Matter Of Time

Netflix

Zijn machtige stem is niet meer dan een voertuig. ‘Good evening, Seattle’, opent Eddie Vedder z’n solo-optreden in de thuisbasis van zijn band Pearl Jam. Die stem, begeleid door alleen een akoestische gitaar, leidt zijn publiek in de Benaroya Hall door ‘s mans eerste nummer, de Pearl Jam-klassieker Elderly Woman Behind The Counter In A Small Town. ‘I just want to scream hello’, galmt ie, bijgestaan door enthousiaste fans. Als Vedder is aanbeland bij het bespiegelende ‘Hearts and thoughts, they fade away…’, zingt de hele zaal mee.

Die machtige stem is echter niet meer dan een voertuig, een manier om ‘de ergste ziekte waar je nog nooit van hebt gehoord’, aldus Eddies vrouw Jill, onder de aandacht te brengen tijdens een benefietconcert. Want in de zaal zitten ook ‘vlinderkinderen’ met hun families, overgekomen uit alle hoeken van Noord-Amerika, en wetenschappers die onderzoek doen naar epidermolysis bullosa (EB), de zeldzame genetische huidaandoening waar zij aan lijden. Volgens Vedder zijn er genoeg ontwikkelingen om vertrouwen en hoop uit te putten. ‘Het moeilijkste is alleen geduld opbrengen.’

Via Pearl Jam-evergreens zoals Lukin, Wishlist, Just Breathe, Porch en – opgedragen aan een overleden jongen met EB – Better Man loodst die stem de kijker van Matt Finlins documentaire Matter Of Time (106 min.) langs de aangrijpende verhalen van enkele kinderen met de vlinderziekte. Hun aandoening zorgt in het gunstigste geval voor jeuk, irritatie en pijn, maar kan ook resulteren in chronische wonden, huidkanker en een voortijdige dood. Eddie en Jill Vedder maken zich al jaren sterk voor onderzoek naar EB. Volgens optimistische prognoses behoort genezing binnen tien jaar tot de mogelijkheden, maar daarvoor moet er nog heel wat water door de Rijn.

Nieuwe behandelingen worden uitgeprobeerd op ‘oudere’ patiënten zoals de 27-jarige Garrett, die duidelijk al veel heeft geleden. ‘Ik doe het voor de jongere generatie in de hoop dat hun wonden kunnen genezen’, legt hij uit. ‘Misschien krijgen zij er dan nog tien, twintig of dertig jaar bij. Hopelijk hoeven ze niet alles te doorstaan wat ik heb doorstaan.’ Één van die kinderen is de zesjarige Eli. Hij is geadopteerd uit China en wordt regelmatig aangestaard op straat. Samen met z’n grote zus Lily bedacht hij een T-shirt om de ban te breken: come say hi!. Het schattige joch zit ook in de zaal als Eddie Vedder een liedje aan hem opdraagt, dat massaal wordt meegezongen. ‘I come and say hi when I see Eli.’

Vedder heeft duidelijk hart voor de zaak, gunt diverse vlinderkinderen hun momentje in de spotlights en slikt zo nu en dan zelf een brok in de keel weg. Met zijn stem vraagt hij intussen geld en aandacht voor een akelige ziekte en steekt hij de kinderen en hun ouders een hart onder de riem. En zijn laatste nummer van de avond voorspelt dat ie voorlopig ook niet van zins is om daarmee te stoppen: I won’t back down.

The Making Of De Jeugd Van Tegenwoordig

Cinema Delicatessen

Een vriend filmt hoe de leden van de Nederlandstalige hiphopgroep De Jeugd Van Tegenwoordig meekijken als de actrice Charlie Chan Dagelet haar collega Katja Schuurman speelt in een re-enactment van de kerstvideoclip Ho Ho Ho van De Jeugd Van Tegenwoordig uit 2005, waarin zij een wulpse bijrol vertolkte.

Welkom bij de ‘documentaire’ The Making Of De Jeugd Van Tegenwoordig (77 min.), waarin vriend van de band Bastiaan Bosma de Amsterdamse groep volgt in de aanloop naar het twintigjarig jubileum, terwijl Jan Hulst, die deze film regisseerde met Tomas Kaan, enkele sleutelscènes uit de historie van het illustere gezelschap wil verfilmen. En daarvoor moeten dus eerst de juiste acteurs worden gecast. Op de audities komen onder anderen Goldband-lid Boaz Kok, rapper Lange Frans, de acteurs Joes Brauers en Frank Lammers, soulzanger Alain Clark en radiodeejay Giel Beelen af. Die door De Jeugd-leden eigenlijk stukcharl voor stuk ongeschikt worden geacht.

Vorm is inhoud bij De Jeugd Van Tegenwoordig. Ook in deze film. Een soort Droste-effect in het kwadraat, om precies te zijn. Waaruit uiteindelijk, met muziekbeelden en oude interviews, toch min of meer een regulier bandverhaal valt te destilleren: van het opnemen van de eerste hit Watskeburt?! via de opkomst van de ongrijpbare groep en de verplichte crisis naar de status van gearriveerde act. En dit verhaal wordt opgestart vanuit een backstageportret van de groep en korte interviewtjes met de individuele leden Pepijn Lanen (Faberyayo), Freddy Tratlehner (Vjèze Fjur) en Olivier Mitshel Locadia (Willie Wartaal), terwijl vierde bandlid Bas Bron veelal op de achtergrond blijft.

Of al die bij elkaar geklutste elementen ook een interessante vertelling opleveren? Daarover valt te twisten. Jeugd-fans zullen er ongetwijfeld de eigengereidheid, quatsch en zelfmystificatie van hun helden in herkennen.

I’m Chevy Chase And You’re Not

CNN

‘Ik probeer je gewoon te begrijpen’, zegt documentairemaakster Marina Zenovich tegen de protagonist van haar nieuwste film. ‘Dat meen je niet!’ reageert Chevy Chase sarcastisch. ‘Dat wordt dan niet gemakkelijk voor je.’ Zij vraagt door: ‘Waarom niet?’ Hij reageert rücksichtslos. ‘Daar ben je niet slim genoeg voor. Wat vind je daarvan?’

De documentaire I’m Chevy Chase And You’re Not (98 min.) is nauwelijks begonnen. En de Amerikaanse komiek heeft zijn reputatie van onverbeterlijke hork alweer eer aangedaan. Chase legt uit: ‘Ik ben complex en diep en kan gemakkelijk pijn worden gedaan. Op mensen die me proberen te doorgronden, reageer ik dus direct. Dan houd ik mijn schild omhoog. Ik laat me liever niet uitpluizen.’

Aan Zenovich, die eerder portretten maakte van Chase’s vakbroeders Richard Pryor en Robin Williams, de schone taak om die klus tóch te klaren. Ze gaat daarvoor te rade bij mensen die met hem werkten, zoals Martin Short, Goldie Hawn en Dan Aykroyd, maar haalt ook zijn broer Ned Chase, halfbroer John Cederquist, (derde) vrouw Jayni en dochters Cydney, Emily en Caley voor de camera.

Zij laten zijn gehele leven de revue passeren: Chase’s rol als blikvanger in de beginperiode van Saturday Night Live, het navolgende succes in Hollywood, z’n hardnekkige cocaïneverslaving, volledig mislukte talkshow, depressies, drankprobleem en rol als ‘pain in the ass’ bij de serie Community. Een man met zowel een aardedonkere als een liefdevolle kant, laverend tussen grappig en gemeen.

Tussendoor handelt Chevy Chase met z’n personal assistant/vriend Pat de wekelijkse fanmail af, koopt hij een bloemetje voor Jayni of speelt hij een potje schaak in het café. Daarbij kan hij grappig uit de hoek komen. Ook, of júist, als Marina Zenovich ’t hem even moeilijk maakt. Want dat wordt gedurende deze vermakelijke docu steeds duidelijker: humor is voor Chase ook een afweermechanisme.

Achter het lompe, klunzige en dolkomische personage, zowel op als naast het scherm, zit een beschadigde man – lees: een beschadigd kind – verscholen, die zich met allerlei fratsen uit lastige situaties probeert te redden en het leven meester wil blijven. Dat lijkt op z’n ouwe dag behoorlijk te lukken. En zoals ’t een Amerikaanse film betaamt, krijgt dit portret van een komiek op leeftijd dus een lekker Hollywood-eind.

Waarna de aftiteling begint en die ene Paul Simon-videoclip, waarin hij de absolute hoofdrol claimde, natuurlijk nog op het scherm verschijnt.

Zwangere Guy: Dansen Op De Vulkaan

Nozem Films / BNNVARA / VRT

Hoe lang mag je boos blijven en kan die woede als brandstof blijven fungeren voor je leven en carrière? Als hij in 2022 de tournee na zijn eerste albums Wie Is Guy? en Brutaal heeft afgerond, staat de Belgische rapper Zwangere Guy, alias Gorik van Oudheusden, op een keerpunt: kan hij de boosheid richting zijn moeder, die hem met een nieuwe relatie in zijn tienerjaren noopte om vroegtijdig het huis te verlaten, als dertiger loslaten en zichzelf hernieuwen?

Zijn lichaam zegt in elk geval stop. Gesloopt door drank en drugs. ‘Het is heel confronterend geweest om te zien hoe hard bepaalde substanties deel uitmaakten van mijn leven, om mijn kunst te kunnen maken’, zegt de rapper in het persoonlijke portret Zwangere Guy: Dansen Op De Vulkaan (59 min.), waarvoor Leon Veenendaal en Matthijs van Camerijk hem in de navolgende jaren van heel dichtbij hebben gevolgd. Gorik wil zijn destructieve ik achter zich laten.

‘Zelfs ik moet groter zijn dan mijn probleem’, constateert hij sans gêne – hoe tof anderen die kwaaie Guy ook vinden. De transformatie gaat, getuige deze geladen film, alleen niet vanzelf. Tijdens therapiesessies, in de opnamestudio en op reis in Costa Rica werkt Van Oudheusden gedurig aan zichzelf en lijkt ie ook vooral bezig met zichzelf. Intussen werkt hij aan de muziek, die een plek dient te krijgen op z’n nieuwe langspeler Dit Is Guy, het logische eindstation van deze film.

En daarop moet ook Gorik Pt. 1, het razende schotschrift van een beschadigd jongetje aan zijn moeder dat was te vinden op z’n debuutalbum, een vervolg krijgen, dat past bij de levensfase en -instelling van de nieuwe ZG, de échte ZG. ‘Hey dag liefste mama, hoe gaat het ermee?’, begint Guy, als hij de juiste woorden heeft gevonden. ‘Ik ben zo vaak herbegonnen aan die Gorik Pt. 2 / Zat vast achter een muur, met de kleine ZG / Maar na 100 keer vallen, komt de 101.’

Veenendaal en Van Camerijk tekenen dit verlate coming of age-verhaal, over een dertiger die erg op zichzelf betrokken is en eindelijk volwassen moet/wil worden, sfeervol op en laat ook zien hoe fragiel de ontwikkeling die Gorik doormaakt is. Zo nu en dan lonkt nog wel degelijk de roes, om de pijn van het zijn weer even te verdoven. De verantwoordelijkheden die zijn nieuwe bestaan met zich meebrengen nopen hem echter om fit te worden, ook mentaal, en dit ook te blijven.

En dan kan de geheel vernieuwde Zwangere Guy, ‘met een krop in de keel’ bij de gedachte aan al wat hij heeft overwonnen, weer het podium op. Met een heldere boodschap: dit is, tot nader order in elk geval, Guy. Aangenaam.

Tenga Duro Signorina! Isabella Ducrot Unlimited

AVROTROS / maandag 16 februari, om 22.45 uur, op NPO 2

Ze heeft inmiddels een geweldige toekomst achter zich. ‘Het leven begint rond je zestigste’, houdt de hoogbejaarde Italiaanse kunstenares Isabella Ducrot een veel jongere interviewster voor. ‘Ik bedoel: het gelukkige leven. Geloof me maar: na je zestigste word je gelukkiger.’

Rond die tijd is zij zelf Isabella geworden. Van tevoren was ze nog gewoon Antonia Mosco, een onopvallende vrouw uit Napels. Een parvenu, vindt ze zelf. Een absolute nobody. Totdat ze rond haar 55e begon te schilderen en de wereld zich opende. Eerst op haar doeken, daarna daadwerkelijk. Het leven is sindsdien alleen maar leuker en interessanter geworden, vertelt Isabella in de documentaire Tenga Duro Signorina! Isabella Ducrot Unlimited (Engelse titel: Hold On Miss! Isabella Ducrot Unlimited, tv-versie: 52 min.).

Monica Stambrini volgt de Italiaanse kunstenares twee jaar lang met haar camera naar exposities in galeries in Londen, Stockholm en New York. De wereld, die doorgaans zweert bij alles wat jong en nieuw is, ligt nu aan de voeten van een vrouw die de negentig al is gepasseerd. Isabella Ductrot laat zich alle aandacht graag aanleunen. Ze krijgt eindelijk de erkenning die elk mens zoekt – en die zij, ook nu de jaren des verstands allang zijn gekomen, nog steeds wil.

Tegelijkertijd moet ze dealen met de kaarten die het leven op haar leeftijd nu eenmaal uitdeelt, zoals het overlijden van haar echtgenoot Vicky. Gelukkig kan de kwieke kunstenares, die ooit begon met het maken van erotische afbeeldingen, terugvallen op haar persoonlijke assistent. Nora Iosia bivakkeert al ruim 25 jaar aan Ducrots zijde en neemt haar veel zaken uit handen, ook als haar opdrachtgeefster op zeer gevorderde leeftijd wordt benaderd door het modehuis Dior.

Stambrini staat er met haar neus bovenop, legt alle ontwikkelingen rond haar protagonist zonder opsmuk vast en kleurt Ducrots onwerkelijke oude dag in met een opmerkelijke jeugdige soundtrack. Zo vereeuwigt ze een vrouw in de bloei van haar leven. Want hoewel haar honderdste verjaardag stilaan in zicht komt, denkt Isabella Ducrot er nog niet aan om afscheid te nemen van het bestaan. Haar kunst – en daarmee ook haar leven – is vitaler dan ooit. En deze film, mocht ook zij niet kunnen ontsnappen aan de dood, haar levende testament.

New Wave: De Reünie

Videoland

Uiteindelijk worden het gewoon weer jongens. Jorik die bij Ronnie bleef pitten. En Ronnies moeder Eunice, die zelf gewoon een reguliere baan had, zag dan ’s ochtends aan de schoenen wel wie er was blijven slapen. Het zou ook Julien kunnen zijn. Ze kenden elkaar allemaal van school en maakten samen muziek. Nederlandstalige hiphop, om precies te zijn. En al snel kwam daar ook deejay Monica nog bij, op wie Yorik helemaal verkikkerd raakte.

Later leerde de rest van Nederland hen kennen als Lil’ Kleine, Ronnie Flex en Jack $hirak. En samen met onder anderen Frenna, Jonna Fraser en Lijpe zouden ze het hiphopcollectief New Wave vormen. In 2015 gingen ze daarmee, op initiatief van het toonaangevende platenlabel Top Notch, op schrijverskamp op het Waddeneiland Schiermonnikoog. Ze maakten daar een baanbrekend album, met de kneiterhit Drank & Drugs, dat begin 2016 werd beloond met de prestigieuze Popprijs en inmiddels wordt beschouwd als een ijkpunt in de Nederlandse hiphophistorie.

Tien jaar later zijn die jongens, die destijds met één been in het artiestenleven stonden en met het andere nog ferm op straat, allang mannen geworden, met een eigen huis, dikke auto en enkele kinderen. Dan heeft een comeback, via een serie uitverkochte optredens in de Ziggo Dome, zo z’n voordelen. Voor New Wave: De Reünie (81 min.) moeten er echter nog wel enkele hordes worden gekomen: Lijpe bivakkeert tegenwoordig bijvoorbeeld vooral in Dubai. En Ronnie Flex is in de voorbije jaren in een publieke rel verzeild geraakt met Top Notch-honcho Kees de Koning.

Deze aardige tweedelige docu van Jonas Beck werkt toe naar die reünie en brengt intussen via interviews met de belangrijkste spelers in en rond New Wave en fraaie backstage-beelden van Schiermonnikoog en de periode daarna de korte geschiedenis van de hiphopsupergroep in beeld. Een steeds terugkerende term daarbij is: geld. Dat zorgt aanvankelijk voor euforie, levert daarna continu problemen op (die ook de comeback naar verluidt heeft bemoeilijkt – of op z’n minst enkele jaren vertraagd) en faciliteert vanzelfsprekend uiteindelijk ook weer die reünie.

The Lions By The River Tigris

Amstelfilm

Het waren niet alleen bloeddorstige barbaren, maar ook onvervalste cultuurbarbaren. Alles van waarde bleek in handen van Islamitische Staat (IS) daadwerkelijk weerloos. In de drie jaar (2014-2017) dat de moslimfundamentalisten de lakens uitdeelden in de Noord-Iraakse stad Mosul richtten ze een ongekende ravage aan. Zo’n elfduizend levens gingen er verloren bij het weer bevrijden van de stad, waarna het historische centrum grotendeels verwoest bleek. En kunstwerken en andere artefacten van de stad waren door IS-strijders letterlijk stukgeslagen, kapot geboord of opgeblazen.

Te midden van de ruïnes en het puin, op de plek waar ooit huizen stonden en complete levens zich afspeelden, is nog ergens de ziel van de achtduizend jaar oude stad te ontwaren. Sommige bewoners van Mosul zetten zich actief in om die te bewaren. Zo is de oud-militair Fakhri al Jawal bijvoorbeeld druk doende om een eigen museumpje op te bouwen. In zijn kringloopwinkel verzamelt hij allerlei spullen met culturele, historische of emotionele waarde. Zodat ze niet definitief verloren raken. Fakhri heeft z’n zinnen nu gezet op The Lions By The River Tigris (91 min.)

Dit ruim zeventig jaar oud marmeren wapen met twee leeuwen is verwerkt in een imposante deurstijl. De deur behoort alleen tot het huis van de visser Bashar Salih. Beter: tot wat ooit Bashars huis was. Wat er nog rest van het gebouw kan, net als een groot deel van Mosuls historische centrum, elk ogenblik instorten. En dan zouden ook die twee trotse leeuwen wel eens kunnen gaan hemelen. Bashar is desondanks vast van plan om zijn huis te herbouwen. Zijn eigen vrouw maant hem om dit idee los te laten. Ze moeten verder – of haar echtgenoot dit nu wil of niet.

Bashar weigert echter om de Leeuwen, die hij tijdens het schrikbewind van IS aan het oog onttrok, te verkopen. Fakhri blijft tegelijkertijd aandringen. Totdat het ook zijn maat Fadil al Badri, een violist die sinds de aftocht van IS zijn instrument weer voor de dag heeft gehaald, tegen de borst stuit. ‘Ik voorspel je één ding’, probeert hij zijn vriend tot rede te brengen. ‘Je zult die deur nooit krijgen.’ Fakhri is alleen zo koppig als een ezel. Net als Bashar. Samen vertegenwoordigen zij in deze film het verdriet over wat verloren is gegaan en de hoop dat er van alle ellende toch weer iets is te maken.

Regisseur Zaradasht Ahmed toont ondertussen hoe hun stad langzaam maar zeker begint te ontwaken uit z’n boze droom en weer tot leven komt. Deze ingetogen documentaire, rijk aan symboliek en melancholie, is een eerbetoon aan hoe de mens weer mens wordt en opnieuw de waarde van het leven om hem heen begint te zien. En tussen de brokstukken van hun bestaan begint zowaar ook het gras weer te groeien. En dan volgen de bloemen vanzelf.

Boom – A Film About The Sonics

Scratched Vinyl Films

Voor iedereen die z’n rock het liefst rechtstreeks uit de garage heeft – rawk!, zogezegd – gelden The Sonics als één van de absolute oerbronnen. Begin jaren zestig maakten deze ‘five bad ass motherfuckers’ hun thuisbasis Tacoma en de rest van het uiterste Noordwesten van de Verenigde Staten onveilig. Tot een grote doorbraak kwam het echter nooit. Toen niet, tenminste.

De Amerikaanse filmmaker Jordan Albertsen, geboren in 1982, heeft halverwege de jaren negentig als tiener net de laatste plaat van de grungeband Nirvana gehoord als zijn vader hem attendeert op een cultgroep, die dan al ruim 25 jaar alleen nog in de herinnering voortleeft. Hij is direct verkocht. Als er in 2008 zowaar een Sonics-reünie wordt aangekondigd, is Albertsen er dus als de kippen bij. Het zal hem nog tien jaar kosten om de documentaire Boom – A Film About The Sonics (77 min.) af te ronden.

De sonische scherpslijpers ogen daarin als bedaagde oude mannen. Zanger/toetsenist Gerry Roslie, die recht vanuit z’n onderbuik leek te schreeuwen in hun eerste ‘hit’ The Witch, zou ook kunnen doorgaan voor een nét iets te bedeesde wiskundeleraar. En Rob Lind, die z’n saxofoon onvervaard liet scheuren op het al even vermaarde B-kantje Psycho, ziet eruit als de doorgewinterde kantoortijger die hij in een later leven daadwerkelijk is geworden. Ooit waren – of beter: klonken – ze te ruig voor hun tijd.

Na ruim een half uur zitten de gloriejaren van The Sonics er alweer op. ‘Het was een geweldige band’, constateert pepdrummer Bob Bennett. ‘Ook al hadden we dat zelf destijds helemaal niet door.’ Er komt echter een tweede bloeiperiode. Via een kleine omweg naar Seattle, waar begin jaren negentig de rockstroming grunge opkomt, wordt de voorvader van punk alsnog ontdekt. Nazaten zoals Mike McCready (Pearl Jam), Mark Arm (Mudhoney), Kim Thayil (Soundgarden) en producer Jack Endino vreten The Sonics!

In de tweede akte van deze aardige bandjesdocu tellen zij samen met Nancy Wilson (Heart), Kurt Bloch (The Fastbacks), Bruce Brand (Thee Headcoats), Coady Willis (The Murder City Devils) en Chris Ballew (The Presidents Of The United States Of America) de zegeningen van The Sonics, die meer dan dertig jaar nadat ze het bijltje erbij neergooiden zowaar populairder worden dan ooit. Het noopt de leden van het bandje, dat eigenlijk nooit de regio was uitgekomen, om voor het eerst de wereld rond te toeren.

In de laatste akte van zijn film toont Albertsen vervolgens hoe zij zich die late roem lekker laten aanleunen en op gevorderde leeftijd voor het eerst kennis maken met stagedivers en moshpits. Want zoals Jack Endino ‘t formuleert in de emotionele epiloog van deze film: ‘You’re never too old to rock & roll.’

33 Zdjęcia Z Getta

HBO Max

De bewoners van het Joodse getto van Warschau hebben helemaal niets meer te verliezen als ze op 19 april 1943 in opstand komen tegen de nazi’s. Behalve hun leven.

De Duitsers slaan de opstand met brute kracht neer en branden het getto helemaal plat. Dit wordt stiekem gefotografeerd door de 23-jarige Poolse brandweerman Leszek Grzywaczewski. ‘Het vuur drijft de Joden naar het verzamelpunt, de zogenaamde Umschlagplatz’, schrijft hij in zijn dagboek over deze inktzwarte periode. ‘Gewonden en zieken worden ter plekke geëxecuteerd. Reddingen zijn verboden. Dan worden de Joden naar een spoor gebracht en naar een onbekende bestemming gedeporteerd.’

Het leeuwendeel van de 33 foto’s van Leszek Grzywaczewski, die ruim dertig jaar geleden overleed, is pas onlangs ontdekt door zijn zoon Maciej. Tot dan toe waren alleen de twaalf foto’s bekend die begin jaren negentig in het Holocaust Memorial Museum zijn terechtgekomen. Deze nieuwe vondst – en de akelige geschiedenis die daarmee wordt blootgelegd – vormt het fundament onder de documentaire 33 Zdjęcia Z Getta (33 Photos From The Ghetto, 78 min.), een stemmige film van Jan Czarlewski.

Eerst schetst de Poolse filmmaker – met behulp van een getuigenis uit 1996 van Romana Laks, die als kind zat ondergedoken bij de familie Grzywaczewski, voor de Shoah Visual History Foundation – de benarde positie van de Joden in het getto van Warschau en de historische context van de opstand. Daarna ontleedt Czarlewski met deskundigen nauwgezet hoe en waar de onlangs aangetroffen fotonegatieven zijn gemaakt en wat er precies is te zien op de beelden, die met gevaar voor eigen lijf en leden zijn gemaakt.

De nazi’s hebben de opstand destijds zelf ook vastgelegd, om te kunnen gebruiken voor propaganda. Grzywaczewski zette daar zijn eigen beelden tegenover. Als bewijs voor de misdaden tegen de menselijkheid die in zijn aanwezigheid werden begaan, toen hij als brandweerman met de armen over elkaar moest toezien hoe een brand het getto verwoestte. Hij hield de foto’s altijd bij zich. Zodat ze naar buiten konden worden gebracht als de wereld dreigde te vergeten wat er destijds in het getto van Warschau was gebeurd.

Chuck Berry: The Original King Of Rock ‘N’ Roll

Cardinal Releasing

De stoet vakbroeders die in de documentaire Chuck Berry: The Original King Of Rock ‘N’ Roll (97 min.) eer bewijst aan de Amerikaanse meestergitarist, die dit jaar honderd jaar oud zou zijn geworden, is indrukwekkend:  Steven Van Zandt, George Thorogood, Joe Bonamassa, Nile Rodgers, Steve Jones, Nils Lofgren, Wayne Kramer en Joe Perry. Stuk voor stuk gitaristen van formaat. Één adept die je direct met Berry associeert ontbreekt echter: Keith Richards.

De muzikale leider van The Rolling Stones is natuurlijk tóch aanwezig in Jon Brewers postume portret van de aartsvader van de rock & roll, die klassiekers zoals Johnny B. Goode, Sweet Little Sixteen en Roll Over Beethoven afleverde en de fameuze ‘duck walk’ introduceerde. Ook hij kan niet heen om dat onvergetelijke fragment uit de concertfilm Chuck Berry: Hail Hail Rock ‘N’ Roll (1987), waarin Chuck Berry, terwijl zijn vaste pianist Johnnie Johnson met grote ogen toekijkt, Keith Richards tot gekmakens toe de gitaarriff van zijn hit Carol opnieuw laat spelen.

Behoudens een aantal gereconstrueerde scènes – geheel in zwart-wit met enkele zorgvuldig gekozen elementen, Chuck zelf bijvoorbeeld of de door hem bezongen auto’s, in felle kleuren – wikkelt Brewer met Berry’s echtgenote Themetta, enkele van zijn kinderen en bekende fans zoals Alice Cooper en Gene Simmons verder netjes de hoogte- en dieptepunten uit het leven en de loopbaan van Charles ‘Chuck’ Berry (1926-2017) af. Een baanbrekende zwarte artiest die doorbreekt naar een wit publiek – al gaat dat in de jaren vijftig bepaald niet vanzelf.

Illustratief zijn ‘s mans aanhoudende problemen met de wet. Die hebben ongetwijfeld met Chuck Berry’s gedrag en keuzes te maken, maar kunnen in het gesegregeerde Amerika zeker niet los worden gezien van zijn huidskleur. Ook in de muziekbusiness wordt hij aan de lopende band besodemieterd. Berry’s eerste hit Maybelline wordt bijvoorbeeld alleen gedraaid op de radio, omdat een derde van de royalties stiekem zijn verpatst aan de deejay Alan Freed en de een of andere verkoper van kantoorartikelen. Payola, juist. En dan ontdekken de luisteraars dat Chuck zwart is.

Een half leven later zal hij door de films Back To The Future en Pulp Fiction nog een keer ouderwets furore maken. Berry staat dan bekend als een lastpak, een man die met zijn gitaar, een kam en z’n tandenborstel de wereld rondreist en in elke uithoek optreedt met een plaatselijk begeleidingsbandje, waarna hij erop staat om in keiharde cash te worden uitbetaald. Een muzikant ook, die navolgers graag op hun plek zet, zoals Keith Richards dus aan den lijve ondervindt. En een onverbeterlijke ‘womanizer’ die desondanks ook, als we zijn gezin mogen geloven, een echte familieman is.

Tot op hoge leeftijd zal Chuck Berry zijn signatuursongs blijven spelen en de duck walk doen. Totdat de Duivel de man die hoogstpersoonlijk zijn muziek naar de wereld bracht tóch tot zich roept…

Take That

Netflix

De jongens waarvan vrijwel elk meisjeshart in de jaren negentig sneller ging kloppen, zijn inmiddels mannen van middelbare leeftijd geworden. Tijd om te reflecteren, oude glorie te laten herleven en – cynisch bekeken – nog eens te cashen.

Na documentaireproducties over The Backstreet Boys, *NSYNC en Boyzone en portretten van de blikvangers van deze groepen, zoals de tragische broers Nick en Aaron Carter en het Britse enfant terrible Robbie Williams, komt nu Williams’ boyband aan de beurt: Take That (153 min.), de Engelse tegenhanger van de Amerikaanse trendsetter New Kids On The Block (die nog altijd wacht op een serieuze documentaire).

Herstel: niet Williams’ boyband, maar de boyband van Gary Barlow. De absolute spil van het vijftal, door dik en dun gesteund door de bedenker van de groep, Nigel Martin-Smith. Die interne dynamiek lijkt vragen om problemen. Die komen er dus ook. Als Take Thats populariteit bizarre proporties aanneemt, lopen ook de stress en druk op. En dan zijn er altijd weer leden die denken dat hun deel toch echt meer is dan de som der delen.

Bij Take That is het in eerste instantie Robbie Williams die niet meer in de pas wil lopen. En dan duurt het niet lang voordat ook Gary Barlow solo door wil, wat sowieso al z’n oorspronkelijke plan was. Take That geeft in 1996 voor een studio vol hysterische tienermeisjes z’n aller-aller-allerlaatste optreden in, jawel, Ivo Niehes TV Show. Aflevering 2 van deze miniserie van David Soutar is dan alleen pas een minuut of een tien onderweg.

De jarenlange vete tussen Gary en Robbie moet dan nog op gang komen, terwijl de andere groepsleden oplopen tegen de grenzen van het leven van een ex-popster. Stuk voor stuk kijken ze in deze miniserie openhartig terug op de opkomst, ondergang en – tuurlijk! – wederopstanding van hun band. Soutar houdt hen daarbij volledig buiten beeld, zodat die mannen van middelbare leeftijd er blijven uitzien als appetijtelijke boys.

En ondanks alle stress, kinnesinne en onderlinge competitie stevenen ze zo af op de onvermijdelijke conclusie van deze trip nostalgia, verwoord door één van de huidige Take Thatters: ‘Het was het allemaal waard. Echt waar!’

Finding Fela

Kino Lorber

Bij leven en welzijn had Fela Anikulapo Kuti (1938-1997) waarschijnlijk nooit kunnen vermoeden dat hij de hoofdpersoon zou worden van een Amerikaanse musical. Twaalf jaar na zijn dood brengt regisseur/choreograaf Bill T. Jones het levensverhaal van de Nigeriaanse Afrobeat-pionier niettemin naar Broadway. En de musical Fela! vormt meteen één van de belangrijkste bouwstenen voor dit postume portret van de Amerikaanse documentairemaker Alex Gibney.

Finding Fela (119 min.) bestaat dus voor een belangrijk deel uit musicalscènes, met de acteur Sahr Ngaujah in de rol van Fela Kuti, een revolutionair pur sang. In alle opzichten: geïnspireerd door James Brown speelt hij een sleutelrol in de ontwikkeling van een eigen muziekgenre. En net als z’n Jamaicaanse geestverwant Bob Marley krijgt Kuti’s werk gaandeweg een uitgesproken politiek karakter. Het Nigeriaanse regime beschouwt hem als een oproerkraaier. Elk nieuw album kan ‘m op gevangenisstraf komen te staan.

Ze maken me alleen maar sterker, houdt Fela Kuti vol tegenover een interviewer, nadat hij weer eens is opgepakt en afgeranseld. ‘Ooit word ik president van dit land!’ Zover zal ‘t nooit komen – ook doordat hij relatief jong het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. En dat heeft alles met z’n levensstijl te maken. De Afrikaanse ster trouwt bijvoorbeeld met 27 vrouwen (!) en laat desondanks geen andere aantrekkelijke dame ongemoeid. Via seks kan hij spirituele krachten krijgen, meent Fela zelf. In werkelijkheid krijgt hij AIDS.

Met behulp van opwindende concertopnamen, oude reportages en (archief)interviews met Fela Kuti en zijn dochter Yeni, zoons Seun en Femi, voormalige geliefde Sandra Izsadora, ex-vrouw Queen Kewe, drummer Tony Allen, manager Rikki Stein en de bekende fans Paul McCartney en Ahmir ‘Questlove’ Thompson (drummer van The Roots en maker van de muziekdocumentaires Summer Of Soul en Sly Lives!) krijgt Gibney in deze biografie uit 2014 vat op een groots, meeslepend en excessief leven. 

Fela Kuti opereert daarin als de onbetwiste heerser van zijn eigen rijk. Z’n band Africa ’70 en entourage bestaan bijvoorbeeld al uit 28 mensen. Maar als hij eind 1978 in Europa gaat optreden, sluiten er maar liefst 71 mensen aan bij de tournee. Niet te doen, vindt Fela’s meesterdrummer en bandleider Tony Allen. Niet te betalen ook. Er is permanent geldtekort. Na een, overigens klassiek geworden, optreden op het Berlin Jazz Festival besluit Allen zijn drumstokken in de lucht te gooien. Een ander mag ze opvangen.

Daarmee is de man die het ritme bepaalt voor Fela’s lang uitgesponnen grooves verdwenen. Kuti gaat echter onverdroten verder. Africa ‘70 neemt een nieuwe gedaante aan, Egypt ’80, en de leider ervan haakt aan bij een spiritueel adviseur, de schimmige Professor Hindu, die zowaar mensen uit het graf kan laten herrijzen. Alex Gibney tekent zulke smakelijke verhalen vaardig op en smeedt daarmee een ge(s)laagd portret van deze Afrikaanse rebel, polygamist en muzikale legende.

Mel Brooks: The 99 Year Old Man!

HBO Max

Als ambassadeur van de Amerikaanse comedy doet Judd Apatow zich al jaren gelden. Hij speelde als producer een belangrijke rol bij de Hollywood-hits The Cable Guy, Knocked Up en The 40 Year Old Virgin en behoorde tot de drijvende krachten achter series zoals The Larry Sanders Show, Girls en Love.

En als documentairemaker eert Apatow z’n helden. Met The Zen Diaries Of Garry Shandling (2018) bijvoorbeeld en het dit jaar te verschijnen Paralyzed By Hope: The Maria Bamford Story. Samen met Michael Bonfiglio, met wie hij eerder ook al George Carlin’s American Dream maakte, portretteert hij nu ook een levende legende: Mel Brooks: The 99 Year Old Man! (217 min.), in het jaar, op 28 juni om precies te zijn, waarin die honderd jaar oud hoopt te worden.

De Joodse komiek, regisseur, producer en schrijver Mel Brooks (echte naam: Melvin Kaminsky) scoorde in zijn leven kaskrakers zoals The ProducersBlazing Saddles en Spaceballs, maar leverde zo nu en dan ook flinke flops af. Collega’s zoals Ben Stiller, Conan O’Brien, Jerry Seinfeld, Dave Chappelle en Adam Sandler vinden hem ronduit geniaal. Anderen, ‘de critici’ waarvoor hij graag z’n neus ophaalt, noemen zijn werk dan weer dom en platvloers.

Deze lijvige biografie in twee delen, waarin ook z’n zoons Nicholas, Eddie en Max hun zegje doen, neemt zijn leven van begin tot eind door. Sterke verhalen, smakelijke anekdotes en grappige fragmenten te over. Iemand die zo lang leeft, moet zichzelf nu eenmaal steeds opnieuw uitvinden – als producent van serieuze films, gelauwerd musicalschrijver of ‘wise old man’ van de Amerikaanse comedy bijvoorbeeld – en kan diverse malen in en uit de mode raken.

Te midden van alle (on)gein, gevatheid en wansmaak verschijnt een man die alle tegenslag met humor tegemoet treedt en op de één of andere manier altijd de moed vindt om verder te gaan. Nadat zijn echtgenote Anne Bancroft is overleden, spendeert Mel Brooks bijvoorbeeld elke avond bij zijn beste vriend, collega-komiek Carl Reiner. Hij is ook bij hem als Reiner in 2020 op 98-jarige leeftijd overlijdt. En Brooks blijft ook daarna naar diens woning komen.

‘Maandenlang kwam hij naar het huis, nadat mijn vader gestorven was, om daar te zitten, tv te kijken en te eten’, vertelt Carls zoon Rob Reiner, die onlangs samen met zijn echtgenote Michele op tragische wijze om het leven werd gebracht, aan Apatow en Bonfiglio. Brooks vraagt Rob ook om het hem te laten weten als ze het huis willen verkopen. ‘En toen zei ik: misschien is het beter als we het huis te koop zetten, met jou erin? Wellicht is het dan meer waard.’

Wat er ook zijn levenspad komt – een jong gestorven vader, de Tweede Wereldoorlog of bezoek van Magere Hein – Mel Brooks blijft ogenschijnlijk onverstoorbaar doorwandelen. Nog steeds. Totdat de weg toch doodloopt en even later de allerlaatste lach wegsterft…

Paul Weller – Wild Wood

LW_WellerBook_32

Hij is begin dertig en lijkt al volledig uitgerangeerd. De Britse zanger, gitarist en songschrijver Paul Weller is de spil geweest van twee invloedrijke bands, The Jam en The Style Council, maar zit begin jaren negentig zonder platencontract en vraagt zich af of hij zichzelf nog een keer opnieuw kan uitvinden.

Dat is de dramatische setup voor de documentaire Paul Weller – Wild Wood (69 min.) over het (tweede) soloalbum dat hij vervolgens – niet alleen, overigens – begint te maken. Vanaf dat moment gaat alles alleen crescendo. Volgens Paul zelf, zijn muzikanten, hun producer en de platenbaas. En ook fotograaf Lawrence Watson, die het hele opnameproces in The Manor Studio in het landelijk gelegen Oxfordshire vastlegt en meteen voor de iconische hoesfoto zorgt, heeft louter positieve herinneringen.

Eigenlijk kunnen alle betrokkenen ruim dertig jaar dato nog altijd geen enkel vuiltje aan de lucht ontdekken: Wellers songs waren puntgaaf, de sfeer op het Britse platteland was zeer ontspannen (en toch professioneel), de opnames gingen dus geweldig, de reacties op de plaat waren eveneens uitstekend en de optredens daarna zonder meer heerlijk. Het album Wild Wood geldt tegenwoordig niet voor niets als een klassieker, waarbij ‘het plezier van het musiceren’ voorop stond en zich uitstekend had uitbetaald.

Met alle spontaniteit was ‘t bij zijn volgende album Stanley Road (1995) wel gedaan, stelt Weller zelf in deze popdocu van Joe Connor, waarvan er wel veertien in een dozijn gaan. ‘Het geld was goed, maar verder kreeg ik er vooral buikpijn van’, zegt de zanger, ogenschijnlijk uit de grond van zijn hart. ‘Ik vond ‘t daarvoor echt veel leuker, toen ‘t allemaal nog niet zo groot was, iedereen dacht dat je een ster was en al die andere onzin. In zo’n omgeving voel ik me veel prettiger. Dat is mijn ding.’

De Onterechte Kampioen

Video 2000 Deluxe

Theo Maassen is al cabaretier, standup comedian en acteur als hij in 2003 ook documentairemaker wordt met de korte film De Onterechte Kampioen (37 min.). Hij zal daarna ook nog televisiepresentator, regisseur en podcastmaker worden. En tussendoor steelt hij tot twee keer toe (*) een Europese bokaal van zijn favoriete voetbalclub PSV – althans, hij is degene die de UEFA Cup (1978) en de UEFA Super Cup (1988) via de televisie weer terugbezorgt aan de rechtmatige eigenaar.

Als achter straatartiest Heintje Bondo geen echte persoon had gezeten, de kleurrijke Eindhovenaar Huub van Bijnen, dan had hij zomaar een personage kunnen zijn uit de eerste voorstellingen van de cabaretier Maassen. Een oudere, lekker opgefokte versie van De Eindhovenaar bijvoorbeeld. De fanatieke oom van Prins CarnavalBerry van Aerle’s boze buurman. Of een ondergeschikte van Henk van de Tillaart bij Mengvoeders United. Brabanders die voortdurend balanceren tussen komedie en tragedie en intussen, gemoedelijk natuurlijk, hun publiek alle hoeken van de zaal laten zien.

Theo Maassen maakte deze observerende documentaire overigens met zijn jeugdvriend Marco Jansen. Ooit stonden ze samen al heerlijk hinderlijk in beeld tijdens een standupper van Shownieuws-verslaggever Albert Verlinde, nu kijken ze mee hoe Huub bij het Living Statue-kampioenschap in Oostende de hoofdprijs in de wacht probeert te slepen. De avond van tevoren is hij in elk geval strijdvaardig. ‘Ik dacht thuis al: ik sta m’n mannetje wel hoor’, zegt Huub, terwijl hij met een ijsje in de hand rondkijkt in een speelgoedwinkel. ‘Dat doe ik zeker. Ik laat me niet op m’n kop zitten. Dat doe ik niet.’

De volgende dag in de Belgische stad begint ontspannen. ‘Ik doe m’n best en ik hoop dat God de rest doet’, zegt Huub en start monter met de wedstrijd. Totdat hem geruchten bereiken over een concurrent. Behalve dat ie iedereen nat spuit, schijnt ‘De Fontein’ ook helemaal niet te stáán. Hij zít stiekem – althans, daar raakt Huub van overtuigd. ‘Ik sta hier ontzettend mijn best te doen, van heb ik jou daar’, fulmineert hij tijdens een Kees Momma-achtige tirade met Brabantse tongval, die zowel ontroert als op de lachspieren werkt. ‘En hij zit daar prinsheerlijk op een zetel, als de koning van Spanje.’

Maassen toont hoe zijn held ondertussen alles op alles moet zetten om als Amerikaans vrijheidsbeeld stil te blijven staan, laat hem tussendoor lekker uitrazen voor zijn camera en werkt daarna, met de wel erg dramatische themamuziek van de film Requiem For A Dream, toe naar de prijsuitreiking. Waarbij Huub licht beteuterd toekijkt hoe de jury een ander beloont. Of zoals hij dat zelf verwoordt: een ervaring rijker en een illusie armer. Als levend standbeeld mag hem dan geen eeuwige roem vergund zijn, dit aardige portret zet Huub vol in de spotlights, die hij al zijn hele leven lijkt te hebben gezocht.

Enkele jaren later spreekt Theo Maassen bij de uitvaart van Huub van Bijnen (1937-2016) zijn vriend nog eens hartelijk toe. ‘Als de spelers van het Nederlands elftal zijn mentaliteit hadden gehad, dan waren we al vier keer wereldkampioen geweest.’ De schrijver Henk van Straten heeft dan ook al een boek gewijd aan Heintje Bondo, Mijn Beste Nieuwe Vriend (2008).

(*) In 2012 bleek in het televisieprogramma De Wereld Draait Door overigens dat Theo Maassen ook de kampioensschaal van Ajax in z’n bezit had gekregen. Die prijs heeft ie vanzelfsprekend héél snel teruggegeven aan de onterechte kampioen van dat jaar.

All The Walls Came Down

Los Angeles Times

Documentairemaker Ondi Timoner is begin 2025 in Boedapest om een overlevende van de Holocaust te interviewen als ze een appje krijgt van haar overbuurman Randy Vance in Los Angeles County. ‘It’s not looking good’, schrijft hij. ‘My house is gone and I’m sorry to say yours and Steve’s didn’t make it. Most of Altadena is gone.’

Een natuurbrand heeft Timoners woonplaats volledig verwoest. In de loop van twee dagen zijn er 12.500 huizen in de as gelegd. En negentien inwoners komen om in het vuur. Als filmmaker heeft Ondi Timoner (Dig!, We Live In Public en Last Flight Home) geen keuze: ze moet een film maken – al is het alleen uit puur lijfsbehoud.

All The Walls Came Down (39 min.) is de weerslag van het eerste jaar na de brand, als Timoner en haar buren ervaren wat het is om álles kwijt te zijn. Zelfs de as van een ouder. Alles, behalve elkaar. De natuurramp zorgt voor een gevoel van solidariteit bij de bewoners, die met de hardheid van de Amerikaanse samenleving worden geconfronteerd.

Want ook al staat er een rechtszaak van de slachtoffers tegen de verantwoordelijken voor de brand op stapel, in de loop van het jaar komen er toch huisuitzettingen op gang. Bij bewoners die hun hypotheek niet kunnen opbrengen of niet (voldoende) verzekerd waren. Terwijl dat afgebrande huis soms al generaties lang in de familie was.

Bij veel zwarte bewoners van Altadena, die sinds de ramp vastzitten in een goedkoop hotel of slapen in hun eigen auto, vat zelfs het idee post dat de autoriteiten hen eigenlijk wel graag weg willen hebben. Om er duurdere huizen te kunnen bouwen. Never waste a good crisis, toch? Vanachter de solidariteit komt dus ook strijdbaarheid tevoorschijn.

Ondi Timoner legt die eerste rouw- en herstelperiode vast – en is er zelf natuurlijk ook onderdeel van. Het is daarom nauwelijks voor te stellen dat ze dit verhaal nu loslaat. De komende jaren zal die Californische natuurbrand blijven nazinderen en vermoedelijk ook nog wel een vervolg krijgen. Deze korte film is dus vast niet meer dan een eerste aanzet.

Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem

Ça Tourne Productions

Hij rommelt wat aan in en rond zijn zomerhuis in Caraquet, ontvangt er nieuwe en oude vrienden en probeert vooral in leven te blijven. De befaamde Canadese keramist Léopold Foulem slikt inmiddels zo’n vijftien pillen per dag, om de diabetes in toom te houden en z’n hartproblemen te bezweren. Zijn echtgenoot Richard en zus Marie-Paule fungeren daarbij als zijn linker- en rechterhand. Richard bedient de oven en maakt de foto’s van Léopolds werk. Marie-Paule, opgeleid als verpleegster, verzorgt haar broer en ondersteunt hem in de huishouding.

En nu heeft een dorpsgenoot, Renée Blanchar, het plan opgevat om een portret te maken van de vermaarde kunstenaar. Ze kwam vroeger als klein meisje al in Léopolds cadeaushop Le Royaume Du Cadeau. Voor haar was de winkel, vertelt ze geëmotioneerd aan hem, een eerste venster op wat de wereld verder nog te bieden had. ‘Het was alsof ik Ali Baba’s grot binnenging. Ik zag dingen die ik nog nooit eerder had gezien.’ En achter de toonbank stond een flamboyante jonge man zoals ze die nog niet eerder had gezien. Door hem, weet ze nu, is ze zelf later filmmaker geworden.

Haar film heeft dan allang het karakter aangenomen van een Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem (52 min.). Geen gewone keramist overigens, maar een conceptuele keramist. Hij maakt geen decoraties, maar interpretaties van decoraties. ‘Het lijkt misschien een object’, vertelt Foulem aan galeriehouder John Leroux, die bij hem op bezoek komt. ‘Maar is in feite een abstractie ervan. Het object heeft z’n functie verloren.’ Dit misverstand wordt ook in de hand gewerkt door het materiaal waarmee Foulem werkt, keramiek. Daardoor lijkt het al snel alsof hij simpelweg gebruiksvoorwerpen maakt.

Iemand die beter kijkt, zoals Blanchar met haar camera, ziet echter de ideeënrijkdom, de grotere verhalen en de kleine details over pak ‘m beet religie, macht en seksualiteit. Beelden waarmee hij niet alleen haar raakt. ‘Lieve Léopold’, besluit zij dit kleine en huiselijke portret, als de keramist voor de rest van het jaar naar zijn andere huis in Montréal vertrekt, met een persoonlijke voice-over. ‘Je hebt mijn verbeelding verrijkt. Je voedde mijn eerste intuïtie over het bestaan van een wereld waarin je jezelf kunt uitvinden en kunt creëren op je eigen manier.’

Nick Cave’s Veiled World

Sky

In zijn werk gaat Nick Cave onbevreesd de confrontatie aan met het onderbewuste. ‘Hij is op zoek naar de menselijke ziel’, stelt filmmaker Wim Wenders bij de start van Nick Cave’s Veiled World (65 min.). ‘Nick wil weten waarom hij op aarde is. Niet veel mensen willen dat weten.’ Schrijver Irvine Welsh vult aan: ‘We krijgen allemaal met pijn en verlies te maken, met vreugde en euforie. Deze elementen zijn voortdurend met ons in gevecht. En voor mij is dat de plek waar grootse dingen ontstaan.’

Het is helder: in dit associatieve portret probeert Mike Christie de Australische zanger, songschrijver, componist en auteur psychologisch te duiden. In plaats van een ‘en toen en toen en toen’-doorloop van zijn carrière neemt hij een kijkje achter de façade bij de man en kunstenaar, die in z’n oeuvre zo vaak de donkere kanten van het bestaan opzoekt. Hij vervat de ontwikkeling die Cave heeft doorgemaakt in vijf archetypen: de bandiet, de schaduw, de pelgrim, het goddelijke kind en de profeet. Nick Cave zelf komt daarover overigens slechts beperkt – en volledig buiten beeld – aan het woord.

Christie verlaat zich liever op intimi, zoals Warren Ellis, Thomas Wydler en Colin Greenwood (zijn band The Bad Seeds), producer Nick Launay (The Birthday Party), fotograaf Polly Borland, schrijver Seán O’Hagan (co-auteur van het boek Faith, Hope And Carnage), modeontwerper Bella Freud, aartsbisschop Rowan Williams en de filmmakers John Hillcoat, Isabella Eklöf en Pete Jackson (de tv-serie The Death Of Bunny Munro, gebaseerd op Caves gelijknamige roman), Andrew Dominik (One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True) en Iain Forsyth & Jane Pollard (20.000 Days On Earth).

Deze insiders worden stuk voor stuk geïnterviewd in een spaarzaam ingerichte ruimte, waarin één of meerdere meubelstukken zijn afgedekt – als de kanten van de menselijke psyche die verborgen (willen) blijven. In Caves songs krijgen die de kans om zich alsnog in al hun lelijke schoonheid te tonen. Terwijl ze z’n teksten lezen vanaf een typemachine laten Cave-fans zoals Florence + The Machine-voorvrouw Florence Welch (The Mercy Seat) en Red Hot Chili Peppers-bassist Flea (Bright Horses) en de bevriende kunstenaar Thomas Houseago (White Elephant) zijn woorden bovendien op zich inwerken.

Samen schetsen zij een kunstenaar, die al enige tijd boven elke kritiek verheven lijkt te zijn – niet zonder reden overigens. Vraag is wel: waar houdt de man op en begint de mythevorming? Daarop geeft deze boeiende exegese van de kunstenaar Nick Cave geen eenduidig antwoord. Duidelijk is dat hij een enorme ontwikkeling – met de dood van zijn vijftienjarige zoon Arthur in 2015 als scharnierpunt – heeft doorgemaakt: van een losgeslagen podiumbeest dat zijn publiek bijna vijandig tegemoet trad naar een ‘wilde God’ die van zijn concerten zowat een plek voor geloof, hoop en liefde heeft gemaakt.

Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.