Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.

The Trump Show

VPRO

Geen dankbaarder object – of doelwit – dan Donald Trump. Ook, of juist, in documentaires. En zoals je naar zijn Russische tegenhanger Vladimir Poetin kunt kijken vanuit de invalshoek van de eeuwige spion (zoals onlangs gebeurde in de miniserie: Putin: A Russian Spy Story), zo kun je Trump natuurlijk bezien als het gematerialiseerde reality-programma: The Trump Show (164 min.).

In deze driedelige docuserie komen, behalve enkele journalisten en politieke insiders, vooral de mensen aan het woord, die op de aftiteling van Trump’s reality show staan of hebben gestaan: persoonlijk advocaat Rudy Giuliani, strateeg Steve Bannon, stafchef Mick Mulvaney, campagnemedewerker Sam Nunberg, veiligheidsadviseur John Bolton en directeur communicatie Anthony Scaramucci. Enne… pornoster Stormy ‘Trump picked the wrong person to fuck with’ Daniels, met wie hij een affaire zou hebben gehad.

Het verhaal van Trumps turbulente opkomst en eerste ambtstermijn mag inmiddels bekend worden verondersteld. Veel roddels en achterklap zijn ook al eerder uitgelekt. En toch biedt deze making of van de reality show nog nieuwe inkijkjes. Witte Huis-medewerker Omarosa Manigault Newman, die Trump nog kent van het tv-programma The Apprentice, vertelt bijvoorbeeld dat de samenstelling van zijn regering een soort casting werd: met mannen die vooral op hun uiterlijk en imago werden geselecteerd.

En niet zonder resultaat. ‘Mensen onderschatten Trump, met negatieve gevolgen voor henzelf’, meent BBC-correspondent Jon Sopel. ‘Hij begrijpt theater en entertainment. En hij snapt politiek als vorm van entertainment.’ Geef het volk dus brood en spelen. Méér dan het kan verteren. Dat lijkt vanaf dag één het parool van het kijkcijferkanon. Daarover kan zijn voormalige woordvoerder Sean Spicer meepraten. Direct na Trumps inauguratie kreeg hij de opdracht om ‘alternative facts’ over het aantal bezoekers bij de inauguratie te verdedigen. ‘De ergste dag van mijn leven’, bekent hij nu.

En de eerste van een doldwaas schouwspel, dat zich nu al vier tumultueuze jaren voor het oog van de wereld voltrekt en dat hier, opgeleukt met beurtelings vette, cheesy en kekke muziek nog eens zwierig wordt opgedist. Via Russiagate, het impeachmentproces en de Black Lives Matters-demonstratie belandt de reality-held uiteindelijk bij zijn grootste uitdaging tot dusver: het Coronavirus. Dat resulteert in een genadeloze cliffhanger als ‘the chosen one‘ wordt ontslagen uit het ziekenhuis, nadat ook hij besmet is geraakt, en op het bordes van Het Witte Huis met een dramatisch gebaar zijn mondkapje afdoet. Komt hij terug voor nóg een seizoen?

Ademloos kijkt het grote publiek ook nu weer toe. Deze documentaireserie van Rob Coldstream is daarmee tevens confronterend als het gaat om wie wij zijn (geworden): wezens die zitten vastgelijmd aan een apparaat dat continu nieuws, ongein en schandalen ophoest. En geen betrouwbaardere leverancier dan Trump. Elke dag, elk uur, elke minuut als het moet. Love it or hate it, het is een show die geen mens, hoe Trump-moe hij of zij ook zegt te zijn, uiteindelijk wil missen.

Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgenomen. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

Gimme Shelter


Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’

Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.

Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.

Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.

Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane, nog altijd te zien op Netflix, van Brett Morgen.

Faithfull


‘I sit and watch as tears go byyy-hyyy-hyy-hyyy.’ Dat catchy refrein, speciaal voor haar geschreven door Mick Jagger en Keith Richards, raakt ze nooit meer kwijt. Marianne Faithfull, de onwillige (?) hoofdpersoon van dit traditioneel opgezette en met veel fraai archiefmateriaal aangeklede portret, zingt ’t ruim een halve eeuw later nog steeds.

Van het bevallige en brave meisje, dat in 1964 werd gelanceerd door de gewiekste Rolling Stones-manager Andrew Loog Oldham, is echter weinig meer over. De tranen hebben een spoor door haar leven en gezicht trokken. De gemakkelijke verklaring daarvoor is Mick Jagger, de man aan wie ze eerst vol-le-dig verslingerd raakte en daarna he-le-maal kapot ging. Totdat ze als de eerste de beste junk op een hoek van de straat belandde.

Sister Morphine, het nummer dat zij schreef en dat The Stones bekend maakten, is echter niet autobiografisch, zo bezweert ze in het wat brave Faithfull (61 min.) van de Franse actrice/regisseuse Sandrine Bonnaire. Na Jagger raapte ze zichzelf bij elkaar en vervolgde haar pad als een vrouw van het leven, met zwaar doorrookte stem en meer dan genoeg levenservaring voor een interessant muzikaal oeuvre.