De Pedaalridder – Het Buitenaardse Leven Van Willem Koopman

RTV Rijnmond

‘Hij reed zo het beeld uit’, zegt stadgenoot Jules Deelder met zijn gebruikelijke gevoel voor theater. Willem Koopman was niet te stoppen tijdens het Nederlands kampioenschap baanwielrennen in 1967. Die titel was voor hem. Dat ene pilletje, net voor de meet, had hij echter beter niet kunnen nemen. De Rotterdammer moest zijn titel inleveren. Hij werd ook geschrapt als partner op de tandem van Jan Janssen, die bij de Olympische Spelen van 1968 zilver won met een andere teamgenoot. Koopman zou de top nooit bereiken en ging de boeken in als dopingzondaar. ‘Een Lance Armstrong avant la lettre’, aldus Deelder.

Daarna ging het rap bergafwaarts met de sprintkampioen: (kleine) criminaliteit, psychisch verval en, uiteindelijk, dakloosheid. Deelder ontmoette hem in de herentoiletten van een Rotterdams café, vertelt hij in de bijzonder vermakelijke documentaire De Pedaalridder – Het Buitenaardse Leven Van Willem Koopman (49 min.) van zijn dochter Ari Deelder uit 2016. Het kwam zelfs tot een transactie tussen de beide heren. Over de details wil de dichter met de rappe tong verder niet uitweiden. Het is immers niet zeker of de deal is verjaard.

Gaandeweg ontwikkelde Koopman een geheel eigen visie op dit aardse bestaan, dat volgens hem ieder moment onder vuur kon worden genomen vanuit het heelal. Voor de zekerheid bouwde hij alvast ruimteschepen met de gesmolten stampers van zijn Tonic. In 1995 vertelde de oud-wielrenner in het televisieprogramma Sportpaleis de Jong zelfs dat hij niet was geboren, maar uit grond kwam en was geleverd door de spin Atlanta. Interviewer Wilfried de Jong sprak de inmiddels wat smoezelige en duidelijk verwarde oudere man niet tegen. ‘Ik ben wereldkampioen op de 300 meter’, vertelde Koopman nog. ‘Met 1100 kilometer per uur.’

Deze film is een geslaagde verbeelding van Koopmans wonderlijke belevingswereld. Ari Deelder heeft scènes uit zijn absurde leven in een theatrale setting laten naspelen door de acteurs Klaas Postmus en Raymond Thiry. Tussendoor plaatst ze interviews met intimi van de man die in Rotterdam een absolute cultstatus heeft verworven. Dat wordt nog eens bevestigd door de sixtiesband The Kik. Die maakte de tributesong Van Wie Hij Was En Wie Hij Is, waarmee dit joyeuze en liefdevolle portret naar een fijne climax wordt gebracht. ‘Ik denk dat Willem ons met zijn manier van praten en leven beschermde tegen de saaiheid van het bestaan’, heeft Wilfried de Jong even daarvoor nog gezegd. Lachend: ‘Als je daarnaar keek, dacht je: ja, zo kun je ook leven!’

Rising Phoenix

Netflix

Ze zijn stoer, krachtig, sierlijk. Iconen. Zo worden de hoofdpersonen van Rising Phoenix (106 min.) tenminste doelbewust geportretteerd. Ze hebben weliswaar een lichamelijke beperking, maar excelleerden stuk voor stuk al op de Paralympische Spelen. De boodschap is duidelijk: ondanks hun beperking zijn deze sporters uitgegroeid tot geslaagde mensen. En dat wordt er in deze volvette film van Ian Bonhôte en Peter Ettedgui bijna twee uur lang ingehamerd.

Sterker: ze zijn te vergelijken met superhelden. De documentaire start niet voor niets met een quote van de Franse sprinter en verspringer Jean-Baptiste Alaize. ‘Het is grappig’, zegt hij tijdens een zwaar aangezette sequentie met beelden van ongenaakbare paralympische atleten. ‘Als je de laatste Avengers van Marvel kijkt, dan zie je een team van superhelden. Ze willen het beste voor de mensheid. Ze redden en vechten voor succes. Daarin lijken we op elkaar.’

Die vergelijking is ongetwijfeld emanciperend bedoeld. Een sublimatie van het adagio dat niets onmogelijk is zolang je maar gelooft in jezelf. Al die gestileerde shots, het weelderige muzikale decor en de bombastische montage, met veel gebruik van close-ups en slow-motion, geven Rising Phoenix echter de feel van een gladde promotiefilm, die de Paralympics in een goed daglicht moet stellen en en passant ook de ontstaansgeschiedenis en recente historie ervan belicht.

Binnen zo’n gelikte context komen de persoonlijke getuigenissen van de geportretteerde atleten niet helemaal tot hun recht. Allerlei verschillende individuen, met elk hun eigen beperking, achtergrond en uitdagingen, worden in wezen teruggebracht tot varianten op steeds hetzelfde archetypische heldenverhaal: over een dappere eenling die alle mogelijke tegenslag moet overwinnen en dan uiteindelijk, tegen alle verwachtingen in, tóch zegeviert (of nét niet).

Hoewel de thematiek, omgeving en hoofdrolspelers beslist tot de verbeelding spreken, wil Rising Phoenix daarom maar geen boeiende film worden.

Citizen Jane Fonda

Aurimages

Is ze nu de verleidelijke cyberbabe Barbarella? Volksvijand Hanoi Jane? Uw favoriete aerobics-instructrice? Of tóch, na meer dan een halve eeuw eclatant succes, nog steeds de dochter van Henry?

‘Kan een acteur ooit zichzelf zijn in het dagelijks leven?’ wil een interviewer weten van de jonge Jane Fonda (die onlangs ook al weer geportretteerd in Jane Fonda In Five Acts). Ze antwoordt ontwijkend. Hij vraagt door: ‘U komt nu heel oprecht over, maar is dat gespeeld? Fonda begint te lachen. ‘Dit is allemaal gespeeld. Wat dacht je dan? Ik moet wel acteren, er is een camera bij. Als je me morgen hetzelfde vraagt, krijg je vast een ander antwoord.’

De openingsscène van Citizen Jane Fonda (52 min.) zet de toon voor een tv-film waarin regisseur Florence Platarets met onmiskenbare souplesse door haar leven, carrière en activisme kuiert en ook de protagoniste zelf, buiten beeld, aan het woord laat. Over Fonda’s lange carrière, die resulteerde in maar liefst twee Oscars (Klute en Coming Home), en haar persoonlijk leven, dat de Hollywood-ster over hoge pieken (drie huwelijken) en door diepe dalen (drie echtscheidingen) leidde.

Zoals gebruikelijk bij dit soort portretten wordt er vooral aandacht besteed aan de grote successen van de hoofdpersoon en het bijbehorende leven in de spotlights. De tweede veertig jaar van Jane Fonda’s veelbewogen bestaan – inclusief gelauwerde film- en televisierollen, haar huwelijk met mediamagnaat Ted Turner en een reclamecampagne als rijpere vrouw voor l’Oréal – worden er dan ook in minder dan tien minuten doorheen gejast.

En daarna wordt, voor de mensen die denken dat ook het echte leven eindigt met een happy end, nog even samengevat wat ze zoal heeft geleerd tijdens die inmiddels al meer dan tachtig levensjaren.

Jozi Gold

EO

‘U zult aan radioactiviteit worden blootgesteld, maar slechts kortere tijd’, zegt een even hoogblonde als hooggehakte Zuid-Afrikaanse vrouw tegen het groepje mensen dat ze rondleidt in de directe omgeving van Johannesburg. ‘Er staat geen wind, dus u krijgt geen giftig of radioactief stof binnen.’

Welkom bij de Toxic Tour van milieuactiviste Mariette Liefferink. Sinds 2007 probeert ze gewone Zuid-Afrikanen te informeren over de enorme vervuiling die wordt veroorzaakt door de ooit zo florerende goudindustrie en de mijndirecties en overheid te dwingen om de troep op te ruimen. Ze heeft zich ontwikkeld tot zo’n archetypische leek die zich helemaal heeft ingegraven in de materie en de autoriteiten nu van haar gelijk probeert te overtuigen.

De onverzettelijke Liefferink, een voormalige Jehova’s Getuige die van haar geloof is gevallen maar nog altijd graag een voet tussen de deur zet, fungeert tevens als innemende hoofdpersoon voor de aardige documentaire Jozi Gold (56 min.), waarin Sylvia Vollenhoven en Fredrik Gertten een steeds prangendere milieukwestie, met de bijbehorende sociale- en gezondheidsproblemen, aan de orde stellen: mijnafval.

Een theelepel goud zorgt naar verluidt voor een ton afval. Zo heeft de omgeving van Johannesburg, waar een derde van al het goud in de wereld is gedolven, zich ontwikkeld tot een soort Tsjernobyl van Zuid-Afrika. Liefferink blijft die kwestie onvermoeibaar aankaarten, maar dreigt ook regelmatig, zelfs blootvoets, vast te lopen in het politieke moeras dat rond deze onverkwikkelijke kwestie is ontstaan.

Want zowel de Zuid-Afrikaanse overheid als (voormalige) mijneigenaren laten deze goudprijs het liefst betalen door juist die mensen die zich zelf echt geen goud kunnen veroorloven.

O Amor Natural

NTR

‘De vlam die overal kan oplaaien. Op de grond, op het tapijt of zelfs op de keukentafel’, leest de ene Braziliaanse vrouw lachend voor aan de ander. ‘Een lijf aan lijf gevecht van zweet, sperma en lichaamsvocht.’ De twee dames op gevorderde leeftijd, zittend op een stoel aan het strand, kunnen hun lol niet op. ‘En daarna ga je naar bed om uit te rusten.’

‘De vrouw is ons de baas, vooral op het erotische vlak’, constateren twee gniffelende Braziliaanse mannetjes op een terras. ‘Doen jullie het nog wel?’, wil Heddy Honigmann weten. ‘Ik wel’, antwoordt de jongste, 67. ‘Maar ú doet het toch niet meer?’ schakelt de Nederlandse documentairemaakster door naar de ander. De 82-jarige man laat zich niet overrompelen: ‘Hoezo niet? Ik zal u niet vragen of u met mij wilt experimenteren.’ Schaterend: ‘Maar ik ben er niet slecht in.’

’Zuigen en gezogen worden door de liefde’, leest een andere oudere man met een dikke bril even later voor uit een bundel van de befaamde Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade (1902-1987). ‘Tegelijk de mond multivalent. Het lichaam twee in één genot volledig. Dat niet mij behoort noch jou behoort. Genot van fusie diffuse transfusie. Likken, zuigen en gezogen worden in hetzelfde spasme. Alles is mond en mond. Negenzestigvoud tongenmond.’ Honigmann: ‘Vindt u het mooi?’ De man begint te glunderen: ‘Het is half seksueel. Het is een beetje seksueel.’

Het recept is bedrieglijk simpel: neem O Amor Natural (76 min.), Drummond de Andrade’s postuum verschenen erotische gedichten, en leg de bundel voor aan gewone Brazilianen op leeftijd. Ze openen zich als vanzelf over hun eigen liefdesleven. Zo simpel als het idee voor deze documentaire uit 1996 is, zo elegant is de uitvoering. Honigmann belandt al luisterend en vragend bij de kapper, in een hoedenwinkel en – natuurlijk! – op het strand. Daar ontlokt ze haar gesprekspartners warme, sensuele en grappige ontboezemingen. Dat lijkt gemakkelijk, maar vraagt in werkelijkheid hele precieze casting en een uitstekend gevoel voor toon en timing. De juiste mensen, bij wie de juiste eh… snaar wordt geraakt.

Het resultaat is ernaar: O Amor Natural bulkt van de onvergetelijke personages. Zoals de vrouw die in een commercial een magnetron aanprijst omdat er dan meer tijd overblijft voor seks en daar dan weer heel eigen ideeën over heeft. Een 85-jarige schuinsmarcheerder en zijn vergevingsgezinde dochter, waarbij ’s mans vele buitenechtelijke affaires geen enkel schaamtegevoel oproepen. En de voormalige Olympische zwemster die blozend voorleest over ‘de driehoek van het schaamhaar wit van water, sperma, liefdes loop’. Stuk voor stuk wentelen ze zich (nog eenmaal) in de vleselijke liefde en worden ze overvallen door ‘saudade‘, die onmiskenbare mengeling van gevoelens van verlies, gemis, afstand en liefde.

En dat allemaal geïnspireerd door een befaamde dichter, die zijn pikante geschriften pas na zijn dood liet publiceren. ‘Een zacht beroeren van de clitoris’, leest de 74-jarige sambazangeres Dona Neuma daarin. ‘Ik weet niet wat dat is.’ De eigenaar van de dansschool die naast haar zit heeft ook geen idee. ‘De clitoris is het plekje dat de vrouwen genot geeft’, legt Heddy Honigmann uit. ‘Hij geeft dus de kittelaar een achternaam?’, reageert de vrouw verheugd. ‘Dan begrijp ik het.’ Waarna ze verlekkerd begint terug te blikken op haar huwelijk, dat achttien kinderen heeft opgeleverd. ‘Met al dat neuken heb ik hem gedood, denk ik.’

O Amor Natural is hier te bekijken.

Mijn Naam Is Stefano Keizers

BNNVARA

‘Je hebt het niet verneukt’ probeert theaterregisseur Jelle Kuiper de schade te beperken na de première van de voorstelling Sorry Baby. Cabaretier Stefano Keizers, tevens bekend vanwege zijn deelname aan de televisieprogramma’s De Slimste Mens en Maestro, laat zich echter niet overtuigen. ‘Ik heb het gewoon verpest’, zegt hij mismoedig. ‘Wat wil je dat ik eraan doe? Ik schaam me ervoor.’ Keizers begint even later zelfs met zijn vuisten op tafel te slaan en schreeuwt vervolgens met overslaande stem: ‘Ik heb het gewoon ongelofelijk kut gedaan!’

Die plotselinge woede zou niet misstaan in een slecht toneelstuk over een getormenteerde kunstenaar die zich heeft verslikt in die altijd moeilijke tweede voorstelling. Het is tevens een treffende openingsscène voor de docu Mijn Naam Is Stefano Keizers (50 min.), die vervolgens zes maanden terug in de tijd gaat: als de protagonist een documentaire over zijn leven aankondigt in de talkshow Pauw. ‘Ik zou nu eindelijk wel een keer willen weten of het allemaal een rol is die ik speel of dat ik echt zo ben als dat ik zeg en denk dat ik ben.’

‘Wat denk jij, Lavinia, is er een ontmaskering gaande?’, wil Jeroen Pauw weten van de maakster van de documentaire, die nu inmiddels bijna vijf minuten onderweg is. ‘Ik denk dat het een hele grote strijd wordt’, antwoordt Lavinia Aronson. ‘Tussen ons.’ Dat verbale steekspel krijgt vervolgens vorm via een serie ontmoetingen, waarbij de filmmaakster als een soort beste vriendin opereert: een drankje nuttigend, geinend met speelgoedpistooltjes of sparrend met een boksbal. Intussen bestookt ze hem met persoonlijke vragen, waarmee ze zo nu en dan zowaar een gaatje lijkt te prikken in het pantser Stefano Keizers (een alter ego van ene Gover Meit).

In eerste instantie lijkt die totaal mislukte voorstelling dan overigens nog behoorlijk in de steigers te staan. Gaandeweg begint Aronsons hoofdpersoon – wiens achtergrond en carrière worden geschetst met jeugdfilmpjes, televisiefragmenten en doldwaze sketches en een ludiek interview met broer Felix – echter een licht ontredderde indruk te maken. Al kan dat ook onderdeel van z’n ongrijpbare spel zijn. Keizers lijkt voortdurend op het slappe koord tussen genie en gekte te balanceren, waarbij het nooit helemaal zeker is of hij het achterste van zijn tong laat zien of die juist provocerend uitsteekt.

Dat gevoel van desoriëntatie wordt nog eens versterkt door de ruwe cameravoering en montage. Met de ene na de andere rare bokkensprong stevent de theatermaker (letterlijk) uiteindelijk af op de gedoemde première van zijn tweede voorstelling, waarin het uitgangspunt dat die is mislukt een integrale rol speelt. Zodat feit en fabel volledig zijn verweven. Waarna Keizers dus, tevens de slotscène van deze ontregel(en)de tv-docu, even he-le-maal uit zijn plaat gaat. Toch?

Mijn Naam Is Stefano is hier te bekijken.

De Dood Van Antonio Sànchez Lomas

EO

Eerst werd hij rücksichtslos geliquideerd. Daarna slingerde de Guardia Civil Antonio Sànchez Lomas, de leider van de Maquis-rebellen, over een ezel en werd zijn lijk demonstratief door Frigiliana geleid. De boodschap kon niemand in het zuid-Spaanse dorp ontgaan: zo vergaat het lieden die zich verzetten tegen het Franco-regime.

Ruim zestig jaar na dato zijn de wonden nog altijd niet geheeld. Bepaald niet alle dorpelingen ondersteunen dan ook het initiatief van Ramón en Salvador Gieling om voor de documentaire De Dood Van Antonio Sànchez Lomas (86 min.) een re-enactment van de dramatische gebeurtenissen te organiseren. Anderen zien er juist een unieke gelegenheid in om aandacht te vragen voor de slachtoffers van het dictatoriale regime.

Dat verleden leeft nog altijd in het idyllische witte dorp, waar familieleden van daders naast nabestaanden van slachtoffers wonen. De man die nog altijd niemand vertrouwt omdat zijn vader en broer werden vermoord moet op de één of andere manier samenleven met een dorpsgenoot die nog altijd La Cara Al Sol, de hymne van de fascistische Falangisten, als ringtone gebruikt voor zijn mobiele telefoon.

Vader en zoon Gieling weten de spanningen in Frigiliana, die exemplarisch zijn voor hoe Spanje nog altijd moet dealen met de erfenis van de Franco-jaren, op micro-niveau te vangen en sturen in deze wrange film aan op een verzoening – of op zijn minst een dialoog over dat pijnlijke verleden.

Afghanistan: The Wounded Land

VPRO

Ooit, nog niet eens zo lang geleden, was er een mythisch land. Een prachtig land, een vooruitstrevend land, een welvarend land. Het werd op een onvergetelijke manier vereeuwigd in de klassieke roman De Vliegeraar van Khaled Hosseini en leeft nog altijd voort in de herinnering van talloze inwoners. Zij bewonen tegenwoordig een vervloekte versie van datzelfde land: Afghanistan: The Wounded Land (210 min.), een woestenij waar al bijna een halve eeuw oorlog wordt gevoerd.

In deze vierdelige serie onderzoeken Mayte Carrasco en Marcel Mettelsiefen hoe de mondaine hoofdstad Kabul die begin jaren zeventig nog fungeerde als een toevluchtsoord voor hippies uit alle windstreken, op zoek naar vertier en Afghaanse hash, later ten prooi kon vallen aan de Sovjets, Moedjahedien, Taliban en Amerikanen. In een hopeloos stemmende stammenstrijd rond geld, macht, status en religie, die uiteindelijk alleen verliezers kon hebben.

Carrasco en Mettelsiefen beschikken over afwisselend prachtig, schokkend en aangrijpend archiefmateriaal en hebben een imposante bronnenlijst samengesteld; variërend van politieke kopstukken, religieuze leiders en prominente activisten tot een lid van het Afghaanse koningshuis, de dochter van de laatste communistische president en niemand minder dan Miss Afghanistan 1972. Ook de Russen, buitenlandse hulpverleners en de Amerikanen ontbreken natuurlijk niet. Met die middelen hebben ze een superieur aangeklede geschiedenisles samengesteld, waarin met een helikopterview naar de recente historie van Afghanistan wordt gekeken en de gewone menselijke verhalen toch niet worden vergeten.

Een ‘heldenrol’ is weggelegd voor de eloquente guerrillastrijder, politicus, diplomaat en dichter Masood Khalili die de trieste toestand van zijn land steeds in woorden en beelden weet te vatten. ‘Mijn ezel was stervende, zijn oog zat vol bloed’, vertelt hij bijvoorbeeld over het moment dat hij als rechterhand van de legendarische militieleider Achmed Sjah Massoud in een bombardement verzeild raakte. ‘Ik zat daar alsof hij tegen me sprak. Waarom vechten jullie? Wat mankeren jullie? Wie zijn jullie?’ Khalili laat een kleine stilte vallen. ‘Hebben jullie ooit een ezel het huis van een andere ezel zien platbranden?’

Noodweer, Ik Ben Niet Begonnen

KRO-NCRV

Vier heel uiteenlopende verhalen. Een man in het holst van de nacht in zijn eigen café. Een buitenlandse student in het huis van een vreemde kerel. Een vrouw achter het stuur van haar auto. En een politieagent tijdens de controle van een zwaarbeladen busje. Daar, op een moment dat ze het helemaal niet zagen aankomen, werden zij eerst slachtoffer en daarna dader. Door de acties van een ander en hun eigen impulsieve reactie daarop, vanuit het reptielenbrein.

Zet dat ‘dader’ overigens maar meteen tussen aanhalingstekens. Althans, zo voelen de hoofdpersonen van de verzorgde tv-docu Noodweer, Ik Ben Niet Begonnen (55 min.) het zelf. Ze konden niet anders. Gedwongen door een inbreker, verkrachter, overvaller of agressor. Regisseur Hans Pool brengt hen terug naar de ‘plaats delict’ en laat hen daar het moment herbeleven waarop zij voor eigen rechter speelden en dat hun leven voorgoed veranderde.

Ze zijn stuk voor stuk niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Vrijgesproken of niet. Met of zonder wroeging. In stilte lijdend of publiekelijk aan de schandpaal genageld. Zoals bijvoorbeeld de onherkenbaar gefilmde Germaine C. die in 2005 een tasjesdief doelbewust zou hebben doodgereden. Terwijl voor haar slachtoffer, een negentienjarige jongen met een aanzienlijk strafblad, een stille tocht werd georganiseerd, pendelde zij uit angst voor wraak en de media jarenlang van het ene naar het andere onderduikadres.

Hoewel het gaat om heel verschillende zaken overheerst bij alle slachtoffers/daders, die hier zonder weerwoord hun verhaal kunnen doen, een diepgeworteld gevoel van onrechtvaardigheid. Dat ene fatale ogenblik blijkt bovendien een enorme impact op hun verdere leven te hebben gehad. Want zij mogen dan niet zijn begonnen, deze zaak eindigt toch echt bij hen.

Surviving Jeffrey Epstein

Na Surviving R. Kelly, een docuserie over misbruik door de befaamde R&B-zanger die inmiddels twee seizoenen telt, is er nu Surviving Jeffrey Epstein (197 min.), een aanklacht in vier bedrijven tegen de Amerikaanse multimiljonair met een voorkeur voor steeds weer nieuwe en véél te jonge modellen. De man zou er een soepel draaiende machinerie op na hebben gehouden, met meisjes die eerst werden misbruikt en daarna tegen vindersloon ander vers vlees moesten leveren. Waarop Epstein dan weer zijn lusten kon botvieren. En niet alleen hij, natuurlijk. Een hele coterie van bekende kennissen, waarbij altijd weer de naam van de Britse prins Andrew valt, zou hebben meegeprofiteerd.

Jeffrey Epstein, die op 10 augustus 2019 stierf in een gevangeniscel (zelfdoding, of toch moord?), hoeft zich niet meer te verantwoorden en kan zichzelf ook niet meer verdedigen. In tegenstelling tot R. Kelly die al enige tijd een vuile oorlog voert tegen zijn beschuldigers. In deze nieuwe Epstein-serie, na Jeffrey Epstein: Filthy Rich (Netflix), wordt ook slechts beperkt een poging ondernomen om zijn kant van het verhaal over het voetlicht te brengen. Topadvocaat Alan Dershowitz, die ooit frontaal de aanval opende op Epsteins slachtoffers en zelf ook wordt beschuldigt van seksueel wangedrag, sputtert hier en daar wat tegen. Dat is het.

De ellende kon zich jarenlang volgens vertrouwd #metoo-patroon voltrekken. Het begon vaak met een massage (net als bij Harvey Weinstein, aan de schandpaal genageld in de documentaire Untouchable), ontwikkelde zich al snel tot opgedrongen seks en eindigde vervolgens in de gigantische doofpot, waarin ook talloze andere misbruikschandalen (Bill Cosby, Russell Simmons en Kevin Spacey bijvoorbeeld) jarenlang zijn verdwenen.

De navrante details blijven verbazen. Huisvriend Christopher Mason kreeg van Epsteins vriendin en facilitator Ghislaine Maxwell, een Britse socialite, bijvoorbeeld het verzoek om een lied te schrijven voor zijn veertigste verjaardag. Mason werd geacht om er specifieke details, zoals bijvoorbeeld ’24-hour erections’ en ‘school girl crushes’, in te verwerken, vertelt hij. De wrange aubade begint zo: ‘Poor Jeffrey Epstein is forty years of age / Life must be tough: his hair is already so grey / He sure looks older but it’s clear from his smile / The older he gets the more juvenile’. En dat was dan alleen het eerste couplet.

Het is duidelijk: iedereen in zijn directe omgeving, waarin bijvoorbeeld ook Donald Trump en Bill Clinton zich ophielden, wist er min of meer van en liet het gebeuren. En dat betekende niets minder dan een vrijbrief voor dit seksuele roofdier. Als je geen enkel moreel kompas hebt – zoals Epstein, volgens zijn voormalige leidinggevende bij de zakenbank Bear Stearns, over zichzelf beweerde – is er immers niets dat je belet om anderen genadeloos te exploiteren. En als het feestje bijna afgelopen is, knijp je er gewoon stiekem tussenuit.

Dan rest alleen nog een verklaring. Want zo’n mens word je toch niet zomaar? Die psychologische duiding blijft ook in Surviving Epstein achterwege. Omdat die wellicht niet (meer) is te geven. Deze serie van Ricki Stern en Anne Sundberg is, behalve een vernietigende analyse van het systeem met medeplichtigen en ronselaars dat Epstein rond zichzelf had opgetrokken, dan ook vooral een diepgaand portret geworden van zijn slachtoffers: beschadigde jonge meisjes, kwetsbaar genoeg om nogmaals beschadigd te worden, die inmiddels zijn uitgegroeid tot beschadigde volwassen vrouwen.

Surviving Jeffrey Epstein is getuige hun gedetailleerde getuigenissen, die op den duur helaas een enigszins afstompend effect hebben, bepaald geen sinecure. In die beerput, waarin veel jonge meisjes kopje onder dreigden te gaan, is nu echter wel voldoende gedregd – en niet eerder zo grondig en compleet als in deze krachtige miniserie. De enige die de zaak nu nog verder kan brengen lijkt Epsteins handlanger Ghislaine Maxwell, die in juli 2020 werd gearresteerd en vooralsnog zwijgt als het graf. Dat kan niet zo blijven, zou je zeggen.

Ook al wenst de Amerikaanse president haar het allerbeste.

Boys State

Apple TV

Zet duizend zeventienjarige jongens een week bij elkaar in hun eigen Boys State (109 min.), verdeel ze volstrekt willekeurig over twee politieke partijen en verzin vervolgens een aantal functies waarvoor ze zich verkiesbaar kunnen stellen. Binnen de kortste keren zijn ze verwikkeld in een soort carbonkopie van de hedendaagse Amerikaanse politiek, waarin iedereen een rol krijgt toebedeeld: lijsttrekker, partijbons, spin doctor, persmuskiet of gewoon klapvee.

Sinds 1935 nodigt de American Legion, een veteranenorganisatie die burgerschap wil bevorderen, jaarlijks een groep geselecteerde jongeren uit om hen een stoomcursus democratie te geven. De documentairemakers Jesse Moss en Amanda McBaine sloten aan bij de editie van 2018 in Texas en volgden enkele jongens die in de voetsporen traden van vroegere Boys Nation-deelnemers als Bill Clinton, Samuel Alito, Dick Cheney, Cory Booker en Rush Limbaugh.

Of ze zo echt leren wat democratie inhoudt? Mwah, tot een diepgaande uitwisseling van ideeën en besluitvorming daarover komt het nauwelijks. Ook in deze onstuimige laboratoriumsetting draait het vooral om politiek met kleine p. Kandidaten presenteren geen coherente set ideeën, maar zijn vooral bezig met iedereen naar de mond praten, bedelen om steun en uiteindelijk de prijs binnenhalen: een politieke functie die er écht alleen voor de eer is.

Tussendoor wordt er heel wat gewheeld en gedeald, ontstaan er ongemakkelijke coalities en wordt de tegenpartij ongegeneerd zwartgemaakt. ‘Het is nu eenmaal politiek’, zegt Ben Feinstein, de partijvoorzitter van The Federalists die zich zonder scrupules bedient van slinkse trucs. ‘Je speelt om te winnen.’ Zijn tegenpool, René Otero van The Nationalists, vindt Feinstein een fantastische politicus. ‘Maar het lijkt me geen compliment om een fantastische politicus te worden genoemd.’

Wat natuurlijk eveneens een slimme manier is om de opponent te framen, als een doortrapte machtspoliticus van nog geen achttien. Ook Otero weet immers hoe het werkt als je iets wilt bereiken in die veel bewierookte democratie. Moss en McBaine leggen intussen feilloos vast hoe Amerika’s future leaders – jongens nog, aangejaagd door nét te veel testosteron en bewijsdrang – in dat kader zonder enige terughoudendheid worden bevestigd in hun ‘winners takes all’-mentaliteit.

Kritische vragen stellen de filmmakers niet. Het is overigens ook maar de vraag of veel Amerikanen überhaupt kanttekeningen plaatsen bij het competitieve karakter van deze introductie in de democratie. Boys State is opgebouwd als een typische wedstrijdfilm, die toewerkt naar het moment waarop bekend wordt gemaakt wie de belangrijkste politieke positie (governor) heeft bemachtigd. Daarna mogen alle strebertjes van deze fijne jeukdocu weer huiswaarts. Gepokt en gemazeld, maar vooralsnog als gewone ambteloze zeventienjarigen.

Cunningham

Cherry Pickers

Dans is niet bedoeld om muziek of een verhaal te verbeelden. Dat was tenminste de stellige overtuiging van Merce Cunningham (1919-2009). Voor de Amerikaanse danser en choreograaf vormde dans een geheel eigen taal, die volledig op zichzelf stond en geen andere kunstvormen nodig had om een boodschap uit te drukken. Elke beweging kon dans zijn, iedereen dus een danser.

In de visueel overdonderende film Cunningham (93 min.) concentreert regisseur Alla Kovgan zich volledig op de stiel van haar protagonist, diens baanbrekende werk uit de periode van 1944 tot en met 1972 in het bijzonder. Ze volgt hem middels ingenieus verwerkt archiefmateriaal in zijn artistieke ontwikkeling, die door de man zelf en intimi als componist John Cage, met wie hij veelvuldig samenwerkte, verder wordt ingekaderd.

Cage was ook Cunninghams levenspartner, maar dergelijke biografische verhaallijnen laat Kovgan grotendeels links liggen. Ze concentreert zich liever op ‘s mans avant-gardistische werk. Dat laat ze met veel bravoure uitvoeren op uiteenlopende locaties (en naar verluidt ook in 3D), die ze bovendien op een verbluffende wijze naar haar hand zet. Van verlaten gebouwen, het bos tot een leeg metrostation.

Met die focus op moderne dans, de volstrekt eigenzinnige enscenering daarvan en de keuze om Cunninghams persoonlijk leven buiten beschouwing te laten reikt Kovgan naar aanzienlijke hoogte, maar veroordeelt ze deze gestileerde film ook een beetje tot een select groepje fijnproevers.

Immigration Nation

Netflix

Voordat Donald Trump aan het begin van zijn presidentschap de immigratiedienst van tienduizend extra manschappen voorzag en een zero tolerance-beleid afkondigde, richtte The US Immigration and Customs Enforcement (ICE) zich vooral op illegalen met een strafblad. Nu moest de jacht worden geopend op álle mensen zonder verblijfsvergunning in de Verenigde Staten.

Sindsdien kan er bij iemand die al jarenlang in het land van de onbegrensde dromen woont zomaar ineens een geharnast team deportatie-agenten voor de deur staan met een uitzettingsbevel. Hij of zij krijgt dan nog nét de tijd om afscheid te nemen van z’n directe familie en wordt daarna, in de verplichte handboeien, afgevoerd naar een cellencomplex. Van daaruit wordt het gedwongen vertrek naar het land van herkomst, ook als de persoon in kwestie daar in werkelijkheid nooit heeft gewoond, in gang gezet.

En als de ICE-medewerkers tijdens de operatie toevallig andere illegalen aantreffen worden ook die direct ingerekend. Voor deze ‘collaterals’ mogen ze zelfs op een complimentje rekenen van hun directe collega’s. Die krikken de cijfers zo lekker op. ‘De wet is de wet’, dreunt een Homeland Security-functionaris trouw één van de dogma’s van zijn job op in de schrijnende docuserie Immigration Nation (373 min.). Ze zijn tenslotte niet voor niets ‘wetshandhavers’ en ‘doen ook maar gewoon hun werk’.

Zelfs als dat betekent dat ze daarbij ouders en kinderen van elkaar moeten scheiden. Een paardenmiddel dat een afschrikwekkend effect moet hebben en dat regelmatig resulteert in onmenselijke toestanden. ‘Haar moeder is vermoord’, zegt gedetineerde Erin Ramos bijvoorbeeld geëmotioneerd nadat zijn dochtertje elders, op een voor hem onbekende plek, is ondergebracht. ‘Ze zag alles wat er gebeurde. Wat haar moeder overkwam… En het doet pijn dat ik nu niet weet wat er met m’n dochter gebeurt.’

Net als enkele andere illegale ouders bivakkeert Ramos al enkele maanden in een soort niemandsland, waarbij zowel terugkeer naar z’n geboorteland als hereniging met zijn kind uitblijft. Die hardvochtige aanpak zorgt voor gewetensnood bij enkele van de wat meer empathische immigratiemedewerkers, die door Christina Clusiau en Shaul Schwartz in deze zesdelige serie van zeer dichtbij worden gevolgd, blijkbaar met toestemming van hun werkgever.

Anderen, de hardliners, varen wel bij de omstreden nieuwe koers. ‘Er is een bepaalde… ik noem het geen blijheid maar… voldoening in het uitzetten van mensen die hier niet thuishoren’, zegt een deportatie-supervisor zelfs zonder enige gêne. De rechter heeft zijn beslissing genomen. Hijzelf is nu niet meer dan ‘de taxichauffeur die ze van A naar B brengt’. En dat doet de man dus met liefde en plezier. It’s all in a day’s work for ICE-man, zullen we maar zeggen.

In wezen zijn alle casussen in Immigration Nation – of het nu gaat om uitgebuite illegale werkkrachten, de tienduizenden wachtende asielzoekers in de Mexicaanse grensplaats Ciudad Juárez of uitgezette Amerikaanse oorlogsveteranen – pijnlijke varianten op één en hetzelfde thema, dat in deze heftige, soms ook wat fragmentarische miniserie van alle kanten wordt belicht: hoe, waar en waarom begrenzen we elkaar? En wie heeft daarbij de overhand?

Het draait uiteindelijk om gewone mensen in de knel die de gok hebben gewaagd en hun geluk elders zijn gaan beproeven. In een land dat in wezen vrijwel volledig uit immigranten bestaat en dat zich tóch met vrijwel alle middelen te weer stelt tegen hun komst. Dat grimmige en aangrijpende uitgangspunt wordt vertaald in een vlijmscherpe aanklacht tegen de (virtuele) muur die Trump, net als overigens veel van zijn voorgangers, rond Amerika heeft opgetrokken.

The Swamp

Matt Gaetz (l) & Thomas Massie (r) / HBO

‘Ik ben deze speld ‘precious’ gaan noemen’, zegt het Republikeinse volksvertegenwoordiger Thomas Massie terwijl hij de officiële speld die aantoont dat hij lid is van het Amerikaanse congres laat zien. ‘Als je ooit Lord Of The Rings of The Hobbit hebt gezien, weet je dat zo’n ding beïnvloedt hoe je denkt. Je komt hier als een hobbit, doet die speld op en wordt binnen de kortste keren Gollem.’

En als je besluit om het spel met lobbyisten, partijleiders en donoren niet mee te spelen, zoals diezelfde Massie probeert, word je al snel een buitenbeentje in Washington en komt er ook geen geld meer jouw kant op. Zodat direct je herverkiezing, elke twee jaar voor een congreslid, in gevaar komt. Zo houdt The Swamp (115 min.) zichzelf in stand en verliest de volksvertegenwoordiging intussen elke geloofwaardigheid bij gewone Amerikanen.

Donald Trump afficheerde zich niet voor niets met de campagneslogan ‘drain the swamp’, een voornemen dat toen hij eenmaal was verkozen trouwens meteen in de prullenbak belandde. Daarmee geconfronteerd zit zelfs Matt Gaetz, Trumps grootste fan in het parlement en de belangrijkste hoofdpersoon van deze slimme en vermakelijke film van Morgan Pehme en Daniel DiMauro (die eerder Get Me Roger Stone maakten), even met zijn mond vol tanden.

De blitse Gaetz, tandpastasmile en gebeeldhouwd kapsel, is een man met vele gezichten. Enerzijds is hij een overtuigd pleitbezorger van initiatieven met Democraten om de campagnefinanciering te hervormen en het congres te revitaliseren, anderzijds fungeert hij als een Republikeinse bloedhond die zeker tijdens het impeachmentproces tegen Trump steeds weer ten strijde trekt tegen de verfoeide tegenpartij.

Als een verliefde puber belt hij vervolgens ‘zijn’ president om de lof daarvoor in ontvangst nemen. Een ideale protagonist kortom voor deze antropologische kijk op het Amerikaanse politieke systeem, dat aan alle kanten piept en kraakt en, daarover zijn de opgevoerde Democraten en Republikeinen het wel eens, zou moeten worden vrijgemaakt van extreme partijpolitiek en de nefaste invloed van het grote geld.

Die reduceren op zichzelf integere parlementariërs tot voortdurend om een financiële bijdrage bedelende en binnen de lijntjes kleurende kwezels. Maar wie heeft er de politieke moed om, in de woorden van Thomas Massie (die een stem tegen Trump eerder dit jaar overigens moest bekopen met een tegenstrever in de voorverkiezingen van zijn partij), die vermaledijde congresspeld in de Doemberg te gooien?

Sons Of Honour

Witfilm

Kun je de zonen van ‘mannen van eer’ zodanig herprogrammeren dat ze niet in de voetsporen van hun vaders treden? De Italiaanse jeugdrechter Roberto di Bella probeert de nieuwste generatie van de ‘Ndrangheta, de beruchte maffia van Calabrië, met een alternatieve straf te laten zien dat een leven buiten de georganiseerde misdaad wel degelijk mogelijk is.

Sophia Luvarà, die zelf in de Italiaanse regio opgroeide, volgt enkele Sons Of Honour (86 min.) tijdens hun tijd in het jeugdtehuis, dat soms bijna oogt als een willekeurige studentenflat. Bevolkt door louter stoere jongens, dat wel, die door de filmmaakster worden bevraagd over hun jeugd, familie en achtergrond. Hoe en wanneer daalden ze af in de onderwereld? En hebben ze überhaupt ooit een andere wereld gekend?

Luvarà doorsnijdt de scènes met de (nu nog?) kleine crimineeltjes met getuigenissen en brieven die Di Bella gedurende zijn loopbaan heeft ontvangen. Daarmee wordt de volle omvang van de ‘Ndrangheta-problematiek duidelijk. De rechter wordt bijvoorbeeld regelmatig benaderd door moeders die hem letterlijk smeken om hun kinderen weg te halen uit de maalstroom van geweld die hun familie nu al generaties in z’n greep heeft.

Dat blijkt ook in deze broeierige film, die nooit helemaal lijkt te ontvlammen, weer gemakkelijker gezegd dan gedaan. Hoewel de jongeren op zich misschien wel schoon schip willen maken, is het de vraag of ze dat nog kunnen. Je kunt de jongen weliswaar uit de ‘Ndrangheta proberen te halen, maar krijg je de ‘Ndrangheta daarmee ooit echt uit de man?

Night Will Fall

Zelfs de cameralens, die doorgaans van het gruwelijkste tafereel simpelweg een shot met personages, kleurstelling en een kader maakt, kon ditmaal geen bescherming bieden. De cameramannen die de geallieerde troepen vergezelden toen deze in 1945 de Duitse concentratiekampen ontdekten, zouden hun eigen beelden nooit meer kwijt kunnen spelen. Die stonden voor altijd op hun netvlies gebrand.

Dat had ook te maken met de specifieke opdracht die ze van hun meerderen hadden gekregen: verzamel concreet bewijsmateriaal. Leg de ellende van dichtbij en zo plastisch mogelijk vast, zodat niemand ooit kan ontkennen dat dit ooit is gebeurd (en wie ervan op de hoogte waren). Waar de dodelijkste details in oorlogsverslagen vaak on(der)belicht blijven, werd er nu juist op ingezoomd. Met alle gevolgen van dien. Het resultaat is 75 jaar later, zelfs met oorlogsmoeie ogen, nog altijd niet om aan te zien.

De Britse filmmaker Sidney Bernstein probeerde het schokkende beeldmateriaal direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog te verwerken in de documentaire German Concentration Camps, waaraan ook topregisseur Alfred Hitchcock zijn medewerking verleende. De film, nooit helemaal afgerond, zou echter achter slot en grendel verdwijnen. Als huiveringwekkend bewijsstuk van waartoe de mens in staat is, dat alleen even niet te pas kwam in een wereld die zich alweer opmaakte voor een volgende oorlog, een koude ditmaal.

In de bijzonder indringende reconstructie Night Will Fall (73 min.) uit 2014 ontleedt regisseur André Singer met direct betrokkenen de totstandkoming van deze documentaire die in eerste instantie, tot de geruchtmakende Neurenberg-processen, vrijwel niemand te zien zou krijgen. Hij laat de ontluisterende beelden daarnaast voor zichzelf spreken en komt zo akelig dicht bij de ervaring van de gewone soldaten die destijds nietsvermoedend, en met draaiende camera, de hel van Bergen-Belsen of Auschwitz betraden en daar werden geconfronteerd met het werk van een duivelse machine die in een mum van tijd menselijk afval had gemaakt van gewone stervelingen.

Wat zij toen tot in de goorste details vastlegden, heeft vele oorlogen later nog niets aan kracht ingeboet en laat zich ook op een 21e eeuws beeldscherm slechts met afgewend hoofd, dichtgeknepen neus en het nodige doorzettingsvermogen aanschouwen. Al is het zonder enige twijfel belangrijk om dat bij tijd en wijle tóch te doen.

How To Survive A Plague

‘Hoeveel mensen moeten er nog sterven?’ In die vlijmscherpe vraag, geschreeuwd naar de politici of wetenschappers van dienst, zat de complete wanhoop van de eerste generatie aids-activisten opgesloten. Toen de ziekte die in de jaren tachtig stelselmatig was doodgezwegen door de regering Reagan echt niet meer viel te ontkennen, simpelweg omdat het aantal doden zienderogen opliep, werd ook het verzet tegen de onverschillige houding van de Amerikaanse overheid steeds grimmiger. In New York ontstond een militante belangengroep: ACT UP.

In How To Survive A Plague (80 min.) belicht filmmaker David France de strijd van deze gedreven activisten om gezagsdragers, goedschiks dan wel kwaadschiks, in beweging te krijgen. Zodat ze eindelijk eens op zoek zouden gaan naar een doeltreffend medicijn (of hun bezwaren tegen condoomgebruik te laten varen). Daarbij moeten ze onder andere de degens kruisen met een jonge Anthony Fauci, de huidige Corona-tsaar van de Verenigde Staten die ook als aids-expert voor hete vuren komt te staan.

Uiteindelijk slaat de ‘onsterfelijke woede’ ook naar binnen bij ACT UP. Dit zorgt voor tweespalt in de LGBT-gemeenschap die in een voortdurende doodsstrijd is verwikkeld met het vileine virus. ‘Tenzij we met ons allen de handen ineen slaan’, stelt schrijver Larry Kramer (aan wie in 2015 de documentaire In Love & Anger werd gewijd) tijdens een indrukwekkende speech, ‘zijn we zo goed als dood.’

Deze krachtige film uit 2012, waarin het geladen archiefmateriaal wordt ingekaderd door enkele hoofdrolspelers die de dans destijds zijn ontsprongen, schenkt slechts beperkt aandacht aan de menselijke tol van het HIV-virus en concentreert zich vooral op de burgerlijke ongehoorzaamheid, gerichte acties en slimme publiciteitscampagnes van de aids-activisten, waarbij menigeen boven zichzelf uitstijgt en in de jarenlange strijd (zelf)respect verwerft.

The Missing Picture

Het was de dag dat zijn lot, en dat van zijn volledige familie, directe omgeving en het gehele land, definitief werd veranderd. Filmmaker Rithy Panh was dertien toen Pol Pots communistische horde op 17 april 1975 de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh binnentrok. Twee miljoen mensen werden van huis en haard verdreven, om in kampen te worden heropgevoed en te werken aan de nieuwe heilstaat van de Rode Khmer. ‘Ze hadden hun orders: raak de vijand nooit aan’, realiseerde Panh zich al snel. ‘De vijand, dat ben ik.’

Van individuele mensen met een eigen identiteit moest, met harde hand en honger als ongenadig wapen, een gezichtsloos collectief worden gemaakt. De beelden van de eindeloze ontberingen en het peilloze verdriet dat dit veroorzaakte houden zich nog altijd verscholen in zijn hoofd. Met kleipoppetjes roept Rithy Panh ze opnieuw op. Net als de onbekommerde jeugd die tijdens de Rode Khmer-jaren (1975-1979) genadeloos werd uitgewist.

The Missing Picture (95 min.) vormt de ontroerende weerslag van Panhs diep persoonlijke zoektocht naar dat onzichtbare verleden, die wordt ingekleurd met een intieme voice-over, expressieve muziek en zielsnijdende ensceneringen met zijn personages van klei. Als tegenwicht is er de letterlijke kleurloze verbeelding van de officiële Khmer Rouge-ideologie, propaganda waarin de menselijke maat volledig is uitgevlakt.

Met deze zeer persoonlijke en verduiveld knappe film uit 2013, waarin interviews en andere hoofdpersonen achterwege blijven, hervindt Rithy Panh zo iets van zijn eigen humaniteit, het deel dat het totalitaire regime destijds met alle macht probeerde af te schakelen. Hij brengt tevens zijn familie weer tot leven. Ook al is het dan met klei.

Het bezorgde de Cambodjaanse documentairemaker, die met S21: The Khmer Rouge Killing Machine eerder al een film had gemaakt over Pol Pots lugubere martelfabriek in Phnom Penh, een Oscar-nominatie en een belangrijke prijs op het filmfestival van Cannes. En hopelijk, ergens, ook wat gemoedsrust.

Young @ Heart

Dat je je vanaf de allereerste minuut kapot ergert aan de werkwijze van de Britse regisseur Stephen Walker.

Aan zijn popi, nét te uitleggerige voice-overs over het Amerikaanse ouderenkoor dat centraal staat in Young @ Heart (108 min.) uit 2007. In de ik-vorm nota bene, zodat we hemzelf toch echt niet over het hoofd zien.

Aan zijn kruiperige interviewtechniek als hij bij de oudjes thuis naar de bekende weg komt vragen over leven, dood en zingen.

Aan z’n quasi-verbazing over de dwarse repertoirekeuze van dirigent Bob Cilman voor het koor: Jimi Hendrix, The Clash en Sonic Youth.

Aan de manier waarop hij die in beelden uitdrukt: opengesperde ogen, ongelovige glimlachjes en -te langen leste – verrukte gezichtsuitdrukkingen bij zowel de koorleden zelf als hun enthousiaste publiek.

Aan die enkele, toch wel héél erg ingewikkelde nummers (James Browns I Feel Good en Yes We Can Can van Allen Toussaint) die de bejaarde koorleden nauwelijks ingestudeerd krijgen, een proces dat natuurlijk lekker lang wordt uitgemolken.

En dat je dan, ondanks Walkers opzichtige pogingen om de hele boel, bijna letterlijk, om zeep te helpen, tóch overstag gaat.Voor die onweerstaanbare combinatie van de zegeningen en kwalen van ouderdom (waarin ziekte en de dood vanzelfsprekend niet ontbreken) en Young At Heart’s ferme, dolkomische of ontroerende interpretaties van popklassiekers als Road To Nowhere (Talking Heads), I Wanna Be Sedated (The Ramones), Stayin’ Alive (The Bee Gees) en het speciaal voor de gelegenheid met een zuurstofpomp uitgeruste Fix You (Coldplay).


Daartegen is zelfs een koekenbakker als Stephen Walker (*) niet opgewassen.

(*) die, vooruit, kundig de kracht van het koor vat, de muziek zoveel mogelijk het werk laat doen en ook het onvermijdelijke drama rond enkele individuele leden goed heeft opgetekend.

Playing God

Hoeveel geld moet je neertellen voor een mensenleven? Dat verschilt nogal, eerlijk gezegd. ‘Als het een beurshandelaar of bankier is die op straat dood valt, dan moet je echt meer betalen dan bij een ober, soldaat, agent of brandweerman’, zegt Ken Feinberg nuchter in Playing God (98 min.). ‘Zo werkt het systeem nu eenmaal.’

De Amerikaanse advocaat weet waarover hij praat: Feinberg wordt met de regelmaat van de klok gevraagd om als arbiter op te treden als na een ramp, ongeluk of aanval de schade moet worden opgemaakt (en bedrijven of de overheid zelf mogelijke rechtszaken willen voorkomen). Na tragedies zoals de aanslagen van 11 september 2001, Orkaan Katrina en de Sandy Hook-school shooting was hij het die zich boog over de verzoeken van slachtoffers – of van lieden die een slaatje probeerden te slaan uit de situatie.

Dat vereist een olifantshuid. Eigenlijk kan een man als Kenneth R. Feinberg geen goed doen, er is altijd wel iemand die teleurgesteld is, z’n onmacht op hem richt of behoefte heeft om zijn woede te koelen. En geld – bloedgeld, zeggen sommigen – kan sowieso de onderliggende ellende nooit wegpoetsen. ‘Er zit geen enkel plezier in dat geld’, zegt Rosemary Cain, die een familielid verloor tijdens de aanslagen van 11 september. ‘Het is overladen met schuld.’

Deze interessante documentaire van de Duitse documentairemaakster Karin Jurschick behandelt de belangrijkste klussen en dilemma’s van Feinbergs werkzame leven, dat in de jaren tachtig een vlucht nam met een zaak van veteranen die compensatie wilden voor het gebruik van napalm tijdens de Vietnamoorlog, en zoekt daarbij ook de rafelranden op: is hij wel altijd zo onafhankelijk? Kan dat überhaupt in gevallen waarbij hij zelf is ingehuurd door een partij die de schade of het letsel heeft veroorzaakt?

Duidelijk is dat een levenlang salomonsoordelen vellen een wissel op je trekt. ‘Overdag zie ik het slechtste van de menselijke beschaving: dood, woede, frustratie, drama’, zegt Feinberg in de openingsscène, terwijl hij in het donker voor de televisie zit en weldadige klassieke muziek op zich laat inwerken. ‘In de nacht laaf ik me aan een concert of opera, het summum van menselijke beschaving: Wagner, Verdi, Beethoven, Brahms, Mahler.’

Intussen zwerft de camera over foto’s van Feinberg met allerlei Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders. Ieder voor zich moesten ze soms voor God spelen en de waarde van een mensenleven bepalen. Die prijs was, afhankelijk van het gezichtspunt van de betrokkene, altijd te hoog of te laag.