The Story Of Ne Kuko

Doxy

Het nkisi-beeld dat in Kinkuku, een bergdorp in de Congolese provincie Boma, nog altijd een enorme spirituele kracht wordt toegedicht, heeft in het Belgische Africa Museum simpelweg een inventarisnummer gekregen. 0.0.7943 om precies te zijn, voor het zogenaamde krachtbeeld van koning Ne Kuko. Het staat al ruim honderd jaar in een vitrine in Tervuren. Gereduceerd tot een artefact uit de koloniale tijd, dat er bijna om vraagt om terug gestolen te worden.

En dat is precies waar de Pan-Afrikaanse restitutie-activist Mwazulu Diyabanza zich mee bezighoudt. In de openingsscène van de zinnenprikkelende film The Story Of Ne Kuko (26 min.), die was genomineerd voor een Gouden Kalf voor beste korte documentaire, ontvreemdt hij als een Afrikaanse Robin Hood een beeldje uit het Nederlandse Afrika Museum in Berg en Dal. De hele actie – en zijn navolgende aanhouding – laat Diyabanza zelf filmen. Hij staat immers volledig in zijn recht. 

Met dit boude staaltje ‘decolonizing art’ geeft documentairemaker Festus Toll z’n film direct een pikstart. In de messcherpe, associatieve en ritmische vertelling vertegenwoordigt zulk Afrikaans erfgoed ook elementaire bescherming tegen malheur. Zonder hun beschermheilige voelen de inwoners van Kinkuku zich minder goed beschermd. Met het geroofde erfgoed is bovendien een deel van hun collectieve identiteit verdwenen. Een deel van wie hen maakt tot wie ze zijn.

Toll laat in dat kader ook een voorouder aan het woord. Die verhaalt over de Belgische ontdekkingsreiziger Alexandre Delcommune, die steun zocht bij Ne Kuko’s nkisi. Rijke en machtige Europeanen zoals hij wisten dorpshoofden zover te krijgen dat ze hun land – en dat van hun voorouders – aan hen verkochten voor plaatselijke varianten op spiegeltjes en kraaltjes. In een archief te Brussel is te zien hoe dat in praktijk werkte: Ne Kuko heeft op 19 april 1884 zo’n verdrag ondertekend met een kruisje.

Met behulp van zijn complete filmische trukendoos, inclusief een prikkelend stem- en geluidsdecor, gebruikt Festus Toll het tragische verhaal van de Congolese leider als voorbeeld van de vervloekte geschiedenis van geroofde Afrikaanse kunst – onlangs eveneens belicht in Mati Diops bekroonde hybride van docu en fictie, Dahomey – en toont hoe die doorwerkt in het heden. Intussen staart Ne Kuko’s ontwortelde nkisi vanuit z’n Belgische vitrine nog altijd wezenloos voor zich uit.

Wachtend op z’n eigen Mwazulu Diyabanza.

Tom Petty: Heartbreakers Beach Party

Piece Of Magic

Toen de verloren gewaande docu Tom Petty: Heartbreakers Beach Party (65 min.) oorspronkelijk werd uitgebracht in 1983, golfden de Amerikaanse rocker en z’n band nog op het succes van hun derde album Damn The Torpedoes. Hun muziek paste perfect bij de rock van Bruce Springsteen, John Mellencamp en Little Steven, die begin jaren tachtig immens populair werd in de Verenigde Staten. En Petty en de zijnen wilden maar al te graag hun nieuwe elpee Long After Dark (1982) aan de man gaan brengen.

Vandaar ook die film. En de regisseur (en presentator) daarvan, Cameron Crowe, was in die jaren nog een jonge en springerige popjournalist. Pas later zou hij zich manifesteren als volwaardige cineast en zijn eigen herinneringen als jeugdige medewerker van Rolling Stone verfilmen onder de noemer Almost Famous (2000), de ultieme grunge-film Singles (1992) maken en één van de toonaangevende bands van dat rockgenre portretteren in de documentaire Pearl Jam Twenty (2011).

Toen Crowe met Tom Petty filmde, konden ze geen van tweeën vermoeden wat de toekomst nog in petto zou hebben voor de zanger/gitarist. Dat hij met Bob Dylan, Roy Orbison, Jeff Lynne en George Harrison de supergroep Traveling Wilburys zou vormen. Dat hij met The Heartbreakers nog veel grotere successen zou smaken. En dat in 2017 een hartstilstand een einde zou maken aan het leven van hem en van zijn groep, die toen net uitbundig z’n veertigjarige jubileum had gevierd.

Dat Petty nog veel meer van zichzelf zou gaan laten zien in z’n liedjes, vermoedde Cameron Crowe al in 1983. In de outtakes die aan deze heruitgave van de docu uit 1983 zijn toegevoegd, vertelt hij dat de persoonlijke insteek van pareltjes zoals Kings HighwayLearning To Fly en I Won’t Back Down zich toen al aandiende. Samen met een korte vooraankondiging geven zulke deleted scenes, inclusief een gesprekje met Petty’s dochter Adria (in totaal: 19 min.), Crowes oorspronkelijke film extra context.

Het interview dat Petty, met zonnebril, gaf in een limousine valt daardoor beter op z’n plek. Die setting was bedoeld als commentaar op de karikaturale rocksterrenattitude. ‘Ja, ik rol altijd m’n eigen sigaretten’, grapt hij voor het officiële interview begint. Tegelijkertijd zitten zulke clichés soms ook gewoon in die film. Waar denk je aan tijdens het drummen? vraagt een jonge Crowe bijvoorbeeld aan drummer Stan Lynch. ‘Wil je het eerlijke antwoord?’ vraagt die. ‘Ik denk aan…’ De rest is weg gebliept.

Verder is het ‘business as usual’ in deze docu: live-uitvoeringen van enkele bekende hits (American GirlRefugee en Listen To Her Heart), een interview bij Petty thuis, studiobeelden met Fleetwood Mac-zangeres Stevie Nicks, een Q&A met fans én een officiële gelegenheid in Petty’s geboorteplek Gainesville, waarbij hij van de burgemeester de sleutel van de stad krijgt overhandigd. Het is weer eens wat anders dan moeten verschijnen voor de jeugdrechtbank, reageert de rocker droog.

Deze documentaire toont Tom Petty in zijn jonge jaren als artiest, op een moment dat hij nog zo’n 35 jaar leven en carrière voor de boeg heeft, een toekomst die inmiddels alweer enkele jaren achter hem ligt.

Theo van Gogh, De Hunkering

Andy Gray / BNNVARA

Zou hij toch nog een grote publieksfilm hebben gemaakt? Over welke onderwerpen zou Theo zich boos maken? En welke zelfverkozen vijanden zou hij aanhoudend tot op het bot hebben beledigd?

Twintig jaar nadat Theo van Gogh (1957-2004) op klaarlichte dag met bruut geweld werd gedood op de Linnaeusstraat – door burgemeester Job Cohen destijds vervat in de onvergetelijke woorden ‘er is vandaag een Amsterdammer vermoord’ – lijkt de filmer, meesterinterviewer, columnist, provocateur, televisiemaker en onversaagde ridder voor het vrije woord nog even relevant als in de pak ‘m beet 25 jaar dat hij de goegemeente compleet voor zich innam of geestdriftig tegen zich in het harnas joeg.

Nadat Cohens zoon Jaap dit jaar al een zéér leesbare biografie uitbracht, De Bolle Gogh, is er nu een vierdelige serie van documentairemaker David de Jongh, die eerder schrijfster Renate RubinsteinFrans Bromet en zijn eigen vader, de fotograaf Eddy de Jongh, vereeuwigde in zéér kijkbare films. Theo van Gogh, De Hunkering (193 min.), gebaseerd op research van Jaap Cohen, start bij ‘s mans tragische einde op 2 november 2004 en fladdert daarna associatief door z’n veelbewogen leven.

Het verteltempo ligt enorm hoog – alsof zo Van Goghs dadendrang moet worden benaderd. De miniserie krijgt daarmee ook iets hakketakkerigs. Het ene deelonderwerp is nog niet afgewikkeld – met een springerige montage van (ingelezen) interviewfragmenten, filmscènes, columns, persoonlijke brieven, gedramatiseerde taferelen en korte quotes van een veelheid aan sprekers – of een volgend thema klopt alweer op de deur. Het verveelt geen seconde, maar of alles ook even goed binnenkomt?

Theo van Gogh, De Hunkering wordt min of meer chronologisch verteld en begint dus bij de gelukkige jeugd waaraan hij volgens eigen zeggen leed in Wassenaar. Met een zeer uitgesproken moeder, de regelmatig met haar botsende vader en beroemde familieleden, schilder Vincent van Gogh en diens broer Theo, om tegenaan te schoppen en stiekem te bewonderen. Vrijwel alle mensen die ertoe deden in zijn hoekige bestaan zijn verder van de partij en spreken zonder meel in de mond.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen: zijn zussen Jantine en Josien en zoon Lieuwe hebben geen zin in een interview. Ellik Bargai, de hoofdpersoon van Van Goghs film Vals Licht (1993) die er met zijn vriendin Heleen vandoor ging, laat ook verstek gaan. En vanzelfsprekend zijn ook de mikpunten van Theo’s spot, weerzin en woede, op alle mogelijke manieren en langdurig in de openbaarheid uitgevent, wel wijzer. Geen Thom Hoffman, Sonja Barend, Leon de Winter, Caroline Tensen of Monique van de Ven dus.

Behalve al Van Goghs publieke activiteiten en zijn permanente oorlog tegen hypocrisie blijft er dan nog méér dan genoeg smeuïgs over: uitbundig fabuleren, drugsgebruik, allerlei vormen van deviante seks en een al dan niet geconsumeerd Oedipus-complex bijvoorbeeld. In die wirwar van beelden en typeringen is vooral Van Goghs buitenkant te zien: die pretoogjes, sardonische grijns en dikke pens, na alwéér een duivelse provocatie. De man – of zo u wilt: het jongetje – daarachter houdt zich veelal schuil.

Dat zit ongetwijfeld ook in de aard van het medium televisie. Jaap Cohens biografie voelt minder als een rariteitenkabinet en is coherenter en genuanceerder dan deze miniserie. De Jongh kan dan weer de aanloop naar Van Goghs dood indringend in beeld brengen. Zijn bikkelhard verwoorde kritiek op de Islam mondt uit in de controversiële film Submission. Die maakt hij op initiatief van Ayaan Hirsi Ali. Het is volgens journalist Yoeri Albrecht een ‘game of chicken’. Theo wil niet voor haar onderdoen.

En daarmee komt in de zomer van 2004 een fatale dynamiek op gang rond Van Gogh, die er ten onrechte van overtuigd leek te zijn dat een ‘dorpsgek’ niet vermoord zou worden. Geen nieuwe films, fixaties of vijanden meer. Geen larger than larger than life-persoonlijkheid ook, met ongetwijfeld een verrassend klein hartje. En hoewel hij inmiddels twintig jaar dood is, heeft het enfant terrible der enfant terribles Theo van Gogh als schouwspel nog altijd nauwelijks aan kracht ingeboet.

Trailer Theo van Gogh, De Hunkering

Let’s Get Lost

Cherry Pickers

Op 13 mei 1988 viel Chet Baker uit het raam bij het Amsterdamse hotel Prins Hendrik. Zo kwam er op 58-jarige leeftijd een einde aan het veelbewogen leven van de Amerikaanse jazztrompettist. Zowel op Bakers kamer als in zijn lichaam werden sporen van heroïne en cocaïne aangetroffen.

De opnamen voor de documentaire Let’s Get Lost (120 min.) van Bruce Weber waren toen net afgerond. De film, volledig in zwart-wit, ging vier maanden na Bakers dood in première. Weber alterneert daarin tussen de laatste periode van Bakers leven, als de Amerikaanse trompettist en zanger een tamelijk uitgewoonde figuur is geworden, en ‘s mans doorbraak in de jaren vijftig, toen hij werd onthaald als de ‘bad boy’ van de Amerikaanse jazz, z’n opwachting maakte in films en op klassieke foto’s werd vereeuwigd door William Claxton. Het contrast is levensgroot: de muzikale equivalent van James Dean versus een oudere junk die oogt als een verlopen variant op Jack Palance en nét iets te vaak is afgekickt. Met overigens nog steeds permanent een bevallige dame aan z’n arm.

Één ding is in elk geval onveranderd gebleven: zodra Chet Baker z’n instrument ter hand neemt of plaatsneemt voor een microfoon, excelleert hij als geen ander. En daarvoor ruimt Bruce Weber, heel verstandig, meer dan genoeg tijd in. Het levert fraaie, sfeervol uitgelichte muzikale intermezzo’s op. Daarnaast krijgen de muzikant zelf, zijn moeder Vera, enkele (ex-)geliefden, z’n inmiddels volwassen kinderen, een paar collega’s en bekende fans de gelegenheid om herinneringen op te halen en een poging te doen om het enigma Baker te duiden. Voor zangeres Ruth Young was haar relatie met de jazzgigant bijvoorbeeld als ‘leven met Picasso’. Dichter bij grootheid zou ze in haar leven nooit meer komen. Volgens eigen zeggen was ze binnen twintig seconden volledig verslaafd aan hem.

Chet Baker is op dat moment alleen nog getrouwd met zijn derde echtgenote Carol. En die moet natuurlijk helemaal niks hebben van Ruth. Toen hij haar ontmoette is het volgens Carol definitief bergafwaarts gegaan met Chet, een kerel die ook weinig nodig leek te hebben om in de penarie terecht te komen. Weber ontwijkt zulke scherpe randjes – z’n periode in de gevangenis, die eruit geslagen voortanden en hoe hij het liefst high wordt bijvoorbeeld – ook niet in deze straffe film over de man, de muzikant en het fenomeen Chet Baker (1929-1988). En tilt hem zo moeiteloos uit boven het niveau van de gevallen jazzlegende die in Amsterdam roemloos aan zijn einde kwam.

My Generation

EO

Gaan we rocken? roept een man naar de bus senioren. Zij reageren enthousiast: jeeeeuuuh! Het gezelschap is onderweg naar de Zwarte Cross in Lichtenvoorde, waar een hopelijk volle festivaltent wacht op het ouderenkoor uit Haarlemmermeer. Net voor aankomst zingen ze nog even mee met de plaatselijke klassieker Oerend Hard van Normaal.

My Generation (54 min.) afficheert zich als een rockkoor, waarbij iedereen welkom is. Zangtalent is mooi meegenomen, maar zeker geen voorwaarde. Onder leiding van dirigent Boris studeren de senioren enthousiast bekende pop- en rockklassiekers in van pak ‘m beet The Rolling Stones (Ruby Tuesday), Bob Marley (One Love) en – natuurlijk – The Beatles (Here Comes The Sun).

Dit doet natuurlijk denken aan de opzet van Young @ Heart, Stephen Walkers documentaire over een Amerikaans ouderenkoor met een al even opmerkelijk repertoire – al begaf dat gezelschap zich met covers van lekker dwarse acts als Talking Heads, Sonic Youth en The Ramones zelfs nog véél verder van de mainstream. De oudjes werden er hip mee. Toen die term allang niet meer in zwang was.

My Generation opereert conventioneler en moet het vooral van lol, gezelligheid en enthousiasme hebben. Tijdens de voorbereidingen op het muziek- en crossfestival in de Achterhoek, die als rode draad voor deze film fungeren, volgt documentairemaakster Anne-Marieke Graafmans enkele leden tijdens activiteiten van het koor en in hun dagelijks leven.

Zij kampen met de dingen waarmee mensen op leeftijd nu eenmaal kampen: eenzaamheid, verlies en de zin van het bestaan. Dat klinkt al een stuk heftiger dan het in deze wat vlakke docu wordt. Echt drama blijft achterwege. Binnen de groep is er hooguit wat wrijving over het ontwerp voor het officiële ‘tourshirt’ en of de dames tijdens het Zwarte Cross-optreden een giletje gaan dragen of niet.

Wat rest is een vlot groepsportret van een stelletje enthousiastelingen dat zich opmaakt voor een plek in het middelpunt van de belangstelling – als toch wel een soort gimmick – bij een festival dat populairder dan ooit lijkt bij de jeugd van tegenwoordig.

Leven Op Zijn Kop

Human

School is niet zijn ding. En hij is ook niet zo van het praten. David Kitoyan volgt liever zijn gevoel. Dat kan hij het beste kwijt in breakdancen. De dertienjarige jongen verkiest zogezegd het Leven Op Zijn Kop (25 min.). Zo heeft hij inmiddels een hele prijzenkast vol gedanst. ‘Ik wil de beste worden’, zegt David lachend, liggend op de grond van een lege fabriekshal waarop hij net z’n beste ‘moves’ heeft laten zien. ‘Maar ik ben al de beste.’

Tegelijkertijd is David ook een jongen met een leerachterstand, een typische puber én het kind van een alleenstaande moeder, Mery. Die is als tiener gevlucht uit Armenië, een land met heel veel verleden en ogenschijnlijk een al even lastige toekomst. Een thema dat ook voortdurend op de achtergrond aanwezig is in deze korte docu – net als Davids afwezige vader – maar waaraan wel héél weinig woorden vuil worden gemaakt. Net als in z’n echte leven waarschijnlijk.

Documentairemaakster Barbara de Baare portretteert de hechte twee-eenheid via intieme snapshots uit een dagelijks leven, waarin Davids danscarrière een centrale plek lijkt te hebben. Haar publiek moet dan wel tussen de regels door kunnen lezen. David gaat bijvoorbeeld vissen met een vriendje, dat Turks blijkt te zijn, maar het is de vraag of dat kwartje bij elke kijker valt. Want de roerige geschiedenis van de Turken en Armeniërs komt slechts zijdelings aan de orde.

Terwijl de jonge breakdancer zijn kunsten voor een groot publiek mag vertonen, dringt De Baare steeds dieper door in het bestaan van David en Mery Kitoyan en hun directe familie. Filmisch en op de huid, met veel close-ups. Met fraaie danssequenties ook. In een zaal, op de buis en in de vrije natuur. Waar David zichzelf en zijn moeder even vanuit de dagelijkse sores naar een soort zevende hemel danst. Waarna ongetwijfeld het gewone leven weer wacht.

Beelden Van Piet Hein

NTR

Denkbeelden zijn veranderlijk, stelt Tim van den Hoff in zijn documentaire Beelden Van Piet Hein (69 min.). Standbeelden niet. Van de heldenstatus van Piet Hein (1577-1629) lijkt bijna vierhonderd jaar na zijn dood in elk geval weinig over. Op diverse plekken in Nederland zijn eerbetonen aan de Hollandse zeeheld te vinden, die zo langzamerhand nodig gerestaureerd moeten worden – als ze al niet beklad zijn door activisten. Want moeten zulke negatieve symbolen van het kolonialisme niet gewoon subiet worden verwijderd?

Behalve in Nederland, waar Van Den Hoff ‘vier eeuwen van heldenverering, propaganda en verzamelwoede, van nationale trots en zwarte bladzijdes’ aantreft, is Piet Hein tevens een bekende figuur in Cuba. Bij de baai van Matanzas zou hij in 1628 immers de veelbezongen zilvervloot, kostbaarheden van de Spaanse koloniën in Amerika, hebben buitgemaakt op Spanje. En daarmee verkreeg die Nederlandse admiraal ook een mythische status op het Caribische eiland, waar een plaatselijke kunstenaar nu de opdracht krijgt om zijn standbeeld een opfrisbeurt te geven.

Intussen ligt de zeevaarder in eigen land dus onder vuur. Hij is de belichaming geworden van een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis, een man die direct wordt geassocieerd met het slavernijverleden van ons land. Als de gemeente een ‘emotienetwerksessie’ organiseert bij zijn standbeeld in het Rotterdamse Delfshaven, komt er bijvoorbeeld nogal wat opgekropte woede boven. Deze kerel van stavast – de rechterhand op zijn bevelhebbersstaf, de linker om het gevest van zijn degen – wordt door sommige aanwezigen beschouwd als de archetypische ‘grote boze witte man’.

De tegenstrijdige gevoelens die Piet Hein tegenwoordig oproept hebben ook hun weerslag op de restauratie van zijn grafmonument in Delft. Moet die worden uitgelegd als heldenvereniging, van een man die met hedendaagse ogen bekeken toch bepaald niet van onbesproken gedrag is? En als we er dan tóch mee aan de slag gaan, vraagt directeur Nyncke Graafland van de Oude en Nieuwe Kerk Delft zich af, is het dan niet logisch om ook dat botje en haar van Piet Hein, die nu tot de collectie van het Rijksmuseum behoren, daarna met hem te begraven? Hoe denken ze daar bij het museum over?

Trefzeker en zeker ook niet zonder humor schetst Tim van den Hoff de actuele status van een nationale held, die met de jaren in een ander daglicht is komen te staan – en die, wie ’t weet mag ‘t zeggen, over een tijdje mogelijk nóg weer anders wordt bekeken. Hoe ga je om met zo’n omstreden icoon, rekenend houdend met zowel de historie als de hedendaagse gevoeligheden? Van den Hoff dient alle verwikkelingen op met een lekker losse voice-over en een weelderige soundtrack van componist Ernst Reijseger en belicht zo op luchtige wijze een gevoelig maatschappelijk thema.

The Tragically Hip: No Dress Rehearsal

Prime Video

Met de geladen tourdocu Long Time Running (2017) zet de Canadese rockband The Tragically Hip na ruim dertig jaar noodgedwongen een punt achter z’n carrière. Zanger Gordon Downie is twee jaar eerder gediagnosticeerd met een terminale hersentumor en wil in 2016 nog eenmaal met z’n maatjes een serie concerten geven. Het wordt een emotionele tournee en waardige afsluiting. Als ‘Gord’ vervolgens op slechts 53-jarige leeftijd z’n laatste adem uitblaast op 17 oktober 2017, houdt ook de groep automatisch op te bestaan. 

Zeven jaar later documenteert Gords oudere broer, documentairemaker Mike Downie, met de vierdelige serie The Tragically Hip: No Dress Rehearsal (261 min.) de carrière van de populairste band van Canada. Het is een archetypisch popverhaal, over vijf jongens uit Kingston, Ontario, die wereldberoemd worden in eigen land – en ook nog behoorlijk populair bij de grote onderbuur. Al wordt dat laatste wel een terugkerend thema, ook in deze productie: waarom zijn ze eigenlijk niet definitief doorgebroken in de Verenigde Staten? Is The Hip daar dan mislukt?

Met de nog levende leden – ondersteund door de entourage van de band, familieleden en Canadese prominenten zoals premier Justin Trudeau, acteur/komiek Dan Aykroyd en filmregisseur Atom Egoyan – loopt Downie hun carrière door. Na zes albums waarin The Tragically Hip als een gestaalde eenheid heeft gepresteerd, komt toch de klad erin en verwordt de groep vrinden tot een dysfunctionele familie, die nauwelijks meer in staat blijkt om normaal te communiceren. En daarover spreken ze nu, met de wijsheid van achteraf, zonder meel in de mond en zonder te zwarte pieten.

Gord Downie zelf vergroot soms, veelal onbedoeld, de verdeeldheid binnen de groep. Hij is een bevlogen zanger, uitgesproken poëet en theatrale performer die z’n hele hebben en houwen in de strijd gooit, maar ook de man die al snel alleen nog zijn eigen teksten wil zingen. Zo kortwiekt hij de andere songschrijvers in de band – al is Downie wel bereid om de inkomsten eerlijk te delen. Alle spanningen komen uiteindelijk tot een climax tijdens de opnames van het elfde studioalbum We Are The Same in 2009, waarbij de zanger los van de rest van de band komt te staan.

‘Gord is niet The Tragically Hip’, klaagt vaste technicus Dave Koster dan tegen producer Bob Rock, die Downie een status aparte geeft. ‘Gord is de zanger van The Tragically Hip. The Tragically Hip bestaat uit vijf gasten, die innig samenwerken en geweldige muziek maken.’ En uiteindelijk zullen die vijf, laat deze fijne miniserie eveneens overtuigend zien, de weg terug naar elkaar weer vinden. Zodat ze nog eenmaal samen, met een voorman die zijn eigen teksten en zanglijnen opnieuw moet leren, kunnen gloriëren als de band die ze ruim drie succesvolle decennia zijn geweest.

Intussen komt het einde steeds naderbij, van Gords leven en van die band. ‘Wie ben ik nu nog?’ vraagt gitarist Rob Baker zich af tijdens de aangrijpende apotheose van No Dress Rehearsal. Hij zal al snel in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Zoals alle leden van The Hip op zichzelf worden teruggeworpen en los van elkaar afscheid moeten nemen van wie ze samen waren. Een complete natie, belichaamd door een geëmotioneerde premier Trudeau, rouwt met hen mee. Over het verlies van een groep die als geen ander verklankte wat het betekent om Canadees te zijn.

‘Ik zei tegen mezelf: je hebt al vaker tijden gehad waarin je hem weinig zag’, vertelt Gord Downies moeder Lorna tegen haar ene zoon Mike, die als filmmaker zoveel mogelijk buiten beeld blijft, over hoe zij het verlies van die andere zoon probeert te dragen. ‘Ik stel me gewoon voor dat hij op tournee is.’

Child Star

Disney+

Ze spiegelen zich aan pak ‘m beet Shirley Temple, Annie of Miley Cyrus, maar lopen het gevaar dat ze een variant op Michael JacksonBritney Spears of Aaron Carter worden, kindersterren die uitgroeiden tot zwaar beschadigde volwassenen.

Drew Barrymore kan erover mee praten en blijkt daartoe ook bereid in Child Star (97 min.), de documentaire die Demi Lovato heeft gemaakt met Nicola B. Marsh. Barrymore brak als zevenjarige door in Steven Spielbergs kassucces E.T.  Toen had ze echter al de nodige ervaring opgedaan. De Amerikaanse actrice was pas elf maanden oud toen ze voor het eerst in een commercial speelde. ‘Sindsdien ben ik altijd aan het werk geweest’, vertelt ze aan Lovato, die zelf natuurlijk ook al van kinds af aan beroemd is. ‘Behalve in de tijd dat mijn moeder me had laten opnemen.’

Demi Lovato heeft eerder in een documentaire, Dancing With The Devil (2021), bericht over haar getroebleerde jeugd – of, als je onaardig wilt zijn: die flink uitgevent – en neemt haar ervaringen ook mee naar deze film. De nadruk ligt wel op de grotere thematiek – het ongezonde leven van jeugdsterretjes – en er is ook voldoende ruimte voor andere ervaringsdeskundigen, zoals Christina Ricci (The Addams Family), Raven-Symoné (The Cosby Show) en Alyson Stoner (die ze nog kent van producties voor Disney Channel en de Camp Rock-films).

Daarmee lijkt deze docu qua toon en opzet op Showbiz Kids (2020), de film waarin regisseur Alex Winter, die zelf ook op jeugdige leeftijd in de spotlights belandde, spreekt met Evan Rachel Wood (Thirteen), Todd Bridges (Diff’rent Strokes) en Drew Barrymore’s tegenspeler in E.T., Henry Thomas. En natuurlijk snijdt Child Star ook thema’s aan die al in het schrijnende An Open Secret (2015) en de scandaleuze miniserie Quiet On Set: The Dark Side Of Kids TV (2024), over (seksueel) misbruik bij jeugdprogramma’s van de zender Nickelodeon, aan de orde zijn gesteld.

Demi Lovato’s geesteskind, waarin ook haar moeder, zussen en verloofde en een aantal deskundigen aan bod komen, snijdt een veelheid aan onderwerpen uit het leven van zo’n jong sterretje aan: de kadaverdiscipline binnen de entertainmentbusiness, onwerkelijke adoratie van fans, kritische reacties vanuit hun eigen omgeving, uitgekiende vermarkting van hun imago, eetstoornissen, drugs- en alcoholproblemen én plotselinge geldtekorten – als blijkt dat hun inkomen jarenlang slinks is weggesluisd, soms door hun eigen vader of moeder.

Lovato bevraagt daarnaast regisseur Chris Columbus, die bij de Home Alone en Harry Potter-films meemaakte hoe Macaulay Culkin en Daniel Radcliffe ineens wereldberoemd werden, vraagt zich af wat zulke vroege roem doet met je persoonlijkheid (bij alles de vraag stellen ‘what’s on brand?’ bijvoorbeeld) en stuurt aan het einde naar de tegenwoordige tijd, waarin kindsterretjes door social media nóg kwetsbaarder zijn geworden. Dat is natuurlijk geen nieuw inzicht. En dat geldt in feite voor de gehele film, die niet héél diep graaft en vooral bewijs toevoegt aan een zaak die al staat.

Gelukkig heeft Demi Lovato tot besluit nog een geruststellende boodschap voor alle would be-kindsterren, in de vorm van een themanummer dat tevens dienst doet als promosingle: You’ll Be OK, Kid. Geheel ‘on brand’, zou je zeggen.

The Missing Piece: Mona Lisa, Her Thief, The True Story

First Hand Films

Als meisje werd Celestina Peruggia ‘kleine Mona Lisa’ genoemd. Ze had geen idee waarom. Pas later hoorde de Italiaanse vrouw dat haar vader Vicenzo de Mona Lisa op maandag 11 augustus 1911 had gestolen uit het Franse museum Het Louvre. Het wereldberoemde schilderij was daarna bijna tweeënhalf jaar van de aardbodem verdwenen. Totdat Vicenzo Peruggia Leonardo da Vinci’s meesterwerk, dat door de diefstal alleen maar aan bekendheid had gewonnen, doodleuk weer inleverde in Florence.

Waarom stal een eenvoudige werkeman, één van de vele en overigens ook weinig geliefde Italiaanse arbeidsmigranten in het toenmalige Frankrijk, Da Vinci’s fameuze kunstwerk? Het is een vraag die de Amerikaanse schrijver en documentairemaker Joe Medeiros in 2012 al een jaar of dertig bezighoudt. Eerst wilde hij erover schrijven. Het lukte hem alleen niet om tot een fatsoenlijk scenario te komen. Daarom heeft Medeiros de camera maar ter hand genomen. En daarmee is hij, na het nodige speurwerk, zowaar in het Noord-Italiaanse plaatsje Dumenza beland, waar de inmiddels 84-jarige Celestina op hem wacht met een knuffel en cake.

Zij moet de Amerikaanse documentairemaker verder helpen bij zijn queeste naar wat er zo’n honderd jaar geleden is gebeurd met dat veelbesproken schilderij. Medeiros gaat zowel grondig, met serieuze research en een hele zwik deskundigen, als ook heel speels te werk. Hij laat bijvoorbeeld een bevriende pizzeria-eigenaar het officiële psychiatrische rapport over Peruggia vertalen, vraagt zijn eigen dochter Julie om te testen of je de Mona Lisa onder je kleding kunt verbergen en keert met Vicenzo’s kleinzoon Silvio, zoals een dader volgens de volkswijsheid altijd pleegt te doen, terug naar de plaats delict, waar de hoofdverdachte een tijd werkte als schilder.

Tijdens zijn onderzoek voor de kostelijke documentaire The Missing Piece: Mona Lisa, Her Thief, The True Story (86 min.) stuit Joe Medeiros beurtelings op interessante nieuwe sporen, broodje aapverhalen en onbezonnen complottheorieën. Vicenzo Peruggio zou bijvoorbeeld een patriot zijn geweest die vond dat de Mona Lisa in Italië hoorde, een wraaklustige gastarbeider die er genoeg van had om ‘Dirty Macaroni’ te worden genoemd en een doorgewinterde crimineel, wiens brein was beneveld door een tijdens het verven opgelopen loodvergiftiging. En, ook nog een optie: misschien heeft hij ’t wel helemaal niet gedaan. Uitroepteken.

Waren ’t dan misschien ‘De Duitsers’? Die stonden op dat moment immers ook op het punt om de Eerste Wereldoorlog te starten met de Fransen. Op het rijtje verdachten van de Franse politie prijkten verder: de Amerikaanse bankier JP Morgan, kunstenaar Pablo Picasso en de illustere markies van Valfierno. Kortom: spannende onderzoekspistes, verhalen en kleurrijke personages genoeg. En Medeiros kneedt die, met een luchtige voice-over en ondersteund door vlotte klassieke muziek, tot een zeer amusante vertelling, die stiekem ook nog wel ergens over gaat. Zijn bezoek aan Vincenzo Peruggia’s dochter dreigt alleen op een gigantische mislukking uit te lopen.

Want vrijwel direct nadat Celestina hem thuis heeft ontvangen, komt het hoge woord over haar vader eruit: ‘Ik heb nooit het genoegen gehad om hem te kennen.’

In Vogue: The 90s

Disney+

Het duurt welgeteld twintig seconden voordat ze in de zesdelige serie In Vogue: The 90s (281 min.) het beeld instapt: Anna Wintour, de almachtige hoofdredacteur van de Amerikaanse editie van het modetijdschrift Vogue. Zoals altijd is ze uit duizenden herkenbaar: zuinig gezicht, kolossale zonnebril, strakke boblijn en een elegante outfit. Met de ene vinger aan de pols bij de ‘Zeitgeist’ en de andere in de richting van waar het, sneller dan wie dan ook in de gaten heeft, straks gaat gebeuren.

Zij wikt en beschikt over wat er toe deed, doet en gaat doen. Anna’s wil is wet, al zeker veertig jaar. Zij maakte zich bijvoorbeeld eind jaren tachtig sterk voor de nieuwe popster Madonna op de cover, maar moest dan weer niets hebben van grunge in Vogue. Zij zag even later in John Galliano een beeldbepalende ontwerper die wel een steuntje in de rug kon gebruiken, maar kon in eerste instantie Alexander McQueens bloed wel drinken nadat hij haar bij één van zijn shows buiten had laten wachten. En zij bracht hoogstpersoonlijk The Met Gala naar een hoger plan, maar had wel even tijd nodig om met haar trendy magazine de uitbundige hiphopcultuur te omarmen.

Zo wandelt deze miniserie van Jane Preston langs allerlei onderwerpen die de mode-industrie in de jaren negentig in hun greep hielden. Van het tijdperk van de supermodellen, ‘heroin chic’ en de opkomst van Stella ‘de dochter van’ McCartney tot de moord op Gianni Versace, ‘ghetto fabulous’ en Liz Hurleys weinig verhullende jurk bij de première van de film Four Weddings And A Funeral. ‘I announced that ‘the body’ was back’, stelt Wintour over dat laatste, ‘and that we were moving into a different era of fashion.’ Die deelonderwerpen zijn doorgaans elders al eens behandeld – en soms ook grondiger – maar worden hier netjes op een rijtje gezet en in een groter kader geplaatst.

Behalve Wintour zelf, leden uit haar directe entourage en ontwerpers zoals Marc Jacobs, Jean Paul Gaultier, Tommy Hilfiger, Misa Hylton en Donna Karan doen daarbij natuurlijk ook talloze topmodellen hun zegje: Claudia Schiffer, Naomi Campbell, Kate Moss, Linda Evangelista, Tyra Banks en Jenny Shimizu bijvoorbeeld. En om de sterrenparade helemaal compleet te maken hebben ook Kim Kardashian, Gwyneth Paltrow, Sarah Jessica Parker, Victoria Beckham, Claire Danes,  Missy Elliott, Baz Luhrmann, Mary J. Blige, Nicole Kidman en Hillary Clinton plaatsgenomen voor de camera om kond te doen van hun ervaringen met Vogue – en nog eens met verve hun eigen publieke zelf te spelen.

Het zegt iets over de schaal van deze documentaireproductie – waarbij Wintour zelf natuurlijk een flinke vinger in de pap heeft gehad – en de bedoeling ervan: het vieren van American Vogue’s rol en positie in de hedendaagse modewereld. Want wat er ook gebeurt op de cover, catwalk of fotoset, het vindt altijd zijn weg naar het grote publiek via die dekselse Anna Wintour en haar tijdschrift. Als zij in beeld komt – en dat weet ze zelf maar al te goed – gebeurt er iets – en, denkt een buitenstaander er wellicht bij, buigt de rest ook wel erg deemoedig het hoofd en luistert. Waarbij niemand meer lijkt/durft te kijken naar de kleren van de Keizerin.

Zoals ook The Devil Wears Prada – het boek dat Wintours voormalige assistente Lauren Weisberger in 2003, drie jaar te laat dus voor deze serie, uitbracht en dat werd verfilmd met Meryl Streep als de ijzige hoofdredactrice van een modetijdschrift – natuurlijk geheel onvermeld blijft.

Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping

Piece Of Magic / vanaf zondag 29 september in de bioscoop

Zelf heeft hij er met veel plezier naar gekeken, zegt Paul McCartney in z’n introductie van deze studiodocu, een film over zijn band Wings die inmiddels een halve eeuw oud is. Hij stelt vervolgens de (nieuwe) leden van de groep voor en staat er nog even bij stil dat drie van hen (de gitaristen Denny Laine en Jimmy McCullogh en zijn eigen vrouw, toetsenist Linda) inmiddels zijn overleden.

En dan kan die film beginnen: Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping (67 min.). Regisseur David Litchfield heeft de band in augustus 1974 gefilmd, tijdens vier opnamedagen in de Londense topstudio Abbey Road. Hij concentreert zich vooral op de live-sessies van de opmerkelijk vitaal klinkende groep en laat tussendoor alle leden nog even, buiten beeld, aan het woord.

‘Probeer ’t je voor te stellen’, stelt Wings-gitarist Denny Laine dan over McCartney. ‘Je hebt in The Beatles gezeten, de grootste band van de wereld in de voorgaande tien jaar. En dan moet je ineens alleen verder. Dan is het moeilijk om je zelfvertrouwen terug te krijgen.’ Laine weet waar hij over praat. Hij zat zelf enkele jaren in The Moody Blues. ‘Ik weet dus precies hoe hij zich voelt.’

‘Mijn ideaal is een vaste groep die echt werkt als een team’, zegt de Wings-frontman zelf, ‘waarbij er ook voldoende ruimte is voor ieder van ons om los te gaan en te doen wat ie wil.’ Samen met zijn kompanen levert hij zelf de boter bij de vis: zijn band excelleert tijdens uitvoeringen van klassiekers zoals Band On The RunJet en het titelnummer voor de James Bond-film Live And Let Die.

En als deze aangeklede studioregistratie is afgerond, volgt een akoestisch optreden van de voormalige Beatle in de tuin, genaamd The Backyard Sessions, waarbij hij nog eens vijf songs ten gehore brengt, waaronder covers van Buddy Holly en Chuck Berry. De liefhebber van de betere clichés voelt de kwalificatie van dit kleinood dan allang aankomen: verplichte kost voor alle Macca/Beatles-fans.

En die maken toch al gauw – natte vingerwerk – de helft van de complete mensheid uit.

Fouad Elkoury Par Fouad

Fouad Elkoury

Als oudere man heeft hij zich tegenwoordig verschanst in de bergen van Libanon. Fouad Elkoury, in de zeventig inmiddels, fotografeert volgens eigen zeggen helemaal geen mensen meer. Hij oogt ook enigszins moegestreden, beroofd van z’n idealen. Elkoury wordt beschouwd als een toonaangevende Arabische fotograaf. In zijn werk zit zogezegd een ‘diepe wanhoop over het Midden-Oosten’ verscholen.

Fouad Elkoury legde de burgeroorlog in Libanon van begin jaren tachtig vast, deed dienst als chroniqueur van het Palestijnse lijden in de bezette gebieden en trad samen met zijn toenmalige geliefde Nada in de voetsporen van Gustave Flaubert en vereeuwigde het dagelijks leven in Egypte. ‘Ik ben geen oorlogsfotograaf’, zegt hij dan ook stellig, ‘maar probeer emoties te vangen.’

In zekere zin is zijn werk mislukt, constateert de Libanese fotograaf mismoedig als hij bij een overzichtstentoonstelling nog eens naar zijn belangrijkste foto’s kijkt. Die hebben uiteindelijk toch niet de overtuigingskracht gehad die hij er ooit in dacht te vinden. Je kunt er de wereld niet mee veranderen, realiseert Fouad Elkoury zich tegenwoordig. Hoe hard je ‘t ook probeert…

In Parijs, de stad waar hij in 1952 werd geboren, ontmoet hij voor het (zelf)portret Fouad Elkoury Par Fouad (55 min.) verder documentairemaker Kamy Pakdel en oude vrienden zoals filmproducer Emmanuel Barrault, journalist Pierre Haski en Francine Deroudille, de dochter van de befaamde Franse straatfotograaf Francois Doisneau – aan wie hij ooit de film Lettres À Francine richtte.

Met hen bespreekt hij het leven en werk waarover hij zich zelf zeker niet in juichtermen uitlaat. Deze stemmige film weerspiegelt de ‘tone of voice’ van de man zelf, die bedachtzaam de ruim zeventig jaar die nu achter hem liggen beschouwt. Aan de hand van de beelden die hij daarvan heeft gemaakt en de herinneringen die deze onvermijdelijk oproepen.

Geluif In ’t Goeje

Docmakers

Het Draaksteken in het Limburgse dorp Beesel. Typisch een onderwerp voor documentairemaker Hans Heijnen, zou je zeggen. Geluif In ’t Goeje (93 min.), de film over ‘het grootste openlucht-theaterspektakel van Nederland’ dat elke zeven jaar wordt opgevoerd in het plaatselijke kasteel Nieuwenbroek, is evenwel een productie van Suzanne Raes (Dicht Bij VermeerDe Dijk – Hou Me Vast en Where Dragons Live). Heijnen heeft twee jaar geleden overigens een vergelijkbare docu gemaakt over een Limburgse openluchtvoorstelling, De Passiespelen: Het Kruis Van Tegelen.

Raes start haar film twee jaar voor de uitvoering van het Draaksteken in 2023. Frans Pollux heeft een script geschreven, waarin ’t ditmaal de koning zelf is die de draak heeft gecreëerd – als een metafoor voor de verleidingskracht van de macht. Diverse dorpelingen hopen kans te maken op een hoofdrol en studeren thuis hun tekst in. Tijdens audities bepaalt het driemanschap Theo Geraets, Huub Geerlings en Frank Rous, dat gezamenlijk de regie voert over de groots opgezette voorstelling, vervolgens wie voor welke rol in aanmerking komt in deze epische strijd tussen goed en kwaad.

Dit is een delicate taak, met de nodige gevoeligheden. Kan prinses Aja bijvoorbeeld ook eens gespeeld worden door een wat oudere actrice? vraagt Victorine Mégard zich af. Of kiezen ze toch weer gewoon voor het mooiste meisje van het stel? Verder heeft René Beurskens eigenlijk een stoere rol voor zichzelf in gedachten. De regisseurs vinden alleen niet dat hij die in zich heeft. Beurskens is volgens hen meer geschikt voor een ‘komische noot’. Met alle respect voor René, constateert Geerlings over zijn dorpsgenoot. Hij heeft nu eenmaal de trekjes van hoe hij geaard is.

Elders in het dorp wordt er gebouwd aan een draak. In totaal zijn zo’n achthonderd vrijwilligers betrokken bij de theatervoorstelling, op een gemeenschap van in totaal 2500 zielen die verder al een tijdje te kampen heeft met krimp. Ontmoetingsplekken zoals de buurtwinkel, pinautomaat en trouwzaal zijn inmiddels verdwenen en de plaatselijke bakker is nog maar drie dagen per week open. Een activiteit zoals het Draaksteken zorgt voor sociale cohesie. Iedereen waakt er dan wel voor dat de verhoudingen goed blijven. Want, zoals één van de acteurs opmerkt, ze moeten straks samen verder.

Terwijl het gewone leven in Beesel ook gewoon doorgaat – een huwelijk, sterfgeval en zwangerschap bijvoorbeeld – krijgt die voorstelling steeds meer vorm en schildert Raes en passant het dorp dat daarmee elke zeven jaar boven zichzelf uitstijgt. Via een uitgelezen verzameling personages, die een inkijkje geven in hun dagelijks leven en in dialect hun verhaal doen, toont ze een gemeenschap, waarin mensen nog echt samen proberen te leven – al gaat dat ook in Beesel niet altijd van harte of vanzelf. De draak geeft hen nochtans de kans om, zelf en met anderen, eens goed in de spiegel te kijken.

Geluif In ’t Goeje ziet er ondertussen fraai uit, wordt zeer vaardig verteld en is vermoedelijk ook nét iets scherper dan Hans Heijnen ‘t zou hebben aangepakt. Nét iets minder van binnenuit verteld, nét iets meer met de blik van een buitenstaander. Nét iets minder chauvinisme en nostalgie ook en nét iets meer oog voor de bekrompenheid en het ongemak. Zónder overigens dat dit, op de hobbelige weg naar een slechte generale en hopelijk een ‘goeje’ finale, op een ongemakkelijke manier de overhand krijgt of het Draaksteken zelf in de weg gaat zitten.

Life Itself

Magnolia Pictures

Hij is een soort merknaam geworden. Voor al uw filmbesprekingen. Ruim tien jaar na zijn dood verschijnen er nog gewoon nieuwe recensies op de website rogerebert.com. Alsof de man zelf, geliefd en gevreesd, nog steeds zijn duim omhoog of omlaag steekt bij elke nieuwe release.

Als de gerenommeerde documentairemaker Steve James in december 2012 begint te filmen voor Life Itself (120 min.), heeft Roger Ebert (1942-2013) nog vijf maanden te leven. Hij ligt met schildklierkanker in het ziekenhuis, krijgt eten toegediend via een infuus en kan alleen nog via een ‘voice synthesizer’ spreken. Zijn gevoel voor humor heeft er niet onder geleden. ‘Ik heb geen angst voor de dood’, zegt hij jolig tegen James. ‘Dood gaan we allemaal. Ik beschouw de dagen die me nog resten als geld op de bank. Als alles op is, word ik ingevorderd.’

Terwijl zijn protagonist onherroepelijk afstevent op het einde van zijn leven, neemt James dat leven, met behulp van ingesproken fragmenten uit Eberts autobiografie, onder de loep. Als jongeling belandt die bij The Chicago Sun-Times, waarvoor hij zijn hele leven zal blijven schrijven, met name als filmjournalist. Ebert ontwikkelt zich tot een autoriteit, een man die een groot publiek bereikt en toch diepte en inhoud heeft. In dit portret wordt dit geïllustreerd met enkele fraaie combinaties van fragmenten uit zijn recensies, versneden met sleutelscènes uit de desbetreffende films.

Roger Ebert breekt echter pas door bij het grote publiek aan de zijde van Gene Siskel, zijn concullega van The Chicago Tribune. Samen introduceren ze een nieuwe vorm van filmkritiek, die daarna wereldwijd school zal maken: twee kenners gaan op de buis het gesprek aan over nieuwe bioscoopfilms en bestrijden elkaar daarbij regelmatig te vuur en te zwaard. In enkele fijne scènes laat deze documentaire uit 2014 tevens zien hoe het er achter de schermen aan toegaat, waarbij de twee tegenpolen tussen de opnames door eindeloos dollen, kibbelen en ruziën met elkaar.

Van rivalen worden ze gaandeweg, zonder dat ze dit nadrukkelijk naar elkaar uitspreken, toch zoiets als vrienden. Samen groeien ze bovendien uit tot een machtsfactor van betekenis in de Amerikaanse filmindustrie. ‘Two thumps up!’ van Siskel en Ebert begint te gelden als de ultieme aanprijzing, die vervolgens een prominente plek op filmposters krijgt. Uiteenlopende cineasten zoals Martin Scorsese, Errol Morris, Ramin Bahrani, Ava DuVernay en Werner Herzog plukken daar de vruchten van en steken in deze film dus de loftrompet over het toonaangevende tweetal.

De nurkse, uitgesproken en grappige Ebert heeft de kijker dan allang voor zich ingenomen. Hij heeft zich laten kennen als een klassiek vat vol tegenstrijdigheden. Een geboren dagbladjournalist, met het spreekwoordelijk radiohoofd, die desondanks een televisiester wordt, de eeuwige vrijgezel die op z’n vijftigste alsnog vol overtuiging in het huwelijksbootje stapt en een absolute eigenheimer die tegen wil en dank beroemd wordt als onderdeel van een duo. En, niet in het minst, als een man die zich durft te laten zien zoals hij is, ook als dat oud, ziek en breekbaar is.

Zonder schaamte toont hij dus ook zijn door operaties en infecties geschonden aangezicht. Tegelijkertijd blijft Roger Ebert – als hij schrijft voor zijn eigen website, waarmee hij z’n tijd eigenlijk best vooruit was – gewoon zijn oude vertrouwde zelf.

Call Me Dancer

Sonam Dekar / Shampaine Pictures

In India weten ze ‘t volgens Manish Chauhan zeker: in dansen zit geen toekomst. Met dat beeld is de jongeling ook opgegroeid. Dansen is een leuke hobby voor rijkelui, heeft zijn moeder Reeta hem altijd voorgehouden. Niets voor ons, gewone mensen. En zijn vader Milap, net als zíjn vader taxichauffeur in de metropool Mumbai, wil vooral dat Manish gaat studeren. Zodat hij straks niet achter dat stuur hoeft te kruipen en voor de rest van z’n leven de meter gaat lopen.

Nadat hij een Bollywood-film heeft gezien, waarvan de spelers zomaar een achterwaartse salto kunnen maken, zet hun zoon z’n zinnen alleen toch op een leven als danser. Call Me Dancer (84 min.), zegt Manish, overtuigd van zichzelf. Hij begint zijn reguliere opleiding te veronachtzamen en zet z’n studiebeurs stiekem in voor een balletopleiding bij Danceworx. En bij die plaatselijke school ontmoet hij een knorrige 75-jarige Israëlisch-Amerikaanse dansleraar.

Yehuda Maor ontwikkelt zich tot de mentor van Manish. Daarmee is diens doorbraak echter bepaald nog geen uitgemaakte zaak. Zijn leermeester heeft namelijk nóg een pupil: Amir Shah, zeker zo getalenteerd én zeven jaar jonger. Een natuurtalent. ‘Het was alsof ik de loterij had gewonnen’, kijkt Yehuda enthousiast terug. En inderdaad: Amir wordt al snel opgepikt door een prestigieuze balletschool in Londen. Tegelijk moet Manish vechten voor zijn grote droom.

Documentairemaakster Leslie Shampaine volgt de gedreven straatdanser en z’n entourage gedurende enkele jaren als hij, vanuit een achterstandspositie en zonder vangnet, zijn brood probeert te verdienen met dans. De ene uitdaging is nog niet aangegaan of de volgende teleurstelling dient zich alweer aan. Met Yehuda aan zijn zijde ziet Manish hoe de kritische grens van dertig jaar nadert: daarna komen er doorgaans weinig nieuwe klussen meer.

Samen vormen de twee in deze fijne feelgood-film, inclusief een lekker uitgelaten aftiteling, een klassiek meester-leerling koppel. Ze geven elkaar richting, krijgen daarvoor onvoorwaardelijke steun en worden samen meer dan ze los van elkaar zouden kunnen zijn. De droom van de één is dan allang ook de droom van de ander geworden. En de verwezenlijking daarvan gaat gepaard met sprankelende dans, die door Shampaine is vervat in fraaie gestileerde sequenties.

Die vormen een ferm uitroepteken achter Manish Chauhans lijfspreuk: Call Me Dancer (!)

Like Tears In Rain

NTR

‘Oh-oh’, zegt Paul Verhoeven in de openingsscène van Like Tears In Rain (78 min.) als Sanna Fabery de Jonge hem vraagt naar zijn eerste ontmoeting met Rutger Hauer (1944-2019). ‘Ik krijg kippenvel als ik eraan denk’, vult zijn collega-regisseur Robert Rodriguez (Sin City) aan. ‘O, mijn hemel’, lacht Jason Eisener, die Hobo With A Shotgun maakte met de Nederlandse acteur. Waarna Mickey Rourke spontaan ontroerd raakt als hij aan Hauer denkt, zijn voormalige tegenspeelster Miranda Richardson een aardige anekdote over hem opdist en de Nederlandse fotograaf en filmmaker Anton Corbijn constateert dat Rutger ‘iemand was die we allemaal willen zijn.’

Terwijl Rutger Hauer op archiefbeelden uit 1988 vervolgens een Golden Globe in ontvangst neemt voor zijn rol in de film Escape From Sobibor, krijgt zijn goede vriendin Whoopi Goldberg nog even de gelegenheid om te vertellen dat ze alles bij hem kwijt kon en steekt Vincent D’Onofrio de loftrompet over ‘s mans vakmanschap. En daarna is het weer aan Paul Verhoeven om het intro van dit persoonlijke portret af te sluiten. Hauer was niets minder dan ‘de belangrijkste acteur die we ooit in Nederland hebben gehad’, aldus de belangrijkste filmregisseur die we ooit in Nederland hebben gehad. Hij kon zichzelf verwerkelijken via Hauer en werkte in totaal vijf keer met hem samen.

En dan kan die documentaire daadwerkelijk beginnen. Waarin Rutger Hauers leven en carrière worden doorgenomen, geïllustreerd met filmfragmenten en aangezet met herinneringen en superlatieven van vrienden en collega’s. Routinewerk, zo lijkt ‘t. Een clichématige Hollywood-docu. Fabery de Jonge heeft alleen iets anders voor ogen. Natuurlijk, deze film over de Nederlandse acteur bevat alle eerdergenoemde elementen, maar vertrekt vanuit een veel persoonlijkere insteek. Rutger Hauer en diens vrouw Ineke ‘Sien’ Hauer – ten Cate, die ook een prominente rol krijgt in dit portret, waren dierbare vrienden van haar ouders en fungeerden als peetouders voor de kleine Sanna.

En dus introduceert Fabery de Jonge haar eigen familie en poogt ze met hen en Ineke – en fraaie privébeelden, veelal van de veelfilmer Hauer zelf – de man achter het imago van ‘de blonde God’ vandaan te halen. Een vrije man. Een avontuurlijke man. Een man ook die zonder angst probeerde te leven. Gehaast, omdat het leven altijd te kort is. Zoals hij van dichtbij ervoer toen zijn boezemvriend Marius, tevens de broer van zijn echtgenote, op 29-jarige leeftijd overleed. Hauer stond zelf net op een keerpunt in zijn carrière en besloot het Nederland van Turks Fruit, Keetje Tippel en Soldaat van Oranje de rug toe te keren en te verkassen naar de VS voor Blade Runner, Ladyhawke en The Hitcher.

Tijdens zijn allereerste dag op een filmset, voor Paul Verhoevens serie Floris (1969), had Hauer zich volgens eigen zeggen al gerealiseerd dat de camera zijn vriend was. ‘En ik besloot dat dit een dans was met het publiek, bijna een tapdans van angst’, vertelt hij daarover. ‘En in veel opzichten een spel. Een denkspel.’ En dat heeft hij tot het einde van zijn leven, dat zich afspeelde tussen Friesland en Hollywood, kunnen spelen. Als de aftiteling van dit ge(s)laagde portret loopt, realiseert menigeen zich ongetwijfeld dat ie (weer) een heel klein beetje van Rutger Hauer is gaan houden, zowel van de begenadigde acteur als van de mens van vlees en bloed daarachter.

Blur: To The End

Altitude / Piece Of Magic

Halverwege de jaren negentig, in de hoogtijdagen van Britpop, worden Engelse muziekliefhebbers voor een eenvoudige keuze gesteld: Blur of Oasis? Het is een even opzichtige als succesvolle poging om de rivaliteit tussen The Beatles en The Stones, die dertig jaar eerder ook al zo werd opgeklopt, te laten herleven. En net als in de sixties lijkt de tweestrijd een duidelijke winnaar te krijgen: in navolging van de ‘fab four’ beslist nu Oasis het pleit in z’n voordeel.

Net als The Rolling Stones blijkt Blur echter over een lange adem te beschikken. Damon Albarn (zang), Graham Coxon (gitaar), Alex James (bas) en Dave Rowntree (drums) zijn inmiddels toch echt op middelbare leeftijd aanbeland, maar maken zich opnieuw op voor een nieuw album, het eerste in acht jaar. The Ballad Of Darren wordt opgenomen bij de frontman thuis, op het Britse platteland waar ze inmiddels alle vier zijn neergestreken. Albarn woont tegenwoordig overigens alleen, bekent hij terloops. Een man zonder kader, op zoek naar een nieuwe missie, zo lijkt het.

En dus gaat de frontman, voor wie (zelf)spot een tweede natuur lijkt, ook weer touren met z’n ouwe maatjes. Met als climax een show in het Wembley-stadion, die tevens dienst doet als eindstation voor de documentaire Blur: To The End (104 min.). Want deze magische plek in Londen ontbrak nog op de Blur-erelijst. Eerder waren ze simpelweg niet populair genoeg, bekent drummer Dave Rowntree grinnikend. ‘Hoe minder we doen, hoe groter we worden.’ Net als enkele van zijn kameraden krijgt hij onderweg naar Londen met lichamelijke ongemakken te maken.

Documentairemaker Toby L. sluit aan als de jeugdvrienden de plaatsen en steden van hun beginperiode aandoen, onderweg oude vrienden ontmoeten en dan – natuurlijk – bekende hits zoals Popscene, Song 2 en Parklife spelen. Het resulteert in enkele aardige scènes, bijvoorbeeld als de uitgesproken zanger/songschrijver Damon Albarn en zijn vaste partner in crime, de nerdy gitarist Graham Coxon, de plek bezoeken waar het ooit begon voor hen: The Stanway School in Colchester. Tegenwoordig is daar een heus Albarn & Coxon-lokaal ingericht.

Intussen blikken de vier bandleden terug op hun carrière en zoomen ze in op de onderlinge verhoudingen en hoe die onder druk kwamen te staan door overmatig drank- en drugsgebruik. Want, zo weten ze inmiddels: ‘Succes bezorgt je veel meer problemen dan mislukking.’ In een band zitten en vrienden blijven is in elk geval bepaald geen sinecure – al lijkt hen dat tegenwoordig beter af te gaan dan vroeger. Dat verleden wordt verder niet uitgebreid behandeld, maar meldt zich zo nu en dan via vluchtige flashbacks, al dan niet opgeroepen door een gebeurtenis in het heden.

To The End, documentaire 4 over Blur, is daarmee geen definitief carrièreoverzicht geworden, maar een in het hier en nu gesitueerde trip nostalgia – soms intiem en grappig, dan weer tamelijk gratuit en landerig – voor zowel de band zelf als hun fanschare. Waarin de naam Oasis overigens geen enkele keer valt.

Inmiddels heeft de band van de ruziënde broers Gallagher trouwens ook een reünietournee aangekondigd.

In Restless Dreams: The Music Of Paul Simon

Piece Of Magic

Tijdens het werken aan Seven Psalms verliest hij het gehoor in z’n linkeroor. De muziek van Paul Simon luistert nochtans nauw. De Amerikaanse zanger en songschrijver laat zich er echter niet door van de wijs brengen. Het album dat via een droom tot hem is gekomen – in de nacht van 15 januari 2019, kan hij zich nog haarfijn herinneren – moet er koste wat het kost komen. Een spirituele plaat, daarbij passen natuurlijk ook obstakels. Simon had al enkele jaren geen nieuwe liedjes meer geschreven. De aandrang was verdwenen. Totdat hij dus begon te dromen…

Terwijl hij in zijn thuisstudio in Wimberley, Texas, werkt aan Seven Psalms, vertelt Simon in de epische documentaire In Restless Dreams: The Music Of Paul Simon (209 min.) het verhaal van zijn loopbaan. Regisseur Alex Gibney blijft daarbij op de achtergrond. De filmmaker die naam heeft gemaakt met messcherpe documentaires over prangende, actuele onderwerpen – een portret van Elon Musk is alweer aangekondigd – houdt zich ditmaal ogenschijnlijk afwezig. Geen dodelijke voice-over dus, om bepaalde ontwikkelingen in perspectief te zetten. En hij gaat ook niet met venijnige vragen op zoek naar waar het schuurt.

Gibneys film over de Amerikaanse zanger en songschrijver past in de lijn van zijn liefdevolle portretten van James BrownFela Kuti en Frank Sinatra. Hij start in Queens, New York, waar de rechtenstudent Simon samen met zijn jeugdvriend Art Garfunkel en geïnspireerd door de legendarische Everly Brothers, liedjes begint uit te brengen. Eerst nog als – jawel! – Tom & Jerry, later onder de noemer Simon & Garfunkel. Na een aanzienlijke aanloopperiode worden ze in de tweede helft van de jaren zestig alsnog zeer succesvol, met klassiekers als The Sound Of SilenceMrs. Robinson (van de film The Graduate) en Bridge Over Troubled Water.

Met de vriendschap gaat ‘t ondertussen bergafwaarts. Als de songschrijver van de twee mist Simon commitment bij zijn partner, die zich steeds meer op een acteercarrière begint te richten. Hij heeft ook het gevoel dat hij zelf niet op waarde wordt geschat als zanger. ‘Natuurlijk, Paul, jij hebt een goede stem’, zou nota bene zijn eigen moeder tegen hem hebben gezegd. ‘Maar Art heeft echt een bijzondere stem.’ De vriendschap tussen de twee jeugdvrienden verzuurt zienderogen. Totdat Garfunkel van ‘iemand die het helemaal begreep‘ voor Paul Simon is verworden tot ‘een persoon die ik mijn hele leven niet meer hoef te zien.’

Alex Gibney neemt de tijd om het klappen van de samenwerking uit te diepen en volgt zijn protagonist daarna tijdens diens grillige solocarrière en al dan niet geslaagde pogingen om te acteren en de lolbroek uit te hangen in Saturday Night Live. Hij verlaat zich daarbij vooral op de melancholieke bard zelf, maar laat zo nu en dan ook – buiten beeld – intimi zoals Art Garfunkel, Simons voormalige echtgenote Carrie Fisher en zijn huidige vrouw Edie Brickell aan het woord. Op een organische manier stuurt Gibney de film dan steeds terug naar de opnames voor Simons vijftiende studioalbum Seven Psalms (2023), dat zomaar zijn zwanenzang zou kunnen worden.

Begin jaren tachtig is er een kortstondige reünie met Garfunkel, vervat in het legendarische Concert In Central Park (1981), maar de liefde blijkt definitief bekoeld. In Zuid-Afrika vindt Paul Simon, onder de hoede van zijn vertrouwde producer Roy Halee, daarna nieuwe inspiratie. Het ‘wereldalbum’ Graceland (1986) wordt een hoogtepunt in ‘s mans oeuvre, maar veroorzaakt ook meteen een controverse omdat hij de boycot tegen het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime zou hebben doorbroken – een bewogen geschiedenis die door regisseur Joe Berlinger al is uitgediept in de hele fijne documentaire Under African Skies (2012).

In Gibneys overtuigende film, van bijna drieënhalf uur, is die ophef niet meer dan een voetnoot. Een hobbel die Simons muziek, waarin de luiken naar Afrika inmiddels wijd open zijn gezet, nu eenmaal moest nemen én de opmaat naar de finale van In Restless Dreams, waarin hij de laatste hand legt aan zijn nieuwste langspeler. Hoewel ouderdom ook bij hem met gebreken is gekomen, wil Paul Simon de pijp nog altijd niet aan Maarten wil geven. ‘Wait’, zingt hij bijvoorbeeld in het slotstuk. ‘I’m not ready. I’m just packing my gear. Wait. My hand’s steady. My mind is still clear.’

Lost Soul: The Doomed Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau

Severin Films

Het verhaal moet nu eindelijk maar eens recht gedaan worden. De jonge ambitieuze regisseur Richard Stanley, die alleen de low budget-films Hardware (1990) en Dust Devil (1992) op zijn naam heeft staan, wil H.G. Wells’ klassieke roman The Island Of Doctor Moreau verfilmen. Het boek uit 1896 is al meermaals naar het witte doek gebracht, maar in zijn ogen nog nooit op de juiste manier. Stanley heeft een soort arty sciencefictionfilm voor ogen.

New Line Cinema, dat eerder David Fincher en Paul Thomas Anderson al de kans heeft gegeven, besluit toe te happen. Alleen de suggestie om Marlon Brando, die sinds het thematisch verwante Apocalypse Now te boek staat als een ongelooflijke lastpak, te casten als dokter Moreau valt niet in goede aarde. Stanley dreigt vervangen te worden door Roman Polanski. Daarom zet hij een opmerkelijke stap: hij neemt zijn toevlucht tot hekserij.

Dit lijkt zowaar effect te hebben: Stanley mag blijven als regisseur, Brando wordt vastgelegd en ook Bruce Willis en James Woods tonen serieuze interesse. En daarna gaat alles mis wat er mis kan gaan, niet in het minst door Richard Stanley zelf. Als Willis toch afhaakt, omdat hij na zijn scheiding van Demi Moore, niet maandenlang in een afgelegen stuk Australië wil zitten, maakt de filmmaker volgens eigen zeggen ‘een strategische fout’: ik ontmoette Val Kilmer.

De Amerikaanse acteur is op dat moment, na het succes van The Doors, Batman Forever en Heat, op het hoogtepunt van zijn roem en begint zich al snel als een arrogante klootzak te gedragen. Vanzelfsprekend ontbreekt hij ook in de documentaire Lost Soul: The Doomed Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (99 min.) uit 2014, waarin Stanley en andere medewerkers aan de film terugblikken op een ronduit rampzalig productieproces.

Daarmee past deze blik achter de schermen van David Gregory in een fijne traditie van docu’s over onmogelijke filmshoots: Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (over Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now), Burden Of Dreams (over Werner Herzogs Fitzcarraldo) en Lost In La Mancha (over Terry Gilliams The Killing Of Don Quixote). Botsende ego’s, gecombineerd met pure gekte. Constant praktische en logistieke problemen. En seks, drugs & rock n’ roll.

De sfeer op locatie in Cairns, Australië is vanzelfsprekend om te snijden. Illustratief is het citaat uit de film dat de filmcrew op z’n T-shirts laat afdrukken: ‘You don’t have to obey these bastards’, staat er te lezen. ‘They’re not Gods!’ Het eindresultaat, The Island Of Dr. Moreau (1996), kan alleen maar ondermaats zijn en wordt natuurlijk ook een gigantische flop, maar blijkt wel de ideale voedingsbodem voor een zeer vermakelijke filmdocu.