My Grandfather Charles Manson

Disney+

De jonge Amerikaanse actrice, filmmaakster en babysitter Sophia Maddox kent hem volgens eigen zeggen alleen als sekteleider en moordenaar van Wikipedia. Totdat haar vader, de sappelende acteur en filmmaker Daniel Arguelles, via de genealogiewebsite Ancestry een halfbroer vindt. Hij blijkt een zoon te zijn van die beruchte sekteleider en moordenaar. En dus krijgt Sophia er een illuster familielid bij: My Grandfather Charles Manson (106 min.). Dat is even slikken.

Sophia lijkt zich in deze persoonlijke film, die ze heeft gemaakt met Alexandra ‘Allie’ Orton, soms ook te wentelen in haar rol als kleindochter van de man die door menigeen als de belichaming van de Duivel wordt gezien, de diabolische leider die z’n volgelingen in 1969 aanzette tot moord en zo de sixties hoogstpersoonlijk de nek omdraaide. ‘Ik ben m’n opa niet’, zegt Sophia tegen zichzelf, met betraande ogen. Zij lijkt haar positie als kleindochter soms daadwerkelijk als een rol te benaderen. Als ze geëmotioneerd bij haar therapeut zit, raadt die haar aan om het kaf van het koren te gaan scheiden: wat is er werkelijk gebeurd en wat is vooral onderdeel van het sensatieverhaal Charlie Manson?

Daarvoor bezoekt Maddox de tuchtschool waar haar grootvader zat, spreekt ze met de Family-leden Lynette ‘Squeaky’ Fromme, Dianne ‘Snake’ Lake en Stephanie Schram en ontmoet openbaar aanklager Stephen Kay. Ze gaat ook te rade bij de Manson-‘vrienden’ George Stimson, Nikolas Schreck en ‘Black Wolf’. Zij leerden hem doorgaans pas decennia na de Tate/LaBianca-moorden kennen, maar hebben er desondanks nog wel een boek uit weten te persen. Nadat hij Manson in 2007 een brief heeft geschreven, heeft ’Wolf’ in de navolgende tien jaar bijvoorbeeld bijna achthonderd keer met hem gebeld. Alle gesprekken staan op een USB-stick, die hij grootmoedig aan Sophia overhandigt.

Maddox’s ontmoeting met ‘Beach Boys-fotograaf’ Ed Roach, onlangs overleden, krijgt een zéér unheimisch karakter. Met dubbelzinnige opmerkingen werpt hij zich op als een archetypische ‘vieze ouwe vent’, de ideale figurant in het sensationele Manson-verhaal, dat de berichtgeving is gaan beheersen. Jeff Melnick benadrukt juist de andere kant: van Charlie als getroebleerde buitenstaander, die nooit heeft geleerd om in vrijheid te leven en ernstige mentale problemen ontwikkelt. ‘Hij past precies in het plaatje’, legt de historicus uit. Manson is ‘de vervulling van de nachtmerrie die is voorspeld’. Ga maar na: hij heeft een wilde baard en wild haar, nog wildere ogen en een hakenkruis in z’n voorhoofd gekerfd.

Sophia Maddox vindt het gaandeweg steeds lastiger om haar vader, een man met zijn eigen demonen, los te zien van die man. Sterker: om ze überhaupt van elkaar te kunnen onderscheiden. Zijn het allebei niet meer dan onverbeterlijke narcisten, die haar hebben opgezadeld met een loodzwaar kruis om te dragen? Er ontstaat tevens frictie met coregisseur Allie. Over wie zij zelf is – ondanks, of juist dankzij, die bedenkelijke vader en grootvader – en hoe ze zich tot hen moet verhouden. Een persoonlijkheidstest met inktvlekken moet uitkomst bieden, waarbij forensisch psycholoog Robert Schug haar resultaten vergelijkt met die van de sekteleider en moordenaar van Wikipedia.

Deze egodocu heeft dan een wel erg Amerikaans randje gekregen: van een zoektocht, met z’n verplichte eurekamomenten en existentiële crises, die hoe dan ook tot verlossing moet leiden: de kleindochter, die vrede heeft gesloten met de grootvader die ze nooit heeft ontmoet en die toch zo’n enorme plek claimt in haar leven.

The Cult Of NatureBoy

ABC / Hulu / Disney+

‘Wie zijn wij?’ roept de charismatische Afro-Amerikaanse leider naar zijn jonge volgelingen, die zich aan weerszijden van hem op een trap hebben opgesteld. ‘Carbon Nation!’ antwoorden zij in koor, terwijl Eligio Bishop, als hun zelfverklaarde Godheid, over de traptreden schrijdt. Het tafereel is duidelijk geënsceneerd, voor een social mediaproductie van Bishops beweging.

‘Wat is Carbon Nation?’ vraagt ie vervolgens. Waarna zij opdreunen wat hij wil horen: ‘Het Christusbewustzijn.’ Bishop, die zich ook wel NatureBoy noemt en die leven in en van de natuur predikt, kijkt om zich heen, naar de fleurig geklede Afro-Amerikaanse mannen en vrouwen die in de houding blijven staan. ‘En wie zijn jullie?’ Zij antwoorden in koor: ‘Engelen van de Allerhoogste. Goddelijke Lichtengelen.’

En dan meldt NatureBoys echtgenote zich. ‘Wie ben ik?’ vraagt Velvet. Ook zij wordt als een vorstin onthaald. ‘Koningin Eliana’, roepen haar onderdanen deemoedig. ‘Opperbevelhebber van het aardse vlak. Mijn hogere zelf.’ Zij weet zelf echter wel beter. Ook Velvet is niet meer dan een figurant in The Cult Of NatureBoy (163 min.), een getroebleerde zwarte jongeling die zich opwerpt als geestelijk leider.

Ten tijde van het potsierlijke ritueel heeft hij in deze vierdelige serie van Benjamin Zand allang zijn ware gezicht laten zien. Het zal nu ook niet lang meer duren voordat hij zijn naam laat tatoeëren op de billen van zijn favoriete ‘godinnen’. Want zo gaat dat met sekteleiders: gaandeweg eigenen ze zich totale macht, al het geld en de vrouwen toe. Dan moeten alleen de mannen nog geknecht en vernederd worden.

Op de beelden die hij zelf via sociale media heeft verspreid vanuit exotische plekken zoals Costa Rica, Belize en Hawaii oogt NatureBoy simpelweg als een doorgedraaide gek, met een Bijbel-tic, misogyne trekjes en een gewelddadige inslag. Bij de jonge mannen en vrouwen van kleur die zich bij hem hebben aangesloten begint dat alleen pas te dagen als het al te laat is en ze ernstige schade hebben opgelopen.

Zand serveert deze klassieke sektegeschiedenis uit als een spannend verhaal, compleet met gelikte reconstructies waarvoor ook de slachtoffers zelf hun beste beentje voorzetten. Hij legt hen verder niet op het rooster: waarom hadden ze behoefte aan een leider die alles lijkt te weten en overal een antwoord op heeft? En zagen ze echt niet aankomen dat in Carbon Nation maar één persoon zou gedijen?

Zulke ongemakkelijke vragen blijven achterwege in de aalgladde miniserie The Cult Of NatureBoy, die de casus van de Carbon Nation, eerder ook wel de Melanation genoemd, behandelt als het kwaadaardige geesteskind van één enkele meestermanipulator, die zich zonder enige terughoudendheid uitgeeft voor de Messias.

Free Nelson Mandela

Channel 4

Eerst bevrijdt muziek de geest, daarna de man. In dit geval: Nelson Mandela. Sinds 1964 zit de leider van het African National Congress (ANC) op Robbeneiland een levenslange gevangenisstraf uit. Zijn strijd tegen het Apartheidsregime, dat al zoveel zwarte Zuid-Afrikanen heeft geknecht of gedood, krijgt gaandeweg echter steeds meer internationale steun. En muziek speelt daarbij een essentiële rol. Eerst als manier om zelfrespect te verkrijgen en uitdrukking te geven aan hoe de zwarte meerderheid van de Zuid-Afrikaanse bevolking lijdt onder het witte minderheidsregime. Later om Mandela te lanceren als een wereldwijd symbool en druk uit te oefenen op datzelfde bewind.

Free Nelson Mandela (92 min.), ter gelegenheid van Mandela’s 65e verjaardag in 1983 uitgebracht door The Special AKA, is daarvan het meest iconische voorbeeld. De compositie van Jerry Dammers, de spil van de Britse skaband The Specials, groeit uit tot hét strijdlied van de Anti-Apartheidsbeweging. Deze boeiende documentaire van James Rogan, die zich in Freddie Mercury: The Final Act (2021) al richtte op hoe muziek het bewustwordingsproces rond AIDS bevorderde, belicht nu de rol van songs van Miriam Makeba, Hugh Masekela, Gill Scott-Heron, Peter Gabriel, Bob Marley & The Wailers, Labi Siffre en Artists United Against Apartheid in de strijd tegen een racistisch maatschappijmodel.

En hoewel Rogan Jerry Dammers en andere westerse artiesten zoals Peter Gabriel, Bono, Steven Van Zandt en Jim Kerr aan het woord laat, krijgen zij nooit de overhand. De filmmaker realiseert zich dat het échte verhaal bij zwarte Zuid-Afrikanen zit en roept de bloedige Apartheid-historie op met schokkende nieuwsbeelden, audiofragmenten van Nelson Mandela en zijn omstreden echtgenote Winnie en interviews met nazaten van ANC-kopstukken zoals Steve Biko, Oliver Tambo en Joe Slovo. Hun gezamenlijke inzet blijkt uiteindelijk succesvol: in 1990 komt Nelson Mandela na ruim 27 jaar gevangenschap vrij. Vier jaar later wordt hij beëdigd als de eerste zwarte president van Zuid-Afrika.

Ruim veertig jaar sociale strijd, weerspiegeld in en ook aangejaagd door muziek, zijn niet zonder resultaat gebleven en hebben nu ook hun weg gevonden naar een even geladen als swingende film.

Speechless

Good Soup Productions

‘De antiracisten, de antifascisten, de antiseksisten, de anti-imperialisten en, natuurlijk, de antikapitalisten’, besluit professor Russell Rickford van Cornell University in New York zijn vlammende speech. ‘Ze blijven ons inspireren. Dus blijf je organiseren en blijf herrie trappen.’ Rickford heeft slechts acht dagen na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 – en ruim vóór Israëls verwoestende respons in Gaza – flink van zich doen spreken. De aanval van Hamas is volgens hem ‘exhilarating’ en ‘energizing’.

Op dat moment, in het tweede deel van haar lijvige documentaire Speechless (176 min.), krijgt de zoektocht van Ric Esther Bienstock naar de aanhoudende frictie rond de vrijheid van meningsuiting op Amerikaanse universiteiten een persoonlijk karakter. De filmmaakster is zelf Joods en voelt zich aangesproken door Rickfords agressieve retoriek, nadat gewone Israëlische burgers het slachtoffer zijn geworden van een bloedige aanval. Enkele maanden later steekt de Amerikaanse veteraan Aaron Bushnell zichzelf in brand, om te protesteren tegen Israëls verpletterende optreden in Gaza.

Bienstocks zoektocht is al in 2017 begonnen op het Evergreen State College in Olympia, in de Amerikaanse staat Washington, waar de jaarlijkse ‘Day Of Absence’ voor witte medewerkers een verplichtend karakter heeft gekregen. Docent evolutionaire biologie Bret Weinstein laat zich echter niet zomaar wegsturen van de campus en zet zo een snel ontsporend debat in gang. Op pijnlijke beelden is te zien hoe militante studenten het schoolhoofd George Bridges ongenadig uitkafferen, fascist noemen en beschuldigen van ‘microagressie’ – omdat de man te veel met zijn handen zou praten.

Studenten van het York College in Pennsylvania gaan deze casus vervolgens bestuderen. Met hun docent Erec Smith constateren ze dat het conflict een typisch voorbeeld is van de botsing tussen klassiek links gedachtegoed en ‘Critical Social Justice’, een manier van kijken naar de wereld die ook wel ‘woke’ wordt genoemd. Onderwerpen worden door aanhangers daarvan benaderd vanuit het uitgangspunt van ‘onderdrukker versus onderdrukte’. Niet veel later wordt Smith een ‘white supremacist’ genoemd. Door een witte persoon. Om het helemaal ingewikkeld te maken: Erec Smith is zelf zwart.

Ric Esther Bienstock onderzoekt of de academische vrijheid door zulke ontwikkelingen in gevaar komt. Op diverse plekken verdiept ze zich in hoog oplopende discussies over de onderdrukkende of juist bevrijdende werking van taal, radicale vormen van antiracisme en cancelcultuur, alvorens ze in deel twee het terrein van (vermeende) transfobie betreedt. Ze spreekt met de wetenschappers Carole Hooven, evolutionair bioloog op Harvard, en Kathleen Stock, een filosofe verbonden aan Oxford, die ernstig onder vuur kwamen te liggen en nauwelijks steun van hun collega’s of werkgever ervoeren.

Het open klimaat op universiteiten wordt daarnaast ook onder vuur genomen, laat de filmmaakster zien, door conservatieve activisten zoals Christopher Rufo, Hij verzet zich demonstratief tegen het uitgangspunt van Diversity, Equity en Inclusion (DEI) en krijgt van Florida’s gouverneur Ron DeSantis de kans om de linkse universiteit New College te hervormen. De DEI-directeur wordt direct ontslagen, het genderstudie-programma afgesloten en genderneutrale toiletten verwijderd. Rufo maakt van zijn hart bovendien geen moordkuil, ook niet in deze film, en blijft bijvoorbeeld rustig ‘misgenderen’.

En dat is een terugkerend beeld in deze urgente film, die de ontsporing van het publieke debat pregnant in beeld brengt: aan de frontlinie van de cultuuroorlog is geen enkele ruimte meer voor begrip of nuance. ‘Suck my tranny dick’, schreeuwt de activistische student Libby Harrity bijvoorbeeld tegen Rufo. Waarop die dat provocerend ‘anatomisch incorrect’ noemt en meteen een zaak start tegen Libby, die bij het spugen op de grond zijn tenen zou hebben geraakt. Het schikkingsvoorstel dat uiteindelijk op tafel komt – leave and never come back – is voor de protesterende student een bijzonder bittere pil.

Enige koudwatervrees is in zo’n giftig klimaat best te begrijpen. Voor elke persoon die Ric Esther Bienstock bereid heeft gevonden om voor haar camera plaats te nemen, zijn er dus ook talloze anderen die deze gifbeker liever aan zich voorbij lieten gaan. Zelfcensuur is nu eenmaal een onvermijdelijk bijproduct van een zich vernauwend publiek debat.

The Orkney Assassin: Murder In The Isles

Videoland

Andere gasten van het Indiase restaurant Mumutaz in Kirkwall denken in eerste instantie dat hij simpelweg eten komt afhalen. Totdat ze zien dat de onbekende man een zwarte bivakmuts draagt. Vastberaden loopt hij op donderdagavond 2 juni 1994 op zijn doel af: de 26-jarige ober Shamsuddin Mahmood, afkomstig uit Bangladesh. Die schiet ie met een pistool door het hoofd. Het is de eerste moord in 25 jaar op de afgelegen Orkney Islands, die doorgaans vredig ten noorden van het Schotse vasteland liggen.

Is het een koel uitgevoerde liquidatie? Een uit de hand gelopen ruzie? Of toch een racistische moord, op één van de weinige moslims in Orkney? Het schokkende misdrijf zorgt voor onrust. Zowel bij de plaatselijke bevolking, die verdwaasd en getraumatiseerd achterblijft, als bij de Aziatische gemeenschap, die het leeuwendeel van de Indiase restaurants in Schotland runt. Kunnen zij nog veilig over straat of hun werk doen? Als er een verdachte in beeld komt, wordt de ontzetting alleen maar groter. De zaak is daarmee ook bepaald nog niet afgehandeld. Dat zal nog jaaaren kosten.

In de tweedelige documentaire The Orkney Assassin: Murder In The Isles (91 min.) laat Matt Pinder zien hoe Eddy Ross, de vuurwapenexpert van de lokale politie, een sleutelrol speelt in deze tragische kwestie, die de gemeenschap van Orkney ruim dertig jaar later nog altijd tot op het bot verdeelt. De oud-militair gaat met de 9mm-kogelhulzen die bij Mumutaz zijn gevonden op zoek naar het moordwapen en de man die de trekker heeft overgehaald. Al snel blijkt dat Ross zelf aan z’n tijd bij het Black Watch-regiment ook kogels van de Indiase munitieproducent Kirkee Arsenal heeft overgehouden.

Die ongemakkelijke constatering blijkt niet meer dan de opmaat naar een bijzonder moeizaam moordonderzoek, dat nog heel wat onverwachte wendingen zal nemen en commotie blijft veroorzaken bij de Schotse eilanders. Pinder serveert deze ontwikkelingen met diverse direct betrokkenen, waaronder Eddy Ross en zijn vrouw Moira, trefzeker en toch zonder al te veel effectbejag uit. De moord in Kirkwall, zo wordt al snel duidelijk, gaat niet alleen om de zoektocht naar de dader, maar draait net zo goed om de onmogelijke positie van familieleden, vrienden en ooggetuigen.

Door alle verwikkelingen op Orkney blijft het slachtoffer, een Bengalese man die ook maar gewoon zijn werk deed, ondertussen vrijwel buiten beeld – ook omdat hij in feite slechts een mineure rol lijkt te spelen in wat er zich heeft afgespeeld.

Trailer The Orkney Assassin: Murder In The Isles

Heilig Schuim

VPRO

John Kavakure is een BBB, vertelt hij in de documentaire Heilig Schuim (59 min.). Een Black Belgian Brewer. Als jongeling werd hij in de jaren negentig door Belgische Jezuïeten in de kofferbak van een auto zijn geboorteland Burundi uitgesmokkeld, op de vlucht voor de burgeroorlog die daar was uitgebroken tussen Hutu’s en Tutsi’s. In België belandde de Burundees op het Institut Meurice, waar hij zich als enige zwarte – en soms ook onbegrepen of genegeerde – student verder kon bekwamen in het brouwen van bier.

John is opgegroeid met bier. In zijn jeugd leerde zijn grootmoeder hem al hoe hij met bananen en de graansoort sorghum eigen bier kon maken. Het gerstenat is sowieso alomtegenwoordig in Burundi. De economie van het Afrikaanse land draait er zelfs voor een groot deel op. En ook cultureel speelt bier een belangrijke rol. Bij belangrijke gelegenheden in het leven – van geboorten tot huwelijken – wordt gezamenlijk de fles geheven. ‘In Afrika drinken we geen bier’, zegt Kavakure enthousiast. ‘We delen het!’

Het lag dus voor de hand dat hij ooit terug zou keren naar zijn geboorteland, om er de missie van zijn oma voort te zetten. Met eigen bier: Soma Burundi. Dat bier drink je niet, zegt John als een volleerde marketeer. Dat próef je. Maar of de marktleider, Heineken-dochter Brarudi, ook zo blij was met een plaatselijke concurrent? De vraag stellen is hem beantwoorden. In 2013 vertrok Kavakure alweer uit Burundi. Hij voelde zich er niet meer veilig, vertelt hij in deze documentaire van Thomas Blom en Misha Wessel.

In de film reconstrueren zij Johns levensverhaal niet rechttoe rechtaan, maar laten ze de puzzelstukjes langzaam maar zeker in elkaar vallen. Pas tegen het einde is het totaalplaatje min of meer volledig zichtbaar – al blijft er ook dan nog wel wat te vragen en raden over. Feit is dat bier, de gezelschapsdrank die gewone Burundezen bij elkaar brengt, ook voor tweespalt heeft gezorgd in de voormalige Belgische kolonie, waar de oude koloniale verhoudingen nog altijd doorwerken in Burundi’s heden.

Als hij zich dan toch nog eens in zijn geboorteland meldt, om zijn moeder te bezoeken en een kijkje te gaan nemen bij de brouwerij die hij er heeft achtergelaten, laat John Kavakure, ondanks zijn openlijke trots, gulle lach en sterke ideeën over hoe Soma-bier moet worden gebrouwen, zijn waakzaamheid nooit helemaal varen. Hij weet dat in dit Afrikaanse land, dat hem zoveel heeft gegeven, soms ook zomaar alles weer kan worden afgenomen.

Strange Journey: The Story Of Rocky Horror

Kaleidoscope Entertainment

Erg fiducie hebben de mensen die Richard O’Brien begin jaren zeventig benadert niet in zijn idee. Een rockmusical, nog één? Zijn Jesus Christ Superstar, Hair en al die slappe aftreksels daarvan nog niet genoeg?

Met zijn eerste composities krijgt Richard regisseur Jim Sharman en muzikaal leider Richard Hartley nochtans direct aan z’n zijde, vertelt hij aan zijn zoon, filmmaker Linus O’Brien, in diens lekkere documentaire Strange Journey: The Story Of Rocky Horror (90 min.). They Came From Denton High kan ‘t helemaal gaan worden, maar moet dan nog wel een nieuwe titel krijgen: The Rocky Horror Picture Show.

De show is een doorslaand succes. Eerst in het theater in Engeland en later, verfilmd, wereldwijd in de bioscoop. Met zichtbaar plezier kijken de castleden Tim Curry, Susan Sarandon, Nell Campbell, Patricia Quinn en Barry Bostwick, direct betrokkenen zoals producer Lou Adler en kostuumontwerper Sue Blane en de bekende fans Jack Black en Trixie Mattel terug op de storm die ‘Rocky’ ontketende.

Daarachter schuilt nog een ander verhaal. De horrormusical werkt voor Richard O’Brien zelf bevrijdend. Geholpen door de populariteit van de androgyne helden David Bowie, Mick Jagger en Lou Reed durft hij ongegeneerd zijn liefde voor travestie te omarmen. Ook voor andere LHBTIQ+-ers werkt The Rocky Horror Picture Show emanciperend. Niet alleen vijftig jaar geleden, maar ook nu nog.

Bij openbare vertoningen van deze ultieme B-film is participatie bijna verplicht. Een geheel in stijl gekleed publiek blijft vooral niet op z’n stoel zitten, roept op vaste momenten iconische kreten naar het scherm en zingt natuurlijk luidkeels mee. Soms verschijnt er zelfs een schaduwcast op het podium, om de feestvreugde verder te verhogen. Want bij deze gelegenheden mag echt iedereen zichzelf zijn.

En dat is in de hedendaagse wereld niet meer zo vanzelfsprekend als ‘t een halve eeuw geleden leek te gaan worden, toen Richard O’Brien uit zijn binnenste een campy musical opdiepte, die allang niet meer van hem alleen is.

June

Paramount

Bij de gedachte aan June Carter Cash (1929-2003) ziet menigeen waarschijnlijk Reese Witherspoon voor zich, de actrice die haar vol verve vertolkte in de biopic van haar echtgenoot, Walk The Line. Of ze denken gewoon aan hem, de Amerikaanse countrylegende Johnny Cash. Het duurt echter ruim een half uur voordat de illustere zanger met die uit duizenden herkenbare, aardedonkere stem haar levensverhaal binnenstapt in de documentaire June (98 min.). Met, natuurlijk, de iconische woorden: ‘Hello, I’m Johnny Cash’.

Het is dan 1956 en June heeft er al een half leven opzitten: ze groeit op als lid van de befaamde folkgroep The Carter Family, wordt daarna als komisch talent ontdekt in de befaamde Grand Ole Opry in het countrymekka Nashville en is dan al aan haar tweede huwelijk bezig – en heeft als gevolg daarvan ook twee dochters, Carlene en Rosie. Na enige tijd afhouden kan ze ‘The Man in Black’ begin jaren zestig echter niet meer weerstaan – ook al is hij een onverbeterlijke junk. De real life-versie van Walk The Line staat op het punt om te beginnen.

Als hij ein-de-lijk is afgekickt, leven ze nog lang en gelukkig. Althans, in de sprookjesversie van hun leven, zoals één van de sprekers in deze documentaire van Kristen Vaurio de speelfilm met Joaquin Phoenix als Cash en Witherspoon als zijn onweerstaanbare echtgenote betitelt. Dat beeld is overigens ook al flink genuanceerd in The Gift: The Journey Of Johnny Cash (2019), tot nader order het definitieve portret van de muzikale legende Cash. June zal nog tot diep in de jaren tachtig heel wat te stellen hebben met de verslavingen van haar echtgenoot.

Intussen staat zij, de telg van een baanbrekende muzikale familie, ook volledig in zijn schaduw. Terwijl June – betogen hun kinderen, vrienden en bekende collega’s zoals Dolly Parton, Willie Nelson en Emmylou Harris – bijvoorbeeld zijn grootste hit Ring Of Fire heeft geschreven. Niet Johnny. Zij zal zich echter naar hem moeten plooien, Als een matrone blijft ze ook zijn leven bijsturen. ‘It’s hard to be Johnny Cash’, zegt June wel eens vergoelijkend over haar echtgenoot, volgens hun zoon John Carter Cash. Voor zichzelf huldigt ze een eenvoudig levensparool: Press On.

En met een soloalbum dat zo is getiteld wint ze in 1999, slechts enkele jaren voor haar dood, zowaar een Grammy Award, de kroon op een dienstbaar leven, als vrouw, moeder en artiest, dat in deze film nu eens centraal wordt gezet. Haar man, die ’t nog maar een paar maanden zal volhouden zónder haar, heeft daarin slechts een bijrol. De belangrijkste bijrol, dat wel. Daarmee wordt June een prima tegenhanger voor The Gift – en voor My Darling Vivian (2021), het portret van de eerste vrouw van Cash, Vivian Liberto.

Law And Order

Zipporah Films

Het idee is sindsdien nog eindeloos uitgemolken, totdat het z’n oorspronkelijke kracht allang is kwijtgeraakt. Als de Amerikaanse documentairemaker Frederick Wiseman (1930-2026), die net de direct cinema-klassiekers Titicut Follies (1967) en High School (1968) heeft afgeleverd, in het najaar van 1968 voor het eerst instapt bij een dienstauto van de Kansas City Police Department, moet dat echter een opwindend uitgangspunt zijn geweest. Hoeveel machtsmisbruik zal hij, onderweg en op het bureau, met zijn observerende camera kunnen registreren?

Na vierhonderd uur in het gezelschap van veelal witte agenten moet Wiseman zijn mening toch enigszins bijstellen. Behalve klassieke ‘bad cops’, die nét iets te hardhandig verdachten in de boeien slaan en continu (zwarte) mensen afbekken op straat, ontmoet hij onderweg ook plaatselijke varianten op Oom Agent, die de helpende hand bieden na een ongeluk, bemiddelen tussen een taxichauffeur en zijn passagier over de precieze ritprijs of een zoekgeraakt klein meisje meenemen naar het bureau en haar daar snoep geven, in afwachting van de ouders.

Toch is de scène van Law And Order (80 min.) die uiteindelijk het meeste indruk maakt wel degelijk een klassiek voorbeeld van politiegeweld. Nadat een agent in burger een deur heeft ingestampt, trekt hij een Afro-Amerikaanse vrouw uit haar bed en neemt haar in een verstikkende wurggreep. En hoeveel ze ook hoest of naar adem hapt, hij wil maar niet loslaten. Het unheimische tafereel lijkt verdacht veel op de fatale arrestatie van Eric ‘I can’t breathe’ Garner, die een kleine halve eeuw later tot grootschalige Black Lives Matter-demonstraties zal leiden.

Met deze typische fly on the wall-film kijkt Wiseman op microniveau naar hoe staatsmacht in de praktijk werkt, waarbij gewone burgers worden geconfronteerd met mannen in blauw. Hij schetst zo meteen een beeld van zijn land dat, getuige de manier waarop de huidige president Donald Trump de federale politiedienst ICE inzet, nog altijd zeer actueel is. En als tegen het einde van de documentaire één van Trumps voorgangers, de typische Law & Order-politicus Richard Nixon, nog even mag speechen, gebruikt die zowaar de woorden ‘make America right again’.

Met een variant op die belofte zal een kleine halve eeuw later Trump zelf tot president worden gekozen, een man die deze staatsmacht zonder scrupules aanwendt voor zijn eigen persoonlijke agenda. Bij de aanblik van hoe ICE begin 2026 huishoudt in de straten van Amerika, moet Frederick Wiseman in zijn allerlaatste levensdagen toch heel even de aanvechting hebben gevoeld om opnieuw met draaiende camera aan te sluiten, om te (laten) zien wat er van zijn land is geworden.

The Specials – A Message To You

c: Shane O’Neill / NTR

Nee, Jerry Dammers, de muzikale leider van de Britse skaband, oprichter van het illustere platenlabel 2 Tone Records en schrijver van het klassieke protestlied van The Special AKA, Free Nelson Mandela, participeert niet in The Specials – A Message To You (70 min.). En frontman Terry Hall, die later nog furore zou maken met Fun Boy Three, The Colourfield en Gorillaz, is in 2022 op 63-jarige leeftijd gestorven – al is hij, net als de andere leden van The Specials die inmiddels zijn overleden, nog wel te zien in beelden van de reünietournee die de multiculturele groep uit Coventry in 2019 ondernam.

Van de oorspronkelijke zevenkoppige band, die rond 1980 klassiekers zoals GangstersToo Much, Too Young en Ghost Town afleverde, zijn in deze muziekdocu van Joe Connor alleen gitarist Lynval Golding en bassist Horace Panter van de partij. Zij worden bijgestaan door de producer van hun debuutalbum Elvis Costello, hun 2 Tone-familieleden Pauline Black (The Selecter) en Rhoda Dakar (The Bodysnatchers), A&R-manager Johnny Chandler en Damon Albarn (Blur/Gorillaz). Zij besteden verder nauwelijks aandacht aan Jerry Dammers, de onbetwiste spil van de originele band.

Connor had ook duidelijk geen regulier carrièreoverzicht voor ogen bij deze popdocu. Hij start zijn vertelling op vanuit het heden – de Specials-reünie van 2019, aangejaagd door het comebackalbum Encore – en maakt van daaruit uitstapjes naar het verleden, waar hij dan met zevenmijlslaarzen doorheen stiefelt. De hoogtijdagen van de band, in een land dat werd verscheurd door openlijk racisme, worden vooral ingezet om parallellen met de huidige wereld te trekken en wijlen Terry Hall en de laatste incarnatie van de band, met nog drie originele leden in de gelederen, nog eens in het zonnetje te zetten.

Het zit allemaal vervat in dat ene tafereel op het gemeentehuis van Los Angeles uit 2019, waar de impact van de Britse groep, die Amerikaanse bands zoals Rancid, The Mighty Mighty Bosstones en No Doubt inspireerde, officieel wordt erkend. ‘Thank you, Los Angeles’, zegt Horace Panter tijdens z’n speech, als het stadsbestuur 29 mei heeft uitgeroepen tot ‘The Specials Day’. ‘You have great taste in music.’

En, o ja, in de documentaire 2 Tone: The Sound Of Coventry (2021) komt Jerry Dammers wél uitgebreid aan het woord.

Kampen Om Pusher Street

HBO Max

Van de idealen waarmee de hippievrijstaat Christiania in de jaren zestig werd uitgeroepen in de Deense hoofdstad Kopenhagen, lijkt ruim een halve eeuw later weinig meer over. Criminele bendes bevechten elkaar op leven en dood, op een plek waar bloemenkinderen ooit droomden over vrede op aarde. Met als absoluut dieptepunt de moordaanslag van de Loyal To Familia-bende op een dertigjarige Hells Angels-prospect in augustus 2023, overdag en midden op straat, waarbij ook vier onschuldige omstanders worden geraakt.

De zesdelige serie Kampen Om Pusher Street (internationale titel: Gang War: Pusher Street, 256 min.) reconstrueert met dealers, agenten, deskundigen en gewone ‘Christianieten’ hoe ‘t zover heeft kunnen komen. De ellende begint in elk geval in de jaren zeventig met wiethandel in en om de coffeeshop Woodstock en de Community Kitchen. De hippiewijk ontwikkelt zich dan tot ‘de sociale vuilnisbelt van Denemarken’. Een wetteloze buurt met junks en dealers, die door de Deense politie zelfs actief naar Christiania zouden worden gestuurd.

En dan melden zich in de jaren tachtig ook nog motorbendes zoals Bullshit, Black Sheep en de Hells Angels, die de heerschappij in de internationale wiethandel, waarin Nederland dan overigens een absolute voortrekkersrol speelt, naar zich toe willen trekken. Om de ellende te beteugelen stellen bewoners in het hart van Christiana een soort vrijhandelszone in: Pusher Street. Daar zal ’t echter tot keiharde confrontaties tussen de politie en Christianieten komen, die doen denken aan de heftige Nederlandse krakersrellen in min of meer diezelfde tijd.

Als in 1993 de zogeheten ‘kerstvrede’ wordt getekend, lijkt de rust zowaar weder te keren op Pusher Street. De wiethandel begint meteen ouderwets te floreren. En dat valt ook de bikers op. Die willen een deel van de buit, goedschiks dan wel kwaadschiks. Voor de nieuwe rechtse regering van Denemarken is de maat in 2003 vol: politiecommandant Bjarne Christensen, bijgenaamd De Straatgeneraal, Bjarne Beenklem én Shit Bjarne, krijgt de opdracht om deze losgeslagen Deense variant op Ruigoord eens een toontje lager te laten zingen.

Regisseur Søren Rasmussen brengt al deze verwikkelingen met een karrenvracht aan archiefmateriaal in beeld en illustreert de sleutelmomenten in de tumultueuze Christiania-historie bovendien met poppetjes op een maquette van de wijk. Zo krijgt hij de atmosfeer in de anarchistische vrijstaat en de bijbehorende tijdgeest uitstekend te pakken – al beginnen de schermutselingen tussen de politie, bewoners en (straat)bendes al snel als een eindeloze herhaling van zetten te voelen. Dat tekent tegelijk ook het gebed zonder end dat die strijd is geworden.

De Kampen Om Pusher Street haalt het slechtste in de mens boven – van puberale provocatie en keiharde criminaliteit tot verbeten zero tolerance en een oog-om-oog-tand-om-tand mentaliteit – en ondermijnt het idee waarmee Christiania ooit is gesticht volledig. Totdat de vraag op tafel komt hoeveel toekomst deze vrijstaat, Pusher Street in het bijzonder, nog heeft.

Ozzy: No Escape from Now

SkyShowtime

Hij maakt enkele albums, wint daarmee zowaar twee Grammy Awards en wordt ook nog eens opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame. Toch staan de laatste jaren van de onlangs overleden metalheld Ozzy Osbourne (1948-2025) vooral in het teken van zijn broze gezondheid, het cancelen van concerten en de twijfels, spijt en somberheid die daarmee gepaard gaan. Zijn vrouw en manager Sharon en hun kinderen Aimée, Kelly en Jack proberen hem daar, soms met de moed der wanhoop, doorheen te loodsen.

Voor Osbournes introductie in de Hall Of Fame wordt bijvoorbeeld een soort superband samengesteld met de vocalisten Billy Idol, Jelly Roll en Maynard James Keenan (Tool), gitarist Zakk Wylde (Black Label Society), bassist Robert Trujillo (Metallica) en drummer Chad Smith (Red Hot Chili Peppers). Ozzy kan het echter nauwelijks verkroppen dat hij zelf niet het podium op kan om te rocken. En aan gewoon speechen moet ie al helemaal niet denken. Als hij überhaupt in staat is, vanwege alweer nieuwe medische complicaties, om naar de officiële ceremonie af te reizen.

Uiteindelijk rest hem nog één enkel concert, op 5 juli 2025 in Villa Park in zijn geboortestad Birmingham, waar hij samen met zijn oude strijdmakkers van Black Sabbath afscheid wil nemen van een even succesvolle als tumultueuze carrière en de fans die hem ruim een halve eeuw trouw zijn gebleven. Dat is ook het vanzelfsprekende richtpunt van de documentaire Ozzy: No Escape from Now (123 min.) van Tania Alexander. De weg daarnaartoe is alleen behoorlijk soapy. Alsof de realityserie The Osbournes (2002-2005) een tamelijk zwaarmoedige reprise heeft gekregen.

Zelf twijfelt Osbourne namelijk of hij die afscheidsshow wel gaat halen – en ook zijn doorgaans onverzettelijke echtgenote Sharon zit soms in zak en as. Want onderweg dienen zich steeds weer nieuwe ongemakken aan. ‘Het is compleet ontmoedigend’, verzucht Ozzy, enkele maanden voor ‘Back To The Beginning’. ‘Maar ik moet daarheen. Ik moet er echt zijn!’ En hij zal er uiteindelijk toch komen eruit gaan met een grote knal. Te midden van metal-grootheden zoals Metallica, Slayer en Guns N’ Roses kan ‘The Prince Of Darkness’ nog eenmaal opdraven als de ongekroonde koning van de heavy metal.

En daarna wachten de eeuwige jachtvelden van de rock & roll.

Seen & Heard: The History Of Black Television

HBO Max

Ze hebben hun positie moeten bevechten en bevechten en bevechten. De Amerikaanse televisie was van oudsher een wit bastion, waar Afro-Amerikanen heel lang een volstrekt ondergeschikte rol speelden. Op het scherm waren ze veroordeeld tot bij-of schurkenrollen, achter de schermen kregen ze nauwelijks ruimte of moesten ze zich uiteindelijk toch schikken naar een witte man – ook al had die soms best goede intenties, zoals Norman Lear, de man achter de ‘zwarte’ sitcoms Sanford And Son, Good Times en The Jeffersons.

In het lijvige tweeluik Seen & Heard: The History Of Black Television (146 min.) belicht Giselle Bailey deze getroebleerde geschiedenis, een weerspiegeling van de emancipatiestrijd die Zwart Amerika sowieso al sinds jaar en dag voert, met Afro-Amerikaanse kopstukken van voor en achter de schermen zoals Tyler Perry, Shonda Rhimes, Issa Rae, Lena Waithe en Ava DuVernay. Hun verhalen over stereotypen en karikaturen, misstanden in verleden en heden en het belang van representatie voor het zelfbeeld van Amerikanen van kleur zijn gelardeerd met fragmenten uit beeldbepalende televisieprogramma’s zoals The Cosby Show, In Living Color en Black-ish.

‘Ik wilde zwartheid vermenselijken’, vertelt Oprah Winfrey, die met haar immens populaire talkshow, die inmiddels is uitgegroeid tot een heus imperium, bewust stelling nam en de keuze maakte om positieve verhalen te gaan vertellen. Zo maakte zij in Amerika’s huiskamer ruimte voor de mensen, onderwerpen en thema’s van de zwarte gemeenschap. Inmiddels heeft een nieuwe generatie Afro-Amerikaanse makers zoals zij z’n eigen platforms gecreëerd en zo een positie verworven in de entertainmentindustrie. Het belang daarvan voor de beeldvorming en het zelfbeeld van Zwart Amerika wordt er in Sean & Heard met tal van voorbeelden flink in gehamerd.

Deze viering van de zwarte televisiecultuur wordt daardoor soms ook bijna een lange spot voor zwarte makers, hun producties en de kritiek die zij hebben op de wereld waarbinnen zij moeten opereren. Dat heeft ongetwijfeld z’n waarde, maar voelt soms ook wel heel erg als een preek voor eigen parochie.

Paid In Full: The Battle For Black Music

BBC

Tekenen bij het kruisje. Daar kwam het in de afgelopen honderd jaar vaak op neer voor Amerikaanse artiesten. Pas later bleek dan wat zo’n platencontract inhield – en dat het doorgaans niet de mensen die de muziek maakten waren die er rijk van werden. Dat gold dubbel zo hard voor zwarte performers, die soms op een wel heel geniepige manier werden uitgeknepen. Hun strijd om artistieke vrijheid en financiële onafhankelijkheid duurt, getuige Paid In Full: The Battle For Black Music (180 min.), nog altijd voort.

Toonaangevende artiesten zoals Bessie SmithBillie Holiday en Nina Simone kregen in de beginjaren van de muziekbusiness vaak nog een vast bedrag per opnamedag betaald. Als daar vervolgens een hit uitrolde, werd iedereen daar rijk van – de witte mannen voorop –behalve zij. En anders was er wel een louche manager, zoals bij Louis Armstrong, die z’n cliënt op slinkse wijze helemaal leeg trok. ‘What a wonderful world’, croont de jazzgigant met een kamerbrede glimlach tijdens een optreden, als de kwestie wordt aangesneden in deze boeiende driedelige serie van Guy Evans.

Exploitatie van zwarte artiesten is van alle tijden. We zijn zo blut als maar kan, meldt de succesvolle meidengroep TLC bijvoorbeeld na de uitreiking van de Grammy Awards in 1996. De manoeuvres om geld weg te sluizen blijken eindeloos. In de jaren vijftig worden bij de composities van rock & roll-held Chuck Berry bijvoorbeeld doodleuk ook andere rechthebbenden opgevoerd, die niets te maken hebben met het ontstaan van zijn songs. Voor de man zelf blijft er nog maar een klein deel van de opbrengsten over, waarvan de gemaakte, vaak flink opgevoerde kosten dan nog worden afgetrokken.

Andere truc: maak een beschaafde witte versie van een zwarte hit, zoals Pat Boones brave versie van de Little Richard-hit Tutti Frutti, en zet die vervolgens wél goed in de markt. Dan stroomt het geld – het is in feite steeds hetzelfde liedje – weer op de juiste plek binnen. Er zijn uitzonderingen: soulzanger Sam Cooke probeert in de sixties met een eigen platenlabel financiële autonomie te verwerven. Hij krijgt navolging via de zwarte labels MotownStax en Def Jam, die echter stuk voor stuk zullen worden uitgebuit, weggeconcurreerd of overgenomen door witte mannen met diepere zakken.

Artiesten zoals Smokey RobinsonGloria GaynorNile RodgersChaka KhanIce-T en een keur aan kenners van de muziekindustrie vertellen in deze serie ‘graag’ over de misstanden waarmee ook zij zijn geconfronteerd. Paid In Full is overigens meer dan één grote klaagzang. Ook de initiatieven van eigengereide en ondernemende artiesten zoals PrinceJay-ZKendrick LamarrStormzy en Jessie Reyez, die een nieuw zelfbewustzijn hebben laten zien, komen aan de orde. Master P vat die attitude heel aardig samen. ‘Als een witte man me een miljoen dollars biedt, hoeveel zou ik dan werkelijk waard zijn?’

De meeste verhalen in deze fijne miniserie, bijeengehouden door verteller Zawe Ashton, zijn al wel eens verteld, maar hier worden ze vanuit een heldere invalshoek – wie wordt er rijk van? – verteld en in een bredere historische context geplaatst, zowel van de ontwikkeling van de muziekbusiness als de emancipatie van zwarte Amerikanen. En de vertelling is natuurlijk gelardeerd met fijne performances van baanbrekende artiesten zoals Ruth Brown, The Supremes, Sam & Dave, Public Enemy en Lil Nas X.

In de afgelopen jaren heeft zich met het streamen van muziek, laat de slotaflevering zien, overigens alweer een nieuwe manier aangediend om (zwarte) artiesten te exploiteren. Naar hoe de grote platenlabels Warner, Universal en Sony daarmee omgaan en terugkijken op het beladen verleden, blijft het overigens gissen. Want die wilden documentairemaker Evans niet te woord staan en houden ’t bij een schriftelijke verklaring.

Dogtown And Z-Boys

Alliance Atlantis

In 1975 verschijnt in het tijdschrift Skateboarder het artikel Aspects Of The Downhill Slide, het eerste van wat de Dogtown-serie van de 26-jarige kunstenaar en fotojournalist Craig Stecyk zal worden. Hij verhaalt daarin over de skatecultuur van Los Angeles, die ruim 25 jaar later nog eens, met beelden die Stecyk in deze gloriejaren heeft gemaakt, zal herleven in de klassieke documentaire Dogtown And Z-Boys (90 min.).

Skateboarder/filmmaker Stacy Peralta blikt terug op de scene waarvan hij zelf een product is. Bij de Pacific Ocean Park-pier, op de grens van Venice en Santa Monica, bevindt zich begin jaren zeventig het centrum van Dogtown, een niemandsland bij het strand dat een thuis is geworden voor buitenbeentjes. Daar, bij die met graffiti afgebakende betonnen wereld, surft de alternatieve jeugd over verraderlijke golven.

In de scene rond de surfwinkel Zephyr begint een groepje durfals bovendien, in de dode uurtjes waarin er geen golven zijn om te bedwingen, op het asfalt in de directe omgeving de wildste trucs uit te halen op hun skateboards. Vooral veronachtzaamde zwembaden zijn in trek en blijken ideale skateramps. Als echte haantjes proberen de Zephyr-skaters elkaar daar voortdurend af te troeven. Samen stijgen ze naar aanzienlijke hoogte.

Deze ‘Z-Boys’ ontwikkelen ook een geheel eigen stijl, gedragen zich als punkrockers avant la lettre en spreken dus tot de verbeelding van alternatieve muzikanten, zoals Henry Rollins (Black Flag), Ian Mackaye (Fugazi) en Jeff Ament (Pearl Jam). En Tony Hawk en Steve Caballero, skateboardcracks van een volgende generatie, kunnen zich eveneens laven aan de prestaties van de Zephyr-iconen Jay Adams en Tony Alva.

Deze energieke film, die op het Sundance-festival van 2001 twee Awards in de wacht sleepte, laat de oorspronkelijke opwinding, kameraadschap en onderlinge rivaliteit van de Z-Boys herleven met een levendige mixture van skatebeelden en terugblikinterviews, die op smaak en tempo wordt gehouden met een hele zwik onweerstaanbare rocklicks en -riffs van onder anderen Jimi Hendrix, The Stooges en Ted Nugent.

En verteller Sean Penn fungeert als verbindende factor in een zwierig gemonteerde, tussen kleur- en zwart-wit jumpende film, waarin vorm en inhoud soepel samenvloeien en de onstuimige beginjaren van de skatecultuur, -esthetiek en -sport uitstekend zijn gedocumenteerd.

In 2005 zou Stacy Peralta met regisseur Catherine Hardwicke overigens ook nog een speelfilm over ‘zijn’ skatescene maken: Lords Of Dogtown, met hoofdrollen voor de acteurs Emile Hirsch (Jay Adams), Victor Rasuk (Tony Alva) en John Robinson (Peralta zelf). En Heath Ledger speelt Zephyr-mede-eigenaar Skip Engblom.

Être Noir À L’Opéra

Arte

Met het Manifeste De La Question Raciale A L’Opéra National De Paris gooien vierhonderd medewerkers van de Opéra van Parijs in het najaar van 2020 de knuppel in het hoenderhok: het prestigieuze gezelschap moet nu eindelijk eens inclusiever worden. De ondertekenaars bepleiten het afschaffen van praktijken die voortkomen uit kolonialisme en/of slavernij. Geen ‘blackface’ of ‘yellowface’ dus meer. En een divers repertoire en materiaal, zoals make-up en maillots, dat is aangepast aan de huidskleur van de artiesten. Het moet, kortom, afgelopen zijn met ballet als een typisch witte kunstvorm.

Ook de 23-jarige danser Guillaume Diop zet zijn handtekening. Drie jaar later wordt hij gekozen tot étoile, de eerste zwarte sterdanser van L’Opéra. ‘Als je zwart en Aziatisch bent, heb je te maken met positieve discriminatie’, vertelt hij in Être Noir À L’Opéra (52 min.), de film die Virginie Plaut en Youcef Khemane maakten over het delicate proces dat in de afgelopen jaren binnen het door en door witte instituut is ingezet. ‘Elke keer als je iets bereikt, vraag je je af of het daardoor komt. Daarom heb ik me kapot gewerkt, want ik wilde niet dat mensen zeggen: je hebt dat alleen bereikt omdat je zwart bent.’

Sulivan Loiseau, die later in de documentaire wordt geïntroduceerd als hoofdpersoon, herkent dat gevoel. De contrabassiste uit Martinique is vooralsnog veroordeeld tot een volledig witte orkestbak, waarin ze samen met haar collega’s de voorstelling De Notenkraker instudeert. Ook op het conservatorium was ze al de eerste zwarte vrouw. Ze doet er laconiek over. Klassieke muziek is nu eenmaal de muziek van witte Europeanen, legt Sulivan uit aan een toetseniste van kleur, met wie ze thuis muziek opneemt. ‘Dus is het raar dat er meer witten zijn? Niet per se.’ Soms wil je echter onder mensen zijn die je niets hoeft uit te leggen over racisme of discriminatie.

Binnen de ‘adviescommissie diversiteit’ wordt intussen besproken wat er en wel niet kan binnen die inclusieve realiteit, waarin oude zekerheden ruimte moeten maken voor nieuwe uitgangspunten en niet alleen de dansers op hun tenen lopen. Deze film, die evenveel onwennige gesprekken en discussies als zorgvuldig gearrangeerde balletscènes bevat, doet in dat verband enigszins denken aan White Balls On Walls, de documentaire van Sarah Vos over de herijking van het Stedelijk Museum Amsterdam. Verandering komt nu eenmaal nooit zonder strijd. Tegelijkertijd blijft ook gewoon gelden: geen geluk zonder schoonheid.

Den Sorte Svane

DR Sales

De afspraak is helder: ze mag zich niet schuldig maken aan strafbare feiten. De Deense bedrijfsjuriste Amira Smajic, bijgenaamd De IJskoningin, onderhoudt al jaren nauwe banden met criminele motorbendes zoals de Hells Angels, Bandidos en Satudarah. Ze opereert voortdurend op de scheidslijn van onder- en bovenwereld, heeft intussen al menige dubieuze deal gesloten en wil daarover nu open kaart spelen.

Samen met documentairemaker Mads Brügger, die in The Mole al eens een informant in een zaak rond Noord-Korea runde, heeft de Bosnische vluchtelinge Smajic een nieuwe kantoorruimte geopend, die is volgehangen met camera’s en opnameapparatuur. Een journalistenteam kijkt vanuit een controlekamer mee hoe ze vervolgens criminelen, zwendelaars en corrupte advocaten ontvangt en schimmige zaakjes met hen opzet.

Één van de vaste gasten van Den Sorte Svane (Engelse titel: The Black Swan, 217 min.) is de van origine Pakistaanse crimineel Fasar Abrar Raja. Hij behoort tot de motorbende Bandidos, is actief binnen de illegale handel in verontreinigde grond en blijkt gaandeweg bij nog ernstigere misdrijven betrokken te zijn. Fasar, die zou zijn gediagnosticeerd met een ernstige psychische stoornis, laat zich kennen als een zeer onberekenbaar heerschap.

Tegelijkertijd is ook Jimmy Skjoldborg, een klassieke biker die behoort tot de leiding van de Bandidos, regelmatig bij Amira op kantoor te vinden. Hij draagt een ‘expect no mercy’-badge. Volgens de politie is dat een teken dat hij in naam van de club geweld heeft gebruikt. Skjoldborg heeft volgens eigen zeggen echter geen strafblad. De autoriteiten zijn er nooit in geslaagd om voldoende bewijs tegen hem te verzamelen.

Bij dit gezelschap voegt zich de tamelijk kakkineuze jongeman Martin Malm Hansen, die een ingenieus systeem met valse facturen heeft opgezet om zwart geld wit te wassen. Hij krijgt echter al snel serieuze betalingsproblemen en roept dan de hulp in van advocaat Nicolai Dyhr, partner bij het prestigieuze kantoor Horten uit Kopenhagen. Die moet ervoor zorgen dat er bij een faillissement van Hansen geen lijken uit de kast vallen.

Met verborgen camera’s documenteert deze unheimische vierdelige serie hoe de onder- en bovenwereld eendrachtig samenwerken om de wet te omzeilen of te breken. Amira Smajic betoont zich intussen een vaardige manipulator, die de gasten op haar kantoor verleidt – en soms ook bijna uitlokt – om zich uit te spreken over zaken die het daglicht niet kunnen verdragen en die en passant ook bewijsmateriaal tegen hen verzamelt.

In een soort verhoorsetting probeert Brügger, zelf ook niet vies van een dramatisch opgezet rollen- of dubbelspel, ondertussen te vatten wat Smajic’s motivatie is voor deze waaghalzerij voor de camera, die de hele (onder)wereld straks kan aanschouwen. Waarom is ze bereid om haar eigen veiligheid op het spel te zetten? Ook hij kan De IJskoningin echter moeilijk peilen – al maakt haar dat meteen een intrigerend personage.

Brügger maakt soms echt een ingewikkeld schimmenspel van deze miniserie, maar toont tegelijk ondubbelzinnig aan dat ook Denemarken, in de afgelopen jaren zesmaal gekozen tot minst corrupte land ter wereld, zeker niet vrij is van ondermijning. En dat heeft desastreuze gevolgen voor enkele vertegenwoordigers van de bovenwereld die, zo laten die verborgen camera’s feilloos zien, hun morele kompas hebben uitgeschakeld.

Daarmee ondermijnen ze niet alleen hun eigen positie, maar ook die van al hun integere vakgenoten.

American Manhunt: Osama bin Laden

Netflix

Na ruim een kwartier speeltijd, waarin de terroristische aanslagen in New York van 11 september 2001 worden gereconstrueerd, zijn de Amerikaanse contraterrorisme-experts ‘t erover eens: dit is een operatie van Osama bin Ladens islamitische terreurorganisatie Al-Qaeda. ‘Dat durf ik te wedden op mijn kinderen’, beweert veiligheidsadviseur Michael Morell volgens eigen zeggen op de ochtend van de aanslagen tegen president George W. Bush. De American Manhunt: Osama bin Laden (183 min.) kan gaan beginnen.

Daarna gaat de driedelige docuserie van Daniel Sivan en Mor Loushy zo’n tien jaar terug in de tijd: naar de jaren negentig waarin de Saudische rijkeluiszoon zich steeds nadrukkelijker als de aartsvijand van de Verenigde Staten begint te manifesteren. In een interview in 1998 met John Miller – waarvan de antwoorden niet worden vertaald, zodat de journalist niet kan doorvragen – verklaart hij Amerika de oorlog. En daarna behandelt American Manhunt de maanden vóór 9/11, als de inlichtingendiensten signalen oppikken dat Bin Laden snode plannen heeft. Waar en wanneer hij wil toeslaan, is echter ongewis.

Tijdens een turbulente bijeenkomst van Bush’ oorlogskabinet in de dagen na de aanslagen is het vervolgens niet Minister van Defensie Rumsfeld die de toon zet voor de respons, maar een John Wayne-achtige CIA-functionaris: Cofer Black. Hij heeft een eenvoudige boodschap die de president aanspreekt: over zes weken zijn die terroristen allemaal morsdood. Voor het Team Jawbreaker dat even later naar Afghanistan vertrekt, waar Bin Laden onder bescherming van de moslimfundamentalistische Taliban leeft, heeft Black een al even simpel bevel: ‘Zijn hoofd in een doos, voor de president.’

Zo eenvoudig zal die missie echter helemaal niet blijken te zijn – hoewel de Amerikanen Osama bin Laden al aan het einde van de eerste aflevering denken te hebben gevonden in het grottencomplex Tora Bora. Als Barack Obama George Bush in 2009 opvolgt als president, verblijft Amerika’s Nemesis nog altijd op vrije voeten. Tot groot verdriet van gedreven CIA-analisten zoals Gina Bennett en Cindy Storer, die in aflevering 2 rondlopen met een flink schuldgevoel, lang niet alle keuzes van hun eigen overheid ondersteunen en dan ook nog eens in het openbaar worden geridiculiseerd als slampampers.

Het zal uiteindelijk bijna tien jaar duren – waarin er bijvoorbeeld, als reactie op 9/11, een oorlog wordt uitgevochten in Irak, die in deze miniserie nauwelijks wordt benoemd – voordat Bin Laden alsnog met de ‘oog om oog, tand om tand’-benadering van de Amerikanen wordt geconfronteerd. De jacht op het terroristische icoon wordt in deel 3 gereduceerd tot een enerverende militaire operatie, die met typisch Amerikaanse bravoure wordt gereconstrueerd. Bin Laden wordt daarbij nooit meer dan een archetypische schurk – codenaam: Geronimo – die uit de weg moet worden geruimd.

Dat scharnierpunt in de moderne geschiedenis van de Verenigde Staten – van de aanslagen van 11 september 2001 tot de uitschakeling van de man die daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden – wordt bovendien volledig vanuit Amerikaans perspectief en zonder enige kritische kanttekening belicht. Daarmee is deze driedelige episode over Osama bin Laden een stuk minder gelaagd dan eerdere American Manhunt-series over The Boston Marathon en O.J. Simpson – en daardoor, ook door het opzichtige spierballenvertoon, tevens minder interessant.

Mr. Dynamite: The Rise Of James Brown

Jagged Films

Ook hij breekt halverwege de jaren zestig door via het programma van de meest kleurloze gastheer uit de televisiegeschiedenis: Ed Sullivan (ahum). James Brown (1933-2006), ‘the hardest working man in show business’, bevindt zich in goed gezelschap. Elvis Presley, The Beatles en The Stones glorieerden eveneens bij de houterige host.

Brown staat erop dat hij met zijn eigen band The Famous Flames mag optreden en geeft, croonend als een krolse kater en dansend als de enige echte voorvader van Michael Jackson, een nauwelijks te overtreffen performance. Die eindigt met de entree van ‘s mans assistent Danny Ray. Als de soulzanger tijdens het wanhopige Please Please Please theatraal door de knieën gaat, gooit hij een cape over de man heen en begeleidt hem van het podium. Het is de treffende apotheose van een wervelwindoptreden, dat James Brown later nog een welgemeende klap op de rug van Sullivan oplevert.

Zijn kostje lijkt daarmee gekocht – al is de Amerikaanse soulzanger en funkmeister geen man om dat dan uitbundig te vieren met zijn muzikale gevolg. Hij geldt als een ‘loner’, een man die alle touwtjes in handen wil houden en een perfectionist die met minder nooit genoegen neemt. In Mr. Dynamite: The Rise Of James Brown (120 min.) gaat Alex Gibney niet zozeer op zoek naar de achtergronden daarvan. Browns uiterst armoedige jeugd zonder moeder, hoe hij daarna opgroeide in het bordeel van zijn tante Honey en de jeugddetentie die hij kreeg vanwege diefstal worden in enkele zinnen afgedaan.

Dit is een film over James Browns muzikale hoogtijdagen en hoe die, al dan niet toevallig, samenvallen met een nieuw zwart bewustzijn. In 1968 schrijft hij het lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, Say It Loud – I’m Black And I’m Proud. Gibney illustreert ’s mans schier onaantastbare positie als boegbeeld van de zwarte gemeenschap met beelden van Browns optreden in Boston, een dag na de moord op de Afro-Amerikaanse leider Martin Luther King op 4 april van dat jaar, waarbij hij resoluut rellen in de kiem smoort. Zijn woord is dan nog wet in de zwarte gemeenschap.

Want als Brown later publiekelijk de Republikeinse president Nixon omarmt, wordt hem dat bepaald niet in dank afgenomen. ‘Soul Brother No. 1’ komt te boek te staan als een verrader van de goede zaak, een man bovendien die zijn beste tijd lijkt te hebben gehad. Gibney tekent die geschiedenis in deze muziekfilm uit 2014 op met een combinatie van fraai archiefmateriaal, oude televisie-interviews met de man zelf en gesprekken met Browns bandleden Bobby Byrd, Alfred ‘Pee Wee’ Ellis, Martha High, Fred Wesley, Clyde Stubblefield, John ‘Jab’o’ Starks, Bootsy Collins en de broers Melvin en Maceo Parker.

En ook Afro-Amerikaanse iconen zoals Al Sharpton, Chuck D en Ahmir ‘Questlove’ Thompson doen nog hun duit in het zakje over de ‘Godfather of Soul’. De man daarachter – een kerel die zijn handen bijvoorbeeld niet altijd thuis kon houden – blijft een enigma. Alex Gibney en mede-initiatiefnemer Mick Jagger, die zelf natuurlijk ook nog even aan het woord komt over zijn inspirerende tijdgenoot, kiezen liever voor de zanger, de danser, het fenomeen James Brown. Ofwel voor: Mr. Dynamite.

We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies

PBS

‘Say it loud’, croonde James Brown. ‘I’m black and I’m proud.’ Het werd eind jaren zestig het lijflied van een nieuwe beweging. En hij, de vuige, bezwete en sexy zanger, werd de vaandeldrager van een nieuwe muziekstroming: funk. Die maakte korte metten met Motown, het platenlabel waarmee Berry Gordy zwarte muziek acceptabel had gemaakt voor een wit publiek. Zijn artiesten mochten niet al te wulps dansen en al helemaal geen politieke statements maken. In een tijd dat Half Amerika in brand stond door de strijd voor burgerrechten van Afro-Amerikanen.

Funk wilde allesbehalve braaf zijn. En de groove werd allesbepalend. Alles op de één. Zodat je wilt – nee, niet anders kúnt dan: – dansen. Browns muziek was een kwestie van ‘simplexity’, stelt één van de sprekers in We Want The Funk!: A History Of Funk Music And Black Liberation In The Seventies (82 min.). Het lijkt zo simpel, maar probeer alles maar eens helemaal kloppend te krijgen. Na Brown volgden Sly & The Family Stone, met de moddervet slappende bassist Larry Graham, en Parliament/Funkadelic. En toen was de funk wel helemaal volgroeid.

Regisseur Stanley Nelson heeft deze gedegen docu helemaal volgepropt met dampende muziekfragmenten. Hij plaatst het genre met George Clinton en Jeanette Washington-Perkins (Parliament/Funkadelic), Robert ‘Kool’ Bell (Kool & The Gang), Leo Noncentelli (The Meters), Nona Hendryx (Labelle), Questlove (The Roots), David Byrne (Talking Heads), Fred Wesley (The J.B.’s) en diverse kenners en historici nadrukkelijk binnen de zwarte historie, religie en cultuur en laat enkele muzikanten bovendien demonstreren hoe je iets gigantisch kunt laten funken.

Via het multitalent Prince, de afrobeat-pionier Fela Kuti én spierwitte acts zoals Elton John, David Bowie en Talking Heads werkt Nelson (Miles Davis: Birth Of The Cool, Attica en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy) vervolgens toe naar hiphop, een muziekgenre dat bijna bestaat bij de gratie van vette funksamples. Het uitgangspunt is in wezen precies hetzelfde. ‘Free your mind’, verwoordt Dr. Todd Boyd, kenner van (Afro-)Amerikaanse cultuur, dit geheel in stijl. ‘And your ass will follow.’