Ronaldo

Netflix

Je moet er respect voor hebben dat Cristiano Ronaldo, dik in de dertig inmiddels, nog altijd niet de attitude van een volgevreten vedette heeft. Dat hij na Sporting Lissabon, Manchester United, Real Madrid en Juventus nog eenmaal wil gloriëren bij zijn oude liefde United. Dat hij daar gewoon nog topscorer wil worden. En dat hij zichzelf – en niet Lionel Messi! – stiekem misschien nog steeds de beste voetballer van de wereld vindt.

Je kunt er ook met enige afstand naar kijken: naar een man die zijn hele leven in het teken van één enkele ambitie heeft gesteld. Wie is hij (nog) zonder de bal? In Ronaldo (92 min.), een film van Anthony Wonke uit 2015, verwoordt hij het direct zo: ‘Winnen. Dat is voor mij het belangrijkst. Zo simpel is het.’ In de voorgaande jaren had hij moeten aanzien hoe Messi – hij weer! – vier jaar achter elkaar de Ballon d’Or won, de prijs voor de beste speler van de wereld. Dat kon Cristiano Ronaldo natuurlijk niet op zich laten zitten. ‘Ik ben gemaakt om de beste te zijn.’

Denkt hij echt zo? Is zo’n houding nodig om te kunnen komen tot topprestaties? Of bestendigt hij met dit soort oneliners vooral zijn imago van onaantastbare – en arrogante – held? Van de Ronaldo die we hebben leren kennen op het voetbalveld en via de media zou je eigenlijk een Leroy Sanétje verwachten, de voetballer die zijn eigen beeltenis levensgroot op zijn rug liet tatoeëren. Deze documentaire geeft evenwel geen definitief uitsluitsel: weerspiegelt Ronaldo’s image zijn identiteit of is dat vooral bedoeld als schild, om te kunnen (blijven) presteren?

Om te beginnen bij het wereldkampioenschap voetbal van 2014 in Brazilië, waar hij eigenlijk geblesseerd aan begint. Daar moet hij alleen zijn mond over houden. Anders gaat het nergens anders meer over in de media. En excuses, daar doet ‘CR7’ niet aan. Het toernooi dreigt na een 4-0 nederlaag in de openingswedstrijd tegen Duitsland uit te lopen op een deceptie, een smet op zijn blazoen. ‘Rustig aan, maak je niet druk’, probeert hij zijn moeder telefonisch gerust te stellen. ‘Het komt wel goed.’

Die zachtere kant van de ongenaakbare Portugese aanvaller toont zich in deze chique ogende film slechts mondjesmaat (en dan nog in een ogenschijnlijk zéér gecontroleerde vorm): wanneer hij meezingt met zijn lievelingsnummer, spreekt over de dood van zijn alcoholische vader of zelf als alleenstaande ouder zorgt voor zijn zoontje (waarvan hij overigens categorisch weigert om bekend te maken wie de moeder is).

Ook dan is de patser echter nooit ver weg. ‘Wil je niet net zo groot worden als papa?’, vraagt hij bijvoorbeeld aan Cristiano Jr. tijdens het ontbijt. Vader heeft duidelijk niet diens lichaamslengte voor ogen. Of hij laat het jongetje zoeken naar welk exemplaar tijdelijk ontbreekt in zijn privé-wagenpark. De Lamborghini, juist. Zo vertelt dit portret precies wat de protagonist kwijt wil – en veel meer dan hij zelf in de gaten heeft.

En dan moet er weer een Ballon d’Or uitgereikt worden en staat Ronaldo in de apotheose van de film letterlijk oog in oog met zijn grote rivaal, Messi.

Sir Alex Ferguson: Never Give In

Hij kan zich elk detail herinneren. De straat waarin hij werd geboren (Shieldhall Road). De dag waarop hij trouwde (12 maart 1966). En zelfs de reisagent die hij bij zijn eerste voetbalclub gebruikte (Harry ‘Disaster’ Hynds). Alles. Behalve de gebeurtenissen op 5 mei 2018. Op die dag kreeg Alex Ferguson een hersenbloeding. In een boekje schreef de voormalige manager van de Britse voetbalclub Manchester United naderhand alles op wat hij zich kon herinneren. Want dat geheugen was zijn alles. Zonder bestond hij, de levende legende, de man die ‘sir’ voor zijn naam mag plaatsen, helemaal niet meer.

Die ene dag waarop Fergusons complete bestaan op z’n kop werd gezet en de periode daarna, waarin hij weer vat probeerde te krijgen op het leven dat ooit van hem was, lopen als een rode draad door het gedragen portret Sir Alex Ferguson: Never Give In (108 min.) dat zijn zoon Jason Ferguson van hem maakte. Samen met zijn vrouw en drie kinderen blikt de nurkse Schot terug op de dag dat hij, de archetypische bikkelharde manager, ook maar een gewoon mens bleek te zijn. Hij lijkt er milder op te zijn geworden, op het eerste gezicht niet meer de rücksichtslose bullebak die altijd met scherp schoot als iets hem niet zinde.

Legendarisch is in dat verband zijn bijtende reactie na de Schotse bekerfinale van 1983, waarin hij met Aberdeen had gewonnen van Glasgow Rangers, de club die ooit zijn grote jeugdliefde was en die hem later als speler genadeloos afdankte. Ferguson was ondanks de winst woest over de slechte performance van zijn elftal. ‘Ging het je om het beste team van Schotland zijn?’ wil Jason bijna veertig jaar later weten. ‘Of was het je om het vernederen van de Rangers te doen? Pa maakt van zijn hart geen moordkuil: ‘Ik wilde het mes in ze steken.’

Ferguson kreeg het imago van een coach die er ook bij zijn eigen ploeg maar wat graag de zweep over legde. Geen vaderfiguur die met een aai over de bol twijfelaars over de streep trekt. Die leiderschapsfilosofie hangt hij nog steeds aan: elk klein dingetje dat je door de vingers ziet, kan je uiteindelijk de kop kosten, zo is zijn stellige overtuiging. Het is een killersmentaliteit, die hem een overvolle prijzenkast heeft bezorgd. Daar wordt in deze film overigens relatief weinig aandacht aan besteed. Zoals er ook weinig oud-spelers en trainers aan het woord komen. Gordon Strachan, Ryan Giggs en Eric Cantona, dat is ‘t wel zo’n beetje.

Vader en zoon Ferguson houden het liever klein en verwijzen gedurig naar de arbeidersachtergrond van de topcoach, die wordt verbeeld met lyrische shots van werkers in de scheepswerf van de Glasgowse volkswijk Govan, waaronder Alex’s eigen vader, die zich een leven lang het schompes moesten werken. Daar ligt volgens hen de sleutel naar zijn succes. Die thematiek zit ook vervat in de climax van de film, de roemruchte Champions League-finale van 1999, waarin het team dat de coach en persoon Alex Ferguson het beste representeerde voor de poorten van de hel de overwinning wegsleept tegen Bayern München. 

Deze zwaarbevochten cup zal het hoogtepunt worden van een imposante trainersloopbaan, die in het Verenigd Koninkrijk niet licht zal worden vergeten en waarvan de hoofdpersoon nog steeds elk detail probeert vast te houden.

Finding Jack Charlton

‘Dat ben ik’, zegt de oudere man tegen zijn kleindochter als hij zichzelf op het televisiescherm ziet. ‘Dat ben ik. En ik herinner me er niets van.’ Samen met zijn gezin kijkt Jack Charlton naar oude beelden van hoe hij, en zijn onafscheidelijke pet, het één of andere kasteel aanprijst. Hij was decennialang een Bekende Brit: eerst als voetballer van Leeds United en het Engelse nationale elftal, later als coach, met name van Engelands grote rivaal Ierland.

En nu weet hij daar weinig meer van. Charlton is ten prooi gevallen aan dementie, een aandoening die voetballers van zijn generatie gemiddeld drie tot vijf keer zo vaak treft. Als gevolg van de kopduels die hij als boomlange verdediger, bijgenaamd ‘de Giraffe’, jarenlang uitvocht op ‘s werelds velden, zo is de veronderstelling. Samen met zijn meer getalenteerde jongere broer Bobby, met wie hij een moeizame relatie onderhield, werd Jack Charlton in 1966 wereldkampoen met het Engelse nationale voetbalelftal. Dat zijn teamgenoot Geoff Hurst een hattrick scoorde in de finale is hem echter allang ontglipt.

De delicieuze sportdocu Finding Jack Charlton (97 min.) is opgebouwd rond zijn periode als coach van het Ierse elftal, dat hij zelfvertrouwen gaf en eindelijk succes bracht. De opmars van het nationale voetbalteam aan het begin van de jaren negentig fungeerde als vliegwiel voor een nieuw zelfbewustzijn, stellen prominente Ieren als schrijver Roddy Doyle, U2-drummer Larry Mullen en de voormalige Taoiseach Bertie Ahern. Dat had namelijk een flinke deuk opgelopen tijdens ‘The Troubles’ in Noord-Ierland. Charlton, een Engelsman nota bene, bracht het elan terug. Hij werd zo een heuse volksheld, die als eerbetoon zou worden uitgeroepen tot ereburger. Net als Nelson Mandela. ‘De Kennedy-familie, moeder Teresa’, somt zijn oudste zoon John op, waarna hij naar zijn vader kijkt. ‘En dan heb je hem.’

‘s Mans werkwijze wordt in deze documentaire van Gabriel Clarke en Pete Thomas verbeeld via een pilaar waarop alle briefjes die Charlton als coach volkalkte zijn bevestigd. ‘You reap what you sow’, staat er bijvoorbeeld op. ‘Never assume they know and understand.’ En: ‘Be a dictator, but be a nice one.’ Bij dat laatste parasiteerde hij zonder enige twijfel op zijn heerlijke gevoel voor humor. Daarmee nam hij alles en iedereen voor zich in, zo kunnen voormalige pupillen als Paul McGrath, Niall Quinn en Pat Bonner bevestigen. Voor ‘the boss’, hoe eigenzinnig en koppig die ook kon zijn, gingen ze door het vuur.

En op basis van dit puntgave portret van Jack Charlton, een authentiek ‘character’ dat tot zijn dood op 10 juli jongstleden trouw bleef aan zichzelf, is dat niet meer dan logisch. De man mocht zichzelf dan langzaam maar zeker vergeten, dit betekent niet dat hij ook wordt vergeten.

Rio Ferdinand: Being Mum And Dad

BBC

Zoals het een (voormalige) topvoetballer betaamt, heeft hij van zijn naam een soort merk gemaakt. Rio Ferdinand, de onverstoorbare verdediger van Manchester United die 81 interlands speelde voor Engeland en met zijn club zes keer landskampioen werd en één keer de Champions League won. Het type man dat niet mag huilen, zou je zeggen.

In de rechttoe rechtaan documentaire Rio Ferdinand: Being Mum And Dad (56 min.) zien we de mens achter het voetbalicoon. Een bijna-veertiger, die verder probeert te gaan nadat zijn vrouw Rebecca in 2015 is bezweken aan de gruwelijke ziekte met de K. Ineens moet Ferdinand, in zijn eigen woorden, zowel mama als papa zijn voor z’n drie opgroeiende kinderen.

Het is ongelofelijk dapper zoals hij dat proces van rouwverwerking voor de camera aangaat. De gewezen topsporter laat zich in therapiesessies en gesprekken met lotgenoten van zijn kwetsbaarste kant zien. Getuige deze aangrijpende film wil Rio Ferdinand het type man zijn dat wel degelijk zijn emoties mag laten zien. Zelfs in het openbaar.

Afgelopen week maakte Ferdinand bekend dat die K-ziekte opnieuw een slachtoffer heeft gemaakt in zijn familie: Rio’s moeder Janice overleed op 58-jarige leeftijd.