MC5: A True Testimonial

‘Als je opgroeit in Detroit, dan is dat je voorland’, zegt Wayne Kramer, terwijl hij langs de autofabrieken van de industriestad in Michigan rijdt. ‘Het vooruitzicht dat ik daar de rest van mijn leven zou moeten werken stond me niet aan. En dus zocht ik een paar gasten om een band mee te beginnen.’ Die band werd The MC5, een belangrijke voorvader van wat later punk zou gaan heten, de belichaming van de tegencultuur van de sixties en simpelweg één van de opwindendste rockbands die ooit op een podium heeft gestaan.

Een MC5 zou volgens gitarist Kramer, die met veel humor als voornaamste verteller fungeert van deze documentaire van David C. Thomas uit 2002, zomaar een auto-onderdeel kunnen zijn. MC zou natuurlijk ook kunnen staan voor Motor City. Of voor: Manufacturing Center, Morally Corrupt, Marihuana Cigarette, Much Cock of Mongolian Clusterfuck. Om maar eens wat te noemen. Samen met zanger Rob Tyner, de frontman met de imposante stem en bos kroeshaar, en zijn medegitarist Fred ‘Sonic’ Smith, die later een relatie zou krijgen met zangeres/dichteres Patti Smith, vormde Wayne Kramer de kern van de groep die in zijn korte bestaan (1965-1972) talloze zinderende concerten gaf en in elk geval één onvervalste songklassieker naliet: Kick Out The Jams. Een strijdkreet die meteen werd gevolgd door een eensgezind gebruld ‘Motherfucker!’.

MC5: A True Testimonial (121 min.) is een typische bandjesdocu, waarin de opkomst en ondergang van deze beeldbepalende groep uit de doeken wordt gedaan door de nog levende leden en hun toenmalige entourage. Een bijzondere rol is weggelegd voor beatnik-poëet, kunstenaar, überhippie, LSD-goeroe en bandmanager John Sinclair. Hij zorgde ervoor dat The MC5 in de zomer van 1968 de ‘Motor City’ Detroit verliet en onderdeel werd van de Trans-Love & MC5 Commune in het nabijgelegen Ann Arbor. Daar vond de band definitief zijn onstuimige sound en fuck you-attitude, die zou resulteren in talloze confrontaties met de politie. Er ontstond zelfs zoiets als The White Panther Party, een eigen variant op de in die tijd zeer omstreden Black Panthers. En ook een platencontract was niet meer ver weg: samen met kleine broertje The Stooges tekende The MC5 bij Elektra Records.

Die overeenkomst zou echter niet het startsein blijken voor een lange, lucratieve carrière, maar eerder het startschot voor een ongenadige Blitzkrieg, waarbij de groep nog eenmaal doorschakelde en zich als een typisch hedonistische rock & roll-band begon te manifesteren. Daarna implodeerde de hele boel in een vloek en een zucht, als gevolg van een overdosis dope en ego. En dat doet tijdens het maken van deze documentaire, zo’n dertig jaar later, nog altijd zichtbaar pijn bij Kramer en zijn voormalige bandmaten. Met het einde van The MC5 was ook hun glorieperiode – door Thomas hier vereeuwigd met een hele sloot, lekker energiek gemonteerd archiefmateriaal en nog altijd zeer enerverende concertimpressies – definitief voorbij. Voor de voormalige rockrebellen, die met evenveel trots als zelfspot terugblikken, moesten de jaren des verstands gaan beginnen.

En dat ging, zo blijkt in de toch wat tragische epiloog van deze kostelijke film, bepaald niet vanzelf.

MC5: A True Testimonial is hier te bekijken.

Trainwreck: Woodstock ’99

Netflix

Het had een reprise moeten worden van de peace, love & music van het oorspronkelijke festival uit 1969, maar draaide dertig jaar later uit op een orgie van frustratie, chaos en (seksueel) geweld. Hoewel organisator Michael Lang en zijn nieuwe partner, muziekpromotor John Scher, het oorspronkelijke Woodstock-sfeertje wilden laten herleven, werd het festival dat ze in 1999 op een luchtmachtbasis bij Rome, New York, organiseerden zowat het tegendeel van een relaxte hippiehappening.

De driedelige serie Trainwreck: Woodstock ‘99 (142 min.) reconstrueert hoe het festival uitgroeit tot een nineties-variant op Altamont, het naargeestige festival van The Rolling Stones dat helemaal verkeerd afliep en werd vereeuwigd in de documentaire Gimme Shelter. Regisseur Jamie Crawford ontleedt met de organisatoren, hun medewerkers, enkele bezoekers en een handvol optredende artiesten, zoals Korn-voorman Jonathan Davis, deejay Fatboy Slim en singer-songwriter Jewel wat er zoal misging in dat oververhitte juliweekend.

De start van deze miniserie zet meteen de toon: de plaatselijke burgemeester krijgt de champagnefles om het podium in te wijden maar niet kapotgeslagen, openingsact James Brown wil pas optreden als hij (meer) geld krijgt en zijn vrouwelijke collega Sheryl Crow krijgt vervolgens telkenmale te horen dat ze haar tieten moet laten zien. De sfeer zit er, kortom, direct goed in en laat het dan maar aan hyperagressieve nu-metalbands als Korn en Limp Bizkit over om de kwart miljoen bezoekers helemaal over de flos te krijgen.

Crawford belicht in de drie afleveringen vervolgens simpelweg de verschillende festivaldagen: de vrijdag (als duidelijk wordt dat deze versie van Woodstock bijzonder commercieel is opgezet en bovendien abominabel blijkt te zijn georganiseerd, de zaterdag (waarop het festival, mede door toedoen van Bizkit-voorman Fred Durst, compleet ontspoort) en tot slot de zondag (wanneer Woodstock ‘99 begint te lijken op een wel erg realistische re-enactment van William Goldings onrustbarende vertelling Lord Of The Flies).

Uiteindelijk komt alle baldadigheid, frust en agressie na slotact The Red Hot Chili Peppers samen in een boze meute die zich de lijfspreuk van een andere optredende act, Rage Against The Machine, volledig eigen heeft gemaakt: Fuck You, I Won’t Do What You Tell Me. Als een horde orks razen ze over het festivalterrein. Dan is ook allang duidelijk dat er nooit meer een Woodstock zal komen – en dat de geest van de sixties allang is gesmoord in een onuitstaanbare combi van egoïsme, machismo en hedonisme.

In dat opzicht slaat deze gedegen reconstructie, van een ongeluk dat wel móest gebeuren, tevens een brug tussen de oorspronkelijke Woodstock-docu, nog altijd de ultieme festivalfilm, en de recente terugblikken op het frauduleuze Fyre-festival in 2017, dat was opgezet als een soort Woodstock voor millennials en eveneens een gigantisch fiasco werd.

My Life As A Rolling Stone

Videoland / BBC

Interessant idee: de geschiedenis van The Rolling Stones aan de hand van portretten van de individuele bandleden. Eerst Mick, daarna Keith, Ronnie en (wijlen) Charlie. Maar, zo vraag je je dan meteen af, loopt dan ook niet langzaam de lucht uit de serie? De kern zit immers bij het songschrijversduo The Glimmer Twins: zanger Jagger en gitarist Richards. Welnu, the proof of the pudding is in the eating: de vierdelige miniserie My Life As A Rolling Stone (236 min.).

Allereerst: die portretten zijn eigenlijk heel aardig, ook al graven ze niet enorm diep. Ze bevestigen vooral de oerbeelden die je al hebt van de bandleden en voegen hier en daar saillante details toe: Mick als zakelijke hart van de band, Keith als muzikale geweten. ‘Nieuweling’ Ronnie die halverwege de jaren zeventig de lol terugbrengt, Keiths gitaarbroertje wordt en een echte verbinder blijkt. En Charlie, de onverstoorbare jazzdrummer die per ongeluk ruim een halve eeuw in een rock & rollband verzeild is geraakt.

Oud-bandleden komen er intussen bekaaid vanaf in deze serie van Sam Anthony: oprichter en zelfverklaard bandleider Brian Jones duikt hier en daar zijdelings in het verhaal op, tweede gitarist Mick Taylor komt vooral via zijn vertrek ter sprake en de naam Bill Wyman, toch een slordige dertig jaar bassist van The Stones, valt zelfs (vrijwel) helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de tweede helft van de zes decennia die de Britse rockband nu al actief is. Die heeft muzikaal natuurlijk ook niet al te veel opgeleverd.

Verder loodst actrice Sienna Miller de kijker geroutineerd door de vier levensverhalen heen. Ze wordt, buiten beeld, in de rug gedekt door grootheden als Tina Turner, Rod Stewart, Jon Bon Jovi, Sheryl Crow, Lars Ulrich, Tom Waits, Chrissie Hynde en Brian Johnson. Aardiger nog zijn de bijdragen vanuit de entourage van de band, zoals achtergrondzanger Bernard Fowler, geluidstechnicus Glyn Johns, Richards’ gitaartechnicus Pierre de Beauport en de designer van het befaamde tonglogo, John Pasche.

Gezamenlijk voegen zij kleur en detail toe aan het welbekende bandverhaal, bijvoorbeeld over Mick Jaggers vermarkting van de groep, zijn bittere conflicten met Richards en Ronnie Woods aanhoudende drank- en drugsproblemen. Die nopen uiteindelijk nota bene Keith Richards – zelf jarenlang nummer één op de lijst van verwachte rockdoden – om in te grijpen. Wel een kwestie van ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’, aldus de gitaargod die echter weigert om zijn maatje verloren te laten gaan.

En het laatste deel, een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Charlie Watts (1941-2021), is zowaar inderdaad een prima afsluiting, waarvoor de deuren letterlijk opengaan. Bij ‘s mans kleermaker, in Watts’ hoofd (waarin gedurig dwangstoornissen opspeelden en een midlifecrisis hem op latere leeftijd nog opzadelde met een heroïneverslaving, die volgens Keith niet bij hem paste) en van zijn imposante privéarchief (een opslagruimte met gewilde drumattributen, die ooit een museumcollectie moeten gaan vormen).

My Life As A Rollling Stone wordt zo een alleraardigst (zelf)portret van ‘the greatest rock n’ roll band on earth’, die nu toch zo langzamerhand echt, écht!, is aanbeland in de eindfase van zijn periode op aarde. En daarna zijn er nog altijd de verhalen en – natuurlijk, ook in deze miniserie niet te versmaden en met smaak opgediend – dat imposante songboek.

Pearl Jam Twenty

Voordat Pearl Jam kon ontstaan ‘moest’ eerst Mother Love Bone ter ziele gaan. Om precies te zijn: zanger Andrew Wood. Hij bezweek aan een drugsverslaving. ‘Dat was de dood van de onschuld van de plaatselijke scene’, zegt Chris Cornell, de latere frontman van een andere rockband uit Seattle, Soundgarden, terwijl hij zijn tranen probeert weg te slikken. ‘Niet de dood van Kurt Cobain, die enkele jaren later de hand aan zichzelf sloeg.’ De beelden van Wood in een ziekenhuisbed, in leven gehouden met allerlei apparatuur, zouden niet alleen Cornell, die in 2017 een einde aan zijn leven maakte, altijd bijblijven.

Het overlijden van Andy Wood noopte de andere leden van Mother Love Bone om een nieuwe groep te beginnen: Pearl Jam. Samen met Soundgarden en Cobains Nirvana zou die zich ontwikkelen tot de vaandeldrager van grunge. Pearl Jam moest daarvoor eerst nog wel een nieuwe zanger rekruteren: een verlegen jongen uit San Diego met een machtige stem, Eddie Vedder. De rest is rockgeschiedenis. En die wordt in Pearl Jam Twenty (119 min.) door Cameron Crowe, een voormalige popjournalist die halverwege de jaren tachtig in Seattle kwam wonen en de bandleden ooit nog liet opdraven in zijn speelfilm Singles (1992), uitgeserveerd met een overload aan nieuwe en oude interviews, videoclips en opwindende concertbeelden.

Het klassieke optreden van de band op het Pinkpop-festival in 1992, waarbij Vedder van aanzienlijke hoogte in het uitzinnige publiek springt, krijgt daarbij bijvoorbeeld alle ruimte. Pearl Jams verleden is sowieso uitstekend gedocumenteerd. Dit bandportret uit 2011, gemaakt ter gelegenheid van het twintigjarige bestaan, bevat zelfs beelden van de tweede show van het Amerikaanse vijftal. En ook het catastrofale optreden op Roskilde in 2000, waarbij negen fans worden verdrukt en om het leven komen, mag natuurlijk niet ontbreken. Die dramatische gebeurtenis fungeert als breuklijn in de bandhistorie en deze boeiende weerslag daarvan.

Daarvóór kon Pearl Jam met enige goede wil nog worden beschouwd als een toonaangevende band, die mede richting gaf aan de laatste tien jaar van de twintigste eeuw en die in vrijwel elk land – men neme in Nederland bijvoorbeeld Kane – zijn eigen gladgestreken kloon kreeg. Daarná werd de groep, op eigen voorwaarden, definitief onderdeel van de gevestigde orde. Een onvervalste rockdinosaurus, zo’n band die tegenwoordig ook wel met de kwalificatie ‘dadrock’ wordt opgezadeld. Tegen die tijd hadden Eddie Vedder en de zijnen echter allang hun allergrootste problemen met beroemd zijn achter de rug – of hun eigen manier gevonden om daarmee om te gaan.

Ruim tien jaar zijn sindsdien alweer verstreken. Pearl Jam is inmiddels dik dertig, draait nog altijd mee in de popwereld en weet daarmee ook nog steeds een aanzienlijk publiek aan zich te binden. Dat galmt dat ze nog steeds Alive zijn. Of heerlijk zwelgt in Black.

20.000 Days On Earth

20.000 Days On Earth (93 min.) heeft hij volgens zijn eigen berekeningen inmiddels achter de rug – althans, dat is de premisse van deze weldadige docu/mockumentary over Nick Cave uit 2014 – en dan lijkt dag 20.001 een ideale gelegenheid om de balans op te maken. Een fictieve dag, dat wel, waarop de Australische zanger en (song)schrijver plaatsneemt op een stoel bij de psychiater en vertelt over zijn eerste seksuele ervaring, relatie met z’n vader en verhouding tot het geloof. 

Een dag ook waarop hij zijn eigen archief bezoekt en kijkt naar De Jonge Cave. Waarop hij achter het stuur van zijn auto kruipt en het gesprek aangaat met bijrijders zoals acteur Ray Winstone, oud-bandlid Blixa Bargeld en zangeres Kylie Minogue. En waarop hij voor een copieuze maaltijd aanschuift bij bloedsbroeder Warren Ellis. En daarbij komt het gesprek dan op een angstaanjagend optreden van Nina Simone. Ellis hield daaraan een kauwgom over. Die inspireerde hem onlangs tot het boek Nina Simone’s Gum. Althans, zo wil het verhaal dat de twee graag delen.

Aan de hand van de levensgeschiedenis van hun illustere protagonist belanden de Britse filmmakers (en kunstenaars) Iain Forsyth en Jane Pollard zo bij een soort gefictionaliseerde werkelijkheid over Cave, ergens in de Bermudadriehoek tussen herinnering, mythe en broodje Aap. Daar waar de waarheid zich wel eens schuil zou kunnen houden. En waar Nick Cave zelf in songs, anekdotes en verbindende teksten hoog kan draven, vrijelijk mag schmieren en zijn zwartgeblakerde ziel wil blootleggen.

‘Mijn grootste angst is dat ik mijn geheugen verlies’, zegt hij bijvoorbeeld in deze zinnenprikkelende ode aan de kracht van verbeelding, die door Forsyth en Pollard wordt doorsneden met opnames voor zijn album Push The Sky Away (2013) en performances van die songs. Want uiteindelijk bestaan wij als mensen volgens Cave vooral uit onze herinneringen. ‘Daar gaat het mij om bij het schrijven van liedjes: het hervertellen van die verhalen en het mythologiseren ervan. Zo bezien is het verliezen van het geheugen een enorm trauma.’

In de navolgende jaren zal Nick Cave daar stug mee doorgaan, ook met het verwerken van de trauma’s die hij nog op zijn weg zal vinden – en die een plek zullen krijgen in de concertfilms One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True.

We Are Twisted Fucking Sister!

Nee, Amerikaanse tegenstanders van mondkapjes kregen onlangs geen toestemming om We’re Not Gonna Take It te gebruiken als lijflied. Inwoners van Oekraïne mogen Twisted Sisters grootste hit echter gerust inzetten als strijdhymne tegen de Russen. Dat is volgens zanger Dee Snider, die zelf een Oekraïense grootvader heeft, nu eenmaal het verschil tussen ‘egoïstische idioten’ en ‘gerechtvaardigd verzet tegen overheersing’.

Voor wie de Amerikaanse glamrockband alleen kent van rechttoe rechtaan rockstampers, de bijbehorende mucho macho poses en uitzinnige make-up en podiumkledij moet dat toch een kleine verrassing zijn. Een band zoals Twisted Sister associëren we toch eerst en vooral met liederlijke afterparty’s, waarbij bandleden een keuze moeten maken uit de flessen sterke drank, lijntjes coke en gewillige groupies – al is kiezen ook weer niet absoluut noodzakelijk.

Wees gerust, getuige de documentaire We Are Twisted Fucking Sister! (134 min.) van Andrew Horn werd er toch behoorlijk wat gefeest door de New Yorkse groep, die een vaandeldrager zou worden van de zogenaamde hair metal-scene waarmee de jaren tachtig werden opgezadeld. Daarvóór had Twisted Sister in de seventies alleen wel eerst jarenlang het plaatselijke barcircuit moeten uitwonen, tevens het decor voor grofweg de eerste anderhalf uur (!) van deze toch wel erg lang uitgevallen documentaire van Andrew Horn uit 2014.

Dáár ook, buiten het zicht van de pers en platenmaatschappijen, werden ze rocksterren. Zodat hun band, toen de muziekhoncho’s uiteindelijk tóch met frisse tegenzin langskwamen, er he-le-maal klaar voor was en alle sceptici een poepie kon laten ruiken. Het is een typisch ‘de-aanhouder-wint’-relaas, dat hier door de groepsleden, hun management en trouwe fans met zichtbaar plezier wordt gedaan. Waarna Twisted Sisters glorieperiode als stadionband kan beginnen.

Dat verhaal wordt echter bewaard – net als de hit We’re Not Gonna Take It trouwens – voor een andere film. Als die er al ooit komt. Deze documentaire richt zich volledig op de combinatie van bloed, zweet en tranen die Dee Snider en zijn maten investeerden in een carrière, waarin maar geen schot leek te komen.

The Murders At Starved Rock

HBO

David Raccuglia’s vader Anthony had er als openbaar aanklager alles aan gedaan om Chester Weger in 1960 voor de rest van zijn leven achter de tralies te laten verdwijnen. De 22-jarige Amerikaan zou drie vrouwelijke toeristen hebben vermoord bij het natuurgebied Starved Rock. Hij had destijds ook een gedetailleerde verklaring afgelegd. Een aanzienlijk deel van de gemeenschap in La Salle County, Illinois, hecht daaraan echter weinig geloof. Enkele amateurdetectives hebben zelfs The Committee To Free Chester Weger opgericht en nemen de zaak hoogstpersoonlijk onder de loep.

Gaandeweg is ook David Raccuglia, die tien jaar na de geruchtmakende moorden werd geboren, gaan twijfelen over The Murders At Starved Rock (165 min.). Aan het begin van de 21e eeuw besluit hij om de oude misdaad te gaan onderzoeken. Daarvoor moet hij ook in gesprek met zijn vader. ‘Een bekentenis hoefde toen niet vrijwillig te zijn’, zegt die in 2005 tijdens een interview. ‘Hij moest alleen waar zijn. Dat is in dit geval gebeurd.’ Maar of een afgedwongen verklaring, waarvoor de betrokken agenten bovendien een beloning hebben ontvangen, werkelijk standhoudt in de 21e eeuw?

Raccuglia baant zich in deze driedelige true crime-serie van Jody McVeigh-Schultz een weg door het woud van officiële lezingen, alternatieve verklaringen en bezopen complottheorieën dat is ontstaan rond de inmiddels zestig jaar oude drievoudige moord. Hij doet dat ogenschijnlijk met open vizier, ontzenuwt al te nadrukkelijke onzin en stuit – natuurlijk! – op nieuwe aanwijzingen dat er wel/niet sprake zou kunnen zijn van een justitiële dwaling. Voortschrijdend inzicht brengt zijn oorspronkelijke assumpties bovendien aan het wankelen. Intussen probeert de nieuwe advocaat van Chester Weger om zijn inmiddels hoogbejaarde cliënt voorwaardelijk vrij te krijgen.

Dat is een sterk en relevant verhaal. Over de betrouwbaarheid van herinneringen bijvoorbeeld, wat de tijd met ons geheugen doet en hoe amateurdetectives twijfel kunnen zaaien. Het krachtigste wordt The Murders At Starved Rock echter als de impact van de moorden op de families, zowel van de slachtoffers als de (vermeende) dader, in beeld komt. Zo was Chesters zoon Johnny bijvoorbeeld nog maar vier maanden oud toen zijn vader werd veroordeeld. Inmiddels heeft hij zelf ook een aanzienlijk strafblad opgebouwd. ‘Na m’n eerste inbraak zaten we vier maanden in dezelfde gevangenis’, vertelt hij. ‘Dat was de langste tijd die ik met mijn vader doorbracht.’

Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Fanny: The Right To Rock

Ze repeteerden op dezelfde plek als The Band, rookten een jointje met The Rolling Stones en werden vergeleken met The Beatles. Zulke roem zou echter nooit zijn weggelegd voor Fanny. Hoewel er geen enkele twijfel was over dat ‘ze’ konden spelen, bleven het natuurlijk wel meiden. Elk interview ging daar ook over: hoe was dat nou, zo tussen al die mannen?

Als eerste Amerikaanse rockgroep met een platencontract én louter vrouwelijke leden, waarvan er ook nog een paar lesbisch en van Filipijnse afkomst waren, plaveiden ze de weg voor (succesvollere) geestverwanten als Cherie Curry (The Runaways), Kathy Valentine (The GoGo’s) en Kate Pierson (The B52’s) die hen in de documentaire Fanny: The Right To Rock (96 min.) ook alle eer bewijzen.

Fanny had één klein hitje, Butter Boy, een nummer dat zou zijn geïnspireerd door de affaire van bassiste Jean Millington met hun bekende fan David Bowie. ‘He was hard as a rock’, zongen ze daarin. ‘But I was ready to roll. What a shock to find out. I was in control.’ Toen het ondeugende nummer in 1975 de hitlijsten beklom, was de verantwoordelijke band alleen al uit elkaar.

Fanny, opgekomen ten tijde van de eerste feministische golf, gaf er voortijdig de brui aan. En nu, voor het oog van de camera van documentairemaakster Bobbi Jo Hart, willen ze dat alsnog proberen te repareren. Een reünie met vrijwel alle oud-bandleden, waarbij natuurlijk ook een nieuw album hoort. En jawel, het zal niemand verbazen: ‘ze’ kunnen het nog.

Voordat ze op tournee kunnen gaan om hun comeback kracht bij te zetten, slaat het noodlot echter toe en moet Fanny in deze eikenhouten muziekfilm opnieuw alle zeilen bijzetten.

Freakscene: The Story Of Dinosaur Jr.

Munro Film

Als band is Dinosaur Jr. een typisch product van z’n tijd. De Amerikaanse gitaargroep rond zanger J. Mascis fungeerde als bruggenhoofd tussen de punk en hardcore van de tweede helft van de jaren tachtig en de opkomst van grungebands zoals Nirvana in het begin van de jaren negentig. Met stiekeme popliedjes, die werden bedolven onder een gruizige gitaarmuur, zochten Mascis en zijn vaste secondanten Lou Barlow (bas) en Murph (drums)  doelbewust de pijngrens op. Totdat elke concertganger suizende oren had.

In de typische bandjesdocu Freakscene: The Story Of Dinosaur Jr. (82 min.) neemt filmmaker Philipp Reichenheim met de bandleden, direct betrokkenen en blikvangers van de bevriende groepen Sonic Youth, Black Flag, The Pixies en Hüsker Dü de geschiedenis door van de band, die oorspronkelijk door het leven ging als Dinosaur. Toen er een andere groep met dezelfde naam bleek te bestaan, werd daar simpelweg Jr. achter geplaatst. En de rest is, zal een beetje indierocker beamen, is niets minder dan geschiedenis.

Die naamswijziging lijkt, achteraf bezien, ook zo’n beetje het enige wat gemakkelijk ging bij Dinosaur Jr., een band die ruzie maken tot kunst probeerde te verheffen. Het kon bijna niet anders of het oorspronkelijke trio moest daardoor imploderen. Pas toen dat was gebeurd, constateren ze zelf in deze vermakelijke grabbelton van concertimpressies, video’s, Do It Yourself-flyers en posters, interviews en backstagebeelden, realiseerden ze zich pas wat ze samen hadden.

En toen konden Mascis, Barlow en Murph gelukkig teruggrijpen op de meesterzet die al menige uiteengevallen band heeft gered: een reünie. Zodat de drie rockdinosaurussen tóch samen oud kunnen worden. Als de ‘dysfunctionele familie’ die ze samen nu eenmaal vormen.

That Day: Afscheid Van Golden Earring

NTR

Een carrière van bijna zestig jaar eindigde op 16 november 2019 in Rotterdam Ahoy. Met Radar Love als slotakkoord, natuurlijk. Alleen wist niemand dat dit het allerlaatste optreden van Golden Earring was geweest. Ook de Haagse band zelf niet. Bijna vijftien maanden later moest de succesvolste Nederlandse rockgroep noodgedwongen de handdoek in de ring gooien. Gitarist George Kooymans bleek de ongeneeslijke spierziekte ALS te hebben. En zonder hem kon en mocht er geen Earring meer zijn. 

Dat tragische vaarwel komt natuurlijk wel aan de orde in That Day: Afscheid Van Golden Earring (108 min.), maar is uiteindelijk niet meer dan een aanleiding om chronologisch de imposante carrière van de band te doorlopen. Het tweeluik van regisseur Marcel de Vré heeft daarbij een uitgesproken handicap: de bandleden zelf schitteren door afwezigheid. Hun perspectief op de ontwikkeling van de groep en het gedwongen einde daarvan ontbreekt dus.

De Vré moet het doen met archiefmateriaal van de Earring en beelden van dat laatste concert in Ahoy. Voor de bijbehorende verhalen zoekt hij zijn toevlucht tot oud-bandleden zoals Frans Krassenburg, Fred van der Hilst en Jaap Eggermont, vaste gastmuzikanten Bertus Borgers en Robert Jan Stips, platenbaas Willem van Kooten en allerlei bekende en minder bekende medewerkers van de band. Hun bijdragen zijn veelal anekdotisch en bevatten natuurlijk ook de verplichte gemeenplaatsen over het belang van de band.

Er is tenslotte, zo wordt telkenmale benadrukt, maar één Golden Earring. Zo’n essentiële band verdient dan eerlijk gezegd wel een grondiger portret, waarin ook de interne machinerie en beleving volledig tot hun recht komen. Tot die tijd is er deze echte (ouwe) jongensfilm – waarin letterlijk niet één vrouw aan het woord komt – die als doekje voor het bloeden kan dienen voor de rouwende liefhebber die na maar liefst zestig jaar (!) afscheid heeft moeten nemen van ‘zijn‘ band.

The Velvet Underground

Apple TV+

Het zou ongepast zijn geweest als Todd Haynes van The Velvet Underground (120 min.) zo’n typische joyeuze popdocu, waarin nostalgie de boventoon voert, had gemaakt. Hoewel de documentaire in wezen het vaste stramien van zulke films volgt – ontstaan, opkomst, bloei, implosie en herwaardering – is de toonzetting aanmerkelijk donkerder en wekt ook het veelvuldige gebruik van splitscreen licht vervreemdend. De film lijkt daarmee in eerste instantie al net zo weinig aaibaar als de experimentele rockband rond zanger/songschrijver Lou Reed en multi-instrumentalist John Cale.

Zij creëerden samen met gitarist Sterling Morrison en drummer Maureen Tucker, en onder de hoede van popartheld Andy Warhol, in de tweede helft van de jaren zestig een geheel eigen universum. Met als voornaamste wapenfeit dat klassieke debuutalbum uit 1967, met tijdloze Reed-songs over drugsgebruik en sadomasochisme zoals Venus In Furs, Heroin en I’m Waiting For The Man, vocale bijdragen van de Duitse actrice/zangeres Nico (Femme Fatale, All Tomorrow’s Parties en I’ll Be Your Mirror) en natuurlijk Warhols klassieke bananenhoes.

Haynes neemt de tijd om toe te werken naar het ontstaan van The Velvet Underground. Eerst schetst hij de achtergrond van de twee belangrijkste groepsleden, de getormenteerde Reed en zijn Welshe tegenpool Cale, en hoe zij elkaar vonden in de avant-garde scene van New York. Daarna zoomt hij in op de illustere band zelf en z’n natuurlijke omgeving, Warhols Factory. Hij spreekt met de twee nog levende bandleden, John Cale en Maureen Tucker, laat Lou Reeds zus Merrill en vertegenwoordigers van de toenmalige scene aan het woord en vult dat aan met archiefinterviews met Reed, Morrison en Nico.

Met een arty montage van concertbeelden, foto’s, kunstwerken, posters, performances en tijdsbeelden weet Todd Haynes vervolgens de geest van de band goed te pakken te krijgen. The Velvet Underground is daardoor precies de bandfilm – conventioneel met een rafelrandje – geworden die de goegemeente verwacht. En dat is in dit geval niet eens een diskwalificatie.

1971: The Year That Music Changed Everything

Apple TV+

Voor wie vijftig jaar na dato nog altijd niet elke bocht, zijweg en afslag van ‘the trip down memory lane’ richting Boomerland kent, is 1971: The Year That Music Changed Everything (363 min.) zonder enige twijfel een traktatie. De achtdelige reeks van Asif Kapadia (Senna, Amy en Diego Maradona) buigt zich diepgaand over het muziekjaar 1971.

Alle oude favorieten komen weer langs: John Lennon, The Rolling Stones, Alice Cooper, The Doors, T. Rex, The Who, Joni Mitchell, Elton John, Bob Marley, Kraftwerk en Lou Reed. Ze worden gepresenteerd onder een motto dat is ontleend aan David Bowie: ‘We begonnen met de 21e eeuw in 1971.’ Daarbinnen is er ook opvallend veel aandacht voor de zwarte inbreng, middels korte portretten van Marvin Gaye, Sly & The Family Stone, Aretha Franklin, Curtis Mayfield, Ike & Tina Turner, James Brown, The Staple Singers en Bill Withers.

Deze momentopnames van belangwekkende artiesten worden afgezet tegen belangrijke ontwikkelingen in diezelfde periode; van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenbeweging tot de seksuele revolutie en opkomst van heroïne en cocaïne. Waarbij ook beeldbepalende figuren zoals Muhammad Ali, Hunter S. Thompson, Charlie Manson, Angela Davis en James Baldwin, die stuk voor stuk al veel vaker in beeld zijn gebracht, natuurlijk niet ontbreken.

De muziek wordt intussen een belangrijke maatschappelijke rol toegedicht – of op zijn minst beschouwd als een wezenlijke weerslag van wat er destijds, met name in de Verenigde Staten, gaande was. Deze reeks is verder vanzelfsprekend gelardeerd met fraaie concertfragmenten, waarbij de songteksten in beeld worden vertoond. Talloze insiders, met quotes die uit de archieven zijn gehaald en nu off screen worden gepresenteerd, voorzien het geheel van commentaar.

Het terrein dat 1971 probeert te bestrijken is natuurlijk al lang en breed afgegraasd. Sterker: de meeste verhalen zijn, ook in documentaires, al eerder en diepgaander verteld. Deze serie – zonder enige twijfel knap gemaakt, maar ook zonder enige urgentie – is daardoor vooral interessant voor muziekliefhebbers die zich nog nooit in dit tijdsgewricht hebben verdiept. Of er altijd in willen blijven hangen.

Zouden die zich volgend jaar in 1972 mogen verlustigen?

What Drives Us

Amazon Prime

Ze staan inmiddels alweer enige tijd te roesten op hun parkeerplek. Totdat die Coronacrisis voorbij is en ze eindelijk weer ‘on the road’ mogen. What Drives Us (89 min.) is een eerbetoon aan al die tourbusjes. En aan de bandjes die daarmee, veelal tevergeefs overigens, de wereld proberen te veroveren.

Regisseur Dave Grohl, die eerder een portret van de befaamde Sound City-opnamestudio in Californië en de muziekserie Sonic Highways maakte, weet zelf als frontman van de Amerikaanse rockband Foo Fighters (en ooit drummer van Nirvana) natuurlijk van wanten. Ook hij heeft menig uur in een net iets te krap voertuig doorgebracht, onderweg naar alweer een publiek dat met huid en haar moet worden opgevreten. En dan weer doorrr…

Die ervaring geeft hem natuurlijk ook een prima ingang bij allerlei vakbroeders en -zusters. Voor deze aanstekelijke ‘middle of the road’-movie heeft Grohl wereldsterren als Ringo Starr (The Beatles), Brian Johnson (AC/DC), The Edge (U2), Lars Ulrich (Metallica) en Flea (Red Hot Chili Peppers) gestrikt. Hij spreekt tevens met leden van cultgroepen als Fugazi, L7 en Black Flag, bands die een sleutelrol speelden in zijn eigen ontwikkeling tot rockster.

Gezamenlijk kleuren zij hun eigen ‘Nomadland’ met zichtbaar plezier in. Hoewel zeker de grote namen tegenwoordig vaak in een nightliner of zelfs privéjet de wereld doorkruisen, beschouwen ze de eindeloze dagen in dat gammele busje stuk voor stuk als een vormende ervaring: de camaraderie, het ongezonde voer en hoe alle apparatuur met veel beleid toch weer achterin kon worden gepropt. En de flatulentie, die ook.

Natuurlijk, erg diep graaft dat niet. En jazeker, het busjesleven wordt schaamteloos geromantiseerd – ook omdat dit bij alle sprekers uiteindelijk tot een serieuze carrière heeft geleid. Zouden de lui die uiteindelijk in een geestdodende kantoortuin of aan de lopende band zijn beland ook met zoveel luim terugkijken op de vele uren die ze, bijna doodgedrukt, tussen een ruftende bassist en een zanger met een serieus meerderwaardigheidscomplex hebben doorgebracht?

Het woord ‘groupie’ valt intussen helemaal niet in deze gelikte film. Alsof dat geen enkele rol speelde in die diepgevoelde behoefte om van stad naar stad te trekken en daar de rockgod uit te hangen. En de verslavingsproblematiek die sommigen onderweg opdoen wordt gekanaliseerd in één enkel verhaal: de neergang van drummer D.H. Peligro die na dienstverbanden bij Dead Kennedys en Red Hot Chili Peppers als een schim van zichzelf en geheel bandloos achterbleef. 

Toch heeft al die rock & roll-nostalgie, escapisme van het zuiverste water, voor de liefhebber zeker z’n charme. Al kan What Drives Us dan ook weer niet tippen aan die andere ode aan het bandjesgevoel, het onweerstaanbare We Are The Thousand, waarin diezelfde Dave Grohl overigens een beste bijrol claimt.

Jimmy Carter: Rock & Roll President

Hij verliet het Witte Huis in 1980 met de staart tussen de benen, om plaats te maken voor zijn absolute tegenpool Ronald Reagan. Sinds die tijd heeft Jimmy Carter zich echter volledig gerehabiliteerd: als toponderhandelaar bij internationale conflicten. Als onvermoeibare motivator voor allerlei goede doelen, waarbij hij ook nooit schroomde om zelf de handen uit de mouwen te steken. En nu, inmiddels dik in de negentig, als pleitbezorger van dat ene ongeëvenaarde bindmiddel: muziek.

Jimmy Carter: Rock & Roll President (96 min.), juist. Hij, de vertegenwoordiger van het racistische ‘old south’, werd halverwege de jaren zeventig een representant van het nieuwe Zuiden, waar zwart en wit als gelijken samenleefden en alle Amerikaanse muzikale genres hun plek hadden. Van Bob Dylan, The Allman Brothers en Johnny Cash tot James Brown, Charlie Mingus en Aretha Franklin.

Deze fijne documentaire van Mary Wharton zet de schijnwerper op de politieke carrière van de pindaboer uit Plains, Georgia, maar benadert die vanuit zijn liefde voor muziek. Daarbij komen Jimmy zelf, zijn zoon Chip en insiders als Andrew Young en Madeleine Albright aan het woord, maar is er vooral ook ruimte voor muzikale cracks als Bob Dylan, Willie Nelson, Gregg Allman, Trisha Yearwood, Garth Brooks, Nile Rodgers, Rosanne Cash, Jimmy Buffett en Bono, die ongegeneerd (en oprecht) de loftrompet laten schallen over ‘good ol’ Jimmy’.

Zoals later ook Bill Clinton en Barack Obama cultuur een prominente plek zouden geven tijdens hun ambtstermijn, werd Carters Witte Huis een thuis voor muzikanten, waar Gregg Allman en Cher op zijn allereerste werkdag als president kwamen eten, zijn eigen zoon pot rookte met Willie Nelson en de president zelf zich liet verleiden om Salt Peanuts te zingen met Dizzy Gillespie.

Zijn presidentschap mag dan worden beschouwd als niet volledig geslaagd – of totaal mislukt, als je critici moet geloven. Met elk nieuw levensjaar begint de man meer te ogen als een witte raaf in de zwartgeblakerde (inter)nationale politiek. Een nederig mens bovendien, dat zijn leven volledig in het teken heeft gesteld van een betere wereld. Die attitude bezorgde Jimmy Carter in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede, een gelegenheid waarbij zijn dierbare vriend Willie Nelson het onvermijdelijke Georgia On My Mind kwam zingen.

AC/DC: Let There Be Rock

Nee, dit is geen poging om het raadsel van AC/DC te doorgronden, de Australische rockband die nu al een halve eeuw immens populair is en zojuist weer een nieuwe variant op steeds hetzelfde album (ditmaal Power Up genaamd) heeft uitgebracht.

Geen profiel ook van de familie Young. Van stergitarist Angus en de schromelijk onderschatte riffmeister Malcolm, hun oudere broer en producer George en neefje Stevie (die de gitaar in 2014 heeft overgenomen van Malcolm, toen die begon te dementeren).

Geen onderzoek naar de dood van hun eerste zanger Bon Scott in 1980, een zorgvuldige ontleding van diens liederlijke 33-jarige bestaan of een eerbetoon aan zijn onverwoestbare ‘vervanger’ Brian Johnson, nu al veertig jaar de frontman van de groep. 

Geen doodgewoon carrière-overzicht met alle nog levende bandleden (onder wie de onlangs weer teruggekeerde drummer Phil Rudd, die al z’n problemen met de wet achter zich hoopt te laten), producers, managers, pophotemetoten en de verplichte bekende fans.

En zelfs geen volwaardige tourfilm, waarin de band eindeloos in een aftands busje van stad naar stad reist, in Nowhereville elke pan van het dak speelt en zich daarna overgeeft aan alle excessen die we tegenwoordig associëren met rock & roll.

Natuurlijk, AC/DC: Let There Be Rock (98 min.), een film van Eric Dionysius en Eric Mistler uit 1980, bevat korte intermezzo’s, zoals een race tussen de snelle bolide van drummer Phil Rudd en een vliegtuig met bassist Cliff Williams aan boord op een besneeuwd grasveld, Bon Scott die met de gebruikelijke bravoure poseert op een bevroren meertje en een in zijn eentje voetballende Malcolm Young met een tamelijk tragische fles bier in de hand. En, oh ja, zijn jongere broer tekent verdienstelijk.

Er zijn ook nog wat totaal nietszeggende kleedkamerinterviewtjes tussen geplempt. Waarin de bandleden, gewone jongens zonder uitgebreide filosofie of doordacht verhaal, de interviewer met een kluitje in het riet sturen en zijn ongemakkelijke vragen over Angus in zijn schoolkostuum, vrouwen, seks, zuipen en, jawel, de Derde Wereldoorlog van een beleefd antwoord voorzien.

Het heeft allemaal verdacht weinig om het lijf. Net als Angus Young trouwens, nadat hij op 9 december 1979 in Pavillon de Paris zijn welbekende striptease heeft uitgevoerd en van een schooljongen is veranderd in een volwassen vent – van anderhalve meter, dat wel – die héél even zijn achterwerk heeft laten zien. Ze kunnen allemaal zijn, pardon my French, reet kussen. Zoals vrijwel alle andere rockgitaristen tegelijkertijd zijn schoenveters nog niet mogen strikken. Behalve Malcolm dan.

Dit is eerst en vooral een harde, zweterige, theatrale, grappige en buitengewoon opwindende momentopname van één van de allerbeste rockbands die deze aardkloot ooit heeft mogen aanschouwen. Vanaf het podium, waarop ze gezamenlijk excelleren. Met Bon als de ultieme cocky frontman, een glorieus rockende én rollende ritmetandem en twee continu oerriffs en extatische solo’s opboerende meestergitaristen (waarvan de jongste tussendoor even aan de zuurstoffles moet). Als een bulldozer in overdrive met een onvervalste ‘no one gets out alive’-mentaliteit denderen ze over alles en iedereen heen.

Let There Be Rock, juist.

AC/DC: Let There Be Rock is hier te bekijken.

Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice

NTR

Ze is een geboren performer, met een geweldig stembereik. Hoewel Linda Ronstadt zelf geen liedjes schrijft, heeft de Amerikaanse zangeres een geheel eigen signatuur. Tenminste, dat zeggen mensen die het kunnen weten in Linda Ronstadt – The Sound Of My Voice (91 min.). Ze luisteren naar namen als Dolly Parton, Bonnie Raitt, Ry Cooder, Don Henley, Jackson Browne, JD Souther, Aaron Neville en Emmylou Harris en bivakkeerden stuk voor stuk naast Ronstadt terwijl die op het podium of in de studio de sterren van de hemel stond te zingen.

Deze tamelijk routinematige popbio van Rob Epstein en Jeffrey Friedman laat ook nog popprofessionals aan het woord die jarenlang een boterham aan Ronstadt hebben verdiend, zoals platenbaas David Geffen, popjournalist Robert Hilburn en producer John Boylan. Stuk voor stuk lichten ze een tipje van de sluier op van de zeer wendbare zangeres Linda Ronstadt, die met name in de jaren zeventig en tachtig immens succesvol was en tegenwoordig in de luwte leeft.

De vrouw zelf heeft slechts weinig woorden nodig en laat, in steeds wisselende gedaanten en stijlen, horen wat ze zoal in haar mars heeft – waarbij hits als You’re No Good, It’s So Easy en Don’t Know Much (met Aaron Neville) natuurlijk niet (mogen) ontbreken. Het interessantst wordt dit portret als Ronstadt op latere leeftijd echt een eigen koers begint te varen en daarbij ook onverwachte afslagen, richting operette en traditionele Mexicaanse muziek bijvoorbeeld, besluit te nemen. Zo bouwt ze niet alleen een succesvolle, maar uiteindelijk ook een eigenzinnige loopbaan op, die hier nauwgezet en met veel aandacht voor de muziek wordt doorgenomen.

White Riot

Ruim veertig jaar na dato doet het onwerkelijk aan, maar in het Verenigd Koninkrijk van halverwege de jaren zeventig liet menigeen zich openlijk racistisch uit. De extreemrechtse partij The National Front fulmineerde bijvoorbeeld met de regelmaat van de klok tegen kleurlingen en stond hoog in de peilingen. Ook celebrities uitten zich soms in xenofobe termen. ‘Get the wogs out’, riep Eric Clapton, niet in de beste periode van zijn leven en carrière, bijvoorbeeld tijdens een concert in Birmingham. ‘Get the coons out.’

De Britse gitarist sprak daarnaast zijn steun uit aan de omstreden conservatieve politicus Enoch Powell. Die had in 1968 gewaarschuwd voor ‘rivieren van bloed’ als de aanhoudende immigratie niet werd gestopt. Volgens Clapton zou Groot-Brittannië nu binnen tien jaar zelf een kolonie kunnen worden. De popfotograaf Red Saunders kon zijn oren niet geloven en besloot actie te ondernemen. Hij formuleerde een openbare reactie naar de man die groot was geworden van/met de blues, van oorsprong toch echt slavenmuziek. ‘Come on, Eric. you’re rock music’s biggest colonialist’, schreef Saunders venijnig. ‘P.S. Who shot the sheriff, Eric? It sure as hell wasn’t you, mate…’

Saunder’s  open brief aan het poptijdschrift NME zou het startpunt betekenen voor Rock Against Racism. Regisseur Rubika Shah tekent de activistische organisatie in White Riot (80 min.), vernoemd naar de klassieke eerste single van de punkband The Clash, van binnenuit op en schetst met kopstukken als Mykaell Riley (Steel Pulse), Tom Robinson en Pauline Black (The Selekter) het explosieve politieke klimaat in Groot-Brittannië, dat de ideale voedingsbodem zou blijken te zijn voor zowel punk als antifascisme. Bewegingen die, geheel naar de tijdgeest, gekenmerkt werden door roestvrijstalen overtuigingen, een echte Do It Yourself-mentaliteit en lekker schreeuwerige esthetiek.

Aan de vooravond van de Britse verkiezingen van 1979, waarbij het National Front hoge ogen leek te gaan gooien, culmineerden de activiteiten van Rock Against Racism in een gratis concert in het Londense Victoria Park, tevens de climax van deze degelijke film, waarbij zo’n 100.000 Britse jongeren letterlijk kleur bekenden. Het werd een soort Woodstock voor de punkgeneratie en bleek tevens een ideale generale repetitie voor groots opgezette evenementen in latere jaren, zoals het ultieme Gutmensch-evenement Live Aid.

Suzi Q

NTR

‘Mogen we voor je gaat zitten even het achterwerk van het jaar zien?’, vraagt talkshowhost Russell Harty aan zijn gast Suzi Quatro. De Amerikaanse zangeres/bassiste draait zich inderdaad om in haar spijkerbroek, waarna de gastheer haar een ferme tik op de billen geeft. Zijn publiek moet er smakelijk om lachen.

Nee, in de jaren zeventig was het bepaald niet vanzelfsprekend dat je als vrouw serieus werd genomen in de popbusiness en seksisme was werkelijk overal. De hoofdpersoon van Suzi Q (75 min.), type stoere rockchick, kreeg er constant mee te maken. Kerels namen haar niet serieus of beschouwden haar vooral als ‘eye candy’.

Als een echte wegbereider speelde Quatro in de jaren zestig in één van de eerste meidenbands: The Pleasure Seekers, samen met haar zussen Patti en Arlene (met wie ze tegenwoordig een moeizame relatie heeft). Daarna volgde een succesvolle solocarrière. Met een flinke stroom hits, zoals Can The CanIf You Can’t Give Me Love en Stumblin’ In, een duet met Smokie-zanger Chris Norman.

En altijd weer moest ze zich, getuige deze degelijke biografie van Liam Firmager, verantwoorden voor het feit dat ze geen man was. Met die worsteling heeft Quatro wel het plat geplaveid voor vrouwen in de rock & roll, stellen prominente navolgers als Deborah Harry (Blondie), Joan Jett (The Runaways) en Kathy Valentine (The Go-Go’s).

In die invalshoek zit ook de voornaamste meerwaarde van deze tv-docu, die verder trouw het vaste stramien van popdocu’s volgt en netjes chronologisch Quatro’s loopbaan doorloopt met de zangeres zelf, intimi en collega’s.

Beware Of Mr. Baker

Zelden zal de spanning tussen de hoofdpersoon en maker van een documentaire zo treffend zijn uitgedrukt als in de openingsscène van Beware Of Mr. Baker (92 min.). Na een hoog opgelopen meningsverschil over wie er hun zegje over hem mogen doen in ‘zijn’ film mept meesterdrummer Ginger Baker Jay Bulger met zijn wandelstok tegen het hoofd. De documentairemaker blijft letterlijk bloedend achter. Hij had het kunnen weten: waar Ginger komt, komt ruzie.

Onder het voorwendsel dat hij een journalist van het tijdschrift Rolling Stone is, volgens hemzelf een totale leugen, trekt Bulger in 2009 tijdelijk in bij Baker in Zuid-Afrika en schrijft, inderdaad, een artikel voor Rolling Stone over De Doldrieste Drummer. En daarna, in 2012, volgt deze messcherpe, dolkomische en opwindende film over de man die furore maakte bij uiteenlopende acts als Cream, Blind Faith, Fela Kuti, Hawkwind, Public Image Ltd en Masters Of Reality en wordt beschouwd als één van de beste drummers van de twintigste eeuw. Of het nu gaat om rock, jazz of afrobeat.

Voor lieden als Baker is tegelijkertijd het begrip ‘enfant terrible’ uitgevonden. Als hij Bulger zijn levensverhaal vertelt, dreigt er dan ook voortdurend onenigheid. ‘En toen besloot Alexis om Graham bij de band te vragen’, vertelt de slagwerker bijvoorbeeld over het begin van zijn carrière in Alexis Korner’s Blues Incorporated. ‘Kun je iets meer context geven over wie je het dan hebt?, vraagt Jay Bulger. ‘Dat heb ik net gezegd, for fuck’s sake.’ Bulger laat zich de kaas echter niet van het brood eten: ‘Je zei alleen: Graham. Niemand weet wie Graham is.’ Baker, met zichtbare tegenzin: ‘Graham Bond was een vette kerel.’

Tussen de boude statements, middelvingers en cynische rokerslachjes door heeft de hork eerste klas natuurlijk wel degelijk een fascinerend verhaal te vertellen. Zijn zus, echtgenoten en kinderen, directe collega’s als Eric Clapton, Jack Bruce en Steve Winwood, en zijn vakbroeders Nick Mason (Pink Floyd), Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Tony Allen (Fela Kuti) en Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) kaderen dat verder in. En Bulger kleedt het aan met prachtig archiefmateriaal, treffende animaties en – natuurlijk! – dampende muziek, die de film een opwindend ritme geeft.

’Beschouw je jezelf als een tragische held?’ wil Jay Bulger op een gegeven moment weten van zijn volledig losgeslagen protagonist. ‘Ga door met het interview’, reageert die geïrriteerd. ‘Stop met je pogingen om een intellectuele eikel te zijn.’ Gaandeweg komt de filmmaker in deze kostelijke film echter toch vervaarlijk dicht in de buurt van de enige echte Ginger Baker: maniak, dopehead én absolute werelddrummer.