Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me

Hoewel Harold Melvin vanzelfsprekend te boek stond als leider van de succesvolle soulgroep Harold Melvin and The Blue Notes, was het in werkelijkheid Teddy Pendergrass (1950-2010) die grote hits als Don’t Leave Me This Way en If You Don’t Know Me By Now zong. Volgens hun songschrijf- en producersduo Kenny Gamble en Leon Huff, de architecten van de zogenaamde Philly Sound, had hij een stem als ‘raw meat’. Terwijl Teddy daarmee begin jaren zeventig ieders hart veroverde, streek Harold ondertussen stiekem het leeuwendeel van de inkomsten op. Dat kon natuurlijk niet goed gaan.

In 1976 verliet een gebelgde Pendergrass The Blue Notes voor een solocarrière die hem vijf opeenvolgende platina platen opleverde en tot een absoluut (vrouwen)idool maakte. The Black Elvis, in de woorden van zijn handige manager Shep Gordon. Want Teddy Pendergrass werkte als een magneet op het andere geslacht. ‘Er kwam eens een vrouw backstage toen ik net de kleedkamer wilde verlaten’, vertelt hij zelf in een talkshow. ‘Ze pakte een mes uit haar zak en zei: als ík je niet kan hebben, zal niemand je hebben. En ze haalde nog uit ook!’ Hij kan het zelf nauwelijks geloven: ‘Een zwarte vrouw, met een zwart mes.’

En toen, op het hoogtepunt van zijn roem, parkeerde hij in 1982 zijn Rolls Royce tegen een boom. Het auto-ongeluk zou hem voortaan aan een rolstoel kluisteren en fungeert als breekpunt in Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me (106 min.). In dit gesmeerde portret van Olivia Lichtenstein uit 2018 komt Teddy zelf aan het woord via fragmenten uit zestig audiocassettes waarin hij over zijn leven vertelt. Zijn moeder Ida, kinderen, familieleden, (jeugd)vrienden, bodyguard, bandleden en allerlei vrouwen die hun hart aan hem verloren zorgen intussen voor duiding en rugdekking.

Van de viriele vent, die zonder vader opgroeide in een achterbuurt van ‘the city of brotherly love’ Philadelphia en die vanuit deze ervaring als geen ander de zwarte gemeenschap wist te raken, is na het ongeluk weinig over. Kan hij überhaupt nog zingen? Menigeen in zijn directe omgeving heeft er z’n twijfels over. Pendergrass probeert ondertussen de zin van het/zijn leven terug te vinden. Die queeste vormt de apotheose van deze lekkere, met een aanzienlijke portie kneitersoul afgewerkte, film over een hart & ziel-zanger die de laatste jaren enigszins in de vergetelheid is geraakt.

Springsteen & I

Hij behoort al enige tijd tot het selecte gezelschap artiesten dat boven elke twijfel verheven lijkt. Bob Dylan, The Beatles, David Bowie, Nick Cave en… Bruce. Die voornaam volstaat overigens. 

Als hoofdpersoon van documentaires houdt Springsteen – hij dus – via zijn huisfilmer Thom Zimny graag de teugels stevig in handen – al draaft hij, eerlijk is eerlijk, dan ook weer met liefde en plezier op in allerlei popdocu’s over collega’s, om hen hoogstpersoonlijk een veer in de reet te steken.

Voor Springsteen & I (77 min.) wordt hij in zekere zin aan de zijlijn geparkeerd. In deze alleraardigste film van Baillie Walsh uit 2013 staat die ik namelijk centraal. Beter: al die ikken. Doorgewinterde fans van de Amerikaanse rocker die hebben vastgelegd wat Bruce en zijn muziek voor hen betekenen.

Hij pept hen op, inspireert, troost, onderwijst, windt op, emotioneert en leert hen zichzelf beter kennen. Bruce speelt ook – dat weten ze zeker – eigenlijk alleen voor hen. ‘We zijn al vrienden sinds 1985’, vertelt een Deense vrouw bijvoorbeeld overtuigd. ‘Ook al kent hij me niet.’

Deze film is niets meer (of minder) dan een aaneenschakeling van statements, loftuitingen en anekdotes van Bruce’s hondstrouwe achterban, doorsneden met talloze fragmenten van ‘s mans vrolijke, vurige en gedragen performances. Dat pakt beurtelings grappig, gênant en ontroerend uit.

Ze boden zich als Courtney Cox aan om met hem dansen tijdens Dancing In The Dark, mochten uitgedost als Elvis een moppie met hem spelen (en wilden vervolgens eigenlijk niet meer van het podium af) of werden ontmaagd op één van zijn prijsnummers, het machtig mooie Thunder Road.

Behalve een eerbetoon aan hun geblokte idool wordt deze documentaire zo ook een soort zelffelicitatie. Want Bruce Springsteen is een sublimatie van wie zij zijn of willen zijn. Een onwerkelijk grote held en toch zo’n gewone, aanraakbare jongen. Waar zij dan weer perfect bij passen.

Moonage Daydream

NBC Universal

Met de drie documentaires Finding FameFive Years en The Last Five Years heeft filmmaker Francis Whately de carrière van de gelauwerde Britse muzikant, acteur en beeldend kunstenaar David Bowie (1947-2016) al netjes in kaart gebracht. Klus geklaard, zou je zeggen. Door naar het volgende icoon.

Dat is echter buiten regisseur Brett Morgen gerekend, die van de Erven Bowie toegang kreeg tot diens persoonlijke archief en dat binnenstebuiten heeft gekeerd om Een Andere Bowie-film te maken. Geen rechttoe rechtaan popdocu, maar een immersieve film. Een ervaring, zogezegd. Een portret ook dat niet zozeer de mens achter de mythe vandaan probeert te halen, maar juist, in de geest van Bowie zelf, verder probeert te mythologiseren.

Dat diens nabestaanden Morgen de vrije hand lijken te hebben gegeven is gezien zijn sublieme films over The Rolling Stones (Crossfire Hurricane), Nirvana-voorman Kurt Cobain (Montage Of Heck) en de beschermvrouwe van ‘s werelds chimpansees Jane Goodall (Jane) overigens niet zo vreemd. De Amerikaanse documentairemaker heeft het vermogen om bestaand materiaal binnenstebuiten te keren, volledig naar zijn hand te zetten en er nieuwe lagen en thema’s in te ontdekken.

Moonage Daydream (140 min ) is in dat opzicht een logische volgende film: net zo virtuoos gemonteerd als z’n voorgangers – waarbij Bowie’s muziek, die zelden beter klonk, de toon zet – maar op het eerste oog wel minder verhalend. Behalve off screen quotes van de hoofdpersoon zelf en oude tv-gesprekken met hem bevat de documentaire geen enkel (zit)interview. Familieleden, vrienden en collega’s hebben natuurlijk ook al hun kans gekregen in Whately’s trilogie.

Voor deze absolute tour de force leefde Morgen vijf jaar lang met Bowie. Alleen het bekijken en beluisteren van het materiaal kostte hem al twee jaar van zijn leven. Hij monteerde de film geheel alleen en moest daarbij ook nog een hartaanval, waardoor hij zelfs in coma belandde, te boven komen. En toen was er deze associatieve trip door de wereld van een man, een ‘generalist’ in zijn eigen woorden, die van zichzelf een caleidoscopische kunstobject heeft gemaakt.

Die focust zich meer op de kunstenaar en het fenomeen Bowie dan op de man daarbinnen – al treedt die gedurende de film, die min of meer chronologisch is opgebouwd, wel steeds meer op de voorgrond. Die ontwikkeling lijkt de hoofdpersoon zelf ook te hebben doorgemaakt. ‘Ik ben niet mijn werk, maar een entiteit die aandacht nodig heeft’, zegt David Bowie in de tweede helft van de docu, die hem tot dan als een door alles en iedereen bewonderde ‘loner’ heeft geportretteerd.

Moonage Daydream wordt zo het levensgrote uitroepteken – neergepend door een maker die overduidelijk verliefd is geworden op zijn onderwerp – achter de imposante carrière van een kunstenaar met duizend gezichten.

My Life As A Rolling Stone

Videoland / BBC

Interessant idee: de geschiedenis van The Rolling Stones aan de hand van portretten van de individuele bandleden. Eerst Mick, daarna Keith, Ronnie en (wijlen) Charlie. Maar, zo vraag je je dan meteen af, loopt dan ook niet langzaam de lucht uit de serie? De kern zit immers bij het songschrijversduo The Glimmer Twins: zanger Jagger en gitarist Richards. Welnu, the proof of the pudding is in the eating: de vierdelige miniserie My Life As A Rolling Stone (236 min.).

Allereerst: die portretten zijn eigenlijk heel aardig, ook al graven ze niet enorm diep. Ze bevestigen vooral de oerbeelden die je al hebt van de bandleden en voegen hier en daar saillante details toe: Mick als zakelijke hart van de band, Keith als muzikale geweten. ‘Nieuweling’ Ronnie die halverwege de jaren zeventig de lol terugbrengt, Keiths gitaarbroertje wordt en een echte verbinder blijkt. En Charlie, de onverstoorbare jazzdrummer die per ongeluk ruim een halve eeuw in een rock & rollband verzeild is geraakt.

Oud-bandleden komen er intussen bekaaid vanaf in deze serie van Sam Anthony: oprichter en zelfverklaard bandleider Brian Jones duikt hier en daar zijdelings in het verhaal op, tweede gitarist Mick Taylor komt vooral via zijn vertrek ter sprake en de naam Bill Wyman, toch een slordige dertig jaar bassist van The Stones, valt zelfs (vrijwel) helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de tweede helft van de zes decennia die de Britse rockband nu al actief is. Die heeft muzikaal natuurlijk ook niet al te veel opgeleverd.

Verder loodst actrice Sienna Miller de kijker geroutineerd door de vier levensverhalen heen. Ze wordt, buiten beeld, in de rug gedekt door grootheden als Tina Turner, Rod Stewart, Jon Bon Jovi, Sheryl Crow, Lars Ulrich, Tom Waits, Chrissie Hynde en Brian Johnson. Aardiger nog zijn de bijdragen vanuit de entourage van de band, zoals achtergrondzanger Bernard Fowler, geluidstechnicus Glyn Johns, Richards’ gitaartechnicus Pierre de Beauport en de designer van het befaamde tonglogo, John Pasche.

Gezamenlijk voegen zij kleur en detail toe aan het welbekende bandverhaal, bijvoorbeeld over Mick Jaggers vermarkting van de groep, zijn bittere conflicten met Richards en Ronnie Woods aanhoudende drank- en drugsproblemen. Die nopen uiteindelijk nota bene Keith Richards – zelf jarenlang nummer één op de lijst van verwachte rockdoden – om in te grijpen. Wel een kwestie van ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’, aldus de gitaargod die echter weigert om zijn maatje verloren te laten gaan.

En het laatste deel, een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Charlie Watts (1941-2021), is zowaar inderdaad een prima afsluiting, waarvoor de deuren letterlijk opengaan. Bij ‘s mans kleermaker, in Watts’ hoofd (waarin gedurig dwangstoornissen opspeelden en een midlifecrisis hem op latere leeftijd nog opzadelde met een heroïneverslaving, die volgens Keith niet bij hem paste) en van zijn imposante privéarchief (een opslagruimte met gewilde drumattributen, die ooit een museumcollectie moeten gaan vormen).

My Life As A Rollling Stone wordt zo een alleraardigst (zelf)portret van ‘the greatest rock n’ roll band on earth’, die nu toch zo langzamerhand echt, écht!, is aanbeland in de eindfase van zijn periode op aarde. En daarna zijn er nog altijd de verhalen en – natuurlijk, ook in deze miniserie niet te versmaden en met smaak opgediend – dat imposante songboek.

Gurrumul

Drie dagen voor zijn dood op 25 juli 2017 zou Geoffrey Gurrumul Yunupingu zijn goedkeuring aan deze film hebben gegeven. En dat was al heel wat. Want Gurrumul (96 min.) stond niet te boek als een grote prater. Sterker: de begenadigde Australische muzikant zei meestal geen woord. Zijn muziek vertelde alles wat hij had te zeggen. Over zijn identiteit als (blinde) aboriginal uit Galiwikin’ku, in het noorden van het land.

Vragen van journalisten of fans liet de zoon van de Yolnu-stam doorgaans over aan zijn jonge, witte producer Michael Hohnen, die behalve zijn muzikale rechterhand en personal assistant ook z’n spreekbuis werd. En als zijn ‘broeder’ geschoren moest worden, haalde de ‘balanda’ Michael, getuige deze boeiende documentaire van Paul Damien Williams uit 2018, ook gerust het scheerschuim voor de dag en schoor hem vervolgens liefdevol.

Behalve een innemend portret van een ondoorgrondelijke man en volstrekt oorspronkelijke zanger/gitarist, die volgens zijn vader kon zien met zijn hart, is deze film ook een diepe duik in de Australische aboriginal-cultuur, die regelmatig haaks lijkt te staan op de mores van de westerse wereld. De eigen rituelen en tradities zijn daarbij leidend en krijgen voorrang op zoiets triviaals als een uitgekiende carrièreplanning.

Een mismatch ligt dus voortdurend op de loer. Dat komt bijzonder treffend tot uiting in een schurende scène met Sting, waarbij het voor Gurrumul in eerste instantie onmogelijk lijkt om een bijdrage te leveren aan een live-uitvoering van diens popklassieker Every Breath You Take. Uiteindelijk vinden de twee rasmuzikanten elkaar tóch in de universele taal die ze allebei tot in de finesses beheersen en zingt de Australische zanger zich moeiteloos ieders hart in.

‘Gurrumul bouwde een brug tussen de Yolnu en balanda’, zegt een familielid treffend. ‘Hij maakte een brug voor ons, zodat wij daarnaartoe kunnen gaan.’ Nadat Gurrumul zich op slechts 46-jarige leeftijd in het hiernamaals bij zijn voorouders voegde, zijn ’s mans naam en muziek dan ook gedurig blijven rondzingen. Als één van de belangrijkste exponenten van authentiek Australische cultuur.

20.000 Days On Earth

20.000 Days On Earth (93 min.) heeft hij volgens zijn eigen berekeningen inmiddels achter de rug – althans, dat is de premisse van deze weldadige docu/mockumentary over Nick Cave uit 2014 – en dan lijkt dag 20.001 een ideale gelegenheid om de balans op te maken. Een fictieve dag, dat wel, waarop de Australische zanger en (song)schrijver plaatsneemt op een stoel bij de psychiater en vertelt over zijn eerste seksuele ervaring, relatie met z’n vader en verhouding tot het geloof. 

Een dag ook waarop hij zijn eigen archief bezoekt en kijkt naar De Jonge Cave. Waarop hij achter het stuur van zijn auto kruipt en het gesprek aangaat met bijrijders zoals acteur Ray Winstone, oud-bandlid Blixa Bargeld en zangeres Kylie Minogue. En waarop hij voor een copieuze maaltijd aanschuift bij bloedsbroeder Warren Ellis. En daarbij komt het gesprek dan op een angstaanjagend optreden van Nina Simone. Ellis hield daaraan een kauwgom over. Die inspireerde hem onlangs tot het boek Nina Simone’s Gum. Althans, zo wil het verhaal dat de twee graag delen.

Aan de hand van de levensgeschiedenis van hun illustere protagonist belanden de Britse filmmakers (en kunstenaars) Iain Forsyth en Jane Pollard zo bij een soort gefictionaliseerde werkelijkheid over Cave, ergens in de Bermudadriehoek tussen herinnering, mythe en broodje Aap. Daar waar de waarheid zich wel eens schuil zou kunnen houden. En waar Nick Cave zelf in songs, anekdotes en verbindende teksten hoog kan draven, vrijelijk mag schmieren en zijn zwartgeblakerde ziel wil blootleggen.

‘Mijn grootste angst is dat ik mijn geheugen verlies’, zegt hij bijvoorbeeld in deze zinnenprikkelende ode aan de kracht van verbeelding, die door Forsyth en Pollard wordt doorsneden met opnames voor zijn album Push The Sky Away (2013) en performances van die songs. Want uiteindelijk bestaan wij als mensen volgens Cave vooral uit onze herinneringen. ‘Daar gaat het mij om bij het schrijven van liedjes: het hervertellen van die verhalen en het mythologiseren ervan. Zo bezien is het verliezen van het geheugen een enorm trauma.’

In de navolgende jaren zal Nick Cave daar stug mee doorgaan, ook met het verwerken van de trauma’s die hij nog op zijn weg zal vinden – en die een plek zullen krijgen in de concertfilms One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True.

Joy Division

Voor de generatie die opgroeide aan het bedompte einde van de jaren zeventig, toen de eerste punkgolf in zijn nadagen was aanbeland, is Ian Curtis een symbool geworden van algehele malaise, van levensmoeheid zelfs. Zoals Kurt Cobain, de voorman van de Amerikaanse rockgroep Nirvana, dat een kleine vijftien jaar later voor de grunge-generatie zou worden.

Samen met zijn band Joy Division (96 min.) wist Curtis perfect het desolate karakter van zijn tijdsgewricht te verklanken. Als de Britse zanger uit Manchester zong over eenzaamheid, liefde die je uit elkaar trekt of depressies, drukte hij een wanhoop uit die door menige jongeling daadwerkelijk werd gevoeld. Curtis verbond er uiteindelijk de ultieme consequentie aan: op 18 mei 1980 maakte hij een einde aan zijn leven.

Zijn bandmaten Bernard Sumner (gitaar/synthesizer), Peter Hook (basgitaar) en Stephen Morris (drums), die na het overlijden van Curtis de groep New Order zouden vormen en ook daarmee popgeschiedenis schreven, blikken in deze treffende documentaire uit 2007 terug op de relatief korte periode dat ze aan zijn zijde de wereld leken te gaan veroveren. De film bevat ook citaten uit de autobiografie van Ians weduwe Deborah, Touching From A Distance.

In deze productie van Grant Gee, die eerder Radioheads complete vervreemding tijdens een wereldtournee ving in Meeting People Is Easy, komen verder onder anderen Curtis’ Belgische liefje Annik Honoré, de Nederlandse fotograaf Anton Corbijn (die tevens zijn debuutfilm Control aan de groep wijdde) en televisiepersoonlijkheid/platenbaas Tony Wilson (over wie de bij vlagen hilarische biopic, 24 Hour Party People werd gemaakt, waarin Joy Division ook een prominente plek kreeg) aan het woord.

Ieder voor zich beschrijven ze Curtis’ suïcide bijna als een fait accompli, het onvermijdelijke einde achter een door epilepsie, liefdestwijfel en depressies geplaagd bestaan. ‘Vijftig procent triest en vijftig procent boos’, voelde Stephen Morris zich naar eigen zeggen. ‘Boos op hem, omdat hij zoiets stoms had gedaan. En boos op mezelf, omdat ik niets had gedaan.’ De drie overgebleven bandleden vervolgden al snel hun weg, geschokt en toch ongebroken, onder een nieuwe noemer en met nieuw elan.

En zowel Ian Curtis als Joy Division werden bijgeschreven in Het Grote Popgeschiedenisboek, in het hoofdstuk over muziek die weliswaar ouder wordt, maar nooit oud.

Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Charles Bradley: Soul Of America

Charles Bradley zou nooit méér worden dan een imitator. Black Velvet was zijn naam. Ofwel: James Brown Jr. Een heel verdienstelijke imitator, dat wel. Met pruik en cape, alle verplichte danspasjes en die van soul druipende stem. Intussen leidde hij een tamelijk armetierig bestaan in een ongure New Yorkse flat. Soms moest Charles als volwassen vent zelfs bij zijn moeder in de kelder slapen.

Sinds zijn veertiende trad de zanger op als James Brown. Hij kon er echter nooit van leven. In 2011, als hij bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mag hij dan toch nog officieel debuteren als soloartiest. Bij Daptone Records, het kleine platenlabel van enkele witte soulfanaten die eerder al Miss Sharon Jones in de vaart der volkeren opstuwden. Bradley, die nauwelijks kan lezen en schrijven, vormt hun nieuwste project. Hij heeft alle butsen die hij in zijn leven heeft opgelopen, waaronder het overlijden van zijn oudere broer, verwerkt in eigen nummers.

In de docu Charles Bradley: Soul Of America (71 min.) uit 2012 volgt Poull Brien ‘The Screaming Eagle Of Soul’ in de aanloop naar de officiële release van zijn debuutalbum. Dat resulteert bijvoorbeeld in een prachtige scene als de Amerikaanse soulzanger hoort dat hij voor het eerst in de krant staat, op pagina 6 van The New York Post. De halve buurt loopt ervoor uit. Dan begint tastbaar te worden wat tot dusver een soort droom leek: hij, Charles Bradley, armoedzaaier uit New York, zou het als zestiger wel eens alsnog kunnen gaan maken.

Charles kan de eindjes alleen nog altijd nauwelijks aan elkaar knopen, ook omdat hij tegenwoordig moet zorgen voor zijn breekbare oude moeder, met wie hij van jongs af aan al een gecompliceerde relatie heeft. Het perspectief op een ander leven – met videoclips, fans en een Europese tournee – maakt echter alles anders. Het is alsof er een schijnwerper op hem wordt gezet, waardoor hij, bijna letterlijk, oplicht. Dat maakt van de 62-jarige debutant Charles Bradley een onweerstaanbaar filmpersonage, in een documentaire die liefdevol de ziel streelt.

Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde

AVROTROS

‘Die Erde atmet voll von Ruh und Schlaf’, klinkt ‘t in Der Abschied, het slot van Das Lied von der Erde. ‘Alle Sehnsucht will nun träumen.’ Met de symfonische liederencyclus wilde componist Gustav Mahler (1860-1911) harmonie met de wereld uitdrukken. Hij baseerde zich daarbij op Chinese poëzie uit de Tangdynastie, in dit geval Der Abschied Des Freundes van Wang Wei. ‘Die müden Menschen gehn heimwärts’, vervolgt het muziekstuk. ‘Im Schlaf vergeßnes Glück. Und Jugend neu zu lernen!’

De jonge Britse dirigent John Warner (27) voelt een verwantschap met Mahler. Ze delen een passie voor muziek en natuur. De Oostenrijkse componist is volgens hem zelfs een milieuactivist avant la lettre. Met zijn Orchestra For The Earth wil Warner diens muziek nu ten gehore brengen, liefst buiten een stedelijke omgeving. Op een plek ook, die bereikbaar is met het openbaar vervoer. Want de idealistische musici zijn het natuurlijk aan zichzelf verplicht om klimaatneutraal te reizen.

In de sfeervolle roadmovie Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde (52 min.) volgt de Nederlandse documentairemaker Frank Scheffer het kamerensemble naar Oostenrijk, waar het ook Mahlers huis aandoet. Daar zou hij, zo wil in elk het verhaal, elke ochtend vanaf het balkon van zijn villa in het meertje zijn gesprongen. Het duurt natuurlijk niet lang of ook de jonge muzikanten liggen er in het water, in één van de scènes die het ‘bloedserieuze’ karakter van de onderneming doorbreekt.

In gedragen sequenties laat Scheffer verder Mahlers majestueuze muziek en al even machtige natuurbeelden samenvloeien. Alsof ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Das Lied von der Erde is volgens John Warner ook echt een muziekstuk voor onze tijd. ‘Een symfonie die duidelijk maakt dat je alleen in harmonie komt met de wereld als je de koers van de natuur volgt.’

Tot De Laatste Snik!?

NTR

Eindigt het straks in een zielloze kantoortuin? Achter de geraniums? Of toch in café Vergane Glorie te Nergenshuizen? Voor artiesten die in de herfst van hun carrière zijn aanbeland liggen er nogal wat bananenschillen om te ontwijken. Ze kunnen zomaar een ouwe lul worden, een schim van zichzelf of een tragische karikatuur. Óf, nog erger: een oud wijf.

Volgens Angela Groothuizen, één van de hoofdpersonen van Tot De Laatste Snik!? (55 min.), had je als vrouwelijke artiest tot voor kort niets meer op een podium te zoeken na je veertigste. Althans volgens anderen. Hoewel ze zelf de zestig inmiddels is gepasseerd, treedt Groothuizen nog altijd op met de meidengroep The Dolly Dots. Binnenkort houdt ze er echter mee op. ‘Ik moet steeds harder werken om die stem een beetje op gang te krijgen’, zegt ze. ‘Ik ben gewoon versleten, man!’

De andere hoofdpersonen van deze boeiende documentaire van Marcel Goedhart moeten daar (nog) niet aan denken. Golden Earring-bassist Rinus Gerritsen heeft na het einde van zijn eigen band, als gevolg van de ziekte van gitarist George Kooymans, bijvoorbeeld een nieuwe uitdaging gevonden bij Supersister, de progrockgroep rond voormalig Earring-toetsenist Robert Jan Stips. Als het aan Gerritsen ligt, stopt hij pas als het fysiek écht niet meer gaat.

Ook Michel van Dijk, zanger van de Delftse progrockband Alquin, gaat maar door – al twijfelt hij daar soms ook wel over. Het bloed kruipt alleen waar het niet gaan kan. Terwijl hij de gevaren ervan toch zo goed heeft leren kennen. Tijdens zijn carrière raakte Van Dijk ernstig verslaafd aan heroïne. Nu hij daarvan is losgekomen, treurt hij om een geestverwant als Herman Brood: wat jammer dat die ons niet wat meer jaren van zijn talent heeft gegund.

Monique en Suzanne Klemann van Loïs Lane weten eveneens van geen ophouden. Zolang ze er straks maar niet ‘als een oud wijf‘ bijstaan. Daarbij vertrouwen de zussen ook op enkele mensen uit hun directe omgeving: die moeten ‘t beslist zeggen als het tijd wordt om te stoppen. Vooralsnog worden de dames naar eigen overtuiging echter alleen maar beter in hun vak, opteren ze vol overtuiging voor sterven in het harnas en zingen intussen alsof hun leven ervan afhangt.

Dat geldt op een wrange manier ook voor Jan Rot, die volgens zijn vrouw Daan gewoon een minder leuk mens is als hij niet optreedt. De zanger/hertaler is ongeneeslijk ziek en floreert tegelijkertijd als nooit tevoren. Hij weet dat het feest waarvan hij al sinds jaar en dag het middelpunt is nu toch echt naar zijn einde loopt, maar wil door totdat het licht definitief wordt uitgedaan. Hopelijk kan hij het nog tot de zomer rekken, zegt hij nuchter. ‘En daarna zal het wel afgelopen zijn.’

Met oprechte interesse en compassie observeert Goedhart deze oude rotten voor, tijdens en na een optreden, de voornaamste reden dat ze ooit op aarde zijn gezet en daar ook nog altijd ronddolen. Hoe houd je dat geloofwaardig, zorg je ervoor dat het niet gênant wordt en tegelijkertijd ook nog een beetje leuk blijft? Het zijn dilemma’s waarvoor ze allemaal, ieder op z’n eigen manier, worden gesteld. En wat nu als zíj nog wel willen maar het publiek afhaakt? 

Het slotakkoord van deze weemoedige film is voor – hoe kan het ook anders? – Jan Rot. Met een (laatste) snik in zijn stem zingt Rot zijn eigen hertaling van de klassieker My Way. ‘I did it my way’ wordt in die uitvoering: ‘Dit was wat ik was’. Waarvan acte. Tijdens de climax van het aangrijpende lied draait hij, perfect getimed, zijn gezicht naar de camera en tovert zijn meest ontwapenende glimlach tevoorschijn. Inderdaad: artiest, tot de aller-allerlaatste snik.

Tot De Laatste Snik is hier te bekijken.

Rob de Nijs – Voor Het Laatst

Videoland

Het mag natuurlijk niet zielig worden. Dan werpt hij zelf de handdoek in de ring. Tot die tijd geniet Rob de Nijs van zijn laatste jaren als artiest, een vak dat hij al ruim een halve eeuw beoefent. Ook al wordt dat door de ziekte van Parkinson steeds moeilijker. Hij is er kwetsbaarder door geworden. Dat zachte en broze siert hem echter wel. En zijn carrière heeft mede daardoor nog een opvallende remonte doorgemaakt.

In het tweeluik Rob de Nijs – Voor Het Laatst (70 min.) portretteert documentairemaker Eric Goens de Nederlandse zanger in de aanloop naar zijn afscheidsconcert op 21 november 2021 in het Sportpaleis in Antwerpen. Van tevoren kampt De Nijs volgens eigen zeggen met ‘de doodsangst of het allemaal wel goed gaat’. Niet gek: hij heeft anderhalf jaar niet gezongen en verbleef zelfs zes weken in een revalidatiecentrum om zich optimaal te kunnen prepareren voor dit optreden.

Behalve met de zanger zelf spreekt Goens ook met zijn 26 jaar jongere vrouw Jet, pianist/manager Frank Jansen en tekstschrijver en ex-echtgenote Belinda Meuldijk. Zij hink-stap-springen even vluchtig door zijn leven en carrière, maar richten zich vooral op het ziekteproces en de weg naar dat uitroepteken achter zijn imposante loopbaan, de vanzelfsprekende climax van dit aardige kijkje achter de schermen. ‘Iedereen in de zaal mag tranen hebben, maar ik niet’, zegt de professional daarover nuchter.

Het is alleen de vraag of het zo werkt bij zo’n beladen concert. In de coulissen houdt zijn neuroloog Bas Bloem in de gaten of alles goed gaat. En ook Jet en zoontje Julius wijken niet van zijn zijde als Rob de Nijs voor het allerlaatst – écht!, alhoewel… – het podium betreedt voor hits als Ritme Van De Regen, Banger Hart en Malle Babbe.

Searching For Sugar Man

Over profeten die in eigen land niet worden geëerd gesproken: de Amerikaanse zanger Rodriguez zou met zijn elpees Cold Fact (1970) en Coming From Reality (1971) nooit verder reiken dan een heel klein groepje ingewijden, dat hem binnenhaalde als een soort nieuwe Dylan. Het grote publiek bleef altijd buiten handbereik. Tenminste, totdat hij enkele jaren later werd ontdekt aan de andere kant van de wereld…

Halverwege de jaren zeventig groeide zijn muziek stilletjes uit tot de soundtrack van een nieuwe generatie (witte) Zuid-Afrikanen die zich afzette tegen het Apartheidsregime. De singer-songwriter uit Detroit lag toen zelf al lang en breed onder de groene zoden, zo wil het verhaal. Rodriguez, die tijdens concerten altijd met zijn rug naar het publiek stond, zou zichzelf in brand hebben gestoken op het podium. Tragisch verhaal.

De Zuid-Afrikaanse muziekjournalist Craig Bartholomew-Strydom heeft dan weer gehoord dat de mysterieuze zanger zich met een kogel van het leven heeft beroofd. Hij besluit om op zoek te gaan naar wie deze Sixto of Jesus Rodriguez was en waarom het zo met hem is afgelopen. Zijn queeste start vanuit een aloud journalistiek principe: follow the money. En dan wordt al snel duidelijk dat (de erven) Rodriguez nooit een cent hebben gezien van zijn Zuid-Afrikaanse succes.

Searching For Sugar Man (86 min.), een film van Malik Bendjelloul uit 2012 die de Oscar voor beste documentaire won, serveert Rodriguez’s levensverhaal uit als een onvervalste detective. Via allerlei mensen uit zijn directe omgeving, waaronder zijn drie volwassen dochters, komt de docu steeds dichter bij de illustere zanger. Waarna het verhaal, zoals het een muzikale thriller betaamt, een onverwachte wending neemt en vervolgens toewerkt naar een bijzonder bevredigende apotheose.

Noem het ‘stranger than fiction’, ‘too good to be true’ of ‘de waarheid een handje helpen’, feit is dat deze Hollywood-docu uiteindelijk wonderwel werkt. De mythologie van een verdwenen popheld die in een ander leven alsnog succes krijgt, spreekt nu eenmaal tot de verbeelding en wordt bovendien, gebruikmakend van ’s mans mysterie en zijn krachtige songs (waarvoor Bedjelloul een soort videoclips heeft gemaakt), bijzonder effectief uitgewerkt.

Totdat alle geheimen zijn ontrafeld en Rodriguez er weer een schare fans bijheeft.

Van Vader Op Zoon

BNNVARA

Hij móést zingen. Niet van zichzelf. Van zijn vader. Die zag het talent. Een nieuwe André Hazes. Pas later werd zingen leuk voor Mart Hoogkamer, zegt hij. De jonge levensliedzanger uit Leiden heeft net een platencontract ondertekend. De droom van zijn vader. En van zijn eveneens zingende jongere broer Luciano.

Marts vader was vroeger een kindersterretje. Ook hij had toen een platendeal. Bij het label van George Baker, Nico Haak én André Hazes. Trots laat Martin de singletjes zien aan zijn zoon. En krantenknipsels uit lang vervlogen tijden: ‘Martin Hoogkamer jr. (13) kweelt het hoogste lied in de randstad.’

En toen kwam er iets in zijn keel: de baard. ‘En dan zijn ze je ook zo vergeten’, zegt Martin met spijt in zijn stem. ‘Dat is gewoon zo.’ Zijn talent heeft hij echter doorgegeven aan een nieuwe generatie Hoogkamers, Van Vader Op Zoon (37 min.). En zoon Mart geniet met volle teugen van het optreden, de fans en de studio-opnames.

Pa Martin ziet het geëmotioneerd aan. Hij kan er niet altijd zijn voor z’n jongens. Soms is hij zomaar even weg. ‘Een pakkie sigaretten halen’, volgens Mart. Al komt de politie hem daarvoor speciaal ophalen. ’Daar leer je als klein kind mee leven’, vertelt de jonge zanger aan zijn producer Bram Koning. ‘Je bent ermee opgegroeid.’

De relatie tussen vader en zoon Hoogkamer vormt het hart van deze sfeervolle korte documentaire van Arjen Sinninghe Damsté, die de psychologie van de levensliedzanger en zijn vader probeert te doorgronden. Die zit ‘m niet altijd in de woorden. Al die zijn er ook: spaarzaam, maar recht op hun doel af. Wat onbesproken blijft, wordt treffend zichtbaar gemaakt. Voelbaar.

Zoals elke ouder wil Mart Sr. simpelweg het beste voor zijn kinderen. En dat ze niet de fouten maken die hem de das hebben omgedaan. En Mart Jr. wil zich losmaken van die druk. Al weet hij zelf ook wel dat dit nooit helemaal lukt. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt’, zingt hij tot besluit, met een onvermijdelijke snik in zijn stem. ‘Waar je wiegje heeft gestaan, heeft je gemaakt tot wie je bent.’

Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful)

Piece Of Magic

Dit is één grote lofzang. Op de Italiaanse bromsnor Paolo Conte. De man achter wereldwijde hits als Via Con Me, Gli Impermeabili en Max. Hij schrijft nu al ruim zestig jaar liedjes. Sinds de jaren zeventig vertolkt hij ze ook zelf. Met die sonore stem, gezeten achter een vleugel en meestal in de rug gedekt door een excellerend orkest. Conte zingt dan zoals hij eruit ziet: een gesoigneerde heer, oorspronkelijk advocaat van beroep, mijmerend of somberend over het leven.

Via talloze concertfragmenten krijgt hij in de hagiografie Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful) (100 min.) ook alle ruimte om te zingen. Tussendoor is Conte, pratend over z’n songs en carrière, zijn eigen peinzende zelf. En geeft regisseur Giorgio Verdelli allerlei Italiaanse vakbroeders en coryfeeën zoals Isabella Rossellini, Jane Birkin en Roberto Benignini de gelegenheid om al hun persoonlijke herinneringen aan hem op te dissen en een diepe greep te doen in de grabbelton met superlatieven die ze speciaal voor de gelegenheid hadden klaargezet.

In het geval van de komiek Benignini (La Vita E Bella) mondt dit uit in cabaretachtige minivoorstellingen, waarvan een enkele kijker wellicht in een permanente lachstuip zal schieten en de rest waarschijnlijk diepgevoelde wurgneigingen krijgt. De andere sprekers vliegen weliswaar minder karikaturaal uit de bocht, maar hebben in wezen dezelfde boodschap: Paolo Conte is een soort godswonder en zij voelen zich gezegend dat ze, al was het maar voor heel even, in zijn aanwezigheid mochten vertoeven.

Een mens zou van minder ongemakkelijk worden. Ruim anderhalf uur verder heeft de argeloze kijker bovendien – ondanks de overvloed aan anekdotisch bewijs – nog altijd weinig grip gekregen op het fenomeen Paolo Conto. Al zou het zomaar kunnen dat hij/zij daarna wél één van de langspelers van de charismatische jazzbrommer uit het Noord-Italiaanse stadje Asti voor de dag haalt. Want deze zoete en lange ode aan de man en zijn muziek maakt ondanks al z’n beperkingen toch een succesvol pleidooi voor zijn melancholieke oeuvre.

Aznavour, Le Regard De Charles

Piece Of Magic

Via wat hij zag, krijgen we hem te zien. Charles Aznavour (1924-2018), chansonnier, acteur én amateurfilmer. Een paar maanden voor zijn dood leidde hij regisseur Marc di Domenico binnen in zijn heilige der heiligen: een geheime kamer, bezaaid met filmrollen. Aznavour had die hoogstpersoonlijk volgeschoten met de 16mm-camera, die hij in 1948 kreeg van zangeres Edith Piaf. De zanger zou er tot 1982 zijn leven mee filmen, met een bijzonder oog voor de wereld om hem heen én voor vrouwelijk schoon.

Het (zelf)portret Aznavour, Le Regard De Charles (75 min.) is vrijwel volledig opgebouwd uit deze privébeelden: Charles op de filmset van de anti-oorlogsfilm Un Taxi Pur Toubrouk, Charles en zijn toenmalige geliefde op een zeilboot en Charles omringd door handtekeningenjagers in een Chinese trein. Maar vooral zien we wat hij zag: vanaf het moment dat de ruim twintig jaar jongere Zweedse schone Ulla in zijn leven komt, domineert zij bijvoorbeeld een tijd lang elk frame. En verder: de plekken die hij aandeed en de mensen die hij daarbij ontmoette

Intussen vertelt hij zelf, in voice-overteksten die zijn gebaseerd op interviews en notities van Aznavour en ingesproken door acteur Romain Duris, zijn levensverhaal: telg van een familie die de Armeense genocide ontvluchtte, als zanger onder de hoede genomen door Edith Piaf, doorgebroken in het verre Amerika, comfortabel levend in de internationale jetset en toch altijd verlangend naar dat ene land dat Zij, Armeniërs van de diaspora, moesten verlaten. Want je kan een man wel van zijn geboortegrond halen, maar daarmee haal je die grond nog niet uit de man.

Gekende evergreens als La Bohème, Formidable en She begeleiden Aznavours videodagboek, dat de kijker een intieme blik gunt in zijn gedachtewereld en zielenleven. Aan het eind van de film richt hij zich rechtstreeks tot z’n publiek: ‘Ik heb deze beelden nooit teruggezien. Maar ik wist dat u ze ooit zou zien. Vandaag bent u erbij, meekijkend over mijn schouders. Er is geen scheiding meer, geen lijn meer tussen ons. Onze blikken smelten samen.’

My Darling Vivian

mydarlingvivian.com

In de geschiedschrijving is ze gereduceerd tot een soort voetnoot in het leven van zanger Johnny Cash. De vrouw die hij uiteindelijk zou inruilen voor de flamboyante June Carter. Exemplarisch is in dat verband de Cash-biopic Walk The Line uit 2005, waarin Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon een onweerstaanbaar koppel neerzetten als Johnny en June. Zij, Vivian Liberto, kreeg in die Hollywood-hit een volstrekt ondergeschikte rol toebedeeld: die van de ontevreden echtgenote die achterbleef met vier dochters terwijl Zij de wereld veroverden.

Rosanne, Kathy, Cindy en Tara belichten datzelfde verhaal nu eens vanuit het perspectief van My Darling Vivian (90 min.), hun moeder die dertien jaar getrouwd was met The Man In Black en de rest van haar leven in de schaduw van Johnny en zijn nieuwe vlam, die soms ook nog doodgemoedereerd haar kinderen claimde, zou blijven staan. Zoals treffend vervat in die ene pijnlijke krantenkop: was Johnny Cash’s eerste vrouw zwart? Dat gerucht had ook ten tijde van hun huwelijk al de ronde gedaan en moest toen, vanwege aanhoudende bedreigingen vanuit de Ku Klux Klan, officieel worden ontzenuwd.

De vier zussen Cash krijgen in deze boeiende, soms wat talky film alle gelegenheid om zulke misverstanden recht te zetten en Vivian weer de plek te geven in het leven van hun vader die haar stelselmatig is onthouden. Regisseur Matt Riddlehoover omlijst hun persoonlijke herinneringen met een ontzaglijke hoeveelheid homevideo’s waarin nu eens de vrouw des huizes de hoofdrol krijgt en niet haar voormalige echtgenoot, aan wie ze haar hele leven verknocht zou blijven. In die zin biedt deze documentaire tevens prima tegenwicht aan The Gift: The Journey Of Johnny Cash, waarin ook Johnny’s relatie met June kundig van z’n glamourrandje is ontdaan.

Vivian Liberto, die enkele jaren na de scheiding van haar grote liefde zelf hertrouwde met de politieman Dick Distin, zou die documentaire niet meer meemaken. Zoals ook Walk The Line haar (net) bespaard bleef. In 2005 overleed ze op 71-jarige leeftijd, twee jaar nadat ook Johnny was gestorven. Ze had van hem nog wel toestemming gekregen om haar levensverhaal op te tekenen. De memoires van Vivian Cash (!) I Walked The Line: My Life With Johnny, waarin ook talloze liefdesbrieven van haar ex-man zijn opgenomen, verschenen in het jaar van haar dood.

Ramses: Où Est Mon Prince

Met een hoed op en een nonchalant pak aan arriveert hij op het Amsterdamse stadhuis. Voor het oog van de camera gaat Ramses Shaffy (1933-2009) er op 10 februari 1977 zijn Nederlandse paspoort ophalen. De zanger oogt gespannen. Hij haalt een balpen uit zijn jaszak. Kapot. Een ander exemplaar dan maar. Die handtekening moet tenslotte echt worden gezet. Even opmeten daarna. Zonder hoed natuurlijk. 1 meter 85. Intussen laat Ramses het persoonsbewijs zien waarmee hij het tot dusver moest doen: een ‘paspoort voor vreemdelingen’.

Even later, als hij het felbegeerde kleinood in handen heeft, richt hij zich tot de aanwezige ambtenaren, luid en met overslaande stem: ‘Mag ik jullie ontzettend bedanken voor de medewerking? Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben Nederlander! Fantastisch! En we zullen doorgaan. Ik begin vast, begrijp je wel?’ Het is Ramses Shaffy ten voeten uit. Zoals we hem hebben leren kennen: als een onvervalste levenskunstenaar voor wie het bestaan nooit meeslepend genoeg kon zijn. Met een onweerstaanbare charme ook. ‘Ik hoor erbij’, zegt hij nog, met een duidelijke snik in zijn stem. ‘Ik hoor erbij. Belachelijk, hè?’

Grote emoties, publiek beleefd. Van een Egyptisch-Pools jongetje dat op zesjarige leeftijd door zijn moeder in Parijs op de trein werd gezet en in een Nederlands pleeggezin moest opgroeien. Onder de gefingeerde echte mensennaam Didi Snellen. Die ingrijpende gebeurtenis ligt ook onder de met een Gouden Kalf bekroonde documentaire Ramses: Où Est Mon Prince (70 min.) uit 2002, waarin regisseur (en Shaffy’s voormalige overbuurjongen) Pieter Fleury eerst met prachtig archiefmateriaal en persoonlijke interviews met ex-vriend Joop Admiraal (‘heel Amsterdam was verliefd op Rames’), zangeres Liesbeth List (‘hij leefde boven de wet en was daarom zo bijzonder’) en pianist Louis van Dijk (‘een goeroe van de vrijheid’) leven en carrière van het flamboyante podiumbeest doorlicht.

Daarna introduceert hij Ramses zelf, een breekbare oude man inmiddels, die nauwelijks meer voor zichzelf kan zorgen. Nog altijd even uitgesproken, theatraal en drankzuchtig, dat wel. En op elk moment van de dag in staat om de knop om te zetten en zijn muzikale zelf aan. Zet hem achter een piano en zijn vingers vinden automatisch de juiste toetsen. En plots is daar ook, als vanzelf, die gedragen zangstem. ‘Ik kijk naar de wolken die over drijven’, zingt hij bijvoorbeeld, naar boven kijkend (naar zijn moeder?). ‘En ben dan zo bang dat die eenzaamheid zal blijven.’ Een traan biggelt inmiddels over zijn wang.

En zo wordt hij in deze hartveroverende filmklassieker opnieuw de man die genadeloos over je heen walst, waaraan je je kapot ergert en die je toch alleen – er is echt geen andere keus – in je hart kunt sluiten.

In Heb Me Lief, het portret van een kwetsbare Liesbeth List, is Ramses Shaffy natuurlijk ook prominent aanwezig.

O, O, Harrie

21mei_Harrie_Jekkers_nu

 

Je kunt de man wel uit de arbeid halen, maar de arbeider niet uit de man. Misschien verklaart dat de aantrekkingskracht die Harrie Jekkers heeft op ‘gewone’ mensen. Zeker als hij lacht, oogt de zanger/kleinkunstenaar nog steeds als een rasechte volksjongen. En dan heb je hem nog niet eens horen praten…

Een doodgewone Hagenees was hij natuurlijk nooit. Al weet Jekkers, getuige bijvoorbeeld het onofficiële volkslied van zijn stad O, O, Den Haag of z’n portret van Koos Werkeloos, nog altijd moeiteloos de weg te vinden naar zijn arbeidersroots. Met de puntgave Nederlandstalige liedjes van het Klein Orkest voegde hij daar een linkse signatuur aan toe.

Jekkers legt nog altijd moeiteloos een connectie met gewone mensen: de man die zijn broer verloor en troost vond in Over 100 Jaar, een vrouw die na het horen van Ik Hou Van Mij besloot te gaan scheiden en de man die zijn carrière een nieuwe boost gaf, met Man In De Wolken in zijn achterhoofd. Via hen laat Karin Junger in O, O, Harrie (55 min.) zien welke impact Jekkers heeft gehad op zijn publiek.

Dat blijkt een tweesnijdend zwaard. Zelf koestert hij de vele brieven die hij door de jaren heeft ontvangen van zijn fans. Jekkers heeft ze altijd bewaard. Als hij erin terugleest, zo blijkt tijdens een sleutelscène van de film, kan hij nog altijd geëmotioneerd raken. Zijn fans vormen een soort verkapte familie, in een bestaan dat uiteindelijk, volgens hemzelf door bindingsangst, relatie- en kinderloos is gebleven.

In deze boeiende televisiedocumentaire slaagt Karin Junger erin om de man achter de gezellige drinkebroer vandaan te halen: een einzelgänger, die zich heeft verschanst in zijn eigen huis op Ibiza, tevreden lijkt met wat hij heeft opgebouwd en geen grootse plannen meer koestert voor de toekomst. Of het moet (nog) een reünietournee met het Klein Orkest zijn…

Bij het zoeken naar weblinks voor dit stuk stuitte ik overigens op dit verhaal over O, O Den Haag, de hit die onder de naam Harry Klorkestein – de achternaam is een anagram van Klein Orkest – werd uitgebracht en overal door de playbackende geluidstechnicus van de groep, Henny de Jong, aan de man is gebracht.