Candy

Cinema Delicatessen

Heel even neemt ze in de openingsscène de tijd om haar instrument warm te spelen. En dan begeeft Candy Dulfer zich naar de plek waar ze, getuige deze documentaire van Carin Goeijers, helemaal in haar element is: het podium. Optreden is als thuiskomen. En dat is niet vreemd: vader Hans Dulfer is eveneens een begenadigde jazzsaxofonist en meteen haar grote voorbeeld. Als vader en dochter samen het podium delen, worden ze als het ware één. Die momenten worden alleen steeds schaarser. Zijn gezondheid laat inmiddels te wensen over.

Goeijers ruimt in Candy (93 min.) echt tijd in om haar hoofdpersoon aan het werk te laten zien als performer. Tussendoor neemt ze Dulfers leven en carrière door, die haar op podia in de hele wereld en aan de zijde van wereldsterren als Prince, Dave Stewart (Eurythmics) en Pink Floyd heeft gebracht. In de idyllische woonmolen van haar ouders zet vader Hans, die de verrichtingen van zijn enige kind zorgvuldig heeft gedocumenteerd, trots haar allereerste deuntje op saxofoon op. ‘Is het echt nodig om dit te laten horen?’ vraagt Candy gespeeld verontwaardigd.

Waar vader ongetwijfeld de muzikale inspiratiebron is geweest voor zijn dochter, fungeerde moeder Inge als haar manager. Ze werden een vanzelfsprekende twee-eenheid, samen ‘on the road’ naar weer een nieuw publiek om te veroveren. Intussen deed Candy haar privéleven er maar een beetje bij. En toen ze serieus over kinderen begon na te denken, was het eigenlijk al te laat. Na wat Candy zelf bijna laconiek een ‘miskraam galore’ noemt, moest ze zich ermee verzoenen dat ze geen moeder zou worden. ‘Dat idee, dat die naam Dulfer niet doorgaat…’, zegt ze, toch nog haar tranen wegslikkend. 

Goeijers snijdt daarna direct door naar een scène waarin Candy haar ziel blootlegt op saxofoon, staand bij de molen van ouders. Even introspectie. En dan is het weer door: op naar een nieuwe plaat, weer een platenlabel vinden en – zoals dat nu eenmaal gaat – optreden in binnen- en buitenland. Totdat ook Candy Dulfers wereld in het voorjaar van 2020 schudt op zijn grondvesten. Corona zet een streep door haar halve leven. Het virus belemmert het contact met haar ouders, bemoeilijkt ook de opnames voor deze documentaire én legt haar bestaan van concert naar concert he-le-maal plat.

In de afgelopen jaren heeft COVID-19 al in diverse documentaires z’n lelijke kop op gestoken, om de opgebouwde verhaallijn te ontregelen of juist op scherp te zetten. In Candy werkt het virus eigenlijk beide kanten op. Plots wordt de gedreven vakvrouw, voor wie autonomie van levensbelang lijkt, op haar vijftigste gedwongen om na te denken over hoe ze het hoofd creatief en financieel boven water moet houden. Tegelijkertijd delft een ander belangrijk onderdeel van die vertelling, de relatie met haar ouder wordende ouders, een beetje het onderspit. Het podium zal weer redding moeten brengen, zowel voor het opnieuw oppoken van die carrière als het afronden van de film.

En dus eindigt deze muziekdocu waar ie (bijna) begon: op het podium, van Pinkpop ditmaal, aan de zijde van alweer een grootheid, Chic-gitarist en topproducer Nile Rodgers.

“Sr.”

Netflix

‘Is het ooit alsof je in één van je films leeft?’ vraagt acteur Rober Downey Jr. aan zijn vader, de experimentele filmmaker. ‘Ja’, antwoordt “Sr.” (90 min.) grinnikend. ‘Nu.’ Junior debuteerde als vijfjarige jongen in een film van zijn vader, Pound uit 1970, met de zin ‘Heb je haar op je ballen?’

Nu willen de twee samen een film maken. Of allebei. Met hetzelfde materiaal, dat wel. En dus bevat deze visie van Robert Jr. op het leven en de carrière van zijn vader stukken met de benaming ‘Sr. Cut’, scènes die uit de koker van Robert Downey Sr. komen. De documentaire werd overigens geregisseerd door Chris Smith, die eerder al eens virtuoos tussen feit en fictie laveerde in de documentaire Jim & Andy: The Great Beyond, over hoe acteur/komiek Jim Carry zichzelf tijdens de opnames voor de speelfilm Man On The Moon vol-le-dig verloor in de rol van komiek Andy Kaufman.

Deze hybride van (ego)docu en drama, grotendeels in zwart-wit, gedijt uitstekend bij de wisselwerking tussen de twee Downeys. ‘Het ziet er heerlijk narcistisch uit’, reageert pa bijvoorbeeld gevat als zoonlief speciaal voor hem een Duits volksliedje zingt. ‘Zie je hier ruimte voor in onze montage?’ Tussen alle grappen, grollen en filmfragmenten door gaan ze het gesprek aan over wat het leven hen heeft opgeleverd en gekost. Parallellen tussen de twee zijn er genoeg: voordat Robert Jr. en plein public begon te worstelen met een drugsverslaving, was Robert Sr. jarenlang verslingerd aan cocaïne en marihuana. In die tijd, ‘vijftien jaar totale waanzin’ volgens eigen zeggen, was hij ook als filmmaker nauwelijks hanteerbaar.

Bij zijn eerste speelfilm voor een grote studio, Up The Academy uit 1980, dreigde Senior zelfs ontslagen te worden vanwege zijn dwarse gedrag. De producenten wilden hem uit zijn functie ontheffen. Hij zou hoe dan ook ‘the final cut’, de eindmontage van de film, niet meer mogen doen. ‘Ik zei: Oké, dat vind ik prima’, herinnert hij zich. ‘Zolang ik maar “the final cut” van de cocaïne krijg. Dat was bijna m’n einde daar.’ Zijn zoon kan het veertig jaar later nog altijd niet geloven: ‘Het kon je werkelijk geen reet schelen, hè?’ Zijn vader glimlacht eens en antwoordt ferm: ‘Nee.’

Getuige dit bijzonder liefdevolle, soms schurende en voortdurend lollige portret is Robert Downey Sr. op de één of andere manier tóch gracieus volwassen geworden. Samen met zijn zoon bereidt hij zich met deze filmische blik in de achteruitkijkspiegel voor op zijn afscheid van het bestaan. Of zoals Juniors therapeut ‘t treffend formuleert als het einde daadwerkelijk in zicht komt: jullie maken kunst van het leven.

Shangri-La, Paradise Under Construction

Mokum

Misschien werkt het zo: dat als je maar tradities verzint, ze vanzelf ook ontstaan. Dat als je, nu zo’n jaar of vijftien geleden, een ‘Ancient City’ bouwt, dat dit automatisch, ooit, een levend monument wordt – en tot die tijd kan doen alsof. Zoals die pleindansers in Shangri-La City: ze zwieren er elke dag rond, steeds voor een nieuwe groep toeristen. Alsof ze dat al eeuwenlang doen.

Misschien werkt het zo: dat het paradijselijke oord, dat de Britse romanschrijver James Hilton in 1933 verzon, werkelijkheid kan worden. Zomaar in Zhongdian, in het Tibetaanse deel van China. Ze hebben er zelfs wetenschappelijk bewijs voor gevonden. En bovendien een replica van het neergestorte vliegtuig gemaakt, waarmee de auteur van de bestseller Lost Horizon, in zijn fantasie tenminste, op deze hemel op aarde, ergens tussen tot de verbeelding sprekende bergen, kloosters en Tibetanen, is aanbeland.

Misschien werkt het zo: dat de Nederlandse documentairemaakster Mirka Duijn, buiten beeld ondersteund door Nina Spiering, struinend door een willekeurig archief een willekeurige pagina van een al even willekeurige krant openslaat en daar de krantenkop ‘Shangri-La is found’ aantreft. Waarna haar reizigersbloed begint te kriebelen en Shangri-La, Paradise Under Construction (91 min.) in gang wordt gezet. ‘Hoe dichter bij Shangri-la ik kwam, hoe meer ik me afvroeg: wat gebeurt er eigenlijk met een plek die voorbestemd is om het paradijs te zijn?’

Misschien werkt het zo: dat de plaatselijke bevolking is gaan geloven in de droom van Shangri-La en dat sommigen van hen zich daadwerkelijk herinneren hoe er een vliegtuig neerstortte – of het verhaal via de overlevering hebben meegekregen van hun ouders of grootouders. Van de brokstukken hebben ze ooit een scheermes gemaakt. En in het dorp Jie Di zijn zelfs nog onderdelen van het toestel te vinden. ‘Op dat moment wist ik: dit verhaal wordt een detective’, stelt Duijn. ‘Het is tenslotte een zoektocht naar bewijs.’

Misschien werkt het zo: dat je door een auto met een kapotte band een essentiële getuige op het spoor komt. Dat je, grasduinend in je eigen en andermans fantasie, en ondertussen alsmaar archieven uitpluizend, steeds weer op nieuwe verhaallijnen stuit. En dat je via allerlei dwaalsporen tóch iets waarachtigs kunt vinden. Voorbij Tibetaanse kloosters, de verloren horizon of het aardse paradijs: ‘Shangri-La, whatever you imagine it to be!’ Want ook al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt hem wel. Of was het andersom?

Hoe dan ook: dat werkt (wonder)wel.

Branson

HBO Max

Die afscheidsboodschap, voor als het onverhoopt mis zou gaan, kost Richard Branson meerdere takes. Het is vrijdag 25 juni 2021. Over zestien dagen gaat hij de ruimte in. En de realisatie dat dit verkeerd kan aflopen hakt er toch in bij de Britse rasentrepreneur. Dat hij misschien afscheid moet nemen van de mensen die hem dierbaar zijn – of beter: dat zij afscheid moeten nemen van hem, de man die altijd en overal voor reuring zorgt.

Het is een treffende openingsscène voor de vierdelige serie Branson (251 min.): even een kwetsbare kant van de durfal die alles wat hij aanraakt in goud lijkt te veranderen. ‘Sir’ Richard Branson had ooit zijn eigen tijdschrift, begon het platenlabel Virgin Records, opende overal muziekwinkels, kocht een Caribisch eiland, startte een vliegmaatschappij, probeerde records te verbreken met zijn boot, werd ballonvaarder, kreeg gegijzelden vrij uit Irak, manifesteerde zich als klimaatactivist, richtte zijn eigen ruimtevaartmaatschappij Virgin Galactic op en wil daarmee nu, in 2021, de eerste beroemde rijkaard in de ruimte te worden, nét voor die andere miljardairs Jeff Bezos (Blue Origin) en Elon Musk (SpaceX).

Bransons kamerbrede glimlach verhult een slimme zakenman, handige verkoper en keiharde onderhandelaar, zeggen mensen die het kunnen weten in deze productie van Chris Smith (American Movie, The Yes Men en Jim & Andy: The Great Beyond). Daarin komen behalve medewerkers, (zaken)partners, journalisten en deskundigen op terreinen als ondernemerschap, (personal) branding en ruimtevaart ook zijn moeder, zussen, vrouw, dochter en zoon aan het woord. Als jongen met dyslexie uit een Brits upper class-milieu ontwikkelde Branson een enorme geldingsdrang. En energie had hij altijd al in overvloed. Volgens één van zijn zussen zou Richard als kind nu beslist met ADHD zijn gediagnosticeerd. Die heeft hem voortgedreven, van de ene naar de andere onbereikbare droom, die met het nodige kunst- en vliegwerk vaak tóch kon worden gerealiseerd.

In dit, ondanks de nodige kanttekeningen en kritische noten, overwegend positief ingestoken portret geeft Smith zijn hoofdpersoon, aan de vooravond van diens ongetwijfeld weer doldwaze ruimte-avonturen, de gelegenheid om de balans op te maken van die ruim zeventig jaar waarin grenzen er vooral waren om verlegd te worden, soms ook ten koste van de idealen die hij zegt aan te hangen of de mensen in zijn directe omgeving. Maar wat de tegenslag of weerstand ook is, Richard Branson ploegt, meestal best wel moedig, voorwaarts. Zodat hij weer ergens, bij de één of andere nieuwe mijlpaal, een smakelijk soundbite kan voeren aan de verzamelde pers – en daarmee aan de wereld die zich blijft vergapen aan al zijn strapatsen.

Sean Connery vs James Bond

Arte

Heeft Sean Connery James Bond gemaakt? wil interviewer F. Lee Bailey weten tijdens een bezoek aan de Schotse acteur in 1967. Of heeft James Bond Sean Connery gemaakt? In zijn antwoord neemt de man zelf het woord Frankenstein in mond. Bond, James Bond, was voor hem een monster van Frankenstein geworden, waarvan hij een groot deel van zijn carrière afstand probeerde te nemen. De immense aandacht voor de Britse superspion werkte verstikkend, stelt hij tegen Bailey. ‘Maar het heeft me er nooit van weerhouden om een nieuwe film te maken.’

In de documentaire Sean Connery vs James Bond (53 min.) buigen vrienden, collega’s en deskundigen, zoals collega-acteur Andy Garcia, regisseur John Boorman, biograaf Christopher Bray, auteur Lisa Funnell en producer Murray Grigor zich over Connery’s leven en loopbaan, die worden geïllustreerd met talloze filmfragmenten, (privé)foto’s en tv-interviews. James Bond wordt daarin gaandeweg een vloek waaraan hij echt niet kan ontsnappen. ‘Overal waar hij kwam werd hij aangesproken en meneer Bond genoemd’, vertelt historicus/biograaf Michael Feeney Callan. ‘Hij haatte dat.’

Toen hij de iconische geheimagent eindelijk van zich had afgeschud en allerlei andersoortige rollen had gespeeld (die toch aanmerkelijk minder gage bleken binnen te brengen), besloot Connery in 1983 in arren moede maar om zijn eigen Bondfilm te maken. ‘Het werkte op geen enkele manier’, zegt Feeney Callan daarover. ‘Het was visueel een rotzooitje, Sean zelf is waardeloos en die Fred Astaire-pruik lijkt net een koeienvlaai. Geen idee hoe hij daarmee dacht weg te komen.’ Never Say Never Again legde ’t ook qua inkomsten flink af tegen de officiële Bondfilm Octopussy met Connery’s opvolger Roger Moore.

Zijn faliekant mislukte terugkeer naar Bond werkt vreemd genoeg bevrijdend, laat deze interessante tv-biografie van Gregory Monro zien. ‘s Mans rollen worden beter en succesvoller. En met films als The Name Of The Rose, Indiana Jones And The Last Crusade en The Untouchables komt eindelijk ook de waardering voor hem als acteur. Sean Connery, een man die ook in verband is gebracht met seksisme en huiselijk geweld, krijgt zo het imago van een ‘wise old man’ aangemeten en kan daarmee de rest van zijn leven en carrière vooruit.

All The Beauty And The Bloodshed

IDFA

Het is alsof Nan Goldins complete leven een aanloop is geweest naar haar huidige rol als Nemesis van de Amerikaanse familie Sackler. Die verdiende via het bedrijf Purdue Pharma miljarden dollars met de pijnstiller OxyContin, een medicijn dat zo verslavend bleek te zijn dat er in de Verenigde Staten een heuse Opioid Crisis ontstond. Die zou inmiddels in totaal zo’n half miljoen Amerikanen het leven hebben gekost. Intussen kochten de Sacklers zich met hun ‘bloedgeld’ in bij allerlei goede doelen en musea.

Nan Goldin, die na een turbulente jeugd als fotografe doorbrak met de intieme serie The Ballad Of Sexual Dependency, raakte in 2014 na een operatie zelf verslaafd aan de pijnmedicatie en wist drie jaar later na een overdosis slechts met heel veel moeite weer af te kicken. Sindsdien is ze één van de drijvende krachten van de actiegroep P.A.I.N. (Prediction Addiction Intervention Now). Met guerrilla-acties attaqueert deze groep specifiek de filantropie van de Sacklers, die zich nog altijd comfortabel in de hoogste kringen bewegen.

All The Beauty And The Bloodshed (117 min.), de documentaire die de fotografe maakte met regisseur Laura Poitras (My Country, My CountryThe Oath en Oscar-winnaar Citizenfour), valt in dat opzicht meteen met de deur in huis: The Sackler Wing van The Metropolitan Museum in New York wordt op 10 maart 2018 overgenomen door demonstranten onder leiding van Goldin die en masse pillenpotjes droppen en een ‘die-in’ organiseren, waarbij ze voor dood op de grond gaan liggen en onderwijl de leus ‘Sacklers lie, people die’ scanderen.

Zulke acties, waarmee de omstreden familie steeds verder in het nauw wordt gedreven, lopen als een rode draad door deze meeslepende documentaire, die er in september op het Filmfestival van Venetië zowaar met de Gouden Leeuw voor beste film vandoor ging. Patrick Radden Keefe, de auteur van de bestseller Empire Of Pain, geeft daarbij context over OxyContin en de agressieve marketing waarmee het middel door Purdue Pharma aan de man is gebracht, ook toen allang duidelijk was hoe verslavend ‘t was.

Dat klassieke Big Pharma-verhaal is door documentairemaker Alex Gibney al eens tot in detail opgetekend in The Crime Of The Century. Poitras verrijkt dit met enerverende protestacties en blikt parallel daaraan met Goldin terug op haar bijzonder turbulente leven, dat al heel vroeg ernstig werd ontregeld door de psychische problemen van haar zus Barbara en de inadequate reactie van haar ouders daarop. Zij zou al snel helemaal op drift raken. In fotografie – volgens Goldin een sublimatie van seks en meestal ook beter dan seks – vond ze uiteindelijk een uitweg.

De opwinding, hardheid en tristesse van dat leven, waarbij de AIDS-epidemie van de jaren tachtig en de bijbehorende Act Up-acties vormend blijken te zijn geweest, worden door Poitras verbonden aan Goldins activisme, dat haar leven extra scherpte en richting lijkt te hebben gegeven. Zo stuurt deze topdocu aan op een bijzonder geladen apotheose, waarin Nan Goldins P.A.I.N. daadwerkelijk vruchten begint af te werpen en zij zelf oog in oog komt te staan met enkele prominente leden van de gehate Sackler-familie.

United We Stand: Musicians In Times Of War

Amstelfilm

Welke rol kan een musicus spelen in tijden van oorlog? Behalve spelen alsof zijn – en ons – leven ervan afhangt, welteverstaan. Na Ruslands inval in Oekraïne begint de in Nederland woonachtige Russische celliste Maya Fridman begin 2022 benefietconcerten met Russische en Oekraïense muzikanten te organiseren. ‘Ik denk dat de rol van musicus veel mogelijkheden biedt om mensen te verenigen’, zegt ze in United We Stand: Musicians In Times Of War (72 min.). ‘Alleen die gedachte voorkomt momenteel dat ik gek word.’

Regisseur David van Tijn volgt Fridman en de musici die haar vergezellen tijdens de repetities en concerten. Hij geeft daarbij veel ruimte aan hun geladen performances en gebruikt die zo nu en dan ook als soundtrack bij beelden van de ravage in Oekraïne. Verder spreekt hij met hen over wat de situatie in hen losmaakt. Altvioliste Dana Zemtsov vertelt bijvoorbeeld hoe ze zich, ondanks het feit dat ze is geboren in Mexico en in haar leven zegge en schrijven één week in Rusland verbleef, nu Russischer dan ooit voelt. ‘Ik voel schaamte en dat hoor ik van meer Russen die wat er nu gebeurt niet steunen en die het niet begrijpen. Want Oekraïners zijn hun broeders.’

Gaandeweg wordt duidelijk dat de Russische aanvallen zich steeds nadrukkelijker richten op het vernietigen van de Oekraïense historie en cultuur. Daarmee kan de identiteit van het land zelf worden uitgewist. De Russische concertpianist Evgeny Kissin is kapot van wat Poetin in Oekraïne aanricht. ‘Persoonlijk beschouw ik elke noot die ik speel als een kogel die ik afschiet op de Russische indringers.’ Hij vindt in elk geval dat hij niet aan de zijlijn kan blijven staan. ‘Al doet niet elke strijder de vijand kwaad, toch moet iedereen slag leveren.’ haalt hij tegenover Maya Fridman de Russische dichter Nikolai Nekrasov aan. ‘En daarom zitten jij en ik nu hier’.

De noodzaak van kunst, muziek in het bijzonder, wordt zo nog eens overtuigend geïllustreerd in dit verzorgde tourverslag van David van Tijn. Als film zou United We Stand zeker korter en bondiger kunnen, als statement van de (wan)hoop en strijdvaardigheid bij kritische Russische en Oekraïense musici mag de documentaire er echter onverkort wezen.

Sans Soleil

Hij neemt haar mee op zijn wereldreis, waarbij ie met name halt houdt in Japan en het Afrikaanse land Guinee-Bissau. En zij verhaalt daar dan weer over in Sans Soleil (100 min.). Wie zij is? Actrice Alexandra Stewart. En hij? Cameraman Sandor Krasna. Dat is een fictief personage. En zij speelt de rol van verteller in de Engelstalige versie van deze experimentele film van Chris Marker, die de teksten, het concept en de montage voor zijn rekening mee heeft genomen. Wie het nog begrijpt – ik eigenlijk niet – moet vooral doorlezen.

Deze Franse ‘documentaire’ uit 1983 is intuïtief, filosofisch, caleidoscopisch, absurd en pretentieus. Sans Soleil laat ons anders naar de wereld kijken of werkt genadeloos op de zenuwen. Of allebei. Misschien zelfs wel tegelijk. Het is op zijn minst een onconventionele film. Zo neemt ‘Sandor’ Theresa, althans haar stem, bijvoorbeeld mee naar een Japanse ‘combinatie van een museum, kapel en seksshop’, waar levensgrote fallussen worden geëxposeerd als heilige relikwieën en even verderop een naakte vrouw wordt omringd door opgezette dieren, in vechtstand of juist in opgewonden staat. En daarbij zit dan een tekst als: ‘Wie zegt dat de tijd alle wonden heelt? Het is beter om te zeggen: de tijd heelt alles, behálve wonden. Door de tijd verliest de pijn van het gescheiden zijn al z’n beperkingen.’

Wie nog niet volledig is ontmoedigd – ik wel een beetje – kan kennismaken met een soort kermisspel, waarbij de speler steeds de kop van poppetjes terug in hun bakje moet slaan. Zij staan voor de directeur van een bedrijf en de andere leidinggevenden. ‘De man die ik filmde en die met jaloersmakende energie de hiërarchie kapot sloeg bekende me dat het spel voor hem zeker niet allegorisch was’, verwoordt Theresa wat Sandor, alias Chris Marker, aan haar, tenminste in de tekst die Marker voor haar schreef, probeerde uit te leggen. ‘Hij dacht heel specifiek aan zijn meerderen. Geen wonder dat de pop die de direct leidinggevende representeert zo vaak en zo hard is geslagen dat ie buiten bedrijf is geraakt en inmiddels is vervangen door een babyzeehondje.’

Voor wie er – zoals ik dus – eigenlijk geen jota van begrijpt, dan maar even wat feitelijke informatie over Sans Soleil, dat hier en daar wordt geschaard onder de beste documentaires aller tijden. Chris Marker, wat overigens weer een pseudoniem was van Christian François Bouche-Villeneuve (1921-2012), schoot zelf documentairemateriaal voor de film, maar maakt in zijn montage ook gretig gebruik van bestaande beelden: filmfragmenten, clips uit Japanse shows en stockbeelden bijvoorbeeld. Daarmee fabriceert hij een onnavolgbaar narratief dat – ik parafraseer nu: – meer vragen oproept dan er waren (VPRO-Gids), een wereldreis representeert van een onzichtbare held die zich in zijn eigen hoofd afspeelt (Mubi) en een verhaal als een muzikale compositie vormt, met terugkerende thema’s, gespiegelde contrapunten en fuga’s (IFFR).

En daarna flapper ik met mijn oren en knik instemmend.

Ga Terug En Haal Het

Tomtit Films / VPRO

Wat is de erfenis van de grootschalige Black Live Matters-demonstraties in de zomer van 2020? Die vraag wil Clarice Gargard exploreren in deze intuïtieve ontdekkingstocht. ‘Staan we nu op een kantelpunt?’ vraagt ze zich af. ‘Is dit hoe verandering ontstaat?’

Ga Terug En Haal Het’ (53 min.), start een soort stationsomroepster vervolgens de reis langs verzetsverhalen – van het verleden via het heden naar de toekomst – die op het punt staat om te beginnen. ‘Herinner wat u vergeten bent.’ Is deze steeds terugkerende stem, begeleid door beelden van voorbijrazende nachtelijke treinstations, een metafoor voor hoe zwarte mensen zichzelf moeten vinden, binnen een wereld waarin wit al sinds jaar en dag dominant is? Want, zo werpt de omroepstem nog op, ‘hoe reis je verder als je niet weet waar je vandaan komt?

Gargard gaat in Nederland, Suriname en Curaçao op zoek naar alledaags verzet van zwarte Nederlanders. Dat heeft zich door de jaren in allerlei gedaanten gemanifesteerd. Ze spreekt bijvoorbeeld André Reeder, ooit lid van de links-marxistische Surinaamse studentenvereniging. In 1982 maakte hij een film over de abominabele huisvesting van Surinaamse studenten in Nederland. Lulu Helder organiseerde in 1996 de allereerste anti-Zwarte Piet-actie ‘Zwarte Piet is zwart verdriet’. ‘Hoe lang moeten we wachten op een gelijkwaardige positie in deze samenleving?’ verzucht zij.

Deze voorbeelden weerspreken in elk geval het hardnekkige beeld dat zwarte Nederlanders hun achtergestelde positie al die tijd lijdzaam zouden hebben ondergaan. In Curaçao ontmoet Gargard verder Jeanne Henriquez, de conservator van het Tula museum. Als je je eigen geschiedenis niet kent, dan wordt het moeilijk om te geloven in jezelf, stelt zij. ‘Want je hebt niet geleerd wie je bent.’ Het pleidooi van al Gargards gesprekspartners komt in essentie neer op het herschrijven van de geschiedenis: loskomen van het kolonialisme en onderdrukking en het (h)erkennen van jezelf.

Dat proces krijgt gaandeweg voor de maakster zelf een steeds persoonlijker karakter en mondt tijdens een Winti-ritueel, tevens het eindstation van deze wat grillige en breed uitwaaierende film, uit in een emotionele climax. ‘Wij creëren zelf, steeds opnieuw, de kantelpunten die voor verandering zorgen’, concludeert Clarice Gargard daarna. ‘Wanneer we ons herinneren wie we zijn, waar we vandaan komen én besluiten actie te ondernemen.’

Becoming Marilyn

Arte

De meeste mannen die ze tijdens haar leven leerde kennen, eerst in pleegtehuizen en later in Hollywood en tijdens een onstuimig liefdesleven, zouden nooit het woord ‘nee’ leren accepteren. ‘Toen ik begon met modellenwerk, was “het” onderdeel van de job’, zegt Norma Jeane Mortenson zonder omhaal van woorden in Becoming Marilyn (53 min.) over haar beginjaren als pin-up.

Al snel werd zij, het natuurtalent, opgepikt door Emmeline Snively’s Blue Book Modeling Agency, dat nog niet zo lang geleden onderwerp was van de documentaire The Mother Of Beauty. Die bracht de ‘finishing touch’ aan: weg met die krullen en een stevige peroxide-behandeling. Een ‘blonde bombshell’ was geboren. Dit gaf Mortenson, het meisje dat was opgegroeid in weeshuizen, tevens de kans om zichzelf te gaan zien als een personage: Marilyn Monroe, de meest sexy vrouw ter wereld.

En zo werd ze zowaar verliefd op zichzelf. ‘Niet op hoe ik was, maar op hoe ik zou worden.’ Het duurde desondanks een hele tijd voordat Monroe een echte filmster was. En dan werd ze in eerste instantie nog vooral gecast als ‘dom blondje’. Hoewel Monroe uiteindelijk zou uitgroeien tot één van de bekendste mensen ter wereld, geldt haar tumultueuze leven tegenwoordig – men neme bijvoorbeeld de recente film Blonde – als een tamelijk treurige bedoening, met bovendien een ronduit tragisch einde.

Zover komt het niet in deze interessante film, die begint en eindigt met de befaamde opnames voor de Billy Wilder-film The Seven Year Itch in 1954, als Marilyn Monroe’s jurk opwaait boven een ventilatierooster. Daarbij trekt ze veel bekijks van verhitte, soms ook joelende en applaudisserende mannen – tot woede van haar tweede echtgenoot Joe DiMaggio. Tussendoor is via talloze filmfragmenten en foto’s te zien hoe de hoofdpersoon transformeert van een verweesd meisje tot het ultieme sekssymbool.

Dit proces wordt door regisseur Michèle Dominici verder ingekleurd met een persoonlijke voice-over van Monroe, die is samengesteld uit fragmenten uit interviews, notitieboekjes en haar autobiografie. Ze injecteert de vertelling bovendien met iconische beelden van bekende (blonde) vamps uit grofweg de afgelopen vijftig jaar. Die lijken op de één of andere manier stuk voor stuk afgietsels van de vrouw die nog altijd geldt als het origineel: Marilyn Monroe.

Meet Me In The Bathroom

IDFA

Rond de eeuwwisseling leek de muziekstad New York dood en begraven. Sinds de opkomst van punk en disco in de jaren zeventig en tachtig was er nauwelijks meer iets noemenswaardigs gebeurd in de Amerikaanse metropool die zichzelf altijd als toonaangevend had beschouwd. In de jaren negentig hadden niksige bands uit ongecompliceerdere delen van de Verenigde Staten, zoals The Offspring, Blink-182 en Limp Bizkit, ongegeneerd het initiatief naar zich toe getrokken.

En toen stond er zowaar een nieuwe generatie elementaire rockbands op, met als vaandeldrager The Strokes, een übercoole band uit Manhattan. Samen met het rudimentaire duo The White Stripes uit Detroit (Rockcity, roepen liefhebbers er dan direct achteraan) en de cartoonachtige riffmachine The Hives (uit Zwéééden!) werden deze vijf jongelingen, met vooralsnog slechts één plaat en een handvol optredens op hun conto, opgezadeld met het predicaat ‘The New Rock Revolution’.

De documentaire Meet Me In The Bathroom (105 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van Lizzy Goodman, maakt een trip nostalgia naar de opkomst van de bijbehorende New Yorkse scene (spreek uit: sien) die na de millenniumwisseling The Strokes en enkele verwante groepen heeft voortgebracht. Alhoewel, verwant? De precieze relatie en muzikale verbanden tussen de verschillende acts maakt de film van Will Lovelace en Dylan Southern nu juist niet helemaal duidelijk.

De link tussen The Strokes en de rockbands The Moldy Peaches (die tijdens een tournee als hun voorprogramma, hun ‘fluffers’ volgens frontvrouwe Kimya Dawson, mochten fungeren) en Yeah Yeah Yeahs (met de iconische riot grrrl Karen O) zijn duidelijk, maar naar wat precies het verband is met Interpol, TV On The Radio, The Rapture en LCD Soundsystem blijft het gissen. Behalve dat al deze bands in min of meer hetzelfde tijdsgewricht vanuit New York City opereerden.

Die stad is in elk geval een essentieel decorstuk voor dit associatieve groepsportret. Met de name de terroristische aanslagen van 11 september 2001 lijken alles in New York, ook de muziek, op scherp te hebben gezet. Lovelace en Southern, eerder verantwoordelijk voor de LCD Soundsystem-concertfilm Shut Up And Play The Hits (2012), kneden met al die losse bandverhalen een dwingend narratief over succes dat – even kort door de bocht – eerst onvermijdelijk wordt en daarna niet te dragen blijkt.

Meet Me In The Bathroom, waarin alle hoofdrolspelers buiten beeld aan het woord komen en lekker veel obscuur beeld- en geluidsmateriaal is opgenomen, wordt daarmee meer dan de zoveelste popdocu, waarin pratende hoofden gedetailleerd hun eigen carrière doorlopen, de ene na de andere smeuïge anekdote uit hun mouw schudden en de hitjes tussendoor lekker veel ruimte krijgen. Dit is een oprechte poging om de toenmalige tijdgeest, couleur locale en zweetgeur te pakken te krijgen.

Apolonia, Apolonia

IDFA

Alsof alles was voorbestemd. Zelfs het moment waarop de Franse kunstenares Apolonia Sokol eind jaren tachtig werd verwekt, is vastgelegd. Ze zag de tape die haar ouders toen maakten nog vóór haar achttiende verjaardag. Apolonia’s geboorte werd natuurlijk ook gefilmd. En hoe ze opgroeide in Lavoire Moderne Parisien, het undergroundtheater van haar ouders. Totdat die uit elkaar gingen en ze als achtjarig meisje met haar moeder in Denemarken belandde. En daar leerde ze in 2009 aspirant-filmmaker Lea Glob kennen. Die begon haar voor een schoolopdracht te filmen.

Dertien jaar later is er Apolonia, Apolonia (115 min.), op het IDFA verkozen tot beste documentaire, een hartveroverend portret van een mediagenieke, onbeschaamde en getalenteerde jonge vrouw voor wie er geen onderscheid bestaat tussen wat ze doet en wie ze is – al vinden ze haar persoonlijkheid op de prestigieuze kunstopleiding Beaux-Arts vooralsnog interessanter dan haar schilderijen. In Hollywood waagt ze, aan de hand van de gladde kunsthandelaar Stefan Simchowitz, een poging om op z’n Amerikaans door te breken. Daarna volgen onder andere nog Kopenhagen, Istanboel en Rome. Apolonia dreigt zichzelf onderweg soms kwijt te raken, als kunstenaar en als mens, maar ploegt steeds moedig voorwaarts.

Het blijken de onvermijdelijke hobbels in Sokols tocht naar de top (waarbij ze wordt vergezeld door de gevluchte Oekraïense Femen-activist Oksana Shachko, die haar weg maar niet kan vinden in het leven en uiteindelijk een droeve laag zal toevoegen aan deze vitale documentaire). Gaandeweg vindt de vrijgevochten Française tóch de weg omhoog. Lea Glob, die ondertussen is uitgegroeid tot een vriendin van ‘Api’ en ook haar eigen persoonlijk leven een plek geeft in de film, heeft die van zeer nabij kunnen vereeuwigen. Apolonia Sokol, een fenomeen in wording. Een beetje zoals Billie Eilish in R.J. Cutlers The World’s A Little Blurry.

‘Het kostte me dertien jaar om te beseffen dat ik een camera op het leven zelf had gericht’, constateert Glob in één van haar persoonlijke voice-overs, als ze aan het eind van de film haar protagonist en haar werk nog eenmaal alle ruimte geeft. ‘Groter, harder en mooier dan ik ooit had kunnen bedenken.’

Werner Herzog: Radical Dreamer

Zijn cultstatus ontstijgt allang de filmmaker Werner Herzog. Hij kreeg niet voor niets zijn eigen personage in de cartoonserie The Simpsons, leende zijn uit duizenden herkenbare Engels met een Duits accent aan een bevlogen verslaggever in de animatiefilm Penguins Of Madagascar en speelde een schurkenrol in de Star Wars-film The Mandalorian. Volgens acteur Carl Weathers is Herzog een ‘soort Darth Vader’, terwijl zijn collega-regisseur Wim Wenders juist meent dat hij milder is geworden. ‘Begin jaren zeventig viel er met Werner weinig te lachen.’

Toen deed de eigengereide Duitse filmmaker duchtig van zich spreken, via compromisloze speelfilms als Aguirre: Der Zorn Gottes en Fitzcarraldo. In beide producties speelde Klaus Kinski de hoofdrol, de maniakale acteur die Herzogs gezicht en bijna ook zijn ondergang werd. Ze maakten samen in totaal vijf films, die al goed waren voor twee documentaires, Les Blanks Burden Of Dreams en Herzogs eigen Mein Liebster Feind. De twee leken soms te wedijveren wie er het verst kon gaan: Kinski met zijn redeloze woede-uitbarstingen en Herzog met zijn onstuitbare ambities, die hem zeker tijdens de opnames van Fitzcarraldo volledig boven het hoofd groeiden.

Zulke anekdotes ontbreken natuurlijk niet in het kundig gemaakte portret Werner Herzog: Radical Dreamer (103 min.), al is dat zeker geen gemakzuchtige bloemlezing van Herzogs uitspattingen en bokkensprongen geworden. Terwijl hij zijn protagonist filmt tijdens opnames, in de editruimte, bij het inspreken van voice-overs, tijdens een filmworkshop en gedurende een bezoek aan het huis van zijn jeugd in het Beierse dorp Sachrang, probeert regisseur Thomas von Steinaecker de essentie van zijn eigenlijk best aimabele hoofdpersoon te vatten. Een maker die, afwisselend in speelfilms en documentaires, ‘voorbij de waarheid’ wil komen.

Verdere duiding over wie die man is en waar hij als kunstenaar voor staat komt van zijn vroegere en huidige echtgenote Martje en Lena, broers Tilbert en Lucki Stipetic (tevens zijn producent), vaste cameramannen Thomas Mauch en Peter Zeitlinger en collega’s zoals Joshua Oppenheimer, Chloé Zhao en Volker Schlöndorff, terwijl de acteurs Nicole Kidman, Robert Pattinson en Christian Bale dan weer uit eerste hand kunnen getuigen over hoe het was om met hem te werken. Bale, die zelf ook voortdurend zijn eigen grenzen opzoekt, heeft daarbij nog een smakelijke anekdote over de opnames van een scène voor Rescue Dawn, waarvoor hij ondersteboven tegen een mierennest aanhing. ‘Tot op de dag vandaag kan ik niet meer in achtbanen zoals ik vroeger altijd deed.’

Voor een baanbrekende filmer zoals Werner Herzog is Radical Dreamer misschien een tamelijk conventioneel portret, maar de documentaire schetst zeker een boeiend, vermakelijk en handzaam overzicht van zijn leven en loopbaan en kan tevens als introductie fungeren voor deze kunstenaar die elke grens opzoekt die hij tegenkomt.

Much Ado About Dying

Soilsiú Films

Terwijl de Britse filmmaker Simon Chambers voor een documentaire over het volledig vastgelopen verkeer in Delhi (werktitel: Carmageddon) is beland, begint hij dagelijks telefoontjes te krijgen vanuit Londen. Zijn 83-jarige oom David doet een dringend beroep op hem. ‘I think I may be dying.’

Zoals ‘t een ‘obstinate oude man’ betaamt wil David Newlyn Gale echter zowat alles, behalve naar een verzorgingshuis. Als Simon eenmaal in Davids onvervalste hoardershuis is aanbeland, schreeuwt die ’t zelfs uit van de pijn. Vanuit zijn bed begint de voormalige acteur, met een van pijn vertrokken gezicht en beide handen getormenteerd op het hoofd, aan een getergde monoloog. ‘Jullie zijn mannen van steen. Had ik jullie tongen en ogen maar…’

Simon legt het tafereel vast met zijn camera. Ze zijn samen bezig met een filmopname van de slotscène van Shakespeare’s King Lear, als de koning helemaal doordraait. Tijdens het filmen voor Much Ado About Dying (83 min ), dat zo’n vier jaar in beslag zal nemen, begint Simon zich steeds vaker te voelen als Lears vermaarde dwaas. ‘Wordt die niet geacht om de koning te steunen en begeleiden’, vraagt David hem ostentatief. ‘Terwijl die gekker en gekker wordt?’

Zijn oom, een bijzonder theatrale persoonlijkheid die hele gesprekken met zichzelf voert en complete performances geeft, is al jaren niet meer buiten geweest. Hij leeft op blikken soep, plast in jampotten en krijgt regelmatig kortsluiting. ‘En dan waren er nog de muizen’, vertelt Simon die de situatie en gebeurtenissen met een slimme voice-over inkadert. ‘David hoorde dat muizen niet van pepermunt houden. Daarom had hij rond alle stopcontacten tandpasta gesmeerd.’

David Newlyn Gale is er een meester in om Jan en alleman voor zijn karretje te spannen en ondertussen hun leven grondig te ontregelen. Althans, zo ervaart zijn volwassen neef dit, terwijl hij steeds verder het bestaan van dit wonderlijke familielid wordt ingezogen. Tragikomische en dramatische gebeurtenissen wisselen elkaar daarin voortdurend af. Chambers zet de tering uiteindelijk naar de nering en creëert zo een ingenieuze vertelling die net zo goed over hemzelf gaat als over die eigenzinnige oom.

Die stuurt hij vervolgens met vaste hand aan op de te verwachten en desondanks indrukwekkende climax van deze delicieuze film. Als deze King Lear, hoe gek hij soms misschien ook lijkt, weer gewoon mens onder de mensen wordt.

White Balls On Walls

Zeppers

‘We hebben nog steeds een hele mannelijke witte dominantie in de collectie’, constateert directeur Rein Wolfs van het Stedelijk Museum Amsterdam. Slechts vier procent van de collectie is gemaakt door vrouwen. En: ‘Er hangen op dit moment geen werken van makers van kleur’, bekent Wolfs. ‘Op dit moment helemaal niet.’ Het ‘hagelwitte’ museum wil en moet daarin stappen gaan maken.

Touria Meliani, de wethouder kunst en cultuur van Amsterdam, heeft een Actieplan diversiteit en inclusie Kunstenplan 2021-2024 opgesteld, dat met gezwinde spoed in de praktijk moet worden gebracht. Terwijl het Rijksmuseum de tentoonstelling ‘Slavernij‘ aankondigt, is in het Stedelijk bijvoorbeeld ‘Surinaamse School: schilderkunst van Paramaribo tot Amsterdam‘ te zien. Dat zorgt meteen ook voor kritiek: staat de kunst nog wel voorop? Of is de ‘ideologische agenda’ leidend geworden?

Ook intern zorgen de pogingen van het museum voor moderne en hedendaagse kunst en design om diverser en inclusiever te worden voor een zeker ongemak. Zowel bij medewerkers die kanttekeningen hebben bij de ingezetteveranderingen als bij degenen die dat proces juist in gang proberen te zetten of zelfs belichamen. En regisseur Sarah Vos, een maker die wel vaker de vinger op de zere plek legt, zoomt in White Balls On Walls (90 min.) in op waar het schuurt.

Scheppen quota voor werk van vrouwelijke kunstenaars of kunstenaars van kleur bijvoorbeeld ruimte of werken ze eerder beperkend? Hoe kan worden voorkomen dat zulke kunstenaars de indruk krijgen dat ze vooral vanwege hun achtergrond of profiel zijn gekozen, om dat gezegende/vervloekte quotum te halen? En betekent meer ruimte voor andere invalshoeken dan automatisch ook het inperken van de ruimte voor traditioneel witte kunst?

Op kousenvoeten doorkruisen alle betrokkenen, stuk voor stuk met de beste bedoelingen, het mijnenveld tussen een inclusief en een politiek correct museum, op weg naar een plek, organisatie en collectie die in de tegenwoordige tijd en nabije toekomst passen, met bovendien voldoende oog voor het verleden en de keerzijden daarvan. Vos krijgt die zoektocht en het bijbehorende lopen op eieren in White Balls On Walls heel aardig te pakken.

Brainwashed: Sex-Camera-Power

IDFA

Natuurlijk, dat Hollywood wordt gedicteerd door ‘The Male Gaze’, een term die werd gemunt door filmwetenschapper Laura Mulvey, kan nauwelijks een verrassing zijn. Regisseur Nina Menkes gaat echter nog een stuk verder in het scherp geformuleerde video-essay Brainwashed: Sex-Camera-Power (107 min.), dat weer is gebaseerd op haar eigen lezing Sex And Power: The Visual Language Of Oppression. Volgens Menkes is er een direct verband met de achtergestelde positie van vrouwen in de filmindustrie én het feit dat seksueel misbruik, daar en in de rest van de (westerse) wereld, zoveel voorkomt. Films hebben ons, zowel mannen als vrouwen, nu eenmaal op een bepaalde manier geprogrammeerd.

Om te beginnen richt Menkes zich op het verschil tussen subject en object. Als in: de kat (subject) eet de muis (object). In Hollywood is de man volgens haar al sinds jaar en dag subject (ofwel: protagonist) en de vrouw niet meer dan een object waarmee/-van hij iets wil. Ofwel: de man ziet de vrouw. The Male Gaze dus. Neem dat gerust letterlijk. Vrijwel alle speelfilms worden verteld vanuit mannelijk perspectief en vrouwen – en niet te vergeten: hun lichaam – worden daarin stelselmatig geobjectificeerd. Met een stortvloed aan fragmenten uit speelfilmklassiekers maakt Menkes in dit beeldtaalcollege overtuigend haar punt. Geen speld tussen te krijgen, eigenlijk.

Ze krijgt bovendien rugdekking van de wetenschapper Mulvey, psychoanalyticus Sachiko Taki-Reece en vrouwelijke filmmakers zoals Catherine Hardwicke (die de spraakmakende tienerfilm Thirteen regisseerde), Rosanna Arquette (die als actrice regelmatig slechte ervaringen had) en Amy Ziering (die het giftige man-vrouwklimaat in de entertainmentindustrie aankaartte in documentaires als Allen v. Farrow en On The Record). Zij kunnen getuigen over de lastige positie van vrouwen in Hollywood, waar mannen nog altijd onverminderd de dienst uitmaken. Het is daarom niet vreemd dat Amerikaanse films doorgaans, in de woorden van de non-binaire regisseur Joey Soloway (Transparent), propaganda voor het patriarchaat bedrijven.

Met het vlijmscherpe college Brainwashed, dat alleen aan het eind wat aan kracht inboet en dus wel wat korter had gekund, demonstreert Nina Menkes in elk geval duidelijk dat er echt een maatschappelijk belang is om dit te veranderen.

Is That Black Enough For You?!?

Netflix

Waarom zijn we eigenlijk gestopt met het maken van de zwarte speelfilms die in de jaren zeventig zo succesvol waren? vraagt regisseur Elvis Mitchell zich af bij de start van het video-essay Is That Black Enough For You?!? (135 min.), waarin hij de zwarte Amerikaanse filmhistorie doorlicht.

Aan de hand van een enorme verzameling filmfragmenten laat Mitchell eerst zien hoe (wit) Hollywood door de jaren heen Afro-Amerikanen heeft geportretteerd en vervolgens hoe er in jaren zestig, op de golven van de burgerrechtenbeweging, een zelfbewuste en diverse generatie zwarte filmmakers opstaat, die ruimte vindt voor de authentieke verhalen en personages uit hun eigen wereld.

Met als meest uitgesproken uitingsvorm: de Blaxploitation-films van de jaren zeventig, die kaskrakers als Shaft, Super Fly en Foxy Brown heeft voortgebracht. De benadering van zwarte regisseurs en scenarioschrijvers, de serieuze rollen die daaruit voortvloeien voor iconische acteurs en actrices én de muziek waarmee die verhalen worden aangekeild en begeleid, sijpelen vervolgens ook door naar het werk van witte regisseurs zoals Sergio Leone, Francis Ford Coppola en Quentin Tarantino.

Elvis Mitchell onderbreekt zijn persoonlijk ingestoken en met veel feitjes en weetjes gestutte betoog zo nu en dan voor herinneringen, observaties en constateringen van de prominente Afro-Amerikaanse acteurs en regisseurs Margaret Avery, Harry Belafonte, Samuel L. Jackson, Whoopi Goldberg, Laurence Fishburne, Sheila Frazier, Billy Dee Williams, Suzanne De Passe, Charles Burnett, Glynn Turman, Mario von Peebles Jr. en Zendaya.

In tegenstelling tot de stilistisch verwante essays Disclosure (transcultuur), Body Parts (vrouwbeelden) en Brainwashed: Sex-Camera-Power (het vrouwelijk lichaam) voelt Is That Black Enough For You?!?, mede door Mitchells overcomplete voice-over en het ondanks de aanzienlijke speelduur toch behoorlijk hoge verteltempo, alleen eerder als een op cinefielen gerichte verhandeling over een essentieel stuk filmgeschiedenis dan als een breed toegankelijke beschouwing op de representatie van zwart Amerikanen in film en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

A Way To B

Doxy

Even voor de helderheid, stelt Xavi Duacastilla, één van de leden van het Catalaanse danscollectief Liant la Troca: ‘We zijn niet uit op medelijden, we maken kunst. Als je moet huilen door de kunst, huil dan vooral. Maar als je huilt omdat je iemand in een rolstoel ziet dansen, dan: fuck off!’

Want Liant la Troca mag dan voor een belangrijk deel bestaan uit dansers met een lichamelijke beperking, hun performances doen qua kracht, intensiteit en emotionele zeggingskracht voor geen gezelschap onder. Jos de Putter en Clara van Gool geven de creaties van choreograaf Jordi Cortès Molina, vaak uitgevoerd in de openbare ruimte van Barcelona, dan ook een prominente plek in de film A Way To B (98 min.), een vlammende hybride van dans en documentaire.

Achter de imposante dansers gaan aangrijpende verhalen schuil, van mensen die op hun levenspad echt meer drempels moeten nemen dan veel anderen. Neem bijvoorbeeld Jaume Girbau, een man zonder onderlijf. Jaren na zijn geboorte vertelde zijn moeder dat de artsen hem in eerste instantie niet aan haar wilden laten zien. ‘Hij is geboren met een bepaalde handicap, vertelden ze haar. “Het is maar beter dan u hem nog niet ziet.” Alsof ik één of ander verschrikkelijk monster was.’

Of Dessi Cascales, die in de openingsscène van deze film een moeilijk te vatten en desondanks zeer indringende monoloog afsteekt. Deze vrouw met cerebrale parese kan zich bijna alleen met behulp van haar man Philip Heinrich verstaanbaar maken en wordt mede daardoor regelmatig veel te laag ingeschat. Philip heeft echter een degeneratieve ziekte, waardoor Dessi bang is dat hij straks alleen nog zijn moedertaal Duits kan spreken. Daarom besluit ze om zelf op taalles te gaan. 

Via fraai gestileerde, gepassioneerd uitgevoerde en gloedvol geregistreerde performances, collectief te scharen onder de noemer ‘Danza Integrada’, leggen de leden van Liant la Troca hun ziel bloot. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Gewone mensen die, ondanks/dankzij hun imperfecte lichaam, komen tot volwaardige kunst. A Way To B wordt daarmee automatisch een hartveroverend pleidooi voor inclusiviteit, zonder dat die boodschap er verder opzichtig in hoeft te worden gehamerd.

Indisch Zwijgen

Amstelfilm

‘Denk dan maar eeeven. Het kan niet altijd goed gaan in het leeeven’ zingt Wil Richards, een oudere Indische Nederlander, voor zijn achternicht, de beeldend kunstenaar Mei Oele. Hij vervolgt: ‘Zorg bij tegenslaagen dat je die ook kunt verdraagen.’ Wil weet waar hij over zingt. Hij zat vroeger in een interneringskamp. Terwijl zijn broer, Mei’s opa, net als veel lotgenoten die in Indië klem kwamen te zitten tussen de kolonisator en de gekoloniseerden, altijd bleven zwijgen over hun traumatische verleden, zette Wil zijn ervaringen juist op papier.

Tussen 1945 en 1968 kwamen er zo’n 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland. Zij volharden meestal nog altijd in een Indisch Zwijgen (32 min.) over wat ze hebben meegemaakt, tot frustratie van hun nazaten. Hoewel Wil destijds het gevoel had dat hij werd beschouwd als een indringer is hij volgens eigen zeggen tegenwoordig ‘helemaal volledig ingeburgerd’ in Nederland. ‘Maar misschien ook vanwege de asielzoekers die dus binnenkomen’, zegt hij er besmuikt lachend bij. ‘Die hebben eigenlijk mijn plaats overgenomen van niet welkom zijn.’

Inmiddels wonen er zo’n anderhalf tot twee miljoen mensen met Indische wortels in Nederland. Filmmaakster Juliette Dominicus wil als vertegenwoordiger van de derde generatie het zwijgen over hun gezamenlijke verleden doorbreken. Tijdens een familie-opstelling bij een lichaamsgerichte therapeut ervaart ze de afstand binnen haar eigen familie echt aan den lijve. Tijd om het gesprek aan te gaan met haar vader. Amara van der Elst, spoken word-artiest, constateert intussen met haar moeder dat praten over het verleden soms ook gewoon pijn doet.

Samen hebben de drie jongen vrouwen ondertussen een kunstwerk gemaakt, waarmee ze het gesprek over dat gedeelde verleden proberen te openen. In dit appèl aan hun gemeenschap komen alle verschillende elementen – theater, video en beeldende kunst – mooi samen en wordt deze film die, met een héél uitgebreide begintekst, enigszins stroef van start is gegaan alsnog tot een fraaie climax gebracht.

En De Naam Is: Heeresma

Oogland Filmproducties

‘Kijk, mijn vader heeft een brandscherm voor zijn leven neergetrokken’, zegt Heere Heeresma’s zoon Heere Jr. bij het graf van zijn vader, niet zonder humor, tegen diens biograaf Anton de Goede. ‘En ik ben er niet om dat brandscherm omhoog te halen. Maar wat ik je wel kan zeggen is dat hier eigenlijk alleen zijn uniform begraven ligt.’

En daar kan, of moet, De Goede ’t maar mee doen. In de laatste, niet afgemaakte brief van Heere Heeresma (1932-2011) heeft hij nochtans wel degelijk een aansporing gevonden. ‘Het wordt tijd dat een biograaf zich in mijn bestaan gaat verdiepen.’ Daarmee kan de journalist, en deze schrijnende film van John Albert Jansen over zijn zoektocht naar de Nederlandse dichter/schrijver, wel even vooruit. ‘Vind ik de sleutel van de doorgang in dat brandscherm om Heeresma’s privébestaan?’

De beide kinderen van de zelfverklaarde eigenheimer, zoon Heere Jr. en dochter Marijne, zijn hem daarbij op geheel eigen wijze van dienst. Terwijl Marijne spreekt van ‘s mans kwaadaardigheid, oeverloze gezuip en verschrikkelijke agressie en pas na zijn dood iets van waardering voor hem heeft gevonden, lijkt Junior al zijn hele leven met diezelfde vader te dwepen. Hij wentelt zich maar al te graag in het ‘spel van schijn en werkelijkheid’ dat Senior als geen ander kon spelen.

‘Ik heb hier heel mooie herinneringen aan, hoor, Anton’, vertelt hij bijvoorbeeld tegen De Goede als ze in de stromende regen (‘heerlijk Heeresma-weer’) door De Bijlmer lopen, waar het gezin een tijdje op de allerhoogste etage van een flat woonde. ‘Daar sprong nog iemand van het balkon af’, herinnert hij zich. ‘En ook daar is iemand van het balkon gesprongen.’ Zijn vader beschreef in een verhaal hoe dat klonk op het grindpad: als een volle zak nat wasgoed. ‘Dat is schrijven, hè?’ zegt zijn zoon. ‘Dat is schrijven.’

‘Doordat ik zelf een gigantisch ego heb, is de weg van de nederigheid begaan voor mij extra zwaar’, zegt de grote schrijver zelf, elders in En De Naam Is: Heeresma (85 min.). ‘Begrijpt u dat?’ Om de man, met al zijn (on)hebbelijkheden, werkelijk te kunnen vatten, moet deze film echter voorbij zijn woorden gaan, die blijkbaar broodnodige distantie proberen te scheppen, en de beladen familiehistorie opzoeken, die hem als klein jongetje, en de (tweede) generatie na hem, moet hebben getekend.

Dat er iets scheef zat in het leven van Heere Heeresma en de manier waarop hij omging met de werkelijkheid wordt door Jansen benadrukt met, letterlijk, scheve shots en het op gezette tijden kantelen van de wereld waarvan hij deel uitmaakte. Terwijl Heere Jr., als het evenbeeld van zijn geliefde vader, intussen bijna tot het eind de draak blijft steken met alles wat er via archiefbeelden en verfilmingen van Heeresma’s boeken bovenkomt, houdt zijn zus genoeg afstand om te komen tot (zelf)reflectie.

Gezamenlijk – maar niet samen – schetsen ze met Anton de Goede, die jarenlang correspondeerde met hun vader, een intrigerend portret van de man die met een ‘Atlantikwal’ (Heere) zijn privéleven afschermde en waarbij al die jolijt ‘een ‘berg met verdriet’ (Marijne) verborg.