Wonderful Losers: A Different World

VPRO

Alleen de benaming al: knecht. Grigario, in het Italiaans. In die term zit de totale ondergeschiktheid van hun rol opgesloten. Zij zijn er voor het vuile werk. De volledige dienstbaarheid aan hun kopman: de klassementsrenner, klimgeit of klassiekerkoning. Die natuurlijk geen trap te veel zet. Zodat-ie aan het eind van de rit misschien als allereerste zijn wiel over de finishlijn kan duwen.

Tijdens wielerkoersen zijn zij ‘t die het eten halen, zo nodig een wiel afstaan en – vooral – zich helemaal het apezuur rijden. Voor de overwinning van een ander, die hen misschien een héél klein beetje laat meedelen in het succes. Als dat er komt, tenminste. De kans daarop is immers klein. Dan hebben ze alles helemaal voor niets gedaan. En morgen, en overmorgen en de dag dáárna, moeten ze gewoon wéér.

Regisseur Arunas Matelis richt zich in Wonderful Losers: A Different World (73 min.) volledig op deze naamloze helden van het wielerpeloton. Mannen van stavast als Svein Tuft, Paolo Tiralongo en de Nederlander Jos van Emden (die zijn vriendin halverwege de werkdag, een tijdrit in de Giro d’Italia, nog even ten huwelijk vraagt). Hij toont ze zwoegend of juist rustig pedalerend tijdens de koers, plassend lang de kant van de weg, ontspannend op de massagetafel of kermend van de pijn op het asfalt en laat hen daarnaast leeglopen over hun vak.

Met zijn camera observeert Matelis tevens de entourage van de renners en neemt plaats in de ploegleidersauto, van waaruit artsen de mannen tijdens de koers met veel pappen en nathouden bijstaan. Een eenduidig verhaal bevat deze ode aan de werkemannen van de topsport verder niet. En nieuwe inzichten levert Wonderful Losers ook niet op. De documentaire is vooral een heel geslaagde sfeertekening, met een eenmalige hoofdrol voor kerels die doorgaans in stilte hun beulswerk verrichten en aan de meet nooit de rondemiss mogen kussen.

Of …voor deze ene keer… toch wel?

Outfoxed: Rupert Murdoch’s War On Journalism

Hoe zou de eerste ambtstermijn van Donald Trump eruit hebben gezien zónder de kabelzender Fox News? Het is de vraag of hij überhaupt ooit president had kunnen worden zonder de onvoorwaardelijke steun van Fox’s oerconservatieve eigenaar Rupert Murdoch, CEO Roger Ailes (een voormalige spin doctor van de Republikeinse partij) en bijzonder partijdige talkshow hosts zoals Sean Hannity, Laura Ingraham en Tucker Carlson.

In de activistische documentaire Outfoxed: Rupert Murdoch’s War On Journalism (77 min.) uit 2004 ontleedde de linkse filmmaker Robert Greenwald al de modus operandi van de nieuwszender, die zich destijds afficheerde met slogans als ‘fair & balanced’ en ‘we report, you decide’ en intussen doelbewust geen enkel onderscheid meer maakte tussen feiten en meningen daarover. Alles, werkelijk alles, werd consequent bezien vanuit een bijzonder rechtse bril.

Daarmee leverde Fox een aanzienlijke bijdrage aan de vergiftiging van het Amerikaanse politieke klimaat. Om over de verruwing van het debat nog maar niet te spreken. ‘Shut up’ werd bijvoorbeeld het vaste mantra van de toenmalige ster van de nieuwszender, Bill O’Reilly, ‘some people say’ een slim voorwendsel om oncontroleerbare meningen in te brengen in het gesprek, zo laat Outfoxed zien. Het werkte wel: de benadering van Fox News bleek zowel succesvol als lucratief.

Greenwalds politieke pamflet komt enigszins traag op gang en heeft met linkse kopstukken als Bernie Sanders en Al Franken ook een wat eenzijdige bronnenlijst, maar overlegt uiteindelijk overtuigend bewijsmateriaal van de ontzettend partijdige manier waarop Fox bericht over onderwerpen als het homohuwelijk, abortus en de verkiezingen van 2000, waarbij de rechtse zender het pleit echt in het voordeel van de Republikein George W. Bush probeert te beslechten.

Diens oorlog in Irak zorgt bovendien voor heel wat tromgeroffel op Fox News. En pijnlijke taferelen. Als Jeremy Glick, de zoon van een man die sneuvelde bij de aanslagen van 11 september 2001, zich in The O’Reilly Factor bijvoorbeeld tegen die oorlog uitspreekt, krijgt hij meermaals van de gastheer te horen dat hij zijn bek moet houden. ‘Ik hoop dat je moeder dit niet zit te kijken.’ Bijna een jaar na het bewuste twistgesprek wordt Glick in uitzendingen nog altijd regelmatig zwartgemaakt door O’Reilly.

Sindsdien heeft het stijfrechtse Fox News bepaald geen gas teruggenomen. Zo heeft de zender, onbewust, de bodem gelegd voor een populistische politicus als Donald Trump, die als president regelmatig blindelings de ‘talking points’ van zijn favoriete programma Fox & Friends doortweet en soms zelfs beleid lijkt te ontwikkelen op basis van wat Murdochs zender hem die dag voorschotelt. Intussen blijkt uit allerlei publicaties dat Fox News-kijkers er inmiddels een geheel eigen wereldbeeld op nahoudt.

‘Fox News maakt zijn kijkers immuun voor bewijsmateriaal dat niet past in hun wereldbeeld’, constateerde Alvin Chang al in dit onderzoek van Vox uit 2018. Inmiddels heeft zich met One America News Network (OANN) bovendien een nóg extremere nieuwszender aangediend, die ongegeneerd naar de gunsten van de Amerikaanse president dingt.

In de nabrander Outfoxed Effect: Ten Years Later blikt Robert Greenwald terug op hoe ze de documentaire maakten (bijvoorbeeld door met een team letterlijk 24 uur per dag Fox News te kijken) en het effect dat die had.

Population Boom

VPRO

We zijn inmiddels met bijna acht miljard. Toen de documentaire Population Boom (58 min.) werd uitgebracht in 2013, was net de zeven miljard-barrière geslecht. In 1998 waren er nog ‘slechts’ zes miljard wereldbewoners.

In dit tempo wordt de aarde volgens menigeen volstrekt onleefbaar. Multimiljonairs als Ted Turner en David Rockefeller luiden daarom de noodklok in deze film van Werner Boote: opwarming van de aarde en hongersnood zijn op deze manier onvermijdelijk. Over pandemieën wordt nog met geen woord gerept.

In Georgia bezoekt Boote een monument tegen overbevolking, in 1980 door anonieme donoren geplaatst. In acht talen staat daarop geschreven dat de mensheid koste wat het koste moet worden teruggebracht tot maximaal 500 miljoen zielen. Dat is natuurlijk voer voor complotdenkers. Hoe gaan ‘ze’ dat bewerkstelligen?

De Oostenrijkse filmmaker bezondigt zich niet aan dergelijke samenzweringstheorieën. Hij gaat op diverse plekken in de wereld de dialoog aan over het verminderen van de bevolking (in andere landen, dat wel), de Chinese éénkindpolitiek en wereldwijde toegang tot anticonceptiemiddelen.

Interessante materie, dat zeker. Alleen wel wat praterig uitgewerkt. Population Boom bevat ook zeker interessante gesprekken, waarin de gevaren van overbevolking op sommige terreinen soms ook worden gerelativeerd, maar wordt nooit een sprankelende vertelling waarbij je van de ene in de andere verbazing valt.

Al leveren Boote’s vergeefse pogingen in de slotscène om in Bangladesh, het drukstbevolkte land ter wereld, de bus te nemen wel degelijk bijzondere taferelen op. Zeker als hij daarna ook nog letterlijk op de trein belandt, te midden van een aanzienlijk deel van die snel uitdijende wereldbevolking.

Athlete A

Netflix

Documentaire mag dan een genre van de lange adem zijn. Dat hoeft niet te betekenen dat er geen druk op de ketel zit, in de vorm van andere makers die je de loef proberen af te steken. Zo was er vóór Whitney, een portret van zangeres Whitney Houston, bijvoorbeeld al Whitney: Can I Be Me. Vóór Bully. Coward. Victim. The Story Of Roy Cohn een andere film over de gevreesde Trumpfluisteraar: Where’s My Roy Cohn?. En is er vóór Athlete A (104 min.) dus ook al eerder een documentaire gemaakt over het misbruikschandaal in de Amerikaanse turnwereld: At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal.

Als maker, het duo Bonni Cohen en Jon Shenk in dit geval, word je in zo’n geval gedwongen om de meerwaarde van jouw film nog eens extra over het voetlicht te brengen. Waarom zouden wij, de mensen die sowieso al vierkante ogen hebben van het kijken, anders óók jouw interpretatie van allang bekende gebeurtenissen (seksueel misbruik van talloze talentvolle turners, onder wie enkele medaillewinnaars op de Olympische Spelen, door de Amerikaanse sportarts Larry Nassar en de enorme doofpot waarin al die onwelgevallige verhalen jarenlang werden gestopt door de verantwoordelijke bobo’s) tot ons willen nemen?

Welnu, Cohen en Shenk concentreren zich niet zozeer op het misbruik zelf – al bevat ook deze film enkele indringende persoonlijke getuigenissen van slachtoffers, onder wie de turnster die zich als eerste anoniem meldde onder de noemer Athlete A – als wel op het systeem eromheen. Seksueel geweld als min of meer logisch gevolg van de tough love-benadering waarmee de turnsters steevast werden bejegend. Nadat de Amerikaanse turnbond begin jaren tachtig het Roemeense echtpaar Bela en Martha Karolyi inhuurde, dat eerder de stuurse tiener Nadia Comaneci naar een Olympische Gouden medaille had gedrild, was er ook bij Team USA een soort Oostblok-cultuur ontstaan. Met een heuse medailleregen tot gevolg – en een onmenselijke atmosfeer.

De coaches waren oppermachtig en stelden zich bikkelhard op, terwijl de atletes steeds jonger werden, hun menstruatie begonnen uit te stellen en eetstoornissen ontwikkelden. Binnen die verstikkende atmosfeer, een topsportklimaat dat door één van de voormalige turnsters simpelweg wordt omschreven als ‘wreedheid’, was Larry Nassar de man die hen wél als mens en niet alleen als potentiële medaillewinnares zag. Voormalig Olympiër Jamie Dantzscher durft het nog altijd bijna niet te zeggen, maar ze keek destijds echt uit naar zijn behandelingen. Want Larry was ‘de enige aardige volwassene bij de turnbond’ die ze zich kan herinneren. En hij, manipulator eerste klas, wist wel raad met die positie.

Athlete A reconstrueert vervolgens hoe journalisten van The Indianapolis Star dat verhaal op het spoor komen. Nadat USA Gymnastics in de voorgaande jaren alles in het werk heeft gesteld om de beschuldigingen van de anonieme turnster, die intussen ook flink gedwarsboomd werd in haar carrière, binnenskamers te houden. Die metabenadering, waarbij de nadruk meer op de cultuur en cover-up ligt dan op de persoonlijke ervaringen van de individuele meisjes, zorgt ervoor dat deze documentaire minder emotionele impact heeft dan In The Heart Of Gold. Athlete A is vooral een impliciet pleidooi om de begeleiding van sporttalenten nog eens kritisch onder de loep te nemen. En daarin zit dan de meerwaarde van deze solide film.

Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgepakt. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

Pete En De Bananen

VPRO

Geel van buiten, wit van binnen. Een banaan dus. Zo noemt Pete Wu zichzelf en andere Chinees-Nederlandse jongeren. Ze zitten gevangen tussen de Chinese cultuur van hun ouders en de Nederlandse samenleving, waarbinnen ze zijn opgegroeid. Met verwachtingen en aspiraties als ieder ander, maar in de ogen van hun ouders voorbestemd om een andere banaan te huwen – en een ‘Chinees’ of snackbar over te nemen.

In Pete En De Bananen (58 min.), gemaakt met Willem Timmers, gaat Wu in gesprek met andere Chinees-Nederlandse jongeren over hun liefdesleven en de verwachtingen die zij daarbij ervaren vanuit de gesloten Chinese gemeenschap en de eisen die aan hen worden opgelegd door Nederlanders, voor wie wit en westers nog altijd de norm is (en probeer die maar eens niet te verinnerlijken).

Pete’s zoektocht brengt hem in contact met een jonge vrouw die haar niet-Chinese verloofde jarenlang verborgen hield voor haar vader en moeder, een succesvol Aziatisch model en een voormalige sekstelefoniste die zich specialiseerde in klanten met zogenaamde ‘yellow fever’ (en die eerder is geportretteerd in de documentaire Hallo Met Kyoko). Hij gaat verder voor het eerst op date met een andere Banaan en laat zich doorlichten door een (eveneens Aziatische) therapeute, ontmoetingen die soms nét iets te geconstrueerd aandoen.

Wu en Timmers omlijsten al die gesprekken met gestileerde geel gekleurde sequenties en stijlvolle synthmuziek. Waarbij Pete’s zeer persoonlijke voice-overs een verdiepende laag aanbrengen en echt inzicht geven in zijn zielenleven, dat onlosmakelijk verbonden is met zijn afkomst en de plek waar hij opgroeide. Een manier van zijn, waarbij geel en wit inmiddels volledig door elkaar lopen.

Dads

Apple

Zelf is ze de dochter van niemand minder/meer dan filmmaker Ron Howard, die haar geboorte en jeugd natuurlijk netjes op video heeft vastgelegd. En ze doet tevens dienst als de zus van Reed Howard, die binnenkort voor het eerst papa wordt. Een mooie gelegenheid voor Bryce Dallas Howard om een portet te maken van hedendaagse Dads (80 min.).

In dat kader zoomt ze in op enkele mannen die hun eigen invulling geven aan het ouderschap en zeker niet passen in het beeld van de traditionele vader, die op zondag het vlees aansnijdt. Zoals een full time-papa die daarover een eigen vlog begint, een homoseksueel stel met enkele adoptiekinderen en een workaholic die door ziekte tot inkeer komt, huisman wordt en een serieuze kinderwens ontwikkelt.

Howard doorsnijdt hun ervaringen met treffende televisiefragmenten en homevideo’s van vaders en hun kroost en doet snappy interviews met – die mochten natuurlijk niet ontbreken – Bekende Vaders als Will Smith, Jimmy Fallon, Judd Apatow, Conan O’Brien en Jimmy Kimmel over het worden van vader, de valkuilen en zegeningen van het ouderschap en – die mocht natuurlijk ook niet ontbreken – hun eigen vader.

Het totaalpakket doet erg Amerikaans aan. Aan platitudes over het vaderschap geen gebrek, maar de scherpe randjes ervan worden echt niet opgezocht. Dads wil vooral een feest van herkenning zijn voor iedereen die met vaders van doen heeft (gehad). Wij allemaal dus. En dan komt het natuurlijk goed uit dat dit aardige niemendalletje (cadeautip!) rond Vaderdag wordt uitgebracht.

Disclosure

Netflix

Via films ontdekken we onszelf. Ze vormen een afspiegeling van wie we zijn. Of, beter, van hoe Hollywood ons ziet. In het geval van transgenders levert dat een problematisch beeld op: van transmannen en -vrouwen als dankbaar mikpunt van spot bijvoorbeeld, in films als Tootsie, Mrs. Doubtfire en Ace Ventura: Pet Detective. Er is het idee dat wij komisch zijn, stelt schrijver Tiq Milan in Disclosure (108 min.). ‘Dat we freaks zijn. Dat we ons verkleden om anderen aan het lachen te brengen.’

Ook pijnlijk: transgenders als gestoorde seriemoordenaar. In talloze klassieke thrillers, zoals Psycho, Dressed To Kill en The Silence Of The Lambs. Het kan echter nog erger: als slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Enkele acteurs in deze boeiende documentaire van Amy Scholder en Sam Feder vertellen hoe ze inmiddels talloze malen op een gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht voor de camera. Omdat dat, blijkbaar, de meest voor de hand liggende manier was/is om een transman of – vrouw te incorporeren in een verhaal.

Net als de baanbrekende documentaire The Celluloid Closet (1995), waarin wordt ontleed hoe homoseksualiteit door de jaren heen (verhuld) is geportretteerd in film, belicht Disclosure via een uitputtende collectie speelfilmfragmenten (en televisieprogramma’s zoals Oprah en The Jerry Springer Show) hoe Hollywood op alle mogelijke manieren, van heel lomp en expliciet tot zeer subtiel, heeft bijgedragen aan de beeldvorming van transgenders, en in sommige gevallen ook aan transfobie.

Prominente transmannen en -vrouwen zoals actrice Laverne Cox (Orange Is The New Black), regisseur Lilly Wachowsky (The Matrix) en actrice Trace Lysette voorzien de fragmenten van persoonlijk commentaar. Over hoe die beelden, en het gedachtegoed dat daarachter schuilgaat, hun eigen zelfbeeld en transitie hebben beïnvloed en hoe films, zoals bijvoorbeeld de klassieke documentaire Paris Is Burning, soms ook positieve effecten hebben gehad op hun emancipatie.

‘Het is een interessante vraag om jezelf te stellen wat ik nu zou voelen als een openlijke transpersoon als ik geen representatie van mezelf had gezien in de media’, vat de actrice en schrijfster Jen Richards het treffend samen. ‘Enerzijds had ik me dat gevoel van monsterlijkheid nooit eigen gemaakt, van angst voor onthulling, van mezelf als weerzinwekkend of als de clou van een grap.’ Van de andere kant: ‘Zou ik weten dat ik trans ben als ik nooit gendervariatie op het scherm had gezien?’

Bully. Coward. Victim. The Story Of Roy Cohn

In de hoogtijdagen van de Koude Oorlog zouden ze Amerikaanse atoomgeheimen hebben doorgespeeld aan aartsvijand de Sovjet-Unie. Het echtpaar Julius en Ethel Rosenberg werd in 1953 ter dood gebracht. Ruim 65 jaar later portretteert hun kleindochter Ivy Meeropol de man die een sleutelrol speelde in hun veroordeling: Roy Cohn (1927-1986), een jonge advocaat die destijds aan de vooravond stond van een prachtige carrière als rechterhand van communistenjager Joe McCarthy, raadsman van de georganiseerde misdaad in New York én lichtend voorbeeld van een jonge, ambitieuze zakenman uit die stad, ene Donald Trump.

Die laatste rol, als mentor van de huidige Amerikaanse president, vormde onlangs al het uitgangspunt voor een andere film over de man die ook wel ‘de verpersoonlijking van slechtheid’ is genoemd: Where’s My Roy Cohn? (2018], een tamelijk traditionele en doeltreffende biografie van Matt Tyrnauer. De openingsscène van Bully. Coward. Victim. The Story Of Roy Cohn (98 min.) maakt direct duidelijk dat Meeropol een persoonlijkere aanpak voor ogen heeft: in oude zwart-wit beelden spreekt ze als klein meisje met haar vader Michael over de terechtstelling van diens ouders. Haar familie heeft aan den lijve ondervonden wat de gevolgen kunnen zijn van de rücksichtslose handelswijze van Cohn, die de verklaring van een belangrijke getuige tegen haar grootouders op een onoorbare manier zou hebben beïnvloed.

Tegelijkertijd probeert de documentairemaakster met bronnen als filmmaker John Waters (die Cohn, als homo die zijn hele leven in de kast bleef, regelmatig tegenkwam op een soort gayparadijs), collega-advocaat Alan Dershowitz (waarmee hij aan de geruchtmakende zaak tegen Claus von Bülow werkte), en roddelcolumniste Cindy Adams (die hij regelmatig van nieuwtjes voorzag over lieden die hij in verlegenheid wilde brengen) ook een tamelijk traditioneel portret van het ‘larger than life’-personage Roy Cohn te schetsen. Die twee verhaallijnen komen alleen niet altijd even soepel samen, waardoor de film soms een wat rommelige indruk maakt.

Via onlangs ontdekte audiocassettes van een interview dat journalist Peter Manso in 1980 met hem deed voor een Playboy-profiel komt de man met de spottende lach, boksersneus en bijzonder kille ogen zelf ook nog aan het woord, waarbij hij nooit om een scherpe oneliner verlegen lijkt te zitten. Behálve als het gaat over zijn eigen seksuele geaardheid en de dodelijke ziekte die hij uiteindelijk zou oplopen, een publiek geheim dat hem, ongewild, tot een belangrijk personage in de theatervoorstelling Angels In America zou maken. Dat verborgen leven krijgt veel aandacht in deze onevenwichtige film, die natuurlijk ook inzoomt op zijn rol als mentor van de jonge Trump, in Cohns ogen een genie met een gouden toekomst.

Van de executie van de Rosenbergs heeft Roy Cohn volgens eigen zeggen nooit ook maar een nacht wakker gelegen. Die kregen gewoon hun verdiende loon. Zelfs als hun zoon Michael Meeropol hem in een tv-programma confronteert met gerommel in de rechtszaak tegen zijn ouders geeft Cohn geen duimbreed toe en houdt vast aan zijn eigen werkelijkheid. Een modus operandi waarvan ook zijn protegé, op wie hij zonder enige twijfel trots zou zijn geweest, als president van de Verenigde Staten zijn handelsmerk heeft gemaakt. Zo leeft Roy Cohn voort: als de man die eerst het McCarthyisme en later Donald Trump (mede) mogelijk maakte.

Jim Allison: Breakthrough

HBO

Als kind had hij de bijnaam ‘Diamond Head’. Volgens zijn broer Murphy omdat zijn hoofd uit ‘the hardest substance known to man’ bestond. Ofwel: als Jim Allison iets in z’n kop had, dan had hij het niet in zijn… juist. In dat opzicht is er sindsdien weinig veranderd. Allison weet nog altijd precies wat hij wil, stoort zich daarbij niet aan conventies en gaat door tot het gaatje.

De Texaan oogt tegenwoordig als een willekeurige oudere bluesmuzikant. En dat klopt: de man zingt en speelt bepaald niet onverdienstelijk mondharmonica. Met countryheld Willie Nelson bijvoorbeeld. En hij heeft sinds 2018 een Nobelprijs voor Geneeskunde op zak, dat ook. Voor zijn baanbrekende kankeronderzoek naar de zogenaamde T-cel receptor.

In Jim Allison: Breakthrough (84 min.), waarin acteur Woody Harrelson als verteller fungeert, belicht de gelauwerde immunoloog zelf, samen met familieleden, vrienden en collega’s zijn levensloop, wetenschappelijke loopbaan en het onderzoek dat niet alleen zijn eigen leven volledig heeft veranderd. Dat is door regisseur Bill Haney met fraaie animaties gevisualiseerd.

Bij een test met muizen ontdekt Allison halverwege de jaren negentig een manier om tumoren onschadelijk te maken. Een behandeling tegen kanker is dan nog ver weg. En daar heeft Allison zijn zinnen op gezet. Voor Sharon Belvin, een 22-jarige vrouw met een hersentumor, die in deze gedegen film alle kankerpatiënten vertegenwoordigt die wachten op een behandeling.

Én voor zijn eigen moeder, die aan de gevreesde ziekte overleed toen hij een jongen van elf was. Met een buik vol verdriet en een hoofd als een diamant, dat wel.

The Two Escobars

Één onfortuinlijk ogenblik, dat in deze documentaire talloze malen wordt herhaald, ook in slow-motion, zou Andrés Escobar fataal worden. Tijdens het WK-voetbal van 1994 in de Verenigde Staten veranderde de Colombiaanse verdediger per ongeluk een bal van richting. Die verdween prompt in eigen doel en leidde zo de vroegtijdige uitschakeling in van het nationale elftal, waarvan hij de aanvoerder was. Alsof de gebeurtenissen werden gestuurd door een ‘mano negra’, een zwarte hand. Die bovendien nog lang niet klaar bleek te zijn.

Colombia was in die tijd verwikkeld in een burgeroorlog, waarin die andere Escobar, drugsbaron Pablo, de absolute hoofdrol claimde. In een betere wereld hadden de paden van The Two Escobars (104 min.) elkaar nooit gekruist, maar in het verscheurde Zuid-Amerikaanse land, waar de kartels ook op het voetbalveld de strijd aanbonden met elkaar, móesten ze elkaar wel ontmoeten. Andrés speelde voor het door Pablo gefinancierde Atlético Nacional Medellin, de eerste Colombiaanse ploeg die de Copa Libertadores, het clubkampioenschap van Zuid-Amerika, won in 1989. Bij de grote concurrent América waste intussen het concurrerende Cali-kartel zijn drugsmiljoenen wit.

In deze enerverende film uit 2010 brengen Jeff en Michael Zimbalist die twee verhalen samen: de totale verwording van Colombia, verpersoonlijkt door Pablo Escobar, de nietsontziende maffiabaas die zich in het openbaar graag voordeed als weldoener en zelfs, om zijn eigen belangen te beschermen, de politiek inging. En, parallel daaraan, de opmars van datzelfde Colombia als voetbalgrootmacht en serieuze kanshebber voor het wereldkampioenschap. Waarbij smaakmakers als doelman René ‘El Loco’ Higuita (bekend van zijn spectaculaire scorpion kicks), dirigent Carlos Valderrama (‘De Witte Gullit’) en de dartele aanvaller Faustino Asprilla meteen een perfect uithangbord vormden voor de narcostaat, die wel wat aan z’n imago mocht doen.

Die twee ontwikkelingen zorgden voor een totale verwevenheid van sport en georganiseerde misdaad, vervat in de nefaste term ‘narcovoetbal’, en leidde ook daadwerkelijk tot onderonsjes tussen gangsters en topspelers. Op feestjes van Pablo Escobar kon de onkreukbare verdediger Andrés Escobar zomaar naast Jhon Jairo Vásquez Velásquez, bijgenaamd Popeye, komen te zitten. Een man die als rechterhand van de baas van het Medellin-kartel jarenlang de allervuilste klusjes opknapte. ‘Ik heb hoogstpersoonlijk zo’n 250 mensen naar de andere wereld geholpen’, beweert hij met een stalen gezicht in The Two Escobars. ‘Maar alleen een psychopaat houdt de precieze score bij.’

De gebroeders Zimbalist tekenen de desolate staat van Colombia in de jaren negentig met een uitbundige collectie archiefmateriaal op, larderen de gebeurtenissen met essentiële bronnen uit de directe omgeving van de beide Escobars (hun zussen, geliefden, directe collega’s, concurrenten en politici) en brengen het geheel met dampende muziek helemaal aan de kook. Zowel het bloedbad in de straten van Colombia als de sequenties van het ontketende voetbalelftal, dat gaandeweg steeds directer wordt geconfronteerd met het grootschalige geweld in eigen land, krijgen daardoor een enorme urgentie.

The Two Escobars is zonder twijfel één van de beste voetbaldocumentaires aller tijden. Een film die de sport portretteert als een afspiegeling van de wereld waarbinnen die wordt gespeeld. En een naargeestige verbeelding van die befaamde uitspraak van Rinus Michels: in het Colombia van de twee Escobars is voetbal inderdaad (drugs)oorlog.

De Sneijder-tapes

Jeffrey (l) en Wesley (r) Sneijder / NOS

Ooit zaten er drie Sneijdertjes in de jeugdopleiding van Ajax. Wie van de drie Utrechtse broers zou slagen, lag toen nog in de toekomst verscholen. De oudste, Jeffrey, redde het uiteindelijk niet, mede door blessures. De benjamin Rodney zou wél het betaald voetbal halen, maar niet de top. Dat bleek alleen weggelegd voor Wesley Sneijder, die het zelfs schopte tot recordinternational van Oranje. Hij – en niet Jeffrey of Rodney – is ook de hoofdpersoon van een door Kees Jansma geschreven biografie, genaamd Sneijder.

In 2012 trok Kees Jongkind naar Milaan, waar de spelmaker toentertijd de sterren van de hemel speelde voor Inter. Hij had een aardige verrassing voor Sneijder: beelden uit de tijd dat hij als negenjarige jongen in de Ajax-jeugd speelde en materiaal van tien jaar later, toen hij nadrukkelijk aan de deur klopte bij het eerste elftal. Ofwel: De Sneijder-tapes (47 min.), samengesteld uit nooit eerder vertoond ruw materiaal voor een film die Rimko Haanstra en Klaas Vos maakten over de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub (die enkele jaren eerder zeer kritisch was geportretteerd in Roel van Dalens documentaire Ajax: Daar Hoorden Zij Engelen Zingen).

‘Er is een enkele speler uit de jeugd die misschien doorbreekt naar het eerste van Ajax’, zegt vader Barry Sneijder, die zich volledig wegcijferde voor de voetbalopleiding van zijn zoons, tijdens een interview uit 1993. ‘En die enige kun je natuurlijk zijn. Maar je kunt het ook niet zijn. En dat is wat ik ze dan ook wel vertel.’ Dat wordt door Jongkind geïllustreerd met een tamelijk pijnlijke scène uit het televisieprogramma Holland Sport, waarin Jeffrey Sneijder opdraaft als ‘de grote broer van’. Hij kwam uiteindelijk bij Elinkwijk terecht, in plaats van bij Real Madrid. Ooit, in een interview met Haanstra en Vos, zaten ze nog gebroederlijk naast elkaar, als guitige jochies die een droom deelden.

Daarin zit ook de meerwaarde van deze aandoenlijke tv-docu, die de ontwikkeling van de aankomende wereldster Wesley Sneijder en zijn respons daarop in beeld brengt, maar vooral ook laat zien voor hoe weinig talenten daadwerkelijk een topsportcarrière is weggelegd. Van zijn vroegere jeugdteam heeft bijvoorbeeld alleen Johnny Heitinga, volgens Sneijder destijds de absolute nummer één van het elftal, ook de wereldtop gehaald. De rest heeft al die jaren voor niets – of gewoon voor de lol – thuis tegen een bal in een netje staan trappen, zoals de hoofdpersoon als negenjarige voor de camera demonstreert aan zijn latere zelf. Die kijkt goedkeurend toe: zo is hij geworden wie hij nu is.

De Sneijder-tapes is hier te bekijken.

Be Water

Hij moest eerst in Hongkong een superster worden voordat hij een serieuze kans kreeg in Hollywood. Als een Oosterse variant op de actieheld zou Bruce Lee, in 1973 op slechts 32-jarige leeftijd overleden, een absolute legende worden. De grootste material arts-acteur aller tijden, de gedroomde ster van elke kung fu-film.

In Be Water (98 min.) plaatst regisseur Bao Nguyen Lee’s leven en loopbaan nadrukkelijk binnen de historie van Aziaten in de Verenigde Staten, die van oudsher een achtergestelde positie hadden, te maken kregen met allerlei stereotypen (‘stille harde werkers’) en soms openlijk werden gediscrimineerd. Ook hij zou als acteur voortdurend worden getypecast als ‘die Chinees’.

Zolang het tenminste geen hoofdrol was. Toen Bruce Lee het idee voor de serie Kung Fu aandroeg bij Warner Brothers, werd dat enthousiast ontvangen. Voor de hoofdrol werd alleen een Amerikaanse acteur gevraagd. De rol van Chinese monnik zou één van de hoogtepunten uit de carrière van David Carradine worden. En Lee, op wiens lijf de rol letterlijk geschreven was, droop ontgoocheld af.

Totdat hij via een omweg naar Hongkong dus alsnog zijn eerste echte hoofdrol in een grote Hollywood-productie bemachtigde. De première van Enter The Dragon, inmiddels een echte filmklassieker, zou hij echter nooit meemaken. Van een gewone, ambitieuze jongen, geboren in het Chinatown van San Francisco, werd hij postuum alsnog een mythe, de vleesgeworden Fist Of Fury.

Dat tragische verhaal wordt door Nguyen volledig verteld met archiefmateriaal, dat buiten beeld wordt ingekleurd door zijn broer, vrouw, dochter, vrienden, collega’s en kenners. Ondanks het feit dat de hoofdpersoon zelf slechts beperkt aan het woord komt, slaagt de filmmaker er heel behoorlijk in om door te dringen tot de man Bruce Lee, die verscholen zit achter de legende.

The Most Dangerous Animal Of All

FX

Zou Gary Stewart meer van zichzelf begrijpen als hij wist wie zijn ouders waren? De vraag stellen is hem beantwoorden. Zijn biologische moeder Jude had de ambitieuze Amerikaanse ondernemer, die in een adoptiegezin opgroeide en zelf inmiddels aan zijn vijfde huwelijk bezig is, snel gevonden.

Of hem dat enige gemoedsrust gaf? Nee, haar antwoorden riepen alleen maar meer vraagtekens op. Iets met een ‘Ice Cream Romance’. Over een 27-jarige man die zij als veertienjarige scholier in 1962 ontmoette bij de bushalte. De ‘pedofiele’ relatie die vervolgens tussen hen ontstond. En de manier waarop zij zich vervolgens ontdeden van hem, hun ongewenste kind.

Die kerel, Earl van Best Jr., zou hij nog in leven zijn? En, helemaal onvoorstelbaar, zou die onbekende vader misschien The Most Dangerous Animal Of All (175 min.) kunnen zijn? Een man met meerdere levens op zijn geweten. Een héél beruchte seriemoordenaar, ook omdat hij zelf nadrukkelijk de media opzocht en zo zijn naam, een ingenieuze nom de plume vervat in een symbool, probeerde te vestigen.

Is Gary’s vader, kortom, het antwoord op een vraag die al een halve eeuw openstaat? In deze gestileerde en vet aangezette serie van Ross M. Dinerstein en Kief Davidson gaat hij zelf op onderzoek uit, vergezeld door de wat morsige true crime-auteur Susan Mustafa. Samen schreven ze in 2014 het boek, dat het startpunt vormde voor deze vierdelige docu.

Als de twee dieper in de kwestie duiken, lijkt elk antwoord in dezelfde richting te wijzen: ‘Van’ moet de man zijn die een kleine halve eeuw geleden San Francisco onveilig maakte en heel Amerika in zijn greep kreeg. Maar welke rol speelde Gary’s moeder Jude, die naderhand getrouwd blijkt te zijn met de leider van het bijbehorende politie-onderzoek, dan in deze legendarische cold case?

Conspiracy theory, cover-up of een ander woord met een C? Of tóch een aannemelijke hypothese? Gary Stewart twijfelt niet over het antwoord. Als buitenstaander blijft het lastig oordelen: leiden alle sporen inderdaad naar de man die hem op de wereld dumpte? Of heeft Gary selectief in het bewijsmateriaal gewinkeld, teneinde zijn eigen queeste zin en drama te geven? In de onverwacht enerverende ontknoping volgt het verrassende antwoord.

‘This is not the …… speaking.’

Bokken En Geiten

IDFA

Ooit vormden ze één harmonie. Halverwege de 19e eeuw ontstond er echter een conflict met de dienstdoende pastoor en volgde een opsplitsing. Sindsdien vechten de opstandige Bokken en de Geiten, de meelopers van meneer pastoor, als kat en hond. Op wereldniveau, dat wel. Twee toonaangevende harmonieën uit één en hetzelfde plaatsje, het Limburgse Thorn. De rivaliteit tussen de Koninklijke Harmonie van Thorn, alias De Bokken, en de Kerkelijke Harmonie St. Michael, bijgenaamd De Geiten, heeft voor twee volledig langs elkaar (heen) levende gemeenschappen gezorgd. Met eigen cafés, middenstand en verenigingen.

Hans Heijnen, zelf Limburger van geboorte, tekent de tweespalt in ‘het witte stadje’ met zichtbare compassie, gevoel voor drama en een stiekeme knipoog op in de documentaire Bokken En Geiten (85 min.) uit 1998. De harmonieën zijn niet met elkaar te vergelijken, vinden ze van elkaar. ‘De vuile was van de Bokken ligt eerder op straat dan die van de Geiten’, meent een overtuigde Bok. ‘Dat betekent dat de Bokken het hart op de tong dragen.’ Huichelaars, wil hij maar zeggen, die Geiten. ‘De Geiten, en ik dus ook,’ zet een geit daartegenover, ‘zijn zachter van karakter dan de Bokken.’

Notabelen houden zich intussen zorgvuldig op de vlakte tegenover Heijnen, die het vuurtje zo nu en dan voorzichtig oppookt. Voordat ze het weten worden ook zij, en hun hele gezin erbij, voortaan tot één van de twee kampen gerekend. De rivaliteit in Thorn doet denken aan de strijd tussen de voetbalclubs Spakenburg en IJsselmeervogels, zoals vastgelegd in de sportdocu Hoe Rood En Blauw Spakenburg Verdeelt (2005), en Heijnens eigen film over de kinnesinne tussen de Groesbeekse verenigingen Achilles en de Treffers, Voetbal Is Oorlog (2018).

Eerst en vooral is deze film, waarin verteller Huub Stapel de kijker in Limburgs dialect door het Thornse mijnenveld leidt en Heijnen op gepaste momenten ferme accenten zet met meeslepende concertpassages, echter een bijzonder vermakelijke ode aan het langzaam wegkwijnende verenigingsleven, dat overal in Nederland vergrijst en op sommige plekken zelfs uitsterft. Zowel de Bokken als de Geiten, die elkaar tijdens officiële wedstrijden zoveel mogelijk ontwijken, hebben inmiddels al hun 150-jarig jubileum gevierd en blazen nog altijd een duchtig deuntje mee.

En aan het eind van Bokken En Geiten wordt er, gelukkig, ouderwets ‘zo’ne goeie hebben wij nog niet gehad’ gezongen. Waarbij de ene harmonie wereldkampioen is en de andere kampioen van het dorp. Terwijl dat nog niet zo lang daarvoor toch echt andersom was.

Bokken En Geiten is hier te bekijken.

Lenox Hill

Netflix

’Kevin is 28. Hij werkt in een restaurant in Brooklyn’, stelt neurochirurg David Langer de patiënt voor aan zijn collega’s. De jongen heeft een tumor in zijn hoofd en kan elk moment geopereerd worden. ‘Zijn prognose is het best als we alles weghalen.’ Na tien seconden stilte gaat het team aan de slag.

Weinig omgevingen vormen een vruchtbaarder decor voor documentaires dan een ziekenhuis. In elke kamer liggen de verhalen voor het oprapen. Van mensen die ziek, gewond of zwanger zijn en nodig geholpen moeten worden. Door artsen en verpleegkundigen die onder voortdurende hoogspanning werk van levensbelang doen. Waarbij de ‘uitslag’ op voorhand vaak nauwelijks is te voorspellen. Intussen moeten ze bovendien oog zien te houden voor de mens: de patiënt, hun collega’s én zichzelf. In zulke hachelijke omstandigheden laten mensen zien, of ze dat nu willen of niet, uit welk hout ze zijn gesneden.

Enter Lenox Hill (400 min.), een hospitaal in de New Yorkse Upper East Side, waar de filmmakers Ruthie Shatz en Adi Barash op de afdelingen Neurochirurgie, Spoedeisende Hulp en Verloskunde ruim anderhalf jaar lang vier artsen volgen, ook in hun privéleven. Dat levert indringende verhalen op, zoals de steeds terugkerende behandeling van de 41-jarige politieagente Mitzie uit Tennessee. Zij heeft al tien jaar een zeer gecompliceerde tumor, waaraan geen chirurg zijn vingers meer durft te branden. David Langer, hoofd van de afdeling neurochirurgie in Lenox Hill, en zijn collega’s gaan toch proberen om het probleem te verhelpen, via een reeks ingenieuze en riskante operaties. Het wordt een aangrijpende tocht langs hoop en wanhoop, waarvan de eindbestemming bepaald niet vaststaat.

Te midden van de vaak dramatische ontwikkelingen rond hun patiënten krijgen de artsen zelf ook het nodige te verstouwen. Zo treden er bij de prille zwangerschap van verloskundearts Amanda Little-Richardson complicaties op en is het nog maar de vraag of bij Mirtha Macri, haar hoogzwangere collega van Spoedeisende Hulp, een keizersnede kan worden voorkomen. Een directe collega van David Langer en zijn vakbroeder John Boockvar wordt intussen gediagnosticeerd met hoofd- en nekkanker. Kunnen de twee gedreven neurochirurgen hem helpen of zelfs redden? En dan is er ook nog zoiets banaals als ziekenhuispolitiek: waar gaat het geld naartoe en – typisch Amerikaans – kan Lenox Hill de concurrentie met andere ziekenhuizen aan?

Shatz en Barash exploreren de persoonlijke drijfveren van de artsen, zitten hen voortdurend dicht op de huid en dringen zo diep door in de parallelle wereld van het ziekenhuis, waar alle dagelijkse beslommeringen wegvallen en het echt op leven en dood aankomt. Ze laten daarbij alles zien, waarbij ook de operatiekamer niet wordt geschuwd. Dit resulteert in zéér expliciete, bloedige en persoonlijke scènes – op het ongemakkelijke af. Hoewel sommige passages daardoor het best met afgewend gezicht kunnen worden bekeken, laat deze serie vooral zien hoe de artsen werkelijk alles in het werk stellen om hun patiënten optimaal bij te staan. Lenox Hill ontwikkelt zich zo tot een bijzonder indringend pleidooi voor menselijke gezondheidszorg, dat uiteindelijk diepe sporen achterlaat bij de kijker.

In 2023 verscheen een soort opvolger van Lenox Hill: Emergency NYC.

Laurel Canyon: A Place In Time

In Laurel Canyon, een idyllisch deel van Los Angeles, hing magie in de lucht: de geest van de sixties waarde er rond en bracht zijn meest verlichte vertegenwoordigers mee. Ze vormden bands als The Byrds, Love, The Mamas & The Papas, Buffalo Springfield en The Doors. En de fotografen Henry Diltz en Nurit Wilde, de laissez-faire vertellers van dat historische verhaal, keken hun ogen uit en legden voor het nageslacht vast wat zij mochten zien.

Dit babyboomer-tweeluik van Alison Ellwood kijkt ook over de Love & Peace-schutting: de vallei vormde immers niet alleen een toevluchtsoord voor musicerende hippies. Ook Frank Zappa, The Monkees en Alice Cooper hielden er huis. Zodat het er niet te serieus en zoetsappig aan toe zou gaan in Laurel Canyon: A Place In Time (156 min.). En anders kwam Sadie Mae Glutz, één van de vooraanstaande leden van The Manson Family, wel even langs, met haar vriendje Bobby Beausoleil.

Niet veel later zouden deze twee betrokken raken bij de gruwelijke Tate- en LaBianca-moorden, die een rassenoorlog hadden moeten ontketenen. Ideetje van hun leider, de gesjeesde muzikant Charles Manson. Helter Skelter, juist. De oorlog in Vietnam en een volledig uit de hand gelopen concert van The Rolling Stones bij de Altamont-racebaan, waarbij de als beveiligers ingehuurde Hells Angels een zwarte concertganger doodden, zouden de geest van de vrijgevochten jaren zestig, perfect vervat in het nummer Woodstock van Joni Mitchell, vervolgens weer helemaal in de fles doen verdwijnen.

In Laurel Canyon, zo laat het tweede deel van deze verzorgde en ook wat brave documentaire zien, vond er intussen een wisseling van de wacht plaats, waarbij seventieshelden als Jackson Browne, The Flying Burrito Brothers, Bonnie Raitt, The Eagles en Linda Ronstadt het nieuwe decennium een countryfeel meegaven en zo een eigen hoofdstuk toevoegden aan de muziekgeschiedenis van dit glorieuze deel van de ‘City Of Angels’. Wat de rol van Laurel Canyon daarin was – en of de plek überhaupt echt een rol speelde – blijft daarbij een beetje ongewis.

Ellwood verweeft al die verhalen, off screen geduid door de direct betrokkenen, overigens soepeltjes met elkaar en geeft de bijbehorende muziek behoorlijk wat ruimte. Al lijkt haar selectie ook tamelijk willekeurig en zijn de meeste van die zo-maakten-wij-belangwekkende-muziek verhalen al eerder verteld. Een halve eeuw later lijkt het alsof de trip nostalgia naar de helden van Laurel Canyon nu wel vaak genoeg is gemaakt, dat déze tijdgeest even niet meer per se hoeft te worden opgeroepen. Oké, boomer?

Mr Gay Syria

‘Is er een behandeling voor dit soort mensen?’ vroeg hij anderen, als er een homo langsliep. ‘Waarom heeft Allah hem zo gemaakt? Kan hij echt niet worden genezen?’ Het antwoord was altijd hetzelfde: ‘Ja, als hij de Koran leest en besluit om te trouwen.’

Intussen zat Husein Sabat zelf ook in de kast. De 24-jarige Syrische kapper leefde als hetero en probeerde zichzelf wijs te maken dat die situatie wel oké was. Totdat hij er echt niet meer onderuit kon: hij was homo en wilde daar ook voor uitkomen. Dat was alleen niet mogelijk in eigen land.

In Istanboel, de hoofdstad van buurland Turkije, leeft hij nu zes dagen per week als homoseksuele man. Op dag zeven keert Husein terug naar huis, naar zijn vrouw, dochtertje en oerconservatieve familie. Zij weten van niets.

Dat broze evenwicht komt verder onder druk te staan als hij besluit mee te doen aan de wedstrijd Mr Gay Syria (52 min.). Als Husein wint, wordt hij uitgezonden naar de Mr. Gay World-verkiezing op Malta. En dat biedt hem wellicht de kans om definitief naar het ‘veilige’ Europa te verkassen.

Deze beklemmende film van Ayse Toprak vangt hoe Syrische gays zich noodgedwongen in de schaduw moeten ophouden en hoeveel lef ervoor nodig is om uiteindelijk tóch in de openbaarheid te treden, in de wetenschap dat er thuis mensen zijn die hen op de Koran laten zweren dat ze geen homo zijn en verder niemand hun veiligheid kan garanderen.

Zolang ze tenminste niet beschikken over een westers visum, het ‘verlaat de gevangenis, zonder te betalen’-kaartje dat slechts een enkeling gegeven is.

Virunga

Netflix

‘Het is belangrijk om op het beste te hopen’, zegt commandant Emmanuel de Merode tegen zijn manschappen. ‘Maar je op het ergste voor te bereiden.’ De Merode is geen opperbevelhebber van een leger dat is verwikkeld in een bloedige strijd, maar directeur van het Nationaal Park Virunga in Congo. Het uitgestrekte natuurpark, dat op de werelderfgoedlijst staat, bevindt zich voortdurend op de drempel van oorlog sinds er olie is gevonden.

De Westerse oliemaatschappij SOCO ruikt in elk geval geld en laat zich daarbij weinig gelegen liggen aan het feit dat er in het park berggorilla’s, een bijna uitgestorven diersoort, worden opgevangen. De situatie in Virunga (100 min.), in 2014 genomineerd voor een Oscar, is sowieso gespannen omdat het Congolese regeringsleger en de rebellen van M23 elkaar daar al een tijdje naar het leven staan. Intussen proberen alle partijen natuurlijk ook een centje over te houden aan de schimmige situatie.

Een medewerker van de olie-exploitant, betrapt met een verborgen camera door de jonge Franse onderzoeksjournaliste Mélanie Gouby, formuleert het eenvoudig: ‘Hoeveel is natuurbescherming waard? Hoeveel is olie waard?’ Diens gesprekspartner, de Britse huurling John, windt er al helemaal geen doekjes om: ‘Het is maar een aap waar het om gaat. Wie geeft er nu ook maar ene moer om zo’n kloteaap?’ Dat cynisme, gevoegd bij de explosieve plaatselijke situatie, kan alleen maar tot ellende leiden.

Terwijl de spanningen verder oplopen in deze meeslepende documentaire van Orlando von Einsiedel, moeten directeur De Merode en zijn gedreven Park Rangers het hoofd koel en hun gorilla’s in leven zien te houden. ‘Je moet voor jezelf rechtvaardigen waarom je hier op aarde bent’, stelt verzorger Andre Bauma daarover, terwijl hij zijn wapen schoonmaakt. ‘Gorilla’s rechtvaardigen mijn bestaan. Ik ben bereid om voor hen te sterven.’

Op zijn eigen manier vertegenwoordigt de man hoop in dit getroebleerde deel van Afrika, waar idealisme steeds machtswellust, bloeddorst en hebzucht op zijn pad lijkt te vinden.

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids

Wat komt er terecht van een kind dat opgroeit in de rosse buurt van de Indiase metropool Calcutta? De Britse fotografe Zana Briski, die in Sonagachi is gaan wonen om de aldaar werkzame prostituees te fotograferen, begint zich het lot van hun kroost aan te trekken. Ze deelt cameraatjes uit en stimuleert hen om hun eigen leefwereld vast te gaan leggen. Al snel brengen de kinderen mensen en plekken in beeld, die voor buitenstaanders doorgaans goed verborgen blijven. En laten ze ook steeds meer van zichzelf zien.

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids (83 min.), bekroond met een Oscar en talloze andere filmprijzen, geeft een bezielde impressie van het leven van deze opgroeiende jongens en meisjes in een omgeving, waar ruzie, drugsgebruik en geweld aan de orde van de dag zijn. De documentaire uit 2004 laat tevens zien hoe Briski, als een typische westerse weldoener, de levens van de kinderen probeert op te vrolijken met uitstapjes naar het strand en de dierentuin. En altijd gaan de cameraatjes weer mee.

Intussen doet Zana Briski, die deze film heeft geregisseerd met Ross Kauffman, serieuze pogingen om hen echt van een betere toekomst te verzekeren. Dat is nog geen sinecure. De meeste meisjes zijn bijvoorbeeld voorbestemd om ook in ‘het vak’ te belanden. Neem het uiterst aaibare meiske Kochi. Haar moeder kon niet voor haar zorgen. En haar vader stond op het punt om haar te verkopen. Alleen oma trekt zich haar lot aan. Welke kans heeft zo’n meisje om aan Sonagachi te ontsnappen?

Én: je kunt het kind wel uit het ‘red light district’ halen, maar haal je het ‘red light district’ daarmee ook uit het kind? Welke school accepteert überhaupt kinderen met zo’n achtergrond? Hoeveel goede intenties er ook schuilgaan achter deze film, en het bijbehorende project Kids With Cameras, het blijft de vraag of je als relatieve buitenstaander daadwerkelijk de levensloop van deze kinderen kunt bijsturen. Het lijkt onvermijdelijk dat in elk geval enkele meisjes die werden geboren in een bordeel daar ook ooit zal sterven.

Er is niet al te veel bekend over hoe het na de documentaire verder ging met de kinderen. In dit artikel van The Times Of India uit 2009 komen Preeti en Abhijit aan het woord. Ze zijn heel verschillend terecht gekomen.