Missing Allen

Samen maakten ze zeven films. In 2001 zag de Duitse documentairemaker Christian Bauer zich echter genoodzaakt om een film te maken óver zijn Amerikaanse cameraman Allen Ross. Die was ruim vijf jaar eerder, eind 1995, plotseling van de aardbodem verdwenen.

Enkele jaren daarvoor had de zoeker Allen een mysterieuze nieuwe liefde opgedaan, ene Linda Greene (of Jennifer of Genevieve of…), en was hij van zijn geliefde geboortestad Chicago naar Oklahoma verhuisd. Van daaruit stuurde hij de Duitse regisseur ansichtkaarten met tot nadenken stemmende teksten als: ‘I seized the opportunity to seek answers for questions I had not been able to ask’. Of: ‘The masters will shut you up in a pen with others. Then it will be up to you to find a house to enter.’

Na Allens vertrek uit Chicago hadden ze nog een paar keer samen gedraaid, één keer zelfs met diens echtgenote erbij. Tijdens het filmen van een documentaire over de Mississippi-rivier in New Orleans had deze Linda erg opzichtig voor Allens camera gedanst, waarna haar echtgenoot, ogenschijnlijk gegeneerd, zich snel op andere activiteiten had geconcentreerd. Die gezamenlijke draaidag bleek achteraf de laatste keer dat Christian zijn vriend zou zien. Niet lang daarna was Ross weg. Voorgoed, zo leek het.

In Missing Allen (91 min.) probeert Christian Bauer, ondersteund door Allens tweelingbroer Brad, hoogbejaarde vader Laurids en vriendenkring, klaarheid te brengen in de raadselachtige verdwijningszaak. De film is gestructureerd als een zoektocht naar de waarheid. Naar wat er precies is gebeurd met Allen, maar zeker ook naar zijn enigmatische vrouw Linda, die ooit als verpleegster werkte in een hospice, maar liefst vijfmaal eerder getrouwd blijkt te zijn geweest en een eigen religieuze beweging, The Samaritan Foundation, schijnt te leiden.

In de documentaire schakelt Bauer soepel tussen zijn eigen herinneringen aan de cameraman Allen Ross, die daarmee opnieuw tot leven komt, en nieuwe ontwikkelingen in diens zaak, die hem steeds dieper het schaduwleven van zijn vermiste vriend insturen en tegelijkertijd langs enkele schokkende gebeurtenissen in het Amerika van de jaren negentig leiden. Het is een fascinerende tocht, niet voor niets diverse malen in de prijzen gevallen, die stelselmatig weigert om een hijgerige dertien-in-een-dozijn true crime-docu te worden.

Searching For Allen van NBC’s Dateline daarentegen is een typisch Amerikaanse crimestory. De aalgladde reportage uit 2005 geeft wel extra context bij Missing Allen en belicht bovendien wat er na het afronden van Christian Bauers documentaire nog duidelijk is geworden over het lot van Allen Ross. Te bekijken na de documentaire dus.

The Facebook Dilemma

Het is nauwelijks voor te stellen dat de kwade genius achter Facebook, het sociale medium dat zo langzamerhand echt Orwelliaanse trekken vertoont, ooit is begonnen op een studentenkamer. In een korte broek nota bene. Toch is dat echt zo. Zuckerberg – toen we nog gewoon Mark mochten zeggen – zit er in juni 2005 ontspannen bij, met een bekertje Heineken op een goedkope grijze tweezitsbank. Voor een ontspannen interviewtje ter gelegenheid van de driemiljoenste gebruiker. Dat hoeven er overigens niet meer te worden hoor, aldus een bescheiden Zuckerberg (spreek uit: sukkerburg). Hij laat ook nog even de goedgevulde koelkast zien en toont de studentikoze graffiti in het trappenhuis van het Facebook-hoofdkwartier.

Het is een treffende opening voor The Facebook Dilemma (110 min.). ‘Vaak zijn mensen te voorzichtig’, zegt de toekomstige mediatycoon even later in het documentaire-tweeluik van de Amerikaanse achtergrondrubriek Frontline, dat op maandag en dinsdag wordt uitgezonden door NPO2. ‘Je kunt beter iets doen en er dan later je excuses voor aanbieden dan steeds alle puntjes op de i willen zetten en uiteindelijk tot niets komen.’ Die filosofie is ook vervat in het oorspronkelijke bedrijfsmotto ’Move Fast And Break Things’. Dat is andere koek dan ’To Make The World More Open And Connected’, het parool waarmee Zuckerberg en de zijnen Facebook aan de wereld hebben verkocht.

De consequenties in de echte mensenwereld van de likes die met een eenvoudige muisklik op Facebooks virtuele aardbol worden uitgedeeld, moeten de whiz kids op het hoofdkantoor hebben verrast. Die geven hen een enorme maatschappelijke verantwoordelijkheid, zo bewijzen bijvoorbeeld de gebeurtenissen rond de Arabische lente die al snel in een heftige herfst zou veranderen. De Egyptische activist Wael Ghonim zag eerst hoe Facebook het verzet tegen dictatoriale regimes faciliteerde, maar werd vervolgens geconfronteerd met de schaduwzijden ervan: laster en fake news. Een naargeestige voorbode van wat er later op grotere schaal rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen, Filipijnse dictator Duterte en de Rohingya-minderheid in Myanmar zou plaatsvinden.

Met (voormalige) Facebook-medewerkers, deskundigen en criticasters brengt verslaggever James Jacoby in The Facebook Dilemma in kaart hoe Zuckerbergs laissez-faire politiek vrij spel geeft aan cynische bedrijven als Cambridge Analytica en de desinformatiecampagnes van Russische trollenfabrieken. De waarheid wordt geslachtofferd ten faveure van een heilig verklaard business model, waarbij algoritmen ervoor zorgen dat juist het meest polariserende (nep)nieuws viral gaat. Mark Zuckerberg en co proberen elke vorm van verantwoordelijkheid daarvoor te ontlopen. Verder dan dat ze misschien ‘te traag’ hebben gereageerd, opvallend eensgezind uitgesproken door alle medewerkers die voor de camera verschijnen, wil Facebook niet gaan. Intussen worden critici in stilte keihard aangepakt, met zelf gefabriceerd fake news en lastercampagnes.

Deze dubbele Frontline-aflevering licht Facebook ongenadig door. En dat is opvallend: het documentaireprogramma van de Amerikaanse publieke omroep PBS slaat doorgaans een heel neutrale toon aan, maar schat de bedreiging die Facebook op dit moment vormt of kan vormen voor de democratie blijkbaar als behoorlijk ernstig in. En eigenlijk zat dat al verscholen in de woorden die de jonge sukkerburg op zijn studentenkamertje bedacht om zijn bedrijf te promoten: ‘Move Fast And Break Things’.

Murder Mountain

De vergelijking met Deadwood dringt zich op: een vrijstaat aan de rafelranden van de Verenigde Staten, waar outlaws kunnen ontsnappen aan de wet. Terwijl eind negentiende eeuw de zoektocht naar goud figuren als de louche kroegeigenaar Al Swearengen, sheriff Seth Bullock, cowgirl Calamity Jane en revolverheld Wild Bill Hickok, die er zijn laatste kogel zou vinden, naar de zwarte heuvels van South Dakota lokte, zorgt marihuana er nu al jaren voor dat vrijbuiters, klaplopers en tweederangs criminelen verkassen naar Humboldt County in Californië.

Het begon in de jaren zestig met een groep hippies, die in ‘The Emerald Triangle’ een woongemeenschap startte en illegale wietplanten ging verbouwen. Daar bleek, behalve heel veel rookgenot, ook goed geld in te zitten. En daarvan ging, natuurlijk, een aanzuigende werking uit. Een halve eeuw later is het uitgestrekte, bosrijke gebied uitgegroeid tot een soort moderne variant op het wilde westen, waar plaatselijke bendes de dienst uitmaken en de politie niks heeft te vertellen. Humboldt heeft zelfs zijn eigen ‘ghost town’: Alderpoint, ook wel bekend als Murder Mountain (248 min.), tevens de titel van deze zesdelige documentaireserie.

Sinds 1975 raakten er maar liefst tweehonderd mensen vermist in Humboldt County. Of ze bewust van de radar zijn verdwenen of een handje werden geholpen, blijft de vraag. Regisseur Joshua Zeman werkt één van deze casussen verder uit: de zoektocht naar de 29-jarige Garret Rodriguez, die zijn geluk ging beproeven in de softdrugs-business, in de hoop daarna te kunnen gaan rentenieren op zijn eigen visplek. Rodriguez’s verdwijning zet een serie van steeds verder escalerende gebeurtenissen in gang, die uitmondt in bot en dom geweld. Die ene zaak, boordevol simpele schurken, gesjeesde Vietnam-veteranen en schietgrage burgerwachten, wordt vet uitgeserveerd met spannende slow-motion reconstructies en dreigende muziekjes.

De true crime-achtige verhaallijn, die zich voor het leeuwendeel in 2013 afspeelt, slorbt zeker de helft van deze serie op en wordt enigszins geforceerd samengebracht met een portret van het hedendaagse Humboldt County. De ‘white trash’-variant op ons eigen Ruigoord heeft onlangs te maken gekregen met nieuwe ontwikkelingen. Vanaf 1 januari 2018 is recreatief marihuanagebruik gelegaliseerd in Californië, nadat eerder al medicinaal gebruik van cannabis werd toegestaan. Dat zou de zwarte handel en bijbehorende problematiek tot een halt moeten brengen, maar kunnen én willen de op hun vrijheid gestelde telers wel aan de bijbehorende regels voldoen? Het is in elk geval even aanpassen. De doorgewinterde stoner Jason Dookie van de firma Dookie Brothers neemt na elke bedrijfsbeslissing bijvoorbeeld nog steeds een flinke ‘bong hit’ met zijn waterpijp.

Zo blijft het behelpen in Humboldt County, met telers en handelaren die binnen en buiten de wet willen opereren. Één van de kleine zelfstandigen in Humboldt trekt niet voor niets de vergelijking met de drooglegging, toen de Amerikaanse maffia via dranksmokkel groot kon worden. Zoals ook het Nederlandse softdrugsbeleid aantoont, laten mensen zich nu eenmaal niet zomaar vertellen welke genotsmiddelen ze wel of niet mogen gebruiken en is er op de grens van legaal/illegaal goud geld te verdienen. Intussen is er een behoorlijke kans dat de rechtstaat danig wordt ontwricht. Met alle gevolgen van dien, zo bewijst deze wat onevenwichtige serie, voor gewone burgers die liever aan de zijlijn zouden blijven staan.

Zoals Al Swearengen het ooit, heerlijk profaan, verwoordde in de fictieserie Deadwood (waarvan binnenkort zowaar een speelfilm uitkomt): ‘Every fuckin’ beatin’, I’m grateful for. Every fuckin’ one of them. Get all the trust beat out of you. And you know what the fuckin’ world is.’

Surviving R. Kelly

Lifetime

‘Age ain’t nothing but a number’, zong de vijftienjarige zangeres Aaliyah in 1994. ‘Take my hand and come with me. Let me show you to ecstacy. Boy be brave, don’t be afraid. Cause tonight we’re gonna go all the way.’ De hitsingle Age Ain’t Nothing But A Number werd geschreven door de twaalf jaar oudere Robert Sylvester Kelly, oftewel R&B-superster R. Kelly, met wie ze later dat jaar, zogenaamd als achttienjarige, kortstondig in het huwelijk zou treden. De affaire werd een flinke mediahype, die voor de man in kwestie verder geen serieuze consequenties had.

Een voorliefde voor jonge meisjes hoeft geen onoverkomelijke kwestie te zijn voor popsterren of rock & rollers. ‘I’ll do anything for my sweet sixteen, zong Billy Idol niet voor niets. Jerry Lee Lewis zag er ook geen kwaad in en trouwde zijn dertienjarige nichtje. ‘I can see that you’re fifteen years old’, sneerde Mick Jagger enige tijd later in de Rolling Stones-evergreen Stray Cat Blues. ‘No, I don’t want your ID.’ Zijn bandmaatje Bill Wyman, tegen de vijftig inmiddels, zou later de daad bij het woord voegen en werd verliefd op de dertienjarige Mandy Smith. Toen ze achttien was, konden ze trouwen. Net voordat het huwelijk stuk liep, trouwde Wymans oudste zoon nog met Smiths moeder.

Het tienersterretje Aaliyah is inmiddels al achttien jaar dood, in 2001 gestorven tijdens een vliegtuigongeluk. Haar voormalige echtgenoot R. Kelly kan zich zo langzamerhand gaan opmaken voor een bestaan als Robert K. De man, toepasselijke ‘survivor’-tattoo op de onderarm, waant zich al decennia onaantastbaar, maar het net begint zich nu toch echt te sluiten rond de glibber die een miljoenenpubliek wijs heeft gemaakt dat hij kan vliegen. De zesdelige televisiedocu Surviving R. Kelly (297 min.), waarvan Kelly uitzending heeft proberen te voorkomen, is een nieuwe nagel aan de doodskist van het seksuele roofdier, dat zich tot dusver door niets of niemand heeft laten kooien.

Sinds hij begin jaren negentig carrière begon te maken als zanger en songschrijver wordt R. Kelly omgeven door hardnekkige geruchten over seksueel misbruik. Volgens diverse getuigen in deze vet aangezette serie, volgepompt met slicke shots en dreigende muziekjes, hing hij als twintiger al geregeld rond op middelbare scholen, hongerig naar nieuw tienervlees. Sindsdien heeft Kelly zijn modus operandi alleen maar geprofessionaliseerd. Als een volledig oversekste rattenvanger van Hamelen, een imago dat hem ook als artiest wel past, is hij altijd op zoek gebleven naar ambitieuze zangeresjes, die goedschiks dan wel kwaadschiks hun carrière een zetje in de goede richting willen geven.

Ook z’n fans zijn niet veilig voor R. Kelly. Jerhonda Pace bijvoorbeeld is veertien als ze haar held in 2008 ontmoet bij de rechtbank, waar hij zich moet verdedigen vanwege het bezit van kinderporno, in het bijzonder een videotape waarop hij seks zou hebben met een minderjarig meisje. Jerhonda wordt bij hem thuis uitgenodigd. Ze is nog maagd. ‘Dat komt goed uit’, zou Kelly hebben gezegd. ‘Dan kan ik je zelf trainen en van je maagdelijkheid verlossen.’ Als het zover komt, is de zanger nog in de veronderstelling dat ze meerderjarig is. Hij laat zich echter niet ontmoedigen door haar identiteitsbewijs. ‘Blijf tegen iedereen zeggen dat je achttien ben’, zou hij haar hebben geadviseerd. ‘En gedraag je als 21.’

Alle getuigenissen in deze serie tezamen – van familieleden, medewerkers, journalisten, deskundigen, familieleden en talloze misbruikte meisjes, waaronder zijn ex-vrouw Andrea – schetsen een onthutsend beeld van R. Kelly als een ongelooflijke machtswellusteling, die jarenlang vrijelijk zijn gang mocht gaan en zijn eigen sekssekte kon stichten. Omdat zijn hele entourage, die wel degelijk op de hoogte was van Kellys lopende band met véél te jonge meisjes en de gretige afname daarvan door ‘daddy’ zelf, besloot om niet in te grijpen, de lippen stijf op elkaar te houden en eventuele geruchten erover de kop in te drukken. Ook toen er geweld, videocamera’s en gevangenschap aan te pas kwamen.

Die attitude is in zekere zin nog altijd in Surviving R. Kelly te herkennen. Waar in vrijwel elke muziekdocu een hele trits popsterren zijn licht over de hoofdpersoon laat schijnen, telt deze er welgeteld één: John Legend. Anderen wilden (of durfden) blijkbaar hun vingers nog altijd niet te branden aan de dirty old man van de zwarte Amerikaanse muziek, die een volledig verknipte relatie met seksualiteit lijkt te hebben (gekregen). Het gevolg is een #metoo-kwestie in het kwadraat, waarvoor deze gelikte en erg lange documentaireserie, inclusief bevrijdingsactie met verborgen camera, een enorme berg bewijsmateriaal overlegt aan het grote publiek, dat nu voor ‘judge’ en ‘jury’ mag fungeren.

Robert K. ontkent, natuurlijk, alles. Ook in Surviving R. Kelly Part II: The Reckoning.

Struggle: The Life And Lost Art Of Szukalski

In 1971 stuit de Amerikaanse kunstverzamelaar Glenn Bray op een expressionistische tekening van Copernicus, gemaakt door een onbekende kunstenaar waarvan hij enkele jaren eerder toevallig al eens een indrukwekkend boek heeft gekocht. Stanislav Szukalski, de naam is hem verder onbekend. De man, dik in de tachtig inmiddels, blijkt enkele kilometers verderop te wonen. Bray neemt contact op en raakt bevriend met de hoogbejaarde excentriekeling, die hij al snel begint te zien als een vergeten genie. Hij besluit ‘Stas’ te gaan filmen.

‘Szukalski was de Michelangelo van de twintigste eeuw’, zegt Ernst Fuchs, oprichter van de Weense School Van Fantastisch Realisme in Struggle: The Life And Lost Art of Szukalski (105 min.). Schrijver en uitgever George DiCaprio (ja, de vader van) noemt hem ‘de grootste autodidact van onze tijd’. En schilderes Natalia Fabia zegt: ‘Hij was een soort punkrocker die het niets kon schelen wat anderen dachten.’ In de jaren zeventig leeft deze belangrijke kunstenaar echter in totale anonimiteit in een klein huisje in Californië. Gaandeweg verzamelt zich rond hem een groepje devote kunstliefhebbers, dat zich afvraagt wat er in hemelsnaam mis is gegaan met Szukalski.

Stapsgewijs, met cliffhangers en valkuilen, doet regisseur Irek Dobrowolski uit de doeken wat er is gebeurd met de dwarse beeldhouwer, schilder en tekenaar (die er nog altijd niet voor terugdeinst om andere kunstenaars uit te maken voor ‘fartist’). In dat opzicht doet de film denken aan succesvolle documentaires als Finding Vivian Maier en Searching For Sugar Man, die een kunstenaar en zijn werk toegankelijk maken via een spannende vertelling. Bij Szukalski ligt de crux van zijn verhaal in vaderland Polen, zo betoogt historicus Timothy Snyder (On Tyranny/The Road To Unfreedom), waar de kunstenaar enkele zwarte bladzijden aan zijn oeuvre toevoegde – en waar hij tegenwoordig, in bepaalde kringen, weer opvallend populair is.

The Kinks: Echoes Of A World

The Kinks / Alamy

Volgens Ray Davies is het album ‘de meest succesvolle flop aller tijden’. Het duurde in elk geval een halve eeuw voordat er 100.000 exemplaren waren verkocht van The Kinks Are The Village Green Preservation Society, de zesde studioplaat van zijn band uit 1968. Zanger en songschrijver Ray, zijn gitarende broer Dave en drummer Mick Avory blikken in The Kinks: Echoes Of A World (71 min.) terug op het laatste album dat ze in de originele bezetting van de band maakten.

Ze worden vergezeld door het gebruikelijke contingent aan musicerende bewonderaars, zoals Paul Weller (The Jam), Suggs (Madness) en Graham Coxon (Blur), dat zich, ook al zoals gebruikelijk, in louter superlatieven uitlaat over The Kinks en dit conceptalbum in het bijzonder, dat toentertijd desondanks geen enkele hitsingle opleverde. ‘Het is net zo belangrijk als Sergeant Pepper’, stelt Oasis-spil Noel Gallagher, die de plaat vergelijkt met de Beatles-klassieker. ‘Voor mij is het een soort vervolg.’ En stuk voor stuk zouden deze beroemde fans zich zelf ook schuldig maken aan eigen ‘vervolgen’ op het Kinks-oeuvre.

‘We waren niet de beste band die er ooit bestond’, blijft de bewierookte songschrijver Ray Davies nochtans bescheiden. ‘Maar we hadden momenten waarop we de hele wereld aankonden.’ Deze eikenhouten televisiedocumentaire van Charlie Thomas gebruikt het welbekende Classic Albums-stramien, waarin een klassieke popplaat track voor track wordt doorgenomen, om de schijnwerper te zetten op één van die momenten. Toen de wereld nog niet klaar leek voor wat de typisch Britse Kinks hadden te bieden.

Thomas’ enige echt opmerkelijke keuze komt in de gedaante van acteur Danny Horn, die in de succesvolle musical Sunny Afternoon een jonge Ray Davies vertolkte en nu op camera diens herinneringen verwoordt aan de langspeler waarmee hij de (imaginaire) wereld van zijn jeugd opnieuw tot leven wekte. Die toevoeging voelt uiteindelijk wat als een fremdkörper in een verder heel traditioneel opgezette popdocu.

McQueen

Alexander. Alexander McQueen. Niet: Lee. Lee McQueen. Eigenlijk zit alles daar al in. Lee, de wat dikkige jongen uit de Londense volkswijk Stratford, werd de gevierde modeontwerper Alexander. Een punker die de modewereld op zijn grondvesten deed schudden met macabere/intrigerende/smakeloze (*) shows als Jack The Ripper Stalks His Victims en Highland Rape. Zijn werk was persoonlijker dan menigeen toen vermoedde. Alexander probeerde simpelweg het bloeden van Lees hart te stelpen.

Bij televisie-interviews wilde diezelfde McQueen (de c is in het bijbehorende logo als een copyrightsymbool in de Q verstopt) intussen niet met zijn gezicht in beeld. Terwijl hij de modewereld vol in het kruis schopte had de modehooligan, getuige een treffende anekdote uit de barokke biopic McQueen (111 min.), vaak geen cent te makken. Hij leefde enige tijd zelfs van een uitkering. En die kon hij wel eens kwijtraken als ze erachter kwamen dat hij zich met zijn hele ziel en zaligheid op mode had gestort.

Alexander McQueen maakte stormachtig carrière. Op 26-jarige leeftijd werd hij hoofdontwerper bij het Franse modehuis Givenchy, zes jaar later volgde een overstap naar Gucci. ‘Hij was de koningin, met heel veel werkbijen die op zijn signalen reageerden’, zegt zijn neef daarover. ‘En iedereen voelde dat.’ Maar gelukkig werd hij er niet van. En ook met een liposuctie en overdadige hoeveelheden coke kreeg hij de razernij in zijn lijf niet beteugeld. Die zat te diep en zou hem naar zijn onvermijdelijke ondergang drijven. Op veertigjarige leeftijd, een zelfverkozen einde.

Het is een verhaal dat al duizenden malen eerder is verteld – het getroebleerde talent dat zichzelf willens en wetens naar de verdommenis helpt – maar niet heel vaak beter of meeslepender. De filmmakers Ian Bonhôte en Peter Ettedgui zetten Alexanders levenswerk vol in het licht en versnijden dat met archiefmateriaal en interviews met de man zelf en intieme gesprekken met de mensen die ertoe deden in zijn turbulente bestaan.

De vlekkeloze vertelling, een soort modevariant op Amy, is vervolgens aangekleed met de heerlijk overdadige muziek van Lees favoriete filmcomponist Michael Nyman. Het is een film die je na bijna twee uur leeg en toch volledig verzadigd achterlaat.

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Buddy

Amstel Film

Zijn legerbuddy in Afghanistan wist hem ooit weg te krijgen na een explosie, zijn huidige buddy Mister helpt hem nu om met de gevolgen van z’n uitzending naar Uruzgan om te gaan. Trevor Viera is gediagnosticeerd met een post-traumatische stress stoornis, zijn hulphond beschermt hem tegen zijn angsten en herinneringen. Zonder de hond zouden ze waarschijnlijk uit elkaar zijn, bekent Trevors vrouw in deze fraaie film van Heddy Honigmann.

Trevor is één van de zes hoofdpersonen – of, zo je wilt: bijfiguren – van Buddy (86 min.). De echte helden luisteren naar namen als Kai, Utah en Makker. Ze staan trouw naast je, helpen je met aan- en uitkleden of lopen voor je uit als je helemaal niets ziet, kampt met autisme of bent veroordeeld tot een rolstoel. Honigmann slaat hen liefdevol gade en voert persoonlijke gesprekken met hun baasjes.

Die dichten hun steun en toeverlaat bijna menselijk eigenschappen toe. Missy is volgens de man die ze terzijde staat, psycholoog Hans Dekker, rustig, zelfverzekerd en filosofisch. Hij vergelijkt hun omgang zelfs met liefde. ‘Het is een hond en ik ben een mens. Ik vind het heel bijzonder dat wij op deze planeet leven en dat contact met elkaar kunnen hebben, ook al zijn we zo verschillend.’

Is dat wat baas en hond delen liefde, vriendschap of gewoon een relatie van werkgever en werknemer? Afgaande op de liefdevolle manier waarop de eigenaren hun dieren toespreken en aanhalen gaat het beslist om meer dan een zakelijke transactie. Daarbij hoort ook een wrange constatering: in een mensenleven passen meerdere hondenlevens. Afscheid nemen is dus een onvermijdelijk onderdeel van het leven met een hulphond.

Honigmann brengt die onderwerpen invoelend ter sprake. Ze interviewt haar subjecten niet, maar voert gewone gesprekken, van mens tot mens. Over mens en dier. Het belang van de honden brengt ze bovendien overtuigend in beeld met nachtcamera’s die registreren hoe de buddy’s in de beslotenheid van de slaapkamer waken over hun baasjes, die zich blind kunnen overgeven aan de zorg van hun gedienstige dieren.

De hulphonden bieden zelfs een luisterend oor. Oorlogsveteraan Trevor kan bijvoorbeeld moeilijk onder woorden brengen wat hem dwarszit. Dat heeft hij echter wel aan Mister toevertrouwd, bekent hij. ‘Hij vertelt niks door.’ Glimlachend: ‘Dat weet ik zeker.’

Zie Mij Doen

Cassettes For Timescapes

Jessica vindt paardrijden eigenlijk belangrijker dan een relatie, Matthias heeft een fotografisch geheugen voor datums en Quan baalt ervan dat hij tijdens de feestdagen niet naar huis kan. In Zie Mij Doen (83 min.), op het Docville-festival gekozen tot Beste Belgische Documentaire, opent Klara van Es een wereld die voor menigeen doorgaans verborgen blijft. Een wereld waarin iedereen er mag zijn en iedereen zichzelf mag zijn. Ieder met zijn eigen kwaliteiten, eigenaardigheden én beperkingen.

Want de observerende Vlaamse documentaire, geschoten in sfeervol zwart-wit en hier en daar subtiel ingekleurd met muziek, is gesitueerd in een woonvoorziening voor mensen met een verstandelijke beperking. Zij staan ook letterlijk centraal in het beeld, hun begeleiders zijn niet meer dan figuranten. De bewoners lijken het best leuk te vinden dat ze worden gefilmd. De filmcrew is regelmatig onderwerp van gesprek en regisseur Van Es wordt zo nu en dan ook in de conversaties betrokken.

In die gesprekken gaan ze geen onderwerp uit de weg. ‘Je mankeert wel iets’, zegt Jessica bijvoorbeeld over haar eigen beperking. ‘Maar je hebt uiteindelijk wel evenveel rechten als gewone mensen om deel te nemen aan de samenleving.’ Even later: ‘Ik vind persoonlijk dat wij soms slimmer zijn dan mensen zonder een beperking.’ Bij een opvangmoeder zag Jessica bijvoorbeeld moeders die niet in staat waren om hun kind op te voeden. ‘Wij weten dat en beginnen daar ook niet aan.’

Kalm volgt Klara van Es de hoofdpersonen tijdens hun activiteiten, terwijl ze aandachtig meeluistert bij toevallige praatjes of bewust door de begeleiders aangezwengelde (groeps)gesprekken. Zo dringt ze door tot de eigenlijk heel normale levens van bijzondere mensen. Want hoewel de bewoners misschien anders ogen en klinken dan Jan Modaal en Mien uit Assen, zoeken ze eigenlijk hetzelfde in het leven als willekeurig welk ander mens: geluk en liefde. En dat is, gewoon en toch ook weer niet, heel mooi om te zien.



The Dawn Wall

IDFA

Twee of drie weken zal het ze zeker kosten. De ‘Dawn Wall’ van El Capitan in het Amerikaanse Yosemite National Park. Een steile bergwand van negenhonderd meter hoogte. Ze hebben er jaren voor geoefend. Tot in detail uitgedokterd hoe de 32 pitches van de klim moeten worden genomen. En dan worden Tommy Caldwell en Kevin Jorgeson, als ze zowat halverwege zijn, ontdekt door de Amerikaanse media.

Die happen massaal toe als de bewezen klimmer Tommy, tegen alle verwachtingen in, voorbij de traverse van pitch 15 komt. Nieuwsanchors en verslaggevers beginnen te reppen over ‘the climb of the century’. Terwijl de relatief onervaren Kevin diezelfde pitch nog gewoon moet bedwingen, iets waarin hij tot dusver nooit is geslaagd. Voor het oog van de wereld blokkeert hij. De traverse lijkt een onneembare veste.

In de portaledge van het duo, een winderig tentje dat op honderden meters hoogte tegen de bergwand is gehangen, zullen ze moeten beslissen of Tommy wacht op zijn partner of alleen doorgaat naar de top van The Dawn Wall (100 min.) en daar geschiedenis probeert te schrijven. Een duivels dilemma, dat fungeert als emotioneel hart van deze boeiende documentaire van Josh Lowell en Peter Mortimer.

De filmmakers leggen de heroïsche tocht van het tweetal natuurlijk vast met monumentale beelden. Tegelijkertijd concentreren ze zich ook op het kleine verhaal dat daarachter steekt, van twee jongens die elkaar en – vooral – zichzelf iets proberen te bewijzen. Daarvoor verbinden ze de klim met de persoonlijke geschiedenis van Tommy. De kijker krijgt gedoseerd informatie gevoerd, zodat er steeds nog wat blijft te ontdekken.

Dit draagt bij aan de zeggingskracht van deze epische film, die ook in dat opzicht grote overeenkomsten vertoont met de grote klimdocu van 2018, Free Solo, waarin Tommy Caldwell toeziet (of moet toezien) hoe zijn collega-klimmer Alex Honnold El Capitan zonder enige vorm van zekering probeert te bedwingen.

Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse

Zoetrope

‘Mijn film is geen film. Hij gaat niet over Vietnam, hij ís Vietnam’, zegt regisseur Francis Ford Coppola met gevoel voor drama bij de persconferentie voor zijn film Apocalypse Now op het festival van Cannes in 1979. ‘Zo was het echt. Het was gekkenwerk. De manier waarop we hem maakten is vergelijkbaar met de manier waarop de Amerikanen zich gedroegen in Vietnam. We waren in de jungle, we waren met te veel en we hadden te veel geld en apparatuur. En langzaam maar zeker werden we gierend gek.’

Orson Welles beet zich al eens stuk op het boek Heart Of Darkness van Joseph Conrad. Coppola, helemaal vol van zichzelf na het immense succes van zijn twee Godfather-films, liet zich daardoor niet weerhouden. Hij zag in de aardedonkere klassieker een prima gelegenheid om zijn bedrijf Zoetrope nieuw leven in te blazen. John Milius had het onverfilmbare verhaal enkele jaren daarvoor al in een scenario gegoten. Gesitueerd in een actueel decor bovendien, de Vietnam-oorlog. En dus vertrok de sterregisseur met zijn crew naar de Filipijnen voor wat zijn grootste film moest worden. Coppolas vrouw Eleanor mocht mee om een making of-docu te maken. Ze weet nog altijd niet of haar echtgenoot geen zin had in nóg een professionele filmcrew of haar gewoon bezig wilde houden.

Hoogmoed komt voor de… triomf. Uiteindelijk, tenminste. Eleanor Coppola legde de voorafgaande val van haar man echter genadeloos vast. Ze nam zelfs stiekem privégesprekken met hem op, oorspronkelijk bedoeld voor een productiedagboek. De documentaire-opnamen en interviews zouden jarenlang ongebruikt blijven totdat Eleanor ze overhandigde aan Fax Bahr en George Hickenlooper. Zij strikten de voornaamste hoofdrolspelers voor een interview, onder wie het echtpaar Coppola en de acteurs Martin Sheen, Robert Duvall, Frederic Forrest, Dennis Hopper en Sam Bottoms (die bekent dat hij tijdens de filmopnames hasj, LSD en speed heeft gebruikt en regelmatig onder invloed voor de camera stond) en lieten mevrouw Coppola een verbindende voice-over inspreken. Het resulteerde in 1991, vijftien jaar na de start van de filmopnames voor Apocalypse Now, in de klassieker Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (96 min).

De documentaire brengt de desastreuze filmopnames en het onttakelingsproces bij Coppola zelf haarscherp in beeld. Na slechts een week filmen besluit de regisseur bijvoorbeeld al zijn hoofdrolspeler te vervangen. Harvey Keitel blijkt niet zijn gedroomde captain Willard, Martin Sheen des te meer. Zoals hij tijdens een bloederige scène, stomdronken opgenomen op diens 36e verjaardag, feilloos aantoont. Maar Sheen brengt ook problemen met zich mee. En die heeft Francis Ford Coppola al zoveel: een rammelend script, door tropische regens verwoeste filmlocaties en een peperdure ster, die voor drie weken werk een honorarium van maar liefst drie miljoen dollar heeft bedongen. Ondanks een voorschot van een miljoen weigert Marlon Brando echter mee te denken over wanneer hij naar de Filipijnse jungle afreist. En als hij uiteindelijk toch arriveert in Coppola’s creatieve chaos, blijkt de man zijn tekst niet te kennen. Sterker: heeft de zwaarlijvige acteur Heart Of Darkness eigenlijk wel gelezen?

‘Deze film is een ramp van twintig miljoen dollar’, vertrouwt de regisseur zijn vrouw toe als hij de wanhoop allang voorbij is. ‘Ik denk erover om mezelf dood te schieten.’ Apocalypse Now, een ‘journey into self’ voor Coppola, een confrontatie met zijn eigen ambities en angsten, dreigt een ongelooflijk debacle te worden. ‘Apocalypse When?’ en ‘Apocalypse Forever’, koppen de media al als de draaiperiode, achteraf bezien, nog maar halverwege is. Coppola zinkt intussen zienderogen weg in zijn eigen moeras. Hij zal uiteindelijk 238 filmdagen nodig hebben. Tegen alle verwachtingen in is het resultaat er echter naar: een zinnenprikkelende filmklassieker die de complete gekte van oorlog belichaamt en die bovendien een intrigerende documentaire heeft opgeleverd, die perfect past in de prachtige traditie van films over geniale gekken aan het werk, die eerder docu-evergreens over Werner Herzog (Burden Of Dreams), Terry Gilliam (Lost In La Mancha) en – juist – Orson Welles (They’ll Love Me When I’m Dead) heeft opgeleverd.

Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen

RTL

Zelden zal een geboren loser zoveel hebben gewonnen. Verliezen zit Raymond van Barneveld in het bloed. Op school had hij moeite om bij te blijven, beweert hij. Voetballen of taekwondo kon hij ook al niet. En in darts bleek hij niet héél veel beter. Tenminste, als je hem zo hoort praten in Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen (45 min.). De ondertitel van deze bijna aandoenlijke televisiedocumentaire verraadt het echter al: @RayBar180 heeft met die vermaledijde pijltjes wél de wereldtitel bij elkaar gegooid. Vijfmaal zelfs.

Sinds 2007 wil het echter niet meer lukken met de man die de cafésport eind jaren negentig serieus op de kaart zette in Nederland en sindsdien landgenoot Michael van Gerwen langszij heeft zien komen. Dat vreet aan hem. Als Van Barneveld verloren heeft, kan hij zich bijvoorbeeld nauwelijks voorstellen dat iemand met hem op de foto wil. ‘Dan keer ik mijn rug om. Omdat ik gewoon een gevoel van schaamte heb. Dan denk ik: waarvoor wil je met mij op de foto? Ik ben een loser, gek! Wat doe je bij me, waarvoor vraag je dat?’

‘Raymond is ook gewoon een heel groot kind’, zegt zijn manager Jaco van Bodegom, die noodgedwongen bijklust als Van Barnevelds mental coach. ‘Bij een tegenslag voelt hij zich zo’n mislukking. Voor mijn gevoel is het niet eens hijzelf die verliest, maar hij verliest voor zijn vrienden, voor zijn familie en voor zijn publiek.’ Nadat hij, voor zijn eigen gevoel tenminste, weer eens genadeloos is afgegaan, valt er volgens zijn vrouw Silvia geen land te bezeilen met Van Barneveld: ‘Als Raymond direct na een toernooi naar huis komt, is hij inderdaad ontoerekeningsvatbaar.’

Dat wordt in deze film, gemaakt door het team van Helden Media, prachtig geïllustreerd met een treffende scène op de German Darts Masters in Gelsenkirchen. Voor Van Barnevelds partij tegen de flamboyante Peter Wright probeert Van Bodegom zijn pupil nog opzichtig moed in te praten. Met een welgemeend ‘het is jouw avond’ stuurt hij hem het podium op. ‘Eye of the tiger, pik!’ De dubbels willen echter niet vallen voor de gewezen wereldkampioen. Naderhand is hij ontroostbaar. ‘Ik heb echt zin in stoppen, weet je dat?’, sombert Van Barneveld als hij met de staart tussen de benen de sporthal verlaat. ‘Wat heb het voor nut? Iedere keer weer die pijn.’

Thuis lijkt alle stress terstond van hem af te vallen. Het liefst zou ‘Barney’ de hele dag films en series kijken, bekent hij. Bij de deur van zijn eigen privébioscoop op zolder hangt de ‘Geen Gezeik, Iedereen Rijk’-poster van de Tegenpartij. Binnen heeft hij volgens eigen zeggen ruim 2500 films verzameld. Alien, Star Wars, Vaiana en – kleine verrassing – Cry Freedom. In een belendende kamer laat het grote Haagse jongetje een enorme superheldenverzameling zien, met als absoluut pronkstuk een massieve replica van de Hulk. ‘Enig idee wat zoiets kost?’, vraagt hij, besmuikt lachend. ‘Dat kost 3300 euro. Lekker beeldje. Ja, dat is bizar toch, hè?’

Inmiddels heeft Nederlands beste darter aller tijden zijn afscheid aangekondigd. Nog één jaar zal Raymond van Barneveld de wereld afreizen om, in de kermisachtige atmosfeer die hem eigenlijk volledig vreemd lijkt, zijn allerlaatste pijlen te gooien. In de hoop nog eenmaal die ‘triple twintig’ te vinden en alle dubbels te raken. Deze stemmige film is een treffend eerbetoon aan de kampioen die zoveel beter is geweest dan hijzelf kan bevatten. Met een vreemdsoortige mengeling van ontzag, verwondering en – en dat blijft opmerkelijk voor een man die alles gewonnen heeft wat er te winnen viel – compassie wordt een grote sporter geëerd, die helaas nooit lang van die erkenning zal kunnen genieten.

De documentaire Barney, Het Verdriet Van Een Wereldkampioen is hier te bekijken.

Bros: After The Screaming Stops

‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.

De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op. 

De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.

Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?

Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.

Studio 54

Dogwoof

Zien en – vooral – worden gezien. Liza Minelli, Bianca Jagger en Andy Warhol. Farah Fawcett, Sylvester Stallone en Truman Capote. Rod Stewart, O.J. Simpson en Michael Jackson (met een gigantische afro). Als je halverwege de jaren zeventig dacht dat je iets voorstelde, dan zorgde je ervoor dat je op de gastenlijst van Studio 54 (99 min.) belandde en zette je vervolgens je allerbeste beentje voor op de dansvloer. En buiten stond het gewone volk in een eindeloze rij te wachten, op een goede bui van de portier.

Was het meer dan schaamteloos exhibitionisme? In deze documentaire, aangekleed met smakelijk archiefmateriaal en volvette discomuziek, houden voormalige betrokkenen vol dat de New Yorkse club, behalve een gecultiveerde celebrity-verering, ook een podium bood aan seksuele bevrijding, van homoseksuelen in het bijzonder. Sex was in the air, herinnert één van de betrokkenen zich met overduidelijk genoegen. Achteraf bezien was die dampende periode niet meer dan een wankele brug tussen een verleden in de kast en een bedompte toekomst, waarin het aidsvirus de swingende atmosfeer rigoureus de nek zou omdraaien.

Toen was Studio 54 echter allang ter ziele. Na slechts drie absolute tropenjaren. In die periode waren er de gebruikelijke problemen met vergunningen, drugs en justitie, waarbij de eigenaren van Studio 54 zich lieten vertegenwoordigen door de beruchte advocaat Roy Cohn, de voormalige rechterhand van de dubieuze communistenjager Joe McCarthy en mentor van een ambitieuze jonge vastgoedman, ene Donald Trump. Waren er connecties tussen de disco-eigenaren en de georganiseerde misdaad? Getuige deze onderhoudende film van Matt Tyrnauer werd er in elk geval flink belasting ontdoken. En dat zou de eigenaren duur komen te staan…

The Celluloid Closet

Sinds jaar en dag vormen Hollywood-films een nauwgezette afspiegeling van de Amerikaanse normen en waarden. Als er in de begindagen van de cinema, in de eerste helft van de twintigste eeuw, dus al een homoseksueel was te zien, dan ging het om de traditionele ‘sissy’, een even verwijfd als aseksueel type waaraan eigenlijk niemand zich een buil kon vallen. Zoals de homo in een televisiesoap als Goede Tijden Slechte Tijden jaren later bijvoorbeeld nog altijd viel te herkennen aan zijn roze trui.

In puriteins Amerika was in elk geval geen ruimte voor films over een ‘gay’ van vlees en bloed. Zeker nadat in de jaren dertig de zogenaamde Hays Code werd ingesteld, die zelfcensuur in Hollywood afdwong. Vanaf dat moment waren filmmakers genoodzaakt om homoseksualiteit zeer omzichtig te benaderen. Als er al een homoseksueel of lesbienne werd opgevoerd, dan ging het vrijwel altijd om een vampier of seriemoordenaar. Of de onverlaat stierf een tragische dood. Over de moraal van het verhaal mocht in elk geval geen misverstand ontstaan.

Sommige filmmakers gingen echter veel subtieler te werk. De documentaire The Celluloid Closet (101 min.) van Rob Epstein en Jeffrey Friedman uit 1995, gebaseerd op het gelijknamige boek van Vito Russo, bekijkt de Hollywood-historie met een ‘gaydar’: hoe werd homoseksualiteit in speelfilms geportretteerd? Welk effect had dat op mannen en vrouwen die (stiekem) homoseksueel waren en de samenleving in het algemeen? En, nog spannender, bevatten klassieke films misschien ook verhulde homoseksuele rollen en relaties tussen mannen of vrouwen?

Zo bezien heeft de vriendschap tussen James Dean en zijn beste vriend in de klassieker Rebel Without A Cause (1959) bijvoorbeeld beslist een homoseksueel karakter. Om over Ben-Hur uit 1959 nog maar te zwijgen. De vete tussen de hoofdpersoon en zijn voormalige boezemvriend Messala, die tot een climax komt tijdens de legendarische paardenwagen-scène, heeft onmiskenbaar een romantische oorsprong. Scenarioschrijver Gore Vidal kan er decennia later nog steeds om grinniken: hoofdrolspeler Charlton Heston, een onvervalste macho, had eens moeten weten.

Verteller Lili Tomlin leidt de kijker aan de hand van talloze filmfragmenten door de Amerikaanse cinema van de twintigste eeuw, waarin Hollywood soms opzichtig blijft worstelen met LBGT-rollen. Want als die er daadwerkelijk komen, leidt dit weer tot andere dilemma’s: koudwatervrees bij heteroseksuele acteurs die een homo moeten spelen, het veelvuldig gebruikte scheldwoord ‘faggot’ en de constatering dat vrijende vrouwen veel gemakkelijker worden geaccepteerd – erotisch gevonden, zelfs – dan liefhebbende mannen.

Toch is elke stap vooruit die Hollywood zet er één die telt voor een bevolkingsgroep die wil emanciperen. ’Elke minderheid kijkt hoopvol naar films’, concludeert scenarioschrijver Arthur Laurents in deze intrigerende documentaire. ‘Ze hopen dat ze te zien krijgen wat ze willen zien. Daarom ziet niemand echt dezelfde film.’

De documentaire Scotty And The Secret History Of Hollywood vormt een aardige aanvulling op The Celluloid Closet. Deze vermakelijke film vertelt het levensverhaal van een voormalige marinier, die na de Tweede Wereldoorlog een florerende escortservice opzette voor Hollywood-sterren die hun hele leven en carrière lang in de kast zouden blijven.

My Dead Dad’s Porno Tapes

‘Was my father’s leftover stuff the key to who he really was?’, vraagt Charlie Tyrell zich af in de overrompelende korte egodocumentaire My Dead Dad’s Porno Tapes (14 min.). Wat vertellen die nauwelijks verborgen pornovideobanden over de man met wie ik als jongen maar niet overweg kon?

De vragen die de jonge filmmaker zichzelf stelt zijn niet meer dan een startpunt voor dit virtuoos vertelde familieverhaal, waarin de zoon des huizes met privéfilmpjes, telefonische interviews met andere gezinsleden en veelvuldig gebruik van animatie en stop-motion het systeem van zijn eigen familie blootlegt.

Is zijn vader een logisch product van z’n achtergrond? En in hoeverre geldt dat voor Charlie zelf? Het zijn vragen die we onszelf allemaal wel eens stellen en die hier op een slimme, speelse en hartveroverende manier aan de orde worden gesteld. ‘Directed by Charlie Tyrell’ bovendien, vergeet dat niet.

Enemies: The President, Justice & The FBI

Het is bijna gewoon geworden dat de Amerikaanse president Donald J. Trump (2016-…) zijn eigen Federal Bureau of Investigation de mantel uitveegt. ‘Very sad that the FBI missed all of the many signals sent out by the Florida school shooter’, tweette hij bijvoorbeeld op 18 februari van dit jaar na de ‘school shooting’ in Parkland, om daar vervolgens, volgens die geheel eigen Trump-logica, aan toe te voegen. ‘This is not acceptable. They are spending too much time trying to prove Russian collusion with the Trump campaign – there is no collusion. Get back to the basics and make us all proud!’

Spanningen met de FBI zijn echter bepaald niet alleen voorbehouden aan president Trump. De vierdelige documentaireserie Enemies: The President, Justice & The FBI (258 min.) van Jed Rothstein en Alex Gibney, geïnspireerd door het boek Enemies: A History Of The FBI van Tim Weiner uit 2012, toont aan dat de omgang tussen de regering en binnenlandse veiligheidsdienst vrijwel nooit zonder strubbelingen verloopt. Aflevering 1 richt zich bijvoorbeeld op de gemankeerde vriendschap tussen de legendarische directeur J. Edgar Hoover, een duistere figuur die ruim een halve eeuw directeur was, de mythe van de G-men in het leven riep en zijn macht op alle mogelijke manieren misbruikte, en de enige Amerikaanse president die ooit werd gedwongen om af te treden, Richard Nixon (1968-1974). Zijn pijnlijke vertrek had Nixon mede te danken aan Deep Throat, de geheimzinnige bron die de Washington Post-journalisten Bob Woodward en Carl Bernstein van de ene na de andere scoop voorzag in het Watergate-schandaal. Ruim dertig jaar later werd duidelijk dat achter het mysterieuze pseudoniem een G-man in hart en nieren schuilging, FBI-onderdirecteur Mark Felt.

De relatie tussen een president en de FBI is delicaat en poreus, zo blijkt eveneens uit de tweede en derde aflevering van Enemies als de presidenten Ronald Reagan (1980-1988) en Bill Clinton (1992-2000) in respectievelijk de Iran-contra Affaire en Monicagate verzeild zijn geraakt. Kan de leider in tijden van nood op rugdekking van de inlichtingendienst rekenen of probeert die hem dan juist pootje te lichten? In een gestileerde setting, waarin de geïnterviewden door gebruik van allerlei schermen subtiel in en uit beeld verdwijnen, proberen Rothstein en Gibney met (voormalige) medewerkers, stafleden van Amerikaanse presidenten en auteur Tim Weiner door te dringen tot het wezen van de organisatie. Gezamenlijk slagen ze erin om politieke schandalen waarover door de jaren heen al uitvoerig is bericht van extra context en diepte te voorzien. De parallellen met de voetangels en klemmen van het tijdperk Trump zijn onmiskenbaar. Het verleden is slechts een proloog voor het heden, willen de filmmakers maar zeggen. Zoals ook sommige beeldbepalende figuren van nu opnieuw opduiken in een eerdere crisis, soms in een totaal andere rol.

De afsluitende episode richt bijvoorbeeld de schijnwerper op de bekendste FBI-directeur sinds de diabolische Hoover. In 2004 gaat James Comey als onderminister van justitie de confrontatie aan met de regering van George W. Bush (2000-2008) over diens grootschalige surveillanceprogramma, waarbij gewone Amerikanen stiekem in de gaten worden gehouden. Ruim tien jaar later staat diezelfde Comey, inmiddels directeur van de inlichtingendienst, opnieuw in het middelpunt van de belangstelling. Eerst beschadigt hij de kandidatuur van Hillary Clinton voor het Amerikaanse presidentschap met persverklaringen over haar roekeloze omgang met vertrouwelijke e-mails. Daarna komt hij lijnrecht tegenover de man te staan die het presidentschap vervolgens heeft opgeëist. Trump eist een loyaliteitsverklaring. Als die uitblijft, stuurt hij Comey de laan uit. Daarmee zet hij ongewild het Russiagate-onderzoek in gang, dat wordt geleid door voormalig FBI-directeur Robert Mueller, een vertrouweling van James Comey die ook al aan diens zijde stond tijdens het conflict met de regering Bush. Over geschiedenis die zich blijft herhalen gesproken.

Enemies toont glashelder aan dat de meningsverschillen tussen regering en FBI aan het hart van de Amerikaanse rechtstaat raken. Als de FBI zomaar kan worden aangestuurd door een president, dan wordt de inlichtingendienst al snel een gevaarlijk politiek wapen. Als de FBI echter zijn eigen koers vaart, dan kan de organisatie inderdaad – zoals Trump te pas en vooral te onpas roept – een soort oncontroleerbare ‘deep state’ worden. Een middenweg is, blijkens de in deze miniserie geschetste turbulente historie van de inlichtingendienst, nauwelijks te bewandelen.

American Dream / American Knightmare

‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.

American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.

Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.

Porndemic

Zelf dachten ze dat hun stiel op het punt stond om de overstap naar de mainstream te maken. Eind jaren negentig leek porno zich definitief te hebben ontworsteld aan zijn schmutzige verleden. Het geld was goed. En de roem ook. Naast een carrière in de Amerikaanse seksindustrie lonkte voor menige performer zelfs een loopbaan als regulier acteur. En toen sloeg het noodlot toe in de miljardenbusiness. In de vorm van een seksueel overdraagbaar en dodelijk virus.

De eerste bekende performer die HIV-postief werd bevonden was de actrice Tricia Devereaux, die nog altijd woedend is over wat haar is overkomen. Niet veel later volgden nog een paar gekende namen. En daarna moesten er onmiddellijk schema’s worden getekend met dwarsverbanden tussen de verschillende acteurs en actrices: wie had met wie gewerkt binnen de kleine ‘pornofamilie’? Stuk voor stuk zouden ze worden getest, om de bron van alle besmettingen te traceren: Patient Zero.

Die taak kwam voor rekening van dokter Sharon Mitchell, zelf jarenlang actief als actrice en regisseur. In de documentaire Porndemic (93 min.) vertelt ze dat de business HIV in zekere zin over zichzelf heeft afgeroepen. Porno was in de jaren negentig, met de opkomst van video en internet, steeds extremer geworden; van anale seks tot gangbangs. De kans op aids, een ziekte die vreemd genoeg nog altijd werd geassocieerd met homoseksuelen en drugsgebruikers, was daardoor flink toegenomen.

En nu was het dus zover: een brandhaard in de porno-industrie. Wie o wie was Patient Zero? Nadat ze alle betrokken sekswerkers had getest, resteerde alleen een voormalige geliefde. Met een list verleidde Mitchell hem om zich te melden. Later maakte ze, zonder zijn toestemming, de resultaten van de bloedtest wereldkundig. ‘Daarvoor zou ze vervolgd moeten worden’, aldus Zero nu. ‘Het was kwaadaardig dat ze dat deed.’ Mitchell is zich nog steeds van geen kwaad bewust: ‘Wat moest ik anders?’

Patient Zero was de lul, constateert adult entertainment blogger Luke Ford in deze lekker slicke film van Brendan Spookie Daly, die is opgeleukt met allerlei kekke muziekjes. Intussen zien we beelden van Mitchell en Zero in betere tijden, hijgend en zwetend tijdens een gezamenlijke seksscène. In werkelijkheid probeerde de pornoster na de onheilstijding om het verhaal naar zijn hand te zetten, maar die missie had nauwelijks kans van slagen. Zeker toen er nog meer apen uit de mouw kwamen…

De langharige loverboy werd persona non grata binnen de wereld die altijd zoveel van hem had gehouden. Zero’s huisgenoot Tom Byron, zelf ook pornoster, wordt nog altijd emotioneel als hij eraan terugdenkt. Samen met insiders als acteur Herschel Savage, regisseur/publicist Bill Margold en de onvermijdelijke Ron Jeremy probeert hij in deze overtuigende documentaire, waarin slinks actiescènes en dialogen uit pornofilms zijn geïncorporeerd, de impact van de HIV-kwestie op de business te duiden.

Die werd, kort gezegd, danig verneukt.

Fahrenheit 11/9

Als één linkse Amerikaan ruim vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 heeft gewaarschuwd voor het gevaar van Donald Trump, dan is het documentairemaker Michael Moore. Hij zag om zich heen hoe de arbeidersklasse in de zogenaamde Rust Belt zich afkeerde van de heersende politieke elite en een proteststem wilde uitbrengen. Moore vreesde én kreeg Trump.

De 45e president van de Verenigde Staten is een uitvergroting van alles waartegen de filmmaker in zijn inmiddels bijna dertig jaar omspannende carrière heeft gestreden. Deze achtste volwaardige documentaire Fahrenheit 11/9 (127 min.) is dan ook tegelijkertijd een schotschrift tegen het hedendaagse Amerika en een afrekening met de politieke cultuur, van Republikeinen én Democraten, die een nihilist zoals Donald Trump heeft voortgebracht.

Moore bouwt z’n betoog op rond de watercrisis in zijn geboortestad Flint, de plek waar hij eind jaren tachtig tevens zijn eerste film Roger & Me maakte en waar hij nu een tastbaar symbool heeft gevonden voor de verwording van de Amerikaanse democratie: sinds gouverneur Rick Snyder van Michigan de staat als een bedrijf runt en de watervoorziening van de stad in handen van private partijen heeft gelegd, kampt Flint met ernstig vervuild water.

Dat de bewoners er ziek van worden, doet de Republikeinse gouverneur ogenschijnlijk weinig. Zodra een autofabrikant schade meldt, komt hij echter direct in actie. Het resulteert in een typische Michael Moore-actie. Met draaiende camera en een paar handboeien arriveert hij op Snyders kantoor om een burgerarrestatie te plegen. Hij wordt opgevangen door een communicatiemedewerker, die het glas water dat hem wordt aangeboden evenwel resoluut weigert.

Ook bij de gouverneurswoning van Snyder vangt de provocateur bot, in een scène die doet denken aan zijn roemruchte confrontatie met NRA-boegbeeld Charlton Heston in z’n belangrijkste film Bowling For Columbine. Het thema van die documentaire, Amerika’s verwrongen verhouding tot wapens, krijgt eveneens een prominente plek in Fahrenheit 11/9 als Moore zich associeert met de jeugdige overlevenden van de ‘school shooting’ in Parkland en beziet hoe zij de barricaden opgaan voor een ander Amerika.

Moore voorziet ellende. Als de koers niet wordt verlegd, dan veranderen de Verenigde Staten in een dictatuur. Het startpunt van die ontwikkeling legt hij bij 11 september, de crisis die ondemocratische  stappen mogelijk maakte, een thema dat hij eerder behandelde in alweer een andere film, Fahrenheit 9/11. En de toekomst zou wel eens inktzwart, of diepbruin, kunnen zijn: terwijl we Trump horen speechen, zien we een zekere Duitse leider bijna lip-sync oreren.

Subtiel is anders, maar een verfijnde aanpak was natuurlijk nooit Michael Moores forte. Fahrenheit 11/9 is zo bezien ook een volstrekt logische film, de optelsom van zijn oeuvre en politieke stellingnames. Het is tevens Moores grimmigste film. Behalve enkele koddige muziekjes valt er ditmaal weinig te lachen. En het is een lange en onevenwichtige film. De rasverteller, die zo gemakkelijk een groot publiek bereikt, moet al zijn talenten aanspreken om de verschillende verhaallijnen bijeen te houden en aan elkaar te knopen.