertjes in de Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen. Ze reist ook mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen.

Mein Liebster Feind

Ze veroordeelden zichzelf tot elkaar. Werner Herzog en Klaus Kinski, de regisseur en zijn muze. Twee metershoge ego’s die elkaar over de hoogste toppen trokken en door de diepste dalen sleurden. Voor grote kunst was werkelijk alles geoorloofd. Samen maakten de Duitse geweldenaars vijf speelfilms, met Fitzcarraldo uit 1982 als absoluut hoogtepunt. Over een man die (bijna) net zo bezeten is als Herzog en Kinski zelf.

Het loodzware opnameproces van die film, waarbij Herzog niet alleen met Kinski maar ook met Murphy en zijn vermaledijde wet van doen kreeg, werd door regisseur Les Blank vereeuwigd in de making of-documentaire Burden Of Dreams. Herzog en zijn crew raken verzeild in een grensoorlog tussen Peru en Ecuador, krijgen te maken met weerbarstige natuurpracht en, oh ja, moeten ook nog een gigantische boot over een berg zien te slepen. Tot overmaat van ramp wordt hoofdrolspeler Jason Robards ziek. Hij moet, net als zijn beoogde sidekick Mick Jagger, afhaken. ’Ik leef mijn leven of beëindig mijn leven met dit project’, zet Herzog tijdens de opnames zijn hakken ferm in het zand.

Enter de helblonde ridder in het witte pak: Klaus Kinski. Volgens eigen zeggen – tenminste in de versie van sein Freund Werner – wist Klaus altijd al dat Hij de enige echte Fitzcarraldo was. Als een goedlachse redder in nood arriveert hij in de afgelegen Zuid-Amerikaanse jungle die Herzog in een optimistische bui heeft uitgezocht voor zijn film. En waar Klaus komt, komen problemen. Toch? Het is echter vooral de gekte van Herzog zelf die Les Blanks observerende documentaire domineert. Hij jaagt zijn eigen droom na. Ten koste van alles en iedereen. Vier jaar lang. Het neurotische gedrag van de acteur valt daarbij volledig in het niet.

Na Kinskis dood in 1991 schetste Herzog in 1999 in de documentaire Mein Liebster Feind (95 min.), evenwel een heel ander beeld van het enfant terrible Klaus Kinski – en daarmee en passant ook van zichzelf. Want Werner Herzog is natuurlijk een man die zichzelf héél erg graag hoort praten. Dat hebben vrijwel al zijn documentaires met elkaar gemeen. In deze ode aan zijn geliefde Nemesis bezondigt hij zich nu eens niet aan Engels met een Duitse tongval, maar houdt hij het bij zijn moedertaal. De regisseur is nochtans erg lang van stof, ook als hij andere medewerkers aan zijn films over Kinski interviewt, en zit de voortgang van de docu soms in de weg. Hij heeft wel oorspronkelijke gedachten.

Erg positief is Herzog verder niet over zijn favoriete leading man. Een egomaniak was het, die bij het minste of geringste gigantisch kon uitvallen. Buiten elke proportie. Dat laat hij ook met liefde en plezier zien. Bijvoorbeeld als Klaus Kinski tijdens de opnames voor Fitzcarraldo een wezenloze woedeaanval krijgt en een lid van de filmcrew helemaal stijf scheldt omdat het eten niet te vreten zou zijn. Die scène heeft Burden Of Dreams vreemd genoeg niet gehaald. Naderhand hebben enkele indiaanse figuranten hem nog aangeboden om Kinski van kant te maken, beweert Herzog. De filmmaker liep volgens eigen zeggen zelf ook een tijdje met moordplannen rond, bekent hij in deze intrigerende documentaire. Of hij daarmee de onbetwiste waarheid vertelt of op zijn eigen verknipte wijze aan mythevorming doet? Wie zal het zeggen?

En is Mein Liebster Feind een eerbetoon of juist een afrekening? Beide waarschijnlijk. In zijn autobiografie had Kinski op zijn beurt ook weinig positiefs te melden over Herzog (die nu beweert dat hij de acteur daarvoor hoogstpersoonlijk enkele scheldwoorden heeft ingefluisterd). Uiteindelijk, hun gezamenlijke werk overziend, overheerst echter een zekere mildheid. Elke grijze haar op mijn hoofd noem ik Kinski, vertelt Herzog tijdens een gesprek met zijn voormalige cameraman. De filmmaker lacht erbij. Ondanks alles mist hij zijn dierbare vijand…

Westwood: Punk, Icon, Activist

Ah nee, moet ik echt over Amerika vertellen? The Sex Pistols? Niet weer! Dat kun je toch wel uit de archieven halen? Ex-echtgenoot Malcolm McLaren? Daarvan raakte ik ‘intellectueel verveeld’. Met zichtbare tegenzin laat Vivienne Westwood zich door regisseur Lorna Tucker door haar eigen leven en werk leiden. Voor de Britse modeontwerpster, inmiddels dik in de zeventig, blijft het adagium ‘the best is yet to come’. Steeds weer.

Westwood: Punk, Icon, Activist (80 min.) is een snedig portret van een vrouw met allerlei weerhaakjes. Gepassioneerd, eigenzinnig en compromisloos. Kritisch op anderen én zichzelf. Als ze kort voor de officiële presentatie ervan haar nieuwe collectie inspecteert, maakt ze van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Nee, dat vind ik dus helemaal niet mooi’, zegt ze bits tegen een model. ‘Doe maar uit.’ Even later: ‘Het is rotzooi. Ik vind het helemaal niks. Ik weet eigenlijk niet of ik iets van deze troep wil laten zien.’

Deze film kijkt mee terwijl Westwood samen met haar veel jongere geliefde Andreas Kronthaler, met wie ze een symbiotische (werk)relatie onderhoudt, toewerkt naar de presentatie van haar nieuwe collectie. Intussen vertelt ze, afwisselend gedreven en snibbig, over haar inmiddels zo’n vijftig jaar omspannende loopbaan, die haar vanuit de rafelranden naar het epicentrum van de modewereld heeft gebracht. En daar blijft ze zich, geheel indachtig haar punkroots, als een overjarige rebel gedragen.

Scotty And The Secret History Of Hollywood

Als hij uitkijkt over de skyline van Hollywood en een prachtige regenboog ontwaart, claimt de inmiddels hoogbejaarde Scotty Bowers dat hij daar hoogstpersoonlijk voor heeft gezorgd. Dat is geen grootspraak, maar beeldspraak. Bij het benzinestation dat hij jarenlang runde op 5777 Hollywood Boulevard vonden heel wat celebrities in het geheim de spreekwoordelijke pot goud: (betaalde) sex met iemand van dezelfde sekse. Twintig dollar, veel meer rekende Scotty doorgaans niet.

Na de tweede wereldoorlog zette de voormalige marinier een florerende escortservice op voor Hollywood-sterren die hun hele leven en carrière lang in de kast zouden blijven. In 2012 besloot de souteneur van de celebrities zijn levensverhaal op papier te zetten in het boek Full Service: My Adventures In Hollywood And The Secret Sex Lives Of The Stars. Daarin outte hij zonder scrupules beroemdheden als acteur Cary Grant, FBI-directeur J. Edgar Hoover en actrice Katherine Hepburn.

Zelf ziet hij daarin nog altijd weinig kwaad, getuige Scotty AndThe Secret History Of Hollywood (97 min.). Deze sterren flonkeren immers alleen nog op de Hollywood Walk Of Fame. Bovendien was hun seksuele geaardheid een publiek geheim in de stad van de sterren. En een hedendaagse homoseksuele acteur zoals Stephen Fry kan er ook wel mee leven, zegt hij in deze documentaire. Het maakt die onaanraakbare sterren weer mens en laat ze zien voor wie ze waren: kwetsbare zielen, gevangen in hun eigen imago.

Regisseur Matt Tyrnauer portretteert Bowers, die tegenwoordig is getrouwd met een vrouw die geen weet had van zijn achtergrond en die ook nog altijd weigert om zijn boek te lezen, als een seksuele vrijbuiter. Volgens eigen zeggen heeft hij werkelijk met Jan en alleman het bed gedeeld, waaronder een triootje met Ava Gardner en Lana Turner. Hij zou bovendien een prominente rol hebben gespeeld in de aantekeningen van dokter Kinsey, die puriteins Amerika shockeerde met zijn wetenschappelijke onderzoek naar menselijke seksualiteit.

Seks lijkt bijna negentig jaar lang Scotty Bowers’ voornaamste raison d’être te zijn geweest. En dat komt, zo blijkt later in dit vermakelijke portret van zowel de flamboyante man zelf als de achterkant van zijn natuurlijke biotoop, niet helemaal uit de lucht vallen en zorgt later, indirect, ook nog voor één van de grootste drama’s van zijn enerverende bestaan. Net als in de film, zogezegd. En perfect in lijn met Scottys onvervalste Hollywood-leven.

Famke Louise, De Documentaire

Videoland

De succesvolste Nederlandse rapper Ronnie Flex wordt vader, maar wil niet zeggen wie de moeder van het kind is. De afgelopen tijd stonden de roddelbladen er vol mee. Enkele weken eerder werden diezelfde pagina’s gevuld met het verhaal dat Flex en YouTube-ster Famke Louise een setje zouden zijn. Zij is echter niet zwanger.

Vanuit marketingtechnisch oogpunt zou je zulke reuring de ideale opmaat kunnen noemen voor deze vierdelige documentaireserie over Famke Louise, het negentienjarige meisje uit Hoogezand dat ineens wereldberoemd werd. En supergehaat, dat ook. Met een fanatisme dat in Nederland, voor zover ik het kan overzien, tot dusver was voorbehouden aan Dinand Woesthoff, de voormalige zanger van Kane.

Met een geheel eigen mengeling van verbazing, lol en ingehouden vrees leest de hoofdpersoon in de eerste aflevering van Famke Louise, De Documentaire (97 min.) voor waar ze online zoal voor wordt uitgemaakt. Het leeuwendeel is het herhalen echt niet waard. Veel ziektes, scheldwoorden en slechtbedoelde adviezen. En tijdens optredens is er altijd wel iemand die ‘hoer’ roept, zijn middelvinger opsteekt of een lading bier over haar heen probeert te kieperen. Het is, blijkbaar, de tol van de roem.

Famke Louise speelt zelf opzichtig met haar imago van ‘the babe you love to hate’ en maakt van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Neem die oorbellen mee van die slet’, sneert ze in de hitsingle Zonder Jou naar haar (foute?) ex-vriend Tim van Teunenbroek, alias vlogger Gameking, met wie ze een in het openbaar geconsumeerde en beëindigde relatie had. ‘Ik hoef die shit niet meer te vinden in mijn bed.’

Bij een zo publiek geleefd bestaan is het natuurlijk de vraag wat een documentaire nog kan toevoegen. Deze vierdelige serie van Elza Jo Tratlehner levert in elk geval extra achterkant bij het fenomeen Famke Louise: clipopnames, een schrijverskamp om liedjes te fabriceren en de bezichtiging van een nieuwe woning. En daarnaast – verplicht, want haar management heeft grootse plannen – zangles, dansles, mediatraining en een mental coach. Die laatste helpt haar met losgaan bij optredens, want dat wil nog niet helemaal lukken.

Stilistisch sluit deze ‘allereerste documentaireserie over de veelbesproken Famke Louise’ (aldus Videoland, dat blijkbaar nog meer series voorziet) perfect aan bij de vlogcultuur. Het camerawerk en de montage zijn erg hoekig. Bovendien zijn de afleveringen zeer rudimentair gestructureerd; ze schakelen tussen het gebruikelijke achter de schermen-werk en Famke Louises getroebleerde achtergrond, die met name in wisselwerking met haar moeder Marja reliëf krijgt.

Zij dwingt haar dochter met zachte hand om echt de luiken te openen en zo nu en dan de kwetsbare negentienjarige te laten zien die nog altijd schuilgaat achter de ongenaakbare Famke Louise, waarvan we alles allang dachten te hebben gezien.

Trapped In The City Of A Thousand Mountains

Human

‘China is niet vrij’, roept een groepje opgeschoten jongeren stoer naar de camera. ‘Maar hiphop kan dat veranderen.’ Heel even denk je dat ze het zelf geloven. Als de Chinese rappers in de korte documentaire Trapped In The City Of A Thousand Mountains (23 min.) wat serieuzer worden bevraagd, schetsen ze echter een subtieler beeld: ’In China weet je nooit precies wat er verboden is. Dat is een hele slimme tactiek; het maakt iedereen nog voorzichtiger.’

De onlangs aangescherpte regels van de Chinese autoriteiten, die netjes in openbare gelegenheden worden omgeroepen, laten aan duidelijkheid evenwel niets te wensen over. Als je je hebt afgekeerd van de partij mag je niet meer in het openbaar spreken, klinkt het dreigend. Net als figuren met een dubieuze reputatie. Smakeloze of vulgaire optreden mogen ook niet meer. Improvisatie is niet toegestaan. En de subcultuur van hiphop en tatoeages wordt op geen enkele manier meer gepromoot.

Zo probeert de overheid een ontluikende jeugdcultuur de kop in te drukken. Met die Chinese hiphop moest het maar eens afgelopen zijn, hebben de partijbonzen binnenskamers, ongetwijfeld opvallend eensgezind, besloten. De betrokken jongeren, met inderdaad kekke tattoos, proberen intussen hun weg te vinden binnen het labyrint van do’s en don’t dat rondom hen wordt opgetrokken. Ze laten zich vooralsnog in elk geval niet de mond snoeren.

David Verbeek volgt hen in nachtelijk Chongqing dat in deze gestileerde film, die is genomineerd voor de IDFA Award voor beste korte documentaire, oogt als een futuristische metropool. Het zinnenprikkelende geluidsdecor dat de regisseur daaraan toevoegt versterkt de vervreemdende kijkervaring nog eens. Chongqing, gelegen aan de rivier de Yangtze, wordt een overweldigende stad, waarin staatstoezicht aan de orde van de dag is. Het ideale toneel voor een vitale muziekscene, die zich vanuit de underground naar boven probeert te worstelen.

Tricky Dick And The Man In Black

Netflix

Wie had de Amerikaanse president Richard Nixon eigenlijk uitgenodigd in het Witte Huis? Johnny Cash, de rebel van Folsom Prison Blues, die zich identificeerde met bajesklanten en Amerikaanse indianen? Of de godvrezende man met dezelfde naam, die in 1970 op het punt stond om opnieuw vader te worden en die zich afficheerde met de befaamde televisiedominee Billy Graham?

Tricky Dick dacht in elk geval een typische zoon van het zuiden te hebben binnengehaald, een authentieke country & western-zanger die hem wel even de electorale steun van de zogenaamde ‘silent majority’ kon bezorgen. De Republikeinse president had Cash zelfs gevraagd om de patriottische redneck-song Okie From Muskogee, een aanklacht tegen zo’n beetje alles wat met de toenmalige Tegencultuur had te maken, en het vileine Welfare Cadillac, over een man die zijn uitkering ophaalt in een patserbak, te zingen.

Nixon, die later nog met een pijnlijk protest (‘Stop the killing’) kreeg te maken tijdens een optreden van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis, had eigenlijk beter moeten weten. Johnny Cash leek de gevraagde verzoeknummers inderdaad te gaan zingen, maar besloot uiteindelijk toch anders. Zijn optreden, voor een ongemakkelijke president en zijn eerste rij van getrouwen, vormt de apotheose van Tricky Dick And The Man In Black (58 min.), een boeiende documentaire van Barbara Kopple en Sara Dosa.

Dit tweede deel van Netflix’s nieuwe serie ReMastered, een reeks historische muziekdocumentaires, zoomt net als zijn voorganger over Bob Marley in op een voetnoot uit de popgeschiedenis, waarmee een groter maatschappelijk verhaal kan worden verteld. Ditmaal over muziek als politiek verleidings- dan wel drukmiddel. Aan het woord komen een broer, zus en zoon van Cash, terwijl Nixons communicatiemedewerker Pat Buchanan en medewerker Alexander Butterfield de kant van de omstreden president voor hun rekening nemen.

Tricky Dick And Johnny Cash zet twee mastodonten tegenover elkaar, die elk vanuit hun eigen invalshoek het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog kleur hebben gegeven. Zwart, om precies te zijn. In zekere zin leken ze ook op elkaar. Nixon en Cash groeiden allebei op in diepe armoe en verloren op jonge leeftijd een broer, een ervaring die hen voor het leven zou tekenen en voor even, heel even, in Washington zou samenbrengen op een broeierige dag in april 1970.

Ook het bezoek van Elvis Presley aan de omstreden Richard Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit is afgetreden, spreekt overigens tot de verbeelding. Er is zelfs al een speelfilm aan gewijd.