De Zaak Tuitjenhorn

Anneke Tromp / Zeppers

Binnen zes weken verandert Nico Tromp van een gewaardeerde huisarts in een man die door de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) publiekelijk is geschorst en door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd van ‘moord’ op één van zijn patiënten. In opperste wanhoop maakt hij begin oktober 2013 een einde aan zijn leven. ‘Jullie zijn beter af zonder mij’, schrijft hij in een afscheidsbrief aan zijn gezin.

Haar echtgenoot is het slachtoffer van karaktermoord, meent Anneke Tromp. Na zijn overlijden start ze een juridisch gevecht voor eerherstel. In de documentaire De Zaak Tuitjenhorn (66 min.) keert Sarah Vos, gebruikmakend van de officiële getuigenverklaringen, verhoren en rechtszaak, de zaak binnenstebuiten die ooit is begonnen met een terminaal zieke dorpsgenoot (65) van Tromp. Bij de behandeling wijkt de huisarts vervolgens af van de bestaande protocollen en dient hem 1 gram morfine toe. Waarna de man terstond komt te overlijden…

Een jonge coassistent die met hem meeliep verbaast zich over Tromps handelen. Ze maakt melding van de kwestie bij een begeleidende huisarts, die haar verklaring op zijn beurt doorstuurt naar de Inspectie. En die schakelt weer justitie in, waarna Nico Tromp midden in de nacht van zijn bed wordt gelicht en een Kafkaëske nachtmerrie begint. De huisarts uit Tuitjenhorn stort helemaal in en wordt opgenomen in een psychiatrische instelling. Volgens zijn zoon Reinier was hij ‘ontzettend bang’ om in de gevangenis te komen.

De politie ziet er nochtans geen been in om Tromp tijdens zijn opname, drie weken voor zijn zelfdoding, te verhoren. Delen van dit gesprek zijn voor deze film gereconstrueerd, waarbij acteur Pierre Bokma de rol van medewerker van de opsporingseenheid van de Inspectie Gezondheidszorg op zich neemt. Bokma geeft ook tijdens de rechtszaak een stem aan de IGZ omdat Vos geen toestemming heeft gekregen om de oorspronkelijke geluidsopnames te gebruiken. De betrokken medewerkers van de Inspectie worden overigens wel met naam en toenaam genoemd.

Heeft de huisarts, zoals de jonge coassistent denkt en door de IGZ lijkt te worden ondersteund, een patiënt vermoord? Of is Nico Tromp, zoals zijn weduwe en zoon denken, geheel ten onrechte aan de schandpaal genageld? Wat de juiste toedracht ook is – het is helder aan welke kant Sarah Vos staat – de actie van de coassistent heeft een keten van gebeurtenissen in gang gezet, die uiteindelijk tot nóg een familietragedie leidt. Waardoor deze tragische film een relaas is geworden met louter verliezers, voor wie een Pyrrusoverwinning het hoogst haalbare lijkt.

Exit Through The Gift Shop

Zodra de geblinddoekte pop in het oranje pak helemaal naar wens staat, maakt guerrillakunstenaar Banksy zich uit de voeten. Thierry Guetta blijft achter. Met zijn cameraatje legt hij vast hoe bezoekers van Disneyland reageren op Banksys versie van een gevangene van de omstreden strafkolonie Guantanamo Bay, waar na elf september 2001 vermeende terroristen zonder enige vorm van proces werden vastgezet. Ook vanuit de achtbaan kunnen ze de provocerende pop goed zien. Even later wordt het ding stilgezet en krijgt Thierry de beveiliging op zijn dak. Banksy heeft het park dan al verlaten.

In het dagelijks leven heeft de van oorsprong Franse huisvader Thierry een winkel in vintagekleding in Los Angeles, maar hij heeft een prominente plek in Exit Through The Gift Shop (87 min.) gekregen vanwege zijn passie voor straatkunst. Als een bezetene begint hij met zijn camera prikkelende graffiti-artiesten zoals Invader, Shepard Fairey en Borf te volgen. Uiteindelijk kruist hij zo ook het pad van ’s werelds bekendste straatkunstenaar Banksy, een man die angstvallig zijn eigen anonimiteit bewaakt en altijd weer controverse uitlokt met de bommetjes die hij zomaar in het gewone leven dropt.

Wat een portret van een ontluikende cultuur had moeten worden, met een hoofdrol voor Banksy, ontspoort gaandeweg echter tot een verwrongen portret van Thierry Guetta zelf, die eerst vastloopt tijdens het maken van zijn film over straatkunst en daarna een alter ego als straatkunstenaar ontwikkelt, Mr. Brainwash, en op weg gaat naar zijn eerste expositie. Althans, dat is het verhaal dat Banksy ons in deze sprankelende film uit 2010 voorschotelt. Maar is het daarmee ook waar?

Banksy houdt vol van wel. Menigeen ziet in Exit Through The Gift Shop echter een onvervalste ‘mockumentary’, een speelfilm die zich consequent blijft voordoen als documentaire. Wat de conclusie ook luidt, de film maakt een dynamische subcultuur van binnenuit inzichtelijk, zoomt in op de meest tot de verbeelding sprekende representant ervan (die steevast onherkenbaar wordt gemaakt) en is bovendien een heel erg smakelijke film. Met een lekker vlot verteltempo, veel humor, smakelijke muziekjes en de Britse acteur Rhys Ifans als joyeuze verteller.

Of het nu een volbloed-documentaire of – en dat ligt er toch wel dik bovenop – een slim uitgewerkte hoax is, lijkt eigenlijk irrelevant. Deze Banksy-film steekt met sardonisch genoegen een middelvinger op naar de reguliere kunstwereld. Zoals we inmiddels zijn gewend van de gezichtsloze kunstenaar die alleen zijn eigen spelregels lijkt te accepteren.

Dont Look Back

De jonge honden die in de jaren zestig stormenderhand de documentairewereld overnamen met hun mobiele camera- en geluidsapparatuur en het bijbehorende nieuwe docugenre, direct cinema, injecteerden ook hun eigen onderwerpen in die films. Popmuziek en documentaire gingen vanaf de swingin’ sixties een natuurlijk huwelijk aan, dat nog steeds standhoudt. Al piept en kraakt de verbintenis, die door de professionalisering van de popbusiness ook veel zouteloze promotiefilms heeft opgeleverd, zo nu en dan flink.

Dont Look Back (96 min.), een film uit 1967 waarin Bob Dylan in korrelig zwartwit wordt geobserveerd, geldt als het archetype van de tourfilm, een subgenre van de muziekdocu. In de navolgende halve eeuw zijn er talloze portretten gemaakt van artiesten of bands die floreerden, of juist verdwaald raakten, in de eindeloze, zichzelf repeterende rondgang langs concertzalen, kleedkamers, journalisten, superfans, groupies en afterparty’s. Met Meeting People Is Easy (1998), Grant Gees desolate verbeelding van een volledig verweesd ‘Radiohead on tour’, als absoluut hoogtepunt.

D.A. Pennebaker, één van de absolute direct cinema-pioniers, schetst in zijn volgportret van de jonge Dylan die Londen verovert, een minder dramatisch beeld: van een muzikant die de roem en aandacht ogenschijnlijk redelijk gemakkelijk van zich laat afglijden en oog houdt voor waar het hem om gaat. Tussen de optredens en interviews door wordt er bijvoorbeeld druk gemusiceerd in zijn hotelkamer. Terwijl Joan Baez een lied zingt, zoekt Dylan op een typemachine naar de bijbehorende woorden. Even later neemt hij zelf ook zijn instrument ter hand. Gezamenlijk prikken ze zo even een gaatje in de enorme zeepbel die rondom hem wordt opgeblazen.

In dat verband is een scène met Dylans manager Albert Grossman, een gesoigneerd heerschap dat eerder al hotelmedewerkers die het waagden om te klagen over lawaai vanuit Dylans hotelkamer op onbeschofte wijze heeft afgeblaft, eveneens verduiveld interessant. Samen met een Britse concertpromotor probeert hij op gehaaide wijze de BBC te verleiden om de gage voor enkele concerten van ‘zijn’ artiest te verhogen. Dat levert een fraai inkijkje op in het dagelijkse loven en bieden rond een gewild popproduct, dat je tegenwoordig nog maar zelden krijgt voorgeschoteld.

Ook verhelderend en ontluisterend tegelijk: de ontmoetingen van Dylan met een keur aan concertorganisatoren, would be-muzikanten en popjournalisten, die opzichtig hengelen naar zijn aandacht en goedkeuring en zo nu en dan ‘s mans toorn of afkeer over zich afroepen. Als een keizer tegen wil en dank wikt en beschikt de singer-songwriter, die een halve eeuw later de Nobelprijs voor de Literatuur zal ontvangen, met een enkele blik, besmuikte lach of messcherpe opmerking over zijn hovelingen.

Pennebakers zoekende camera, zowel naar de ideale verhaallijn als het juiste kader en de focus, schetst ondertussen een onopgesmukt en voor die tijd ongekend portret van een fenomeen dat tegenwoordig heel vertrouwd voelt: de muzikant als beroemdheid, opiniemaker en machtsfactor.

De openingsscène van Dont Look Back, het iconische beeld van Dylan die tekstkaarten laat zien tijdens Subterranean Homesick Blues, zou overigens de geschiedenisboeken ingaan als zo’n beetje de allereerste videoclip.

Homecoming: A Film By Beyoncé

Is Homecoming: A Film By Beyoncé (137 min.) een documentaire? Dat lijkt me een definitiekwestie. Als klassiekers zoals The Last Waltz (The Band) en Stop Making Sense (Talking Heads) tot het genre worden gerekend, dan dient dat ook te gelden voor deze dampende concertfilm van de Amerikaanse zangeres Beyoncé Knowles-Carter.

De hoofdmoot van de film wordt gevormd door de twee shows die de flamboyante superster gaf op het Amerikaanse Coachella-festival in 2018, waar ze de eerste zwarte vrouwelijke hoofdact uit de historie was. ‘Beychella’ is een groots opgezet, zorgvuldig gechoreografeerd en met veel bravoure uitgeserveerd spektakelstuk, waarmee Beyoncé zich nadrukkelijk plaatst in de muzikale en culturele historie van zwart Amerika, van de zwarte vrouwen in het bijzonder. De docu is niet voor niets gelardeerd met verwijzingen naar Afro-Amerikaanse iconen als Nina Simone, Audre Lorde en Alice Walker.

Een ander hoofdbestanddeel van de film is daarmee nauw verbonden: hoe een willekeurig zwarte moeder, die na haar loodzware zwangerschap en de geboorte van haar tweeling bepaald niet topfit is, weer de ‘queen of pop’ Beyoncé moet zien te worden en zich intussen stort op een zeer ambitieuze show, waarin ze een groep van tweehonderd (!) Afro-Amerikaanse performers alle ruimte geeft om te excelleren, gasten ontvangt als haar echtgenoot Jay-Z, zus Solange en voormalige leden van Destiny’s Child en zelf tóch het stralende middelpunt moet worden. Ga er maar aanstaan.

Via ‘fly on the wall’-beelden van de uitputtende repetities met haar dansers en een enorme marching band, bijeengehouden door een persoonlijk audiodagboek, wordt die terugkeer inzichtelijk en invoelbaar gemaakt. De norm ligt torenhoog, zowel voor Beyoncé als haar entourage. Maar het resultaat is ernaar: een volvet, funky, sensueel en diepzwart concert, waarmee ook een door en door ‘witte’ huiskamer voor dik twee uur kan worden omgedoopt tot ‘Beychella’. Homecoming geeft bovendien enigszins zicht op het fenomeen Beyoncé – of op zijn minst op hoe ze zichzelf ziet of wil zien.

De Erfenis Van Een Verzetsheld

VPRO

De plattegrond van een huis. Een oude foto ervan. ‘Van wie was dat huis?’, wil de interviewer weten. ‘Dat was van een NSB’er geweest.’ Jeugdherinneringen. Aan de petroleumlamp. Banken zonder leuning. Een uitschuifbare tafel. ‘Nee, die klapte niet uit’, meent een andere dochter van verzetsstrijder Johannes Post. ‘Volgens mij was het één tafel.’ Even later: ‘Weet jij toevallig hoe het tafelzeil eruitzag?’

Als de kleuren en het patroon van dat zeil zijn bepaald, het op de keukentafel is gelegd en daar stoelen omheen zijn geplaatst, kan de documentaire De Erfenis Van Een Verzetsheld (55 min.) beginnen. ‘Oh ja, zeg!’ reageert een oudere vrouw met rollator enthousiast als ze het decor van deze interviewdocumentaire van Geertjan Lassche betreedt. ‘Zoals het vroeger was.’ ‘We hadden allemaal een vaste plaats’, vertelt een andere dochter van Johannes Post aan één van zijn kleinkinderen. Die kijkt eens rond: ‘Ziet er wel een beetje krap uit.’

Op hun oude plek in de keuken van de familie Post denken zijn vier nog levende kinderen terug aan hun vader. Lassche helpt de drie inmiddels bejaarde dochters van Johannes Post en zijn ene zoon op weg en stimuleert hen om hun herinneringen te delen met hun eigen kroost, de kleinkinderen van de mythische verzetsheld. De symboliek is helder: een nieuwe generatie wordt ingewijd in de wederwaardigheden van de Tweede Wereldoorlog in Nederland en een belangrijk icoon daarvan.

Ieder heeft zijn eigen kijk op en herinneringen aan de man, die in het boek De Levensroman Van Johannes Post tot bovenmenselijke proporties is opgeblazen. Hun verhalen botsen regelmatig met elkaar. Op de kruispunten bevindt zich waarschijnlijk zoiets als de waarheid. De filmmaker illustreert de getuigenissen met figuratieve zwart-wit beelden van sinistere SS’ers, blaffende nazihonden en de bedompte cel, vanwaaruit Post op 16 juli 1944 naar zijn einde in de duinen bij Overveen zou zijn geleid.

De familie Post, inclusief aangetrouwde familie, gaat intussen op zoek naar de man achter de mythe. Was Johannes een zeer principieel mens of vooral een ongelooflijke avonturier? Had hij een amoureuze relatie met het Joodse meisje Thea, dat door hem als koerier werd ingezet? Én: ben je hem uiteindelijk dankbaar voor zijn verzet of neem je het hem juist kwalijk dat hij alles, waaronder het lot van zijn eigen kinderen, in de waagschaal heeft gesteld?

Het zijn vragen waarop geen eenduidig antwoord valt te formuleren – vragen die al véél vaker zijn gesteld bovendien. Met zijn speelse vorm en insteek formuleert De Erfenis Van Een Verzetsheld, op basis van het welbekende verhaal van het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging, echter een antwoord dat weer als nieuw klinkt.

Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis

Hij was ‘de beroemdste allochtoon van Nederland’, aldus schrijver Stephan Sanders, die volgens eigen zeggen een bijzonder moeizame vriendschap met Anil Ramdas onderhield en samen met hem het televisieprogramma Het Blauwe Licht presenteerde. Het was ‘een stem die ik mis in het politieke debat van vandaag’, zegt Ramdas’ vriend en collega Pieter Hilhorst. ‘Overnight was hij een ster’, herinnert zijn collega bij De Groene Xandra Schutte zich. ‘Het was ook of hij er uiterlijk door veranderde. Alsof hij groter werd.’ De ‘Tamil-tijger’ van een oude redactiefoto, waarop een iel mannetje met een snorretje is te zien, werd volgens Schutte ineens een mooie jongen.

Zo staat Anil Ramdas ook in ons geheugen gegrift (áls hij daarin al een plek heeft verworven; roem komt én gaat nu eenmaal te paard). Als een gesoigneerde, welbespraakte en nadenkende schrijver, presentator en intellectueel van Surinaams-Hindoestaanse afkomst. Hij werd in de tweede helft van de twintigste eeuw een gewaardeerde opiniemaker, mocht opdraven als Zomergast en bemachtigde later een correspondentschap in India. Ogenschijnlijk een geslaagd man. Een migrant ook, die zijn eigen plek had verworven in zijn nieuwe vaderland. Gaandeweg begon hij zich echter steeds meer een vreemde te voelen in Nederland.

Dat is tevens de centrale thematiek van Anil Ramdas: Nooit Meer Thuis (58 min.), een touchant portret van de man, die halverwege de jaren zeventig naar Nederland verkaste en aan het begin van de 21e eeuw door de politieke ontwikkelingen rond Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Geert Wilders steeds meer in het nauw werd gedreven. Een mismatch met zijn omgeving, zoals hij het zelf formuleert. Of was hij gewoon jaloers op die nieuwe ‘troetelallochtoon’ Ayaan Hirsi Ali?, zoals Stephan Sanders hem fijntjes voorhoudt in een radio-interview. Dat gevoel van totale vervreemding dat Anil Ramdas, die tevens een drankprobleem ontwikkelde, moet hebben ervaren, wordt door filmmaker Paul Cohen vervat in steeds terugkerende sequenties van hectische stadsbeelden. Zijn natuurlijke biotoop is een wezensvreemde wereld geworden.

Cohen portretteert de eerzuchtige Ramdas verder via diens talrijke media-optredens, zijn schrijfwerk en interviews met de mensen die hem echt kennen, zoals Ramdas’ zus Kawita, zijn biografe Karin Amatmoekrim en ‘s mans jeugdvriend Emile Echteld, de Creoolse jongen die hem vroeger in Paramaribo beschermde tegen bullebakken en die later in de Bijlmerbajes terecht zou komen. Cohen confronteert hen tevens met audiofragmenten van de man die in 2012, op zijn eigen verjaardag nota bene, op 54-jarige leeftijd zijn leven beëindigde. Óf, als je zoals Emile gelooft in reïncarnatie: begon aan een volgend bestaan.

Shoah

Blijmoedig glimlachend heeft hij Lanzmann tot dan toe te woord gestaan. Wat moet hij anders? Michaël Podchlebnik, één van de slechts twee overlevenden van Hitlers vernietigingskamp in het Poolse Chelmno, waar voor het eerst met gas werd gewerkt. Vierhonderdduizend anderen stierven er een wisse dood. Wat rest hem anders dan die peilloze ellende weglachen? Podchlebnik probeert te volharden in zijn lach. Moet hij soms huilen? En dan stelt Claude Lanzmann die ene vraag: hoe reageerde je toen je voor het eerst lijken moest inladen, nadat de deuren van de gaskamers werden geopend?

De vraag moet eerst worden vertaald naar het Hebreeuws. Het gezicht van Podchlebnik betrekt zienderogen: ‘Wat moest ik anders dan huilen?’ Het lid van het ’Sonderkommando’, gevangenen die anderen van en naar de gaskamers moesten begeleiden, probeert op zijn lip te bijten, maar de tranen laten zich niet meer beteugelen. ‘Op de derde dag vond ik mijn vrouw en kinderen.’ Hij kijkt bijna smekend naar de Franse filmmaker, alsof hij nog eenmaal om genade wil vragen. Die laat echter een stilte vallen. ‘Ik heb mijn vrouw begraven en daarna gevraagd of ik ook gedood kon worden. De Duitsers vonden me echter nog sterk genoeg om te werken.’

Het is Lanzmann ten voeten uit: hij dwingt zijn subjecten, met alle beschikbare middelen, om he-le-maal tot de bodem te gaan. Zoals in de klassiek geworden scène met Abraham Bomba, de kapper van concentratiekamp Treblinka. Het eindresultaat van al dat vragen en wroeten wordt beschouwd als het ultieme document over de Holocaust: Shoah (551 min.), een episch werk van ruim negen uur. In 1985 eindelijk opgeleverd, na twaalf jaar afschrikwekkend monnikenwerk. Tweehonderd uur beeldmateriaal, verzameld in veertien landen, vijf jaar lang gemonteerd. Een levenswerk over de dood – of hoe je die, vaak door puur geluk of anders door enorm doorzettingsvermogen, te slim af kunt zijn. En – vooral – hoe je een handlanger van diezelfde dood kunt worden.

Lanzmann stelt in dat kader vaak kleine, praktische vragen. Over zaken die door hun enormiteit nauwelijks zijn te bevatten. Om zo via herinnering uiteindelijk bij herbeleving te komen. Hij wil van de Poolse spoorwegwerker Henryk Gawkowski, machinist van de trein naar Treblinka, bijvoorbeeld weten of hij in de locomotief ooit geschreeuw hoorde vanuit de wagons. ‘Natuurlijk, ze schreeuwden om water.’ ‘Kun je daar ooit aan wennen’, vraagt Lanzmann door. Nee, antwoordt de machinist. Hij wist natuurlijk dat de mensen achter hem menselijk waren. Net als hijzelf. Gawkowski valt even stil. De Duitsers gaven hem Wodka te drinken, bekent hij. Zonder drank had hij het nooit kunnen doen. Zo wordt de uitvoering van die gruwelijke genocide klein en menselijk gemaakt.

Is Shoah, met zijn kolossale omvang en detaillistische insteek, nog altijd een probaat middel om jongeren te waarschuwen voor de verschrikkingen van extreemrechtse ideologieën? Dat valt te betwijfelen. Daarvoor is de film veel te lang van stof en wreekt zich de keuze om geen archiefmateriaal te gebruiken, maar de overlevenden, getuigen én functionarissen van het naziregime (soms gebruikmakend van een verborgen camera) in het hier en nu leeg te laten lopen over het toen en daar. Shoah is daardoor uiteindelijk meer een verzameling verpletterend bewijsmateriaal dan wat we tegenwoordig een meeslepende film zouden noemen. In die zin heeft Steven Spielbergs speelfilm Schindler’s List, met dat meisje in de roze jas tegen een verder volledig zwart-wit decor als een ultiem onschuldig symbool voor de Jodenvervolging, tegenwoordig waarschijnlijk meer overtuigingskracht.

Kijkers met een ‘ouderwetse’ aandachtsspanne kunnen echter volledig wegzinken in de tocht door de hel, waartoe Lanzmann zijn gesprekspartners (‘meedogenloos’, zegt hij zelf in de aan hem en zijn magnum opus gewijde documentaire Claude Lanzmann: Spectres of The Shoah) verleidt dan wel dwingt. Shoah veroorzaakt dan een soort secundaire herbeleving, waarbij je stapsgewijs afdaalt naar de diepste krochten van de menselijke ziel.

America To Me

‘Ik wil met jullie praten, omdat ik weet dat sociale rechtvaardigheid je interesseert’, zegt docent natuurkunde Aaron Podolner tegen vierdejaars-leerling Jada Buford en derdejaars Charles Donalson. De witte docent wil de twee zwarte leerlingen zijn eigen ‘racial memoir’ laten lezen. Podolner is ook benieuwd naar hun mening over hoe hij het thema ras aanpakt in de klas. Het is duidelijk dat hij daar zelf heel tevreden over is.

Charles begint eens te lachen, Jada ziet daarentegen haar kans schoon om eindelijk haar ongenoegen te uiten over Podolners continue opmerkingen en grapjes over haar haren. Alsof hij, die roomblanke leraar, iets begrijpt van een afrokapsel. Ze vindt het duidelijk ook een ongemakkelijke manier van contact leggen. Met frisse tegenzin stemmen de twee leerlingen uiteindelijk in met het verzoek van de docent om zijn stuk te lezen.

Zo proberen ze het wel, op The Oak Park And River Forest High School, een eliteschool in een buitenwijk van Chicago. Het lukt alleen nog niet altijd om op een natuurlijke manier om te gaan met multiculturaliteit, getuige de hartveroverende tiendelige documentaireserie America To Me (623 min.). Ook omdat de cijfers van de zwarte leerlingen nog steeds behoorlijk achterblijven. En dat is een bron van zorg voor alle betrokkenen. Hoe je die problematiek tackelt, daarover lopen de meningen natuurlijk uiteen.

Filmmaker Steve James brengt van dichtbij het leven op de middelbare school in beeld; van het reguliere curriculum met standaardvakken als Engels, wiskunde en geschiedenis tot het rijke leven daaromheen, dat zich afspeelt in sportcomplexen, theaters en danszalen. Gedurende een schooljaar volgt hij twaalf leerlingen, hun families en de leraren en begeleiders die ze tijdens hun schoolloopbaan tegenkomen en spreekt met hen indringend over de rol van ras in hun leven en leefomgeving. Dat levert een genuanceerd beeld op van een multiculturele gemeenschap, waarin iedereen zich bewust is van zijn eigen positie en z’n verhouding tot de ander.

Hoewel alle betrokkenen uiteindelijk van goede wil lijken, gaat de onderlinge afstemming bepaald niet altijd vanzelf. Als meester Podolner en zijn leerlingen Charles en Jada elkaar bijvoorbeeld opnieuw ontmoeten, is er direct weer spanning. Jada: ‘U kunt wel lesgeven aan zwarte leerlingen, maar u weet niet per se alles van ras.’ Volgens haar is het gedrag van Aaron Podolner in de klas gebaseerd op stereotypen. ‘U maakt er grappen over en dat maakt me echt woest.’ Charles voelt zich intussen geroepen om te nuanceren en de leerkracht in bescherming te nemen: ‘Racisme, dat is er nou eenmaal. Maar soms is het grappig.’

En dat is weer tegen het zere been van zijn medeleerling. ‘Zo geef je witte mensen de ruimte om dingen te zeggen en verandert er niks’, fulmineert Jada. ‘Er komt nooit iets positiefs uit als het gaat over ras.’ De docent zit de tirade van zijn zwarte leerling manmoedig uit. Charles is dan al vertrokken en heeft bij het weggaan demonstratief zijn koptelefoon opgezet. Moe van een (twist)gesprek, dat vast al veel vaker zal zijn gevoerd. Met en zonder docenten. Binnen en buiten de school. In een samenleving, waarin de nuance zo vaak weg lijkt.

Darwin’s Nightmare

Het begint met een visje. De nijlbaars, uitgezet in het Victoriameer. In het kader van een ‘klein wetenschappelijk experiment’, een halve eeuw geleden. Moddervet wordt hij tegenwoordig uit het water gevist. Enkele honderden kilo’s zwaar. Daarvan kunnen talloze visfilets worden gemaakt. En die vinden gretig aftrek in het rijke Westen. Vliegtuigen vliegen af en aan.

Het lijkt een economisch succesverhaal, die nijlbaars. De gehele Tanzaniaanse regio Mwanza verdient er zijn brood mee. De vraatzuchtige baars heeft alleen het hele meer leeggeroofd. Alle andere vissoorten zijn zowat uitgestorven. De symboliek daarvan is onontkoombaar: het hart van Afrika wordt nog altijd rücksichtslos vertrapt en geplunderd door witte mannen.

Alle hoofdpersonen van Darwin’s Nightmare (106 min.) uit 2004 zitten helemaal vast in dat volledig verrotte systeem. Of ze nu vissen, vliegen, bewaken, rondzwerven, hel en verdoemenis prediken, lijm snuiven, Aids hebben of moeten hoereren. De Oostenrijkse filmmaker Hubert Sauperconstateert tevens dat die gewilde vis bij hen niet voor goedgevulde magen zorgt. Zij moeten het doen met de bijzonder onsmakelijk ogende restjes van hun eigen exportproduct – of lijden gewoon honger.’

Hier gelden de wetten van de jungle’, vertelt Mkono, een voormalige leraar die tegenwoordig een visserskamp runt, nuchter. ‘Sterke en stoere dieren hebben nu eenmaal meer kans om te overleven dan zwakke exemplaren.’ Hij beschouwt de Europeanen inmiddels als sterker dan de rest. Zij hebben immers het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank in hun zak. Het is een bittere constatering, waar je als westerling eigenlijk liever niet al te lang over nadenkt. Zeker als je de gevolgen in Afrika overziet.

En zijn de vliegtuigen waarmee Russische piloten de vis vrijwel dagelijks afvoeren naar de andere kant van de wereld werkelijk leeg als ze in Tanzania arriveren? De vraag stellen is hem beantwoorden. En het antwoord dat Sauper uiteindelijk weet te ontfutselen aan al zijn verschillende bronnen maakt de slotsom van deze grimmige film, die bij de European Film Awards werd gekozen tot beste documentaire en tevens werd genomineerd voor een Oscar, nog eens extra wrang.

En het is allemaal ooit begonnen met een visje…

Our Planet

Probeer als ongelovige Thomas maar eens vol te houden dat er géén opperwezen bestaat als je de uitbundige natuurpracht in Our Planet (399 min.) beziet. Letterlijk de hele wereld lijkt met zowel een holistische blik als een enorm oog voor detail te zijn samengesteld en is in deze groots opgezette documentaireserie bovendien op majestueuze wijze vereeuwigd. Neem bijvoorbeeld de mannelijke zwaluwstaart-manakins, felblauwe vogels met een oranje kop. In het tropische woud voeren ze als groep een paringsdans op voor een te bevruchten vrouwtje. Voor één van hen pakt het ritueel goed uit. Hij mag kortstondig samenzijn met de lieftallige dame. De anderen kijken belangstellend toe.

Het is deze natuurserie ten voeten uit: Our Planet mag dan een project van ongeëvenaarde schaal zijn, waarvoor 2,5 jaar is gefilmd op alle continenten. Van de producenten die eerder Blue Planet, Planet Earth en Frozen Planet (Alastair Fothergill) en African Cats en North America (Keith Scholey) afleverden. Uiteindelijk is deze achtdelige reeks echter eerst en vooral een aaneenschakeling van kleine en grotere verhalen over individuele en groepen dieren: luipaarden die elkaar kortstondig het hof maken, een bekerplant waar de mieren als vanzelf inregenen en – natuurlijk – de natuur op zijn wreedst: een groep kariboes die net zo lang door een roedel hongerige wolven wordt opgejaagd, totdat één van hen het niet meer kan bijbenen.

Bioloog, programmamaker en verteller David Attenborough, inmiddels dik in de negentig, neemt de weerloze mens in elke aflevering mee naar een ander soort leefgebied: van de jungle en het poolgebied tot de woestijn en de wondere wereld onder de zeespiegel. Met gevoel voor drama en kien oog voor detail. Grootse, bijna bombastische beelden van grote groepen dieren en verpletterend natuurgeweld worden voortdurend afgewisseld met kleine, intieme vertellinkjes over individuele dieren die het moeilijk hebben of juist floreren. Attenboroughs boeiende observaties, in combinatie met afwisselend subtiele en zwaar aangezette muziek, smeden al die losse elementen aaneen.

Our Planet, gemaakt in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds, heeft zonder twijfel een alarmerende ondertoon: dit is de wereld zoals we hem nu kennen en waarvan we bepaalde delen nog altijd beter zouden moeten leren kennen, maar het is ook een wereld die aan het verdwijnen is. Door ingrijpen van de mens dreigen de biotopen van bepaalde diersoorten steeds kleiner te worden of zelfs te verdwijnen, zodat iconische schepsels als de ijsbeer, woestijnolifant en Siberische tijger (waarvan unieke beelden van het dier in zijn eigen territorium, de taiga, zijn te zien) serieus in hun voortbestaan worden bedreigd. Of, vroeg ik me even af, moeten we erop vertrouwen dat dat eventuele opperwezen het nooit zover zal laten komen met de wereld die hij in al zijn veelzijdigheid creëerde?

The Spy Who Fell To Earth

Was de Egyptenaar Ashraf Marwan een spion voor Israël? Een dubbelspion voor zijn eigen land? Of toch een dubbel-dubbelspion voor de Israëli’s? Het zijn vragen die onvermijdelijk aan hem blijven kleven. Zoals ook zijn dood in 2007 is omgeven met mysterie: viel Marwan per ongeluk van het balkon van zijn Londense flat? Maakte hij op die manier rigoureus een einde aan zijn veelbewogen bestaan? Of was het ‘gewoon’ moord? En welke geheime dienst had die dan verordonneerd?

In de wereld van de internationale spionage is niets wat het lijkt en lijkt ook niets wat het is. Neem de veelbesproken Jom Kippoer-oorlog in 1973: zorgde Marwan ervoor dat Egypte buurland Israël op lafhartige wijze kon verrassen op een Joodse feestdag? Of lichtte hij de Israëlische geheime dienst Mossad juist op tijd in, zodat verder onheil kon worden voorkomen? De historicus Ahron Bregman trekt in zijn omstreden boek The Spy Who Fell To Earth (93 min.), waarop deze documentaire is gebaseerd, zijn eigen conclusies. Die dan weer door een ander worden bestreden.

Het haantje Bregman, die tevens als hoofdpersoon voor deze knarsende film van Tom Meadmore fungeert, weet als geen ander dat hij elke bron in zijn onderzoek moet wantrouwen. Want nog altijd hebben alle medewerkers van de Israëlische inlichtingendienst en die ene Egyptische journalist die het standpunt van zijn regering vertolkt een eigen agenda: zij willen hun eigen acties versluieren, de tegenstander verzwakken of simpelweg hun eigen stompzinnige blunders maskeren.

De historicus zelf had ook een agenda toen hij de Egyptische superspion probeerde te ontmaskeren, bekent hij nu. Hij wilde simpelweg scoren. Een absolute primeur. Ahron Bregman realiseert zich nu dat hij daarmee woekerde met andermans leven. Een spion die in opspraak raakt is zijn leven niet meer zeker. Want ook al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt hem wel. Ofwel: heeft Bregman met zijn onthullingen misschien de gebeurtenissen in gang hebben gezet die zouden leiden tot Marwans dood? Het kostte hem zelf in elk geval zijn huwelijk.

De kijker laat zich intussen geblinddoekt door het mijnenveld van de internationale spionageoorlog leiden in deze interessante film, die de oorlog achter de oorlog tussen Israël en de haar omringende landen belicht.

Avicii: True Stories

Aan de hand van de ontknoping vormt zich ook het voorafgaande verhaal. Als Tim Bergling níet was gestorven op 28-jarige leeftijd, nu een jaar geleden, maar zichzelf helemaal had hervonden en een succesvol vervolg aan zijn carrière had kunnen geven, dan was deze documentaire vast beschouwd als een tamelijk stereotiep portret van een artiest die vastloopt in zijn eigen succes. Nu, door de tragische afloop op 20 april 2018, kan Avicii: True Stories (97 min.) eigenlijk alleen worden gezien als de weerslag van zijn onvermijdelijke tocht naar het einde.

Het begon zoals dat soort verhalen beginnen: een Zweedse tiener stuurt de liedjes die hij op zijn slaapkamer maakte naar zijn grote held, de Nederlandse deejay Laidback Luke, en wordt daarmee al snel buitensporig succesvol in de internationale dancescene. Daarmee lijkt het leuke er ook alweer vanaf: het bestaan van een artiest zoals Avicii gaat gepaard met eindeloos toeren, promotionele verplichtingen en de druk om steeds weer te scoren. De introverte Tim moet, door zijn ogenschijnlijk extraverte muziek, bovendien verplicht het middelpunt van elk feest zijn. ‘Ik liep achter een idee van geluk aan, dat niet van mijzelf was’, zegt hij er zelf over in deze achter de schermen-film van Levan Tsikurishvili, niet wetende wat dat idee nog voor hem in petto zal hebben.

Het is een tragische conclusie: een verlegen jongen verdwaald in een wereld die nooit de zijne kan worden. Hoezeer hij tijdens de opnames voor zijn tweede en laatste studioalbum Stories (2015) ook in zijn element lijkt en hoe hoog vakbroeders als David Guetta, Tiësto, Nile Rodgers en Wycleff Jean ook opgeven van zijn muzikale talent, uiteindelijk kan Bergling de stress niet meer kwijtspelen en bij zichzelf komen, zelfs niet in de steeds langer wordende rustperiodes. Drank en pijnstillers verergeren de zielenpijn alleen maar. Het leven dat een droom leek is dan allang, heel clichématig, een nachtmerrie geworden. Die zelfs met een afscheidsconcert, dat hem uit de wurggreep van de popbusiness moet bevrijden, blijkbaar niet valt af te sluiten.

Gaandeweg wordt in deze vier jaar omspannende documentaire – die soms voelt als de reconstructie van een tragisch ongeluk, waarbij de fatale klap gelukkig achterwege blijft – tevens duidelijk hoe begenadigd Avicii als componist en producer was. Met gevoel voor drama zou je zelfs kunnen stellen dat hij een jaar te laat is overleden. Anders had Tim Bergling, die stille jongen uit Stockholm die de hypercatchy soundtrack voor ’s werelds millennials verzorgde, zonder enige twijfel kunnen toetreden tot de selecte Club van 27. Het zou bepaald geen misselijk rijtje zijn geweest: Brian Jones, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Jim Morrison, Kurt Cobain, Amy Winehouse én Avicii.

Holwerd Aan Zee

De mooiste scène van Holwerd Aan Zee (50 min.) heeft feitelijk niets van doen met het centrale thema van de film – en toch ook weer alles. Een busje van Coop Holwerd Verbeek rijdt achteruit richting de hoofdingang van de supermarkt. Medewerkers, in die karakteristieke oranje-zwarte uniformen, vormen aan beide zijden van de ingang een ontvangstcomité. De achterklep van het busje gaat open. Familieleden dragen de kist van Bindert Verbeek de supermarkt in, waar de lokale gemeenschap de laatste eer kan bewijzen aan de voormalige kruidenier.

Even daarvoor heeft Bindert in deze fijne documentaire van Kees Vlaanderen nog onverhuld zijn trots uitgesproken over zijn zoon Marco, één van de vier initiatiefnemers van het ambitieuze vernieuwingsproject Holwerd Aan Zee en hem een bijzonder liefdevol klopje op de rug gegeven. Voor dit in het Friese dorp zelf ontwikkelde plan moet de dijk worden doorbroken en wordt er een rechtstreekse verbinding met de Waddenzee gelegd. Van een gemeente die al sinds jaar en dag met krimp heeft te maken, willen de vier mannen weer een bruisende gemeenschap maken. En Bindert had dat nog zo graag willen meemaken.

Om het revolutionaire plan te realiseren is visie, passie én een open blik nodig. Marco Verbeek had bijvoorbeeld ‘niks’ met kunst toen ze werden benaderd door Joop Mulder van Sense Of Place, tevens de man achter het Oerol-festival. ‘En toen ging-ie vertellen wat het oplevert aan bezoekers’, vertelt Verbeek glunderend. ‘Toen dacht ik: oh leuk, kunst!’ Intussen wordt, in het kader van het kunstwerk Wachten Op Hoog Water, met zorg een ‘volle vrouw’ van de Friese kunstenaar Jan Ketelaar op het Holwerdse strand geplaatst.

De Mannen Van Holwerd – een inspecteur van de voedsel- en warenautoriteit, een aardappelboer, een beleidsambtenaar en een kruidenier – zijn inmiddels zelf ook vereeuwigd. Als iconen van de gewone man die zijn leven in eigen hand neemt. Portretfotograaf Linette Raven heeft hen op ware grootte afgebeeld op een denkbeeldige sluis van aardappelkistjes. Gaandeweg krijg je steeds meer sympathie voor de vier mannen en het idee waarvoor ze letterlijk stad en land afreizen en ook bij de Waddenvereniging, het Goed Geld Gala van de Postcode Loterij en de Europese Unie in Brussel terechtkomen. Op zoek naar 65 miljoen euro.

Het is een aansprekend en vaardig verteld verhaal over kleine mensen die groot durven te denken, bereid zijn om over hun eigen belang heen te kijken en onverwijld kiezen voor de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen. In een Holwerd, waar krimp plaats heeft gemaakt voor groei. En dat direct aan zee ligt, natuurlijk.

Het Voorval: Armando En De Mythe

Was hij het zelf, de vijftienjarige jongen die in de Tweede Wereldoorlog een Duitse militair doodstak in de bossen bij Amersfoort? Het is een vraag die deze hele film over Armando (1929-2018) drijft. Het voorval, speciaal in het door hemzelf beschreven ‘schuldige landschap’ verfilmd voor deze documentaire, heeft tevens een prominente plek gekregen in het oeuvre van de Nederlandse schrijver/schilder, maar de man zelf wil er eigenlijk niet al te diep op ingaan. Of juist wel?

De hoogbejaarde kunstenaar positioneert zichzelf in Het Voorval: Armando En De Mythe (64 min.) direct als een tegendraadse hoofdpersoon en gesprekspartner. ‘Weet je wat mij een beetje tegenvalt van jullie?’, vraagt hij bij de start van de documentaire aan de filmmakers Sjors Swierstra en Roelof Jan Minneboo. ‘Dat jullie niet meteen gezegd hebben: wat een prachtige schilderijen heb je staan daar.’ Hij bemoeit zich ook met hun werk. Ze kunnen bijvoorbeeld beter niet filmen als hij zegt dat hij zijn werk nu ter plekke laat drogen. ‘Je moet niet merken dat ik het voor het publiek doe.’

‘Nou, kom maar op met die vragen’, klinkt het even later enigszins provocerend. Of: ‘Ik geloof dat je nu iets te ingewikkeld doet.’ En: ‘Laat je niets wijsmaken.’ Zo cultiveert Armando zijn eigen imago van dwarse prijsvechter. Met een minder milde blik zou je hem met gemak ook voor een poseur kunnen verslijten. Hij portretteert zichzelf bijvoorbeeld als een gevoelsarme persoon. ‘Je werk is toch wel gevoelig?’, werpt Roelof Jan Minneboo tegen. ‘Kennelijk. Maar ik weet van niks. Ik maak het. En ik denk er ook niet bij na waarom.’ ‘Kunsthistorici zeggen dat je werk een verwerking van de Tweede Wereldoorlog is’, pareert Minneboo. Armando: ‘Die weten meer dan ik.’

‘Zijn er specifieke tragedies?’ houdt de interviewer aan. ‘Ja, maar die zijn te persoonlijk. Dat gaat niemand wat aan.’ Hij staart voor zich uit en laat een ongemakkelijke stilte vallen. ‘Dat was de laatste vraag.’ Hij bekrachtigt het nog eens, met opgeheven vinger: ‘Dat was de laatste vraag.’ Maar daarmee is het onderwerp natuurlijk nog lang niet afgesloten in dit lekker schurende portret, dat en passant fraai in beeld brengt hoe de film zelf wordt gemaakt en bovendien helemaal voldoet aan wat de kunstenaar zelf zoekt in zijn werk: het moet knarsen, spanning hebben.

Gaandeweg begint Armando steeds meer te ogen als een overjarige bokser wiens klappen niet meer altijd aankomen. De verdediging waarmee hij zichzelf en het verhaal dat hem hoe dan ook vormt probeert te beschermen, verliest zienderogen zijn ondoordringbare karakter. En dan resteert een breekbare man in de allerlaatste fase van zijn leven, die overeind probeert te blijven als de gong al heeft geklonken. Het is een (ont)mytholisering die het fenomeen Armando siert.

The Man Who Stole Banksy

‘Het is alsof iemand een gouden Rolls Royce achterlaat op een parkeerplaats’, zegt kunstverzamelaar Robin Burton. ‘En als parkeerplaatseigenaar zie je dat die auto blijft staan. Een maand, een jaar… Op een gegeven moment word jij dan de eigenaar. Want Banksy kan hem niet komen claimen.’

Die ‘hit and run’-benadering typeert de werkwijze van Banksy, een man die als een soort kunstguerrilla ergens opduikt, een prikkelend graffitiwerk achterlaat en daarna weer spoorslags verdwijnt. Zijn identiteit wordt strikt geheim gehouden. En soms wordt hij ineens wereldnieuws, zoals toen onlangs zijn doek Girl With Balloon voor ruim een miljoen euro werd verkocht bij veilinghuis Sotheby’s. Waarna het zichzelf, met een ingebouwde versnipperaar, terstond vernietigde.

In 2007 maakte de anonieme kunstenaar in Bethlehem zes muurschilderingen, waaronder een Israëlische soldaat die de papieren van een ezel controleert. Probeerde hij daarmee de Israëlische behandeling van Palestijnen onder de aandacht te brengen of hij maakte hij, zoals sommige lokale bewoners denken, gewoon alle Palestijnen uit voor ezels? De graffiti zorgt in elk geval voor de nodige commotie.

Een taxichauffeur/amateurbodybuilder, bijgenaamd Walid The Beast, ziet vooral geld in Banksys werk, besluit de muurschildering uit te zagen en brengt hem samen met een plaatselijke scharrelaar stiekem op de markt. Waarna ‘de soldaat en de ezel’ al snel in het decadente westen belandt. Regisseur Marco Proserpio volgt het werk naar alle uithoeken van de internationale kunsthandel; van een ‘expositie’ in een luxueus Brits winkelcentrum tot de verplichte veiling ervan in Los Angeles.

Intussen stelt The Man Who Stole Banksy (93 min.) prangende vragen over de waarde van straatkunst en of die ook/vooral wordt bepaald door zijn maatschappelijke context. ‘Het is niet alleen verf op een muur’, benadrukt Vera Baboun, burgemeester van Bethlehem. ‘Het werk drukt onze kernwaarden uit.’ Met het ontvreemden van de muurschildering van Banksy, die zij overigens consequent Bansky noemt, is in haar ogen dus ook de Palestijnse zaak geweld aangedaan.

Anderen noemen het uitzagen van Banksys kunstwerk gewoon diefstal en maken zich in deze interessante film, waarin Iggy Pop als verteller fungeert, boos over de vercommercialisering van kunst. De Italiaanse straatkunstenaar Blu, die samen met Banksy in Bethlehem was, besluit zelfs om bijzonder drastische maatregelen te nemen, om te voorkomen dat ook zijn werk ergens in de wereld onder de hamer belandt.

Ganz: How I Lost My Beetle

‘Kun je je herinneren, kleine kever, hoeveel kilometer we samen hebben gereisd?’, vraagt Josef Ganz aan de creatie die hem zo ruw is afgenomen. ‘Toen jij de weg opging, werd mijn naam gewist.’ Intussen zien we archiefbeelden van marcherende Nazi’s, die hun Führer eer bewijzen. Zij zullen zijn idee voor een Volkswagen, een auto voor Jan Modaal, omarmen en er een wereldwijd succes van maken. Ganz, de geniale ontwerper van de voorloper van die auto, de zogenaamde Meikever, staat tegen die tijd allang buitenspel. Hij wordt ruim vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog rücksichtslos kalt gestellt.

In Ganz: How I Lost My Beetle (85 min.) geeft Suzanne Raes een stem aan de vergeten auto-ontwerper. Op basis van Het Ware Verhaal Van De Kever: Hoe Hitler Zich Het Ontwerp Van Een Joods Genie Toe-eigende, een boek van de Nederlandse journalist Paul Schilperoord, schreef ze een zeer persoonlijke voice-over, waarin Josef Ganz zijn eigen levensverhaal doet. De Duitse acteur Joachim Król heeft die tekst ingesproken en fungeert daarmee als verteller voor deze historische documentaire, waarin de man, zijn droom én de ontwikkeling van een auto voor het gewone volk worden geportretteerd. Een zeer geslaagde keuze.

De Ganz van Raes richt zich rechtstreeks tot de Volkswagen Beetle. Terwijl hijzelf met de staart tussen de benen naar de andere kant van de wereld vertrok, werd zijn geesteskind na de Tweede Wereldoorlog één van de populairste auto’s van de wereld. ‘Wie had gedacht dat jij het symbool van de Duitse wederopstanding na de oorlog zou worden?’ Suzanne Raes versnijdt het meeslepende relaas van de verteller met de pogingen van Ganz-kenner Schilperoord en Josefs achterneef Lorenz om een exemplaar van z’n oorspronkelijke auto te bemachtigen en aan de praat te krijgen.

Verder introduceert ze de kunstenaar Rémy Markowitsch, die de expositie Nudnik: Forgetting Josef Ganz heeft gewijd aan de vergeten Joodse ingenieur, en Maja, de nicht van Ganz. Bij haar geboorte ontving zij een brief van hem, die ze sinds jaar en dag bij zich draagt. Was die verre oom Joe, die zijn laatste levensjaren als balling in Australië zou slijten, een gigantische fantast of toch de ‘absente vader’ en ‘anonieme verwekker’ van de Kever? ‘Als alles was gelopen zoals het had moeten lopen’, constateert Maja gelaten, ‘dan hadden we nu in een slot in Oostenrijk gezeten.’

Die tragiek, van een geniale ontwerper – en zijn nazaten die wellicht net zo schathemelrijk hadden kunnen worden als de familie Porsche – is in Ganz: How I Lost My Beetle met compassie en gevoel voor drama, hoewel misschien een beetje lang, opgetekend. Een man die ruim een halve eeuw dood is krijgt zo een tweede leven en de erkenning die hem al zo lang toekomt.

Western Arabs

‘Met deze film hoopte ik mijn vader beter te leren kennen’, stelt de Deens-Palestijnse filmmaker Omar Shargawi halverwege Western Arabs (77 min.). ‘Dichter bij hem te komen. Hem te raken in zijn ziel.’ Even daarvoor lijkt de explosieve relatie met zijn vader Munir, waarin het al gedurig heeft gerommeld en geknetterd, echter definitief op de klippen te zijn gelopen. ‘Je hebt nooit iets om ons gegeven’, voegde Omar hem via de telefoon toe. Waarna zijn ‘Babba’ had geantwoord: ‘Je moet me maar gewoon vergeten.’ En de hoorn op de haak had gesmeten.

Over en uit, zo oogde het. Dit zou nooit meer goed komen. Misschien leken vader en zoon, ondanks de generatiekloof die hen verscheurde en de verschillende werelden waarin ze opgroeiden, stiekem wel te veel op elkaar. Tegelijkertijd: dit is een film. En we moeten nog zo’n drie kwartier. Omar en Babba, één van de eerste Palestijnen die vanuit Gaza naar Denemarken vluchtte, zullen elkaar in deze broeierige egodocu op de één of andere manier moeten vinden. Koste wat het kost. Intussen vraagt Omar zich af hoe hij de relatie met zijn eigen dochter Amina wél gezond kan houden.

Wees gerust, dit is geen Hollywood-film. Verre van dat, zelfs. Over deze vader-zoon relatie wordt geen suikerlaagje gestrooid. Zelfs niet aan het eind, als Omar inmiddels al twaalf jaar in de familiekring filmt. Het beeld is rudimentair, de toon bikkelhard. De verhouding ouder-kind wordt tot aan de kern afgepeld met hoog oplopende ruzies, slepende conflicten en een enkel moment van wederzijds begrip. Wat rest zijn twee uiterst temperamentvolle mannen, die gevangen zitten tussen twee culturen, erdoor vermorzeld worden bijna. En hun woede koelen op elkaar – en daardoor op zichzelf.

Western Arabs is geen prettige kijkervaring. En dat was vast ook de bedoeling. De explosieve relatie tussen de vluchteling Munir en zijn zoon, die met typische tweede generatie-problematiek kampt, is vervat in een grimmige, zelfs wat exhibitionistische film, die van binnenuit optekent hoe een familie kan imploderen door een nog altijd verder etterend verleden.

The Witchdoctor Hunters

EO

‘Mijn kind lag op de grond. Zijn linkerhand lag op zijn buik’, zegt de vader van de zesjarige Issa in de openingsscène van The Witchdoctor Hunters (56 min.). ‘De man pakte zijn kapmes en hakte het hoofd van mijn zoon eraf.’ Vader wordt ondervraagd door de Oegandese politie: ‘Dus hij deed dat en het bloed spatte alle kanten uit?’ ‘Nee’, corrigeert Issa’s vader. ‘Hij ving het bloed op in plastic zakken en stopte die in een tas. Het was een rugzak en daar deed hij het hoofd in.’ De agent vraagt door: ‘Waarom liet u hem uw kind offeren?’ Vader: ‘Ik kreeg één miljard shilling.’

Met kinderoffers valt in Oeganda een flinke smak geld te verdienen. Want als je kinderledematen in de fundering van een gebouw verwerkt, schijnt dat macht en voorspoed te brengen. Dat is een relatief nieuw idee, blijkbaar. En waar een vraag is, ontstaat meestal al snel ook een aanbod. Je moet alleen bereid zijn om een (of: je) kind te laten afslachten, in stukken te hakken en de verschillende lichaamsdelen in de juiste handen te laten belanden. Plaatselijke medicijnmannen – Oeganda schijnt er miljoenen te hebben – spelen daarin vaak een sleutelrol.

Peter Sewakiryanga, de hoofdpersoon van deze journalistieke documentaire van Mags Gavan en Joost van der Valk, bindt met zijn organisatie Kyampisi Childcare Ministries actief de strijd aan met deze ‘witchdoctors’. Hij krijgt ook de medicijnman die Issa zou hebben geslachtofferd te pakken. ‘Ik behandel mensen die last hebben van demonen’, zegt deze. ‘En ik geef kinderen aan onvruchtbare vrouwen.’ Of hij ook ooit offers heeft gebracht, wil Sewakiryanga weten. ‘Ik heb nog nooit iets geofferd’, zegt de medicijnman met een stalen gezicht.

In The Witchdoctor Hunters openen Gavan en Van der Valk opnieuw een even gruwelijke als onbegrijpelijke wereld. Zoals het Brits-Nederlandse filmduo eerder deed in de met een BAFTA en Emmy Award bekroonde documentaire Saving Africa’s Witch Children (2008), over kinderen die bezeten zouden zijn door de duivel en daarom rücksichtslos uit de weg moeten worden geruimd, en Donordrama (2018), een schrijnende film over de internationale handel in menselijke organen uit India en Bangladesh.

Het resultaat is wederom schokkend: afgetapt bloed, handel in kinderschedels en afgehakte handen. In het kielzog van Peter Sewakiryanga nemen de filmmakers de schade op bij de slachtoffers en hun familieleden, maar maken ze ook jacht op de daders, die via een undercoveractie met verborgen camera in de val moeten worden gelokt. Zo wordt een angstaanjagende wereld blootgelegd, waarin bijgeloof en winstbejag hand in hand gaan en het leven van een kind soms niet meer waard lijkt dan dat van een willekeurig dier.

Acting Straight

Tofik Dibi (l) en Willem Timmers (r) zitten ‘mannelijk’ op de bank / VPRO

‘Zou jij niet op Tofik vallen’, vraagt gelegenheidsinterviewer Sunny Bergman aan Willem Timmers, nadat hij zojuist heeft verteld dat hij vrouwelijke trekken bij jongens een minpunt vindt. De twee makers van Acting Straight (25 min.) beginnen licht gegeneerd te lachen. ‘Dat is venijnig’, reageert Timmers. Hij laat een stilte vallen en antwoordt: ‘nee.’

De kerel naast hem op de bank, voormalig GroenLinks-kamerlid Tofik Dibi, vult aan: ‘Als ik eerlijk ben, dan zou ik ook zeggen dat ik niet persé geen enkel vrouwelijk trekje accepteer – ik bedoel: kijk naar mezelf – maar dat ik wel neig naar een mannelijk ogende jongen.’ En daarmee is, binnen twee minuten, de thematiek van deze boeiende korte documentaire haarscherp neergezet.

Afgaande op de hoofdpersonen van deze korte film moeten veel homo’s weinig hebben van ‘nichten’ of ‘verwijfde gasten’. Ze vallen op mannelijke jongens en willen liefst zelf ook een mannelijke jongen zijn. Is het een vorm van zelfafkeer? vraagt één van de geportretteerde homo’s, die onmatig veel tijd in de sportschool doorbrengt, zich af. En zo ja, vult Willem Timmers aan: zou die schaamte ooit weggaan?

Samen met Dibi laat hij, in een heel geinige sequentie, zien hoe je gewone dagelijkse dingen mannelijk of juist vrouwelijk doet: zitten, praten, dansen, een ijsje eten of zelfs kijken naar je nagels. Homo’s worden bijna gedwongen om te kiezen: gedragen ze zich op en top mannelijk en onderdrukken ze hun vrouwelijke kant? Of voelen ze binnen hun eigen subcultuur daadwerkelijk de ruimte om echt zichzelf te zijn?

Waltz With Bashir

Ons geheugen haalt gemene streken met ons uit – of beschermt ons tegen onszelf. Het licht de ene herinnering buitensporig op, terwijl een andere stiekem wordt weggestopt. En dan is er nog de waarheid. Hoe verhoudt die zich tot wat het brein op ons commando opdist? Ari Folmans geheugen heeft hem in elk geval jaren in de steek gelaten. Zijn diensttijd als Israëlisch militair in Libanon hield zich schuil achter een luikje dat hij allang was vergeten. Totdat een oude vriend hem ruim twintig jaar later vertelde over zijn nachtmerrie over 26 woedende honden…

Dat ene geopende luikje bracht Folman in een ruimte met nog veel meer gesloten luikjes. in de navolgende jaren zocht hij daarom oude maten op en keerde met hen terug naar 1982, het jaar dat ze als dienstplichtige militairen in tanks naar Libanon werden gestuurd, een land waar toentertijd een permanente oorlog woedde. De geestesbeelden die zijn vrienden en hij van die tijd opriepen heeft de filmmaker vervat in magisch-realistische animaties. Het zijn geen feitelijke herinneringen, eerder hallucinaties of koortsdromen. Van een geest die de feiten naar zijn hand zet en ze naar behoefte inkleurt, uitvergroot of dragelijk maakt.

Het resultaat is een zinsbegoochelende trip down memory lane. Door een dwarsstraat uit het verleden die je eigenlijk liever zou mijden, maar die ook onvergetelijke beelden oplevert: naakte jongens die met hun wapen in de hand door het water waden, (dodelijk) verwonde Palestijnen waarbij in hun borst een kruis is gekerfd of een levensgrote blote vamp die een Israëlische soldaat van een wisse dood redt. Het met prijzen overladen Waltz With Bashir (89 min.) uit 2008 is tevens een heel persoonlijke film, die op onvergetelijke wijze het schemergebied tussen egodocumentaire en animatiefilm aftast en impliciete vragen stelt over wat ons geheugen doet met onwelgevallige herinneringen.

Zeker in Israël, dat de gevolgen van ‘Wir haben es nicht gewusst’ met zich meedraagt, is dat een heikel punt. Gaandeweg hervindt Ari Folman in gesprek met z’n vrienden en therapeut echter zijn eigen verleden als militair en gaat hij in de apotheose van de film uiteindelijk de confrontatie aan met Sabra en Shatila, een traumatische gebeurtenis die ieder enigszins functionerend brein zou willen verdringen.