Anselm

Cherry Pickers

Hij is nog nét een oorlogskind. Op 8 maart 1945 had Anselm Kiefers vaderland Duitsland zich nog altijd niet officieel gewonnen gegeven. Met zijn werk zou de kunstenaar later rücksichtslos in het Duitse verleden peuren. In een land waar het liefst werd gezwegen over de Tweede Wereldoorlog kwam hem dat op zowel lof als kritiek te staan.

Voor de fotoreeks Besetzungen (1969) maakte Anselm Kiefer in landen die ooit waren bezet door de nazi’s bijvoorbeeld naargeestige zelfportretten, waarvoor hij op allerlei plekken in het Wehrmacht-uniform van zijn vader de Hitlergroet bracht. ‘Ik deed wat ik dacht wat toentertijd absoluut nodig was’, vertelde hij er later over. Het zwijgen moest volgens Kiefer worden doorbroken. ‘Ik weet ook niet wie of wat ik was geweest in 1930 of 1939. Ik weet ook niet wat ik zou hebben gedaan. Veel intellectuelen vinden echter dat ik zulke vragen niet moet stellen.’

Regisseur Wim Wenders neemt in het immersieve portret Anselm (93 min.), gefilmd in 3D, de tijd voordat hij deze omstreden episode uit Kiefers loopbaan en oeuvre aanroert. Eerst introduceert hij diens monumentale atelier van ruim 81 hectare in Croissy-Beaubourg, nabij Parijs. Een gigantische ruimte waar de kunstenaar in eerste instantie niet meer dan een nietige figuur te midden van zijn eigen kolossale kunstwerken lijkt. Hij rijdt er fluitend langs op zijn bakfiets, alsof hij is verdwaald in een autonoom opererend magazijn dat zich allang heeft losgemaakt van een dubieuze multinational. 

Daar wordt een geheel eigen wereld opgeroepen, die Wenders nog eens extra kleur geeft met gefluisterde gedachtespinsels van zijn hoofdpersoon en barokke klassieke muziek. Later toont hij de schilder en beeldhouwer aan het werk. Kiefer werkt op zulke enorme schaal dat er soms ook een hoogwerker of vorkheftruck aan te pas moet komen. Samen met een assistent speelt hij tevens een spel met vuur en water. Anselm Kiefer zorgt voor vlammen, zijn medewerker blust die weer. Zo kleuren ze een gigantisch kunstwerk verder in en scheppen een wereld die is getekend door het vuur.

Interviews blijven intussen vrijwel volledig achterwege. Wim Wenders vertelt liever met beeld. Hij roept Kiefers jeugd op met een fraaie animatiescène, zijn latere leven krijgt gestalte met sfeervolle impressies van zijn werk en inzichtelijke televisiereportages. Wenders heeft bovendien enkele sleutelmomenten uit Anselm Kiefers leven gereconstrueerd. Zijn neefje Anton Wenders speelt hem als kind, terwijl Kiefers eigen zoon Daniel de kunstenaar op latere leeftijd vertolkt. (Net) als zijn vader maakt hij bijna halverwege de film, op het één of andere schuldige landschap, de omstreden groet.

Anselm heeft zich dan allang gepositioneerd als een imposante, eigenzinnige en bespiegelende film over één van de grootste (na)oorlogse kunstenaars, die zich stelselmatig verzet tegen ‘the unbearable lightness of being’.

Rock Hudson: All That Heaven Allowed

HBO

Laten we zeggen dat er een Rock Hudson was – en een Roy Fitzgerald. Hudson was ‘the most wanted man in America’, de Adonis van de jaren vijftig en zestig. De ideale protagonist voor elke Hollywood-film: charmant, toegankelijk en verduiveld knap. Elke vrouw werd verliefd op hem en elke man wilde op hem lijken. En daarnaast was er dus Fitzgerald, kind van gescheiden ouders, net uit de marine én homoseksueel. ‘Een seksuele gladiator,’ aldus de schrijver Armistead Maupin, die nog een omstreden rol in zijn leven zou spelen.

Dat Rock Hudson (1925-1985) in werkelijkheid Roy Fitzgerald was, was een publiek geheim in Tinseltown. Hij had niet voor niets onderdak gevonden bij Henry Willson, een Hollywood-agent die jonge, stoere jongens verzamelde – niet alleen voor professionele doeleinden. Willson zorgde ervoor dat de bladen over romances van Hudson met allerlei dames schreven en regelde uiteindelijk zelfs een echtgenote voor hem: zijn eigen secretaresse Phyllis Gates. Zo kon de Amerikaanse acteur zich voor het grote publiek in zijn kast blijven verschuilen. En dat is natuurlijk ook het centrale thema van Rock Hudson: All That Heaven Allowed (104 min.), een aangrijpende documentaire van Stephen Kijak.

Homoseksualiteit kreeg soms overigens wel degelijk een plek in Rock Hudsons films: als een truc om alsnog de ‘love interest’ van de desbetreffende rolprent, Doris Day bijvoorbeeld, voor zich te winnen. Het was een slinkse streek: de stiekeme gay moest een macho spelen die homoseksualiteit voorwendde om een vrouw te scoren. Met die wetenschap zijn sommige scènes buitengewoon ongemakkelijk om te bekijken. Kijak maakt daarvan slim gebruik. Hij recyclet allerlei fragmenten uit Hudsons filmografie en geeft die een rol in zijn visie op diens leven, dat op tragische wijze ten einde komt: Hudson wordt de eerste beroemdheid die en public public bezwijkt aan ‘the gay plague’, AIDS.

Thematisch sluit deze film aan bij de klassieke documentaire over homoseksualiteit in Amerikaanse speelfilms, The Celluloid Closet (1995), en het meer recente Scotty And The Secret History Of Hollywood (2018). Deze films tonen een entertainmentwereld, waarin alleen de buitenkant telt. Ook voor heren. Zij waren gehouden aan een eendimensionaal beeld van de man als koene ridder, eenzame held of geraffineerde ladiesman en moesten dat imago permanent beschermen. Als een tabloid lucht kreeg van het verborgen leven van een beroemdheid, kwamen er onvermijdelijk suggestieve verhalen. Ook Hudson leefde continu met de angst dat hij zou worden ontmaskerd.

Veelal buiten beeld schetsen vrienden, collega’s en ex-geliefden, met soms wel erg plastische herinneringen aan de Rock, in deze film een levendig beeld van de steracteur, zijn imago en de identiteit die daarachter schuilging. Buitengewoon aangrijpend is het relaas van actrice Linda Evans. In de serie Dynasty had zij een zoenscène met de acteur, die destijds nog geheim hield dat hij AIDS had. Toen bekend werd dat hij ziek was, werd ook zij gemeden. ‘Waar is je menselijkheid?’ vroeg ze zich af. ‘Waar is je compassie? En wat is er toch aan de hand met deze wereld?’ Evans ervoer, kort en relatief oppervlakkig, de attitude die haar tegenspeler vreesde.

En Rock Hudson zelf – of moeten we toch Roy Fitzgerald zeggen? – werd vervolgens in harteloze roddelbladen gereduceerd tot ‘the hunk who lived a lie’. Daarmee is hij tevens een symbool geworden, laat Stephen Kijak treffend zien in deze alternatieve Hollywood-film. Van een minderheidsgroep, samenleving en tijd – en tegelijk van iedereen die niet zichzelf kan zijn, elk land waar geen werkelijke vrijheid bestaat en zogezegd dus van alle tijden.

Can You Feel It – How Dance Music Conquered The World

Clockwork Orange, Camden, London, 1995 / Clubbers Some thin-Else

Eerst is er de beat. Daarna volgen de clubs. En die geven deejays een platform om supersterren te worden. Dat is dan ook meteen de opzet van Can You Feel It – How Dance Music Conquered The World (178 min.)  een driedelige serie van Nico Wasserman en James Giles waarin verteller Rosalind Eleazar voorgaat door de historie van dancemuziek.

En die begint, in elk geval in deze versie van de gebeurtenissen, bij de Amerikaanse drummer Earl Young die in 1973 een discobeat introduceert in de single The Love I Lost van Harold Melvin & The Blue Notes. Zijn groove slaat aan en zorgt voor een nieuwe, uiterst dansbare muziekstroming die volgens menige oude rocker gigantisch ‘sucks’. Disco dus. Niet veel later zijn begrippen als ‘four to the floor’, remix en 12 inch (of maxi-single) volledig ingeburgerd. In Chicago ontstaat in de jaren tachtig vervolgens een eerste versie van housemuziek, terwijl Detroit zich min of meer tegelijkertijd opwerpt als onvervalste technostad. Deze nieuwe dansmuziek heeft alleen een gigantische U-bocht via Groot-Brittannië nodig, om echt de oversteek naar het grote publiek te maken.

Daarmee legt deze serie, met de muzikale pioniers die ertoe deden en doen, een gedegen fundament voor het volgende hoofdstuk. Over de plekken waar die nieuwe muziek en de bijbehorende cultuur een thuis zullen vinden: clubs en festivals. Ook daarvoor grijpen Wasserman en Giles een halve eeuw terug. Naar de feesten die deejay Dave Mancuso aan het begin van de seventies in New York begint te organiseren onder de noemer The Loft. Van daaruit is het dan weer een logische stap naar Studio 54, waar iedereen die gezien wil worden zich op de dansvloer meldt. Waarna Eleazar natuurlijk aanbeland in de raves van Manchesters Hacienda, uitgebreid verpoost op het ultieme pleziereiland Ibiza en uiteindelijk strandt in Las Vegas. Want daar eindigt uiteindelijk alles en iedereen.

Intussen valt bij herhaling de term ‘hedonisme’. Die vlag dekt blijkbaar de lading. Ook als dit straffe drieluik, waaraan allerlei kopstukken en insiders hun medewerking hebben verleend, aanbelandt bij de supersterren: deejays zoals Paul Oakenfold, Norman ‘Fatboy Slim’ Cook, Paul van Dyk, David Guetta en Steve Aoki die een mensenmenigte naar hun pijpen kunnen laten dansen met trance, EDM of dance-muziek voor mensen die daar eigenlijk niet van houden. De Nederlander Tijs Verwest, alias Tiësto, is in 2003 de eerste deejay die een stadionconcert geeft. Dat succes levert niet alleen geluk op, vertelt hij. De Bredanaar voelt zich regelmatig eenzaam en gedeprimeerd en merkt dat een automatische piloot zijn ooit zo geïnspireerde draaiwerk dreigt over te nemen.

Tiësto zal zichzelf helemaal hervinden en op zijn eigen voorwaarden onderdeel blijven van een wereld die steeds bigger business wordt – en daardoor zo nu en dan weer op zoek moet naar zijn ziel: de beat. En die gaat, in goed Nederland, on and on and on.

Paul Blanca, Deze Film Redt Je Leven

Doxy

Zijn carrière begint eind jaren tachtig met een baksteen en een ingeslagen ruit. Die levert hem tijdens de krakersrellen in Amsterdam drie camera’s op. Met één exemplaar, zo wil de overlevering, betaalt Paul Blanca (1958-2021) de taxi waarmee hij zich uit de voeten maakt. Nummer twee gebruikt hij om een schuld, waarschijnlijk vanwege drugs, af te betalen. En met de derde maakt hij de foto’s die uiteindelijk hun weg zullen vinden naar een hele succesvolle tentoonstelling.

Galeriehouder Gabriel Rolt dist het verhaal in Paul Blanca, Deze Film Redt Je Leven (84 min.) smakelijk op aan kunstverzamelaar Roderic Evans-Knaup. In dit intrigerende, geheel in zwart-wit uitgevoerde portret, dat bijna uit zijn voegen barst van de smeuïge anekdotes, probeert Ramón Gieling vat te krijgen op de Nederlandse kunstenaar en zijn provocerende werk. Hij heeft daarvoor ook meerdere ontmoetingen tussen mensen uit Blanca’s tumultueuze leven gearrangeerd.

‘Het was eigenlijk een wandelende atoombom, met duizend procent talent’, concludeert de onlangs overleden fotograaf Erwin Olaf daarbij. Tatoeëerder Louise Schiffmacher snapt Blanca wel, zegt ze tegen haar man Henk. Hij werd als kind immers verlaten door zijn vader. ‘Dan begrijp ik wel dat je langzaam zin krijgt om jezelf pijn te doen.’ Choreograaf Hans van Manen verbaast zich er dan weer over hoever de fotograaf ging als hij een zelfportret maakte. ‘Hij naait zomaar zijn lippen dicht.’

En dan is er dat verhaal over die huilende vrouw. ‘Ik weet niet honderd procent zeker of het zo klopt’, begint Roderic Evans-Knaup. Nadat Blanca met haar had geslapen en drugs ging halen, wilde hij niet dat ze wegging. Daarom sloot hij haar op in de kast. Eenmaal buiten werd Blanca gearresteerd. Hij zat twee dagen in de cel. ‘Toen ie terugkwam, heeft ie haar eruit gelaten en op dat moment die foto van haar gemaakt.’ Beeldschone foto, vindt zijn gesprekspartner Rolt. ‘Maar zo’n verschrikkelijk verhaal.’

Zulke anekdotes worden in deze film vergezeld door Blanca’s Spartaanse zwart-wit beelden. Die leggen regelmatig een zieke performance bloot of verraden doelgericht geweld. Van een man, die is gevormd in een grimmige tijd en flirt met gevaar. De foto van een hand die een revolver richt op een vagina bijvoorbeeld. Een zelfportret met een levende rat in de mond. En ‘s mans rug, waarin met een scheermes Mickey Mouse is gekerfd. Het zijn onrustbarende beelden die zich in de ziel klieven.

Ramón Gieling geeft ze kleur met fraaie, onheilszwangere muziek en heeft daarnaast allerlei mensen bij zijn hoofdpersoon langs gestuurd. Meestal is de man niet thuis, een enkele keer wel. En op één van die momenten slaat de filmmaker zelf toe. Of hij heeft gekoketteerd met de ondergang? vraagt Gieling hem. Is hij beïnvloed door zijn befaamde collega Robert Mapplethorpe? Zijn z’n zelfportretten reflecties van zijn mentale conditie? En, de vraag der vragen: moet een kunstenaar lijden?

Tot slot is er dan nog het verhaal waardoor Paul Blanca persona non grata in zijn eigen wereld is geworden: de bomaanslag waarbij collega-kunstenaar Rob Scholte in 1994 z’n benen kwijtraakt. Die wijst hem naderhand aan als dader. ‘It all matched up’, meent Scholte. ‘And I cannot get this story out of my head.’ Paul Blanca, na jaren aan de zelfkant inmiddels in broze gezondheid, vindt die beschuldiging verschrikkelijk. ‘Het leek wel of míjn benen eraf waren’, zegt hij provocerend.

Het is de treffende slotsom van een onontkoombare film over een man die volgens collega-fotograaf Milan Gies een eenheid vormde met zijn eigen kunst. ‘Hij is wat hij altijd gemaakt heeft en dat is ook waarom hij zo goed is.’

And The King Said, What A Fantastic Machine

September Film

Dit overrompelende filmessay van Axel Danielson en Maximilien van Aertryck ontleent zijn naam aan een treffende anekdote over de Britse koning Edward VII: And The King Said, What A Fantastic Machine (88 min.). Edward liet in 1901 zijn kroning vereeuwigen door de vermaarde cineast George Méliés (1861-1938). Deze registratie, in werkelijkheid opgenomen in een studio met Franse acteurs en figuranten, ging nog dezelfde dag in première in Engeland. De vorst was dolenthousiast over de gebruikte camera: ‘Die is zelfs in staat om delen van de ceremonie vast te leggen die nooit hebben plaatsgevonden.’

Inmiddels zijn we ruim 120 jaar verder en is diezelfde ‘machine’ met geen mogelijkheid meer weg te denken uit ons leven. Eerst leverde die zijn geheel eigen weerspiegeling van de werkelijkheid in de bioscoop, daarna ook thuis op televisie en sinds het begin van de 21e eeuw en de opkomst van het internet en sociale media letterlijk overal. Er valt nauwelijks meer te ontkomen aan wat de camera, en de beelden die deze produceert, teweeg brengt. De lens als pak ‘m beet lakei, waarheidszoeker, meesterverkoper, gluurder, grote gelijkmaker en bedrieger – en wij als zijn slaaf, vastgeketend aan een televisie, beeldscherm of smartphone.

Danielson en Van Aertryck gaan eerst terug naar de uitvinding van de fotografie en film, belichten daarna hoe die in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog een geducht wapen voor propagandisten werd – filmmaakster Leni Riefenstahl kijkt op latere leeftijd nog altijd verlekkerd naar de majestueuze beelden die ze ooit van Hitlers Derde Rijk liet maken – en laten vervolgens zien hoe audiovisuele media tevens een essentiële rol speelden bij het erkennen van de navolgende genocide. Cameramensen kregen de opdracht om de gruwelen van de vernietigingskampen zo expliciet mogelijk vast te leggen. Zodat ontkennen onmogelijk zou zijn.

Met onthullende, grappige en schokkende fragmenten uit alle hoeken en gaten van de beeldgeschiedenis zwieren de Zweedse filmmakers vervolgens via thema’s als perspectief, framing en image naar het heden, waarin elke aardbewoner dagelijks een beeldenbombardement moet zien te overleven. En dan helpt het als je visueel geletterd bent. Want die camera beïnvloedt alles, betogen Danielson en Van Aertryck. Óók – of júist – hoe we naar onszelf kijken. Dit wordt treffend aangetoond met een fragment van enkele Papoea-mannen die voor het eerst een foto van zichzelf onder ogen krijgen. Eerst begrijpen ze niet wat ze zien, daarna blijven ze maar naar zichzelf turen.

And The King Said, What A Fantastic Machine is echter zeker niet alleen een Adam Curtis-achtige geschiedenisles, maar werkt tevens als ongenadige spiegel van deze tijd. Een influencer haalt bijvoorbeeld halsbrekende capriolen uit om gefotografeerd te worden op een wolkenkrabber. De grote emoties die loskomen door de trailer van een nieuwe Star Wars-film. Een chimpansee die ontspannen langs foto’s van zichzelf scrollt op een smartphone. De live-stream van een gamer die viral gaat als hij in slaap sukkelt. En, natuurlijk de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, die waarschijnlijk ondenkbaar was geweest zonder mobieltjes, selfies en social media-accounts.

Het is de naargeestige climax van een verpletterende film, die je hele generaties, van jong tot oud, als een verplicht college mediawijsheid in de maag zou willen splitsen. Zodat eenieder zich staande kan houden in een wereld, die wordt gedomineerd door camera’s.

Bertolf In Bluegrass

NTR

De liedjes waarop hij zijn vingers blauw heeft gespeeld. Vereeuwigd met de bluegrass-muzikanten die hem rode oortjes hebben bezorgd. Op de plek van zijn dromen: countryhoofdstad Nashville, Tennessee. Bluefinger, het nieuwe album van de Nederlandse singer-songwriter Bertolf Lentink, waarmee hij tevens zijn vader en grote inspirator Dick eer wil bewijzen, heeft nogal wat voeten in de aarde. Dan zijn echter alle elementen aanwezig om een bescheiden klassieker af te leveren.

Even voor de duidelijkheid: bluegrasss heeft volgens Bertolf niets van doen met cowboyhoeden en –laarzen, linedancen of – God betere ‘t – ‘Yee-haw’ roepen. Het is muziek om thuis te komen. Letterlijk: na een optreden. En figuurlijk: het is de muziek waarmee hij is opgegroeid. Bertolf constateert ’t bij de ouderlijke woning van bluegrass-pionier Bill Monroe in Kentucky. Die schreef er een lied over: On My Way Back To The Old Home. De tekst ervan is uitgeschreven op een groot bord en noopt de Nederlander om het lied in de docu Bertolf In Bluegrass (64 min.) van Marcel de Vré hardop te zingen.

In het land van zijn muzikale dromen oogt Bertolf sowieso als een kind in de snoepwinkel. Hij brengt een verplicht bezoekje aan een muziekzaak (waar hij even mag fiedelen op een akoestische gitaar van 65.000 dollar), neemt in een kroeg deel aan een jamsessie en belandt uiteindelijk bij de Jack Clement Recording Studio voor de ontmoeting met enkele grote muzikale helden. ‘Natuurlijk is ‘t voor hen ergens gewoon een klusje’, dekt hij zichzelf de dag van tevoren in. ‘Zo eerlijk moet je zijn.’ Dan denkt hij even na en lacht. ‘Óf ze zeggen: Bertolf, this is amazing! You should come and live in Nashville. We should form a band.’

Bertolfs ambitie lijkt op voorhand alleen nauwelijks te realiseren: vijftien liedjes in drie dagen. Eenmaal aan de slag met door de wol geverfde cracks zoals Jerry Douglas (dobro), Stuart Duncan (viool), Mark Schatz (contrabas), David Benedict (mandoline), Wes Corbett (banjo) en producer/opnametechnicus Dave Sinko laat hij echter alle schroom varen. Dan wordt die Zwolse jongen, vergezeld door zijn vrouw en moreel ondersteund door collega Ilse de Lange, gewoon muzikant onder muzikanten. En De Vré kijkt, ongetwijfeld verlekkerd, vanachter zijn camera mee en maakt er een fijne liefdesverklaring aan de bluegrass van.

Bertolf droomt intussen alweer verder: een klein toertje door de Verenigde Staten, dat zou ook wel wat zijn…

Een Meteoriet Op Walcheren

Haak & Visser

Nadat hun limonadefabriek failliet was gegaan, kon z’n gezin nauwelijks het hoofd boven water houden. Toch begon Ad van ’t Veer eind jaren zestig onvervaard aan wat zijn levenswerk zou worden: het festival Nieuwe Muziek Zeeland. Grootheden van de moderne muziek zoals John Cage, Morton Feldman en Iannis Xenakis waren in de navolgende decennia te gast in Middelburg. Niet iedereen begreep zulke experimentele ‘piep-knor muziek’ overigens. Volgens criticasters kon je er ‘zenuwziek’ van worden.

Componist Daan Manneke vergelijkt Van ’t Veers geesteskind met Een Meteoriet Op Walcheren (95 min.). De Zeeuwse aarde schudde er even van. Trombonist Bernard Hunnekink kan zich nu wel voorstellen, vertelt hij in deze documentaire van Fifi Visser en André van der Hout, dat de gewone Zeeuw soms zijn wenkbrauwen fronste bij de kakofonie en wanorde die hij door Ad van ‘t Veer kreeg voorgeschoteld. ‘Achteraf realiseer ik me dat het ook echt een functie heeft gehad. Dat je de boel openbreekt.’

Met direct betrokkenen kenschetsen Visser en Van ’t Hout de Zeeuwse ‘evangelist van de moderne muziek’ en zijn missie, waarin ook ruimte was voor beeldende kunst en fotografie. Ad van ‘t Veer liet zich door niets of niemand van de wijs brengen. En hij haalde ook gewoon zijn schouders op als een concert eens nauwelijks bezoekers trok. ‘Daar gaf ie totaal niet om’, vertelt zijn vrouw Trude, nog altijd trots op de geestdrift van haar in 2021 overleden echtgenoot. ‘Als het maar gebeurde. Het moest gebeuren!’

Met fraai archiefmateriaal, dat ook echt de ruimte krijgt om te ademen, roept Een Meteoriet Op Walcheren de tijdgeest en Ad van ‘t Veers filosofie op. Dat begint al direct met de fraaie openingsscène, waarin de kat van Misha Mengelberg lopend over een piano een compositie maakt. Even later speelt zijn baasje een schaakwedstrijd met John Cage, die zich ook muzikaal door hem laat uitdagen. Het tekent de toegankelijke setting in Zeeland, waar alle ruimte is voor interactie tussen musici en de wisselwerking met hun publiek.

Te midden van deze verhalen uit het verleden portretteren Fifi Visser en André van der Hout de jonge Zeeuwse componiste Celia Swart. Zij werkt aan de nieuwe compositie Drawing Waves, die uiteindelijk ten overstaan van ook enkele ouwe getrouwen wordt uitgevoerd. Van tevoren is ook Swart via meerdere spiegels gefotografeerd door William Verstraeten. Zoals hij dat in het verleden tevens deed met Mengelberg en Xenakis. De boodschap is duidelijk: wat toen in gang is gezet, heeft wortel geschoten en wordt voortgezet.

En daarmee wordt deze film, die liefdevol een onvermoed Zeeuws verleden oproept, meteen netjes rond gemaakt – en doet Misha Mengelbergs kat rustig een dutje op de piano.

Big Fun In The Big Town

VPRO

Het is een kwaliteit: als maker weten, aanvoelen, wanneer je waar moet zijn. In de herfst van 1986 togen presentator Marcel Vanthilt, regisseur Bram van Splunteren, cameraman Deen van der Zaken en geluidstechnicus Bert van den Dungen naar New York om daar de opkomst van hiphop op te tekenen. De tv-docu Big Fun In The Big Town (40 min.) geldt inmiddels als een echte klassieker.

Nu hiphop een halve eeuw oud is en allang doorgedrongen tot de mainstream, krijgen die beginjaren alleen maar meer glans. Ook doordat de helden van toen nog zeer benaderbaar waren. Vanthilt belt bijvoorbeeld gewoon aan bij een huis in Queens. ‘Woont LL Cool J hier?’ vraagt hij aan de oudere vrouw die de deur opent. ‘Inderdaad’, antwoordt de grootmoeder van de dan achttienjarige rapper. Ze zijn van harte welkom. In de kleine woonkamer hangt een gouden plaat aan de muur.

LL blijkt gewoon een jongen die populair wil zijn bij de meisjes en daarom maar over de liefde rapt. Even daarvoor heeft een andere hiphop-grootheid, Darryl ‘DMC’ McDaniels van Run-DMC, al zijn nieuwe Cadillac laten zien en op straat gerapt over ‘My Adidas’. Zoals Grandmaster Flash, die met The Furious Five één van hiphops allereerste wereldhits (The Message) had, dan al een stoomcursus scratchen heeft gegeven en Doug E. Fresh mocht laten zien wat human beatboxen inhoudt.

Dit hiphop-document beschikt over nog meer uitgesproken troeven: platenbaas Russell Simmons van Def Jam Records, gangstarapper Schoolly D en wijlen Suliaman El Hadi, één van The Last Poets, een groep Afro-Amerikaanse dichters die vanaf eind jaren zestig politiek geladen spoken word-performances gaf en zo mede het fundament legde voor wat uiteindelijk hiphop zou worden. En op een feest is ook nog een jeugdige versie van de invloedrijke vrouwelijke rapper Roxanne Shante te ontwaren.

De hiphop van toen speelde zich vooral op straat in de grote steden af, waar groepen (zwarte) jongeren rondhingen en de drug crack zijn verwoestende entree begon te maken. Die wereld kreeg zijn weerslag in geheel eigen muziek, taal en stijl en werd treffend vereeuwigd door een groepje muziekpioniers uit Nederland en België. In eigen land zouden ze zo ook een hele generatie jongeren in aanraking brengen met hiphop. En die begonnen dan weer hun eigen stroming: nederhop.

AC/DC: Forever Young

Arte

Ooit waren er drie broers. George, Malcolm en Angus. In die volgorde – al was het in de ogen van de wereld precies andersom: Angus Young, de absolute blikvanger van de Australische hardrockband AC/DC. Een gitaarheld, vermomd als eeuwige schooljongen. Zijn grote broer Malcolm Young, de bandleider die voor buitenstaanders op een willekeurige slaggitarist leek. En George Young, hun oudste broer die zelf naam had gemaakt met The Easybeats, vervolgens de Youngsters wegwijs maakte in de muziekwereld en samen met zijn bandmaatje Harry Vanda meteen ook hun eerste platen produceerde.

Samen schreven ze muziekgeschiedenis. Ook doordat ze de flamboyante zanger Bon Scott op de kop wisten te tikken, een ongegeneerd rockbeest dat de krachtige stampers van de gebroeders Young lekker uit de bocht liet vliegen. Totdat hij zichzelf op 19 februari 1980 definitief verslikte in zijn eigen drankzucht. Tegen die tijd had de AC/DC-machine echter allang de Highway To Hell bereikt en kon zijn opvolger Brian Johnson simpelweg aanhaken. Met hem zouden Malcolm en Angus enkele maanden later hun grootste succes boeken, het album Back In Black. Waarna ze de band vier decennia lang met het nodige kunst- en vliegwerk op koers wisten te houden.

De degelijke tv-docu AC/DC: Forever Young (53 min.) van Marie-Claire Javoy en Dominique Mesmin richt zich vooral op de beginjaren van de ogenschijnlijk onverwoestbare groep. De Young-broers komen daarbij niet aan het woord – al is Angus wel te horen in enkele archiefinterviews. De smakelijke anekdotes en inkijkjes, waarmee AC/DC’s nog altijd bijzonder opwindende concertbeelden zijn omkleed, komen van mensen uit de periferie van de band: eerste bassist Mark Evans, oud-drummer Chris Slade, studiomuzikant Tony Currenti, geluidstechnicus Mark Opitz, voormalig manager Michael Browning, fotograaf Philip Morris en biograaf Murray Engleheart.

Intussen is er nog maar één broer over. In oktober 2017 stierf de grote inspirator van AC/DC, George Young. Een kleine maand later overleed ook bandleider Malcolm, nadat hij zijn mannen al in 2014 had moeten achterlaten vanwege gezondheidsproblemen. Alleen Angus is over, ‘the last Young-man standing’. Alhoewel, tegenwoordig zit er ook een neefje in de groep: Stevie.

Kane – A Story Recorded

Videoland

Over de Canadese stadionrockband Nickelback is onlangs de documentaire Hate To Love: Nickelback uitgebracht. Vrijwel tegelijkertijd verschijnt Kane – A Story Recorded (203 min.), een vierdelige docuserie over de Nederlandse rockgroep die, behalve een trouwe achterban, eveneens een aanzienlijke hoeveel haters had. En vanzelfsprekend is er ook al een reünie aangekondigd van Kane, de groep die er in 2014, dik een generatie rockfans geleden, de brui aangaf.

Regisseur Youri Kant heeft voor deze serie de beschikking gekregen over zo’n honderd uur videomateriaal dat door de bandleden zelf is gemaakt. Daarmee kunnen de ruim vijftien jaar die Kane aan de Nederlandse muziektop stond van binnenuit in beeld worden gebracht. En de twee centrale figuren van de band, zanger Dinand Woesthoff en gitarist Dennis van Leeuwen, zorgen samen met allerlei insiders en outsiders voor de bijbehorende herinneringen en anekdotes.

Ze gaan ook de lastige momenten niet uit de weg, zoals toen eerste drummer Cyril Directie – en er zouden nog heel wat drummers en bassisten volgen, tot verbazing en vermaak van de buitenwereld – uit de band werd gebonjourd. ‘Ik denk dat dat toen de vibe was: we take no prisoners en we gaan gewoon rechtdoor’, vertelt Woesthoff daarover, die aan zulke, in de pers breed uitgemeten conflicten het imago van grenzeloos ambitieuze egotripper overhield.

Ook de wild om zich grijpende Kane-haat komt aan de orde. Nieuwe Revu-journalist Leon Verdonschot vertelt bijvoorbeeld hoe hij zich destijds bezondigde aan ‘schrijftafelmoord’. Hij schreef een portret van Dinand, waarvan de uitkomst van tevoren al vaststond: ‘het slachtoffer moest hangen’. De Nieuwe Revu met Verdonschots coververhaal – vergezeld door de schreeuwerige tekst ‘Kane gaat over lijken’ – lag nét in de winkel toen bekend werd dat een ex-vriendin van Dinand was overleden.

‘Dat was gewoon absoluut onder de fucking gordel van de gordels’, reageert Woesthoff. ‘Het was journalistieke moraal van shit.’ Verdonschot is schuldbewust. Hij noemt het ‘een dieptepunt in mijn professionele leven’. Het voorval is tevens exemplarisch voor hoe de serieuze popjournalistiek destijds reageerde op een band die er bijna on-Nederlands grote ambities op nahield – en ook de bijbehorende neogrunge-muziek maakte, met grote gebaren mikkend op een massaal publiek – en die nog waarmaakte ook.

Het persoonlijk leven van met name Dinand Woesthoff voerde hem eveneens over hoge toppen en door diepe dalen. Slechts enkele maanden na de geboorte van hun zoontje Dean ontdekte zijn vriendin Guusje Nederhorst, zelf een Bekende Nederlander vanwege haar rol als Roos in de tv-soap Goede Tijden, Slechte Tijden, een knobbeltje in haar borst. Binnen enkele dagen werd duidelijk dat ze niet lang meer had te leven. Ze probeerden dit buiten de media te houden.

Deze herinneringen worden begeleid door beladen beelden van hoe het stel, begeleid door allerlei bekende vrienden, naar Las Vegas vertrekt om daar in het huwelijk te treden. En worden vervolgens tamelijk bruusk afgebroken door Kant om te focussen op de pogingen van de band om in het buitenland door te breken. ‘Een obsessie’, aldus Dennis van Leeuwen. Dat tekent Kane: wat er ook gebeurt, de machine dendert door, op weg naar een zelfgekozen stip op de horizon (ook al leidt dat tot een pijnlijke Koefnoen-parodie). En het tekent deze serie, die het persoonlijke en zakelijke voortdurend verbindt.

Zo wordt het fenomeen Kane – en het tweemanschap daarachter: de dynamo Woesthoff, die zich door niemand iets laat vertellen, en ‘Kofi Annan’ Van Leeuwen – heel behoorlijk in beeld gebracht. De serie geeft tevens een aardig tijdsbeeld, van een periode waarin TMF en 3FM (‘Kane FM’, aldus deejay Giel Beelen) nog samen artiesten konden maken – al zou de Haagse groep nooit een internationale doorbraak vergund zijn zoals die andere band you love to hate, Nickelback.

Op 27 december 2014 valt het doek voor Kane. Nadat Dinand meerdere ‘sabbaticals’ heeft genomen, gooit Dennis per mail de handdoek in de ring. En ze/we leefden nog lang en gelukkig. Althans: tot nu. Want er komen dus weer ‘gigs’ aan. Het slot van Kane – A Story Recorded neemt daar alvast een voorschot op. En daarmee wordt de serie toch enigszins gereduceerd tot een promoproduct voor Kane 2.0.

Russell Brand: In Plain Sight

Channel 4

Net als bij Marilyn Manson, die consequent seks en geweld vervlecht in zijn metalmuziek, heeft Russell Brand zijn perverse ideeën nooit hoeven te verschuilen. Ze waren alomtegenwoordig in zijn publieke optredens en comedy shows. Over zijn favoriete pijpbeurten bijvoorbeeld, waarbij de mascara van de vrouw uitloopt. Spugen tijdens de seks. Of zijn naakte assistente die hij belooft aan Jimmy Savile, sindsdien ontmaskerd als een seriemisbruiker. Alleen had niemand door – of wilde niemand er écht aan – dat in Brands grappen een verdorven kern van waarheid zat.

Niet verhuld dus – zoals bij Bill Cosby die zich, met de blik van nu, allerlei dubbelzinnige opmerkingen permitteerde als ‘vrouwenarts’ in The Cosby Show – maar gewoon open en bloot. Als onderdeel van zijn act als zelfverklaarde seksverslaafde, die door de tabloids meermaals werd verkozen tot ‘shagger of the year’. Dat hij daarbij ook minderjarige meisjes scoorde kon geen verbazing wekken. Dat hij regelmatig over andermans grenzen ging vast ook niet. Maar dat hij ook overging tot verkrachting paste dan weer niet in zijn imago van onweerstaanbare womanizer.

Toch is dat precies wat enkele vrouwen beweren in de #metoo-docu Russell Brand: In Plain Sight (78 min.). Ze doen dat veelal geanonimiseerd. Hun verklaringen worden bevestigd door direct betrokkenen bij tv-shows die Brand presenteerde. Achter de schermen bij de Endemol-producties zoals Big Brother en Kings Of Comedy kon sowieso iedereen zien dat Brand permanent vrouwen ronselde. De producenten hadden niet voor niets – tevergeefs, overigens – in zijn contract laten opnemen dat hij geen seks mocht hebben met vrouwen die bij het programma hoorden.

Russell Brands opdrachtgevers, waaronder de BBC (eerder ernstig in verlegenheid gebracht door het misbruikschandaal rond Jimmy Savile) en Channel 4 (de zender die deze degelijke tv-docu van Alice McShane uitzendt), wassen ondertussen hun handen in onschuld met lange schriftelijke verklaringen, waarin ze met veel woorden zo min mogelijk zeggen en tegelijkertijd natuurlijk het belang van een veilige werkomgeving benadrukken. Dat voelt inmiddels vertrouwd: de echte (machts)wellustelingen kunnen alleen hun gang gaan als hun directe omgeving structureel een oogje dichtknijpt.

Afgaande op In Plain Sight, dat door hemzelf in een videoboodschap wordt afgedaan als een ‘gecoördineerde aanval’, was Russell Brand toch echt meer dan het liederlijke seksbeest dat hij altijd aan de wereld heeft gepresenteerd.

Russell Brand: In Plain Sight is hier te bekijken.

De Presidentsdochter En De Rijkste Vrijgeboren Vrouw

Human Nature Films

‘Een volk dat geen toegang heeft tot de bronnen van zijn geschiedenis krijgt een zelfbeeld dat gebaseerd is op mythen en stereotypen’, citeert Cynthia McLeod-Ferrier aan het begin van De Presidentsdochter En De Rijkste Vrijgeboren Vrouw (85 min.) uit het proefschrift van een Amerikaanse historica dat ze als student las. ‘En dit is precies wat er bij ons gebeurd is.’

De Surinaamse schrijfster en historica heeft er een missie van gemaakt om dat te veranderen, stelt ze in deze verzorgde documentaire van Mildred Roethof. Een belangrijk speerpunt daarbij is het zogenaamde Elisabeth Samson Huis in Paramaribo. Elisabeth Samson, over wie McLeod-Ferrier het boek De Vrije Negerin Elisabeth schreef, geldt als de eerste vrijgeboren Surinaamse vrouw. Ze ging in 1764 naar de rechter om te kunnen trouwen met een witte man, in een tijd waarin het voor kolonisten nog verboden was ‘om vleselijke conversatie te plegen’ met zwarte vrouwen.

Samsons voormalige woning moet nu een plek worden waar de historie van het land in al z’n complexiteit wordt gevierd en ook de slavernij een prominente plek krijgt. Het blijkt alleen een project met de nodige voetangels en klemmen, waarvoor eerst flink wat geld moet worden opgehaald en dat daarna zomaar kan vastlopen in de plaatselijke bureaucratie. En dan moet Cynthia McLeod-Ferrier, dochter van Suriname’s eerste president Johan Ferrier (1975-1980), al haar kennis, contacten en overtuigingskracht aanspreken om het project alsnog vlot te trekken.

McLeod-Ferrier beweegt zich soepeltjes in diplomatieke kringen. Ze bezoekt de koninklijke tentoonstelling De Eeuw Van Juliana in Amsterdam en praat ontspannen met de Nederlandse oud-minister Roger van Boxtel, die vindt dat over de Surinaamse kant van de losmaking van Nederland nog altijd te weinig bekend is. Tijdens een ontmoeting met de huidige Surinaamse president Chan Santokhi informeert ze zogenaamd terloops naar de excuses die Nederland naar verluidt zal gaan aanbieden voor het slavernijverleden, een buitengewoon gevoelig thema in Suriname.

Roethof omkleedt het nog altijd drukke bestaan van de éminence grise met een blik in dat beladen verleden. ‘Het is een boeiend en kleurrijk schouwspel als de Surinaamse vrouwen in hun bonte klederdracht onze prinses toejuichen’, stelt een Nederlandse journalist bijvoorbeeld in zijn houterige verslag van een bezoek van de Koninklijke Familie aan de kolonie. ‘Opperhoofden van de bosnegers in antieke galauniformen zijn trots over het feit dat prinses Juliana hen allen persoonlijk de hand gedrukt heeft en zich door middel van een tolk met hen heeft onderhouden.’

Sinds de tijd dat Suriname een Nederlandse kolonie was en de bewoners ervan zo paternalistisch werden behandeld is er weliswaar het nodige veranderd, maar ook nog genoeg te wensen overgebleven. Cynthia McLeod-Ferrier spreekt in het Torentje bijvoorbeeld met premier Mark Rutte over de Nederlandse excuses voor het slavernijverleden. Hij was er lang geen voorstander van. En ze is er, natuurlijk, getuige van hoe koning Willem-Alexander op 1 juli 2023 tijdens een historische toespraak zegt: ‘Den keti koti, fu tru! De ketenen zijn verbroken, echt waar!’

Het is een kroon op het werk van deze onvermoeibare ambassadrice van Suriname en haar aanhoudende vraag om te erkennen dat vier eeuwen slavernij nog altijd doorwerken in het heden. Met dit geslaagde portret, dat zich vooral concentreert op McLeods publieke leven, doet Mildred Roethof zowel de vrouw als haar missie recht.

Bilal Wahib: Altijd, Altijd

Prime Video

Zonder ‘het incident’ zou deze film nooit worden gemaakt, stelt zij. Maar de film mag niet alleen daarover gaan, vindt hij. Zo begint die film: Bilal Wahib: Altijd, Altijd (70 min.). Met een gesprek op metaniveau tussen de hoofdpersoon en regisseur, Anne de Clercq (Snelle: Zonder Jas Naar Buiten). Over de film waarnaar we nu zitten te kijken – en de olifant in de kamer waarover intussen continu wordt gesproken: zeventienduizend euro heeft Bilal tijdens een livestream op Instagram geboden aan een minderjarige jongen, om zijn piemel te laten zien. Maar piemels kunnen natuurlijk helemaal niet kijken.

Flauw grapje, totaal verkeerd gevallen. Heel Nederland sprak er in 2021 schande van. Het pedo-woord viel. En dan zijn de rapen gaar. Iedereen die zakelijke banden had met de jonge Marokkaans-Nederlandse acteur, zanger en presentator wist niet hoe snel ie die weer moest verbreken. Gecanceld. Daarom wordt er nu, ruim twee jaar later, een documentaire uitgebracht over Bilal Wahib, nadat hij eerder al eens een soort openbare boetedoening heeft gedaan bij de talkshow Op1. Want wat er ook gebeurt in het leven van een BN’er, het is en blijft allemaal materiaal. Bilal lijkt trouwens ook alweer een tijdje weg uit het verdomhoekje.

De Clercq vraagt haar protagonist niet alleen om terug te blikken op deze traumatische periode uit zijn leven en carrière. Ze wil ook dat hij samen met zijn moeder Fatima, vriendin Sophie en enkele vrienden in een studiosetting enkele cruciale scènes uit zijn eigen leven naspeelt, waarbij zij dan regieaanwijzingen geeft. De release van zijn grote hit Tigers bijvoorbeeld, ‘het incident’ natuurlijk en z’n tijd in een politiecel. Het is de bedoeling dat hij daardoor teruggebracht wordt naar zo’n moment, maar werkt uiteindelijk eerder als het fictionaliseren van die werkelijkheid. Wat een authentieke ervaring moet zijn geweest – spijt, verdriet of angst – krijgt daardoor het karakter van tamelijk goedkoop drama.

Intussen wil Wahib zijn ervaring ook verwerken in een performance, waarmee hij alsnog hoopt af te studeren aan de Toneelschool Amsterdam. Zijn eindpresentatie, over of je als bekende Nederlander een fout mag/kan maken, vormt tevens het logische eindstation van dit portret. Tussendoor worden overigens ook nog, niet al te diepgaand, zijn ADHD, de echtscheiding van zijn ouders en zijn snelle opkomst behandeld. Zodat het zowaar even lijkt alsof dit niet alleen een film over ‘het incident’ is, een poging om definitief te ontcancelen, maar een compleet portret van een jonge artiest die z’n overmoed achter zich heeft gelaten en nu gelouterd zijn loopbaan vervolgt.

Als Ik Zelf De Zon Ben

Van Osch Films / NTR

‘Do you even want me here?’ vraagt Djuwa Mroivili zich af na afloop van een performance ten overstaan van een compleet wit publiek. Als zwarte vrouw opereert de Nederlandse pianiste in een vrijwel kleurloze omgeving. Regisseur Naomi White maakt dit bij aanvang van de korte documentaire Als Ik Zelf De Zon Ben (25 min.) direct tastbaar: terwijl Mroivili speelt ziet ze vrijwel alleen witte hoofden. Het oogt intimiderend. Alsof ze haar beoordelen, misschien zelfs veroordelen, en haar in elk geval flink op de vingers kijken.

Zij wil de klassieke muziek van binnenuit veranderen – juist omdat ze er zoveel van houdt – en die ontdoen van elke vorm van institutioneel racisme. Daarvoor put Djuwa Mroivili uit historisch en artistiek onderzoek dat ze heeft gedaan in het archief van het Concertgebouw te Amsterdam. Ze stuitte daarbij op de Wereldtentoonstelling in 1883. Performers uit de Nederlandse koloniën werden toen tot haar ontsteltenis letterlijk ten toon gesteld op het Museumplein. Mroivili ziet er parallellen in met de hedendaagse klassieke muziekprogrammering.

De vraag is: wat wil en kan zij daar nu mee als zwarte musicus? Dat is een intiem proces, van een kunstenaar die haar identiteit, leven en carrière in eigen hand neemt. Smith zit de pianiste daarbij zeer dicht op de huid, heeft oog voor hoe ze dat veruiterlijkt en geeft haar intussen, via een monologue interieur, het woord om zichzelf uit te drukken. ‘Waarom zou ik zijn als een zonnebloem en draaien naar de zon’, concludeert Djuwa Mroivili uiteindelijk zelfbewust, ‘als ik zelf de zon ben?’

Vluchtval

Prospektor

Hij is in de kracht van zijn leven, zij inmiddels toch wel behoorlijk oud. Hij is zwart, zij wit. Hij rent, klimt en springt, zij schrijft, denkt en streept. Hij is freerunner, zij dichter. Abdallah Marega en Jana Beranová delen nochtans een elementaire levenservaring. De vrije val. Zijn wortels liggen in Mali, zij vluchtte in 1948 met haar ouders uit Tsjechoslowakije.

Allebei moesten ze wat vertrouwd was loslaten en vertrouwd worden met het vreemde. ‘Ik moest natuurlijk in een nieuwe situatie een tweede ziel maken’, vertelt zij. En voegt er vrijwel meteen aan toe: ‘ik heb ook nog een hele mooie zin voor je. Even kijken… Men zegt dat vluchtelingen voor de tweede keer worden geboren. Mogen ze ook tweemaal sterven?’

Abdallah legt zichzelf tegenwoordig dus halsbrekende toeren op. ‘Parkour is een dagelijks gevecht’, zegt hij daarover in Vluchtval (28 min.). ‘Een echt gevecht. Je weet niet wanneer je een sprong gaat wagen, wanneer je zult sterven.’ Freerunning geeft de jonge Afrikaan, geboren in Frankrijk, een gevoel van controle. Het idee dat hij het leven aankan.

Gaandeweg kruipen de twee verhalen in dit poëtische dubbelportret van Laura Stek (Gioia), met fraai zoekend camerawerk van Jean Counet, naar elkaar toe. Totdat ze elkaar (bijna) raken in de diepte van het vallen/springen, neerkomen en dan weer opstaan. Het controle nemen en krijgen over jezelf en de wereld om je heen. En dan? De vlucht naar voren?

The Super Models

Apple TV+

In eerste instantie is er twijfel. Gaan ze dit werkelijk doen? De vier bevriende topmodellen, uitgegroeid tot het gezicht van hun generatie, moeten er even over nadenken. George Michael heeft hen gevraagd voor een videoclip. De Britse zanger stelt alleen wel een voorwaarde: het is allemaal of niet. Uiteindelijk besluiten ze gezamenlijk om ‘ja’ te zeggen.

Met hun playback-performance in de video voor Freedom! (1990), geregisseerd door David Fincher, stijgen Naomi Campbell, Cindy Crawford, Linda Evangelista en Christy Turlington nog eens boven zichzelf uit. Modeontwerper Gianni Versace herkent het moment en laat hen vervolgens tijdens zijn show in Milaan samen over de catwalk paraderen, begeleid door Michaels hitsingle. Het wordt een doorslaand succes. ‘Oké, dus zo is ‘t is om een supermodel te zijn’, concludeert Cindy Crawford.

Roger Ross Williams en Larissa Bills hebben het sleutelmoment in hun carrière precies halverwege de vierdelige docuserie The Super Models (214 min.) geplaatst. Van tevoren hebben de vier iconen hun tamelijk rimpelloze weg naar de top geschetst. Daarna volgen de gloriejaren, waarin ze uitgroeien tot een soort Beatles van de modellenwereld. ‘Voor minder dan tienduizend dollar kom ik mijn bed niet uit’, zal Linda Evangelista dan zeggen – een geruchtmakende uitspraak die ze al snel betreurt.

Toonaangevende modeontwerpers Marc Jacobs, Vivienne Westwood, John Galliano, Donna Karan en Michael Kors, die hier stuk voor stuk de loftrompet over hen steken, komen in de schaduw te staan van de vrouwen die hun collectie presenteren. Zij zorgen voor de bravoure en aandacht. Totdat die glamour zich tegen hen gaat keren. Met de opkomst van grunge en hiphop – en de moord op hun pleitbezorger Versace – komt het supermodellentijdperk halverwege de jaren negentig ten einde.

De laatste aflevering plaatst Naomi, Cindy, Linda en Christy in het hier en nu. Ze zijn inmiddels stuk voor stuk de vijftig gepasseerd, laven zich aan het moederschap en koesteren hun zegeningen en/of likken hun wonden. ‘Ik ben een gewoon mens’, zegt Crawford. ‘En het is mijn baan om ‘Cindy Crawford’ te zijn.’ Behalve roem, status en geld heeft het leven in de spotlights, waarbij de camera soms een loden last werd, hen ook voor uitdagingen gesteld: vooroordelen, kritiek en verslavingen.

Het drama zit met name bij Linda Evangelista. Zij moest zich eerst bevrijden uit haar toxische relatie met de Franse modellenagent Gérald Marie (die onlangs opnieuw in opspraak kwam door allerlei #metoo-beschuldigingen, vervat in de documentaireserie Scouting For Girls: Fashion’s Darkest Secret), kampte daarna met allerlei lichamelijke ongemakken en was ook een hele tijd depressief. Jarenlang is ze uit de buurt gebleven van de camera’s, die ooit zielsveel van haar hielden.

Voor deze aansprekende miniserie is het voormalige Canadese topmodel, dat zich erg kwetsbaar opstelt, echter bereid om samen met haar vriendinnen nog eens voor de camera van fotograaf Steven Meisel te poseren. Het is de vanzelfsprekende apotheose van dit groepsportret, van enkele vrouwen die letterlijk beeldbepalend zijn geweest. En het is al even onvermijdelijk dat dan ook die ene hit van wijlen George Michael weer klinkt: Freedom!

Dear Memories: A Journey With Magnum Photographer Thomas Hoepker

AVROTROS

De man die ruim een halve eeuw iconische beelden vond in de dagelijkse realiteit – een groep jongeren bijvoorbeeld, die ontspannen zit te kletsen bij de Hudson-rivier terwijl er op de achtergrond enorme rookwolken komen uit de Twin Towers, of de legendarische bokser Muhammad Ali, zowel in zijn gloriedagen als in z’n Parkinson-jaren – begint stilaan het zicht op de wereld te verliezen. De hoogbejaarde Duitse fotograaf Thomas Hoepker, al bijna een halve eeuw woonachtig in de Verenigde Staten, is in de greep geraakt van dementie.

Samen met zijn tweede echtgenote Christine Kruchen maakt hij in Dear Memories: A Journey With Magnum Photographer Thomas Hoepker (52 min.) een trip nostalgia door zijn huidige vaderland, die wordt begeleid door foto’s, audio-interviews en geschriften van vroeger. Zo komen in deze weemoedige roadtrip van Nahuel Lopez verleden en heden samen – of botsen ze ongenadig op elkaar. Want dat Christine en Thomas dik vijftien jaar eerder in een ‘wedding chapel’ te Las Vegas zijn getrouwd, kan hij zich nu echt niet meer herinneren.

Thomas Hoepker leeft in het hier en nu. Zoals hij dat vroeger met zijn camera deed. Klik, en meteen voor de eeuwigheid vastgelegd. Hij fotografeert overigens nog steeds. Zonder bestaat hij niet. Terwijl het oudere echtpaar met hun camper vanuit hun woonplaats New York dwars door het Amerikaanse heartland, ofwel ‘Trumpland’, naar San Francisco reist en onderweg familieleden ontmoet, van een intiem concert geniet en steeds weer halt houdt voor ‘s mans onverzadigbare camera, filosofeert een vroegere versie van Hoepker over zijn vak en stiel.

‘Totale perfectie vind ik oersaai’, stelt hij bijvoorbeeld in het essay Zelfportret uit 1983. ‘Een goed verhaal vertellen of een belangrijke gedachte uitdrukken, daarom gaat het in de fotojournalistiek. En die moet dus direct en eenvoudig zijn. Dus liever niet te veel poseren.’ Deze bespiegelende film is een fraaie weerslag van diezelfde benadering: via zijn werk en ideeën blijft de mens, kunstenaar en journalist die hij ooit was bewaard, intussen toont hij de fragiele oudere man die daaruit is voortgekomen en nog altijd van het leven en zijn professie probeert te genieten.

Donyale Luna: Supermodel

HBO Max

Haar gezicht kon dromen verkopen, stelt de bevriende kunstenaar David Croland over Donyale Luna (1945-1979), de mooiste vrouw die hij ooit heeft ontmoet. Zij behoorde destijds, halverwege de jaren zestig, tot de vaste entourage van Andy Warhols Factory. Niet veel later stond Luna op de cover van Harper’s Bazaar, als eerste zwarte vrouw. Getekend, dat wel. Niet veel later zou ze, helemaal zelf, ook het eerste Afro-Amerikaanse covermodel worden van de Britse Vogue. De Amerikaanse editie durfde ‘t pas in 1974 aan met een zwart model, Beverly Johnson.

Voor de representatie van zwarte vrouwen is Donyale Luna essentieel geweest. Volgens Beverly Johnson moet zij worden beschouwd als ‘het kroonjuweel’ onder de zwarte modellen. Luna is echter allang in de vergetelheid geraakt, weggepoetst uit de modehistorie. Zijzelf had eerder al afstand gedaan van Peggy Ann Freeman, de naam waarmee ze in Detroit was geboren, in een getroebleerd gezin dat ze liever vergat. Zij ging liever in haar eigen fantasiewereld leven, de exotische schoonheid met een zelfverzonnen alter ego. Zo groeide Luna ook in Swingin’ Londen uit tot een kleine sensatie, waar ze zich in de slipstream van The Beatles en Rolling Stones bewoog, omging met het acterende enfant terrible Klaus Kinski en werd vereeuwigd door de fotograaf David Bailey.

In eigen land werd ze echter consequent achtervolgd door haar identiteit als zwarte vrouw. De modewereld was daarvoor toch nog niet klaar. En dat deed pijn. ‘Ik voel me zo alleen’, leest dochter Dream Cazzaniga voor uit persoonlijke geschriften van haar moeder. ‘Waar kan ik me thuis voelen? En waar word ik gezien zoals ik ben en wordt er van me wordt gehouden om wie ik ben?’ Zulke vragen lopen als een rode draad door haar leven en door Donyale Luna: Supermodel (93 min.), waarin filmmaker Nailah Jefferson de iconische vrouwfiguur oproept met een krachtige montage van het prachtige portfolio dat ze heeft nagelaten. Met haar ranke gestalte, meterslange benen en sprekende, amandelvormige ogen beschikte Donyale over een ongrijpbare schoonheid.

Haar echtgenoot, zussen, vrienden, fotografen en modellen zorgen in deze stevige biografie ondertussen voor de inkleuring van de persoon daarachter, een zoekende vrouw die geregeld met zichzelf en het bestaan worstelde. Totdat ze op 33-jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Sindsdien leeft ze alleen nog in beeld voort.

Brieven Aan Vincent

NTR

‘Weet je, Vincent, ik heb nooit geschilderd’, begint Françoise Boissonat haar brief aan Vincent van Gogh, bij wie ze troost vindt. ‘Toch heb ik het gevoel dat we heel wat gemeen hebben. De gevoeligheid voor licht en kleur, de mooie dingen die de natuur ons zo schaamteloos heeft gegeven. Zoals we ons kunnen verliezen in een landschap, de oogst of de wind in de tarwe. Alle kleine dingen waardoor ons kapotte brein zich toch zo sterk voelt.’

Van Gogh verbleef een belangrijk deel van zijn laatste levensjaar – van mei 1889 tot mei 1890 – in het psychiatrische ziekenhuis Saint-Paul-De-Mausole te Frankrijk. Van daaruit schreef hij persoonlijke brieven aan zijn moeder, zussen en broer Theo. In deze kliniek, gevestigd in een voormalig klooster, worden nog altijd kwetsbare mensen opgevangen. En ook zij schilderen en schrijven hun persoonlijke malheur van zich af.

In de gestileerde korte documentaire Brieven Aan Vincent (25 min.) richten enkele vrouwen zich tot hun illustere voorganger. In hun eigen woorden, recht op camera uitgesproken, vertellen ze hem over hun verdriet, verslavingen en somberte. En hij, de dan nog miskende kunstenaar, ‘antwoordt’ hen, met de gedachten en gevoelens die hij zelf ooit aan het papier heeft toevertrouwd – en die nu door acteur Valentijn Dhaenens zijn ingesproken.

Via deze zielsverwanten, hun geschriften en de idyllische omgeving waarvan die een weerspiegeling zijn onderzoekt documentairemaker Hannah van Tassel zo het schemergebied tussen creativiteit en gekte. Schilderen werkt heilzaam voor hen. Net als zingen. ‘Beste Vincent, ik heb ervan genoten om in het klooster te zijn, waar jij een jaar hebt verbleven’, vervolgt Françoise aan het eind van deze fraaie, verstilde film haar persoonlijke brief.

‘Misschien is het je subtiele aanwezigheid – of beter: je subtiele afwezigheid – die deze plek zo bijzonder maakt. Je bent hier zonder hier te zijn, zo donker dwalend over de wegen als je schilderijen licht geven.’ Ze heeft ook bemoedigende woorden gevonden voor hem, de man die pas na zijn dood erkenning heeft gekregen als schilder. ‘Weet je, Vincent, dat alle schilderijen die je hier hebt gemaakt nu in de hele wereld bekend zijn? Al het beste, Françoise.’

Ze kijkt recht in de camera, laat een stilte vallen en slikt met moeite haar emotie weg.

Mag Ik Je Aanraken?

Witfilm / NTR

Kijken ze alleen? Of spelen ze ook een beetje? Om wat ze zien, en wat wij als kijkers alleen krijgen te horen, onschadelijk te maken? Als de camera zich op hun gezicht vastzet, terwijl ze kijken naar een seksscène die ze ooit hebben gespeeld, doorlopen enkele bekende Nederlandse acteurs in deze documentaire van Tamar van den Dop elk zo hun eigen gevoelens: gêne, tevredenheid, ontroering, lol óf verdriet.

‘Ik snap gewoon niet zo goed waarom dit zo lang in beeld moet’, zegt Nora El Koussour bijvoorbeeld ontdaan als ze een scène van zichzelf terugziet in Mag Ik Je Aanraken? (73 min.). Ze vindt het tafereel confronterend, vernederend zelfs. ‘Het is door gaan sijpelen in mijn eigen leven. Daarna is gewoon het respect weg voor mij.’ Na de opname kreeg zij een bos bloemen, haar tegenspeler bleef met lege handen achter.

Het blijft sowieso fascinerend: dat kijken naar kijken – en ondertussen niet zien wat zij zien. De jonge acteurs Joes Brauers en Lina Heijmans lezen bijvoorbeeld eerst hardop het script van wat ‘een onstuimige vrijpartij’ moet worden voor en aanschouwen daarna los van elkaar de daaruit voortgevloeide scène. Het is een intiem kijkspel, ook voor degene die er niet direct bij betrokken is, het zelfs niet eens zelf kan waarnemen.

Van den Dop, zelf ook actief als actrice, regisseuse en scenarioschrijfster, bevraagt in deze interviewfilm verder collega’s zoals Monic Hendrickx, Gijs Naber, Hannah Hoekstra, Jeroen Spitzenberger en Georgina Verbaan, terwijl ze op de filmset een zendermicrofoon krijgen opgespeld of worden gepoederd. Over de do’s en don’ts van seksscènes – en daarmee ook de verander(en)de seksuele moraal.

‘Doe maar (gewoon)’, kregen ze regelmatig van filmregisseurs te horen. En ook: ‘kan het wat geiler?’ Ze mochten – en wilden/durfden/konden – meestal vooral niet te moeilijk doen. En Van den Dop vraagt door: is het ook wel eens gewoon fijn? Raak je soms opgewonden? Hoe vertel je familie dat je een homorol gaat spelen? Mogen je kinderen deze scène zien? En: sta je eigenlijk op pornosites? En wat vind je daar dan van?

Als het gaat om seks zijn de tijden, zeker sinds #metoo, flink veranderd. ‘Ik ben wel kritischer gaan kijken: is het wel nodig?’ vertelt Rifka Lodeizen, die regelmatig functioneel naakt was te zien, bijvoorbeeld tegen haar visagiste, die van Waldemar Torenstra al te horen heeft gekregen dat hij soms in contracten laat vastleggen dat ie zijn kleren niet meer uittrekt. Een beetje film heeft tegenwoordig ook een intimiteitscoördinator.

Als kinderen van de vrijheid blijheid van de jaren zestig en zeventig moeten de routiniers Peter Faber en Jeroen Krabbé weinig hebben van zulke ontwikkelingen, die je onder de noemer ‘nieuwe preutsheid’ kunt categoriseren. ‘Het is alsof Queen Victoria weer terug is’, verzucht Krabbé. Tegelijkertijd blijkt, na enig doorvragen, dat hij vroeger zelf ook de nodige slechte ervaringen heeft opgedaan tijdens filmopnamen.

Van de andere kant: zorgt de huidige terughoudendheid er misschien ook voor dat seksualiteit nu wordt overgelaten aan reclame en porno? En wat betekent dat dan weer? Zo waadt Mag Ik Je Aanraken? dapper en delicaat, zonder ook maar een ogenblik navelstaarderig te worden, door het moeras rond seksualiteit op het scherm. En als de schijn niet bedriegt, wordt dat voorlopig niet meer zo vanzelfsprekend als in het verleden.

Hoe ’t dan wel moet of mag, blijft een kwestie van interpretatie en gevoel. Net als in het echt.