Det Røde Kapel

Zentropa

In 2009  klinkt er ineens een nieuwe, volstrekt oorspronkelijke stem in de internationale documentairewereld. Van een man met een spits gezicht en rossig ringbaardje en doorgaans een zonnebril op. Hij richt zich op grote, geopolitieke onderwerpen en zet die volledig naar zijn hand. Met gedurfde en theatrale ingrepen, in Engels met een dik Deens accent ingekaderd. Scherp, brutaal en met veel (zelf)spot. Voor zijn debuutfilm trekt hij naar één van de meest afgeschermd landen ter wereld, Noord-Korea, om dit te ontmaskeren met een bizarre variétéshow, op het podium en – vooral – ervoor en erna. Humor is volgens hem nu eenmaal de zwakke plek van elke dictator.

Enter de wereld van Mads Brügger, de man die later nog een in bloeddiamanten handelende nepdiplomaat zal spelen, op onnavolgbare wijze de dood van VN-baas Dag Hammarskjöld gaat onderzoeken en een geheime mol zal begeleiden in, juist, Noord-Korea. Met twee geadopteerde Deens-Koreaanse comedians, Simon Jul en de lichamelijk gehandicapte Jacob Nossell, maakt hij in Det Røde Kapel (Engelse titel: The Red Chapel, 87 min.) een rondreis door de dictatuur van Kim Jong-il, om daar een potsierlijke theatervoorstelling te geven. Die wordt tijdens hun verblijf overigens helemaal omgegooid door de plaatselijke censor, zodat ie het regime vooral maar niet tegen de haren instrijkt.

In dat kader is Brügger opgezadeld met ene mevrouw Pak. Zij leidt het Deense gezelschap rond in een grondig opgeschoonde versie van haar land, de communistische heilstaat die slechts het allerbeste voorheeft met z’n inwoners. Tenminste, zolang die zich gedragen als gewillige, goedlachse en volstrekt ruggengraatloze dienaren van de staat. En zij ziet er tevens op toe dat ook het bonte gezelschap uit Denemarken in de pas blijft lopen. De gestaalde dame ontfermt zich in het bijzonder over de spastische jongeling Jacob, die gaandeweg in ernstige gewetensnood komt en uit zijn rol dreigt te vallen. Met een beetje pech wordt zo de hele onderneming ontmaskerd.

Dan wordt de filmmaker ook geconfronteerd met de gevaren van het avontuur waarin hij zichzelf en zijn metgezellen heeft gestort. ‘De nachten in Noord-Korea zijn het ergst’, concludeert hij tegen het einde van hun trip door dit wezenloze wonderland. ‘Je mag je hotel niet verlaten en hebt op je kamer alle tijd om na te denken over deze wereld die je nooit zult begrijpen en waarvan je nooit deel zult uitmaken. Ontdaan van al je rechten, behalve het recht om te drinken en sigaretten te roken, krijg je vreemde ideeën. Wat nu als De Grote Leider ‘t bij het rechte eind heeft en de rest van de wereld miszit? En wat als Jacobs reactie op Noord-Korea klopt en die van mij verkeerd is?’

Al filosoferend en manipulerend stuurt hij dit wrange, gênante en wanstaltige reisverslag door een parallelle wereld, waar Grote Leiders naar hartenlust kunnen regeren, naar een ongemakkelijk slotakkoord: Jacobs uitvoering van John Lennons onweer/uitstaanbare singalong. ‘Imagine all the people. Living life in peace. Woohoo-hoohoo!’

Anak Indië

Scarabee Films / vanaf donderdag 26 juni in de bioscoop

Hij was een Indo, zei de vader van Adriaan van Dis. In Nederland Door Omstandigheden. INDO. Even daarvoor heeft Van Dis in Anak Indië (122 min.), als de verteller van een weelderig vormgegeven explainer waarmee deze documentaire wordt opgestart, al de historische achtergronden daarvan geschetst: hoe Nederland ooit terecht kwam in een eilandengroep in Azië, die bijna anderhalve eeuw als kolonisator bestierde onder de noemer Nederlands Indië en vervolgens na de Tweede Wereldoorlog ook weer vertrok uit het land dat zich Indonesië zou gaan noemen.

In de jaren vijftig kwam er vervolgens een breed samengestelde groep Indische Nederlanders naar Nederland, waaronder Peranakan-Chinezen, Molukse KNIL-militairen en Indo-Europeanen. En daar weten we eigenlijk véél te weinig van, heeft documentairemaakster Hetty Naaijkens-Retel Helmrich dan al betoogd in de openingsscène van deze film: een persiflage op het populaire televisieprogramma De Slimste Mens met presentator Philip Freriks, waarin de drie kandidaten werkelijk geen enkel goed antwoord weten te produceren op de vraag ‘wat weet u van Indo’s?’

Die vraag gaat Naaijkens, die eerder al onder andere Buitenkampers en Klanken Van Oorsprong maakte, nu dus beantwoorden met andere Indische Nederlanders, zoals actrice/zangeres Wieteke van Dort, schrijfster Yvonne Keuls, tekenaar Thé Tjong Khing, componist/pianist Mariëtte Hehakaya, theatermaker Jaro Wolff, Indië-veteraan Loek Middel, fotograaf Claude Vanheye, tekenaar Peter van Dongen, muzikant Steffen de Wolff, vliegeraar Rubens Agaatsz, dichter Robin Block, kris-deskundige David Gallas en de hoofdredacteur van het Indische tijdschrift Moesson, Vivian Boon.

In tegenstelling tot een andere recente documentaire over de erfenis van de voormalige Nederlandse kolonie, Tussen Wal En Schip – Geruisloos Indisch van Juliette Dominicus en Sven Peetoom, zoekt Naaijkens-Retel Helmrich in eerste instantie niet de pijn daarvan op – of het Indisch zwijgen daarover – maar belicht ze juist hoe Indische Nederlanders ons land hebben verrijkt. Met badminton, de vierdaagse en natuurlijk de Indische rijsttafel. En, dat ook, met spiritualiteit en bijgeloof. En later in de film volgen ook de geesten van het verleden die hen en hun families ‘s nachts bezoeken.

Vlot fladdert Naaijkens langs al die herinneringen, beelden en gevoelens, die elk ook hun eigen uitingsvorm hebben gekregen. In Wieteke van Dorts typetje Tante Lien bijvoorbeeld, de muziek van The New Diamonds (een voortzetting van het bekende duo The Blue Diamonds), KNIL-re-enactments of de cabaretvoorstellingen van Ricky Risolles. De filmmaakster gebruikt bovendien opnames uit haar eigen familiearchief, zet historisch beeldmateriaal van Indië en Indische Nederlanders in en heeft Stefan Venbroek gevraagd om het geheel van fraaie bloemrijke animaties te voorzien.

Anak Indië wordt zo een ongegeneerde, ietwat vluchtige viering van het Indische culturele erfgoed, waarin elke Indische Nederlander wel iets van zichzelf – en alle andere Nederlanders wel iets in hun eigen leven – zullen herkennen.

Bono: Stories Of Surrender

Apple TV+

Een kleine man met een aanzienlijk ego – en zelfspot, dat ook. Een geboren verteller, laverend tussen kleine momentjes en grote gebaren. Paul Hewson. Al een slordige veertig jaar wereldberoemd als U2-frontman Bono. Hij voelt zich duidelijk senang in het middelpunt van de belangstelling, Ook op dit podium, van het Beacon Theatre in New York. En zonder zijn drie vaste begeleiders, Larry, Adam en The Edge. 

Bono: Stories Of Surrender (86 min.) is de zwart-witte weerslag van z’n gelijknamige onemanshow, die weer is gebaseerd op zijn memoires Surrender: 40 Songs, One Story. Een heel leven, met al z’n pieken en dalen, gecondenseerd tot anderhalf uur aan (sterke) verhalen en klassieke liedjes. Met niet veel meer dan een tafel en enkele stoelen, in de rug gedekt door het excellerende Jacknife Lee Ensemble.

Regisseur Andrew Dominik, die eerder de stemmige Nick Cave-muziekfilms One More Time With Feeling (2017) en This Much I Know To Be True (2022) maakte, zet het vergrootglas op de toch al niet kleine performance van het Ierse podiumbeest en voegt daar enkele zorgvuldige geënsceneerde backstage-momenten aan toe. Kippenvel is bijna verzekerd, of het nu van pure verrukking of totaal afgrijzen is.

Bono valt direct met de deur in huis: met een scène uit 2016, als zijn leven in het New Yorkse Mount Sinai Hospital aan een zijden draadje hangt. Al snel volgt het jeugddrama dat zijn verdere leven heeft bepaald: de dood van zijn moeder Iris, die bij de uitvaart van haar eigen vader in elkaar zakte. De veertienjarige Bono was voortaan aangewezen op zijn vader Bob, die nooit meer over zijn overleden echtgenote sprak.

Broer Norman had wel wat te bieden: zijn gitaar. ‘Een schild, een wapen, een vertrouweling’, aldus Bono. ‘En een andere stem om mee te bidden: muziek.’ Zo past de man elke gebeurtenis in z’n narratief. Zijn allereerste liedje, Out Of Control, werd bijvoorbeeld meteen de eerste U2-single. En hij ontmoette de andere leden van die band in dezelfde week als zijn vrouw Ali, met wie hij nu al zo’n halve eeuw samen is.

Achteraf bezien krijgt zo alles in het leven van de Ierse zanger, spreker en activist betekenis. Het móest zo zijn, inclusief de vroegtijdige dood van zijn katholieke moeder en het ongemak tussen hem en zijn protestantse vader. ‘I was born with my fists up’, concludeert Bono aan het einde van z’n betoog. ‘Surrender does not come easy to me. To bow down to my bandmates, my wife, my maker is a struggle.’

Met Bono: Stories Of Surrender, waarin natuurlijk ook talloze U2-klassiekers een plek hebben bemachtigd, zet hij een uitroepteken achter wat je sowieso al van hem vindt: typische ‘man you love to hate’? Of toch eerder: ‘hate to love’?

Oasis: Supersonic

Mint Pictures

Ze zijn weer uit de dood herrezen. Zoals dat nu eenmaal gaat met bands die ooit véél populairder waren dan de afzonderlijke leden daarna nog zijn geworden. Dan is de verleiding om dat verleden nog eens te bezoeken – en nog eens en nog eens en… – nauwelijks te weerstaan. Zeker omdat ook de portemonnee daar beslist niet leger van wordt.

En dus laat Oasis deze zomer weer ouderwets hits als Don’t Look Back In Anger, Champagne Supernova en Wonderwall herleven en bekvechten ook de gebroeders Gallagher, de Peppi en Kokki van de Britse popmuziek, weer ouderwets met elkaar. Gitarist en songschrijver Noel, het Beatlesque pophart van de groep uit Manchester, en zanger en frontman Liam, de soms onuitstaanbare blufkikker van dat gezelschap. Hoewel er onmiskenbaar ook chemie is tussen de twee broers, kunnen ze elkaar vaak nog altijd niet luchten of zien. ‘Noel heeft heel veel knopjes, zegt Christine Mary Biller van het management van de band daarover. ‘En Liam heeft heel veel vingers.’

In het typische bandjesportret Oasis: Supersonic (116 min.) uit 2016 loopt Matt Whitecross (Coldplay: A Head Full Of Dreams) de geschiedenis van de Britpopband netjes door met de bandleden en mensen uit hun directe entourage, waaronder Liam en Noels moeder Peggie, hun broer Paul en platenbaas Alan McGee. Zij geven, buiten beeld, commentaar bij de concertfragmenten, studio-opnames, interviews, tv-optredens en backstage-beelden, waarmee de stormachtige opkomst van Oasis en de beste jaren van de band, halverwege de jaren negentig, worden gereconstrueerd. Alle strapatsen van ná 1996, evenals de rivaliteit met grote concurrent Blur, blijven onbelicht.

Dat Oasis vroeger of later zal imploderen, staat vanaf het begin vast. Zoveel grootspraak, onderbroekenlol en drugsgebruik zet de interne verhoudingen nu eenmaal op scherp en eist vroeger of later zijn tol. Op dat niveau – van jongens die zich laven aan alle denkbare rock & roll-clichés – blijft de film ook wel een beetje steken. Héél veel dieper graaft Whitecross niet. Al wordt de problematische relatie van de Gallaghers met hun vader – Noel: ‘In zekere zin heeft mijn ouwe mijn talent in me geslagen – nog wel aangestipt. De charme van deze film is juist dat Noel en de vijf jaar jongere Liam, allebei dik in de veertig bij de release ervan, nog altijd ondubbelzinnig in hun eigen imago lijken te geloven.

En hun bandje, ooit het grootste van de héééle wereld, trekt bijna dertig jaar na hun glorieperiode dus nog altijd volle stadions. Oasis-fans blijken bereid om de absolute hoofdprijs te betalen voor de gewezen vaandeldragers van de Britpop.

The Session Man

Pink Moon

In 1968 had de Britse pianist Nicky Hopkins (1944-1994) al een Grand Slam te pakken. Hij kon vinkjes zetten achter de namen van de beste bands van zijn jonge jaren: The Beatles, The Stones, The Who en The Kinks. Tegen het einde van zijn leven voltooide hij nog een tweede Grand Slam: Hopkins had toen ook op de soloalbums van alle afzonderlijke Beatles meegespeeld.

Als studiomuzikant zou hij daarnaast een essentiële bijdrage leveren aan de muziek van Cat Stevens, The Jeff Beck Group, Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service, Harry Nilsson, Jerry Garcia Band, Joe Cocker, Badfinger, Art Garfunkel, The Rumour, Spinal Tap en Joe Walsh. In The Session Man (86 min.) loopt verteller Bob Harris, in opdracht van regisseur Michael Treen, netjes alle acts langs, waaraan Nicky Hopkins tijdens z’n lange en vruchtbare loopbaan zijn diensten verleende.

In dertig jaar tijd speelde Hopkins op zo’n 250 albums. Hij is te horen op liefst veertien langspelers van The Rolling Stones. ‘Ik draaide liedjes in elkaar die maar half af waren en in de studio bakten we er wat van’, vertelt Keith Richards. ‘En op de een of andere manier vond Nicky bijna bij elk nummer dat ontbrekende gedeelte. Zo hadden we een soort vreemde samenwerking.’ Glunderend herinnert de gitarist zich hoe Hopkins hem steeds uit de brand hielp. ‘Elke keer weer. Een ongelooflijke pianist.’

Ook Mick Jagger en Bill Wyman delen warme herinneringen aan Nicky Hopkins, één van de ‘unsung heroes’ van de rock & roll, die in deze film tevens lof krijgt toegezwaaid door collega’s als Dave Davies, Peter Frampton, Nils Lofgren en Graham Parker. Aardig is ook hoe de toetsenisten van Tom Jones, The Waterboys, Mott The Hoople en Tom Petty & The Heartbreakers, inclusief Hopkins’ Stones-collega Chuck Leavell, vanachter de piano demonstreren wat er zo bijzonder was aan zijn werk.

Voor een solocarrière was Nicky Hopkins niet in de wieg gelegd. Hij floreerde aan de zijde van een blikvanger of als onderdeel van een team en was, doordat hij de Ziekte van Crohn had, ook niet gemaakt voor het leven onderweg. Zijn broze gezondheid komt soms ter sprake in deze typische popdocu, maar wordt nauwelijks uitgediept. Treen richt zich op ’s mans muzikale verrichtingen, waardoor de persoon daarachter, ondanks bijdragen van z’n weduwe Moira, slechts beperkt tot leven komt.

Van de onbekende held zelf lijkt slechts één interview bewaard te zijn gebleven. Uit 1991, drie jaar voordat hij, veel te jong, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Hij had zich toen allang de pophistorie ingespeeld. Als de man die een essentiële bijdrage leverde aan klassieke hits zoals ImagineSympathy For The Devil en You Are So Beautiful.

We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies

PBS

‘Say it loud’, croonde James Brown. ‘I’m black and I’m proud.’ Het werd eind jaren zestig het lijflied van een nieuwe beweging. En hij, de vuige, bezwete en sexy zanger, werd de vaandeldrager van een nieuwe muziekstroming: funk. Die maakte korte metten met Motown, het platenlabel waarmee Berry Gordy zwarte muziek acceptabel had gemaakt voor een wit publiek. Zijn artiesten mochten niet al te wulps dansen en al helemaal geen politieke statements maken. In een tijd dat Half Amerika in brand stond door de strijd voor burgerrechten van Afro-Amerikanen.

Funk wilde allesbehalve braaf zijn. En de groove werd allesbepalend. Alles op de één. Zodat je wilt – nee, niet anders kúnt dan: – dansen. Browns muziek was een kwestie van ‘simplexity’, stelt één van de sprekers in We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies (82 min.). Het lijkt zo simpel, maar probeer alles maar eens helemaal kloppend te krijgen. Na Brown volgden Sly & The Family Stone, met de moddervet slappende bassist Larry Graham, en Parliament/Funkadelic. En toen was de funk wel helemaal volgroeid.

Regisseur Stanley Nelson heeft deze gedegen docu helemaal volgepropt met dampende muziekfragmenten. Hij plaatst het genre met George Clinton en Jeanette Washington-Perkins (Parliament/Funkadelic), Robert ‘Kool’ Bell (Kool & The Gang), Leo Noncentelli (The Meters), Nona Hendryx (Labelle), Questlove (The Roots), David Byrne (Talking Heads), Fred Wesley (The J.B.’s) en diverse kenners en historici nadrukkelijk binnen de zwarte historie, religie en cultuur en laat enkele muzikanten bovendien demonstreren hoe je iets gigantisch kunt laten funken.

Via het multitalent Prince, de afrobeat-pionier Fela Kuti én spierwitte acts zoals Elton John, David Bowie en Talking Heads werkt Nelson (Miles Davis: Birth Of The Cool, Attica en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy) vervolgens toe naar hiphop, een muziekgenre dat bijna bestaat bij de gratie van vette funksamples. Het uitgangspunt is in wezen precies hetzelfde. ‘Free your mind’, verwoordt Dr. Todd Boyd, kenner van (Afro-)Amerikaanse cultuur, dit geheel in stijl. ‘And your ass will follow.’

The TMF Story

Videoland

Enkele generaties Nederlandse jongeren zijn opgegroeid met The Music Factory, de Nederlandse muziekzender die grofweg van 1995 tot 2011 – 24 uur, 7 dagen per week – bepaalde wat er populair was. In het tweeluik The TMF Story (95 min.) blikken kopstukken van voor en achter de schermen in de voormalige Studio Concordia in Bussum, waar alle uitzendingen destijds werden opgenomen, terug op een periode die ook voor hen vormend was.

In deel 1 worden de kwajongensjaren belicht van de zender, die begin jaren negentig uit de grond wordt gestampt door Veronica-coryfee Lex Harding en – kent-u-deze-nog-nog-nog? – Herman Heinsbroek, de latere LPF-minister. Ze beginnen met een nieuw veejayteam, dat deels bestaat uit bekende deejays van Radio 538. Zij krijgen gezelschap van de voormalige banketbakker Jeroen Post en vier nieuwe vrouwelijke gezichten: Fabienne de Vries, Bridget Maasland, Isabelle Brinkman en de latere BIJ1-politica Sylvana Simons. Die meiden moesten er vooral goed uitzien.

‘Nou ja, kijk, de pluspunten van Fabienne waren natuurlijk duidelijk waarneembaar’, zegt Erik de Zwart, die ‘de bril van toen’ duidelijk weer heeft opgezet, bij beelden van het voormalige boegbeeld van The Music Factory met een decolleté. ‘Zij was toch wel het naschoolse vriendinnetje’, vult Lex Harding aan. ‘De jongens moesten het een lekker wijf vinden. En de meiden moesten zich kunnen identificeren met haar.’ De vrouwelijke veejay zelf was vooraf ook goed geïnstrueerd: ‘Jij moet de beste vriendin van de meiden worden en de natte droom van de jongens.’

‘Woke was iets wat bij TMF niet bestond’, verduidelijkt Harding even later. ‘Waren opmerkingen grensoverschrijdend? Naar de maatstaven die nu gehanteerd worden: zeer zeker. Er werd gevloekt, er werd gescholden, er werd uitgelachen… weet ik veel allemaal.’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘En dat was heel goed voor de sfeer.’ Fabienne bleef er ogenschijnlijk rustig onder, getuige ook een interview met Robbie Williams. Op de vraag wat hij leuk vindt aan zichzelf, antwoordt de Britse popster doodleuk ‘my massive penis’. Oké, blijft zij verbazingwekkend koel: ‘show me!’

En ook Sylvana, die later als Tweede Kamerlid een soort woke-boegbeeld zou worden, kan zich er nog altijd niet al te druk om maken: zo ging dat toen nu eenmaal. De presentatoren van het eerste uur lijken zich vooral de opwinding van die tijd te herinneren. Het was keihard werken, voor een grijpstuiver bovendien, maar dan werd je wel wereldberoemd in Nederland en mocht je bijvoorbeeld ook de immens populaire TMF Awards presenteren. En als iets hot was, dan kwam het naar de studio: van Madonna en Backstreet Boys tot Notorious B.I.G. en Mariah Carey.

En dan meldt zich in deel twee van The TMF Story een nieuwe generatie veejays, waarvan het leeuwendeel ook graag nog eens voor de camera plaatsneemt om over hun grote doorbraak te vertellen. TMF markeerde voor bijvoorbeeld Daphne Bunskoek, Valerio Zeno en Miljuschka Witzenhausen de start van een televisiecarrière, die nog altijd voortduurt. Zij reden scheve schaatsen, gingen doldwaze avonturen aan en werden geconfronteerd met zichzelf. Intussen waren ze er getuige van hoe The Music Factory van karakter veranderde en langzaam naar z’n einde ging.

Dit anekdotische en vluchtige tweeluik raakt in de kantlijn ook onderwerpen zoals divagedrag, burn-outs én drugsgebruik aan, maar gaat nooit de diepte in. Als veejay Sylvie Meis bijvoorbeeld vertelt dat zij op een afterparty met collega’s schrok van wit poeder, ‘niet het spul wat je doet op pannenkoeken’, blijft ‘t daar ook bij. De bewering wordt verder niet onderzocht of voorgelegd aan de anderen. The TMF Story is daarmee een documentaire die uitstekend past bij The Music Factory, een film die even gemakkelijk wegkijkt als ook weer uit het geheugen verdwijnt.

Larger Than Life: Reign Of The Boybands

SkyShowtime

Het is natuurlijk een beetje vloeken in de kerk om een documentaire over boybands te starten met The Beatles – al lijkt soms alles in de popmuziek ooit te zijn begonnen met John, Paul, George en Ringo. Beatlemania was echter onmiskenbaar een voorbode van de boybands die in de jaren negentig, geheel geprofessionaliseerd, door de muziekbusiness aan het meisje werden gebracht: een groepje zorgvuldig geselecteerde hartendieven, met voor elke fangirl wat wils.

En van The Beatles is het een logische stap naar The MonkeesThe Jackson 5 en The Osmonds. ‘Ik begon op m’n vierde met zingen en werd op mijn vijfde professional’, vertelt Donny Osmond in Larger Than Life: Reign Of The Boybands (96 min.). ‘Dus toen de Osmond-gekte in 1970 begon, zat ik al heel lang in het vak.’ Toch werd ook hij destijds nog verrast door het enorme gegil van al die tienermeisjes. ‘Ik dacht: dat meen je niet’, herinnert Osmond zich lachend. ‘Dit moet ik de rest van m’n leven doen.’

Vanuit deze grondleggers van een popgenre, waarvan zij toen vast geen idee hadden dat het ooit zou floreren en waarmee ze wellicht ook helemaal niets te maken wilden hebben, werkt regisseur Tamra Davis met leden van bekende boybands naar het heden toe: Michael Bivins (New Edition), Donnie Wahlberg (New Kids On The Block), AJ McLean (Backstreet Boys), Zac, Taylor en Isaac Hanson (Hanson), Chris Kirkpatrick en Lance Bass (*NSYNC) en Nick Lachey en Jeff Timmons (98 Degrees).

En dat heden bestaat toch vooral uit K-pop. De ultieme Zuid-Koreaanse popgroep lijkt Seventeen, in deze gelikte productie vertegenwoordigd door Vernon en Hoshi, een boyband met maar liefst dertien leden. Met écht voor elke fangirl dus wat wils. Onderweg naar dit punt in de pophistorie worden ook One Direction en de (christelijke) Jonas Brothers nog uitgebreid besproken, maar komen niet-Amerikaanse bands zoals Take ThatBoyzone en Menuda er wel heel bekaaid vanaf.

Vlotjes behandelt Larger Than Life nog wel deelonderwerpen als de typecasting binnen een band, rivaliteit met andere groepen, de rol van ouders, solocarrières en het negatieve imago van boybands in het algemeen. Davis richt zich verder niet op de uitwassen die in andere boybanddocu’s al uit en te na zijn behandeld – al komen de wurgcontracten die de leden vrijwel zonder uitzondering hebben getekend nog wel aan de orde. Want het was natuurlijk vooral business, die boybands.

Waar de tienerjongens van de jaren negentig hun lol al op konden met rock, punk of rap, hadden de meisjes, die van tevoren nooit serieus waren genomen als muziekliefhebber, duidelijk behoefte aan ook iets voor zichzelf. Speciáál voor hen.

Liza: A Truly Terrific Absolutely True Story

Atlas Media Corp

Deze vrouw heeft een publiek nodig. Ook nu ze bijna tachtig is. Als Liza Minnelli wordt geprepareerd voor het centrale interview van de documentaire Liza: A Truly Terrific Absolutely True Story (101 min.) van Bruce David Klein, zit ze al helemaal in haar rol van Hollywood-diva, die alles en iedereen om haar heen dirigeert, er nog altijd tiptop bij wil zitten en toch ook wel een soort zelfspot lijkt te hebben.

Die allure heeft ze ongetwijfeld met de paplepel ingegoten gekregen van haar ouders, de wereldberoemde actrice, zangeres en danseres Judy Garland en filmregisseur Vincente Minnelli. En anders was de creatieve duizendpoot Kay Thompson, die zich over Liza ontfermde na de voortijdige dood van haar getroebleerde moeder in 1969, vast een aardige mentor. En al die (bekende) mannen in haar leven hebben ongetwijfeld ook hun sporen achtergelaten in Minnelli’s theatrale persoonlijkheid.

Ze was nochtans een natuurtalent, beweren sleutelfiguren uit haar lange carrière in film, musical en theater. Liza kon zingen, acteren, dansen en flaneren als de allerbeste. Als haar moeder dus, simpel gezegd. Want het kostte haar nogal wat kruim om zich los te maken van het predicaat ’de dochter van…’ 1972 was in dat verband een geweldig jaar: ze won een Emmy Award voor de tv-special Liza With A Z en een Oscar voor de rol van de zangeres Sally Bowles in de verfilmde musical Cabaret.

Het exuberante personage Liza Minnelli kwam daarin optimaal tot z’n recht en zou ook in de navolgende decennia nog regelmatig floreren in allerlei producties. Maar wie de vrouw achter al die glitter en glamour nu echt is? Afgaande op dit gesmeerd lopende en zwierig aangeklede portret, waarin heel lang geen onvertogen woord valt, is Liza achter de schermen aardig, oprecht, kwetsbaar, gul en bescheiden. En ze staat dus blijkbaar – eerst zien, dan geloven – ook wel eens niet ‘áán’.

Uiteindelijk wordt Liza Minnelli toch ingehaald door het turbulente leven dat ze al die jaren heeft geleid en moet ze onder ogen zien dat ze ongewild in het voetspoor is getreden van haar zelfdestructieve moeder. Daarmee krijgt dit helemaal geweldige en absoluut ware verhaal, nét voor de verplichte grande finale natuurlijk, alsnog de te overwinnen crisis die zo’n film over een boegbeeld van de internationale showbusiness (and there’s no business like…) nu eenmaal nodig heeft.

‘Sometimes you’re happy and sometimes you’re sad’, zingt ze tot besluit met ouderwetse bravoure, op piano begeleid door haar trouwe vriend, archivaris en vleesgeworden loftrompet Michael Feinstein. ‘But the world goes roooouuuund.’

Leaving Neverland II: Surviving Michael Jackson

Amos Pictures / Videoland

Met de documentaire Leaving Neverland werd Michael Jackson (1958-2009) begin 2019 definitief onderdeel gemaakt van een dubieus, nog altijd uitdijend gezelschap: Harvey Weinstein, R. Kelly, Jeffrey Epstein, Bill Cosby, Gérard Depardieu, Kevin Spacey, Marilyn Manson en P. Diddy, wereldberoemde mannen uit de entertainmentwereld die herhaaldelijk in verband zijn gebracht met ernstig seksueel misbruik.

De indringende documentaire van de Britse filmmaker Dan Reed was opgebouwd rond de persoonlijke getuigenissen van Wade Robson en James Safechuck, die los van elkaar beweerden dat ze als kind waren misbruikt door de Amerikaanse superster. De erven Jackson verwezen hun verhalen direct naar de prullenbak – het ging de twee alleen maar om geld – maar de belastende verklaringen van Robson en Safechuck lieten zich niet zomaar wegredeneren. Daarvoor bevatten ze te veel details en was er ook nét iets te veel ondersteunend bewijsmateriaal.

Zes jaar later krijgt hun zaak een vervolg met Leaving Neverland II: Surviving Michael Jackson (53 min.). Óók in de rechtbank. Ondersteund door hun advocaten Vince Finaldi en John Manly proberen Robson en Safechuck al ruim tien jaar om hun zaak voor de rechter te brengen. Ze richten zich daarbij op Jacksons bedrijven MJJ Productions en MJJ Ventures. Die zouden op de hoogte zijn geweest van ‘s mans ‘draaimolen van kinderen’ en zijn wangedrag hebben gefaciliteerd. ‘Dit bedrijf had controle over kinderen’, betoogt Finaldi. ‘Het had de plicht om ze te beschermen.’

Na de eerste documentaire, die nogal wat stof deed opwaaien en van Robson en Safechuck een geliefd doelwit maakte van woeste Michael Jackson-fans, heeft Dan Reed zich verder verdiept in het vermeende kindermisbruik. Hij voert nu ook een openbaar aanklager en politieagent op. Zij hebben geprobeerd om een strafzaak op te starten tegen Jackson. Dit liep echter steeds spaak, omdat de entertainer steeds alsnog – naar verluidt voor exorbitante bedragen – wist te schikken met de beschuldigers en/of andere slachtoffers hun zaak niet durfden door te zetten.

Reed probeert ook wederhoor te halen, maar vangt steeds bot bij de mensen die nu Jacksons nalatenschap beheren. Hij vindt alleen een online quote van mede-executeur John Branca die na de release van Leaving Neverland, in april 2019, spreekt van ‘inconsistenties en regelrechte leugens’ in de film. Verder moet dit vervolg ’t doen met een bijdrage van de YouTuber Andy Signore, die nog altijd een financieel motief ziet bij Robson en Safechuck (én Reed), en quotes van enkele fans. Zij blijven Jackson door dik en dun steunen of zijn juist aan het twijfelen gebracht.

Over een financieel motief gesproken: MJJ Productions en Ventures hebben er natuurlijk ook alle belang bij dat hun verdienmodel – het commercieel uitbaten van Jacksons werk – niet in gevaar komt. Zij proberen de juridische procedures dus zo lang mogelijk te rekken en lijken te hopen dat van uitstel afstel komt. De zaak is voorlopig nog wel onder de rechter. Dit tweede deel van Leaving Neverland vormt dus niet meer dan de tussenbalans. De eindafrekening in de zaak tegen Michael Jackson zal te zijner tijd ongetwijfeld worden opgemaakt in Leaving Neverland III.

One To One: John & Yoko

Magnolia Pictures

Eind 1971 verhuizen John Lennon en Yoko Ono van Londen naar New York, waar ze anderhalf jaar lang in een klein appartement in Greenwich Valley wonen, kunstenaars en politieke activisten ontvangen en héél véél televisie kijken. Ze zijn zelf overigens ook vaak op de buis, getuige de documentaire One To One: John & Yoko (100 min.) van Kevin Macdonald en Sam Rice-Edwards, in één van de vele Amerikaanse nieuws-, entertainment- of praatprogramma’s.

Want dat kennen ze dan nog niet buiten de Verenigde Staten: de hele dag door televisie, een permanent venster op de wereld, gewoon in je eigen huiskamer. Waarop bijvoorbeeld is te zien hoe een lid van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis de Amerikaanse president Richard Nixon de mantel uitveegt over de Vietnamoorlog, leden van de tegencultuur zoals Jerry Rubin ongegeneerd hun kans grijpen in talkshows en een opstand in de Attica-gevangenis met brute kracht wordt neergeslagen.

John en Yoko’s Greenwich-periode culmineert in One To One, het énige volledige optreden dat Lennon heeft gegeven ná het einde van The Beatles. Macdonald en Rice-Edwards matchen fragmenten van dit benefietconcert voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, op 30 augustus 1972 in Madison Square Garden, met andere activiteiten van de Britse zanger/gitarist en de Japanse kunstenares, die elkaar hebben gevonden in zowel de liefde als een alomvattend activisme.

Deze archieffilm bevat ook talloze telefoongesprekken van het tweetal. Met vrienden, managers, journalisten en allerlei andere lieden die iets van hen willen. Lennons echtgenote moet zich bijvoorbeeld de vele Yoko-haters van het lijf houden, die haar het einde van Johns eerste huwelijk en van The Beatles verwijten, en probeert zelf, ook via de televisie overigens, de relatie met Kyoko, de dochter uit haar relatie met kunstpromotor Anthony Cox, te herstellen. Haar ex is spoorloos verdwenen met het meisje.

Terwijl de camera zwerft over een replica van het voormalige appartement van Lennon en Ono, komt via de beeldbuis de rest van de wereld binnen. Zowel het segregatie-boegbeeld George Wallace als zijn absolute tegenpool, de zwarte vrouw Shirley Chisholm, stellen zich bijvoorbeeld namens de Democratische Partij kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het Watergateschandaal rond de Republikeinse president Nixon komt op gang. En intussen zijn er tv-reclames in alle soorten en maten.

Via het iconische duo John en Yoko – en hun optredens, opgenomen belletjes en televisietoestel – brengen Macdonald en Rice-Edwards haarscherp een getroebleerde natie in beeld. Een land dat aan het begin van de jaren zeventig wordt verscheurd door Vietnam, raciale spanningen en maatschappelijke tegenstellingen. Waar Richard Nixon in 1972 een gigantische verkiezingsoverwinning kan boeken, om nog geen twee jaar later, als gevolg van Watergate, roemloos af te druipen als niets meer dan een ‘crook’.

John Lennon en Yoko Ono zijn dan al enige tijd weg uit Greenwich Valley en hebben elders in New York een appartement betrokken.

Boyzone: Life, Death And Boybands

SkyShowtime

Na het eerste televisieoptreden van Boyzone in 1993 – van zingen kwam ’t niet, het bleef bij dansen – kegelde initiatiefnemer Louis Walsh zonder duidelijke reden twee bandleden eruit. Ze pasten er toch niet helemaal tussen, waarschijnlijk. Toen waren er nog maar vier over. ‘Ik moest ze laten weten dat ze op elk moment vervangen konden worden’, legt Walsh uit. De jongens in zijn boyband moesten hongerig en ambitieus blijven en mochten niets voor vanzelfsprekend aannemen.

Nu had de manager alleen nog een nieuw groepslid nodig. Want vijf was volgens hem het ideale aantal voor zo’n jongensband. Als er dan eentje z’n biezen pakte, had ie er nog genoeg over om gewoon door te kunnen gaan. Walsh rekruteerde Michael Graham, die altijd een Fremdkörper zou blijven in de groep. En daarmee was ‘de Ierse Take That’ compleet, klaar om de wereld te veroveren. Tenminste, het vrouwelijke deel. Beter: de meisjes. Daarvan moesten de harten sneller gaan kloppen.

De driedelige docuserie Boyzone: Life, Death And Boybands (145 min.) van Sophie Oliver is een opvallend open, kritische en schrijnende terugblik op de carrière van de vijf Adonissen uit Dublin en hun gehaaide manager Louis Walsh, een man die al net zo rücksichtslos opereerde als Frank Farian, de bedenker van Milli Vanilli, en Lou Pearlman, de manager van Backstreet Boys en *NSYNC, popacts waarover in de afgelopen jaren ook smeuïge documentaireproducties zijn uitgebracht.

Alleen kwam daarin de man die achter de schermen aan alle touwtjes trekt zelf niet aan het woord. Hier wel. En Walsh spreekt niet met meel in de mond. Volgens journalist Paul Martin van de tabloid The Irish Mirror, tabloid, gefilmd in een schemerige parkeergarage, was de Boyzone-manager een geweldige bespeler van de pers. Walsh gaf hen vaak carte blanche en verzon zonder problemen allerlei onzinverhalen over de groep om maar in beeld te blijven, desnoods over de rug van zijn jongens.

Zo kreeg Martins coververhaal ‘Baby Spice & Boyzone Steve are live and kissing’ een wrange nasmaak. Want Boyzone-kanjer Stephen Gately, waarvan menig meisjeshart sneller ging kloppen, was in werkelijkheid homo. In 1999 kwam dat alsnog uit. ‘Iemand verraadde hem’, herinnert Boyzone-voorman Ronan Keating zich, ‘en deed Steo in de uitverkoop.’ Het verhaal bereikte vervolgens showbizzjournalist Rav Singh van The Sun, de concurrent van The Irish Mirror. En die had niet geaarzeld.

‘Boyzone-ster Stephen Gately koos The Sun om z’n moedige mededeling te doen’, leest Keating 25 jaar later voor uit de krant. ‘Flikker op! Hij heeft niet gekozen.’ De hele groep was destijds verontwaardigd over wat er met hun vriend en collega gebeurde. ‘Hij was er niet klaar voor, die arme jongen’, zegt Shane Lynch. ‘Hij was zo bang.’ Manager Walsh kan een glimlach echter niet onderdrukken als hij The Sun onder ogen krijgt. ‘Goed om te zien’, zegt hij tevreden. ‘Hij haalde de voorpagina.’

De tabloids zouden een dubieuze rol blijven spelen in de bandhistorie, in het bijzonder na Gately’s overlijden in 2009. En de verhoudingen in de groep zouden daarna ernstig verzuren, waardoor de verplichte reünietournee, die dit soort docu’s doorgaans aftopt, er in Boyzone’s geval echt niet in lijkt te zitten. Alhoewel? Ronan Keating, Shane Lynch en Keith Duffy zeggen niet direct nee. Alleen Mikey Graham, die altijd twijfels heeft gehouden bij het boybandbestaan, staat vooralsnog niet te springen.

Louis Walsh zou in elk geval helemaal niets veranderen aan de voorbije dertig jaar. ‘Het was misschien niet perfect’, zegt hij triomfantelijk. ‘Maar het was perfect voor mij.’

Keith Richards: Under The Influence

Netflix

Hij klinkt nog altijd alsof hij flink in de olie of onwaarschijnlijk high is. En dan die lach: alsof er tegelijkertijd slijm en valse lucht uit lang vervlogen tijden mee naar buiten willen. Het is daarom wellicht verleidelijk om Rolling Stones-gitarist Keith Richards niet al te serieus te nemen. Als een oude vos die nu eenmaal zijn streken niet verleert.

Toch is ‘Keef’ allang niet meer de onbetwiste nummer één op rock & rolls te verwachten dodenlijst – al zou dat tegenwoordig, nu hij zowaar al even in de tachtig is, allang niet meer zo vreemd zijn als in pak ‘m beet de eerste vijftig jaar van zijn turbulente bestaan. Toen hij alles deed wat God verboden had. ‘Je bent pas volwassen op de dag dat ze je begraven’, zegt hij er zelf over, ook alweer tien jaar geleden overigens, in Morgan Neville’s documentaire Keith Richards: Under The Influence (82 min.) uit 2015.

Omdat The Rolling Stones weer even in de pauzestand staan, blaast hij dan met z’n vaste kompanen Waddy Wachtel (gitaar) en Steve Jordan (drummer/producer) zijn solocarrière nieuw leven in. De gitarist zingt en speelt enkele nieuwe songs, ontvangt muzikale gasten voor z’n derde album Crosseyed Heart en demonstreert en passant dat ie ook een lekker moppie piano kan spelen (iets wat hij volgens eigen zeggen leerde van Ian Stewart, de pianist die nooit echt tot The Rolling Stones mocht behoren).

Richards blikt verder terug op zijn jeugd in het Engelse Dartford, vertelt hoe de blues van Robert Johnson, Muddy Waters en Howlin’ Wolf zijn leven veranderde en zoomt dan in op de band die van daaruit ontstond – waarvan hij nu al dik zestig jaar het muzikale geweten is, terwijl Mick Jagger als blikvanger fungeert. Dit portret concentreert zich volledig op zijn onbegrensde liefde voor muziek. Seks en drugs, vaste bestanddelen van andere Stones-docu’s, geven ditmaal voorrang aan rock & roll. De muziek dus.

Achteraf bezien is ‘t een gotspe dat er een Brits bandje aan te pas moest komen om al die Amerikaanse blueshelden aan de vergetelheid te ontrukken. Het zorgde wel voor onvergetelijke momenten, die hij duidelijk koestert. En toen Richards’ relatie met Jagger, die in deze film nooit meer dan een onbeduidende figurant wordt, halverwege de jaren tachtig in de ‘Derde Wereldoorlog’ was beland, ontdekte hij via de docu Chuck Berry: Hail! Hail! Rock ‘N’ Roll (1987) dat er een muzikaal leven bestond buiten The Stones.

Want het podium en de studio beschouwt hij als zijn thuis. Verder bezoekt Keith Richards in dit sympathieke portret het Grand Ole Opry in countrymekka Nashville, zingt hij op tegen de dwarse crooner Tom Waits en speelt in Chicago, de bakermat van de elektrische blues, een partijtje biljart met Buddy Guy. Het is, kortom, de liefhebber in Keith Richards die alle aandacht krijgt in Under The Influence. De man ook, de zoon en de grootvader. Zij hebben in werkelijkheid allang de notoire veelgebruiker vervangen. 

‘Een imago dat ik niet kan afschudden’, zegt hij daarover berustend. ‘Het is geen schaduw want het is er de klok rond. Het verdwijnt niet als de zon ondergaat.’

Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius)

Disney+

Sly Stone maakte van zelfsabotage z’n tweede natuur. Hij verloor zichzelf gaandeweg volledig in dope, kwam bij optredens steeds vaker veel te laat (of helemaal niet) opdagen en zette daarmee al z’n persoonlijke en professionele relaties onder druk. Zo doofde een muzikale carrière, die hem als zwarte artiest naar de absolute wereldtop had gebracht, in een tijd waarin dat nog vrijwel zonder precedent was, langzaam maar zeker helemaal uit. Totdat Stone niet meer dan een schim was van de baanbrekende muzikant die hij eind jaren zestig, begin jaren zeventig was geweest – en helemaal uit beeld verdween.

Inmiddels is Stone al een kleine halve eeuw vrijwel onzichtbaar. Hij schijnt te zijn afgekickt, maar ontbreekt in Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius) (110 min.) van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, de drummer van de Amerikaanse hiphopband The Roots die zich steeds nadrukkelijker begint te manifesteren als maker van muziekdocu’s, getuige Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (2021) en Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music (2025). Questlove was ook betrokken bij Stone’s autobiografie Thank You (Falettinme Be Mice Elf Agin), maar heeft hem blijkbaar niet weten te overtuigen (of aangespoord) om ook in deze film te verschijnen.

Die (non-)keuze zit de documentaire overigens helemaal niet weg. Juist door het ontbreken van de hoofdpersoon, die alom wordt beschouwd als een muzikaal genie, wint die aan mysterie. Een aandoenlijke opa, genoeglijk terugblikkend op zijn eigen roemruchte verleden, zou waarschijnlijk alleen maar afbreuk hebben gedaan aan de onmiskenbare brille van zijn vroegere zelf. Vanaf halverwege de jaren zestig zette Sylvester Stewart, alias Sly Stone, de muziekwereld namelijk helemaal op z’n kop met een multiraciale groep mannen en vrouwen, die erin slaagde om de voorheen gescheiden zwarte en witte muziekliefhebbers te verenigen: Sly & The Family Stone.

Van de oorspronkelijke groep participeren bassist Larry Graham, drummer Greg Errico en saxofonist Jerry Martini in deze swingende film. De andere leden, waaronder Sly zelf, leveren hun stukje van de puzzel via archiefinterviews. Zij worden terzijde gestaan door platenbaas Clive Davis en muzikale zielsverwanten en navolgers zoals George Clinton (Parliament/Funkadelic), Chaka Khan, Andre 3000 (Outkast), D’Angelo, Nile Rodgers, Jimmy Jam en Terry Lewis, Vernon Reid (Living Colour) en Q-Tip. En tegen het eind verschijnen ook Sly’s zoon zoon Sylvester Jr. en z’n dochters Novena en Phunne, het kind dat hij kreeg met Family Stone-trompettiste en zangeres Cynthia Robinson, ten tonele.

Questlove legt zijn hypothese rond zwarte genieën aan hen voor: hebben die ’t niet extra zwaar omdat ze de verantwoordelijkheid voor hun volledige gemeenschap met zich meetorsen? Zeker in een tijd waarin de verhoudingen tussen zwart en wit, als gevolg van de burgerrechtenstrijd, sowieso al onder druk staan, kan dit een nauwelijks te dragen last worden. De muziek van Sly & The Family Stone was zowel een uitdrukking van die turbulente tijd (There’s A Riot Going On) als een verzoenende reactie daarop (Everyday People). Daarmee wist de groep een mainstream-publiek voor zich te winnen, zoals bijvoorbeeld is te zien in een dampende performance in de Ed Sullivan Show.

De ommekeer wordt, in elk geval in deze typische popdocu, al ingezet tijdens het onbetwiste hoogtepunt uit de bandhistorie: het legendarische optreden tijdens het Woodstock-festival in 1969. Als Sly Stone niet alleen z’n gehoor ‘higher’ brengt en er vast geen idee van heeft dat zijn eigen tocht naar beneden al snel zal worden ingezet. Sly Lives! neemt de tijd om te laten zien hoe de ultieme wegbereider voor funk, de man die een blauwdruk leverde voor Prince en de essentiële inspiratiebron voor hiphop langzaam maar zeker verwerd tot een doorgesnoven karikatuur van zichzelf, die rücksichtslos werd voorbijgestreefd door al wat hij zelf in gang had gezet.

Questlove heeft tegen die tijd echter allang aangetoond hoe cruciaal Sly & The Family Stone waren als portaal naar een nieuwe inclusievere muziekwereld – en hoe geweldig hun performances, ruim een halve eeuw na dato, nog altijd klinken (en ogen).

Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music

Saturday Night Live

Als je ruim twee uur toch wat te gortig vindt voor een documentaire over de live-optredens in een legendarische Amerikaanse comedyshow, houdt ‘t dan simpelweg bij het intro van de film. Welgeteld vijf minuten puur muzikaal genot.

Nelly doet ‘t met Franz Ferdinand. Mmmbob van Hanson en Chers I Found Someone versmelten met elkaar. Queens Another One Bites The Dust lanceert Ice Ice Baby (Vanilla Ice), She Drives Me Crazy (Fine Young Cannibals) en Love Is A Wonderful Thing (Michael Bolton). John Mellencamp, INXS en Roy Orbison vechten ‘t samen uit. Prince, Rick James en Duran Duran jutten elkaar op. Lenny Kravitz leent het ritme van James Brown. Billie Eilish botst op U2 en Olivia Rodrigo. En *NSYNC, Dido en Destiny’s Child steken elkaar de helpende hand toe.

Deze volvette mashup, waarin de hoogte- en dieptepunten uit Saturday Night Live’s rijke muzikale historie zijn samengebald, vormt de opmaat naar Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music (128 min.) van Oz Rodriguez en Ahmir ‘Questlove’ Thompson, de drummer van de hiphopgroep The Roots en maker van de muziekdocu’s  Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised), een terugblik op het Harlem Cultural Festival in 1969, en Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius), een portret van de legendarische funkband Sly & The Family Stone.

De Saturday Night Live-film, opgebouwd uit thematische hoofdstukjes van een minuut of negen, belicht met comedians die tot het vaste ensemble behoorden (zoals Eddie Murphy, Adam Sandler, Maya Rudolph,  Bill Hader en Jimmy Fallon) en artiesten die er optraden (Mick Jagger, Billie Eilish, Dave Grohl, Olivia Rodrigo, Miley Cyrus, Debbie Harry, Tom Morello, Jack White en Dua Lipa) de roemruchte geschiedenis van het New Yorkse televisieprogramma, dat al een halve eeuw een podium biedt aan nieuwe en gevestigde artiesten om zich live (LIVE!) te manifesteren.

Vanaf het allereerste optreden – Billy Preston in oktober 1975 – probeert het programma van showrunner Lorne Michaels de artiesten van het moment te strikken en vóór de trends uit te programmeren. Deze docu herbergt talloze van zulke dampende performances: Funky Four Plus One, Elvis Costello, Run-DMC, David Bowie, Nirvana en Adele. En soms veroorzaken die commotie. Na een tegendraads optredens van Captain Beefheart roept iemand uit het publiek hoorbaar ‘shit!’. Sinéad O’Connor verscheurt een foto van de paus. En Kanye West gaat z’n boekje weer eens helemaal te buiten.

En wat is er nu mooier dan om die artiesten ook te laten participeren in sketches? Madonna als ordinaire fan van Barbra Streisand. Paul Simon die Still Crazy After All These Years zingt in een belachelijk vogelpak). En Dave Grohl als de drummer van een punkband die een bruiloft versjteert. Saturday Night Live creëert overigens ook z’n eigen muzikale helden als John Belushi en Dan Aykroyd The Blues Brothers vormen, Eddie Murphy zich in James Brown’s Hot Tub Party waagt en het trio The Lonely Island hilarische muziekvideo’s zoals Dick In A Box begint uit te brengen.

Aan het niveau van dat daverende intro kan Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music in de navolgende twee uur, die even fragmentarisch als vermakelijk zijn, niet meer tippen. Één probleem: zie hem na die eerste vijf minuten nog maar eens af- of stil te zetten.

The Fall Of Diddy

HBO Max

Het is een publiek geheim dat hij losse handjes heeft. Dat het er op zijn Great Gatsby-achtige feesten wild aan toe gaat. En dat hij niet bepaald van de eeuwige trouw is. Jarenlang durft niemand in de Amerikaanse entertainmentwereld zijn gedrag echter aan de kaak te stellen en kan Sean ‘Puffy’ Combs dus ongehinderd zijn gang gaan.

Nu hij onlangs tóch onder vuur is komen te liggen, nadat zijn vriendin Cassie Ventura in het najaar van 2023 een rechtszaak heeft aangespannen vanwege allerlei vormen van geweld en er zelfs een video is opgedoken waarin zij door hem wordt mishandeld, blijken er ineens toch wel heel veel mensen uit de hiphopscene met een saillant Puffy-verhaal rond te lopen. En dat delen ze ogenschijnlijk maar al te graag voor de camera.

Sommige van die getuigenissen ogen doorvoeld en oprecht. De sprekers – Cassie zelf ontbreekt overigens – zijn ernstig beschadigd geraakt door hun ervaringen met de Amerikaanse rapper, producer en platenbaas die zichzelf ook wel P. Diddy noemt. Anderen lijken vooral hun kans schoon te zien om ook eens een duit in het zakje te doen nu The Fall Of Diddy (191 min.) zich zowaar echt lijkt te voltrekken.

Ook deze vierdelige serie van Yoruba Richen en Emma Schwartz wordt behalve door personen uit Combs directe entourage (zoals zijn jeugdvriend Tim Patterson, chauffeur, chefkok, publiciteitsagenten, bodyguard, Bad Boy Records-medewerkers en allerlei gemaltraiteerde vrouwen) ook weer bevolkt door de onvermijdelijke muziekkenners, entertainmentjournalisten en social mediapersoonlijkheden.

‘Exemplarisch is het relaas van Kat Pasion. ‘You made your vision come true’, complimenteerde Combs de Canadese actrice, het nieuwste object van zijn veroverdwang, toen zij haar haren blond had geverfd. Trots laat ze de geluidsopname horen. Zo lief was ie dus. In het begin. ‘Het waren wittebroodsweken’, zegt ze nu. ‘Nu ik erop terugkijk lijkt het sterk op hoe de relatie tussen Cassie en Puff begon.’

Samen lopen al die figuren, ondersteund door kras gemonteerde archiefbeelden, Puffy’s turbulente leven door. Van ’s mans oneindige serie hits, onaantastbare status in de muziekbusiness en ambitieuze projecten tot de schandalen: de gewelddadige vete met West Coast-rappers, het drama waarbij negen concertgangers worden geplet bij een evenement in City College en de schietpartij in een New Yorkse nachtclub.

In een vijfde bonusaflevering doet Phil Pines, de ‘senior executive assistant’ van Sean Combs in de periode van december 2019-2021, in een interview met journalist Mara S. Campo, die zelf als expert opdraafde in de eerste vier delen van deze klassieke #metoo-serie, bovendien nog een boekje over ’s mans ‘Wild King Nights’ en laat hij de dwingende audioberichtjes horen die de hiphopmagnaat zo’n beetje elk uur aan hem stuurde.

Pines laat tevens zien hoe Comb’s rechterhand, ‘stafchef’ Kristine Khorram, zijn uitspattingen steeds weer faciliteert. Van de opdracht om de voorraad babyolie of glijmiddel aan te vullen tot het bevel tot een ‘emergency clean up at hotel’, als Diddy weer eens een kamer heeft gesloopt. Het is de ultieme sex, drugs & hiphop-ervaring, verzorgd door een man met héél veel geldingsdrang en een héél kort lontje.

Blood + Thunder: The Sound Of Alberts

Australia Broadcasting Corporation

In een directievergadering van de firma J. Albert & Son in 1963 bracht het nieuwste directielid, de 25-jarige Ted Albert, een onorthodox idee te berde: zullen we zelf platen gaan produceren en zo een eigen Australische sound creëren?

Ongeveer tegelijkertijd arriveerde er een Schotse arbeidersfamilie in Sydney, met drie geniale gitaristen en songschrijvers in de gelederen: George, Malcolm en Angus Young.

Getuige de tweedelige documentaire Blood + Thunder: The Sound Of Alberts (115 min.) uit 2015 was ‘t onvermijdelijk dat de wegen van Ted Albert en de Youngs elkaar zouden kruisen. Dat gebeurde via The Easybeats, het bandje dat George Young startte met de Nederlander Harry van den Berg, die hij al snel Harry Vanda begon te noemen. Met hits zoals Friday On My MindHello, How Are You en Good Times groeiden zij uit tot een soort Australische Beatles.

Intussen was het oog van de ogenschijnlijk zo nette zakenman Ted Albert ook gevallen op George’s jongere broertjes Malcolm en Angus. Onder de hoede van hun oudere broer en diens maatje Vanda startten zij met AC/DC de Australische rockmachine nog eens goed op. Samen ontwikkelden zij de poepruige pubrock-sound, waarmee de rockwereld een halve eeuw later nog altijd niet klaar is. Australische bands als The Angels en Rose Tattoo, eveneens onder contract bij Alberts, volgden in hun slipstream.

Deze gesmeerd lopende rockdocu van Paul Clarke, met verve aan elkaar gepraat door de Australische acteur David Field, schetst soepel wat de combi Albert-Youngs te weeg heeft gebracht met prachtig archiefmateriaal, enigszins misplaatste reconstructiescènes en terugblikinterviews met insiders en Alberts-artiesten zoals Harry Vanda, Gordon ‘Snowy’ Fleet (The Easybeats), Angus Young (AC/DC), Angry Anderson (Rose Tattoo), Stevie Wright en John Brewster (The Angels).

Het Australische label bleek overigens niet voor één gat te vangen en had bijvoorbeeld ook pop- en discohits met John Paul Young (Love Is In The Air) en Flash & The Pan (Midnight Man), een project dat de succesproducers Vanda en Young voor zichzelf uit de grond stampten. Zo bleven de Alberts-acts de successen aaneenrijgen. Toen Ted Albert in 1990, op slechts 53-jarige leeftijd, plotseling overleed, had hij Malcolm Young net per brief gecomplimenteerd voor het nieuwe AC/DC-album The Razors Edge.

Het is meteen een passend slotakkoord voor een fijne film die een welhaast vergeten rock & roll-akker nog eens lekker afploegt.

Inmiddels zijn overigens, behalve Ted Albert, ook George en Malcolm Young overleden.

This Is Sparklehorse

Sparklehorse

Mark Linkous (1962-2010) stond te boek als een ‘muzikantenmuzikant’, een zanger en songschrijver die wel een potje kon breken bij collega’s. Op de gastenlijst van This Is Sparklehorse (91 min.) prijken dan ook talloze andere prominenten uit de indie-hoek: David Lowery (Cracker), Ed Harcourt, Jonathan Donahue (Mercury Rev), Gemma Hayes, Adrian Utley (Portishead), Jason Lytle (Grandaddy) en John Parish.

Acts voor fijnproevers die, net als Linkous’ artistieke alter ego Sparklehorse, nooit stadions konden vullen, maar zich wel in het hart van menige muziekliefhebber hebben gewurmd. De bekendste naam in deze DIY-film van Alex Crowton en Bobby Dass is zonder twijfel David Lynch. ‘Trieste schoonheid’, noemt de befaamde filmmaker Linkous’ muziek. John Carter (Phantogram) omschrijft die dan weer als ‘gothic country-muziek’.

Sparklehorse-albums klinken als een slecht afgestelde draagbare radio: te midden van ruis en gekraak doemt er ineens een vlijmscherpe rocksong op of meldt zich bijna ongemerkt een gefluisterd melancholiek liedje. Die fluistervorm ontdekte Linkous volgens David Lowery per ongeluk. Als hij ‘s nachts in zijn thuisstudio nieuwe liedjes wilde opnemen, lag zijn echtgenote vaak al te slapen en moest hij zacht te werk gaan.

Zij ontbreekt in dit postume portret. Net als Brian Burton (Danger Mouse), met wie Linkous een compleet album maakte. Zijn broer Matt is wel van de partij. En er is een prominente rol voor singer-songwriter Angela Faye Martin, die deze docu opzette en tevens dienst doet als verteller. In die hoedanigheid richt ze zich af en toe rechtstreeks tot de protagonist. Martin verschijnt soms ook in beeld en claimt zo wel erg veel ruimte.

Hun protagonist blijft intussen een enigma. En dat was vast de bedoeling: een held die net zo ongrijpbaar blijft als zijn muziek. Duidelijk is wel dat Linkous al jong worstelde met het leven. Met allerlei roesmiddelen probeerde hij de depressies op afstand te houden. Daar was soms ook alle reden toe. Nadat hij in 1995 ging touren met zijn debuutalbum Viadixiesubmarinetransmissionplot, sloeg in Londen bijvoorbeeld het noodlot toe.

In een hotel viel hij – beneveld? onder invloed van pijnstillers? – in slaap, met zijn benen onder zich bekneld. Uiteindelijk volgde een hartaanval. Linkous kwam er ernstig beschadigd uit. Een tijd leek ’t alsof hij de rest van zijn leven veroordeeld zou zijn tot een rolstoel. ‘Bij de eerste gelegenheid waarop we alleen waren zei hij: je moet me doden’, herinnert David Lowery zich die donkere periode. ‘Ik kan niet leven met deze pijn.’

Later, toen Mark Linkous met de nodige hulpmiddelen weer kon staan en lopen, bleven de donkere episoden – ook omdat zijn muziek nauwelijks genoeg geld binnen bracht om van te kunnen leven. Toen zijn vriend en collega Vic Chesnutt, daadwerkelijk veroordeeld tot een rolstoel, in 2009 de dood boven het leven verkoos, belandde ook Linkous in een niet meer te stoppen neerwaartse spiraal. Binnen drie maanden was hij eveneens dood.

Deze film veegt een flink aantal brokstukken van Mark Linkous’ leven bij elkaar, van een man zonder beschermingslaag, die ver van waar ’t in de muziekbusiness gebeurt, New York en Los Angeles, waar hij zelf nooit kon floreren, zijn eigen stem vond. Ruw, zacht en breekbaar – en nauwelijks te vatten. Zoals de onnavolgbare slogan van die schoorsteenveger op het T-shirt dat hij soms droeg: we may not be good, but we sure are slow.

Avicii – I’m Tim

Netflix

Met Avicii: True Stories (2017) leek eerlijk gezegd het hele verhaal wel verteld. Een jaar na de release van deze achter de schermen-docu van Levan Tsikurshvili maakte de hoofdpersoon een einde aan zijn leven en kreeg die film het karakter van de reconstructie van een tragisch ongeluk: hoe een immens succesvolle deejay en producer al op 28-jarige leeftijd bezwijkt onder het gewicht van zijn eigen beroemdheid.

Zeven jaar na zijn dood is er niettemin Avicii – I’m Tim (97 min.), een tamelijk traditionele popdocu van Henrik Burman over Avicii. Ofwel: Tim Bergling (1989-2018), een introverte en kwetsbare Zweedse jongen, met een bijzonder talent voor het schrijven van onweerstaanbare melodieën. Hij vertelt in deze film zijn eigen verhaal, via audiofragmenten uit één van zijn laatste interviews, en wordt daarbij ondersteund door zijn ouders, vrienden en collega’s.

Die film begint bij het begin. Bijna dan: bij de echo waarbij zijn ouders Klas en Anki horen dat ze een jongetje krijgen. Dit ventje, vervolgens vervat in talloze jeugdfilmpjes, openbaart zich op de basisschool in Stockholm als een pestkop en wordt later een nerdy tiener die te veel gamet. Totdat hij zijn gevoel voor melodie ontdekt, begint samen te werken met Filip ‘Philgood’ Åkesson en een manager krijgt, Arash ‘Ash’ Pournouri, die hem in de vaart der volkeren zal opstuwen.

Met besmettelijke singles zoals Bromance en Levels bereikt Avicii pijlsnel de top van de Electronic Dance Music (EDM). Daar wordt ie al even snel gierend gek. Tim kampt met onzekerheid, angsten en depressieve gedachten, drinkt zich binnen de kortste keren een alvleesklierontsteking en raakt later verslaafd aan pijnstillers. Hij moet daardoor meerdere malen noodgedwongen een flinke pauze inlassen. Geen ramp: de jongeling heeft sowieso een bloedhekel gekregen aan touren.

In de studio is hij wél in zijn element. Daar hervindt Tim zichzelf ook, als hij de pure EDM loslaat en samen gaat werken met ‘muzikanten’. Zo durft hij zichzelf nog altijd niet te noemen. Zijn enige instrument is z’n laptop. Via fraaie studioscènes met Audra Mae (Addicted To You), Sandro Cavazza (Without You) en Incubus-gitarist Mike Einziger en de inderhaast opgetrommelde singer-songwriter Aloe Blacc (Wake Me Up) laat Henrik Burman zien hoe zijn protagonist zichzelf vindt als muzikant.

En die heeft het vermogen om anderen daarin mee te nemen. ‘Dit is zonder enige twijfel het bekendste nummer waaraan ik heb meegewerkt, vertelt Dan Tyminski bijvoorbeeld. Hij liet zich door zijn dochter overhalen om Avicii’s song Hey Brother in te zingen. ‘Ik weet nog dat ik m’n zoon van school ophaalde. Iemand zei: hee, meneer Tyminski. En toen zong een ander kind: hey brother. Drie andere kinderen begonnen mee te zingen.’ Niet veel later is er een spontaan koor ontstaan op het schoolplein.

Dat die nieuwe koers een succes zal worden, staat op voorhand echter niet vast, laat dit gedegen portret zien. Zijn debuut met vocalisten en een live-band in 2013 op het Ultra Dance Festival in Miami lijkt uit te lopen op een fiasco. Danceliefhebbers onthalen hen met boegeroep. Tim is er kapot van, maar Ash ziet zoals altijd mogelijkheden: hij bundelt de ergste Twitter-reacties en publiceert die met een link naar dat nieuwe album: luister zelf waardoor al die commotie is ontstaan. Kat in het bakkie.

Uiteindelijk ziet Avicii zich echter toch genoodzaakt om de regie terug te pakken: hij zegt z’n verplichtingen af, hoopt zichzelf te hervinden tijdens een reis rond de wereld en begint te mediteren. Met een nieuwe band maakt hij zich in 2018 bovendien op voor een muzikale doorstart, op zíjn voorwaarden. Van een tripje tussendoor naar Oman zal hij echter nooit terugkeren. Deze film heeft het antwoord op wat er daar met hem is gebeurd ook niet en doet ook geen echte poging om dat te ontdekken.

Avicii – I’m Tim concentreert zich liever op wat Tim Bergling, behalve een verslagen omgeving, heeft achtergelaten: een muzikaal erfgoed waarmee de wereld nog wel even vooruit kan, getuige ook het door Netflix meegeleverde concert Avicii – My Last Show, dat hij in 2016 gaf op Ibiza.

Piece By Piece

Universal Pictures

‘Het zou toch wel tof zijn als we mijn verhaal met legostukken zouden vertellen’, begint Pharrell Williams in de openingsscène van Piece By Piece (93 min.) tegenover documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From StardomShangri-La en STEVE! (martin) – A Documentary In 2 Pieces). ‘Haha’, reageert die. ‘Serieus?’ Williams is onverbiddelijk: ‘Ja’. Neville wil zeker weten dat hij niet voor de gek wordt gehouden. ‘Lego?’ Zijn hoofdpersoon legt ’t nog maar eens uit: ‘Probeer je voor te stellen hoeveel kleur dat zou kunnen geven. Onbeperkt. Dit is dé manier waarop ik mijn pure zelf kan zijn, zonder me vreemd te voelen.’

Zo gezegd, zo gedaan. Bovenstaand gesprek / toneelstukje is overigens al afgewikkeld in lego. De uitkomst ervan staat dus op voorhand vast: Pharrell Williams, het muzikale multitalent dat zich als onderdeel van het producersduo The Neptunes, met het project N.E.R.D. en kneiterhits zoals Get Lucky en Happy al op jonge leeftijd onsterfelijk heeft gemaakt, gaat de komende anderhalf uur door het leven als stuk plastic. Wat blijft er dan nog van hem over? En van zijn vrouw, kinderen, ouders, Neptunes-partner Chad Hugo, manager Rob Walker en collega’s als Timbaland, Missy Elliott, Jay-Z, Snoop Dogg, Busta Rhymes, Gwen Stefani, Kendrick Lamarr en Justin Timberlake?

Pharrells levensverhaal – van nobody tot superster en vervolgens van identiteitscrisis naar remonte – is door Neville in elk geval heel inventief en met veel humor vertaald van een tamelijk voorspelbare popdocu naar een geanimeerde legofilm. Zo’n opvallende vorm past ook bij de hoofdpersoon, een man die van ‘out of the box’ denken z’n modus operandi heeft gemaakt en alles aangrijpt om te kunnen creëren. Van sneakers, skateboards en gezichtscrème tot drankjes, zonnebrillen en een McDonald’s-jingle. Zolang hij er maar zijn stempel op kan drukken. Het grote risico daarvan is, volgens zijn directe omgeving, totale versnippering en afgesneden raken van je roots.

Nee, de vertelling grijpt niet aan. Daarvoor blijft die legowereld toch te veel een gimmick. Geen gezichtsuitdrukkingen, lichaamstaal of menselijke interactie bijvoorbeeld. De film blijft wél over de volle lengte boeiend en amusant – met de ogen dicht wordt Piece By Piece overigens gewoon een podcast – en illustreert nog maar eens hoeveel invloed Pharrell Williams heeft gehad op de populaire muziek, en bijbehorende (jongeren)cultuur, van de afgelopen twintig jaar.