Michael Jackson: An American Tragedy

BBC

Het is de tragiek van Michael Jackson (1958-2009). Nooit meer kan hij in ons collectieve geheugen weer dat ogenschijnlijk onbekommerde kindersterretje worden, dat z’n familiegroep The Jackson 5 begin jaren zeventig naar de toppen van de hitlijsten zong. De ongenaakbare popheld, die met het soloalbum Thriller (1982) het ene na het andere record brak en de popmuziek grondig vernieuwde. En zelfs niet die beeldbepalende figuur, met het bizarre gedrag, aan wie de wereld zich kon blijven vergapen.

Sinds hij in 1993 voor het eerst werd beschuldigd van het misbruiken van weerloze kinderen, is alles bezoedeld geraakt: Jacksons ongenadige talent als zanger, songschrijver en danser. Zelfs het weerloze kind dat hij zelf ooit was, in het oog van de wereld opgegroeid en als jongetje al opgezadeld met de verantwoordelijkheid voor een gehele familie, lijkt persona non grata te zijn geworden. Een onschuldig ogend welpje dat gaandeweg zou zijn uitgegroeid tot een grenzeloos seksueel roofdier.

In de driedelige serie Michael Jackson: An American Tragedy (175 min.) neemt Sophie Fuller nog geen uur de tijd om Jacksons leven en carrière te schetsen, vóórdat die helemaal door elkaar worden geschud door de beschuldigingen van de dertienjarige Jordan Chandler en zijn familie. En hoewel die zaak voor ettelijke miljoenen wordt geschikt, blijft hij besmet. Zelfs een huwelijk met de dochter van de King Of Rock & Roll, Lisa Marie Presley, kan de reputatie van de King Of Pop niet meer redden.

Zijn zus La Toya, tot dan de belangrijkste bron van deze miniserie, verdwijnt dan van het toneel. Alsof de familie Jackson, die naar verluidt ook bij de speelfilm Michael weer een dikke vinger in de pap heeft gehad, z’n handen aftrekt van het aardedonkere deel van zijn nalatenschap. Fuller kan echter terugvallen op een brede waaier aan bronnen: zowel vrienden, medewerkers en belangenbehartigers als onafhankelijke waarnemers, critici en de rechercheurs die de beschuldigingen tegen ‘Wacko Jacko’ hebben onderzocht.

Met al die getuigenissen, geïllustreerd met overdadig archiefmateriaal, schetst ze een scherp en toch genuanceerd overzicht van De Casus Michael Jackson: hoe een verknipte, eenzame en diep tragische figuur en z’n team met allerlei kunstgrepen (zoals een beroep op de zwarte identiteit, die hij eerder juist heeft afgezworen) zijn imago proberen te redden. Een man die volgens zijn spirituele adviseur, rabbi Shmuley Boteach, verslaafd is geraakt aan de adoratie van z’n fans en die zijn grip op de realiteit volledig kwijt is.

Martin Bashirs documentaire Living With Michael Jackson (2003 ), waarin Jacksons ongepaste omgang met de minderjarige Gavin Arvizo pijnlijk in het oog springt, lijkt zijn definitieve ondergang te hebben ingeluid, terwijl Leaving Neverland (2019), waarin Wade Robson en Jimmy Safechuck verklaren hoe Jackson hen als kind heeft misbruikt, hem tien jaar na zijn dood definitief brandmerkt als pedofiel – al blijven zijn fans toch wel achter hem staan en valt daar nog altijd een flinke duit mee te verdienen.

De eveneens in het voorjaar van 2026 verschenen docuseries Michael Jackson: The Trial en Michael Jackson: The Verdict zoomen volledig in op de casus van Gavin Arvizo.

OdysSea


Jimmy Kets / Las Belgas / VPRO

Voor zijn eigen OdysSea (61 min.) struint de Belgische fotograaf Carl de Keyzer de Europese kustlijn af, om ‘een wereld die zou kunnen vergaan’ vast te leggen. Gedurende vier jaar legt hij voor de serie Moments Before The Flood ruim 120.000 kilometer af om plekken te vereeuwigen die, als gevolg van de klimaatverandering, zomaar kunnen worden verzwolgen door de zee. ‘Alles verandert’, constateert hij mismoedig. ‘En we gaan het laten gebeuren.’

Documentairemaker Jimmy Kets volgt de fotograaf, een schuchtere man die werkt voor het beeldbepalende Magnum Agency, voor deze bezonken roadmovie uit 2013 een jaar lang langs verlaten stranden, vervallen gebouwen en andere oorden die vast betere tijden hebben gekend. Hoewel hij volgens eigen zeggen helemaal niet van reizen houdt, is De Keyzer onophoudelijk op zoek naar vervreemding, ‘ruïnes van pogingen om met elkaar samen te leven’. 

Hardop mijmerend belicht de fotograaf ook zijn eigen tot mislukken gedoemde pogingen om met anderen samen te leven. Hij heeft drie lange relaties achter de rug en is nu alleen. En zijn twee zoons zijn hem weliswaar zeer dierbaar, maar een goede vader is hij niet geweest voor hen, vindt ie zelf. Altijd maar druk met z’n eigen beslommeringen. ‘Waar ben ik mee bezig?’ vraagt hij zich als een rechtgeaarde sombermans af. ‘Is het dat allemaal waard?’

Kets laat zijn hoofdpersoon zulke tristesse ook doelbewust opzoeken. Alleen in een botsauto. Op een verlaten bowlingbaan. Bij een regenachtige uitkijkplek in Scandinavië. ‘Ik heb mensen nodig’, zegt De Keyzer in de monologue interieur, die deze fraaie en geladen kustfilm aanstuurt. ‘Altijd. In al mijn beelden.’ Als man op een missie snakt ie desondanks naar gewoon geluk. En dat lijkt zich zowaar, toch nog onverwacht, aan de horizon af te tekenen.

Tina In Sexbierum

VPRO

Haar vrienden voorspellen dat ze binnen de kortste keren terug komt naar Amsterdam. Met hangende pootjes, natuurlijk. Want wat heeft zij als Iraanse kunstenares nu te zoeken in – ongemakkelijke stilte, nauwelijks onderdrukte lach of misprijzende blik – een dorp in Friesland? Tina Farifteh (Kitten Of Vluchteling?) gaat het desondanks proberen in het verre Noorden, waar ook nog Nederlanders schijnen te wonen.

In Sexbierum sluit ze vriendschap met de aimabele aardappelboer Auke. Zijn hele familie, inclusief zijn vrouw, ligt begraven in het Friese dorp. En Auke, inmiddels al even in de tachtig, straks ook. ‘Ik wil hier ook koste wat het kost niet vandaan’, zegt hij stellig. Zij krijgen hem echt met nog geen honderd paarden Sexbierum uit. ‘Zelfs jij niet.’ Auke is weleens in Amsterdam geweest, vertelt hij lachend, maar dan wil ie meestal al snel weer terug naar huis. ‘Dan begonnen we halverwege de Afsluitdijk het Friese volkslied weer te zingen.’

Die dijk is Tina, op zoek naar een betaalbare woning, nu ook overgestoken. In Amsterdam heeft ze zich nooit ‘de ander’ gevoeld. Lukt het haar in Sexbierum ook om onderdeel te worden van de ‘Mienskip’, de plaatselijke gemeenschap? Dat lijkt tevens de centrale vraag van de driedelige serie Tina In Sexbierum (95 min.). Kan zij zich als ontwortelde vrouw thuis voelen in de provincie – en buiten haar eigen bubbel? Samen met de plaatselijke bevolking, enkele ‘Hollanders’ en andere import tast Farifteh de grenzen af.

Is het Sinterklaasfeest in Sexbierum bijvoorbeeld een beetje met z’n tijd meegegaan? En in hoeverre is integratie in het Friese dorp werkelijk een proces dat van beide kanten komt? Wat valt er op dat gebied te leren van de fanfare, die is samengegaan met twee andere verenigingen? Naarmate de miniserie vordert, krijgt die ook meer scherpe randjes – niet in het minst omdat de situatie in Fariftehs geboorteland Iran steeds verder ontspoort en zij zich daardoor nog eens extra realiseert waar ze vandaan komt en waar ze nu is beland.

Ver van Teheran verlangt ‘Onze Vrouw in Friesland’ naar een thuisgevoel, waarin al wat zij is op een vanzelfsprekende manier samenkomt. Ze drukt die behoefte uit in een theatrale apotheose, de zorgvuldig gechoreografeerde ontmoeting tussen haar twee werelden waarmee Tina in Sexbierum, onderdeel van een gelijknamig transmediaal project, wordt afgerond. Die voelt enigszins als een Fremdkörper, niet in het minst omdat de held van deze fijne serie, haar steun en toeverlaat Auke, dan even ontbreekt.

Verweesd Eigendom

The Film Kitchen / Max

Ruim tachtig jaar later zijn ruim drieduizend objecten, persoonlijke bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd van Joodse families en kunsthandelaren, nog altijd verweesd.

Tegenwoordig zijn de schilderijen, kasten, tapijten en andere spullen in bewaring bij de Nederlandse staat. Een groot deel bevindt zich in het depot van het Collectiecentrum Nederland te Amersfoort. Researchers gaan vier jaar lang onderzoek doen om deze ‘verweesde objecten’ te koppelen aan nabestaanden van de oorspronkelijke eigenaren, die de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet hebben overleefd.

In de geserreerde documentaire Verweesd Eigendom (50 min.) volgen Piet de Blaauw en Frénk van der Linden dit proces aan de hand van twee concrete voorbeelden. De casus Van Son bijvoorbeeld. Als de Joodse familie uit Hilversum in 1940 met de boot naar Engeland is vertrokken, trekt een NSB’er in hun huis. Na de oorlog blijkt het meubilair en de kunstverzameling te zijn verdwenen.

Het schilderij Lezende Vrouw van de kunstenaar Jan Sluijters uit 1911 is bijvoorbeeld weg. Enkele jaren later duikt het werk ineens op bij de Biënnale in Venetië, waarna het wordt aangekocht door Het Van Abbemuseum in Eindhoven. Namens de jongste zoon Mischa van Son, wiens gezondheid inmiddels erg broos is, probeert familievriend André Broers het schilderij nu terug te krijgen.

De zussen Renée en Denise Citroen krijgen intussen bericht dat er servies is getraceerd van hun grootouders, die zijn vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz. Of ze een claim willen indienen? Dat idee haalt emotioneel heel wat overhoop. In de praktijk blijkt het echter bijzonder lastig om de borden van het echtpaar, dat in Amsterdam een juwelierszaak runde, daadwerkelijk te verkrijgen.

Want hoewel alle betrokken functionarissen en organisaties welwillend zijn om geroofde spullen terug te bezorgen, zit de bureaucratie hen danig in de weg. Tot grote frustratie van de nabestaanden, die het gevoel krijgen dat ze blij zijn gemaakt met een dode mus. Tegelijk wordt de ‘culturele shoah’, constateren de zussen Citroen verontwaardigd in deze ingetogen pijnlijke film, niet gecorrigeerd.

De Nederlandse autoriteiten hebben te veel een ambtenarenmentaliteit om zich emotioneel in te kunnen leven, stelt ook Andre Broers bozig. Het aanvragen van restitutie blijkt steeds weer een mijnenveld waarin het gemakkelijk verdwalen is – en gewond raken bijna onvermijdelijk lijkt. Met als gevolg dat sommige rechthebbenden niet eens meer aan de pijnlijke en dure procedure beginnen.

De Adviescommissie-Asscher adviseerde onlangs overigens aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: maak Joodse roofkunst uit depots zichtbaar.

Hokusai, Impressions De Soleil Levant

France TV / AVROTROS

Zijn echte naam is altijd onbekend gebleven. De Japanse schilder wordt bekend onder zijn pseudoniem Hokusai (noordster). We weten wel dat hij werd geboren op de 23e dag van de negende maan in het Jaar van de Draak van het tiende jaar van het Hōreki-tijdperk, meldt de alomtegenwoordige verteller van de documentaire Hokusai, Impressions De Soleil Levant (58 min.). Ofwel: 31 oktober 1760.

Ruim 250 jaar later spreekt het werk van de kunstenaar nog altijd tot de verbeelding. Hij is opgegroeid in de Japanse hoofdstad Edo, het huidige Tokio. In een land, dat strak wordt geleid door de Shogun en dat zich volledig heeft afgesloten van de rest van de wereld. De jonge illustrator, dan nog Shunrō genaamd, gaat in de leer bij de Shunshō-studio, waar hij zich bekwaamt in de houtbewerkingskunst Ukiyo-e. Met kerven in zachte kersenhoutbokken en verf leert hij kleurrijke prints te maken.

Nauwgezet probeert regisseur Lise Barron de persoonlijke en artistieke ontwikkeling van de latere Hokusai, die ook nog door het leven gaat als Sōri, Taito en Litsu, te reconstrueren. Soms is ze haar protagonist enige tijd kwijt, waarna hij plotseling weer van zich doet spreken met bloemrijke kunst die het Japan van zijn tijd doet herleven. Een wereld van kabuki-acteurs, courtisanes, samoerai, draken en manga, vervat in een ontzaglijke hoeveelheid tekeningen, illustraties en schilderijen.

Barron omlijst haar vertelling over de enigmatische kunstenaar, die zich steeds blijft ontwikkelen en daarbij ook wordt beïnvloed door de grote Nederlandse schilders, met sfeervolle sequenties van woodprinten en sumo-worstelaars en fraaie archiefbeelden van Japanse cultuur. Zo haalt ze een kunstenaar die al een kleine twee eeuwen dood is – en die zich in de jaren voor zijn overlijden overigens Manji noemt – overtuigend naar het hier en nu.

Marlon Brando In Paradise

TVF / vrijdag 1 mei, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

Als de Amerikaanse steracteur Marlon Brando (1924-2004) tijdens opnames voor de Hollywood-film Mutiny On The Bounty begin jaren zestig in de Stille Zuidzee stuit op het prachtige eiland Tetiaroa, weet hij direct: dit is de plek voor mij. Enkele jaren later koopt Brando het paradijselijke oord daadwerkelijk aan.

Het is de vervulling van een jeugddroom: als getroebleerde tiener droomde hij al regelmatig weg bij foto’s van Tahiti. De eilandengroep appelleert ook aan Brando’s geknakte ambitie om wetenschapper te worden en zo een bijdrage te kunnen leveren aan het behoud van de aarde. Het Frans-Polynesische koraaleiland Tetiaroa kan een thuishaven worden voor wetenschappelijke experimenten, bedreigde diersoorten en nieuwe vormen van toerisme (die al snel onbetaalbaar blijken).

Het postume portret Marlo Brando In Paradise (52 min.) van Dirk Heth en Silvia Palmigiano behandelt ‘s mans filmcarrière – die resulteert in klassiekers zoals On The Waterfront, The Godfather en Apocalypse Now – vooral als een decor waarin zijn idealisme, sociale bewogenheid en milieubewustzijn tot volle wasdom kunnen komen. Hij is, in de woorden van zijn biograaf Susan Mizruchi (Brando’s Smile), de eerste ‘celebrity do-gooder’ – en daardoor ook bepaald niet onomstreden.

Als Brando in 1973 bijvoorbeeld weigert om de Oscar voor zijn rol als maffiabaas Don Corleone te accepteren en in zijn plaats een vertegenwoordigster van de Native Americans naar de uitreiking stuurt om de Amerikaanse filmindustrie te bekritiseren, wordt hem dat zeker niet door iedereen in dank afgenomen. Buiten Hollywood voelt Marlo Brando zich duidelijk meer senang. Op Tetiaroa kan hij de man zijn die hij diep in zijn hart wil zijn – ook al blijken niet al zijn ideeën levensvatbaar.

Toch leeft ‘s mans droom, ruim twintig jaar na zijn dood, daar nog altijd voort, getuige bijvoorbeeld The Tetiaroa Society en The Brando Resort. De drijvende krachten achter deze initiatieven, alsmede Brando’s dochter Rebecca, krijgen in deze aardige film over één van de meest uitgesproken mannen van Hollywoods gouden jaren dan ook de rol die doorgaans aan insiders van de filmbusiness is voorbehouden: het inkaderen van de held en op gepaste wijze lof over hem uitstrooien.

Één ding is zeker, stelt zijn voormalige personal assistant Avra Douglas nog: Marlon Brando sprak over zo ongeveer alles liever dan over acteren.

Trailer Marlon Brando In Paradise

Boy Band Confidential

HBO Max

Ze hebben eerder hun verhaal gedaan, belooft het intro van de tweedelige documentaire Boy Band Confidential (177 min.). Maar nog nooit zo. ‘We hebben nooit gepraat over hoe het voelde en wat er is gebeurd’, zegt initiatiefnemer Joey Fatone (*NSYNC). ‘Het is de hoogste tijd’, beaamt Jeff Timmons (98 Degrees). ‘We hebben dit nog nooit besproken.’ Zulke beloften zijn nodig. Want natuurlijk is er allang gesproken over de achterkant van de boybandbusiness.

Timmons zelf deed bijvoorbeeld ook al zijn zegje in de documentaire Larger Than Life: Reign Of The Boybands. Net als Lance Bass (*NSYNC), Nick Lachey (98 Degrees) en Alex ‘AJ’ McLean (Backstreet Boys). AJ en Bass zijn ook te zien in The Boy Band Con, terwijl de Backstreet Boy McLean eveneens optreedt in Dirty Pop: The Boy Band Scam. Daar treft hij overigens Erik-Michael Estrada (O-Town), die eveneens participeert in deze gelikte boyband-productie van Joey Fatone. 

Kunt u het nog volgen? Lang verhaal kort: het vertellen over het leven als lid van een boyband dreigt een business op zichzelf te worden, op het moment dat hun achterban waarschijnlijk richting midlifecrisis gaat en wellicht weer extra geïnteresseerd is. Over de volledig gefabriceerde muziek gaat het dan niet. Wel over: het verbergen van je seksuele geaardheid, gefnuikte solocarrières, geldproblemen, quarter-life crises, verslavingen en – natuurlijk, helaas – seksueel misbruik.

Vanzelfsprekend komt daarbij ook Lou Pearlman weer aan de beurt. Hij lanceerde eerst Backstreet Boys en daarna ook een concurrent voor die groep, *NSYNC. Naast McDonald’s was er immers ook ruimte voor Burger King, een treffende vergelijking. ‘Big Poppa’ beschouwde zichzelf bovendien als een extra bandlid en beloonde zichzelf ook als zodanig – los van het percentage dat hij als manager sowieso al afroomde. En – natuurlijk, helaas – de man had ook andere behoeften.

De mastodont doet dienst als de lelijke tronie van een industrie die volgens direct betrokkenen, waartoe ook insiders zoals manager Joe Mulvihill, medewerker Melissa Bell en groepsleden van Boyz II Men, All-4-One, Take 5 en LFO behoren, zowel geweldig als wreed kan zijn. ‘Succes was mijn wraak’, zegt Johnny Wright, agent van talloze Amerikaanse acts niet voor niets in dit tweeluik dat (opnieuw) een inkijkje geeft in de wereld achter de glitter en glamour van tienersterren.

PS Er zijn overigens ook nog boybanddocu’s, veelal volgens hetzelfde recept, over afzonderlijke groepen (Take That, Boyzone en Bros) en groepsleden (Robbie Williams en Nick & Aaron Carter).

De Bi-Kwestie

NTR

Ze hebben een heel traject achter de rug in de afgelopen twee jaar, de hoofdpersoon en regisseur van De Bi-Kwestie (56 min.). Zowel Zaïre Krieger als Dennis Alink vallen op mannen en vrouwen. Ze identificeren zich als biseksueel. In de openingsscène van deze geheel bijdetijdse documentaire zijn de twee tegenover elkaar gaan zitten aan een tafel, om nog even terug te blikken op de voorbije periode en hun film af te trappen. De voorlopige conclusie? We bestaan niet en toch zijn we met heel veel.

En dan gaat die film over een jonge biseksuele Nederlandse vrouw van kleur, met wortels in Congo, actief binnen de ballroomscene en werkend aan haar eerste bundel als spoken word-artiest, daadwerkelijk van start. De eerste zin van dat boek heeft Zaïre overigens al als ze in gesprek gaat met haar eindredacteur Romana Vrede. ‘For my mom, I hope you like it. I hope you like me.’ De bundel moet volgens haar gaan over ‘multidimensionaal’ zijn, meerdere versies van jezelf. Want alle mensen, bi-personen niet in het minst, verenigen verschillende identiteiten in zichzelf.

‘Ik ben genomen met een strap-on’, vertelt Krieger bijvoorbeeld, als ze haar eigen variant op de archetypische hyperseksuele bi-mens lijkt te spelen, tijdens een etentje. ‘Door iemand die me niet terugappt. Ik voel me daar slecht over en ik haat dat.’ Waar? wil haar gesprekspartner weten, die het spel zo te zien graag meespeelt. Hij bedoelt: in welke stad. Den Haag, antwoordt zij. ‘Hen moest vanmorgen heel vroeg vertrekken voor een muziekrepetitie.’ Ze verduidelijkt, in de taal van haar wereld: ‘Hen noemt zichzelf een lesbienne, een butch-queen homo en tegelijkertijd een cis-man.’

Terwijl Krieger gaandeweg in een serieuze relatie verzeild raakt, werkt aan de bundel die de titel Kameleon krijgt (‘hello, full circle!’ reageert een vriendin enthousiast) en zich in al haar verschillende gedaanten manifesteert in de buitenwereld, wordt zij door Alink uitgedaagd om op zichzelf te reflecteren. Die scènes krijgen soms bijna het karakter van het staren in de eigen en elkaars navel. Indringender wordt het als de jonge vrouw in haar eigen familie naar acceptatie zoekt. Mag ze een vriendin mee naar huis brengen? En zijn haar levenskeuzes te verenigen met het geloof van haar moeder?

Eenmaal op dat punt aangekomen, ogenschijnlijk stiekem vastgelegd met een zendermicrofoontje, lijkt De Bi-Kwestie even achter de façade te komen bij de jonge vrouw die weliswaar meerdere versies van zichzelf aanstuurt, maar toch eerst en vooral ook kind van haar moeder is.

Irvine Welsh: Reality Is Not Enough

Kaleidoscope

Hoe rijk z’n loopbaan inmiddels ook is – als schrijver, deejay en scenarist – zijn naam blijft altijd verbonden aan dat ene boek en de film die daarvan werd gemaakt: Trainspotting. En hij, Irvine Welsh, wordt geacht om zich te gedragen als het personage dat hij destijds in het leven heeft geroepen: de onverbeterlijke drugsgebruiker Mark Renton, vereeuwigd door acteur Ewan McGregor.

Je bent afgekickt van de heroïne, start de Ierse host van de podcast The Michael Anthony Show bijvoorbeeld een interview met de Schotse auteur. ‘Ben je nu gelukkig?’ Voordat Welsh, die inmiddels ook bestsellers als Acid House, Ecstacy en Filth op zijn naam heeft staan, kan antwoorden, volgt alweer een vraag: heb je je ooit geschaamd toen je een junkie was?

Binnen enkele minuten jast Anthony er vervolgens al zijn drugsvragen doorheen: ben je ooit in therapie geweest? Hoe reageerden je ouders toen je aan de heroïne zat? Reageerden ze net als de ouders van Renton? Hoe lekker is heroïne? Was jij degene in de groep die anderen aan de heroïne bracht? Irvine Welsh laat het over zich heen komen. Hij is en blijft Mr. Trainspotting.

Da’s overigens niet geheel onterecht. De schrijver uit Edinburgh heeft inmiddels een hele serie boeken rond dezelfde groep personages afgeleverd. En voor Irvine Welsh: Reality Is Not Enough (88 min.) geeft hij zich bij Field Trip Toronto over aan een sessie met psychedelica. Die wordt door documentairemaker Paul Sng vervolgens gebruikt als ‘a trip down memory lane’.

Van daaruit belicht hij Welsh’s leven en werk, die nog altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden lijken te zijn. En dat geheel, van snedig commentaar voorzien door de schrijver zelf, is weer doorsneden met scènes uit verfilmingen van ’s mans boeken en passages uit zijn romans, die zijn ingelezen door onder anderen Liam Neeson, Stephen Graham en Nick Cave.

Jij kiest het materiaal niet, beweert Irvine Welsh’s intussen stellig in dit aardige schrijversportret. Het materiaal kiest jou. ‘Dus als ik racistische, seksistische, gewelddadige of psychopathische personages tot me krijg, dan is dat maar zo. Ik ga me niet voordoen als een verheven schrijver die de personages in zijn boek goed- of afkeurt.’ Waarvan akte.

Dolly Parton: America Reunited

Arte

Natuurlijk begint dit portret van Dolly Parton met haar grootste hit. Over Jolene, de haaibaai die haar vent probeerde te stelen. Tevergeefs, natuurlijk. De Amerikaanse zangeres, songschrijver en actrice blijkt steeds weer onweerstaanbaar. Niet alleen overigens door haar ‘royale rondingen’, aldus de verteller van Dolly Parton: America Reunited (52 min.). Ook door de tamelijk overdadige manier waarop de inmiddels tachtigjarige ster zich opmaakt en kleedt. Ofwel Dollyfashion, ‘een overdreven versie van vrouwelijkheid’.

Daarachter gaat een vrije, sterke en ambitieuze vrouw schuil. Ferm stippelt ze haar eigen carrière uit, die hier met louter archiefbeelden en -interviews wordt gereconstrueerd door Nicolas Maupied. Als meisje uit de Appalachen debuteert ze halverwege de jaren zestig in Nashville met de single Dumb Blonde, maar blijkt natuurlijk allesbehalve een dom blondje. Zestig jaar later is zij ‘s werelds countryhoofdstad allang ontgroeid. Dolly – achternaam overbodig – is een begrip geworden. De ‘wise old woman’ van de Amerikaanse entertainmentindustrie.

Daarvoor moet ze zich eerst nog wel losmaken van haar vaste muzikale partner Porter Wagoner. Dolly’s afscheid resulteert in nóg een ongenadige wereldhit: I Will Always Love You. Tweemaal zelfs. Als we de aalgladde versie van Whitney Houston meerekenen. Parton heeft zich dan ook al ontworsteld aan de conservatieve countrywereld. Geheel op eigen kracht groeit ze uit tot een pop- en filmster, ontwikkelt zich tot de peetmoeder van de Amerikaanse LHBTIQ+-scene en begint in Tennessee zowaar haar eigen themapark, Dollywood.

Deze televisiedocu zet al die ontwikkelingen, waarbij ze achter de schermen allerlei persoonlijke tegenslagen moet verstouwen en in het openbaar haar sociale hart laat zien, netjes achter elkaar, voegt daar kleurrijke animaties aan toe en laat de sterke vrouw in kwestie, via oude televisie-interviews, tussendoor ook nog reageren. Als Whitney Houston met die cover van Dolly’s ultieme liefdesverklaring ook haar kas flink heeft gespekt, reageert ze bijvoorbeeld met kenmerkende zelfspot. ‘Het kost veel geld om er zo goedkoop uit te zien.’

Zo maakt Dolly Parton zichzelf definitief onweerstaanbaar en blijft ze meteen eeuwig jong. Want intussen is ook Jolene, haar meesterzet als songschrijver, opgepakt door nieuwe generaties

Trailer Dolly Parton: America Reunited

EPIC: Elvis Presley In Concert

Neon

Wanneer hij het podium verlaat, als een veldheer na alweer een zegetocht, beloont ie sommige vrouwelijke fans met een kus. Een enkeling probeert daar een heuse zoen van te maken. En hij stribbelt dan niet tegen. Want de Elvis Presley van EPIC: Elvis Presley In Concert (96 min.) is (nog) niet de Elvis die we sindsdien zijn gaan associëren met Las Vegas: een karikaturale, volgevreten en lamgeslagen showbizzbeest, dat in niets meer doet denken aan de viriele rockgod met de soepele stem, het gebronsde gelaat en de op hol slaande heupen van twintig jaar eerder.

Hier staat nog altijd een rasperformer, vereeuwigd in de periode 1970-1972, die weliswaar ouder en wijzer is geworden, maar desondanks topfit oogt. On top of his game – en dus ook nog altijd onweerstaanbaar voor vrouwelijke fans, die soms bijna in katzwijm dreigen te vallen onder zijn aanblik of het spontaan op een gillen zetten. Terwijl regisseur Baz Luhrmann, die eerder ook de speelfilm Elvis (2022) maakte, ‘The King of Rock & Roll’ bijna halverwege deze docu devote fans laat begroeten, mag hij buiten beeld vertellen over zijn jeugd. ‘Ik was helemaal niet populair’, herinnert Presley zich. ‘Ik had geen vriendinnetje op school.’ Een halve eeuw later eten de meisjes ongegeneerd uit zijn hand.

Het hart van EPIC wordt gevormd door concertfragmenten van deze geïnspireerde Elvis, aangetroffen in een vergeten hoekje van zijn nalatenschap en slim versneden met beelden van de bijbehorende repetities, waarin hij lekker geint met zijn bandleden en oprecht lijkt te genieten van het samen musiceren. Luhrmann kleedt zijn enerverende optredens verder aan met een persconferentie, archiefinterviews, oude televisieoptredens en dus een monologue intérieur. Waarin de man die, zo laat het zich vooralsnog aanzien, ondanks zijn dood in 1977 altijd zal blijven bestaan op een aardse manier de balans opmaakt van een leven in sneltreinvaart, dat daarna snel zijn eindstation zal bereiken.

Hij is ‘maar een entertainer’, laat ie zelf niet na om te zeggen. Met dampende uitvoeringen van You’ve Lost That Loving Feeling, Burning Love en Suspicious Minds toont deze concertfilm deluxe echter overtuigend aan dat Elvis Presley als entertainer nauwelijks z’n gelijke kent.

Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas

VRT / Docville

‘We gaan een documentaire maken van vijftig minuten met alles wat Dennis gedaan heeft en wat hij dus nu doet’, vertelt regisseur Katherine Schmelzer in de openingsscène van Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas (52 min.) aan één van de kunstenaars die daarin aan het woord komt, Peter Fengler. ‘Ja, dat is kort’, reageert die. ‘Dat is krap.’ Zijn Vlaamse collega Gerard Herman vult al snel aan: ‘Ik denk niet dat dat mogelijk gaat zijn om iets van vijftig minuten over Dennis te maken.’ Waarna Sara Weyns, directrice van het Middelheimmuseum, de grap doorzet: ‘Het is een begin…’

Welk leven is er wél in vijftig minuten te vangen? Die vraag dringt zich onwillekeurig op, bij eenieder die de Antwerpse kunstenaar nog niet kent. Die gaat in de navolgende vijftig, snel voorbij fladderende minuten kennis maken met een man die werkelijk niet voor één gat – of door één cameralens – te vangen is: tekenaar, radiomaker, ontwerper, performancekunstenaar, organisator, tatoeëerder en eigenaar van het obscure noise-platenlabel Ultra Exzema. Tijdens deze film legt hij zich toe op het maken van olieverfschilderijen. Voor een expositie in de Tim van Laere Gallery te Rome.

Katherine Schmelzer en coregisseur Pieter Verbiest volgen de creatieve duizendpoot gedurende dit intensieve proces, waarin hun overactieve hoofdpersoon zichzelf weer eens helemaal opnieuw wil gaan uitvinden. Tyfus weet in dit joyeuze portret ogenschijnlijk niet waar hij mee bezig is – en wil dat vermoedelijk ook helemaal niet weten. Zijn vriendin, kunstenares Charline Tyberchein, wordt er soms ‘zot’ van, vertelt ze. Tegelijk lijkt zij hem ook wel een beetje te benijden om die heerlijk onbezonnen werkwijze, ‘hoe da ge dan toch uzelf kunt verrassen terwijl da ge aan het maken zijt’.

Tussendoor maakt het filmmakende duo, aan de hand van uiteenlopende bronnen zoals schilder Luc Tuymans, kunsthistorica Anny de Decker en Sonic Youth-gitarist Thurston Moore, vlotte uitstapjes naar alle lumineuze ideeën, bokkensprongen en rare fratsen die hun protagonist door de jaren heen, in naam van de kunst, op zijn naam heeft geschreven. Wat te denken bijvoorbeeld van No Choice Tattoos? Waarbij iemand een nog onbekende tatoeage kan laten zetten door Tyfus. ‘Laat mij maar doen’, legt z’n vriend Gerard Herman het concept uit. ‘Vertrouw er maar op dat het goed komt.’

De No Choice Taxi biedt klanten dan weer de kans om ‘vrijwillig ontvoerd’ te worden. In de wereld van Dennis Tyfus, die afwisselend een verbaasde glimlach, gefronste wenkbrauwen of een ongecontroleerd schuddende buik oproept, tuimelen de anarchistische ideeën werkelijk over elkaar heen. Met een bijzondere rol voor blokluiten – zo mogelijk in combinatie met zijn (andere) grote liefde, de punkband The Ramones. Of zoals Thurston Moore het treffend omschrijft in een film die met vijftig minuten tegelijk véél te kort en toch precies goed is: joyful disturbance.

De Film Die Nooit Afkwam

&Bromet’/ EO

De zwarte bladzijde uit het filmende leven van Frans Bromet kan in 2017 alsnog worden omgeslagen. De documentaire die hij in de jaren zeventig wilde maken over schilder en Holocaust-overlever Sieg Maandag (1937-2013), waarvan de productie jaren eerder vanwege een volledig uit de hand gelopen conflict tussen Bromet en zijn producent George Becht was afgebroken, kan toch nog worden voltooid.

De Film Die Nooit Afkwam (58 min.) begint bij de foto die George Rodger (1908-1995) van de kleine Sieg maakte bij de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen in 1945. De Britse fotograaf van het vermaarde tijdschrift Life kan, als Bromet hem een heel leven later opzoekt, nauwelijks geloven dat het jongetje zijn leven daarna ‘gewoon’ heeft kunnen vervolgen en nog altijd in leven is. Tot een ontmoeting tussen de fotograaf en zijn subject en de foto die daarvan moet worden gemaakt – het beoogde einde van de nooit afgeronde docu Life’s Picture – zal het door alle productionele perikelen echter nooit komen.

Bromet, zelf afkomstig uit een Joodse familie, wilde toentertijd nadrukkelijk uit de zwaarte weg blijven. Niet te veel inzoomen op de ontzaglijke ellende van het kamp, bijvoorbeeld – ook omdat hij die confrontatie zelf nauwelijks aankon. In plaats daarvan filmde hij opgeprikte, soms bijna clowneske reconstructiescènes, waarin Maandag zijn eigen belevenissen naspeelde. Die waren vermoedelijk ook de spreekwoordelijke druppel voor producent Becht. Samen met Sieg Maandags weduwe Karen en zijn kinderen Sarah en Simon kijkt de filmmaker het beeldmateriaal nu terug en bespreekt met hen de man daarachter.

Gaandeweg wordt tevens duidelijk hoe, waarom en door wie Bromets oorspronkelijke film werd getorpedeerd en hoe de direct betrokkenen, waaronder hijzelf, daar jaren later op terugkijken. De tijd lijkt in elk geval deze wonden wel te hebben geheeld. En met De Film Die Alsnog Afkwam kan Bromet toch zijn oorspronkelijke vraag beantwoorden: hoe kan een mens verder leven na het concentratiekamp? De vraag is dan alleen nog hoe hij die nieuwe docu naar z’n einde kan brengen. En ook die vraag wijst uiteindelijk zichzelf, in deze boeiende film over de erfenis van de Tweede Wereldoorlog en hoe die te beheren.

De Film Die Nooit Afkwam is hier te zien.

Naked Ambition

Music Box Films

Ze wordt ‘the world’s most prettiest photographer’ genoemd. Dat is niet zo gek. Linnea Eleanor ‘Bunny’ Yeager (1929-2014) is haar carrière gestart als pin-upgirl. Als fotograaf weet zij vervolgens het beste uit haar eigen modellen te halen. Ze heeft het vermogen om van elk knap meisje een onweerstaanbare vamp te maken en schuwt naakt daarbij niet. In de jaren vijftig zoekt Bunny zo doelbewust de grens op van wat nog als acceptabel en smaakvol wordt gezien.

Bij haar voelen fotomodellen zich veilig en durven ze meer van zichzelf te laten zien. Het voormalige fetishmodel Bettie Page bijvoorbeeld, in (en zonder) een luipaardpakje. De foto’s vormen de opmaat naar een kerstreportage in Playboy, waarmee ze allebei definitief doorbreken. Yeager groeit al snel uit tot de hoffotograaf van het ultieme mannenblad en slaat haar vleugels daarna uit naar boeken en films. Totdat ze begin jaren zeventig onaangenaam wordt verrast door de opkomst van pornografie en explicietere bladen zoals Penthouse en Hustler.

Tegen die tijd begint Naked Ambition (72 min.), het postume portret dat Dennis Scholl en Kareem Tabsch van de fotografe hebben gemaakt, zich te richten op de magere jaren van Bunny Yeager, waarin het haar zowel persoonlijk als professioneel bepaald niet voor de wind gaat. Haar dochters Lisa en Cherilu herinneren zich nog goed hoe hun moeder destijds geen cent te makken heeft. Totdat Bettie Page in de jaren negentig wordt herontdekt als een symbool van vroege vrouwelijke seksualiteit en Yeagers oeuvre zowaar doordringt tot de kunstwereld.

Met prominente bronnen zoals televisiepresentator Larry King, Playboy-oprichter Hugh Hefner, fotograaf Bruce Weber, actrice/regisseur Guinevere Turner en het burleske model Dita von Teese tekenen Scholl en Tabsch de fotografe, die zelf ook regelmatig voor de camera blijft verschijnen en zo misschien wel de weg plaveit voor wat we nu selfies noemen, met grove penseelstreken op, in een film die tamelijk braaf blijft en nooit écht doordringt tot de vrouw achter het icoon. Bunny Yeager blijft eerst en vooral een baanbrekende vrouwelijke kunstenaar.

Studio One Forever

Kanopy

Héél Hollywood kwam er in de jaren zeventig: Liza Minnelli, Rock Hudson, Betty Davis, Cary Grant, Gregory Peck, Diana Ross, Kirk Douglas, Burt Reynolds…. In Studio One Forever (96 min.) lijken de oud-medewerkers en -bezoekers van de gayclub in Los Angeles de namen van alle bekende bezoekers, die ze zich nog kunnen herinneren van die wilde tijden, te willen droppen. Totdat het de kijker bijna begint te duizelen…

Homo-emancipatie was destijds bepaald nog niet vanzelfsprekend. Studio One, een voormalige filmstudio in West Hollywood, speelde een sleutelrol in het ontwikkelen van een eigen cultuur voor de Amerikaanse LHBTIQ+-gemeenschap, daarover zijn alle betrokkenen het een halve eeuw later wel eens. En op de dansvloer werd meteen de basis gelegd voor de dominante muziekstroming van de jaren zeventig: disco.

Van de New Yorkse tegenhanger Studio 54, die eerst de kunst kwamen afkijken en daarna ook maar een jaar of drie open waren, moeten ze in elk geval nog altijd weinig hebben. Studio One, met al z’n onweerstaanbare ‘menergy’, was écht veel puurder, bracht bovendien eigen queerhelden zoals SylvesterDivine en Wayland Flowers and Madame voort en had dus ook nog eens aanzienlijk meer Ausdauer dan 54.

Zoals één van de insiders ’t geheel in stijl verwoordt: New York mocht dan de Stonewall-opstand hebben en San Francisco de moord op het homoseksuele gemeenteraadslid Harvey Milk, maar wij in Los Angeles hadden de enige echte Studio One. Van de mannen die met ontbloot en bezweet bovenlijf op foto’s en film uit die tijd staan is alleen een groot deel niet meer in leven. Drugsverslavingen en – vooral – AIDS eisten hun tol.

Ook die keerzijden van de medaille komen natuurlijk uitgebreid aan de orde in deze vlotte film van Marc Saltarelli, waarin oude tijden herleven en, in het kader van het behoud van cultureel erfgoed, ook het pand van Studio One nog van de ondergang moet worden gered.

Green over Gray: Emilio Ambasz

AVROTROS

Groen over grijs. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn, aldus Emilio Ambasz. Een architect dient als beschermheer te fungeren voor de stenen woestijn die de mens heeft gemaakt van zijn steden. De natuur moet daarin worden teruggebracht. Niet als decor of decoratie, maar als integraal onderdeel van een organisch geheel van de mens, z’n woon- en werkomgeving en de aarde. Zo brengt de Argentijnse visionair vanaf de jaren zeventig architectuur en natuur weer bij elkaar en vraagt hij tevens aandacht voor de noodzaak om te strijden tegen wat we later klimaatverandering zijn gaan noemen.

In de gestileerde documentaire Green Over Gray: Emilio Ambasz (52 min.) tonen Francesca Molteni en Mattia Colombo daarvan enkele fraaie voorbeelden. Het imposante huis La Casa de Retiro Espiritual in Sevilla bijvoorbeeld. De botanische tuin van het Texaanse San Antonio. Het ACROS-gebouw in Fukuoka in Japan, dat eerst alleen een betonnen kolos leek, daarna langzaam overwoekerd raakte door groen en toen z’n volledige potentieel onthulde. En met het Ospedale Dell’Angelo in het Italiaanse Venice-Mestre toonde Ambasz aan dat ook een ziekenhuis kan worden vergroend.

Aan de hand van deze sprekende voorbeelden laten enkele collega-architecten en kenners hun licht schijnen over de visie, werkwijze en impact van hun enigmatische collega, die zelf met enkele poëtische teksten z’n eigen mythe nog eens versterkt. Ambasz tekent naar verluidt helemaal niet om z’n ideeën stapsgewijs aan te scherpen. De concepten komen in hun totaliteit tot hem. Alsof ze allang ergens rondzweefden en alleen nog door hem, de man met het idee, esthetische gevoel en ideaal, uit de lucht moesten worden gepakt, om vervolgens op de dorre aarde te worden gedropt.

Deze film – over het levenswerk, in plaats van het leven daarachter – brengt de visie van Emilio Ambasz overtuigend over het voetlicht.

Streetart Frankey

September Film

Met zijn guitige lach, pretoogjes en – jawel! – Frankey-rode muts zou hij kunnen doorgaan voor een personage uit zijn eigen oeuvre. Sterker, misschien is Streetart Frankey (68 min.) – want over hem hebben we ‘t – dat ook wel. Een naïeve, speelse en grappige kaaskopvariant op – pak ‘m gerust beet – de Britse straatkunstenaar Banksy.

Frankey is de man achter de legoversie van André Hazes op de Dam, een waterkraan die eruit ziet als Manneke Pis en de (Nederlandse) leeuw met het helpbordje die kopje onder gaat in een hoofdstedelijke gracht. Als een soort Kuifje in Amsterdam begeeft hij zich op het kruispunt tussen Maurizio Cattelan, Wim T. Schippers en – daar istie weer! – Banksy. Schatplichtig aan Suske en Wiske, Ghostbusters en Buurman & Buurman.

Peter Wingerder volgt Frankey, die eigenlijk – ssst! – Frank de Ruwe heet, van de ene vette knipoog naar de andere schelmenstreek. Samen met zijn geliefde Urs Hasham, die het ‘megaleuk’ vindt om mee te doen en mee te helpen, maakt ie van elke (on)bezonnen actie ook een lekkere foto, die onderdeel is van ’s mans alsmaar uitdijende collectie straatkunstwerkjes, waarmee hij ook best ’s werelds galerieën en musea in wil.

’s Mans strapatsen worden in deze joyeuze film opgeleukt met tekeningen van Typex en animaties van Ot Leendertse. Met een poppetje van een speels figuurtje met een Frankey-rode muts bijvoorbeeld. Zo heeft Streetart Frankey – de docu dus – uiteindelijk hetzelfde effect als het werk van de Nederlandse kunstenaar, designer en handige jongen met precies dezelfde naam: een mens wordt er zowaar vrolijk van.

Kom daar maar eens om in tijden waarin het begrip – lees het navolgende woord aub met gefronste wenkbrauwen –  ‘documentaire’ toch vooral associaties oproept met de oorlog in Oekraïne, het lijden van Gaza en de wankelende democratie in de Verenigde Staten. Over dat laatste gesproken: Frankey – en in zijn kielzog: Wingerder – is erbij als dat wankelen (weer) begint: tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024.

Als de held van dit verhaal – nee, niet Donald Trump! – New York heeft voorzien van openbare Teenage Mutant Ninja Turtles en WALL-E verkeersborden, hijst hij zich in een levensgrote Hug For Unity-knuffelbeer. Voor de verandering zónder Frankey-rode muts. Als ie in dat pak, in het kader van de naderende verkiezingen, de straat op wil, moet Frankey echter wel een kogelvrij vest aan. Het blijft tenslotte Amerika.

Daar schrikt hij zich een hoedje – vast niet Frankey-rood – bij een campagnebijeenkomst van de Republikeinse presidentskandidaat: ‘nog nooit zo’n negatief event meegemaakt’. En dan wordt de zelfverklaarde held nog gekozen ook! Is de beoogde campagne ‘Frankey Comes To America’ daarna nog wel gepast? vraagt de echte held – Streetart Frankey dus – zich dan af. Al te lang laat hij zich echter niet uit het veld slaan. De plicht/pret roept!

En dus eindigt deze documentaire waar ie begon: bij een zorgvuldig voorbereide en secuur uitgevoerde ludieke actie van de Frankey-rode muts en het mannetje daaronder, de enige echte Frankey.

Borrowed Time: Lennon’s Last Decade

Kaleidoscope / VPRO

Voor documentairemakers zijn acts als The Beatles niets minder dan ‘the gift that keeps on giving’. Steeds is er weer nét een andere ingang, nieuwe bron of frisse invalshoek om de illustere Britse popband of het leven van (één van) ‘The Fab Four’ te belichten. Met John Lennon (1940-1980), niet in het minst door zijn tragische einde, als overduidelijke favoriet.

Borrowed Time: Lennon’s Last Decade (134 min.) probeert zijn leven ná The Beatles in kaart te brengen en kan dus doorgaan voor de zusterfilm van Paul McCartney: Man On The Run, de documentaire waarmee onlangs werd gedocumenteerd hoe Lennons muzikale bloedsbroeder zich losmaakte van de legendarische popgroep die van hen allebei iconen had gemaakt.

De film van Alan G. Parker is ook meteen een soort tegenhanger ervan. Waar McCartney en mensen uit zijn directe omgeving buiten beeld terugblikken aan de hand van bijzonder, soms nog niet eerder toegankelijk gemaakt archiefmateriaal, wordt deze Lennon-docu vooral bevolkt door bronnen uit zijn periferie en een hele stoet biografen, journalisten en andere deskundigen.

Zij spreken overigens niet met meel in de mond. Ze belichten tevens Lennons maar al te menselijke kanten, zijn (verplicht) kritisch over z’n partner Yoko Ono en strooien intussen met smeuïge anekdotes. En natuurlijk vergeten ze ook hun eigen, vanzelfsprekend héél bijzondere, ervaringen met de aanbeden Beatle niet. Samen schetsen ze zo een aardig beeld van Lennons laatste decennium.

Van hun uitgebreide verhalen moet deze praterige film ‘t ook hebben. Want hoewel Borrowed Time oude interviews bevat met John Lennon, diens tante Mimi en de andere Beatles, die bijvoorbeeld reageren op zijn gewelddadige dood, moet de documentaire ‘t wel zonder zijn muziek doen. En die had, zo is al veel vaker aangetoond, wonderen kunnen doen.

The Rise Of The Red Hot Chili Peppers: Our Brother, Hillel

Netflix

De band moet nog definitief doorbreken als het oorspronkelijke driemanschap van The Red Hot Chili Peppers al uiteenvalt in 1988.

De drie hebben elkaar eind jaren zeventig leren kennen op Fairfax High, een middelbare school in Los Angeles. Anthony Kiedis en Mike Balzary zien er het bandje Anthym optreden. Enige tijd later krijgen ze een lift van de gitarist, Hillel Slovak. De drie worden onafscheidelijk. En als de bassist van Anthym er de brui aan geeft, vraagt Hillel Mike. Die heeft nog nooit een basgitaar aangeraakt, maar hapt toch toe. ‘Hij geloofde in mij’, vertelt Mike, een jongen uit een getroebleerd gezin die zich tegenwoordig ‘Flea’ noemt. ‘Hij zag me.’ Bij de gedachte aan dat moment moet de bassist ruim veertig jaar later nog altijd zijn emoties wegslikken. ‘Dat heeft mijn leven definitief veranderd.’

Wanneer Hillel en Flea, die z’n heil een tijdje elders zoekt als Anthym niet echt van de grond komt, weer eens samen willen optreden, sluit ook die andere boezemvriend, Anthony, zich bij hen aan. Zij worden in de rug gedekt door Anthym-drummer Jack Irons. De allereerste incarnatie van The Red Hot Chilli Peppers maakt in december 1982 z’n live-debuut voor een dolenthousiast publiek. Het zal alleen nog jaren kosten voordat de band definitief vlam vat. Tegen die tijd hebben ook drugs al hun verpletterende entree gemaakt. Of zoals Hillel ’t, volgens zijn vriendin Addie Brik, zegt: het is vrijdag, waar is de tofu? Voor Anthony en hem is het alleen al snel elke dag vrijdag.

De Peppers gaan er bijna aan onderdoor en moeten afscheid nemen van Slovak, het eindstation van deze film. Hij wordt opgevolgd door John Frusciante, die later in zijn eigen drugshel zal belanden – in 1994 vereeuwigd in een geruchtmakende aflevering van het Nederlandse muziekprogramma Lola da Musica. Zover komt The Rise Of The Red Hot Chili Peppers: Our Brother, Hillel (95 min.) niet. Documentairemaker Ben Feldman concentreert zich volledig op de onstuimige beginjaren van de Amerikaanse groep en had dus even goed Becoming Peppers kunnen heten. Net als vergelijkbare portretten van muzikale helden zoals David Bowie, Led Zeppelin en Madonna.

De roem en het succes die later altijd vanzelfsprekend lijken te zijn geweest, liggen dan nog in de toekomst verscholen. De meeste Anthony Kiedissen en Fleas van deze wereld – jong, wild en klaar om de wereld te veroveren – lopen onderweg averij op of bereiken, zoals hun maat Hillel Slovak, nooit de jaren waarin het sterrendom wel degelijk komt. Zijn voormalige boezemvrienden betonen de gitarist, tevens tot leven gewekt met z’n tekeningen en persoonlijke geschriften, in deze film alle eer. Hij stond mede aan de basis van – of, zoals dat nu eenmaal gaat bij gevallen helden: hij was de onbetwiste inspiratiebron voor – wat zij uiteindelijk wél zijn geworden.

When I Go Outside

Too Many Words Inc. / AVROTROS

In zijn huidige thuis, de Canadese stad Winnipeg, maakt de Koerdische kunstenaar Bîstyek een replica van de benauwde kamers waarin hij, eerst in Syrië en daarna in Libanon, als kind opgroeide. Die representeert de pittige jeugd die hij heeft gehad, vol gevaren en ontberingen, met het hele gezin in een eenkamerappartement. Zonder vader bovendien, want die overleed vlak na zijn geboorte.

Samen met zijn onverzettelijke moeder en broers probeerde Bîstyek, dromend van een eigen stem en een podium om die te laten horen, te overleven in een kille omgeving. Die vijandigheid ontdekte hij al op jonge leeftijd. Als jongetje werd hij hardhandig geconfronteerd met zijn identiteit. Een tekening die de jonge Bîstyek maakte van de Koerdische vlag werd door een docent bijvoorbeeld beloond met een oorvijg.

Als vluchteling heeft hij dus helemaal geen ‘mijn land’ om naar terug te verlangen, toont Geordie Sabbagh in de documentaire When I Go Outside (69 min.). Alleen een plek waar hij toevallig is geboren. In zijn huidige thuis Canada gaat de autodidact Bîstyek, die regelmatig wordt vergeleken met de befaamde straatkunstenaar Jean-Michel Basquiat ook aan het werk in die representatie van zijn vroegere kinderkamer.

In de beklemmende ruimte zet hij een bed neer en begint te werken. Totdat die kamer, de zelfgebouwde kooi waar hij ook weer uit wil breken, zijn gehele leven tot dusver omvat – of tenminste Bîstyeks eigen visie daarop. You don’t belong, staat er bijvoorbeeld op de muur, te midden van zijn kleurrijke, graffiti-achtige werk. Of: I will get out of here. En, terugdenkend aan hoe hij als kind al beroemd wilde worden: I wasn’t dreaming.

‘Zijn kunst is een reflectie van onze levens’, zegt een Koerdische vluchteling, die eveneens in Canada is beland, aan het begin van dit levendige portret, dat onderweg wel wat praterig wordt. Vanuit zijn eigen perspectief kijkt Bîstyek naar de Amerikaanse populaire cultuur, constateert een andere liefhebber van ‘s mans ‘outsider art’. En tegelijkertijd geeft hij een nieuwe draai aan de cultuur van het Midden-Oosten.