Oorlogskinderen

WNL

Een vingerhoedje spuug zet hen hopelijk op het spoor naar hun oorsprong. Want wie hun vader was – een Duitse soldaat of toch een bevrijder uit de Verenigde Staten, Frankrijk of Canada – dat is altijd ongewis gebleven. Adri, Marcel, Ans en Trudy zijn de zeventig inmiddels ruimschoots gepasseerd, maar zijn toch altijd Oorlogskinderen (53 min.) gebleven.

Gedefinieerd door de Tweede Wereldoorlog of het einde daarvan, de uitbundig gevierde Bevrijding. Al was dat niet altijd direct duidelijk. Voor henzelf, tenminste. Soms leek iedereen er al vanaf te weten. Iedereen, behalve zij, het product van dat ene moment van geluk of opwinding, nu alweer zo lang geleden. En dus geven ze hun erfelijk materiaal aan een heuse DNA-detective, Els Leijs uit Bussum. Via stamboomonderzoek probeert zij hun familieleden te achterhalen – en de man die hen op de wereld zette en er, soms ongewild, ook weer achterliet.

De filmmakers Eric van den Berg en Bram Endedijk doorsnijden de pogingen van de oorlogskinderen om klaarheid te krijgen over hun wortels met ingesproken getuigenissen van buitenlandse militairen, Duitse soldaten en vaderlandse meisjes over hun ervaringen tijdens de oorlog. Zo wordt het bezette Nederland, het zwart-witte decor van hun conceptie, overtuigend tot leven gewekt. De nadruk ligt echter op de persoonlijke verhalen en zoektocht van de verweesde volwassenen, die stuk voor stuk tot de verbeelding spreken.

In het geval van Adri Goedegebuure uit Middelburg, verwekt rond de Bevrijding van Walcheren, leidt het spoor bijvoorbeeld naar Frankrijk, waar directe familie wacht. Andere participanten zijn minder fortuinlijk. Hun verhalen komen mede daardoor ook wat minder uit de verf. Wat al die lotgevallen van Oorlogskinderen, stijlvol verfilmd en begeleid door gedragen vioolmuziek, echter nog eens heel duidelijk onderstrepen, is hoe belangrijk bloedbanden zijn, ook als je ‘een kind van die rotmoffen’ bent. Want familie, juist omdat je die niet zelf kunt uitkiezen, definieert toch wie je bent.

Ceres

EO

Het Zeeuwse land wordt in handen van filmmaker Janet van den Brand een geborgen wereld waar mens, dier en plant op natuurlijke wijze samenleven. Van den Brand observeert een beschutte agrarische gemeenschap tijdens het oogstseizoen. Via vier kids die op één van de afgelegen boerderijen opgroeien, met de ambitie om, als vanzelfsprekend, het familiebedrijf op termijn over te nemen.

Elke vorm van moderniteit, op een enkele boerengame en filmpjes van tractor pulling na, blijft achterwege in Ceres (54 min.). Van den Brand, zelf opgegroeid in Zeeland, kijkt mee als de kids appels en peren plukken, een vogel kortwieken of helpen als er een haan moet worden geslacht, die vervolgens gezamenlijk wordt gevild en uitgebeend. Uit alles spreekt een vanzelfsprekende relatie met het land en dit leven.

Door Van den Brands filmische benadering, het weldadige camerawerk van haar vriend Timothy Josha Wennekes (met veel close-up shots en nóg meer oog voor detail) en het levendige geluidsdecor van Tim Taeymans wordt deze film welhaast een zintuiglijke ervaring. Een ode aan de agrarische sector, zou je kunnen zeggen. Zonder een dwingende narratief, maar met een natuurlijke orde waarbinnen nieuw leven en de dood elkaar, als vanzelfsprekend, afwisselen.

Toch sijpelt zo nu en dan door dat die vanzelfsprekendheid niet meer zo vanzelfsprekend is als ooit. De volgende generatie boeren mijmert ook openlijk over de vrijheid van Australië, Canada of Nieuw-Zeeland. Want: ‘hierzo verdrink je bijna in al die regels’. En kan Ceres, de Godin van de landbouw, dus niet meer geheel onbevangen aanbeden worden.

RK Veulpoepers BV, De Hippies Van Beek

‘De naam Veulpoepers?’ vraagt zanger Zjef Naaijkens met Brabantse tongval en kenmerkende humor. ‘Eigenlijk betekent dat de Veulneukers.’ Hij verduidelijkt: ‘Op z’n Bels.’ De hippiegroep uit Hilvarenbeek was volgens hem ‘absurdisties aktivisties.’ Eenvoudiger gesteld: ze wilden ‘de zaak opnaaien’. Voor een ‘socialistische samenleving’ die ze volgens Naaijkens mede mogelijk gingen maken. ‘Vooruit’, voegt hij met twinkelende oogjes aan dat ‘mede’ toe. ‘We gingen het niet alleen doen.’

In RK Veulpoepers BV, De Hippies Van Beek (75 min.) wordt de hele geschiedenis van de Brabantse rebellenclub, die met name in de jaren zeventig stad en land afreisde om op elke demonstratie of festival aan te treden, nog eens uitgebreid uit de doeken gedaan. Van het ontstaan als typische anarchistische folkband tot de verwording daarvan tot een heuse BV, met een eigen woongroep, café en drukkerij. Waarna de groep (natuurlijk) ten onder ging aan precies die dingen waar ze zich jarenlang in het openbaar, met veel bombarie en humor, tegen had verzet.

Deze documentaire van Joris Hendrix en Frank van Osch, die eerder een film maakte over de eveneens stijflinkse generatie- en provinciegenoot Bots, bevat een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal (waaruit glashelder wordt hoe populair die Veulpoepers ooit waren), maar heeft wel een erg anekdotisch karakter (met veel heerlijke verhalen, dat wel). Het is en blijft een verzameling herinneringen van een specifieke groep mensen en wordt nooit meer dan dat. Een exposé van Neerlands linkse protestbands uit de jaren zeventig bijvoorbeeld.

Dat gezegd hebbende: het schelmenverhaal van De Veulpoepers, en het aan hen gelieerde ‘actieorkest’ Fanfare Van De Eeuwigdurende Bijstand, biedt ruim voldoende stof voor vijf kwartier vermaak, waarbij de spanningen tussen het ‘Politburo’ en de anderen de groep uiteindelijk op een opvallend kille wijze de das om zullen doen. Die verwijdering, tussen mensen die samen zijn opgegroeid en jarenlang in één huis hebben gewoond, wordt door de filmmakers slim vervat in een actuele uitvoering van de enige echte (bijna)hit die de Poepers ooit hadden: Café Den Egelantier.

Een nummer dat ze destijds, natuurlijk, niet op televisie wilden playbacken. ‘Ja, een tweede huis in Spanje’, grapt Zjef Naaijkens daarover, geheel in stijl. ‘Had-ie kunnen hebben, heeft-ie niet gedaan!’