Ga Terug En Haal Het

Tomtit Films / VPRO

Wat is de erfenis van de grootschalige Black Live Matters-demonstraties in de zomer van 2020? Die vraag wil Clarice Gargard exploreren in deze intuïtieve ontdekkingstocht. ‘Staan we nu op een kantelpunt?’ vraagt ze zich af. ‘Is dit hoe verandering ontstaat?’

Ga Terug En Haal Het’ (53 min.), start een soort stationsomroepster vervolgens de reis langs verzetsverhalen – van het verleden via het heden naar de toekomst – die op het punt staat om te beginnen. ‘Herinner wat u vergeten bent.’ Is deze steeds terugkerende stem, begeleid door beelden van voorbijrazende nachtelijke treinstations, een metafoor voor hoe zwarte mensen zichzelf moeten vinden, binnen een wereld waarin wit al sinds jaar en dag dominant is? Want, zo werpt de omroepstem nog op, ‘hoe reis je verder als je niet weet waar je vandaan komt?

Gargard gaat in Nederland, Suriname en Curaçao op zoek naar alledaags verzet van zwarte Nederlanders. Dat heeft zich door de jaren in allerlei gedaanten gemanifesteerd. Ze spreekt bijvoorbeeld André Reeder, ooit lid van de links-marxistische Surinaamse studentenvereniging. In 1982 maakte hij een film over de abominabele huisvesting van Surinaamse studenten in Nederland. Lulu Helder organiseerde in 1996 de allereerste anti-Zwarte Piet-actie ‘Zwarte Piet is zwart verdriet’. ‘Hoe lang moeten we wachten op een gelijkwaardige positie in deze samenleving?’ verzucht zij.

Deze voorbeelden weerspreken in elk geval het hardnekkige beeld dat zwarte Nederlanders hun achtergestelde positie al die tijd lijdzaam zouden hebben ondergaan. In Curaçao ontmoet Gargard verder Jeanne Henriquez, de conservator van het Tula museum. Als je je eigen geschiedenis niet kent, dan wordt het moeilijk om te geloven in jezelf, stelt zij. ‘Want je hebt niet geleerd wie je bent.’ Het pleidooi van al Gargards gesprekspartners komt in essentie neer op het herschrijven van de geschiedenis: loskomen van het kolonialisme en onderdrukking en het (h)erkennen van jezelf.

Dat proces krijgt gaandeweg voor de maakster zelf een steeds persoonlijker karakter en mondt tijdens een Winti-ritueel, tevens het eindstation van deze wat grillige en breed uitwaaierende film, uit in een emotionele climax. ‘Wij creëren zelf, steeds opnieuw, de kantelpunten die voor verandering zorgen’, concludeert Clarice Gargard daarna. ‘Wanneer we ons herinneren wie we zijn, waar we vandaan komen én besluiten actie te ondernemen.’

Is That Black Enough For You?!?

Netflix

Waarom zijn we eigenlijk gestopt met het maken van de zwarte speelfilms die in de jaren zeventig zo succesvol waren? vraagt regisseur Elvis Mitchell zich af bij de start van het video-essay Is That Black Enough For You?!? (135 min.), waarin hij de zwarte Amerikaanse filmhistorie doorlicht.

Aan de hand van een enorme verzameling filmfragmenten laat Mitchell eerst zien hoe (wit) Hollywood door de jaren heen Afro-Amerikanen heeft geportretteerd en vervolgens hoe er in jaren zestig, op de golven van de burgerrechtenbeweging, een zelfbewuste en diverse generatie zwarte filmmakers opstaat, die ruimte vindt voor de authentieke verhalen en personages uit hun eigen wereld.

Met als meest uitgesproken uitingsvorm: de Blaxploitation-films van de jaren zeventig, die kaskrakers als Shaft, Super Fly en Foxy Brown heeft voortgebracht. De benadering van zwarte regisseurs en scenarioschrijvers, de serieuze rollen die daaruit voortvloeien voor iconische acteurs en actrices én de muziek waarmee die verhalen worden aangekeild en begeleid, sijpelen vervolgens ook door naar het werk van witte regisseurs zoals Sergio Leone, Francis Ford Coppola en Quentin Tarantino.

Elvis Mitchell onderbreekt zijn persoonlijk ingestoken en met veel feitjes en weetjes gestutte betoog zo nu en dan voor herinneringen, observaties en constateringen van de prominente Afro-Amerikaanse acteurs en regisseurs Margaret Avery, Harry Belafonte, Samuel L. Jackson, Whoopi Goldberg, Laurence Fishburne, Sheila Frazier, Billy Dee Williams, Suzanne De Passe, Charles Burnett, Glynn Turman, Mario von Peebles Jr. en Zendaya.

In tegenstelling tot de stilistisch verwante essays Disclosure (transcultuur), Body Parts (vrouwbeelden) en Brainwashed: Sex-Camera-Power (het vrouwelijk lichaam) voelt Is That Black Enough For You?!?, mede door Mitchells overcomplete voice-over en het ondanks de aanzienlijke speelduur toch behoorlijk hoge verteltempo, alleen eerder als een op cinefielen gerichte verhandeling over een essentieel stuk filmgeschiedenis dan als een breed toegankelijke beschouwing op de representatie van zwart Amerikanen in film en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

Descendant

Netflix

Er mag niet over worden gepraat. En toch moet het verhaal levend worden gehouden. Ruim 150 jaar leidt het tragische verhaal van de Clotilda vooral een fluisterend bestaan. Het slavenschip is in april 1860 vanuit Dahomey, het huidige Benin, vertrokken naar Plateau in de zuidelijke Amerikaanse staat Alabama. Aan boord verblijven 110 ‘geïmporteerde Afrikanen’ die zijn besteld door de lokale zakenman Timothy Meaher. Hij vraagt kapitein William Foster om het schip na de aflevering te verbranden en te dumpen in de lokale Mobile River, zodat ze later kunnen doen alsof de Clotilda, het allerlaatste slavenschip dat ooit in de Verenigde Staten is aangemeerd, nooit heeft bestaan.

Dat is echter buiten Kamau Sadiki van het Slave Wrecks Project gerekend. Met een multidisciplinair team wil hij het wrak in 2018 gaan opsporen en zo tastbaar bewijs vinden voor het beladen verleden van de zwarte gemeenschap van Plateau, alias Africatown, dat inmiddels volledig van karakter is veranderd. De familie Meaher woont er echter nog altijd. Met hun onderneming Chippewa Lakes verhuren de erfgenamen van Timothy bovendien grond aan allerlei ernstig vervuilende bedrijven die kanker en andere ziektes zouden hebben veroorzaakt. In het bijzonder bij – om de cirkel rond te maken – de afstammelingen van de Clotilda.

Daarmee lijken alle pionnen op het bord te staan voor een verhitte strijd in Descendant (110 min.). Regisseur Margaret Brown wil echter niet zomaar ‘the blame game’ spelen. De vondst van het schip brengt vooral lastige, maar noodzakelijke gesprekken op gang, die genuanceerd worden afgewikkeld. Mag er van de Clotilda bijvoorbeeld een toeristische attractie worden gemaakt? En zo ja, voor wie zijn dan de revenuen? Hebben de nazaten van het slavenschip recht op herstelbetalingen? Leidt dat automatisch, ruim anderhalve eeuw na dato, tot zoiets als gerechtigheid? En moeten Timothy Meahers erven daar dan een rol in spelen? Hun huidige welstand stoelt immers voor een belangrijk deel op wat hun voorvader ooit verdiende aan de geïmporteerde Afrikanen.

Deze delicate documentaire is doorsneden met voorgelezen fragmenten uit het boek Barracoon waarin de zwarte schrijfster Zora Neale Hurston in 1931 het leven optekende van Cudjo Lewis, de laatste overlevende van de Clotilda. Het heeft maar liefst tot 2017 geduurd voordat Barracoon daadwerkelijk is gepubliceerd. Het boek en schip brengen in Descendant nu een conversatie op gang over het gezamenlijke verleden en de rol die Afro-Amerikanen hebben gespeeld en krijgen toebedeeld in de Amerikaanse historie. En dat geeft weer een basis voor het samen verder leven, met oog voor ieders rol en positie. Want helen en verzoenen kan niet zonder kennen en erkennen.

Riotsville, U.S.A.

Het is een beproefd middel om de lont uit het kruitvat te halen, het land te verenigen, een zondebok aan te wijzen of de boel simpelweg eindeloos te vertragen: het instellen van een breed samengestelde commissie die het hete hangijzer van dat moment eens goed – en liefst ook lang – gaat onderzoeken.

Als de Verenigde Staten in de tweede helft van de jaren zestig permanent in brand lijken te staan en op plekken als Watts, Chicago en Newark grootschalige rellen uitbreken, tuigt de Amerikaanse president Lyndon Baines Johnson dus The National Advisory Commission On Civil Disorders op. De commissie, onder leiding van gouverneur Otto Kerner, bevat uitsluitend leden uit het politieke midden, die van tevoren te verstaan hebben gekregen dat ze zich horen te gedragen als ‘Johnson Men’ en op zoek moeten naar ‘provocateurs van buiten’.

Die laatsten – de sixties-variant op de FBI-medewerkers of Antifa-lieden die de bestorming van Het Capitool op 6 januari 2021 zouden hebben uitgelokt – kan De Kerner Commissie echter helemaal niet vinden. Sterker: het rapport trekt hele andere conclusies en komt als een boemerang terug bij degenen die de schuld hopen te leggen bij een klein groepje extremisten. Zwarte extremisten, welteverstaan. Want de rellen zijn een manifestatie van de onvrede, die op gezette tijden terugkeert en in de afgelopen jaren bijvoorbeeld is uitgemond in de Black Lives Matters-demonstraties.

Het prikkelende beeldessay Riotsville, U.S.A. (91 min.), aangekleed met unheimische muziek, is volledig opgebouwd uit archiefmateriaal uit de jaren zestig, gemaakt voor televisie of door het Amerikaanse leger. Regisseur Sierra Pettengill heeft in die beelden een prachtige metafoor gevonden voor de houding van de Amerikaanse overheid tegenover de onlusten. Op voormalige legerbases in zuidelijke staten zijn destijds surrogaatstadjes gebouwd, waar de Amerikaanse politie tijdens nagespeelde ongeregeldheden kan trainen op lekker kordaat optreden. 

‘Waar kijken we naar?’ vraagt verteller Charlene Modeste bij deze surrealistische generale repetities voor politiegeweld. ‘Riotsville is een schaakbord, een toneel met alles en niets van de jaren zestig. Nepnamen op niet bestaande plaatsen, die soldaten voorbij zien marcheren. Op weg naar de volgende akte van het toneelstuk. Misschien is het niet meer dan een droom. Want hier fabriceert De Staat zijn grootste angsten, wreedste wanen en gescheurde stukjes geheugen.’ En na een ‘geslaagd’ ingrijpen van de politie klinkt zowaar een enthousiast applaus vanaf de tribunes.

Pijnlijk precies construeert Pettengill zo hoe de Amerikaanse overheid zich in wezen gedraagt als een politiestaat, die zijn burgers, in elk geval een specifiek deel daarvan, is gaan zien en behandelen als de vijand. Die houding is zowel een weerspiegeling ván als een inspiratiebron vóór vooroordelen en racisme bij de zwijgende meerderheid van de Amerikaanse bevolking – en een steen des aanstoots voor de zwarte minderheid, die in die tumultueuze laatste jaren van de sixties letterlijk de klappen moet opvangen.

Master Of Light

One Story Up Productions

Oppervlakkig beschouwd is het verhaal van George Anthony Morton één groot succesverhaal. De Afro-Amerikaanse dertiger groeide op in een drugsmilieu te Kansas City, werd op zijn twintigste vanwege het bezit van crack cocaïne veroordeeld tot ruim elf gevangenisstraf en leerde achter de tralies Rembrandt en zichzelf als kunstenaar kennen. Eenmaal buiten ging hij studeren aan een prestigieuze kunstacademie in New York en werd een schilder om rekening mee te houden.

Intussen is er echter nog altijd dat gewone leven: vrienden en familieleden die niet bij machte waren om uit die wereld te stappen. Zelfs zijn eigen moeder Tela, die hij jarenlang niet zag omdat ook zij gedetineerd was, beweegt zich permanent op of over de grenzen van de wet. Als ze weer eens buiten beeld is geraakt, belt Morton simpelweg alle gevangenissen in de directe omgeving. ‘Wat heb ik gedaan dat zo erg is dat je me niet kunt vergeven?’ vraagt ze als hij haar toch weer heeft opgespoord.

Zulke vragen probeert deze moderne Master Of Light (84 min.) met een therapeut te beantwoorden in deze stemmige en geladen film van de Nederlandse maakster Rosa Ruth Boesten, die op het South By Southwest Festival in Austin, Texas, werd uitgeroepen tot beste documentaire. Via het schilderen van de gezichten uit zijn leven – moeder Tela, zijn broer en zus en z’n elfjarig neefje Treshon, waarin hij zijn jongere zelf herkent – portretteert hij ook zichzelf, een man die gevangen zit tussen twee werelden.

De man die bij een spel met gemerkte kaarten, waarbij elke deelnemer op voorhand weet wat hij gaat trekken, per ongeluk een troefkaart in handen heeft gekregen: een buitengewoon talent waardoor hij boven zichzelf kon uitstijgen. Tegelijkertijd is hij als man van Afrikaanse afkomst ook klaar met de ‘eurocentrische gelaatstrekken’ die hij tot in den treure heeft moeten reproduceren tijdens zijn opleiding,. ‘Ik draag een traditie mee de toekomst in, waarvan mensen als ik nooit deel hebben uitgemaakt.’

Hij is, nu in de woorden van rapper Tupac, een roos die uit beton groeit. Boesten vervat ‘s mans strijd in veelal donkere, onheilszwangere beelden, begeleid door een broeierige soundtrack, en neemt echt de tijd om haar protagonist reliëf te geven en in te kleuren. Een moderne meester, laverend langs zowel Rembrandt als de Amerikaanse ‘war on drugs’ en Black Lives Matters, dóór opgekropte woede, ‘survivor’s guilt’ en het onvermogen om te vertrouwen, vluchtend in zijn kunst en al wat hem lief is, op zoek naar het licht.

Sidney

Apple TV+

Het zou de nodige jaren duren voordat acteur Sidney Poitier (1927-2022) als kind het concept ras, en de daarmee verbonden implicaties, zou begrijpen. In zijn jongste jaren, op Cat Island op de Bahama’s, was hij simpelweg nooit in aanraking gekomen met witte mensen – en de vooroordelen die zij hadden over mensen zoals hij. Eenmaal in de Verenigde Staten zou hij echter al snel leren wat het betekende om zwart te zijn.

Als Afro-Amerikaanse acteur nam hij later belangrijke barrières. Vóór hem werden zwarte acteurs vooral geacht om een grappig stereotype te spelen, vertelt hij in de ietwat brave biografie Sidney (112 min.). Zodat het veelal witte publiek eens goed kon lachen. Poitier tapte echter uit een ander vaatje: in zijn eerste belangrijke rol in No Way Out (1950) speelde hij een zwarte arts die tijdens zijn werk uiterst racistisch werd benaderd. En in de donkerste dagen van het McCarthyisme weigerde hij om een loyaliteitsverklaring te ondertekenen voor zijn rol in Blackboard Jungle (1955).

Gaandeweg groeide Sidney Poitier uit tot een icoon van de Afro-Amerikaanse cultuur. Voor The Defiant Ones (1958) kreeg hij als eerste ‘negro’ een Oscar-nominatie. Vijf jaar later volgde daadwerkelijk een Academy Award voor de hoofdrol in Lilies Of The Field. En weer vijf jaar later, in 1968, won In The Heat Of The Night, waarin hij met Rod Steiger de hoofdrol speelde, de Oscar voor beste film. Intussen onderscheidde Poitier zich, net als zijn vriend Harry Belafonte, ook binnen de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

Sidney Poitiers status als zwart icoon wordt misschien nog wel het beste geïllustreerd door de uitbundige gastenlijst van deze door Oprah Winfrey geproduceerde documentaire, met beeldbepalende Afro-Amerikanen als Morgan Freeman, Quincy Jones, Andrew Young, Spike Lee, Denzel Washington, Hale Berry, Louis Gossett Jr., Lenny Kravitz en Winfrey zelf (die zomaar emotioneel wordt bij de gedachte aan haar grote held). Verder draven witte collega’s als Barbra Streisand, Robert Redford en Lulu op om ‘s mans werk te duiden en schetsen Poitiers tweede echtgenote en zijn dochters de mens achter de superlatieven.

Regisseur Reginald Hudlin geeft de man zelf ruim baan om zijn leven en loopbaan via treffende anekdotes uit te serveren, stipt en passant ook de rafelrandjes van zijn bestaan aan en stut dat geheel weer met een fikse collectie filmfragmenten, smakelijke muziek en nieuwsbeelden van de grote maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Behalve een lofzang op de man en het symbool Sidney Poitier wordt deze film zo ook een viering van de zwarte cultuur.

Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me

Hoewel Harold Melvin vanzelfsprekend te boek stond als leider van de succesvolle soulgroep Harold Melvin and The Blue Notes, was het in werkelijkheid Teddy Pendergrass (1950-2010) die grote hits als Don’t Leave Me This Way en If You Don’t Know Me By Now zong. Volgens hun songschrijf- en producersduo Kenny Gamble en Leon Huff, de architecten van de zogenaamde Philly Sound, had hij een stem als ‘raw meat’. Terwijl Teddy daarmee begin jaren zeventig ieders hart veroverde, streek Harold ondertussen stiekem het leeuwendeel van de inkomsten op. Dat kon natuurlijk niet goed gaan.

In 1976 verliet een gebelgde Pendergrass The Blue Notes voor een solocarrière die hem vijf opeenvolgende platina platen opleverde en tot een absoluut (vrouwen)idool maakte. The Black Elvis, in de woorden van zijn handige manager Shep Gordon. Want Teddy Pendergrass werkte als een magneet op het andere geslacht. ‘Er kwam eens een vrouw backstage toen ik net de kleedkamer wilde verlaten’, vertelt hij zelf in een talkshow. ‘Ze pakte een mes uit haar zak en zei: als ík je niet kan hebben, zal niemand je hebben. En ze haalde nog uit ook!’ Hij kan het zelf nauwelijks geloven: ‘Een zwarte vrouw, met een zwart mes.’

En toen, op het hoogtepunt van zijn roem, parkeerde hij in 1982 zijn Rolls Royce tegen een boom. Het auto-ongeluk zou hem voortaan aan een rolstoel kluisteren en fungeert als breekpunt in Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me (106 min.). In dit gesmeerde portret van Olivia Lichtenstein uit 2018 komt Teddy zelf aan het woord via fragmenten uit zestig audiocassettes waarin hij over zijn leven vertelt. Zijn moeder Ida, kinderen, familieleden, (jeugd)vrienden, bodyguard, bandleden en allerlei vrouwen die hun hart aan hem verloren zorgen intussen voor duiding en rugdekking.

Van de viriele vent, die zonder vader opgroeide in een achterbuurt van ‘the city of brotherly love’ Philadelphia en die vanuit deze ervaring als geen ander de zwarte gemeenschap wist te raken, is na het ongeluk weinig over. Kan hij überhaupt nog zingen? Menigeen in zijn directe omgeving heeft er z’n twijfels over. Pendergrass probeert ondertussen de zin van het/zijn leven terug te vinden. Die queeste vormt de apotheose van deze lekkere, met een aanzienlijke portie kneitersoul afgewerkte, film over een hart & ziel-zanger die de laatste jaren enigszins in de vergetelheid is geraakt.

Akwasi

Videoland

Die ene omstreden uitspraak tijdens de Black Lives Matter-demonstratie van 1 juni 2020 vormt het startpunt voor de documentaire Akwasi (51 min.): ‘Op het moment dat ik in november een Zwarte Piet zie, ik trap hoogstpersoonlijk op z’n gezicht.’ De ‘slip of the tongue’ gaat in de maanden daarna een eigen leven leiden en zet allerlei ontwikkelingen in gang, waardoor de welbespraakte rapper indringend wordt geconfronteerd met de wereld om hem heen én zichzelf.

Johan Derksen, Geert Wilders en talloze anonieme onverlaten gaan helemaal los op Akwasi Ansah, die wordt weggezet als de archetypische ‘angry black man’. Al snel volgen er concrete bedreigingen. ‘Ik denk dat heel veel witte mensen zwarte mensen accepteren, tolereren, zolang je aan het beeld dat zij van je hebben voldoet’, zegt zijn vriend Mitchell Esajas. Hij legt uit: ‘Je mag protesteren, maar wel vreedzaam. Je mag iets zeggen over racisme, maar wel wanneer wij dat acceptabel vinden, dus niet tijdens de Sinterklaasperiode. Doe het maar daarbuiten.’

Deze documentaire van Remco Garcia laat met persoonlijke vlogs en intieme beelden vanuit de familiekring zien welke impact de commotie en dreigementen hebben op Akwasi, zijn vrouw Ahisha Ansah en hun kinderen, bijvoorbeeld als er een poederbrief wordt bezorgd of een stel boosaardige zwarte pieten voor de deur staat. Medestanders zoals schrijver Adriaan van Dis, rapper Bizzey, documentairemaker Sunny Bergman en rapper/zanger Typhoon geven daarbij duiding en context.

Iets meer tegengeluid of kritische vragen over Akwasi’s eigen rol in de controverses zouden daarbij welkom zijn geweest, al is het duidelijk niet Garcia’s bedoeling om z’n hoofdpersoon het vuur aan de schenen te leggen. Deze film wil zijn kant van het verhaal laten zien en werkt uiteindelijk toe naar het moment waarop Akwasi, in het najaar van 2020, betrokken raakt bij de ledenwerfactie van Omroep Zwart, dat een nieuw, kleurrijk geluid wil toevoegen aan het vaderlandse omroepbestel.

Daarmee lijkt het verhaal van deze uitgesproken stem van het hedendaagse Nederland overigens nog lang niet afgerond. Deze film is vooral een tussenopname, de weerslag van een formatieve periode uit zijn bestaan als opinieleider.

His Big White Self

‘Als Mandela oorlog wil, dan kan hij die krijgen!’, houdt Eugène Terre’Blanche zijn aanhang met gebalde vuist voor. De leider van de extreemrechtse Afrikaner Weerstandsbeweging (AWB) is in 1991 een niet te onderschatten machtsfactor in Zuid-Afrika, waar het Apartheidsregime piept en kraakt in z’n voegen. Al is het simpelweg door de dreiging van bruut geweld.

Met zijn gestaalde troepen, die zo zouden kunnen doorgaan voor een nazi-keurkorps en die bovendien een vlag eren waarop in eerste instantie een Swastika lijkt te prijken, kan de Afrikaner-leider elk moment een nieuwe geweldsgolf ontketenen in het land, waar een witte minderheid al tientallen jaren de grotendeels zwarte bevolking onderdrukt. Terre’Blanche staat totale segregatie voor, waarbij alle zwarte Zuid-Afrikanen tot hun eigen thuisland zijn veroordeeld.

De voormalige boer en politiechef, die graag te paard opereert, waant zich onaantastbaar als Nick Broomfield hem, samen met zijn chauffeur/dommekracht J.P. Meyer en diens echtgenote Anita, portretteert in The Leader, His Driver, And The Driver’s Wife. Veertien jaar later gaat de Britse filmmaker opnieuw op bezoek bij His Big White Self (93 min.), die dan net uit de gevangenis is. Ook ‘s mans voormalige chauffeur en zijn (inmiddels ex-)vrouw participeren weer in deze tweede film.

In de tijd die is verstreken sinds de eerste documentaire heeft er een aardverschuiving plaatsgevonden in Zuid-Afrika. ANC-leider Nelson Mandela, die in 1990 na 27 jaar gevangenschap eindelijk is vrijgekomen, wordt in 1994 tot president gekozen en zal het land vervolgens vijf jaar lang leiden. En het ANC is anno 2006 nog altijd de toonaangevende politieke partij. Het is een wereld waarin Zwart Zuid-Afrika de dienst uitmaakt en ‘The Leader’ en de zijnen nauwelijks meer op hun plek lijken.

Hoewel zij veelal blijven vasthouden aan hun archaïsche mengeling van traditioneel christelijke en racistische denkbeelden, zijn Terre’Blanche en de andere AWB’ers hun sleutelpositie in het land allang kwijtgeraakt. De herinneringen aan het Apartheidsregime, dat Nick Broomfield met archiefmateriaal nog eens in al zijn lelijkheid oproept, zijn echter nog lang niet vervaagd. En het barbaarse geweld waarmee dit tot het bittere einde toe is verdedigd kan elk ogenblik weer oplaaien.

De gevaarlijke bullebak Terre’Blanche, zichtbaar in beelden die de documentairemaker vijftien jaar eerder maakte, oogt inmiddels als een teruggetrokken oudere man, die zich gedeisd houdt en vooral bezig is met preken in de kerk en het schrijven van gedichten. Al verliest een oude vos zoals hij nooit helemaal zijn streken, zo blijkt als de theatraal aangelegde Broomfield – incognito, vanwege zijn lastige relatie met ‘The Leader’ – hem uiteindelijk in zijn thuisbasis Ventersdorp tóch voor de camera weet te krijgen.

Enkele jaren na het filmen van His Big White Self zal Eugène Terre’Blanche overigens alsnog worden ingehaald door de haat, die hij en andere landgenoten hebben gezaaid. Hij wordt in 2010 op zijn eigen boerderij op brute wijze vermoord.

George Wallace: Settin’ The Woods On Fire

PBS

‘Segregation now, segregation tomorrow, segregation forever!’ Met die controversiële slogan, uitgesproken tijdens zijn inauguratiespeech in 1963, nestelde gouverneur George Wallace (1919-1998) zich in Amerikaanse geschiedenisboeken. Op een zwartgerande bladzijde, dat wel. Als de verpersoonlijking van giftige ‘southern pride’.

Die malicieuze woorden waren echter niet zozeer de uiting van een diepgewortelde overtuiging als wel van een politieke keuze van de gouverneur van Alabama, één van de frontlinies in de strijd om burgerrechten voor zwarte Amerikanen. Wallace, die zijn publieke carrière was begonnen als een progressieve politicus, had een pact met de Duivel gesloten. Nadat hij ten onder was gegaan tijdens zijn eerste campagne om het gouverneurschap van de oerconservatieve zuidelijke staat, wist de rasopportunist één ding zeker: hij zou nooit meer ‘outniggered’ worden.

Alleen als spreekbuis van ‘Apartheid’ had Wallace politieke toekomst in Alabama. En daarmee zou hij in de jaren zestig zelfs een landelijke bekende politicus worden, een geduchte outsider bij presidentsverkiezingen. Totdat de loner Arthur Bremer tijdens een campagnebijeenkomst in 1972, voor het oog van de camera, vijf kogels in zijn lijf joeg. George Wallace raakte verlamd en was de rest van zijn leven veroordeeld tot een rolstoel. Hij zou er uiteindelijk een ander mens door worden. Een man die publiekelijk boete wilde doen voor zijn zonden.

Die persoonlijke ontwikkeling – van een positie als spreekbuis van de gewone werkeman via een langgerekte periode als Amerika’s opper-redneck tot een onverwachte remonte als bekeerling – wordt uitputtend, goed gedocumenteerd en afgewogen geboekstaafd in de biografie George Wallace: Settin’ The Woods On Fire (160 min.). Acteur Randy Quaid fungeert als de nuchtere verteller van Wallace’s tumultueuze levensverhaal. Zijn tweede vrouw, zoon George Jr., medewerkers en politieke mede- en tegenstanders zorgen voor de bijbehorende herinneringen. En Hank Williams levert het treffende titelnummer.

George Wallace oogt in deze gelauwerde postume biografie van Daniel McCabe en Paul Stekler uit 2000 toch eerst en vooral als een tragische figuur: een ontzettend begaafde politicus die ten prooi valt aan ongebreidelde machtshonger en daardoor zijn eigen idealen verkwanselt. Hij neemt zijn toevlucht tot de volksmennerspraktijken, die ook moeiteloos zijn te herkennen bij hedendaagse populisten. In wezen heeft elk volk, elk land, elk tijdsgewricht zijn eigen George Wallaces, mannen die feilloos herkennen waar het wringt en dat vervolgens, soms zelfs ondanks henzelf, zonder scrupules exploiteren.

Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy

Prime Video

In de nasleep van de Rodney King-rellen in Los Angeles startte Guy Torry begin jaren negentig een speciale avond met louter zwarte comedians in The Comedy Story. Dat podium zou een springplank worden voor een nieuwe generatie Afro Amerikaanse stemmen, zoals Martin Lawrence, Chris Tucker en Kevin Hart.

In de driedelige serie Phat Tuesdays: The Era Of Hip Hop Comedy (158 min.) kijkt Reginald Hudlin met de fine fleur van de Amerikaanse stand-upcomedy terug op die glorieperiode. ‘Guy stuurde een groep jonge, zwarte professionals aan’, vertelt comedian Dave Chappelle bijvoorbeeld. ‘Er zaten wat gangsterrappers bij, maar het was een eclectisch gezelschap. Zoals het leven van zwarte Amerikanen ook divers is. Het was geen eenheidsworst. De één was naar Harvard geweest, een ander naar de gevangenis.’

Phat Tuesday was voor hen een vuurdoop, vertellen entertainers als Steve Harvey, Tiffany Haddish, Cedric The Entertainer, Snoop Dogg en Regina King. Want Will Smith, Magic Johnson of Prince konden zomaar in de zaal zitten. En een zwart publiek is sowieso geen gedwee publiek. Een beleefd applaus hoef je als halfbakken grappenmaker niet te verwachten. Als het hen niet bevalt, laten ze dit op niet mis te verstane wijze merken. Ze beginnen misprijzend te kijken, draaien zich demonstratief van je af of roepen iets in de trant van: ‘Heb je ook nog wat leuks, gast?’

In de kantlijn worden er af en toe ook min of meer serieuze thema’s behandeld – seksisme, transcomedians en ‘bomben’, de plank helemaal misslaan, bijvoorbeeld – maar deze miniserie is eerst en vooral een ongegeneerde viering van de zwarte humor. Met veel sterke verhalen, popi jopi-gedrag en snelle grappen.

We Need To Talk About Cosby

Showtime

Als Zwart Amerika één gidsfiguur heeft gehad in de tweede helft van de twintigste eeuw, dan was het Bill Cosby. Ga maar na: hij geldt als de eerste breed geaccepteerde zwarte stand-up comedian, had als allereerste Afro-Amerikaan een hoofdrol in een televisieserie (I Spy), ontwikkelde zich in de jaren zeventig tot de grote kindervriend Fat Albert en floreerde tenslotte jarenlang als Amerika’s favoriete vaderfiguur Cliff Huxtable in de immens populaire The Cosby Show. En toen staken er steeds hardnekkigere geruchten de kop op over het drogeren en seksueel misbruiken van talloze vrouwen.

We Need To Talk About Cosby (236 min.) herbergt natuurlijk diverse pijnlijke getuigenissen van de vrouwen die, gedurende ruim een halve eeuw, werden misbruikt door ‘America’s Dad’. Toch is deze vierdelige documentaireserie van W. Kamau Bell veel meer dan de volgende #metoo-productie, waarin een bewonderde bekendheid wordt ontmaskerd als een vunzige machtswellusteling die geen enkel respect heeft voor de grenzen van een ander. Om precies te zijn, in Bill Cosby’s geval: als de belichaming van de zwarte verkrachter, die zich ook zomaar aan witte vrouwen kan vergrijpen.

Bell richt zich niet alleen op het afschminken van de notoire geilneef – en na bijna vier uur rest er van het Afro-Amerikaanse icoon nauwelijks meer dan een zielig hoopje man – maar plaatst hem ook nadrukkelijk binnen zijn culturele context: een zwarte gemeenschap die snakt naar rolmodellen en in Bill Cosby bijna een halve eeuw een ideaal uithangbord lijkt te hebben gevonden. In dat opzicht doet We Need To Talk About Cosby denken aan een andere epische docuserie over een gevallen zwart symbool, O.J.: Made In America (2016), over de van moord verdachte oud-footballer O.J. Simpson.

W. Kamau Bell, die zich als komiek een erfgenaam van Cosby voelt, vergeet ook diens verdiensten niet. De comedian/acteur/producent/schrijver heeft grote waarde gehad voor de ontwikkeling van een soort zwart bewustzijn. ‘Mensen zien in Cosby twee verschillende personen’, zegt schrijver/docent Jelani Cobb. ‘De ene is de grote mensenvriend en de andere een onvervalst roofdier. Maar ik vraag me af of je die twee van elkaar kunt scheiden.’ Want elke publieke belofte, daad of gift verhoogde Bill Cosby’s status en maakte het moeilijker om hem van zijn voetstuk te stoten.

Met een uitgelezen selectie van veelal zwarte oud-medewerkers, intellectuelen en deskundigen licht Bell de verschillende aspecten van Bill Cosby’s leven en carrière door, waarbij hij soms plotseling, zonder aankondiging vooraf, afslaat richting een individueel slachtofferverhaal. Zoals het ook in de praktijk ging: terwijl het publieke personage Bill Cosby weer een nieuwe manier had gevonden om ieders hart te veroveren, speurde de vent daarachter voortdurend naar jonge, kwetsbare vrouwen om enkele Quaalude-pilletjes te laten slikken en daarna zijn lusten op te botvieren.

De documentairemaker laat zijn gesprekspartners ook naar Cosby’s werk kijken. Fragmenten die destijds onschuldig leken, krijgen met de kennis van nu een geheel nieuwe lading en leiden tot ongemakkelijke conclusies. Dat het geperverteerde oeuvre van de inmiddels ook van wandaden beschuldigde shockrocker Marilyn Manson allerlei clous bevat over wat hij privé zoal uitspookte, kan nauwelijks een verrassing zijn. Maar dat ook de aimabele vrouwen(!)arts Cliff Huxtable uit The Cosby Show soms opzichtig hintte naar de hitsigheid van zijn bedenker/vertolker wekt toch wel enige verbazing.

Cosby’s strapatsen bleven echter verdacht lang een publiek geheim. Ook omdat zijn eigen gemeenschap ten koste van alles wilde voorkomen dat zwarte mannen zoals hij publiekelijk werden gelyncht. Totdat de comedian Hannibal Buress in 2014 de handschoen oppakte. ‘’Als je hier weggaat, googel dan “Bill Cosby verkrachting”’, hield hij zijn publiek voor. ‘Dat is niet grappig bedoeld. Die shit levert meer resultaten op dan “Hannibal Buress”.’ Zijn min of meer spontane actie vormde het startschot voor de publieke ontmanteling van het fenomeen Bill Cosby.

Deze intelligente, gelaagde en aangrijpende serie voorziet de Kwestie Cosby, en de toxische mannencultuur die de entertainer is gaan representeren, van allerlei verschillende perspectieven en zoekt daarbij ook de pijnpunten binnen de zwarte wereld op. ‘Eerlijk gezegd heb ik tijdens het maken van deze documentaire vaak overwogen om ermee te stoppen’, zegt W. Kamau Bell niet voor niets. ‘Ik wilde vasthouden aan mijn herinneringen aan de Bill Cosby van voordat ik Bill Cosby leerde kennen.’

Attica

Showtime

Op 9 september 1971 komt het tot een massale opstand in de Attica State Prison, in de Amerikaanse staat New York. In de gevangenis zijn de maatschappelijke spanningen die er sowieso al bestaan tussen zwart en wit in de Verenigde Staten en grove misstanden in de gevangenis zelf versmolten tot een mengsel dat wel tot explosie móet komen. De gedetineerden, voor driekwart zwart of latino, komen daarbij oog in oog te staan met een volledig witte bewaardersgroep, afkomstig uit de plaatselijke gemeenschap. En de hele wereld kijkt mee, via enkele reporters die vanuit de gevangenis verslag doen.

Regisseur Stanley Nelson heeft zich met documentaires als Marcus Garvey: Look For Me In The Whirlwind, Freedom Riders, The Black Panthers: Vanguard Of The Revolution en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy in de afgelopen jaren opgeworpen als een betrouwbare chroniqueur van de historie van Zwart Amerika. In zijn nieuwe film Attica (117 min.) reconstrueert hij de roemruchte gevangenisopstand met voormalige gevangenen, familieleden van gegijzelde bewaarders, advocaten, onafhankelijke observeerders, leden van de National Guard en de verslaggevers die destijds ter plaatse waren.

De gedetineerden leggen een heel eisenpakket op tafel, met uiteindelijk één heel eenvoudige boodschap: ze willen voortaan als mens worden behandeld. Burgerrechten, juist. Daarmee lijken ze zowaar een heel eind te komen. Tótdat na enkele dagen een bewaarder aan zijn verwondingen bezwijkt en gouverneur Nelson Rockefeller van New York, onder invloed van het Law & Order-beleid van de Republikeinse president Nixon, zich genoodzaakt ziet om de onderhandelingen te staken. De afloop laat zich vervolgens zonder al te veel moeite voorspellen: deze situatie gaat vol-le-dig escaleren.

In de tragische ontknoping, opgeroepen met emotionele getuigenissen en dramatische archiefbeelden, worden de oproerlingen hardhandig tot de orde geroepen – ‘ontmenselijkt’ is ook geen slechte omschrijving. Zo ongeveer moeten die ‘niggers’ op slavenschepen ooit zijn behandeld. Een enkele bewaarder bestaat het zelfs om voor de camera ‘white power’ te roepen. Het is de treurige slotsom van een krachtige historische film, die zich weliswaar een halve eeuw geleden afspeelt maar toch bijzonder actueel voelt. In het protest van de gevangenen is zonder moeite de zwarte pijn te ontdekken die ook de hedendaagse Black Lives Matter-protesten voortdrijft.

Mr. Soul!

HBO

De Afro-Amerikaanse representatie op televisie is in de jaren zestig nog altijd zwaar onder de maat. Als het publiek al zwarte Amerikanen krijgt te zien, dan is het omdat ze in de problemen zitten of die zelf veroorzaken. In 1968 start het National Educational Television Network daarom in New York met Soul!, een live-programma over zwarte cultuur: dichters, muzikanten, acteurs, schrijvers, dansers en opiniemakers

Het wordt een ‘complete and utter love affair with your Blackness’, stelt Sade Lythcott, de dochter van de schrijfster, actrice en producent Barbara Ann Teer die als oprichter van The National Black Theater regelmatig te gast is in de show van gastheer en producer Ellis Haizlip. Met allerlei direct betrokkenen klopt diens nicht Melissa nu het stof van Haizlip zelf, openlijk homoseksueel, en diens geesteskind in de oerdegelijke documentaire Mr. Soul! (104 min.).

Melissa Haizlip laat ook coryfeeën van Zwart Amerika zoals Harry Belafonte, Kathleen Cleaver en Questlove (die dit jaar zelf overigens scoorde met Summer Of Soul, een thematisch verwante documentaire over de zwarte tegenhanger van Woodstock) aan het woord over de show waarin uiteenlopende zwarte stemmen zoals Stokely Carmichael, Toni Morrison, Sidney Poitier, Stevie Wonder, James Baldwin, Al Green en The Last Poets (met het furieuze Die Nigga!!!) zijn te horen.

Intussen wordt er – natuurlijk! – druk gezaagd aan Haizlips stoelpoten. Van dat nieuwe geluid, waarin het gedachtegoed en de soundtrack van de burgerrechtenbeweging doorklinken, moet de nieuwe Amerikaanse president Richard Nixon bijvoorbeeld helemaal niets hebben. Hij ziet het als een linksige aanval op de kernwaarden van zijn ‘zwijgende meerderheid’. Nixon begint aan de financiering van het publieke televisieprogramma te morrelen.

Zo komt het einde in zicht voor de show die van 1968 tot 1973 een podium heeft geboden aan alle vormen van zwarte cultuur en in het bijzonder zwarte vrouwen een warm hart toedraagt. Een hele generatie Afro-Amerikanen heeft door Soul! op een andere manier naar zichzelf leren kijken. En dat heeft ongetwijfeld weer zijn weerslag gehad op hoe zij in de wereld staan en die naar hun hand proberen te zetten. Het idee alleen al dat een ‘soul brother’ als Barack Obama president zou kunnen worden…

Toni Morrison, Black Matter(s)

Arte

‘Eerst wilde ik er niet aan: het was te pijnlijk’, vertelt de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931-2019) aan het begin van deze documentaire over Beloved (Beminde), het boek over de gruwelen van slavernij waarvoor ze in 1988 een Pulitzer Prize kreeg. ‘Als zij er hun hele leven mee moesten leven, dan kon ik er wel enkele jaren aan besteden om een boek te schrijven’.

In Toni Morrison, Black Matter(s) (52 min.) belicht regisseur Claire Laborey met enkele kenners het werk van de schrijfster die tevens als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur won en die in 2012 van de zwarte Amerikaanse president Barack Obama de Presidential Medal Of Freedom kreeg. Morrison zelf komt natuurlijk ook veelvuldig aan het woord via interviews en fragmenten uit haar geschriften, ingesproken door actrice Fanny Gautier.

Deze verzorgde film, die verder een treffende mixture van foto’s, filmbeelden en animaties rond de beladen geschiedenis van Zwart Amerika bevat, richt zich overigens niet zozeer op Morrisons leven en carrière, maar op de inhoud en betekenis van haar werk en hoe ze daarmee het Amerikaanse verhaal heeft proberen te herschrijven. Met haar uitgesproken visie heeft de schrijvende denker bovendien aansluiting gevonden bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-beweging.

En Toni Morrison, Black Matter(s) kan worden geboekstaafd als een gedegen weerslag van de erfenis van deze trotse, intelligente en welbespraakte vrouw, die tot op hoge leeftijd een krachtig zwart zelfbewustzijn heeft uitgedragen.

My Name Is Pauli Murray

Amazon Prime

In 1940, vijftien jaar voordat Rosa Parks in de bus weigerde om op te staan voor een witte passagier, deed een andere zwarte vrouw min of meer hetzelfde. Zij is echter behoorlijk in de vergetelheid geraakt. My Name Is Pauli Murray (93 min.) zet de schijnwerper op deze opmerkelijke persoonlijkheid, die een groot deel van haar leven op de barricaden stond voor een eerlijkere wereld.

Pauli Murray (1910-1985) schreef vlammende brieven aan president Franklin Roosevelt en raakte bevriend met zijn vrouw Eleanor. Later stond ze in de frontlinie van de burgerrechtenstrijd. En als feministe van het eerste uur maakte ze zich sterk voor gelijke rechten voor vrouwen. Intussen paste ze als persoon niet in de vaste hokjes voor de twee geslachten: ze voelde zich een man in een vrouwenlichaam en had jarenlang een relatie met een andere vrouw. Murray worstelde bovendien haar hele leven met depressies en andere psychische problemen.

Elementen genoeg, kortom, voor een doorleefd portret van een strijdbare activiste die vaak voor de muziek uitliep en daardoor lang niet altijd de credits kreeg voor haar baanbrekende werk. Deze film van Betsy West en Julie Cohen (samen ook verantwoordelijk voor RBG, een portret van de linkse superster van het Amerikaanse hooggerechtshof Ruth Bader Ginsburg) brengt alle elementen van Murrays veelzijdige leven netjes bij elkaar, inclusief fragmenten uit haar vele geschriften en audio-opnames waarin ze uit eigen werk voorleest. De film kleurt alleen een beetje al te nadrukkelijk binnen de lijntjes.

Alle sprekers – vrienden en kennissen, enkele biografen en zwarte professoren die het belang van haar leven en werk duiden – vertrekken vanuit min of meer dezelfde positie: dat Pauli Murray een sleutelrol heeft gespeeld in de vrijmaking van groepen die in de Verenigde Staten van de twintigste eeuw een achtergestelde positie hadden. Dat uitgangspunt snijdt ongetwijfeld hout, maar is niet per definitie ook een vruchtbare basis voor een verhaal dat echt sprankelt, knarst of verrast. My Name Is Pauli Murray is uiteindelijk vooral een aansprekende preek voor de eigen parochie.

Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali

Netflix

Cassius Clay zou het gaan opnemen tegen Sonny Liston. Malcolm X zag zijn kans schoon. Clay kon de Nation Of Islam heel veel nieuwe volgers bezorgen. En daarmee zou Malcolm, die in onmin was geraakt met de geestelijk leider Elijah Muhammad, zijn positie in de organisatie kunnen herstellen of zelfs versterken. In februari 1964 ging Malcolm X dus met zijn complete gezin op bezoek bij Cassius Clay om hem succes te wensen. De foto’s zouden al snel in alle kranten staan.

Nu moest Clay alleen nog even Liston tegen de touwen slaan en de wereldtitel boksen in het zwaargewicht opeisen. Er was alleen niemand die daarin geloofde. Deze praatjesmaker, bijgenaamd The Louisville Lip, zou zonder enige twijfel het onderspit delven tegen de imposante titelverdediger Sonny Liston. Even later zou dan ook Malcolm X definitief in het stof bijten. Het liep helemaal anders: Cassius Clay won, bekeerde zich vervolgens tot de islam en veranderde zijn naam in Muhammad Ali. Malcolm zou daarvan echter nauwelijks profiteren. Binnen een jaar was hij dood, de machtsstrijd met Elijah Muhammad was hem letterlijk fataal geworden.

De documentaire Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali (96 min.) concentreert zich op de relatie tussen de twee trotse zwarte Amerikanen, die zich in die jaren, samen met Martin Luther King, ontwikkelden tot de meest uitgesproken pleitbezorgers van Zwart Amerika. Gedurende enkele jaren onderhielden zij een relatie die voor beiden profijtelijk leek. Totdat hun vriendschap grondig werd verziekt door de vuile oorlog binnen de Nation Of Islam. Regisseur Marcus A. Clarke laat die geschiedenis herleven met familieleden, vrienden en biografen van Ali en Malcolm en inkaderen door zwarte opinieleiders zoals Cornel West, Al Sharpton en Julius Garvey, de zoon van de vermaarde burgerrechtenpionier Marcus Garvey. Clarke kleedt hun herinneringen en statements natuurlijk aan met fraai archiefmateriaal en verbindt dat dan weer met een lekker jazzy soundtrack.

De levensverhalen van Malcolm X en Muhammad Ali zijn al talloze malen verteld en zullen nog talloze malen worden verteld. Deze stevige documentaire onderscheidt zich echter van vrijwel alle Ali-portretten door het nagenoeg ontbreken van boksbeelden, terwijl films over/met Malcolm X doorgaans minder aandacht besteden aan diens geslepenheid en opportunisme. De focus op hun onderlinge relatie, die overigens ook al een prominente rol speelt in de fijne misdaadserie Godfather Of Harlem, betaalt zich aan het eind van Blood Brothers bovendien nog eens extra uit als de oude bokser toch wel spijt blijkt te hebben gekregen van enkele verbale opdoffers die hij aan zijn vermoorde vriend heeft uitgedeeld.

The Photograph

Memphis Films

Sherman de Jesus kent hem alleen van die ene verweerde zwartwit-foto. Gemaakt in de befaamde Harlem Studio te New York, ongeveer honderd jaar geleden. Zijn opa Juan de Jesus, een zeeman en handelaar uit Curaçao. Fier kijkt hij in de camera. Een donkere man in zijn nette pak. Een knappe kerel ook, vindt Donna Mussenden, de weduwe van de toenmalige fotograaf James van der Zee (1886-1983) die ook diens erfgoed beheert.

In de eerste helft van de twintigste eeuw vereeuwigde Van der Zee de Afro-Amerikaanse gemeenschap van New York tijdens de zogenaamde Harlem Renaissance, toen zwarte muziek, kunst en literatuur floreerden. De mannen, vrouwen en kinderen van de zogenaamde ‘New Negro Movement’ staan er op hun paasbest op. Het zijn trotse foto’s, van mensen die aan zichzelf en de rest van de wereld, waar racisme en segregatie nog aan de orde van de dag zijn, willen laten zien dat ze iets voorstellen.

In het hedendaagse New York gaat Sherman de Jesus, met The Photograph (98 min.) in de hand, de gangen na van de fotograaf, die later ook zwarte iconen als Muhammad Ali en Bill Cosby portretteerde, en schetst de wereld waarin deze leefde. De Nederlandse filmmaker laat zich, begeleid door dampende jazzmuziek, bovendien rondleiden door fotografen, historici en andere chroniqueurs en luistert naar hun verhalen over uiteenlopende onderwerpen als de vermaarde Cotton Club, lynchpartijen, burgerrechtenpionier Marcus Garvey, de crackepidemie en gentrificatie.

De Jesus geeft ook zijn ogen – en de onze – goed de kost. Hij vangt zo kalm de atmosfeer op straat in Harlem en vereeuwigt op zijn beurt de gezichten van de Afro-Amerikaanse gemeenschap die zich daar ophoudt. Het is een kleurrijke omgeving, waar de Harlem Renaissance een kleine eeuw later nog altijd voelbaar is en waar hij zich ook zelf senang voelt.

Obama: In Pursuit Of A More Perfect Union

HBO

‘Veel geluk bij alles wat je doet en haal dat diploma rechten,‘ leest Anthony Peterson de boodschap voor die klasgenoot Barry ooit in zijn jaarboek schreef. ‘Want ooit, als ik een beroemde basketballer ben, wil ik vast mijn team onder druk zetten voor meer geld.’

Peterson zou later nog wel eens de boer opgaan met het jaarboek en vroeg dan steeds: denken jullie dat deze gast echt basketballer is geworden? Het antwoord was doorgaans ‘nee’. Dat is immers voor weinigen weggelegd. Maar wat zou er dan met hem zijn gebeurd? Vaak opperde er dan iemand dat Petersons klasgenoot waarschijnlijk in de gevangenis zou zitten of al dood was.

Niemand had tenslotte kunnen bedenken dat Barry president van de Verenigde Staten zou worden, de eerste zwarte.

‘Race doesn’t matter’, scandeerden zijn supporters nadat Barack Obama begin 2008 de primary van de Amerikaanse staat South Carolina had gewonnen. Ze hielden zichzelf een beetje voor de gek: zijn ras was én is precies wat Obama definieert als politicus. Was hij bijvoorbeeld wel zwart genoeg? Kon een Afro-Amerikaan überhaupt president van de Verenigde Staten worden? En hoe zwart kon zo’n leider zijn en was hij dan daadwerkelijk in staat om het lot van al die zwarte Amerikanen ten positieve te beïnvloeden?

Obama’s identiteit als zwarte man en Amerika’s uiterst moeizame verhouding daartoe vormt ook het hart van de doeltreffende driedelige serie Obama: In Pursuit Of A More Perfect Union (306 min) van Peter Kunhardt, die eerder films maakte over de Amerikaanse presidenten Abraham Lincoln en Richard Nixon en ook Obama’s opponent bij de presidentsverkiezingen van 2018, John McCain, portretteerde. Hij gaat met Obama-insiders (spin doctor David Axelrod, adviseur Valerie Jarrett en speechschrijver John Favreau), burgerrechtenleiders (John Lewis, Al Sharpton en Jesse Jackson) en prominente Afro-Amerikaanse denkers (Cornel West, Jelani Cobb en Ta-Nehisi Coates) op zoek naar de essentie van de man en zijn missie.

De vertelling is chronologisch opgebouwd: de eerste aflevering concentreert zich op Obama’s jonge jaren, het tweede deel behandelt de baanbrekende campagne die hem in het Witte Huis zou brengen en het even lijvige als krachtige slot omvat ‘s mans complete presidentschap. De toonzetting is positief-kritisch en Kunhardt houdt zijn ogen consequent op de bal: Obama en Amerika’s giftige rassenrelaties, op gezette momenten ingekleurd met beelden uit de (inkt)zwarte historie.

Andere deelthema’s komen slechts zijdelings aan bod. Échte opponenten krijgen geen spreektijd en er is ook nauwelijks aandacht voor het politieke theater en de bijbehorende straatgevechten. Daardoor oogt dit drieluik in eerste instantie wat braaf. Gaandeweg betaalt die keuze voor het grotere, symbolische verhaal – waarin bijvoorbeeld de controverse rond Obama’s uitgesproken pastor Jeremiah Wright, de van racisme doortrokken complottheorie over zijn geboorteakte en het ontstaan van de Black Lives Matters-beweging logisch op hun plek vallen – zich echter onmiskenbaar uit.

Kunhardts reconstructie van het raciale mijnenveld dat Obama uiteindelijk tamelijk ongeschonden door is gekomen culmineert in een diep ontroerende scène van de uitvaart van een vermoorde zwarte dominee te Charleston. Als ‘the chosen one’ even alle reserve laat varen, de hymne Amazing Grace aanheft en alle aanwezigen tranen in de ogen zingt.

Na acht tropenjaren in het Witte Huis, die waren gestoeld op de hoop dat de Verenigde Staten een post-raciale natie was geworden, wordt de eerste zwarte Amerikaanse president opgevolgd door een soort anti-Obama, de verpersoonlijking van alles waar hij zich als mens, politicus en symbool tegen heeft verzet en een man die hem in de voorgaande jaren hoogstpersoonlijk heeft zwartgemaakt: Donald Trump.

Helaas: race does matter.

The School That Tried To End Racism

Channel 4

‘Dit is gewoon niet eerlijk’, constateert de elfjarige Farrah verontwaardigd.

‘Farrah, niemand hier is wit’, antwoordt haar klasgenoot Makhai, terwijl hij geïrriteerd om zich heen kijkt. ‘Het is niet eerlijk.’

De kinderen participeren met hun klas deel in een experiment over latent racisme. Straks gaan ze aan een hardloopwedstrijd meedoen. Van tevoren wordt ieders startpositie bepaald. Dat gebeurt aan de hand van stellingen. Laatste: als je ouders je ooit voor racisme hebben gewaarschuwd, zet je een stap terug.

Inmiddels staan alle zwarte en gekleurde kinderen achteraan, inclusief Farrah en Makhai. Zij hebben nu al een onoverkomelijke achterstand opgelopen ten opzichte van de witte kinderen. ‘Als we nu gaan lopen is dit dan een eerlijk beginpunt voor iedereen?’ vraagt de gymjuf van dienst. ‘Nee!’ roept Farrah. Makhai vult aan: ‘Ik ben een beetje gefrustreerd dat de samenleving niet eerlijk is.’

En dat is natuurlijk precies wat The School That Tried To End Racism (91 min.) wil aantonen – en liefst ook nog hoe dat kan worden veranderd. In deze interessante tweedelige tv-docu van Rachel Dupuy en David Harris wordt de brugklas van de Glenthorne High School in Zuid-Londen gevolgd. Die gaat deelnemen aan een sociaal experiment van drie weken rond onbewust racisme. De klas vormt een ideale onderzoeksgroep: de helft van de leerlingen is zwart of gekleurd, de rest van de kinderen is dat niet.

De 24 elfjarigen laten zich onderwerpen aan een toets over vooroordelen, participeren in affiniteitsgroepen en krijgen volstrekt willekeurig privileges toebedeeld (of juist niet). Daarnaast trekken ze de wijde wereld in, op zoek naar wat het daar betekent om zwart of wit te zijn. Dit proces wordt gadegeslagen en becommentarieerd door twee deskundigen op het gebied van onbewuste rassenvooroordelen, een zwarte en een witte vrouw. Zij willen weten welk effect het project heeft. En: zou het ook een bijdrage kunnen leveren aan een meer inclusieve samenleving?

Na afloop van de hardloopwedstrijd is er in elk geval nauwelijks blijdschap bij de winnaars. Wat stelt die overwinning voor als je weet dat een groot deel van de concurrentie al bij voorbaat op achterstand is gezet?