Boyzone: Life, Death And Boybands

SkyShowtime

Na het eerste televisieoptreden van Boyzone in 1993 – van zingen kwam ’t niet, het bleef bij dansen – kegelde initiatiefnemer Louis Walsh zonder duidelijke reden twee bandleden eruit. Ze pasten er toch niet helemaal tussen, waarschijnlijk. Toen waren er nog maar vier over. ‘Ik moest ze laten weten dat ze op elk moment vervangen konden worden’, legt Walsh uit. De jongens in zijn boyband moesten hongerig en ambitieus blijven en mochten niets voor vanzelfsprekend aannemen.

Nu had de manager alleen nog een nieuw groepslid nodig. Want vijf was volgens hem het ideale aantal voor zo’n jongensband. Als er dan eentje z’n biezen pakte, had ie er nog genoeg over om gewoon door te kunnen gaan. Walsh rekruteerde Michael Graham, die altijd een Fremdkörper zou blijven in de groep. En daarmee was ‘de Ierse Take That’ compleet, klaar om de wereld te veroveren. Tenminste, het vrouwelijke deel. Beter: de meisjes. Daarvan moesten de harten sneller gaan kloppen.

De driedelige docuserie Boyzone: Life, Death And Boybands (145 min.) van Sophie Oliver is een opvallend open, kritische en schrijnende terugblik op de carrière van de vijf Adonissen uit Dublin en hun gehaaide manager Louis Walsh, een man die al net zo rücksichtslos opereerde als Frank Farian, de bedenker van Milli Vanilli, en Lou Pearlman, de manager van Backstreet Boys en *NSYNC, popacts waarover in de afgelopen jaren ook smeuïge documentaireproducties zijn uitgebracht.

Alleen kwam daarin de man die achter de schermen aan alle touwtjes trekt zelf niet aan het woord. Hier wel. En Walsh spreekt niet met meel in de mond. Volgens journalist Paul Martin van de tabloid The Irish Mirror, tabloid, gefilmd in een schemerige parkeergarage, was de Boyzone-manager een geweldige bespeler van de pers. Walsh gaf hen vaak carte blanche en verzon zonder problemen allerlei onzinverhalen over de groep om maar in beeld te blijven, desnoods over de rug van zijn jongens.

Zo kreeg Martins coververhaal ‘Baby Spice & Boyzone Steve are live and kissing’ een wrange nasmaak. Want Boyzone-kanjer Stephen Gately, waarvan menig meisjeshart sneller ging kloppen, was in werkelijkheid homo. In 1999 kwam dat alsnog uit. ‘Iemand verraadde hem’, herinnert Boyzone-voorman Ronan Keating zich, ‘en deed Steo in de uitverkoop.’ Het verhaal bereikte vervolgens showbizzjournalist Rav Singh van The Sun, de concurrent van The Irish Mirror. En die had niet geaarzeld.

‘Boyzone-ster Stephen Gately koos The Sun om z’n moedige mededeling te doen’, leest Keating 25 jaar later voor uit de krant. ‘Flikker op! Hij heeft niet gekozen.’ De hele groep was destijds verontwaardigd over wat er met hun vriend en collega gebeurde. ‘Hij was er niet klaar voor, die arme jongen’, zegt Shane Lynch. ‘Hij was zo bang.’ Manager Walsh kan een glimlach echter niet onderdrukken als hij The Sun onder ogen krijgt. ‘Goed om te zien’, zegt hij tevreden. ‘Hij haalde de voorpagina.’

De tabloids zouden een dubieuze rol blijven spelen in de bandhistorie, in het bijzonder na Gately’s overlijden in 2009. En de verhoudingen in de groep zouden daarna ernstig verzuren, waardoor de verplichte reünietournee, die dit soort docu’s doorgaans aftopt, er in Boyzone’s geval echt niet in lijkt te zitten. Alhoewel? Ronan Keating, Shane Lynch en Keith Duffy zeggen niet direct nee. Alleen Mikey Graham, die altijd twijfels heeft gehouden bij het boybandbestaan, staat vooralsnog niet te springen.

Louis Walsh zou in elk geval helemaal niets veranderen aan de voorbije dertig jaar. ‘Het was misschien niet perfect’, zegt hij triomfantelijk. ‘Maar het was perfect voor mij.’

Marwencol

marwencol.com

In een zelfverzonnen Belgisch dorpje heeft Mark Hogancamp zichzelf teruggevonden. Tijdens een dronken avond op 8 april 2000 werd de 38-jarige Amerikaan door vijf mannen in elkaar geslagen. Hij lag daarna negen dagen in coma en veertig dagen in het ziekenhuis. Zijn zorgverzekeraar was vervolgens niet langer bereid om zijn behandeling te betalen. Hogancamp, die een fikse hersenbeschadiging had opgelopen en bovendien zijn geheugen was kwijtgeraakt, moest z’n eigen boontjes maar gaan doppen.

Met behulp van zijn eigen verbeeldingskracht is de voormalige zuipschuit, die tegenwoordig geen druppel meer drinkt, beland in Marwencol (82 min.), een dorp dat hij in zijn eigen achtertuin heeft gebouwd en laat bewonen door poppen. Hun leven speelt zich af ten tijde van de Tweede Wereldoorlog: stoere G.I. Joe’s, met een verleidelijke Barbie aan hun arm, krijgen ‘t daar geregeld aan de stok met snode SS’ers. In deze zelf gecreëerde wereld kan Mark Hogancamp de liefde beleven of zijn trauma’s verwerken.

Mensen uit zijn directe omgeving in Kingston, New York, kijken er niet meer vreemd van op als ze zichzelf herkennen in een personage, vertellen ze in dit talloze malen bekroonde debuut van documentairemaker Jeff Malmberg (Shangri-La & The Saint Of Second Chances) uit 2010. Hogancamp geeft hen stuk voor stuk een alter ego, zodat hij in dat fictieve dorp in elk geval wordt omringd door vrienden en bekenden. Dan kan hij in het reine komen met zijn verleden en de traumatische avond die hem blijft achtervolgen.

In Marwencol zet de voormalige drinkebroer de werkelijkheid heel nauwgezet naar zijn hand. En met de foto’s die hij van deze geënsceneerde situaties en gebeurtenissen maakt, bouwt Mark Hogancamp zelfs zijn eigen publiek op. In dit delicate portret, rudimentair gefilmd en gemonteerd en met nostalgische muziek aangekleed, registreert Malmberg hoe er zelfs een expositie wordt opgezet. Dit blijkt geen onverdeeld genoegen voor de getroebleerde man, met een verleden dat hij zelf eigenlijk ook liever vergeet.

Deze documentaire toont intussen de kracht van verbeelding. In zijn fantasie kan Hogancamp zijn angsten en frustraties uitleven, dealen met zijn eigen misstappen en zich heel even, in een wereld waarvan hij onmiskenbaar de schepper is, veilig voelen. Dat is een zeer aansprekend idee gebleken. In 2018 heeft regisseur Robert Zemeckis (Back To The Future, Forrest Gump en Who Framed Roger Rabbit?) Marwencol nog gebruikt als uitgangspunt voor een speelfilm met Steve Carrell: Welcome To Marwen.

En Mark Hogancamp heeft er Mark Hogancamp ontdekt: in die dronkenlap – met saillante heimelijke voorkeuren, waarmee hij zijn aanvallers in de kroeg tegen zich in het harnas joeg – bleek zowaar een kunstenaar verborgen te zitten.

Elton John: Never Too Late

Disney+

Achter al het succes gaapt een enorme leegte. Elton John maakt zich in 1975 op voor het grootste concert van zijn leven in het Dodger Stadion te Los Angeles. 110.000 fans wachten op de 27-jarige superster, die in de voorgaande vijf jaar talloze hits heeft gescoord. Hij is alleen doodongelukkig. Bijna een halve eeuw later staat diezelfde Elton John op het punt om met pensioen te gaan. Met zijn band werkt hij in 2022 toe naar een afscheidsconcert in datzelfde Dodger Stadium.

Met die twee verhaallijnen – over een jonge ster die op weg naar de top steeds meer met zichzelf overhoop komt te liggen en een gearriveerde held die zijn loopbaan afsluit, in elk geval als optredend artiest, en zich opmaakt voor een gemoedelijke ouwe dag – kan Elton John: Never Too Late (102 min.) van start. Het regisseursduo R.J. Cutler, maker van beeldbepalende portretten over bekendheden zoals John BelushiBillie Eilish en Martha Stewart, en Elton Johns partner David Furnish alterneren in deze gesmeerd lopende documentaire voortdurend tussen deze twee ijkpunten uit het leven en de loopbaan van Reg Dwight, alias Elton John.

Audiocassettes met gesprekken die de hoofdpersoon voor zijn memoires voerde met de journalist Alexis Petridis fungeren daarbij als anker, met animaties worden bovendien enkele cruciale gebeurtenissen uit Elton Johns verleden verbeeld. Never Too Late wordt echter nooit een regulier, chronologisch opgebouwd carrièreoverzicht. Aan de welhaast vijftig jaar tussen 1975 en nu wordt bijvoorbeeld nauwelijks aandacht besteed. En ‘s mans brillencollectie, voetbalclub Watford of de monsterhit Nikita komen helemaal niet aan de orde. Zoals ’t ook tevergeefs zoeken blijft – en dat is niet onprettig – naar sappige quotes van intimi, andere pophelden en deskundigen.

Cutler en Furnish focussen zich liever op de emotionele ontwikkeling die hun protagonist heeft doorgemaakt. Van een wereldberoemde man, die voor de buitenwereld in de kast bleef en zich intussen steeds meer verloor in drank en drugs, naar een ogenschijnlijk gelukkig getrouwd LHBTIQ+-icoon dat stopt met touren om meer tijd met z’n gezin door te kunnen brengen. ’s Mans songboek fungeert als smeermiddel om die ontwikkeling op te tekenen, waarbij er daarnaast ook plek is ingeruimd voor Elton Johns stiekeme relatie met zijn manager John Reid, de allerlaatste keer dat John Lennon (bij hem) optrad en zijn muziekpodcast Rocket Hour.

‘Het heeft me 43 jaar gekost om te leren functioneren als mens, in plaats van een rockster’, zegt Elton John er zelf over in deze film, die zijn leven als twee hapklare, onlosmakelijk met elkaar verbonden brokken uitserveert: succes -> eenzaamheid -> verslaving -> afkicken -> loslaten -> geluk. Zodat zijn verhaal, als ook voor de Britse zanger definitief het doek valt, in elk geval helemaal rond is gemaakt.

God, Ik Ben Gay

KRO-NCRV

In de kerk in Bergambacht, het zwaar gelovige Zuid-Hollandse dorp waar Robbert Rodenburg opgroeide, werd er soms gebeden voor mensen die psychisch lijden, een onzichtbaar kruis met zich meedragen of worstelen met hun geaardheid. Zijn jeugdvriend Nick van Herk herinnert dat zich hij daar als kind absoluut niet bij wilde horen. Robert hoorde er wel bij. Hij was homo. En alleen Nick, die zelf ook op jongens viel, wist daarvan. Van de dominee kregen ze te horen dat mensen zoals zij nooit ‘een praktiserende relatie’ mochten aangaan. Het leidde bij Rodenburg tot ‘heel erge bewijsdrang, omdat ik toch ergens heb gevoeld dat je toch de teleurstelling bent.’

Inmiddels is de influencer, presentator en acteur, die bekendheid verwierf met de online-serie Open Kaart, Expeditie Robinson en The Passion (!), uit de kast. In God, Ik Ben Gay (51 min.) deelt Robbert Rodenburg zijn worsteling met het geloof met Linda Hakeboom. Zij doet daarbij dienst als een soort biechtmoeder, die geduldig luistert, vragen stelt en ook voorstellen doet over wat hij zou kunnen doen. Samen duiken ze in zijn getroebleerde verleden met het geloof. Rodenburg herinnert zich bijvoorbeeld hoe hij als kind al verkikkerd raakte op een judoleraar. ‘Als ik een meisje was geweest, was ik echt op hem verliefd geworden’, zou hij toen, zich van geen kwaad bewust, hebben gezegd.

Heel pijnlijk is een ontmoeting met de directeur en staffunctionaris leerlingenzorg van zijn oude middelbare school Het Driestar College. Terwijl zij hem bij binnenkomst enthousiast oude schoolfoto’s laten zien, heeft Rodenburg vooral nare herinneringen. Het derde en vierde jaar noemt hij in hun bijzijn ‘de ongelukkigste jaren van mijn leven’. In boekjes hield hij bij hoeveel dagen hij nog moest ‘doorstaan’, voordat hij weg kon. Zijn ‘homofiele gerichtheid’ was er niet geoorloofd. Daardoor voelde hij zich absoluut niet veilig op school. Het leidt tot een ongemakkelijke, maar wel respectvolle uitwisseling van standpunten, waarbij elk van de betrokkenen zich kwetsbaar durft op te stellen.

Verder spreekt Robbert Rodenburg met zijn broers en zussen, voormalige klasgenoten en een voormalige docent. Zo stevent hij af op geladen ontmoetingen met zijn eigen ouders en de dominee van de kerkgemeenschap waarbinnen hij opgroeide. Het is geen gemakkelijk proces, bekent hij met een gepijnigde blik, die wel vaker zijn gezicht bepaalt. ‘Ik heb echt een zware error. In de zin van: waarom ben ik al deze lades van teleurstelling aan het opentrekken?’ Hij vraagt zich ook af: is er een uitweg uit deze impasse? Daarvoor belandt Rodenburg in deze treffende tv-docu bij de gay-voorganger van de Oranjekerk en een theoloog, in de hoop dat hij via hen weer vrede kan sluiten met het/zijn geloof.

Teaches Of Peaches

Pink Moon

Het zijn bijna onwerkelijke beelden uit 1994: Merrill Nisker, een lieflijk meisje met lang krullend haar speelt met haar akoestische gitaar liedjes voor de jongens en meisjes van de kinderopvang. Slechts zes jaar later fleemt diezelfde jonge vrouw over ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ in de signatuursong van haar alter ego PeachesFuck The Pain Away. Over dat Canadese meisje, die ‘t ooit probeerde als folkzangeres, laat de inmiddels 58-jarige artiest verder weinig los in Teaches Of Peaches (102 min.).

Des te meer ruimte is er voor de artiest/kunstenaar, die zich opmaakt voor een reprise van haar succesvolle debuutalbum waarnaar deze film van Philipp Fussenegger en Judy Landkammer is vernoemd. Die elektroclashplaat brengt het feministische icoon ook compleet ten gehore in haar tweede thuis Berlijn. Tijdens dat jubileumconcert komt het provocerende, theatrale en uitgesproken seksuele karakter van haar podiumact volledig tot z’n recht. ‘Ik ben niet meer vulgair dan wie dan ook’, beweert ze zelf.

En dat wordt min of meer bevestigd door haar vriend Ellison Glenn alias Black Cracker. Toen hij haar voor het eerst op het podium aan het werk zag, vast half ontkleed en tijdens (het simuleren van) de één of andere seksuele activiteit, dacht hij volgens eigen zeggen dat het elke nacht prijs zou zijn met deze dame. Dat blijkt in de praktijk alleen toch wat genuanceerder te liggen. Het is een kwestie van ‘finding moments to touch the booty’. Zoals menige komiek thuis nu eenmaal ook een sombermans schijnt te zijn.

Als Peaches exploreert ze de vrouwelijke seksualiteit. Met veel bloot of de suggestie daarvan, bijvoorbeeld in die kenmerkende, veel te kleine roze shorts, zodat haar ‘cameltoe’ goed zichtbaar is – en het schaamhaar dat ze, net als haar okselbeharing, weigert bij te werken. Al haar strapatsen worden in context geplaatst door haar modeontwerper Charlie Le Mindu, oud-sidekick Feist en haar voormalige duopartner Chilly Gonzales, die oogt als een kruising tussen Nicholas Cage en Ron Jeremy.

Naar de vrouw achter de artiest en performancekunstenaar blijft ’t ondertussen zoeken in deze uiteindelijk tamelijk conventionele popdocu. Dat ze ooit keelkanker heeft gehad, wordt bijvoorbeeld in enkele zinnen afgedaan. Een voetnoot. En als Fussenegger, naar aanleiding van haar provocerende T-shirt Thank God For Abortion, wil weten of abortus ook een persoonlijk onderwerp is voor haar, wordt ze zowaar even pinnig. Die vraag vindt Peaches ongepast. Alsof zo’n privé-ervaring nodig is om vóór het recht op abortus te zijn.

Op het podium manifesteert ze zich als een fiere vechter voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, blijkt opnieuw tijdens dat geladen concert in Berlijn, waarnaar dit portret steeds weer terugkeert. Fussenegger en Landkammer snijden van daaruit ook regelmatig naar het verleden, naar performances waarin hun heldin steevast de grenzen van het betamelijke en de goede smaak opzoekt (en overschrijdt). Zoals mannelijke rocksterren ook zo vaak doen – al lopen die beslist niet zo overtuigend over hun eigen publiek.

In 2024 is er overigens nóg een documentaire over Peaches uitgebracht: Marie Losiers Peaches Goes Bananas. Wellicht dat de aandacht daarin meer uitgaat naar Merrill Nisker – al doet de trailer vermoeden dat ’t toch vooral weer heel veel Peaches wordt.

Nomade In Niemandsland

Omroep Zwart

Een leven lang heeft hij gecreëerd en verzameld. Van zijn huis een zeer persoonlijk museum gemaakt. En dan, als de gebreken van de oude dag komen, moet de hele boel ontmanteld worden en hij afscheid nemen van wie ie was. Voor ‘homo universalis’ Felix de Rooy vormt een herseninfarct de aanleiding om afstand te doen van de kunstwerken en objecten in z’n huis te Amsterdam. Black Archives ontfermt zich bijvoorbeeld over zijn Negrophilia-collectie. En het Stedelijk Museum organiseert in 2023 een speciale tentoonstelling: Felix de Rooy – Apocalypse.

‘Felix is voor ons een soort van supervoorbeeld’, vertelt hoofd onderzoek Charl Landvreugd van het Stedelijk in Nomade In Niemandsland (57 min.). Als zwarte filmmaker, beeldend kunstenaar en theatermaker zette De Rooy – geboren op Curaçao en via Mexico, Suriname en New York in Nederland beland – volgens hem in de afgelopen vijftig jaar onderwerpen op de kaart waar ons land eigenlijk helemaal niet klaar voor was en die nu, gezien bijvoorbeeld de Black Lives Matter-protesten en de aandacht voor de vaderlandse slavernijgeschiedenis, actueler zijn dan ooit.

Deze weelderige documentaire van Hester Jonkhout valt direct met de deur in huis met een danssequentie van Justin Brown, waarbij een pronte, door acteur Steven Hooi ingesproken voice-over klinkt: ‘Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese testament ontsnap ik aan de gevangenis van genetische en historische identiteit’, stelt De Rooy daarin. ‘Gevlucht naar het mythische land van ‘la rasse mélange’, het niemandsland van het vuilnisbakkenras. Het dolende ras, geboren uit conflict en confrontatie.’

Met hulp van intimi zoals zijn zus Marguerite de Rooy, psychiater Glenn Helberg, producent Barbara Martijn, actrice Helen Kamperveen, kunstenaar Floris Guntelaar, ontwerper René Wissink, theatermaker Maarten van Hinte, cameraman Ernest Dickerson en De Rooys voormalige (film)partner Norman de Palm exploreert Jonkhout vervolgens het gehele terrein dat haar hoofdpersoon in zijn werk heeft bestreken. In de tentoonstelling Wit Over Zwart boog hij zich bijvoorbeeld al in 1989 over zwarte stereotypen in (strip)boeken, speelgoed en reclame.

Mensen zoals hij – zwart, queer en dwars – hebben nu eenmaal een breder perspectief dan vertegenwoordigers van de witte Nederlandse monocultuur en kunnen andermans eurocentrische gedachten omkeren, is de gedachte. Zo maakte De Rooy eens een schilderij van een zwarte Jezus, met een enorme erectie en een regenboog erachter. ‘Zo queer als maar zijn kan’, constateert Charl Landvreugd van het Stedelijk Museum daarover. En een treffend voorbeeld van waarom witte opiniemakers in de afgelopen halve eeuw soms een tandje bij moesten zetten om De Rooy te kunnen bijbenen.

Dit kleurrijke portret, op smaak gebracht met een smeuïge soundtrack, doet de Caribische kunstenaar, die op het Nederlands Film Festival van 2024 nog werd geëerd met het Gouden Kalf voor de Filmcultuur, meer dan recht. Als een essentiële wegbereider voor een nieuw Nederland en inclusieve kunst.

Ik Zeg Je Eerlijk

NTR

‘Ik identificeer mij als een meisje of een vrouw’, begint Peter ‘Musa’ van Maaren het kennismakingsgesprek waarmee hij zijn les ‘culturele, religieuze en seksuele diversiteit’ voor leerlingen van de basis- en middelbare school opent. De meisjes uit de kring staan op. En de jongens kijken toe. Volgende stelling: ‘anderen zien mij als een meisje of een vrouw.’ Verbazing alom. Want Peter staat zelf ook op. ‘Écht?’ vraagt de jongen naast hem. ‘Ja’, antwoordt Peter. ‘Ja, dat kan.’ Volgende stelling: ‘ik geloof in een God.’ En ook dan staat Peter op. Hij is moslim.

In de korte documentaire Ik Zeg Je Eerlijk (24 min.) volgt Eva Nijsten wat Van Maaren te weeg brengt bij verschillende groepen pubers. Haar film is opgebouwd uit verschillende kringgesprekken, waarbij net zo vaak luisterende jongeren in beeld zijn als degenen die het woord nemen of krijgen. Onderwerpen als zoenen (voor de huwelijksnacht), internetporno en geaardheid passeren de revue. Op gezette tijden toont Nijsten bovendien als intermezzo wat er zoal op schoolmuren is geschreven, gekalkt of gekerfd. Grappige, seksueel getinte of onverdraagzame tekeningen of boodschappen.

Halverwege confronteert Peter van Maaren de diverse groepen jongeren met zichzelf: als kleine katholieke jongen was Petertje verliefd op Zwarte Piet. Later als tiener had hij ‘voor de schijn’ verkering met Monique. Totdat haar ouders eens een avondje weg waren…. ‘Ik was gewoon een vette homo’, vertelt hij over die tijd, zonder omhaal van woorden. ‘Maar ik probeerde wel hetero te worden.’ Het noopt een islamitische jongen, rechts van hem, tot een reactie: ‘De dingen die u nu doet is allemaal voor niks’, zegt die gedecideerd. ‘Want homo is niet geaccepteerd in de Islam.’

Peter van Maaren lijkt echter niet op zoek naar de confrontatie. Hij blijft de dialoog aangaan, op zoek naar verbinding. En daarmee lijkt hij de meeste tieners – en vast ook het leeuwendeel van de kijkers van deze boeiende gespreksfilm – wel te kunnen ontwapenen.

Will & Harper

Netflix

‘Ik ben al in heel wat bars geweest’, vertelt Harper Steele aan enkele andere gasten van een bikersbar in Meeker, Oklahoma, waar naast de ‘Confederate flag’ een Trump-vlag aan de muur hangt. ‘Ik ben aan het kijken of ik nog welkom ben nu ik in transitie ben.’ Harpers maatje, de bekende komiek en acteur Will Ferrell, staat buiten, te wachten of hij naar binnen wordt geroepen. Harper heeft hem onder een snelkeuzetoets gezet in haar telefoon, voor het geval ‘t binnen link wordt.

Will & Harper (115 min.) zijn al hun halve leven bevriend en nu samen op een roadtrip, van de Amerikaanse oostkust naar het westen. Ze leerden elkaar ooit kennen bij de comedyshow Saturday Night Live, waar Will één van de veelbelovende nieuwe gezichten was en – deadname alert! – Andrew één van de dragende schrijvers werd. Al die jaren bleven ze nauw verbonden met elkaar. Alleen tijdens de Coronapandemie van enkele jaren geleden verloren de twee elkaar uit het oog.

En juist toen was Steele ineens definitief klaar met man zijn. ‘M’n hele leven probeerde ik het weg te drukken. Nu geef ik de strijd op.’ Ze ging in transitie. ‘Instead of an asshole I’ll be a bitch.’ En die is nu met Will op reis door de Verenigde Staten, om te ontdekken wat Harpers transitie betekent voor hun vriendschap, elkaar alle vragen te stellen die bij hen opkomen over de veranderingen en te ontdekken hoe een transvrouw, van begin zestig alweer, wordt bejegend in het hedendaagse Amerika.

Het brengt hen soms in ongemakkelijke situaties. Tijdens de rust van een basketbalwedstrijd tussen de Indiana Pacers en Philadelphia 76ers wordt Ferrell bijvoorbeeld aangesproken door Eric Holcomb, de Republikeinse gouverneur van de staat Indiana, die maar wat graag een mediamomentje scoort met de beroemde komiek. Tijdens het vervolg van de wedstrijd komen Harper en Will erachter dat hij zojuist een wet heeft aangenomen die genderbevestigende zorg voor minderjarigen verbiedt.

De toon van deze roadmovie van Josh Greenbaum blijft nochtans altijd optimistisch. Zoals de meeste Amerikanen die de twee vrienden tegenkomen, ook in het zogenaamde ‘heartland, hen eigenlijk positief tegemoet treden. En wanneer Harper dan toch weer eens wordt misgenderd – als man aangesproken – wordt dit vrijwel direct met een grap of oneliner onschadelijk gemaakt. Daarbij betaalt zich uit dat er twee mensen op stap zijn, die van humor hun beroep hebben gemaakt.

Hun zorgvuldig gearrangeerde reis, langs de verplichte fraaie plekken en uitgeserveerd met talloze aanstekelijke all-American tunes, brengt hen tevens naar Iowa, de conservatieve staat waar Harpers roots liggen en ook haar zus wacht. Die wilde gelukkig altijd al een zus. Gaandeweg ontdekt Steele, zoals dat nu eenmaal gaat in roadmovies, zo dat de grootste belemmeringen in haarzelf zitten. ‘Ik ben bang mezelf te haten’, bekent ze tegenover Ferrell. ‘Ik denk bij mezelf: je bent een freak, wat doe je hier?’

Naast die ‘freak’ zit, in bruine Harpers vintage station wagon, ‘een satanische Illuminatie-pedo’. Althans, volgens één van de reaguurders die zich genoodzaakt voelt om in te hakken op de reis van Will & Harper – en voor de verandering zijn opgekropte haat nu eens niet richt op de transvrouw – terwijl zij zitten te gebben over slecht bier, Pringles en Dunkin’ Donuts. Samen koersen ze door ‘Merica, hun eigen gevoelsleven en een vriendschap, die onderweg alleen maar meer diepte krijgt.

Nel Mio Nome

Nuovi Paesaggi Urbani

Op het eerste oog kunnen ze doorgaan voor doodnormale jongemannen van rond de twintig. Sterker, dat zijn Leonardo, Andrea, Raffaele en Niccolò ook – al zijn ze alle vier wel als meisje geboren. De Italiaanse transmannen zijn bevriend geraakt en spreken regelmatig met elkaar af, om ervaringen uit te wisselen.

Tegelijkertijd moeten ze weinig hebben van de gebruikelijke deprimerende verhalen over transpersonen. ‘O, mijn God, ik ben trans’, smalen de vier over stereotiepe transfilms. ‘Hoe kan ik dat verbergen? Mijn leven is een ramp.’ Zo’n film is Nel Mio Nome (Engelse titel: Into My Name, 94 min.) dus ook niet geworden. Regisseur Nicolò Bassetti volgt het viertal, samen en los van elkaar, in hun dagelijkse bestaan en tekent ondertussen hun levensverhalen op. De teneur is zeker niet zwaar of somber – ze gaan bijvoorbeeld lekker stappen, trekken samen de natuur in of gaan los op dansles – maar deze observerende docu gaat de uitdagingen rond hun transitie ook niet uit de weg.

Andrea Ragno, die zich opmaakt voor een genderbevestigende operatie, ziet zichzelf al vanaf z’n derde als een jongen. Schrijven is zijn uitlaadklep, een ouderwetse rode Olivetti-typemachine z’n beste vriend. Andrea heeft onlangs een dagboek van z’n negenjarige zelf gevonden. ‘Toen ik het opende, moest ik huilen’, vertelt hij. ‘De naam van de hoofdpersoon is Andrea. Dat was ik helemaal vergeten.’ Zo zijn ze alle vier op hun eigen manier bezig met de verandering in hun leven. Tijdens een online-sessie vraagt Raffaele Baldo, in het dagelijks leven fietsenmaker, z’n gesprekspartner bijvoorbeeld netjes of die ’t vervelend vindt als hij zichzelf een testosteroninjectie geeft.

Behalve de lichamelijke transitie wachten hen ook praktische en juridische uitdagingen. Terwijl zijn lijf in het zicht van alles en iedereen verandert, blijft Nicolò Sproccati voor de officiële instanties bijvoorbeeld nog wel een tijdje bekend staan onder zijn meisjesnaam. Hoe kan hij nu met goed fatsoen een pakketje ophalen bij het postkantoor? ‘Het wordt op een gegeven moment een soort chronische ziekte’, stelt Leonardo Arpino, die podcasts maakt en in een rockbandje speelt, over het moeizame proces om officieel erkenning te krijgen. ‘Je bent alleen niet ziek, maar wordt onderdrukt.’ Ferm: ‘Het kan niet zo zijn dat een rechter of psycholoog bepaalt wat jij bent, het één of het ander.’

Nel Mio Nome ontwikkelt zich zo tot een sensibele coming of age-docu, waarin de protagonisten tijdens het proces van volwassen worden alleen nog enkele extra drempels moeten nemen.

Striking With Pride: United At The Coalface

SkyShowtime

Veertig jaar nadat een groep Londense LHBTIQ+-activisten een mijnwerkersstaking in Zuid-Wales begint te ondersteunen – en tien jaar nadat daarover de aanstekelijke speelfilm Pride is gemaakt – zet documentairemaker Ashley Francis-Roy in Striking With Pride: United At The Coalface (76 min.) opnieuw de schijnwerper op deze bijzondere alliantie. In het kader van een voorleesprogramma wordt het verhaal ditmaal aan een groep kinderen verteld door de bekende Welshe drag queen Tayce Szura-Radix.

Of ze nog weten wat een mijnwerker is? wil Tayce weten. De jongens en meisjes reageren enthousiast. Waarna de voorlezer begint aan de geschiedenis van de Welshe streek Dulais Valley. Het relaas wordt daarna al snel overgenomen door bewoners van deze hechte gemeenschap, waar iedereen in de jaren tachtig afhankelijk was van de plaatselijke mijn en er na een dag zwoegen onder de grond vaak een pint in de pub wachtte – en daarna nog wel één. Al was het mijnwerkersbestaan natuurlijk ook geen vetpot. Sterker: als er werd gestaakt om sluiting van de mijnen te voorkomen – ‘Coal not dole’ scandeerden ze dan – hadden de gezinnen helemaal geen inkomen en moest er geld worden ingezameld.

Er kwam dus hulp van een andere groep in de verdrukking in het Groot-Brittannië van de Conservatieve premier Margaret Thatcher. Tijdens Gay Prides begonnen homo’s en lesbiennes uit de hoofdstad, die op dat moment toch ook met openlijke homohaat en de AIDS-epidemie kampten, geld in te zamelen voor de stakers. Ze startten zelfs een eigen organisatie: Lesbians And Gays Support The Miners (LGSM). Dat was dan weer tegen het zere been van Thatcher, die de protesten tegen haar regering beschouwde als het werk van binnenlandse extremisten. ‘The Iron Lady’ dubde die ‘the enemy within’. Een andere docu over de mijnwerkersacties ontleent er z’n titel aan: Still The Enemy Within.

Terwijl deze geschiedenis zich ontvouwt in Striking With Pride, maakt Tayce voor luisterende kinderen steeds bruggetjes van het ene naar het volgende verhaalelement. Die vorm heeft geen enorme meerwaarde, maar zit de inhoud ook zeker niet in de weg. De nadruk blijft liggen op de bijzondere gebeurtenissen van halverwege de jaren tachtig, toen er zowaar een zielsverwantschap ontstond tussen gay-activisten en een kleine mijnwerkersgemeenschap in Wales. Niet dat ze daar oorspronkelijk nu zo homovriendelijk waren. Op z’n best werd er zorgvuldig over gezwegen. Toen ‘t erop aankwam moest er zelfs een muntje worden opgegooid of de leiders van LGSM wel welkom waren.

Eenmaal in direct contact, van mens tot mens, kon de afstand echter snel en gemakkelijk worden overbrugd. Ook plaatselijk begonnen er intussen mensen uit de kast te komen. Soms hadden ze zelfs al – saillant detail – ervaring met stiekeme seks in een mijnschacht. Zo ontstond wederzijds begrip en een gevoel van solidariteit. Samen tegen ‘the enemy at the top’, Margaret Thatcher. Want die voerde de druk op de stakers en hun families flink op. Totdat het water hen aan de lippen stond. Sommige mannen gingen dus toch maar weer aan het werk. Tot grote woede van hun lotgenoten, die niets meer wilden weten van deze ‘scabs’. Het leidde tot ernstig geweld tegen de stakingsbrekers.

Zulke incidenten blijven niet onbenoemd in deze typische Britse arbeidersfilm, maar krijgen ook niet de overhand. Uiteindelijk is ‘t een optimistische vertelling geworden over ‘twee gemeenschappen die verliefd werden’. Een onweerstaanbare docu over zelfrespect, erkenning en saamhorigheid.

Elizabeth Taylor: The Lost Tapes

HBO Max

Ze was een filmster, zo was haar door de bobo’s meermaals te verstaan gegeven. Géén actrice. Hoewel ze zeker twintig jaar één van Hollywoods grootste sterren was, werd Elizabeth Taylor (1932-2011) lang nauwelijks serieus genomen. Zij was ‘eye candy’ voor bioscoopbezoekers en ‘arm candy’ voor de ene na de andere (oudere) man uit de business. Een naam die in koeienletters op zowel filmposters als tabloidcovers kon worden geplaatst, om zo het grote publiek te behagen.

En toen, in het voorjaar van 1961, won ze eindelijk een Oscar (vijf jaar later overigens gevolgd door een Academy Award voor Who’s Afraid Of Virginia Woolf). Voor haar rol in BUtterfield 8, haar vierde nominatie op rij. Zelf was Liz Taylor er overigens van overtuigd dat ze de prijs niet voor haar acteerprestatie had gekregen. ‘Ik won de award voor mijn tracheotomie’, zegt ze in de documentaire Elizabeth Taylor: The Lost Tapes (98 min.) van Nanette Burstein (The Kid Stays In The Picture, Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee en Hillary).

Even daarvoor, tijdens de opnames voor het epische historisch drama Cleopatra, was Taylor namelijk geveld door een levensbedreigende longontsteking. ‘Het moet uit medelijden zijn geweest’, constateerde ze. ‘Want ik vind die film gênant.’ Op de archiefbeelden van de Oscar-uitreiking neemt ze de Academy Award nochtans deemoedig in ontvangst. ‘Ik weet niet hoe ik mijn dankbaarheid kan uiten voor dit voor en alles’, zegt de filmster met nauwelijks ingehouden emotie, als een volleerde actrice. ‘Ik kan alleen zeggen: dank jullie wel.’

De Amerikaanse diva doet de ‘bekentenis’ over haar eerste Oscar aan journalist Richard Meryman, tijdens interviewsessies voor wat een boek had moeten worden. De gesprekken begonnen in 1964, toen Liz Taylor op het hoogtepunt van haar roem was. De opnames zijn onlangs pas teruggevonden en vormen nu het fundament onder deze (auto)biografie, waarin ook intimi als acteur/vriend Roddy McDowall, Taylors agent Marion Rosenberg en haar vijfde/zesde echtgenoot Richard Burton (op een totaal van acht huwelijken) nog een kleine bijdrage leveren.

Dit is echter eerst en vooral het relaas van Taylor zelf, één van de beroemdste vrouwen van haar tijd, die tegelijkertijd vastzat in wat er van haar als vrouw, ster en – zelf verfoeide ze de term, getuige de gesprekken met Meryman – ‘seksgodin’ werd verwacht. Voortdurend moest ze balanceren op het slappe koord tussen schijn en zijn. Nanette Burstein concentreert zich ondertussen vrijwel volledig op Taylors glorieperiode en lardeert de bespiegelingen van haar hoofdpersoon natuurlijk met filmfragmenten, b-roll beelden én talloze foto’s.

Want Elizabeth Taylor kreeg als geen ander, zeker toen ze verzeild raakte in een bijzonder turbulente relatie met Burton, te maken met de opkomst van een nieuw fenomeen: paparazzi. ‘Het ging niet meer om de glamour’, stelt collega-acteur George Hamilton daarover. ‘Ze wilden de glamour vernietigen.’ Taylor en Burton leverden daaraan zelf ook een aanzienlijke bijdrage. In de apotheose van deze boeiende film toont Burstein nog even gauw – maar doeltreffend – hoe de twee de ander en zichzelf en plein public te gronde richten.

Waarna ze op de valreep toch nog een sterrol in petto heeft voor Elizabeth Taylor: als beschermvrouwe van de Amerikaanse homogemeenschap, die aan het einde van de twintigste eeuw wordt aangevallen door een nietsontziende killer, AIDS, en daarbij grotendeels aan haar lot wordt overgelaten. In die rol – geïnspireerd door haar vriendschappen met de acteurs Rock Hudson en Montgomery Clift, die een groot deel van hun leven (noodgedwongen) in de kast bleven – steelt Taylor nog eenmaal, ongegeneerd en toch oprecht, de show.

In Elizabeth Taylor – Rebel Superstar, een driedelige serie over de filmster, komt ook Taylors familie aan het woord.

Kiezen, Snijden, Zwijgen

VPRO

Een psycholoog vroeg aan Sharan Bala of ze een lotgenoot wilde ontmoeten. Bij een koffietentje maakte ze kennis met Marieke Schoutsen. ‘Vet ongemakkelijk’, vertelt Sharan. ‘Zaten we allebei zo te fluisteren naar elkaar. Dat was heel bizar, want ik sprak voor het eerst met iemand die precies hetzelfde had meegemaakt. Alle shit waar ik mee zat, daar zat zij ook mee.’ Marieke: ‘Het was eigenlijk een openbaring. Van hé: ik ben niet de enige alien op deze planeet.’

Zulke ‘buitenaardse wezens’ noemen we tegenwoordig intersekse. Ze hebben een lichaam dat zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken vertoont. De twee hoofdpersonen van Kiezen, Snijden, Zwijgen (60 min.) ogen nochtans duidelijk vrouwelijk. Samen met Chris van den Brink en Femke Klein Obbink leggen ze in deze moedige film een jaar lang hun ervaringen vast: als ze in hun eigen medische dossiers duiken, daarin nieuwe informatie over zichzelf ontdekken en hun geheim delen met hun directe omgeving.

Marieke en Sharan spreken tevens met intersekse onderzoeker Margriet van Heesch van de Universiteit van Amsterdam. Zij vertelt over de dominante theorie die de Nieuw-Zeelandse psycholoog John Money ontwikkelde rond mensen die toen nog ‘hermafrodiet’ werden genoemd. ‘Het idee was dat je elk kind tot een jongetje of meisje kon kneden. Dat was zijn idee om kinderen met een intersekse-variatie te genezen. In een cultuur die maar twee mensen toeliet: heteroseksuele mannen en heteroseksuele vrouwen.’

Vanuit deze gedachte moest die heteroseksualiteit dan ‘bewezen’ worden met seks: penis in vagina. ‘Dus als jouw penis niet groot genoeg was om te penetreren, dan moest je een meisje worden’, legt Van Heesch uit. ‘En als je geen vagina had, moest die voor jou gemaakt worden.’ En daarover werden alle betrokkenen dan geacht om hun mond te houden. Ofwel: kiezen, snijden, zwijgen. Juist dat laatste aspect zit zowel Marieke en Sharan als hun ouders, blijkt tijdens persoonlijke gesprekken, nog altijd dwars.

Mariekes moeder herinnert zich als de dag van gisteren hoe haar dochter op haar achtste vroeg: ‘Mam, schaam jij je voor mij?’. Ze ervoer dit als een ‘dolksteek’. Vreemd was die vraag overigens niet: op advies van artsen hadden ze hun dochter voorgehouden om er vooral niet over te vertellen aan anderen. En bij Sharan werd er zelfs wezenlijke informatie achtergehouden. Toen zij nog heel jong was, hebben artsen keuzes met heel verstrekkende gevolgen gemaakt. Ze is er boos over: ‘Dat kleine jongetje, dat nooit heeft mogen bestaan.’

Het is een pijnlijke constatering, diep persoonlijk ook, illustratief voor het taboe dat er nog altijd rust op het thema intersekse. Van de ongeveer tachtigduizend mensen in Nederland, die niet helemaal voldoen aan de oppositie man-vrouw, zijn er volgens schattingen van de Nederlandse Organisatie voor Seksediversiteit slechts veertig helemaal uit de kast. ‘Jullie maken 41 en 42’, zegt Margriet van Heesch tegen Marieke Schoutsen en Sharan Bala. ‘Dus het allerbelangrijkste is dat je je verhaal blijft vertellen.’

Met deze aangrijpende film maken ze de gecompliceerde problematiek rond intersekse, die onlangs ook al zijn weg vond naar de indringende documentaire Who I Am Not, inzichtelijk en tastbaar. Het moet tegelijkertijd ongelooflijk spannend zijn om die het levenslicht te laten zien.

Life Is Not A Competition, But I’m Winning

First Hand Films

De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, maar wat betekent dit dan voor degenen waarvan ‘t nooit de bedoeling was dat ze überhaupt zouden deelnemen aan het spel? Met deze vraag begint regisseur Julia Fuhr Mann Life Is Not A Competition, But I’m Winning (79 min.), een hybride van docu en drama over sporters die niet aan de eisen kunnen of willen voldoen die aan Olympische atleten worden gesteld. Want die horen natuurlijk wit, mannelijk en hetero te zijn.

Een collectief van queeratleten begeeft zich naar het Olympisch stadion van Athene om vergeten helden zoals Lina Radke, Stella Walsh en Wilma Rudolph eer te bewijzen – het fictiedeel van deze film. Zeker het verhaal van Walsh is stuitend: als de Olympische kampioene op 69-jarige leeftijd sterft na een gewapende overval, wordt bij de autopsie niet alleen de doodsoorzaak vastgesteld. Tegelijkertijd wordt naar buiten gebracht dat de hardloopster intersekse was. Via zulke pijnlijke verhalen wordt de discriminatie belicht, waarmee vrouwelijke, zwarte en/of LHBTOQ+-sporters krijgen te maken.

Met als dieptepunt de zogenaamde Femininity Certificates, waarvoor atleten moesten aantonen dat ze daadwerkelijk vrouwelijk waren. Dat gebeurde eerst met een controle van hun vrouwelijke geslachtsdelen, daarna via een chromosomentest en tegenwoordig met een check van het testosterongehalte in hun bloed. Als die te hoog is, wordt de sporter uit competitie genomen, zoals bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse 800 meter-loopster Caster Semenya overkwam. Zulke tests komen overigens pas in beeld bij uitzonderlijke prestaties of sportsters met een toch wel erg mannelijk voorkomen.

Daarnaast belicht Julia Fuhr Mann in deze gestileerde, enigszins bedachte film de persoonlijke verhalen van de transvrouw Amanda Reiter (een Duitse marathonloopster, die na een gewonnen wedstrijd toch werd afgescheept met een zilveren medaille), de voormalige Amerikaanse profvoetbalster Caitlin Fisher (die zich tijdens haar carrière steeds vrouwelijker moest voordoen dan ze zich eigenlijk voelde) en de Oegandese middellange afstandsloopster Annet Negesa (die nooit meer helemaal de oude werd na een verplichte, medisch helemaal niet-noodzakelijke chirurgische ingreep).

Negesa had overigens ook een hoofdrol in de thematisch verwante, welhaast nóg schrijnendere documentaire Category: Woman. Die is traditioneler van opzet, biedt tevens ruimte aan een weerwoord vanuit de sportwereld (beschermen van ‘eerlijke competitie tussen sporters’) en komt daardoor zeker zo hard binnen – al is het ook bij Life Is Not A Competition, But I’m Winning niet moeilijk om mee te voelen met de betrokken sporters en de gewone, kwetsbare mensen die daarachter schuilgaan.

Queerkamp

Human

Moeder is nog niet thuis of haar kind belt al op: ik wil naar huis. Het Queerkamp (57 min.) voelt toch niet zo goed als verwacht. Moeder houdt echter voet bij stuk. ‘Ik had zo gedacht dat dit het zou zijn’, zegt ze licht teleurgesteld. ‘En als het tegenvalt, oké, maar dan kom ik je zaterdag halen.’

Haar kind zal zich dus gewoon moeten mengen onder de andere deelnemers aan het Hojokamp, een kamp voor Nederlandse LHBT+-jongeren tussen 13 en 25 jaar. Ze gaan lol maken (zingen bij het kampvuur, een opblaasbare stormbaan nemen en – natuurlijk – badmintonnen), maar samen ook, onder begeleiding van empathische vrijwilligers, aandacht besteden aan de uitdagingen des levens.

In groepsgesprekken delen de jongeren hun persoonlijke verhaal. De één wilde bijvoorbeeld geen homo maar gewoon ‘normaal’ zijn en gooide uiteindelijk een papieren vliegtuigje voor z’n moeder de kamer in, met de boodschap ‘haha, ik ben homo’. Een ander heeft jarenlang ‘nep’ gedaan, maar is na het ontwikkelen van een eetstoornis toch maar uit de kast gekomen als transgender.

Hoe kom je überhaupt uit de kast? En moet dat altijd, naar alles en iedereen? vraagt een jongen zich af. Hij vertelt dat ie in een briefje aan zijn zus de zin ‘ik ben homo’ heeft doorgestreept en vervangen door ‘ik val op mannen’. Dat vond hij toch beter klinken en voelen. Hoe zie je dat nu? vraagt een begeleidster. Hij denkt even na. ‘Ik ben homo, dat weet ik. Alleen de term vind ik nog steeds…’

Met hun alerte camera, die oog heeft voor wat er écht toe doet, vangen Lucas van der Rhee en Chris Westendorp hoe de deelnemers erkenning en herkenning bij elkaar en zichzelf vinden – of nog even daarnaar op zoek zijn. Ze zitten de jongeren dicht op de huid en vereeuwigen zo zowel hun lastige momenten als de ogenblikken dat ze zich uitgedaagd, geaccepteerd of gewoon fijn voelen.

Een proef met een spiegel springt in het oog. Hoe is ’t om daarin te kijken? Lukt dat überhaupt? En kun je dan ook positieve dingen over die persoon zeggen? Deze observerende film maakt invoelbaar hoe ’t is om jezelf, op een kwetsbare leeftijd, als anders of als niet toereikend te ervaren en hoe heilzaam ’t dan is om te ervaren dat je niet de enige bent en steunt kunt geven/hebben aan elkaar. 

Tegelijkertijd laat Queerkamp zien dat alle aanwezigen, hoeveel slechte ervaringen ze ook hebben gehad en hoe gekweld ze in eerste instantie misschien ook lijken, in wezen heel gewoon zijn en precies hetzelfde willen: een oké-gevoel. Vanuit die ander én zichzelf.

Meer informatie over: Queerkamp

Dalton’s Dream

Lorine Plagnol

Hij had de meest geliefde ster van Jamaica moeten worden. Een plattelandsjongen die thuis was mishandeld, flink werd gepest op school, psychische problemen kreeg, experimenteerde met drugs en uiteindelijk zelfs dakloos raakte, won in 2018 de Britse versie van de tv-talentenjacht The X Factor. Topverhaal! Dalton Harris had slechts één kwetsbaarheid: hij zou wel eens een ‘battie boy’ kunnen zijn.

En veel Jamaicanen moeten nog altijd helemaal niets van homo’s hebben. Sterker: seks tussen mannen is al 150 jaar illegaal op de voormalige Britse kolonie. Dalton hult zich daarom het liefst in nevelen over zijn seksualiteit. Dat weerhoudt allerlei Jamaicanen – streep door: Jamaicaanse mannen – er overigens niet van om hem, zonder enige terughoudendheid, op een vulgaire en zeer agressieve manier aan te vallen op social media. Tot concrete bedreigingen aan toe.

De filmmakers Kim Longinotto en Franky Murray Brown doorsnijden de pogingen van hun protagonist om Dalton’s Dream (90 min.) te verwezenlijken permanent met zulke expliciete haatfilmpjes. Alsof dat nog niet genoeg is, belandt Dalton Harris tevens in een publiek gevecht met zijn eigen moeder, die hij eigenlijk al jaren mijdt. ‘Ik ben geen vijand van mijn zoon’, zegt zij in een openbaar vlog, waarin ze zijn beweringen in interviews met klem tegenspreekt en olie op het vuur gooit.

Hoewel hij een deel van die stress kwijt kan in heel persoonlijke songteksten – de Nederlandse vertaling daarvan verschijnt steeds in beeld – moet de zanger alle zeilen bij zetten om zijn carrière op koers te houden. Hij kampt regelmatig met faalangst en depressies. Dat Dalton zijn heil juist heeft gezocht in de entertainmentindustrie helpt natuurlijk ook niet. Voor een beginnende artiest is die veelgeroemde X-factor nu eenmaal geen garantie voor een duurzame loopbaan.

Daar – in de opgeklopte heisa rond een nieuwe artiest, die ook zomaar weer kan worden afgedankt als het succes (te lang) uitblijft – zit echter niet de meerwaarde van deze film. Dat verhaal is al veel vaker verteld en soms ook overtuigender. De kracht van Dalton’s Dream zit in de combinatie met Dalton’s Nightmare, het persoonlijke relaas van een kwetsbare adolescent die en plein public, puur door wie hij is, een afzichtelijke stroom haat over zich krijgt uitgestort.

Ook zulke homofobie is al eerder in beeld gebracht, maar die went (gelukkig) nooit en blijft onverminderd schokkend.

Outstanding: A Comedy Revolution

Netflix

‘Is het Witte Huis bekend met deze epidemie, Larry? Het wordt de ‘gaypest’ genoemd.’

– gelach

‘Echt’, probeert de journalist weer. ‘Het is heel ernstig. Één op de drie patiënten sterft. Is de president daarvan op de hoogte?’

‘Ík heb het niet’, reageert de woordvoerder van de Amerikaanse president Reagan. ‘Jij wel?’

‘Je hebt het niet. Dat is goed om te horen, Larry. Ziet het Witte Huis dit als een grap?’

Het lachen is Amerikaanse gays dan, in 1982, allang vergaan. AIDS ontwricht hun complete gemeenschap. Het zal niettemin nog tot drie jaar duren voordat president Ronald Reagan het woord ‘AIDS’ voor het eerst in de mond neemt.

Getuige de documentaire Outstanding: A Comedy Revolution (99 min.) van Page Hurwitz zijn ‘t tevens zware jaren voor queer-comedians, die worden geconfronteerd met bepaald niet homovriendelijke performances van collega’s zoals Eddie Murphy, Sam Kinison en Andrew Dice. Met hedendaagse ogen bekeken is het nauwelijks voor te stellen dat er destijds geen haan kraaide naar hun lompe en smakeloze grappen.

Dat is en blijft natuurlijk ook de vraag bij humor: wanneer houdt simpelweg de draak steken op en begint bijvoorbeeld queerhaat? Hoe moeten bijvoorbeeld de transgrappen van Ricky Gervais, Bill Maher en Dave Chapelle worden geduid? En kan en mag je daarbij het verband leggen met geweld tegen de LHBTIQ+-gemeenschap? ‘Er bestaat niet zoiets als: just kidding’, stelt Robin Tyler, die in de jaren zeventig als één van de eerste vrouwen uit de kast kwam. ‘Dus als iemand homofobe grappen maakt, menen ze het.’

Met comedians van verschillende generaties zoals Lily Tomlin, Sandra Bernhard, Scott Thompson, Margaret Cho, Rosie O’Donnell, Wanda Sykes, Tig Notaro, Eddie Izzard en Hannah Gadsby loopt Hurwitz in deze vlotte film belangrijke ijkpunten uit de geschiedenis van de Amerikaanse queerhumor door. Het pionierswerk van Moms Mabley en Christine Jorgensen bijvoorbeeld, de bikkelharde ‘truthin’ van Richard Pryor bij een homorechten-benefiet en Ellen DeGeneres’ coming out op televisie.

‘Comedy geeft mensen de kans om de wereld door de ogen van een ander te zien’, betoogt Judy Gold. ‘En een goede komiek laat je lachen en zet je aan het denken. En verandert misschien zelfs hoe je denkt.’ Dat lijkt tevens de boodschap van deze film, waarin iedereen ‘t wel heel erg eens is met elkaar. Outstanding had enkele stoorzenders kunnen gebruiken om de discussie over wat wel en niet kan nog wat verder op scherp te zetten en samen de eventuele grenzen aan de vrijheid van meningsuiting verder af te tasten.

Disco: Soundtrack Of A Revolution

PBS/BBC

ABBA, Donna Summer, Village People, The Bee Gees en John Travolta in een wit pak op de dansvloer. Zomaar wat associaties rond het fenomeen ‘disco’ bij de start van deze driedelige docuserie van Louise Lockwood en Shianne Brown. En meteen een constatering erbij: disco is terug. Van nooit weg geweest. Ook al staat volgens sommige haters nog altijd als een paal boven water: disco sucks.

Disco: Soundtrack Of A Revolution (153 min.) gaat terug naar het New York van de jaren zeventig. Na de zogenaamde Stonewall-rellen van 1969 ontstaat in de huiskamer van David Mancuso een nieuwe, inclusieve scene, waarbinnen ook gekleurde Amerikanen, feministische vrouwen en de LHBTIQ+-gemeenschap hun plek vinden. Tijdens deze feesten in ‘The Loft’ wordt de basis gelegd voor een muziekstroming die in het navolgende decennium de hele wereld zal veroveren: D.I.S.C.O.

Aflevering 1 schetst met wegbereiders, ‘early adopters’ en kenners hoe de ondergrondse danscultuur volwassen wordt. Daarbij wordt disco ook nadrukkelijk in z’n maatschappelijke context geplaatst, als onderdeel van de tweede feministische golf, Black Power en de homo-emancipatie. In het tweede deel, over de hoogtijdagen van het even geliefde als verguisde genre, komen de (sub)toppers aan het woord: Thelma Houston, George McCrae, Anita Ward en één van de discodiva’s, Candi Staton.

Bijzondere aandacht is er dan voor de New Yorkse club Studio 54, dé plek voor seks, drugs & disco. Waar zien en gezien worden het parool is. Tenminste volgens één van de oprichters van de ‘place to be’, Carmen D’Alessio. Andy Warhol zou volgens haar bijvoorbeeld nog naar de opening van envelop gaan, bang dat hij anders iets zou missen. Het succes van disco barst daarna helemaal uit z’n voegen met de film Saturday Night Fever, waarmee John Travolta en The Bee Gees wereldsterren worden.

En dan begint het genre volgens de echte trendsetters, waarop deze gedegen miniserie zich vooral concentreert, z’n ziel kwijt te raken. Illustratief is het verhaal van Village People, een groep die allerlei homostereotypen presenteert aan een groot publiek. Een paard van Troje zogezegd, maar discopuristen moeten er niks van hebben. ‘Je had baggermuziek van baggerplatenmaatschappijen die voor het snelle geld gingen’, zegt Ana Matronic van Scissor Sisters in de slotaflevering.

De markt raakt oververzadigd. Intussen bereikt de weerzin tegen disco een nieuw hoogtepunt. Op 12 juli 1979 wordt er in het sportstadion Comiskey Park, waar het plaatselijke honkbalteam The Chicago White Sox ‘t opneemt tegen The Detroit Tigers, een heuse ‘Disco Demolition’ georganiseerd door de radiodeejay Steve Dahl. Gekleed in een militair uniform brengt hij discoplaten tot ontploffing. Een ludieke actie of toch een moderne variant de boekverbrandingen? De meningen verschillen.

Het mediaspektakel luidt in elk geval het begin van het einde in voor de lijfmuziek van de Amerikaanse LHBTIQ+-gemeenschap, die in dezelfde tijd ook wordt overvallen en gestigmatiseerd door de AIDS-epidemie. En die tragische crisis vormt tevens het ‘point of no return’ van deze gesmeerd lopende productie, die zeker in het nostalgiecircuit gretig aftrek zal vonden. Want daarna neemt disco vanuit datzelfde Chicago ongenadig wraak, onder een nieuwe noemer: house.

Truman & Tennessee: An Intimate Conversation

Dogwoof

De wegen van Tennessee Williams (1911-1983) en Truman Capote (1924-1984) bleven elkaar een leven lang kruisen. Zij behoorden tot de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van hun tijd en waren ook ruim veertig jaar bevriend met elkaar. De twee leerden elkaar kennen toen Truman zestien was. Tennessee liep toen al tegen de dertig. Binnen enkele jaren zouden ze allebei doorbreken met hun debuut: het toneelstuk The Glass Menagerie (Williams, 1944) en de roman Other Voices, Other Rooms (Capote, 1948).

In de navolgende jaren zouden ze uitgroeien tot chroniqueurs van hun tijd en wereld. Tennessee deed dat veelal met theaterstukken. Die werden vaak ook verfilmd, zoals A Streetcar Named Desire, Cat On A Hot Tin Roof en Baby Doll. En Truman Capote, een graag geziene societyfiguur, manifesteerde zich nadrukkelijk met de novelle Breakfast At Tiffany’s en leverde daarna een huiveringwekkende true crime-klassieker af, In Cold Blood, een boek waaraan hij volgens eigen zeggen bijna kapot ging. 

In het dubbelportret Truman & Tennessee: An Intimate Conversation (85 min.) laat regisseur Lisa Immordino Vreeland de twee auteurs zichzelf én elkaar kenschetsen. Zo had Williams volgens zijn vriend een onstuitbare drang om te schrijven, terwijl die zich weer verbaasde over Capotes oneindige zucht naar roem. De filmmaakster gebruikt voor zulke inkijkjes zowel interviews met de New Yorkse schrijvers als hun geschriften, die ze door de acteurs Jim Parsons (Capote) en Zachary Quinto (Williams) heeft laten inspreken.

Immordino Vreeland zet daarnaast fragmenten uit speelfilms, gebaseerd op hun boeken en theaterstukken, in om hun levenswandel en oeuvre te illustreren en maakt slim gebruik van de veelvuldige bezoekjes van de twee sterauteurs aan de talkshows van David Frost en Dick Cavett. Wat ze daar te berde brengen over bijvoorbeeld de liefde, bekendheid, drankzucht, kritiek en – natuurlijk! – het schrijven zelf snijdt ze slim tegen elkaar weg. Om de overeenkomsten en verschillen tussen hen te benadrukken.

De twee mannen, allebei min of meer openlijk homoseksueel in een tijd waarin dat bepaald nog geen vanzelfsprekendheid was, leren gaandeweg ook de keerzijde van hun faam kennen. Op uitbundige lof volgt soms keiharde kritiek. Van middelpunt van de belangstelling kun je ook zomaar de risee van een gezelschap worden. Deze zorgvuldig gemaakte film toont vervolgens ook de neergang van de twee ooit zo gevierde schrijvers en werkt zo toe naar het tamelijk roemloze einde dat hen allebei ten deel viel.

Call Me Country: Beyoncé & Nashville’s Renaissance

HBO Max

 ‘Om je radiopubliek te maximaliseren, mogen vrouwen niet meer dan de tomaten in een salade van mannelijke artiesten zijn’, liet radioconsultant Keith Hill zich in 2015 tijdens een uitzending ontvallen. ‘Nooit achter elkaar laten horen en nooit meer dan twintig procent van het totaal.’ ‘s Mans uitspraak werd een heuse kwestie in de countrywereld: Tomato-gate. ‘Plotseling was ik die vent die ervoor pleitte om vrouwen van de radio te halen’, zegt Hill in Call Me Country: Beyoncé & Nashville’s Renaissance (42 min.). Het was geen principiële kwestie voor hem. ‘Wij proberen gewoon ons brood te verdienen.’

En iedereen in de Amerikaanse countrybusiness weet: het echte geld zit bij witte mannen. Niet bij vrouwen. En al helemaal niet bij zwarte vrouwen. Enter Beyoncé, topzangeres, wereldster en, inderdaad, zwarte vrouw. Haar nieuwe album Cowboy Carter, gelanceerd tijdens de Super Bowl, mikt desondanks op die markt. Bewust. De Afro-Amerikaanse artieste wil een punt maken: de conservatieve countrymarkt moet maar eens ruimte maken voor zwarte en vrouwelijke sterren. Dat is tevens de boodschap van deze gelikte korte docu, waarin Beyoncé zelf overigens niet aan het woord komt.

Daarin wordt een lans gebroken voor zwarte countryartiesten, zoals Aaron Vance, Rissi Palmer, Rhiannon Giddens en Denitia (die ook nog queer is; getuige bijvoorbeeld de controverse rond de Lil Nas X-hit Old Town Road al helemaal een gotspe in het conservatieve zuiden van de Verenigde Staten). Zij schetsen de historie van zwarte countrymuzikanten (want die waren er altijd al), zingen en spelen een liedje en spreken zich uit over Beyoncé. Want die dwingt weliswaar aandacht af voor Afro-Amerikaanse artiesten in het countrywalhalla Nashville, maar soupeert tegelijkertijd zelf vrijwel alles op.

Intussen is de countrywereld wel degelijk aan het veranderen, betogen sprekers als podcasthost Touré, Rolling Stone-schrijver Larisha Paul en countrykenner Kyle Coroneos. Neem T.J. Osborne van Brothers Osborne. Toen hij uit de kast kwam, was daarover nauwelijks een wanklank te horen. Uitroepteken. En zo belandt deze praatje-plaatje film automatisch bij het optreden van Luke Combs en Tracy Chapman bij de uitreiking van de Grammy Awards in februari van dit jaar. De witte mannelijke countryster haalde toen zijn zwarte en gay collega het podium op, om samen haar signatuursong Fast Car te zingen.

Of het een hoopvol signaal is voor de afslag die Nashville gaat nemen, of toch een eenmalige oprisping van een wereld die nu eenmaal leeft van hypes, zal de tijd uitwijzen. Tomaten genoeg, zou je zeggen, om de salade mee te vullen of zelfs over te nemen.

Spacey Unmasked

Channel 4 / Videoland

Als tijdens de eerste #metoo-golf in het najaar van 2017 allerlei machtige mannen uit de entertainmentwereld worden beschuldigd van seksueel misbruik, stapt ook de acteur Anthony Rapp naar voren om te getuigen over grensoverschrijdend gedrag van Kevin Spacey. Die kiest direct de vlucht naar voren. Hij biedt omzichtig zijn excuses aan voor ‘ernstig ongepast dronken gedrag’ én komt uit de kast, waar hij z’n carrièrelang in is blijven zitten. ‘This story has encouraged me to address other things about my life’, schrijft de tweevoudige Oscarwinnaar. ‘I choose now to live as a gay man.’

Het lijkt een afleidingsmanoeuvre, die de befaamde Amerikaanse acteur op veel kritiek komt te staan, ook vanuit de LHBTIQ+-beweging. Spaceys eerste reactie wordt al snel gevolgd door andere bizarre acties én door andere mannen die hem beschuldigingen van ongewenste intimiteiten. Bij de start van de documentaire Spacey Unmasked (105 min.) heeft de acteur op dat gebied net een belangrijke aanval afgeslagen. In de zomer van 2023 wordt hij door de rechtbank in Londen vrijgesproken van seksueel misbruik van vier mannen in de periode van 2001 tot en met 2013.

In deze tweedelige film van Ben Steele komen echter opnieuw tien mannen aan het woord met beschuldigingen aan zijn adres. Zij waren niet betrokken bij de rechtszaak en doen nu bijna allemaal voor het eerst hun verhaal. Hun verklaringen beslaan in totaal vijf decennia: van Spaceys schooljaren en ‘s mans veelgeprezen rollen in de Hollywood-hits Seven, The Usual Suspects en American Beauty tot z’n periode als artistiek leider van het Londense theater The Old Vic en signatuurrol als de rücksichtslose politicus Frank Underwood in de serie House Of Cards (2013-2017).

Bij de opnames voor die serie was het regelmatig ‘dansen met de Duivel’, aldus Daniel, die vier jaar lang een bijrol had als lid van Underwoods beveiligingsteam. Net als veel lotgenoten liet hij zich Spaceys toenaderingspogingen eerst welgevallen, in de hoop dat die hem nieuwe kansen in zijn carrière zouden bieden. Toen duidelijk werd waar de gevierde acteur werkelijk op uit was, bleek het vaak al te laat. Kevin Spacey opereerde volgens zijn slachtoffers koud, emotieloos, boos zelfs. Alsof hij zelf, ondanks die onbedwingbare seksdrive, ook geen raad wist met zijn geaardheid.

Die dubbelheid zit ook in de manier waarop de mannen hem omschrijven. De één vergelijkt hem met de slang Kaa uit Jungle Boek, een ander omschrijft hem juist als ‘iemand die om hulp schreeuwt’. Uit hun herinneringen – die lijken op zo’n beetje alle andere #metoo-verhalen, al gaat het ditmaal om een man die andere mannen zou hebben overweldigd – spreekt ook een opvallende achteloosheid. Het roofdier besluipt zijn prooien op een feestje, tussen twee scènes door of gewoon en plein public en heeft ze vaak al te pakken genomen voor ze ‘t goed en wel doorhebben.

Spacey Unmaskeds voornaamste troef is echter zijn oudere broer Randy, die een ontluisterend beeld schetst van het gezin waaruit de steracteur stamt. Hun vader was een Holocaust-ontkenner en kon, natuurlijk, ook zijn handen niet thuishouden. Het zou niet meer dan logisch zijn als Kevin Spacey, toen overigens nog Kevin Fowler genaamd, beschadigd uit die omgeving is gekomen – al geeft hem dat natuurlijk zeker niet het recht om over andermans grenzen heen te gaan. Zelf ontkent hij overigens alle aantijgingen, via een officieel statement aan het eind van de beide afleveringen.

Sommige anekdotes zijn echter zo bizar en onsmakelijk – Spacey die in de bioscoop spontaan begint te masturberen bij de gruwelijke openingsscène van de oorlogsfilm Saving Private Ryan bijvoorbeeld – dat het nauwelijks is voor te stellen dat iemand die uit z’n duim heeft gezogen. Ook in dit geval geldt echter: ‘truth’ zou natuurlijk vreemder kunnen zijn dan ‘fiction’.