All About The Money

Fís Éireann Screen Ireland

Hoeveel geld hij ook weggeeft, zijn kapitaal blijft toch wel intact – of het groeit zelfs gestaag door. Als telg van één van de allerrijkste families van de Verenigde Staten behoort James ‘Fergie’ Chambers tot de meest vermogende 0,01 procent van de Amerikaanse bevolking. Fergie, die met zijn petten, hoodies en tattoos oogt als de eerste de beste anti-globalist, is goed voor meer dan 250 miljoen dollar en weet feitelijk van gekkigheid niet wat hij met al dat geld aan moet.

Hij kan er zijn eigen communistische leefgemeenschap mee financieren, om maar eens wat te noemen. In Alford, op het platteland van Massachusetts, laat ie een groep stijflinkse activisten gratis op zijn land wonen. De commune is bedoeld als een soort proeftuin voor een andere manier van leven – en de totale ontwrichting van het kapitalistische systeem. Behalve All About The Money (95 min.) is Fergie namelijk ook van de extreme ideeën. En dat begint zich na de aanslagen van Hamas van 7 oktober 2023 te wreken.

Wanneer Israël keihard terugslaat in Gaza, begint de rijkeluiszoon zich publiekelijk uit te spreken voor Hamas en brengt zo ook ‘zijn’ communeleden in lastig vaarwater. De Ierse documentairemaakster Sinéad O’Shea volgt Chambers en zijn begunstigden dan al enige tijd en blijft hem ook daarna opzoeken als hij het land ontvlucht, in Tunesië belandt en daar direct weer nieuwe initiatieven ontplooit, terwijl de anderen verweesd achterblijven en worden geconfronteerd met de consequenties van hun acties.

Als ‘extreem rijk, wit lid van de Amerikaanse bourgeoisie’ lijkt Fergie de dans te ontspringen. Hij begint zich echter steeds meer te gedragen als een ongeleid projectiel, komt daarmee ook zelf in de problemen en geeft intussen ook het een en ander prijs over z’n getroebleerde verleden. O’Shea confronteert hem met de tegenstrijdigheden in zijn leven, maar zorgt er ook voor dat ze een goede werkrelatie behouden. Zo houdt zij toegang tot deze ‘rich kid with daddy issues’ die écht in een parallelle wereld leeft.

All About The Money groeit ondertussen uit tot een totaal demasqué, een ontluisterend portret van een man die zich, ondanks z’n maatschappelijke idealen, vooral onledig lijkt te houden met het vullen van de leegte in zichzelf. Fergie, die al vervreemd is geraakt van zijn familie en nu ook z’n geliefde Stella Schnabel dreigt kwijt te raken, wordt daarmee het levende bewijs van de gedachte dat geld weliswaar niet gelukkig maakt, maar wel verdomd handig is bij het ontlopen van de consequenties van je eigen gedrag.

Ultras

Story / Autlook

Wat er op het veld gebeurt lijkt bijzaak. De belangrijkste bijzaak van de wereld, dat wel. Zowel voor de Ultras (88 min.) zelf als in deze documentaire van Ragnhild Edner over hen. De Zweedse filmmaakster, zelf fanatiek supporter van IFK Göteborg, richt haar camera op de mensen voor wie voetbal een religie lijkt. Ze vormen één grote (vul de clubkleuren in:) … familie. In hun kerken, de stadions, belijden ze samen hun geloof. In zichzelf, elkaar en hun club. Verbonden voor het leven, van de wieg tot de kist. Ook in hun weerzin tegenover de eeuwige rivaal, de vijand, de staat.

De club is van hen en in elk geval véél groter dan willekeurig welke topvedette of succescoach. Zíj – en niemand anders – zíjn Boca JuniorsLech Poznan of Manchester City. En dat gevoel is in Europa of Zuid-Amerika niet wezenlijks anders dan in Afrika of Azië. Edner focust zich op het collectief en slechts beperkt op het individu daarbinnen. Geen exotische varianten dus op Jan met de pet en een Ajax-hart, de onverbeterlijke Feyenoord-hooligan of een boerse Eindhovenaar die z’n stem stuk zingt op hoe PSV eens per jaar kampioen wordt. Wel op wat mensen zoals zij van hun club krijgen.

Ultras is een portret van een – afhankelijk van je gezichtspunt – al jaren florerende subcultuur, van vooral mannen, die zich dwars door rangen, standen en klassen beweegt. Met z’n geheel eigen regels, codes en uitingsvormen. Individuele supporters doen er in wezen niet toe in deze observerende film en blijven dus volledig buiten beeld. Zij willen vaak zelf ook niet herkenbaar zijn voor rivaliserende clans, problemen met de wet vermijden én geen doelwit worden voor de autoriteiten. Want een autocratische regime kan het stadion ook zomaar gebruiken als een proeftuin voor repressie.

Ultras uit Egypte ontdekten tijdens de Arabische Lente in 2011 bijvoorbeeld welke maatschappelijke kracht ze konden ontwikkelen, de feminiene supportersgroep Ladies Curva Sud van PSS Sleman probeerde in Indonesië de positie van vrouwen te verbeteren en fans van het inclusieve Eastbourne Town maakten, met de slogan ‘this club belongs to you and me’, een vuist tegen het grootkapitaal in de Britse Premier League. Het sleutelwoord voor al deze fanatieke clubs lijkt ‘samen’. Door goede en slechte tijden. Dik en dun. Waarbij ook hier natuurlijk niemand groter is dan die vermaledijde club.

Ragnhild Edner probeert dat collectieve gevoel te vatten in grootse beelden van de supportersschare als familie, leger of meute en heeft van haar documentaire, aangestuurd met een persoonlijke voice-over over haar eigen ervaringen als voetbalfan, dus eerst en vooral een kijkfilm gemaakt. Die de ultra-cultuur met een antropologische blik beziet en toegankelijk maakt voor eenieder die zich eens wil verdiepen in deze bijzondere mensensoort.

The Python Hunt

Artists Equity

Florida is tegenwoordig python-territorium. In het Everglades National Park zijn inmiddels meer Birmese wurgslangen te vinden dan goed is voor de biodiversiteit in het natuurgebied. Naar de reden daarvoor blijft het gissen: zijn de reptielen, die oorspronkelijk alleen in Zuidoost-Azië voorkwamen, na de orkaan Andrew ontsnapt bij een importeur van exotische dieren? Of hebben eigenaren hen gedumpt toen ze te groot werden? Feit is dat de pythons zich razendsnel hebben voortgeplant en dat ze ook een serieus gevaar kunnen opleveren voor mensen.

En Amerika zou Amerika niet zijn als deze uitdaging niet vooral wordt beschouwd als de ideale gelegenheid voor een wedstrijd. De plaatselijke overheid organiseert dus jaarlijks een challenge: wie kan er in tien dagen de meeste pythons vangen? Dat idee vormt meteen het startschot voor de documentaire The Python Hunt (92 min.) van Xander Robin, waarbij Lance Oppenheim als producer betrokken is. Dat is ook duidelijk herkenbaar: deze koortsdroom van een film doet qua personages, opbouw en sfeer onmiskenbaar denken aan Oppenheims producties Spermworld en Ren Faire.

Het is een donker land dat Robin toont. Letterlijk: een belangrijk deel van zijn film speelt zich af in het duister als jagers dagenlang, ogenschijnlijk doelloos, rondrijden door Florida’s moerasgebied, spiedend naar hun prooi in het struikgewas en gadegeslagen door de onvermijdelijke camera, ook van henzelf. Totdat er ineens ruw wordt geremd, iemand opgewonden ‘Python!’ roept en de jacht daadwerkelijk kan beginnen. En figuurlijk: de jacht op ‘the animal you love to hate’ haalt niet alleen het beste in de mensch boven. Sommige avonturiers willen vooral eens een wild dier doden.

Anne Stratton Hilts, een 82-jarige weduwe uit Tucson, vindt de jacht zelf bijvoorbeeld saai. Zij wil vooral een mes in de kop steken van zo’n beest, dat volgens haar de plaatselijke flora en fauna verziekt. Anne gaat in een motel zitten wachten, totdat gids Toby Benoit, een gemoedelijke ‘southerner’ die zich heeft opgeworpen als chroniqueur van deze wereld, haar de beloofde python levert. Docent Richard Perenyi is intussen alweer voor het derde jaar overgekomen uit Californië om deel te nemen aan de Python Challenge. Hij wil, zegt ie zelf, spijt hebben van wat hij wél heeft gedaan in zijn leven.

De jacht op de wurgslangen, een enerverend schouwspel, is ook niet slecht voor het lokale toerisme. Een bareigenaar organiseert zelfs een Python Festival en looft duizend dollar prijzengeld uit voor het langste exemplaar. Jimbo McCartney ziet de komst van al die buitenstaanders – er zijn zelfs hobbyjagers uit België – met lede ogen aan. Om hen te ontmoedigen legt hij enorme nepslangen in de struiken. Met zijn negentienjarige dochter Shannon probeert Jimbo intussen zelf ook pythons te vangen. De jacht is nu eenmaal – dat weten ze niet alleen in ‘America’s arsehole’, Florida – véél mooier dan de vangst.

Het is ondertussen wel de vraag of die pythonpopulatie het werkelijk probleem is. Wordt Florida’s biodiversiteit niet veel meer bedreigd door vervuiling en het gebruik van pesticiden? Zulke vragen komen in de kantlijn aan de orde in deze broeierige film, vol kleurrijke personages en spannende scènes en afgetopt met een zinnenprikkelende soundtrack, die ook als alle pythons (niet) zijn gedood of gevangen nog wel een tijdje nazindert.

Southern Comfort

HBO

In het diepe Amerikaanse zuiden, het land van ‘good ol’ boys’, heeft documentairemaakster Kate Davis rond de eeuwwisseling een kleine en hechte transgemeenschap gevonden: Southern Comfort (88 min.). Samen houden ze zich staande in een omgeving, die doorgaans weinig op heeft met LHBTIQ+-ers.

De beminnelijke Robert Eads is de centrale figuur van dit kleurrijke gezelschap uit Toccoa, Georgia. Als Davis met ‘papa Robert’ begint te filmen, weet de transman dat ie nog maar kort heeft te leven. Hij heeft eierstokkanker. Het is een wrede grap, zegt Eads nuchter en met een kenmerkende ‘southern drawl’, dat mijn laatste vrouwelijke deel nu ook voor mijn dood zorgt.

Het duurde even voordat duidelijk werd wat er precies aan de hand was met hem. Een aantal artsen en ziekenhuizen in wat hij gekscherend – zonder dat ’t overigens grappig wordt – ‘KKK-gebied’ of ‘Bubbaland’ noemt, weigerden Robert Eads in eerste instantie te behandelen. De overwegingen van deze professionals leken het midden te houden tussen koudwatervrees en pure onwil.

De pijp rokende transman heeft inmiddels een relatie met de transvrouw Lola en bekommert zich als een vader om de transjongen Maxwell. Die onderhoudt geen contact meer met zijn biologische familie en heeft zo z’n eigen frustraties over de medische zorg die mensen zoals zij krijgen. Ze weigeren om hen compleet te maken, vindt Maxwell. Zodat zij zich écht man kunnen voelen.

Zo krijgen de leden van deze ‘gekozen familie’ regelmatig te maken met weerstand, vooroordelen én ongemak. Roberts vader, voor deze film geanonimiseerd, introduceert hem bij vreemden bijvoorbeeld als zijn neef. Hij haast zich vervolgens om te zeggen dat ie zich niet voor z’n kind schaamt. De buren hoeven alleen niet te weten dat Barbara inmiddels als Robert door het leven gaat.

Als hij jeugdfoto’s van zichzelf als meisje bekijkt, kan zijn zoon ‘t niet laten om dit grappend zijn travestieperiode te noemen. Hij herinnert zich ook nog goed hoe ie ‘als man’ zwanger was. En hoewel zijn inmiddels volwassen zoon hem graag wil accepteren, noemt die hem nog steeds ‘mom’. De enige die hem gewoon neemt zoals ie is, is Roberts driejarige kleinkind. Dat weet niet beter.

Binnen Southern Comfort is er een vergelijkbare veiligheid en vanzelfsprekendheid. Deze ‘familieleden’ vormen een hecht collectief. Met wijlen Robert Eads als eloquente vertolker van het recht om te zijn wie je bent en om lief te hebben wie je wilt – en om van te worden gehouden.

Miracle: The Boys Of ’80

Netflix

Een ijshockeystadion als arena om de Koude Oorlog nog eens uit te vechten. Op weg naar een gouden medaille op de Olympische Spelen van 1980 in Lake Placid stuiten de ‘underdogs’ van de Verenigde Staten op de gedoodverfde kampioen, de Sovjet-Unie. Drie keer raden wie er wint in de (typisch) Amerikaanse sportdocu Miracle: The Boys Of ‘80 (101 min.). En die zege betekent natuurlijk véél meer dan zomaar een gewonnen ijshockeywedstrijd.

Ruim 45 jaar later nemen enkele sleutelfiguren uit dat legendarische Amerikaanse team gezamenlijk plaats op de tribune van het Olympic Center, om beelden terug te kijken en herinneringen op te halen. Hun bikkelharde coach Herb Brooks (1937-2003) maakte destijds een hecht team van deze mannen, die elkaar vanuit verschillende teams jarenlang naar het leven hadden gestaan. Geen beter team immers dan een ‘team of rivals’. En coach Brooks wilde best als hun gezamenlijke vijand fungeren.

Dat ging niet bepaald subtiel. ‘Je hebt niet genoeg talent om daarop te leunen’, zei hij tegen de één, ‘gouden benen, maar oerdom’ tegen een ander. En Mike Eruzione kreeg te horen dat hij speelde met ‘a ten pound fart’ op z’n hoofd. ‘Hoe ziet zo’n scheet eruit?’ vraagt Eruzione zich nog altijd af. ‘Ik ben 68 en ik word nog steeds ‘s nachts zwetend wakker’, bekent zijn teamgenoot Steve Janaszak. ‘Janaszak, je speelt elke dag slechter’, zei Herb Brooks tegen hem. ‘Je speelt nu al als volgende week.’

Met andere woorden: zonder Brooks’ ‘tough love’ zouden de Yanks op 22 februari 1980 geen enkele kans hebben gehad tegen de ongenaakbare Sovjets. Die boodschap hameren de filmmakers Max Gershberg en Jacob Rogal er stevig in, terwijl ze de weg naar die allesbeslissende match afleggen en de voornaamste hoofdrolspelers op deze route eruit lichten. En dat met het verslaan van de ‘Soviet bastards’ ook het gedachtegoed van deze vijanden van de vrijheid onschadelijk zou worden gemaakt.

De ironie van dat idee – gezien de huidige ontwikkelingen in de Verenigde Staten – gaat volledig aan deze ronkende documentaire voorbij. In dat opzicht is het patriottische Miracle: The Boys Of ’80 inderdaad een typisch Amerikaanse film: met hun zogeheten ‘miracle on ice’ creëren de helden van weleer, stuk voor stuk aandoenlijke kerels overigens, een aantrekkelijk David & Goliath-verhaal dat nog altijd tot de verbeelding spreekt. Al is een overwinning op het ‘evil empire’ zeker nog geen garantie voor goud.

I’m Carl Lewis!

VRT

Als negenjarig joch mag Carl Lewis op de foto met de Afro-Amerikaanse atletieklegende Jesse Owens. Een kleine vijftien jaar kan Lewis zowaar in de voetsporen treden van zijn grote held, die tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn vier gouden medailles in de wacht sleepte. Hij staat bij de Spelen van 1984 in Los Angeles aan de start bij dezelfde onderdelen als Owens: de 100 meter en 200 meter sprint, het verspringen en de 4×100 meter estafette.

Vier gouden medailles maken van hem echter nog geen volksheld. Ondanks zijn kamerbrede glimlach wordt Carl Lewis beschouwd als arrogant, geldbelust en veel te berekenend. Zeker geen aaibare allemansvriend. Er wordt bovendien gefluisterd dat hij homo is. Die geruchten bezorgen hem ook een weinig vleiende bijnaam: The Flying Faggot. Het feit dat Lewis zich uitstapjes richting de entertainmentwereld veroorlooft werkt daarbij ook niet in zijn voordeel.

In de gedegen sportdocumentaire I’m Carl Lewis! (99 min.) blikt de voormalige ‘wonder boy’ op zijn lange carrière. Hij wordt daarbij in de rug gesteund door onder anderen zijn broer Cleve (oud-voetballer) en zus Carol (voormalige verspringer), coach Tom Tellez, Nike-oprichter Phil Knight en concurrent Mike Powell. Zij plaatsen hem op één lijn met de iconen Michael Jordan, Tiger Woods en Muhammad Ali, als één van de grootste Amerikaanse sporters aller tijden.

De filmmakers Julie Anderson en Chris Hay maken het Lewis verder niet al te moeilijk. Ook niet als zijn rivaliteit met de Canadese sprinter Ben Johnson aan de orde komt. In de aanloop naar de Spelen van 1988 in Seoul beschuldigt Lewis zijn concurrent van dopinggebruik. Nadat Johnson de 100 meter heeft gewonnen, test ie daadwerkelijk positief. Hij moet z’n gouden plak afstaan aan Lewis. Enkele maanden eerder is die alleen zelf, zo blijkt later, ook betrapt.

De voormalige topatleet doet dat een kleine dertig jaar later af als een vergissing. ‘Ik heb nooit prestatieverhogende middelen gebruikt’, zegt Lewis stellig. ‘Die had ik niet nodig.’ Een Chinees kruidensupplement zou destijds voor de positieve test hebben gezorgd – hoewel in Daniel Gordons documentaireklassieker 9.79 (2012), waarin alle finalisten van die beruchte 100 meter aan het woord komen, toch echt wordt geïmpliceerd dat ook Carl Lewis niet brandschoon was.

Hij is uiteindelijk echter min of meer onbeschadigd uit de strijd gekomen, met maar liefst negen Olympische gouden medailles. Er wordt hem inmiddels ook een sleutelrol toegedicht in de professionalisering en commercialisering van zijn sport. Lewis zit er tegenwoordig duidelijk ook warmpjes bij. Als hij alleen in een bubbelbad in zijn tuin zit en vertelt dat hij nog nooit een lange relatie heeft gehad, krijgt dat echter ook wel iets treurigs. Wie is hij behalve de gewezen sportheld?

How Much Wood Would A Wouldchuck Chuck…: Beobachtungen Zu Einer Neuen Sprache

Werner Herzog Filmproduktion

‘Ich kann es gar nicht glauben’, zegt Steve Liptay, de nieuwe wereldkampioen veeveilen. ‘Jetzt bin Ich es!’ Althans, zo klinkt ‘t als Werner Herzog één van de hoofdpersonen van zijn korte documentaire How Much Wood Would A Wouldchuck Chuck…: Beobachtungen Zu Einer Neuen Sprache (46 min.) in het Duits nasynchroniseert. In werkelijkheid zegt de man, die zojuist zijn kinderdroom heeft verwezenlijkt: ‘I just can’t believe that I’ve done it. It’s a golden life.’

Een goede veilingmeester heeft de gave des woords, gevoel voor ritme en oog voor wie er daadwerkelijk geïnteresseerd is. Want kopers maken zich kenbaar middels kleine, soms nauwelijks herkenbare handbewegingen. Intussen draaft het vee, de koopwaar, letterlijk op, zodat het door de potentiële kopers kan worden beoordeeld. Het is een opmerkelijke setting voor een wereldkampioenschap. Want hoewel er alleen deelnemers zijn uit de Verenigde Staten en Canada, 53 in totaal, gaat het toch om het World Livestock Auctioneer Championship. Dit is en blijft tenslotte Amerika.

Herzog kijkt in deze korte docu uit 1976 mee als de dertiende editie van deze folkloristische wedstrijd, met voor het eerst ook een vrouwelijke titelpretendent, zich voltrekt in Pennsylvania en laat tussendoor enkele deelnemers aan het woord. De ene veilingmeester par excellence vertelt dat ie, onderweg voor zijn werk, op de snelweg alvast z’n mogelijke teksten oefent. Hij kan volgens eigen zeggen inmiddels vee verkopen aan de telefoonpalen. Een ander repeteert zijn ‘geratel’, dat afwisselend bewondering en een lachstuip oproept, tijdens het melken van koeien.

Het kampioenschap vindt overigens plaats in New Holland, het leefgebied van een bevolkingsgroep die zich juist afkeert van het kapitalisme: de Amish. In ‘Pennsylvaniadeutsch‘, het Westmiddelduitse dialect dat zij met elkaar spreken, bestaat zelfs helemaal geen woord voor ‘wereldkampioenschap’. En Herzog zou verder Herzog niet zijn als hij daar aan het eind, nadat ie zich het leeuwendeel van de film behoorlijk koest heeft gehouden, niet nog een grote, lekker pretentieuze draai aan geeft. Verder beperkt Der Werner zich, gelukkig, veelal tot ‘show, don’t tell’ – en ‘sell’.

Mondri(a)an – En Route To New York

Cinema Delicatessen / Mokum

Dear Holtzman, begint Piet Mondriaan (1872-1944) zijn post aan de Amerikaanse kunstenaar Harry Holtzman, met wie hij in Parijs bevriend is geraakt. Vanaf 1937 stuurt de Nederlandse schilder regelmatig brieven aan zijn geestverwant, die nu als onderlegger fungeren voor de documentaire Mondri(a)an– En Route To New York (72 min.) van regisseur Pim Zwier, die eerder films maakte met een vergelijkbare opzet: O, Eieren Verzamelen In Weerwil Van De Tijd (2021) en Metamofose (2023).

Mondri(a)aan bevat opnieuw een persoonlijke voice-over van het hoofdpersonage, ditmaal ingesproken door de acteur Peter Bolhuis, maar heeft verder wel een geheel eigen toonzetting, ritme en kleurstelling en is eerder te vergelijken met een recente archieffilm zoals Nesjomme. Het dagelijks leven van eind jaren dertig en de grote gebeurtenissen van die tijd, vervat in ‘found footage’ dat geheel in (de) stijl wordt uitgespeeld, lekken door naar de persoonlijke geschriften van de kunstenaar.

‘Dear Holtzman, until now I was able to work quietly in Paris, but now I will probably be chased away from here when war breaks out’, schrijft Piet Mondriaan op 9 september 1938 bijvoorbeeld tamelijk vormelijk aan zijn Amerikaanse vriend. ‘I should like to come to New York and rent a room. A studio would be too expensive. In order to enter America it is necessary for me to have an invitation from a friend there. Therefore I’m asking you to send me this invitation, so that I can show this invitation on entry.’ 

Holtzmans antwoorden ontbreken in deze documentaire. Uit Mondriaans brieven spreekt echter dat hij nog altijd volledig wordt opgeslokt door zijn werk. Dat vertrek naar Amerika wordt dus steeds uitgesteld en zal uiteindelijk pas na een tussenstop in het door de nazi’s geteisterde Londen alsnog gestalte krijgen. Tot 1 februari 1944 werkt Piet Mondriaan in zijn New Yorkse studio. Nadat hij aan een longontsteking overlijdt, fotografeert Harry Holzman daar zijn laatste werk, Victory Boogie Woogie.

Voor Zwier is vorm inhoud in deze gestileerde film. Mondriaans kunst vormt dus een integraal onderdeel van de vertelling, met veel gebruik van split screen, een straffe vlakverdeling en uitgekiend gebruik van lijnen en vlakken in primaire kleuren. Tegelijkertijd is deze film, ondanks ’s Mondriaans opspelende gezondheidsproblemen en de wild om zich heen grijpende Tweede Wereldoorlog, eerder een intellectuele en artistieke exercitie geworden dan een hartveroverend persoonlijk verhaal.

Breakdown: 1975

Netflix

Ooit wisten Amerikanen het min of meer zeker: aan het eind winnen ‘the good guys’. In 1975 is dat echter bepaald niet meer zo vanzelfsprekend. Enkele politieke moorden, Watergate en de Vietnamoorlog hebben geknaagd aan het zelfvertrouwen van de trotse natie, die het jaar erop precies twee eeuwen zal bestaan. En dat gevoel wordt weerspiegeld in Hollywood. ‘1975 was het beste jaar om mensen een film met een slechte afloop te geven’, stelt acteur/komiek Patton Oswalt in het aantrekkelijke essay Breakdown: 1975 (91 min.) van Morgan Neville. ‘Ze gingen er massaal naartoe.’

Naar de rampenfilms The Towering Inferno en The Poseidon Adventure. ‘Revenge-o-matics’ zoals het omstreden Charles Bronson-verhikel Death Wish. De Blaxploitation-hits Shaft, Super Fly en Sweet Sweetback’s Baadasssss Song. Paranoiathrillers zoals The Conversation, Three Days Of The Condor en The Parallax View. En, natuurlijk, de hits van ‘New Hollywood’, toen de gekken zogezegd even het gesticht mochten runnen en zwartgeblakerde klassiekers afleverden zoals One Flew Over The Cuckoo’s Nest, Taxi Driver, Chinatown, All The President’s Men, Dog Day Afternoon en Network.

Aan de hand van de meest uitgesproken films van halverwege de jaren zeventig, slim met elkaar versneden en toegelicht door een combinatie van direct betrokkenen, beschouwers en liefhebbers zoals Martin Scorsese, Ellen Burstyn, Oliver Stone, Peter Biskind, Seth Rogen en Bill Gates doet Neville, via zijn verteller Jodie Foster, het verhaal van een samenleving die zogezegd in een ‘post-alles en pre-niets’-tijdperk verzeild was geraakt. Amerika bleek hard toe aan introspectie. Of, in de woorden van die tijd: de Verenigde Staten moesten gaan werken aan zichzelf. Tijd dus voor ‘De Mij-generatie’.

Breakdown: 1975 openbaart zich intussen als een film van grote ideeën, meeslepende verhalen en soms ook behoorlijk korte bochten. Gesitueerd in het jaar, waarin via een televisiepersonage zoals Archie Bunker (All In The Family), de Oscar-winnende documentaire Harlan County USA en de entree van de rozige tv-series Happy Days en Little House On The Prairie tevens de toekomst van Amerika zichtbaar begon te worden. In de vorm van pak ‘m beet cultuuroorlogen, een gedesillusioneerde arbeidersklasse en opperste nostalgie, het verlangen naar een land dat in werkelijkheid nooit had bestaan.

Het einde van dit kanteljaar in de Amerikaanse (film)historie werd natuurlijk ingeluid door – taada, tada, tada, tada, tada, taada! – Steven Spielbergs Jaws, de eerste van een lange rij blockbusters. Toen de beoogde recette in Hollywood definitief de overhand leek te krijgen op artistieke zeggingskracht. Tegelijk trok de Disney-versie van Amerika de zege naar zich toe. Ook de ‘goeien’ gingen dus weer winnen….

The Last Republican

Media Courthouse Documentary Collective

Samen met Liz Cheney is hij verworden tot de risee van zijn eigen partij. Niet alleen heeft het Republikeinse congreslid Adam Kinzinger begin 2021 vóór het opstarten van een afzettingsprocedure tegen de Amerikaanse president Donald Trump gestemd. Net als Cheney is hij nu ook toegetreden tot de commissie die de gebeurtenissen op 6 januari van dat jaar – de dag waarop het Capitool, op instigatie van zijn partijgenoot Trump, werd bestormd – officieel gaat onderzoeken.

Rond die tijd begint Steve Pink ook te filmen met The Last Republican (90 min.). De twee komen allebei uit de Amerikaanse staat Illinois, maar hebben verder niets met elkaar. Pink is een klassieke ‘liberal’, Kinzinger een conservatief. In andere tijden zouden ze elkaar te vuur en te zwaard bestrijden. Nu Donald Trump de Republikeinse partij echter volledig heeft overgenomen, zijn ze ineens veroordeeld tot elkaar – en gaan ze zowaar samen een film maken. Over het verval van de Amerikaanse democratie.

Dat gaat in het begin gepaard met enig wantrouwen, maar dat maakt al snel plaats voor een vertrouwelijke sfeer én humor. Wat had je dan verwacht? houdt Pink zijn hoofdpersoon bijvoorbeeld voor, als die weer eens met pek en veren is overgoten door zijn eigen partijgenoten. Het zijn Republikeinen. Uitroepteken. Kinzinger laat zich op zijn beurt ook niet onbetuigd over Pinks verrichtingen als filmmaker – diens Hot Tub Time Machine in het bijzonder – en blijkt over een gezonde dosis zelfspot te beschikken.

Adam Kinzinger is een klassieke conservatieve Republikein, een man die zijn liefde voor het partij-icoon Ronald Reagan nog altijd niet onder stoelen of banken steekt. Hij werd als jongetje al actief voor de partij (van zijn ouders), begon als tiener taferelen uit de Amerikaanse burgeroorlog te re-enacten en nam na 11 september 2021 direct dienst. Als piloot van de United States Air Force raakte hij betrokken bij de oorlogen in Irak en Afghanistan. Een volbloed patriot, kortom, met bovendien bona fide ‘pro life’-ideeën.

Die nochtans wordt uitgekotst door de mensen waar hij al z’n hele leven bij hoort. Vanwege zijn stem tégen Trump en het feit dat hij in die vervloekte onderzoekscommissie is gaan zitten. Niet uit vrije wil overigens, stelt hij tegenover Pink. Nancy Pelosi, de gewiekste leider van de Democraten in het Amerikaanse congres, heeft hem erin geluisd. Tijdens een televisie-interview kondigde Pelosi doodleuk aan dat ze hem zou gaan bellen, in de wetenschap dat hij dan geen nee meer kon zeggen.

The Last Republican biedt talloze van zulke interessante doorkijkjes. Over Kinzingers bijdrage aan de eerste hoorzitting van de commissie bijvoorbeeld, waarin hij enkele politieagenten toespreekt die gebutst en gehavend uit 6 januari zijn gekomen. ‘You guys won!’ houdt hij hen voor, woorden die hem even daarvoor blijken te zijn ingefluisterd door zijn echtgenote Sofia. Bij de gedachte aan wat die agenten hebben doorgemaakt op de dag dat de Amerikaanse democratie werd aangevallen, schiet Kinzinger zelf vol.

En daarmee maakt hij zichzelf tot een doelwit van volksopruiers zoals Tucker Carlson en Sean Hannity. Intussen stromen de bedreigingen permanent binnen, op kantoor en thuis, waar Sofia hun eerste kind verwacht. Met zijn principiële keuze vóór de democratie vervreemdt Kinzinger zich van vrijwel zijn complete natuurlijke omgeving. Zelfs enkele familieleden zien zich genoodzaakt om in een openbare brief afstand van hem te nemen. Het congreslid begint intussen steeds meer te ogen als een gewond dier.

Met deze meeslepende documentaire brengt Steve Pink de ontmanteling van de Amerikaanse democratie in beeld via één enkele man die daaraan weigert mee te werken. Hij toont tevens hoe dat ontluisterende proces doorwerkt bij Adam Kinzinger zelf, zijn directe familie en z’n medewerkers. Want de nasleep van 6 januari wordt behalve een maatschappelijke ook een persoonlijke tragedie. De relativerende humor van het duo Pink-Kinzinger houdt de ellende nochtans draaglijk en de film in balans.

De tijd zal leren of ook die andere Republikeinen ooit nog worden aangesproken op de keuzes die zij maakten in de nasleep van de bestorming van het Capitool.

Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?

All The Empty Rooms

Netflix

En dan staan ze ineens voor de deur, een journalist en een fotograaf. Steve Hartman en Lou Bopp bellen netjes aan. De ouders nemen hen vervolgens mee naar boven. Ze hebben eerder al uitgebreid met de twee gesproken. Naar die immens lege slaapkamer. Alhoewel, leeg? De kamer staat vol met SpongeBob, foto’s en vuile kleren. Met een houten kastje, fleurige schoolprojecten en die ene kattentrui van Amazon. Of: met knuffelberen, roze muren en allerlei lichtjes, die sindsdien nooit meer uit zijn geweest.

Toen verslaggever Steve Hartman van CBS News in 1997 zijn eerste reportage maakte over een schietpartij op school, waren er nog maar zo’n zeventien ‘school shootings’ per jaar in de Verenigde Staten. Inmiddels staat de teller op 132. Om de dag dringt er een schutter een willekeurig schoolgebouw in en maakt daar één of meerdere slachtoffers. Hartman is lam geslagen door al dit uitzinnige geweld en zijn eigen verslagen daarvan. Sinds zeven jaar werkt hij daarom aan een langere productie over de slaapkamers van vermoorde kinderen. Samen met fotograaf Lou Bopp heeft hij er nog drie te gaan.

In de korte documentaire All The Empty Rooms (35 min.) sluit filmmaker Joshua Seftel bij hen aan, te beginnen met de online-kennismaking met de getroffen ouders. Daarna stappen ze samen die huizen binnen, waar het leed nog altijd alomtegenwoordig is. De ouders ontvangen Hartman en Bopp met verhalen over hun kinderen en laat hen  familiefoto’s en -filmpjes zien. Tussendoor koesteren de twee mannen hun eigen kinderen, ook hun dierbaarste bezit. Met zijn dochter Rose maakt Bopp bijvoorbeeld elke dag ‘de ochtendfoto’, om de voortgang van het leven vast te leggen. Die elders ontbreekt.

Hartman denkt tevens na over de rol van de media na de ‘shootings’. Is er niet veel te veel aandacht voor de daders, met de schutters van Columbine als meest navrante voorbeeld? En heeft hij met zijn eigen, veelal positief ingestoken, reportages de wereld niet vaak witgewassen? Met hun productie over de verlaten slaapkamers, en Seftels ingetogen weerslag daarvan, leggen ze de aandacht weer waar die hoort: bij de kinderen. En hun ouders krijgen naderhand een persoonlijk fotoboek. Met herinneringen aan de jurk voor het schoolbal, een schoenenverzameling en briefjes aan een toekomstige zelf.

Free Leonard Peltier

The Film Collaborative

Dat hij op die 26e juni 1975 op de Pine Ridge Indian Reservation in South Dakota op FBI-agenten heeft geschoten, geeft Leonard Peltier toe. Het was volgens hem zelfverdediging. Dat hij de agenten Ronald Williams en Jack Coler in koelen bloede heeft geëxecuteerd, ontkent de ‘Native American’ echter ten enen male. ‘Ik heb nog nooit in mijn leven iemand vermoord’, stelt Peltier, inmiddels begin tachtig. Hij zit al een halve eeuw in de gevangenis. Volgens zijn achterban is hij de langstzittende politieke gevangene van de Verenigde Staten – en een exemplarisch voorbeeld van hoe Amerika z’n inheemse bevolking behandelt.

In Free Leonard Peltier (108 min.) lichten Jesse Short Bull en David France de pijnlijke zaak, die in 1992 al eens werd behandeld in Michael Apteds klassieke documentaire Incident At Oglala, nog eens helemaal door. Daarvoor zoomen ze eerst uit: naar hoe de troosteloze situatie van de oorspronkelijke bewoners van de VS, die steeds opnieuw zijn bedrogen door ‘de witte man’ en ondertussen werden verdreven naar reservaten, begin jaren zeventig noopt tot actie. De belangenorganisatie AIM (American Indian Movement) begint zich te manifesteren met de zogeheten Trail Of Broken Treaties, organiseert een protestactie in het omstreden Bureau Of Indian Affairs en bezet 71 dagen lang Wounded Knee, een plek waar ruim tachtig jaar eerder een enorm bloedbad werd aangericht.

Als het in 1975 tot een dodelijke schietpartij komt bij Pine Ridge – de dood van de ‘Native American’ Joe Stuntz leidt overigens nooit tot vervolging – worden er drie inheemse activisten gearresteerd. Dino Butler en Bob Robideau beroepen zich op zelfverdediging en worden vrijgesproken. Leonard Peltier krijgt echter levenslang – hoewel er nauwelijks bewijs is tegen hem. Daarbij weegt zwaar dat zijn eigen vriendin Myrtle Poor Bear een getuigenverklaring tegen Peltier heeft afgelegd. Één probleem daarbij: Leonard kent Myrtle helemaal niet. Hij verdwijnt desondanks achter de tralies. De ongerijmdheden in deze zaak zullen in de navolgende decennia nog veel aandacht krijgen in de media. Tot vrijlating komt ‘t, ook door aanhoudende protesten vanuit de FBI, echter nooit.

Short Bull en France zetten deze tragische geschiedenis netjes op een rij, met gebruik van split screen en bezwerende inheemse muziek, en sluiten verder aan bij een nieuwe poging van de gedreven activisten Holly Cook Maccaro en Nick Tilsen om Peltier, die inmiddels bijna vijftig jaar vastzit en allerlei gezondheidsproblemen heeft, alsnog vrij te krijgen. Ze hopen president Joe Biden begin 2025 te bewegen om in de allerlaatste dagen en uren van zijn ambtstermijn alsnog amnestie te verlenen aan dit icoon van hun gemeenschap. Dan krijgt deze historische documentaire, die nog wat traag op gang is gekomen, ineens ook een enorme emotionele lading. ‘Ik ben verdomme een strijder’, zegt Peltier vanuit de gevangenis fel tegen Maccaro. ‘Ik ga nu echt niet opgeven!’

Free Leonard Peltier is begin 2025 in première gegaan op het Amerikaanse Sundance Film Festival, maar heeft sindsdien, vanwege nieuwe ontwikkelingen in de zaak, een ander, zeer aangrijpend slot gekregen. En, met een beetje geluk, wordt de vertoning van deze cruciale film over een schandvlek in Amerika’s geschiedenis, net als onlangs op het International Documentary Festival Amsterdam, ingeleid door Leonard Peltier zelf, een man met een broos lichaam, maar nog altijd met een roestvrijstalen wil. ‘We hebben jullie hulp nodig in dit gevecht’, houdt hij de kijker dan voor, recht in de camera kijkend. ‘Één allerlaatste gevecht.’

Connected

SkyShowtime

Als de Russische oppositieleider Aleksej Navalny begin 2021 wordt gearresteerd, kiest de man die hem al jaren openlijk steunt, Dmitry Borisovitsj Zimin, de vlucht naar voren. Hij verlaat zijn geboorteland en zal er ook nooit meer terugkeren. Binnen een jaar is ‘Dim’ er zelfs helemaal niet meer. De bijna negentigjarige oprichter van de telecomgigant VimpelCom, het eerste Russische bedrijf op de beurs van New York, heeft voor een zachte dood gekozen, op zijn eigen voorwaarden.

In de interessante documentaire Connected (105 min.) van Vera Krichevskaya vertelt zijn veel jongere vriend en compagnon Augie Fabela hun verhaal. Samen gingen ze halverwege de jaren negentig, toen de Sovjet-Unie uiteen was gevallen en de aartsvijanden van de Koude Oorlog toenadering zochten tot elkaar, met hun startup naar de beurs. De Rus Zimin en de Amerikaan Fabela, een kind van Mexicaanse en Colombiaanse immigranten, werden vrienden voor het leven.

Later kregen ze met hun bedrijf te maken met nietsontziende Russische criminelen, die uit waren op hun geld, en werden ze geconfronteerd met een nieuwe autocratische leider, Vladimir Poetin, en de corrupte clan die zich daaromheen verzamelde. Rusland begon, op een totaal andere manier, net zo’n totalitaire staat te worden als de Sovjet-Unie. Zimin trok er zijn conclusies uit. Hij verliet de business en besloot zijn aanzienlijke fortuin beschikbaar te stellen voor goede doelen.

Met deze terugblik op zijn opmerkelijke leven belicht Krichevskaya tevens de geschiedenis van de Sovjet-Unie en Rusland. In 1935 werd Zimins vader gearresteerd. Hij zou sterven in een strafkamp. Na de dood van de destijds almachtige leider Jozef Stalin in 1953, ontving zijn familie zowaar een rehabilitatieformulier. Dims moeder kreeg ook nog enkele maanden salaris van haar echtgenoot overgemaakt. ‘Ik weet niet of het tragisch was, of een farce’, herinnerde hun zoon zich later.

Het lot van zijn vader zou een enorme vastberadenheid losmaken in Dmitry Zimin. ‘We zullen nooit ergens komen’, hield de man, die ooit werd opgeleid als ingenieur en jarenlang werkzaam was in het militair-industriële complex, zijn gehoor voor tijdens een speech in 2011, ‘als we geen respect ontwikkelen voor afwijkende meningen.’ En daaraan zal hij ook het finale deel van zijn leven wijden, bezegeld met een allerlaatste reis met zijn vrouw Maya op hun zeiljacht.

En daar komt Augie, die op latere leeftijd zowaar politieagent is geworden, hem natuurlijk opzoeken. Ook bij hem kruipt het bloed waar ’t niet gaan. Als Rusland Oekraïne binnenvalt, kort na Dims dood, komt Fabela in actie – vast ook om zijn hartsvriend te eren.

We Are Fugazi From Washington, D.C.

Fugazi

Als nu één groep het punkprincipe Do It Yourself heeft uitgedragen, dan is ‘t Fugazi (1987-2002). De post-hardcoreband uit Washington D.C. deed z’n eigen management, bracht met Dischord Records zelf platen uit en hield bij optredens een open deurbeleid aan: iedereen die opnames wilde maken was welkom. Met deze fanvideo’s, inclusief de bijbehorende flyers en posters, is een heel aardig bandjesfilm te maken, die op z’n Do It Yourselfs ook daadwerkelijk is gemaakt door Joe Gross, Jeff Krulik en Joseph Pattisall: We Are Fugazi From Washington, D.C. (96 min.).

Tussen opwindende uitvoeringen van publieksfavorieten zoals Song #1, Bulldog Front en Waiting Room door geven zij het woord nu eens niet aan de bandleden, maar aan de filmers van dienst. En die hebben destijds, voor of na een show, ook wel eens een interviewtje gedaan. ‘Als ik bakker was, zou ik brood bakken voor mensen die honger hebben’, vertelt Fugazi- en straight edge-boegbeeld Ian MacKaye dan bijvoorbeeld aan Sean Capone, die destijds z’n eigen queerzine runde. ‘Als ik timmerman was, zou ik huizen bouwen voor daklozen. Als muzikant kan ik mensen ondersteunen die dat soort werk doen.’

Want Fugazi was een band met een uitgesproken links gedachtengoed. Voor een concert werden er soms tekstvellen verspreid onder het publiek, zodat iedereen goed meekreeg wat ze te melden hadden. Uit data die fan Carni Klirs heeft gevisualiseerd blijkt bijvoorbeeld ook hoeveel geld de band heeft opgehaald voor goede doelen. Eerst en vooral is dit echter een verzameling dampende live performances, waarbij de band speelt alsof z’n leven ervan afhangt, er nauwelijks een barrière lijkt te bestaan tussen podium en publiek en iedereen die lomp stagedivet direct tot de orde wordt geroepen.

Fugazi had zonder enige twijfel helemaal binnen kunnen lopen, maar weigerde consequent om compromissen te sluiten. En dus bleef ‘t bij zo’n honderd songs, duizend shows en onvergetelijke herinneren. Aan een tijd dat de wereld, de muziekbusiness en het clubcircuit wel zo overzichtelijk waren. Je deugde – of niet.

The Alabama Solution

HBO Max

Nergens in de Verenigde Staten sterven er zoveel gedetineerden door een overdosis, worden er zoveel moorden gepleegd en zijn er zoveel zelfdodingen als in de gevangenissen van Alabama. Niet dat het Amerikaanse publiek daar doorgaans veel van meekrijgt. Het hooggerechtshof heeft bepaald dat gevangenisdirecteuren journalisten kunnen weigeren als de veiligheid of beveiliging in het geding komt. En dus bereikt in de regel alleen de officiële werkelijkheid de buitenwereld.

Als filmmaker Andrew Jarecki, die eerder de documentaireklassiekers Capturing The Friedmans en The Jinx maakte, in 2019 mag filmen bij een feestelijke barbecue in de Easterling Correctional Facility, wordt hij stiekem benaderd door gedetineerden. Ze willen graag de achterkant van The Alabama Solution (114 min.) laten zien: ernstige misstanden. De cellen zitten overvol, terwijl de gevangenisstaf volstrekt onderbezet is. Ze leven in ronduit erbarmelijke omstandigheden, waarbij geweld onvermijdelijk is.

Samen met coregisseur Charlotte Kaufman komt Jarecki al snel de ernstige mishandeling van Steven Davis op het spoor. Hij is zelfs afgevoerd naar het ziekenhuis. Eenmaal daar aangekomen blijkt Davis echter al te zijn overleden. Hij zou een bewaarder hebben aangevallen en is daarna flink aangepakt. Zijn familie heeft ernstige twijfels bij de officiële lezing van de feiten en wordt daarin bijgevallen door enkele medegevangenen van Steven, die al een tijd ijveren voor gevangenishervormingen.

Raoul Poole, Robert Earl Council en Melvin Ray hebben afstand genomen van hun criminele verleden, zijn in de wetboeken gedoken en vormen tegenwoordig de Free Alabama Movement. Zij leggen met hun mobiele telefoons consequent de abominabele leefomstandigheden in de gevangenissen van hun staat vast. Daaraan zit ook een prijs: de gevangenisleiding probeert hen het leven onmogelijk te maken. Want de manier waarop gevangenissen in Alabama worden gerund, moet beschermd worden.

En dat lijkt – over perverse prikkels gesproken – niet geheel los te staan van de economische waarde die gedetineerden vertegenwoordigen. Zij worden stelselmatig ingezet als goedkope arbeidskrachten, ook buiten de gevangenismuren. Tegelijk krijgen steeds minder gedetineerden hun ‘parole’ toegekend. ‘Ze vertrouwen me het werken in de gemeenschap toe’, klaagt Poole. ‘Maar ze vertrouwen me dan weer niet genoeg om me voorwaardelijk in vrijheid te stellen, zodat ik naar huis kan om bij mijn familie te zijn.’

Dit schotschrift tegen de Amerikaanse gevangenis(industrie), in de loop van ruim tien jaar gefilmd, agendeert deze kwestie overtuigend. De beelden van structurele misstanden – van eenzame opsluiting tot buitensporig geweld – spreken in dat verband voor zich. Zoals ook het onderzoek naar de verdachte dood van Steven Davis toch wel heel veel vragen oproept, in het bijzonder over de getuigenverklaring van zijn celgenoot James Sales, die maar niet overtuigend worden beantwoord door de autoriteiten.

Hoewel The Alabama Solution waarschijnlijk niet zo’n klassieker wordt als Jarecki’s eerdere werk – daarvoor borduurt deze pijnlijke film toch te nadrukkelijk voort op eerdere gevangenisdocu’s – is de boodschap onontkoombaar: de kwaliteit van een samenleving is ook af te meten aan hoe humaan die omgaat met de leden die erbuiten zijn geplaatst.

12th & Delaware

Loki Films / HBO

Om vijf uur ’s ochtends staat er in de schemering al een demonstrant te posten. In haar handen houdt de oudere vrouw een bord: thou shalt not kill. ‘Laat God in je leven’, roept ze even later naar de beheerders van de kliniek, Candace Lye en haar echtgenoot Arnold, wanneer die aan hun dag beginnen. ‘Dit werk gaat je niet verder brengen. Dit is het werk van de Duivel.’ De antiabortusactiviste krijgt al snel versterking van medestanders. Samen geven de pro-lifers ook de arriverende meisjes en vrouwen een warm welkom. ‘God heeft je zwanger gemaakt’, houdt de vrouw hen voor, met een piepklein plastic baby’tje in haar hand. Haar collega’s tonen intussen bloederige billboards. ‘Neem geen abortus. Kies het leven.’

Sinds 1991 zit er een abortuskliniek op de hoek van 12th & Delaware (80 min.) in Fort Pierce, Florida. Acht jaar later heeft een pro-life organisatie het pand ertegenover opgekocht en daarin het Pregnancy Care Center geopend. Als zwangere vrouwen zich daar melden, al dan niet per ongeluk, krijgen ze na een goed gesprek met de katholieke consulent Anne, dat ook voor een hartig woordje kan doorgaan, vrijwel direct een echo. Zodat ze alvast de hartslag van de snel groeiende baby in hun buik kunnen zien. Intussen vertelt Anne hen plastische verhalen over wat een abortus inhoudt en toont zo nodig zeer expliciete foto’s. Ze deinst er ook niet voor terug om de betrouwbaarheid van condooms in twijfel te trekken. Alles voor de goede zaak. Bij vertrek geeft zij de vrouw een echofoto mee, gericht aan de aanstaande ‘mommy’ en/of ‘daddy’.

Na gedane arbeid steekt Anne, een alleenstaande diepgelovige vrouw, gevolgd door de camera, de straat over, naar haar medestanders met de protestborden. Hebben ze al gehoord dat een kliniek in Philadelphia vrije abortussen heeft verstrekt ter ere van George Tiller? Die abortusarts werd in 2009, toen de opnames voor deze unheimische film van Rachel Grady en Heidi Ewing (Jesus Camp) nog liepen, vermoord door een fanatieke pro-lifer, een traumatische gebeurtenis die nog altijd nazindert in de Amerikaanse pro-choice beweging en die later is vervat in de indringende documentaire After Tiller (2013). Het was de zoveelste escalatie in een ideologische oorlog, die wordt uitgevochten op de straten van Amerika. Zoals op die ene straathoek in Florida, waar zwangere vrouwen op een T-splitsing belanden: door of niet?

Volgens pastor Tom Euteneuer, de voorman van het Pregnancy Care Center, is de ‘abortusindustrie’ niets minder dan een ‘diabolische religie’, die met wortel en tak moet worden uitgeroeid. Uitgevoerde abortussen voelen voor de medewerkers van zijn organisatie als een persoonlijk nederlaag. De kliniek aan de overkant van de straat is volgens Anne in wezen te vergelijken met een autodealer: het echtpaar dat de tent runt, Candace en haar echtgenoot Arnold, wil gewoon zoveel mogelijk ‘auto’s’ verkopen. In de tweede helft van hun ontluisterende film nemen Grady en Ewing dan eindelijk ook zelf poolshoogte bij die abortuskliniek. Daar verbazen ze zich over de ‘Ausdauer’ van hun ideologische tegenstanders – hebben die lui niets beters te doen? – en hun slinkse tactieken – van die misleidende naam tot het verstrekken van incorrecte informatie.

Dagelijks ervaren zij ook de consequenties daarvan: hoe vrouwen worden beïnvloed, gemanipuleerd en/of geïntimideerd terwijl ze één van de moeilijkste beslissingen van hun leven moeten nemen. Inmiddels, zo’n vijftien jaar later, is de situatie van zulke meisjes en vrouwen overigens alleen maar verslechterd. Sinds het Amerikaanse hooggerechtshof in 2022 het federale recht op abortus heeft geschrapt, kan elke staat zijn eigen regels bepalen en hoeven antiabortusactivisten zoals Anne zich niet meer te beperken tot protest, suggestie en desinformatie. Met de Bijbel in de hand kunnen ze het recht op abortus nu daadwerkelijk inperken.

The Devil Is Busy

HBO Max

Als er een kloppend hartje is te zien op de echo, kunnen ze in Georgia niets voor een zwangere vrouw doen. Dat mogen ze niet. Sinds het Amerikaanse hooggerechtshof in 2022 het federale recht op abortus schrapte, kan elke staat z’n eigen regels bepalen. In sommige delen van het land, zoals in de Zuidelijke staat Georgia, is het daardoor voor vrouwen veel moeilijker, zo niet onmogelijk, geworden om een abortus te krijgen.

De telefoniste van het feministisch gezondheidscentrum voor vrouwen in Atlanta vindt ‘t ‘hartverscheurend’ om vrouwen nee te verkopen, vertelt ze in The Devil Is Busy (32 min.). Zij moet hen doorverwijzen naar een andere Amerikaanse staat. Als het vruchtzakje leeg is, mogen ze de zwangerschap nog wel onderbreken. De meeste vrouwen weten dan alleen nog helemaal niet dat ze in verwachting zijn.

Georgia’s verbod om een zwangerschap na zes weken af te breken komt volgens de dienstdoende gynaecoloog in de praktijk dus neer op een totaalverbod op abortus. ‘Ik had nooit kunnen nemen bedenken dat ik 25 jaar geleden meer rechten zou hebben dan mijn dochter nu’, vult de echoscopist van de abortuskliniek aan, terwijl ze onderzoekt of de vrouw op haar behandeltafel de zes wekengrens al heeft bereikt.

Het gelovige hoofd beveiliging Tracii, de verbindende schakel in deze interessante korte documentaire van Christalyn Hampton en Geeta Gandbhir, heeft ’t er intussen ook druk mee. De kliniek wordt permanent belaagd door demonstranten. ‘Waarom kies je ervoor om een onschuldig kind te vermoorden?’ roept één van hen door een microfoon naar de vrouwen, die zich daar, al dan niet met hun partner, melden voor hulp.

Tracii heeft weinig begrip voor de antiabortusactivisten. Één van hen, Jason, heeft bijvoorbeeld in de gevangenis gezeten omdat hij had geprobeerd om een zwarte kerk in brand te steken. ‘Ik vroeg hem ooit: hoe kun jij mensen naar de hemel of hel sturen alsof die van jou zijn? Hij zei: ik heb berouw getoond, God heeft me vergeven.’ Ze is er nog altijd beduusd van. ‘Dus daarom denk je nu dat je anderen mag veroordelen?’

Cashing Out

aidsmemorial.org

Het idee klinkt te cru en naargeestig om waar te kunnen zijn: terminale, seropositieve patiënten verkopen halverwege de jaren tachtig, in de diepste diepten van de AIDS-crisis, hun levensverzekering om zo goede zorg te kunnen bekostigen en zichzelf of hun naasten financiële verlichting te bieden. Viatical Settlement wordt dit genoemd. De investeerder heeft alleen bewijs nodig dat de dood daadwerkelijk aanstaande is. Het is geen grap of allegorie, maar bittere realiteit. Only in America, vanzelfsprekend.

Ik ben voor van alles en nog wat uitgemaakt, vertelt initiatiefnemer Scott Page in Cashing Out (39 min.) aan filmmaker Matt Nadel, die als homoseksuele zoon van een investeerder zelf te maken kreeg met de constructie. Scott liet zich door de kritiek niet van de wijs brengen. Zijn slimme en gedurfde idee gaf mensen die wisten dat het einde nabij was de mogelijkheid om nog even waardig te leven. Scott wist ook waarover hij ’t had: zijn eigen vriend Greg Morgan stierf aan de gevolgen van het HIV-virus.

Het idee was in wezen bedrieglijk simpel: een koper betaalde een aantrekkelijk percentage van de werkelijke waarde van de polis, die al snel zou worden uitgekeerd. De verkoper kon van het aankoopbedrag vervolgens zorg inkopen en zijn laatste dagen enigszins comfortabel leven. En diens nabestaanden, die vaak toch al opzichtig afstand van hem hadden genomen, konden fluiten naar hun geld. Geweldige deal! Totdat een nieuwe behandeling ervoor zorgde dat patiënten niet meer automatisch stierven…

Die wending geeft deze boeiende korte docu, waarin enkele direct betrokkenen terugblikken op een traumatische periode voor hun gemeenschap, nog een extra nawrant karakter. Het idee dat een samenleving doodzieke patiënten veroordeelde tot schrijnende armoede of rare bokkensprongen, die natuurlijk alleen te maken waren door Amerikanen die überhaupt een levensverzekering hadden, was blijkbaar nog niet wrang genoeg. Add insult and insult and insult to injury, zoiets.

Seen & Heard: The History Of Black Television

HBO Max

Ze hebben hun positie moeten bevechten en bevechten en bevechten. De Amerikaanse televisie was van oudsher een wit bastion, waar Afro-Amerikanen heel lang een volstrekt ondergeschikte rol speelden. Op het scherm waren ze veroordeeld tot bij-of schurkenrollen, achter de schermen kregen ze nauwelijks ruimte of moesten ze zich uiteindelijk toch schikken naar een witte man – ook al had die soms best goede intenties, zoals Norman Lear, de man achter de ‘zwarte’ sitcoms Sanford And Son, Good Times en The Jeffersons.

In het lijvige tweeluik Seen & Heard: The History Of Black Television (146 min.) belicht Giselle Bailey deze getroebleerde geschiedenis, een weerspiegeling van de emancipatiestrijd die Zwart Amerika sowieso al sinds jaar en dag voert, met Afro-Amerikaanse kopstukken van voor en achter de schermen zoals Tyler Perry, Shonda Rhimes, Issa Rae, Lena Waithe en Ava DuVernay. Hun verhalen over stereotypen en karikaturen, misstanden in verleden en heden en het belang van representatie voor het zelfbeeld van Amerikanen van kleur zijn gelardeerd met fragmenten uit beeldbepalende televisieprogramma’s zoals The Cosby Show, In Living Color en Black-ish.

‘Ik wilde zwartheid vermenselijken’, vertelt Oprah Winfrey, die met haar immens populaire talkshow, die inmiddels is uitgegroeid tot een heus imperium, bewust stelling nam en de keuze maakte om positieve verhalen te gaan vertellen. Zo maakte zij in Amerika’s huiskamer ruimte voor de mensen, onderwerpen en thema’s van de zwarte gemeenschap. Inmiddels heeft een nieuwe generatie Afro-Amerikaanse makers zoals zij z’n eigen platforms gecreëerd en zo een positie verworven in de entertainmentindustrie. Het belang daarvan voor de beeldvorming en het zelfbeeld van Zwart Amerika wordt er in Sean & Heard met tal van voorbeelden flink in gehamerd.

Deze viering van de zwarte televisiecultuur wordt daardoor soms ook bijna een lange spot voor zwarte makers, hun producties en de kritiek die zij hebben op de wereld waarbinnen zij moeten opereren. Dat heeft ongetwijfeld z’n waarde, maar voelt soms ook wel heel erg als een preek voor eigen parochie.