Spector

Showtime

‘Het was een foutje’, zegt de heer des huizes als politieagenten in zijn privékasteel in het Californische Alhambra een dode vrouw aantreffen. ‘Ik begrijp niet wat er in godsnaam mis is met jullie. De revolver ging per ongeluk af. Oh, God!’ Het is 3 februari 2003, de dag waarop het leven van Phil Spector (1939-2021) definitief een dramatische wending zal nemen. De legendarische producer van The Righteous Brothers, Ike & Tina Turner, The Beatles/John Lennon, Leonard Cohen en The Ramones wordt ingerekend en zal de rest van zijn leven in de gevangenis doorbrengen.

Vijf weken voor de dood van Lana Clarkson gaf de excentrieke kluizenaar Spector (207 min.) nog een onthullend interview aan journalist/biograaf Mick Brown. De tapes daarvan, en Brown zelf, fungeren nu als ruggengraat voor deze vierdelige docuserie van Sheena M. Joyce en Don Argott, waarin ook (voor hem ogenschijnlijk inwisselbare) performers die ooit mochten excelleren op zijn imposante Wall Of Sound, zoals Carol Connors (The Teddy Bears), La La Brooks (The Crystals), Nedra Talley-Ross (The Ronettes) en Darlene Love (The Blossoms), een bijdrage leveren.

Behalve mensen uit Spectors directe (werk)omgeving, waaronder ook zijn dochter Nicole, zoomt deze miniserie met haar moeder Donna en allerlei vrienden tevens in op de vrouw die door hem de dood vindt. Van een zielloos slachtoffer, consequent weggezet als ‘B-film actrice’, wordt Lana Clarkson weer een mens van vlees en bloed. Hetzelfde geldt eigenlijk voor Phil Spector zelf, een man die doorgaans wordt geportretteerd als een geniale en gevaarlijke gek. Joyce en Argott vinden in hem een kwetsbaar en labiel mens, dat al op heel jonge leeftijd ernstig werd beschadigd.

De titel To Know Him Is To Love Him, zijn allereerste hit met de groep The Teddy Bears, blijkt bijvoorbeeld gebaseerd op het grafschrift van zijn vader, die een einde aan zijn leven maakte toen Phil negen was. Net als zijn zus Shirley zou hij zelf de rest van zijn leven kampen met serieuze psychische problemen, zoals paranoia en manische en depressieve perioden, en afhankelijk raken van medicatie. Wanneer hij daarbij begint te drinken, zoals in de periode waarin hij Lana Clarkson min of meer dwong om nog even een drankje bij hem te doen, kan het zomaar he-le-maal fout gaan.

Spector richt zich met name op de moord en de navolgende rechtszaak, waarbij er nog een bijzondere rol is weggelegd voor filmmaker Vikram Jayanti die in deze periode de hele fijne documentaire The Agony And Ecstacy Of Phil Spector (2009) maakte. ‘Ik kan me herinneren dat hij zei dat de rechter niet wilde dat hij muziek zou laten horen of zou praten over zijn muziekcarrière tijdens de rechtszaak, omdat dit niets te maken had met die nacht’, vertelt Jayanti over Phil Spector. ‘Tijdens de rechtszaak dacht hij: als deze mensen mijn muziek maar konden horen, dan zou ik hier niet zitten.’

Het is typisch zo’n verhaal geworden dat louter verliezers kent. ‘Zij wordt nog altijd enorm gemist’, zegt één van Clarksons vrienden geëmotioneerd. Tegelijkertijd vraagt Mick Brown zich in deze genuanceerde, afgewogen en uiteindelijk ook aangrijpende miniserie af: ‘Wordt hij herinnerd vanwege You’ve Lost That Lovin’ Feeling en Be My Baby of voor het vermoorden van Lana Clarkson?’ Volgens Spectors dochter Nicole kunnen we gewoon plezier aan zijn oeuvre blijven beleven. ‘Hij bracht muziek vanuit de hemel in onze wereld’, zegt zij. En: ‘Ik kan alleen zeggen is: to know him is to love him.’

The Rolling Stones: Crossfire Hurricane

Na het succes van The Beatles werden ze door manager Andrew Loog Oldham doelbewust gemodelleerd tot anti-Beatles. Elk goed verhaal heeft immers helden en antihelden nodig. Goeieriken en slechteriken. En The Rolling Stones waren begin jaren zestig best bereid om zich het imago van ‘bad boys’ aan te meten en eens lekker rotzooi te gaan trappen.

In de audio-interviews die documentairemaker Brett Morgen, ter gelegenheid van het vijftigjarige jubileum van de band in 2012, had met alle groepsleden, inclusief voormalig gitarist Mick Taylor en oud-bassist Bill Wyman, halen ze met liefde en plezier herinneringen op aan hoe concerten steevast uit de hand liepen, tienermeisjes daarbij soms van opwinding in hun broek plasten en ze zelf na afloop regelmatig moesten rennen voor hun leven. Intussen gaven met name Mick Jagger en Keith Richards hun ogen goed de kost bij (zwarte) Amerikaanse vakbroeders, zodat ze al snel artistiek geheel op eigen benen konden staan. De basis voor een lange, lánge, carrière was daarmee gelegd.

Ruim een halve eeuw later laat The Rolling Stones: Crossfire Hurricane (111 min.) de permanente beroering van die beginjaren herleven – terwijl ook meteen helder wordt dat The Stones nooit een serieuze bedreiging voor de gevestigde orde zijn geweest. Deze film, waarvoor Brett Morgen de beschikking kreeg over een enorme collectie (nog niet eerder opgediept) archiefmateriaal, concentreert zich volledig op de eerste twintig jaar uit de bandhistorie, waarbij ijkpunten zoals hun steeds terugkerende problemen met het gezag vanwege drugsbezit, de tragische dood van oprichter Brian Jones en het gigantische debacle van Altamont natuurlijk niet mogen ontbreken. Die brengen de band ook langzaam maar zeker naar de rand van de afgrond.

Totdat, zo wil in elk geval het verhaal, nieuwe gitarist Ron Wood halverwege de jaren zeventig de boel revitaliseert en Richards, jarenlang op nummer 1 in rock’s dodenlijst, zijn inname van dope besluit in te perken. Dan begint de machine weer op volle kracht te draaien. ‘The Stones waren van de meest gehate band de meest geliefde band geworden’, zegt Mick Jagger over de remonte die zijn groep heeft doorgemaakt. ‘Van onacceptabel tot totaal acceptabel.’ Voor ‘the greatest rock n’ roll band on earth’ is zo’n constatering eigenlijk de dood in de pot. Gelukkig heeft Brett Morgen tegen die tijd – met fraai en straf gemonteerd concertmateriaal, waaronder klassiekers als Jumpin’ Jack Flash, Sympathy For The Devil en het onvermijdelijke (I Can’t Get No) Satisfaction – allang de daadkracht, energie en opwinding van de band in z’n absolute hoogtijdagen weten te vangen.

My Life As A Rolling Stone

Videoland / BBC

Interessant idee: de geschiedenis van The Rolling Stones aan de hand van portretten van de individuele bandleden. Eerst Mick, daarna Keith, Ronnie en (wijlen) Charlie. Maar, zo vraag je je dan meteen af, loopt dan ook niet langzaam de lucht uit de serie? De kern zit immers bij het songschrijversduo The Glimmer Twins: zanger Jagger en gitarist Richards. Welnu, the proof of the pudding is in the eating: de vierdelige miniserie My Life As A Rolling Stone (236 min.).

Allereerst: die portretten zijn eigenlijk heel aardig, ook al graven ze niet enorm diep. Ze bevestigen vooral de oerbeelden die je al hebt van de bandleden en voegen hier en daar saillante details toe: Mick als zakelijke hart van de band, Keith als muzikale geweten. ‘Nieuweling’ Ronnie die halverwege de jaren zeventig de lol terugbrengt, Keiths gitaarbroertje wordt en een echte verbinder blijkt. En Charlie, de onverstoorbare jazzdrummer die per ongeluk ruim een halve eeuw in een rock & rollband verzeild is geraakt.

Oud-bandleden komen er intussen bekaaid vanaf in deze serie van Sam Anthony: oprichter en zelfverklaard bandleider Brian Jones duikt hier en daar zijdelings in het verhaal op, tweede gitarist Mick Taylor komt vooral via zijn vertrek ter sprake en de naam Bill Wyman, toch een slordige dertig jaar bassist van The Stones, valt zelfs (vrijwel) helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de tweede helft van de zes decennia die de Britse rockband nu al actief is. Die heeft muzikaal natuurlijk ook niet al te veel opgeleverd.

Verder loodst actrice Sienna Miller de kijker geroutineerd door de vier levensverhalen heen. Ze wordt, buiten beeld, in de rug gedekt door grootheden als Tina Turner, Rod Stewart, Jon Bon Jovi, Sheryl Crow, Lars Ulrich, Tom Waits, Chrissie Hynde en Brian Johnson. Aardiger nog zijn de bijdragen vanuit de entourage van de band, zoals achtergrondzanger Bernard Fowler, geluidstechnicus Glyn Johns, Richards’ gitaartechnicus Pierre de Beauport en de designer van het befaamde tonglogo, John Pasche.

Gezamenlijk voegen zij kleur en detail toe aan het welbekende bandverhaal, bijvoorbeeld over Mick Jaggers vermarkting van de groep, zijn bittere conflicten met Richards en Ronnie Woods aanhoudende drank- en drugsproblemen. Die nopen uiteindelijk nota bene Keith Richards – zelf jarenlang nummer één op de lijst van verwachte rockdoden – om in te grijpen. Wel een kwestie van ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’, aldus de gitaargod die echter weigert om zijn maatje verloren te laten gaan.

En het laatste deel, een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Charlie Watts (1941-2021), is zowaar inderdaad een prima afsluiting, waarvoor de deuren letterlijk opengaan. Bij ‘s mans kleermaker, in Watts’ hoofd (waarin gedurig dwangstoornissen opspeelden en een midlifecrisis hem op latere leeftijd nog opzadelde met een heroïneverslaving, die volgens Keith niet bij hem paste) en van zijn imposante privéarchief (een opslagruimte met gewilde drumattributen, die ooit een museumcollectie moeten gaan vormen).

My Life As A Rollling Stone wordt zo een alleraardigst (zelf)portret van ‘the greatest rock n’ roll band on earth’, die nu toch zo langzamerhand echt, écht!, is aanbeland in de eindfase van zijn periode op aarde. En daarna zijn er nog altijd de verhalen en – natuurlijk, ook in deze miniserie niet te versmaden en met smaak opgediend – dat imposante songboek.

Schumacher

Netflix

Nee, ramptoeristen die willen weten – en zien! – hoe het nu met Michael gaat, hebben bij Schumacher (112 min.) niets te zoeken. Deze documentaire van Hanns-Bruno Kammertöns, Vanessa Nöcker en Michael Wech richt zich volledig op ’s mans imposante carrière binnen de Formule 1, waarin hij uiteindelijk zeven wereldtitels en talloze records verzamelde. Schumachers huidige leven – in nevelen gehuld, sinds hij eind 2013 bij een skiongeluk ernstig hersenletsel opliep – blijft volledig buiten beeld.

De film start begin jaren negentig als de voormalige karter Michael Schumacher zich als jonge jongen, ogenschijnlijk vanuit het niets, meldt tussen de grote mannen van het métier, zoals Alain Prost, Nigel Mansell en regerend kampioen Ayrton Senna. Vanaf het begin vormt de Duitse nieuwkomer een bedreiging voor de hegemonie van de Braziliaanse superster. De rivaliteit tussen de twee geboren winnaars zal naar ongekende hoogte oplopen.

Totdat Senna met een dodelijk ongeluk – vanzelfsprekend ook een belangrijk plotpoint in deze documentaire – letterlijk de weg vrijmaakt voor de man die ooit nog posters van hem op zijn jongenskamer had hangen. Het is een wrang voorbeeld van het aloude adagio: De koning is dood, lang leve de koning. Dit blijkt overigens wel een bijzondere vorst. Als tweevoudig wereldkampioen maakt hij enkele jaren later bijvoorbeeld de overstap naar een team dat al sinds 1979 geen winnaar meer heeft afgeleverd, het Italiaanse Ferrari.

Schumacher had last van ‘paranoïde perfectiedrang’ volgens zijn collega Mark Webber, één van de vele Formule 1-insiders in dit psychologische portret van de toonaangevende racer van zijn tijd. Hij reed vooral tegen zichzelf. ‘Heb ik vandaag genoeg gedaan? Wil ik meer doen? Hoe schakel ik tegenstanders uit? Wat moet ik doen om de belangrijkste coureur te blijven?’ Schumacher wilde altijd controle hebben en kon het volgens F1-baas Bernie Ecclestone dan ook nauwelijks accepteren als hij iets fout had gedaan.

Het beeld van een man die soms nét – of gewoon: veel – te ver ging voor een overwinning wordt in deze enerverende sportfilm op op talloze manieren geïllustreerd door teamgenoten en concurrenten zoals Mika Häkkinen, Damon Hill, Eddie Irvine en David Coulthard. Zijn vader Rolf, broer Ralf, vrouw Corinna en kinderen Gina en Mick belichten dan weer vooral de zachte kant van ‘Schumi’: een familiemens met oog voor alles en iedereen om hem heen, een ongegeneerd feestbeest en een man die zich desondanks niet gemakkelijk echt openstelde voor anderen.

Het is onvermijdelijk dat sommige sprekers in de verleden tijd spreken over Michael Schumacher. Simpelweg omdat ze hem al een aanzienlijke periode niet meer hebben gezien. Of omdat de Michael Schumacher waarover zij spreken niet meer bestaat. ‘Het is nooit bij me opgekomen dat Michael iets kon overkomen’, vertelt Corinna. Nadat hij zijn raceautosleutels definitief had ingeleverd, leek er ook geen reden meer te zijn voor zorgen over de mogelijke gevaren van zijn levensstijl. En toen was er dat ongeluk op die skipiste in het Franse Méribel.

De man die nog niet zo lang geleden de Formule 1 beheerste leeft nu een klein leven, te midden van de mensen die hem lief hebben. ‘Michael heeft ons altijd beschermd’, zegt zijn echtgenote daarover ferm. ‘En nu beschermen wij hem.’

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.

The Trump Show

VPRO

Geen dankbaarder object – of doelwit – dan Donald Trump. Ook, of juist, in documentaires. En zoals je naar zijn Russische tegenhanger Vladimir Poetin kunt kijken vanuit de invalshoek van de eeuwige spion (zoals onlangs gebeurde in de miniserie: Putin: A Russian Spy Story), zo kun je Trump natuurlijk bezien als het gematerialiseerde reality-programma: The Trump Show (164 min.).

In deze driedelige docuserie komen, behalve enkele journalisten en politieke insiders, vooral de mensen aan het woord, die op de aftiteling van Trump’s reality show staan of hebben gestaan: persoonlijk advocaat Rudy Giuliani, strateeg Steve Bannon, stafchef Mick Mulvaney, campagnemedewerker Sam Nunberg, veiligheidsadviseur John Bolton en directeur communicatie Anthony Scaramucci. Enne… pornoster Stormy ‘Trump picked the wrong person to fuck with’ Daniels, met wie hij een affaire zou hebben gehad.

Het verhaal van Trumps turbulente opkomst en eerste ambtstermijn mag inmiddels bekend worden verondersteld. Veel roddels en achterklap zijn ook al eerder uitgelekt. En toch biedt deze making of van de reality show nog nieuwe inkijkjes. Witte Huis-medewerker Omarosa Manigault Newman, die Trump nog kent van het tv-programma The Apprentice, vertelt bijvoorbeeld dat de samenstelling van zijn regering een soort casting werd: met mannen die vooral op hun uiterlijk en imago werden geselecteerd.

En niet zonder resultaat. ‘Mensen onderschatten Trump, met negatieve gevolgen voor henzelf’, meent BBC-correspondent Jon Sopel. ‘Hij begrijpt theater en entertainment. En hij snapt politiek als vorm van entertainment.’ Geef het volk dus brood en spelen. Méér dan het kan verteren. Dat lijkt vanaf dag één het parool van het kijkcijferkanon. Daarover kan zijn voormalige woordvoerder Sean Spicer meepraten. Direct na Trumps inauguratie kreeg hij de opdracht om ‘alternative facts’ over het aantal bezoekers bij de inauguratie te verdedigen. ‘De ergste dag van mijn leven’, bekent hij nu.

En de eerste van een doldwaas schouwspel, dat zich nu al vier tumultueuze jaren voor het oog van de wereld voltrekt en dat hier, opgeleukt met beurtelings vette, cheesy en kekke muziek nog eens zwierig wordt opgedist. Via Russiagate, het impeachmentproces en de Black Lives Matters-demonstratie belandt de reality-held uiteindelijk bij zijn grootste uitdaging tot dusver: het Coronavirus. Dat resulteert in een genadeloze cliffhanger als ‘the chosen one‘ wordt ontslagen uit het ziekenhuis, nadat ook hij besmet is geraakt, en op het bordes van Het Witte Huis met een dramatisch gebaar zijn mondkapje afdoet. Komt hij terug voor nóg een seizoen?

Ademloos kijkt het grote publiek ook nu weer toe. Deze documentaireserie van Rob Coldstream is daarmee tevens confronterend als het gaat om wie wij zijn (geworden): wezens die zitten vastgelijmd aan een apparaat dat continu nieuws, ongein en schandalen ophoest. En geen betrouwbaardere leverancier dan Trump. Elke dag, elk uur, elke minuut als het moet. Love it or hate it, het is een show die geen mens, hoe Trump-moe hij of zij ook zegt te zijn, uiteindelijk wil missen.

Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgepakt. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

Gimme Shelter


Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’

Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.

Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.

Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.

Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane van Brett Morgen.

Faithfull


‘I sit and watch as tears go byyy-hyyy-hyy-hyyy.’ Dat catchy refrein, speciaal voor haar geschreven door Mick Jagger en Keith Richards, raakt ze nooit meer kwijt. Marianne Faithfull, de onwillige (?) hoofdpersoon van dit traditioneel opgezette en met veel fraai archiefmateriaal aangeklede portret, zingt ’t ruim een halve eeuw later nog steeds.

Van het bevallige en brave meisje, dat in 1964 werd gelanceerd door de gewiekste Rolling Stones-manager Andrew Loog Oldham, is echter weinig meer over. De tranen hebben een spoor door haar leven en gezicht trokken. De gemakkelijke verklaring daarvoor is Mick Jagger, de man aan wie ze eerst vol-le-dig verslingerd raakte en daarna he-le-maal kapot ging. Totdat ze als de eerste de beste junk op een hoek van de straat belandde.

Sister Morphine, het nummer dat zij schreef en dat The Stones bekend maakten, is echter niet autobiografisch, zo bezweert ze in het wat brave Faithfull (61 min.) van de Franse actrice/regisseuse Sandrine Bonnaire. Na Jagger raapte ze zichzelf bij elkaar en vervolgde haar pad als een vrouw van het leven, met zwaar doorrookte stem en meer dan genoeg levenservaring voor een interessant muzikaal oeuvre.